CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B3 Toelichting Hemmerbuurt 19a (2024-23)

Gemeenteraad 27 mei 2024, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a Hem (2024-23)20.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.2

Huidige situatie plangebied

Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van de Hemmerbuurt, op de locatie Hemmerbuurt 19a. Het plangebied wordt aan de noordzijde door de Hemmerbuurt en de lintbebouwing aan de Hemmerbuurt begrensd. Aan de oostzijde bevinden zich een winkelpand en de lintbebouwing aan de Marktweg. Ten zuiden bevindt zich het woningbouwplan Marktweg Hem. Ten westen bevindt zich eveneens lintbebouwing aan de Hemmerbuurt. Het plangebied bestaat uit een kassencomplex (oppervlakte circa 4.500 m2 ) behorende bij een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp glastuinbouwbedrijf en een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 9.300 m2 . Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich een zinkbassin. Een zuidelijke strook van het plangebied betreft onbebouwde gronden. In afbeelding 3.3 is een luchtfoto van het plangebied opgenomen. Het plangebied is hier indicatief met rode lijn weergegeven. Afbeelding 3.4 bevat een straatbeeld vanaf de Hemmerbuurt.

Afbeelding 3.3: Luchtfoto plangebied (Bron: Ruimtelijke plannen)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

Afbeelding 3.4: Straatbeeld vanaf de Hemmerbuurt (Bron: Google Streetview)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

Het voornemen is het bestaande kassencomplex aan de Hemmerbuurt 19a te slopen en de locatie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. In dit hoofdstuk worden de plannen beschreven, waarbij ingegaan wordt op het stedenbouwkundig plan, landschappelijke inpassing, beeldkwaliteit, duurzaamheid en verkeer en parkeren.

4.2

Stedenbouwkundig plan

Binnen het plan wordt een kleinschalige woningbouw uitbreiding gerealiseerd van in totaal 18 woningen. De woningen bestaand uit een gevarieerd programma voor verschillende doelgroepen. Hierbij is er een verdeling in vier twee-onder-een kapwoning, vier bouwkavels voor een vrijstaande woning en een blok met tien rijwoningen. Het stedenbouwkundig plan voegt zich binnen de omliggende structuren. Het plan sluit daarbij aan op de schaal van nieuwbouwontwikkeling (Marktweg Hem) aan de zuidkant. De ontsluiting voor bestemmingsverkeer sluit op twee plekken logisch aan op de nieuw te ontwikkelen ontsluitingsweg aan de zuidkant. Ook is er een ontsluiting gemaakt voor langzaam verkeer (wandelaars) aan de noordkant, aansluitend op de Hemmerbuurt. De rijwoningen aan de noordkant staan rondom een groene open middenplek. Naast parkeren op eigen kavels komen er ook centrale parkeervakken. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing wordt de landschappelijke structuur van de nieuwbouw ontwikkeling aan de zuidzijde doorgezet. Zo komen er bomen langs de straat en groene erfafscheidingen bij de woningen en langs de randen van parkeervakken. De losse solitaire bomen bij de centrale groene plek bij de rijwoningen dragen bij aan het vergroten van de biodiversiteit en de ruimtelijke kwaliteit van het plan. In afbeelding 4.1 is de planstructuur weergegeven.

Afbeelding 4.2 bevat een uitsnede van de inrichtingstekening.

Afbeelding 4.1: Planstructuur (Bron: Ervenconsulenten.nl)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

Afbeelding 4.2: Inrichtingstekening (Bron: Ervenconsulenten.nl)

4.3

Landschappelijke inpassing

4.3.1

Landschappelijke situatie

4.3.1.1 Ordeningsprincipes West-Friesland Oost is een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten. De ligging van de linten is afhankelijk van de richting van de ontginningen en vaak sterk gerelateerd aan de ondergrond (de hooggelegen kreekruggen). In Polder het Grootslag is het oorspronkelijke karakter van het gebied door de ruilverkaveling verloren gegaan. De vaarverkaveling is verdwenen en het gebied is nu relatief grootschalig van opzet. Veel sloten zijn gedempt en wegen zijn aangelegd om het gebied te ontsluiten. Samen met de nieuwe agrarische bebouwing die in omvang toeneemt, ontstaat een nieuw landschap.Het gebied tussen Hoogkarspel en Enkhuizen, langs het oude lint Streekweg-Hoofdstraat, is de laatste decennia flink verstedelijkt. 4.3.1.2 Openheid en ruimtebeleving Het oostelijke deel is het minst open ensemble van West-Friesland. Het verloor de grootschalige openheid door de aanleg van woongebieden, bedrijventerreinen en agrarische bebouwing en is nu matig open tot gesloten. 4.3.1.3 Ruimtelijke dragers De Westfriese Omringdijk markeert de begrenzing van het oude zeekleigebied. Dit is een provinciaal monument en een ruimtelijke drager van regionale betekenis.

In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen. De lintdorpen zijn beeldbepalend en zijn van oudsher de ruimtelijke dragers van verstedelijking en van stolpenreeksen. Het lint bij Grootebroek is uitgestrekt, rechtlijnig en verstedelijkt. In het linten vindt geleidelijke verdichting en uitbreiding plaats met een mix aan functies van een verschillende omvang (zoals wonen, agrarische functies, handelsbedrijven, recreatieve functies, maneges etc.). Hoe meer het lint verdicht hoe meer divers de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp functies en de maat en schaal van de bebouwing. Soms is het moeilijk de grens tussen kern (bebouwde kom) en landelijk lint vast te stellen. Verdere groei van bebouwing aan en langs de linten leidt tot verdere verdichting van het landschap en het verdwijnen van doorzichtenen open gebieden. Er zijn ook linten die inmiddels zodanig verdicht zijn dat er vanaf het lint weinig tot geen doorzichten naar het landschap meer zijn. De grotere waterlopen als de Kadijk, de Groote Vliet, de Molensloot en de parallel hieraan gelegen sloten vormen herkenbare lijnen in het landschap 4.3.1.4 Ambities en ontwikkelingsprincipes De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: Bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek. Bij te laten dragen aan het versterken van (de eleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. De lineaire structuren zijn de dragers voor het aantrekkelijke woon- en werklandschap tussen Hoorn en Enkhuizen. Linten, waterlopen, spoor en wegen verbinden Hoorn en Enkhuizen. Dit zijn van oudsher de dragers voor de ruimtelijke ontwikkelingen. Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: Het behouden van de linten tussen Hoorn en Enkhuizen als basis voor een aantrekkelijk (woon) landschap.

Behoud de lineaire structuren zoals als cultuurhistorisch waardevolle linten, waterlopen en voormalige waterkeringen en verbeter (waar mogelijk) de kwaliteit. Gebruik de linten als basis voor (kleinschalige) ruimtelijke ontwikkeling. Behoud de landschappelijke en relatief open ruimte tussen Hoorn en Hoogkarspel. Versterk waar mogelijk de kwaliteit van het aantrekkelijke landschap tussen Hoogkarspel en Enkhuizen (kans). Versterk de recreatieve verbindingen tussen stad en landschap en verminder waar mogelijk de barrièrewerking van de grotere infrastructuur (kans). Behoud en versterk de recreatieve betekenis van historische vaarwegen, zoals de vaarroute HoornEnkhuizen (kans). 4.3.2

Landschappelijke inpassing

Het plangebied ligt in het landschap: Oude zeekleilandschap met een fijnmazige verkaveling en linten op de hooggelegen kreekruggen. Het plangebied ligt direct ten zuiden van een van deze oude linten met stolpboerderijen, maar maakt er geen onderdeel van uit. De openheid van het landschap is in het plangebied zelf niet aanwezig. Het plan is omsloten door (toekomstige)bebouwing en heeft een grote kas. Door in het toekomstig plan de structuurlijnen uit de omgeving (verkavelingsrichting, wegen) op te nemen en kan daarmee worden bijgedragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek.

4.4

Beeldkwaliteit

4.4.1

Algemeen

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Ervenconsulenten.nl een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 1 bijgevoegd. Hierna wordt op de beeldkwaliteitseisen ingegaan, waarbij onderscheidt gemaakt wordt tussen de architectuur van de bebouwing en van het landschap.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 4.4.2

Architectuur

4.4.2.1 Algemeen Het beeldkwaliteitsplan heeft als doel het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig woongebied, dat goed ingepast wordt binnen de bestaande stedenbouwkundige context. Om tot een goede invulling te komen van de nieuwe bebouwing zijn daarom beeldkwaliteitsrichtlijnen opgesteld. Door het vastleggen van richtlijnen wordt beoogd dat de nieuwe woningen in architectuur en uitstraling elkaar versterken. Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit staat voorop. De nieuwe bebouwing, zowel de rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen hebben een mate van samenhang en eigen identiteit. De bebouwing sluit in schaal en orïentatie aan op de directe omgeving en voegt zich daardoor in de dorpse context. De bebouwing heeft een eigentijdse uitstraling en is niet historiserend. Er is niet alleen gekeken naar de hoofdvorm (breedte, diepte en hoogte) van de woningen en bijbehorende bouwwerken. Er is ook aandacht besteed aan de materialisering, de detaillering en inpassing. Het toepassen van dezelfde hoofdmaterialen, draagt bij aan de samenhang van de nieuwe woningen. Bijzondere accenten kunnen afwijken in het materiaalgebruik. Op deze manier wordt gezorgd voor een zekere kwaliteit, passend bij de sfeer van het plangebied binnen de omgeving. De volgende algemene richtlijnen gelden voor alle nieuwe woningen. Voor referentiebeelden wordt verwezen naar het Beeldkwaliteitsplan.

4.4.2.2 Ligging Voor zover de woningen aan de openbare ruimte liggen of van daaruit duidelijk zichtbaar zijn, hebben deze een alzijdig karakter. Blinde gevels aan de zijde van de openbare ruimte zijn niet gewenst. De voorgevels zijn representatief en georiënteerd op de weg of bij de rijwoningen op de centrale groene plek aan de voorzijde. De woningen staan uit de voorste perceelsgrens waardoor er altijd ruimte is voor groene voortuinen en een groene omzoming. De ruimte tussen weg en woningen, draagt op die manier bij aan het groene karakter van de plek. Bergingen hebben een ondergeschikte positie, staan in de tuin aan de achterzijde waarbij deze gelijkvormig worden ontworpen in materiaal en detaillering. Bijgebouwen zijn achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning gesitueerd (geen uitstekende bijgebouwen aan de voorzijde van de woning). Het heeft de voorkeur dat bijgebouwen meegenomen worden in de materialisering van het gebouw. 4.4.2.3 Massa De hoofdmassa is duidelijk herkenbaar. De bebouwing wordt voorzien van een kap met een nok of gedeeltelijk plat dak. De woningen zijn één of tweelaags met een verdieping onder de kap. Op- en aanbouwen zoals erkers sluiten aan op de architectuur van de hoofdmassa. Dakkapellen, aan- en uitbouwen dienen per woning te worden vormgegeven passend bij de architectuur van het pand. Hiermee zijn ze onderdeel van de architectuur.

4.4.2.4 Detaillering De detaillering is eenvoudig en verfijnd en evenwichtig samenhangend vormgegeven. De bebouwing wordt als individueel en afwisselend ontworpen. Identieke woningen naast elkaar is niet gewenst. In het geval van de twee-onder-één-kap woning wordt dit beschouwd als één bouwmassa en hierin is eenheid en gelijkheid wel gewenst. In het geval van de rijwoningen wordt dit beschouwd als één bouwmassa waarbij de woningen afwisselend ontworpen worden. Een uniform blok rijwoningen in exact dezelfde uitstraling in materiaal en kleurgebruik en detaillering dient voorkomen te worden. De detaillering ondersteunt de karakteristiek van de vorm. Toegevoegde elementen zijn ondergeschikt en vormgegeven in de lijn van de architectuur van het geheel. Elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp plaatsen. 4.4.2.5 Materiaal en kleurgebruik De woningen dienen een bescheiden uitstraling te hebben naar de straatzijde. Gebruik landelijke en/ of traditionele kleuren. Kleurgebruik in gevel: rustig, geen schreeuwerige felle kleuren. De gevels worden voornamelijk opgebouwd uit metselwerk in warme aardetinten als hoofdmateriaal.Ondergeschikte lichte accenten wel toegestaan. Het is mogelijk om in de gevel hout uit te voeren of een ander natuurlijk materiaal toe te voegen wat naar aard en textuur een vergelijkbare uitstraling heeft. Boeidelen worden uitgevoerd in wit. Kappen zijn uitgevoerd in matte, donkergrijze/ zwarte of antraciete keramische dakpannen (of gelijkwaardig). Binnen de kleur antraciet is kleurverschil mogelijk. Geen toepassing van glimmende dakpannen. Kozijnen en dakranden: passend in de architectuur van het gebouw. Aanbouwen en bijbehorende bouwwerken: passend binnen het kleurenschema van de hoofdmassa. Indien zonnepanelen op de dakvlakken worden geplaatst moet gebruik worden gemaakt van panelen met zwarte (geanodiseerde) randen, passend in de architectuur van het gebouw. Het heeft de aanbeveling dat elementen ten behoeve van natuurinclusieve bebouwing, zoals vogelpannen, neststenen en vogelvides die bijdragen aan de nestelmogelijkheden van vogels en vleermuizen, deel uit maken van het gevelontwerp. 4.4.3

Landschap

4.4.3.1 Algemeen De inrichting van de openbare ruimte speelt een belangrijke rol in de beleving en de kwaliteit van de nieuwe woonbuurt. De landschappelijke inrichting dient goed aan te sluiten op de dorpse sfeer en de regels voor de architectuur. Met het ontwerp als basis zijn daarom voor de terreininrichting een aantal uitgangspunten en richtlijnen opgesteld. 4.4.3.2 Erfafscheidingen Voor het creëren van representatieve kwaliteit en een groene relatie met de omgeving komen er op de overgang van kavel naar de openbare ruimte groene erfafscheidingen in de vorm van hagen. De haag ter plaatse op het voorerf is maximaal 1,20 m hoog en staat tot de achtergevellijn (in het plan aangegeven met lichtgroene lijn). De haag bestaat uit een streekeigen haagsoort of een combinatie ervan. Om kavels een groene kwaliteit te geven dient er op de erfbegrenzingen die in het zicht liggen, dit betreft de achterzijde en zijkanten van de achtertuinen, sprake te zijn van een groene erfafscheiding. Hierin is er de keuze tussen: Een erfafscheiding die is gemaakt van een robuust open hekwerk (open gaas of staafmatten) met klimplanten begroeiing, 180-200 cm. hoog (aangegeven met donkergroene lijn) Een hoge haag, maximaal 2 m. hoog, bestaande uit een streekeigen haagsoort, 180-200 cm. hoog.

Niet toegestaan zijn: Schuttingen als erfafscheiding van de openbare ruimte zijn niet toegestaan; Ongeschilderd geïmpregneerd hout; Houten (zweeds rabat) schutting schanskorven. Blank metalen hekwerken, behalve als dit gaas betreft dat door begroeiing buiten het zicht raakt. 4.4.3.3 Hagen, bomen, heesters en vaste planten Voor de hagen, bomen, heesters en vaste planten vakken dient er een toepassing te zijn van inheemse, lokaal passende soorten. Exacte soortenkeuze nader uit te werken in een beplantingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 4.4.3.4 Straatmeubilair Als er in de toekomst een toepassing komt van straatmeubilair, zoals verlichting voor de weg of het parkeren, dan dient dit te passen binnen de gemeentelijke randvoorwaarden. Het heeft de wens dat een straatmeubilair een bescheiden uitstraling krijgt, passend bij de inrichting van de openbare ruimte van de nieuwbouw aan de zuidkant. Voor de kleuren gebruik maken van landelijke en/of traditionele kleuren, geen schreeuwerige felle kleuren. De exacte kleur kan nader gekozen worden, hierbij is het ook fraai om alles in dezelfde kleur uit te voeren, bijvoorbeeld in de kleur antracietgrijs of zwart. 4.4.3.5 Verkeersontsluiting en verharding Uitgangspunt bij het ontwerp van de bestrating is een in materiaal en kleur samenhangend rustig geheel in overeenstemming met de gemeentelijke randvoorwaarden. Bewoners parkeren deels op eigen terrein. Daarnaast is in het plan in de openbare ruimte een parkeerkoffer voorzien en zijn parkeervakken langs de weg aangelegd. Voor deze parkeerplekken geldt: Parkeerplaatsen langs de weg worden met hagen en plantvakken ingepast; De parkeerkoffer langs de ontsluitingsweg aan de noordkant van het plangebied wordt met hagen omgeven. Ten behoeve van een klimaatadaptieve inrichting van de nieuwe woonbuurt kunnen parkeerplekken worden uitgevoerd in grasbetonsteen.

De parkeervakken worden vervolgens ingezaaid met een daarvoor geschikt grasmengsel.

4.5

Duurzaamheid

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient aan de eisen voor duurzaam bouwen te voldoen. In het plan worden tal van duurzame maatregelen toegepast. Hieronder vallen duurzame energievoorziening en gasloos bouwen. Ook naturinclusief bouwen zoals vogelpannen, neststenen, vleermuiskasten maakt hier onderdeel vanuit. Mooie veroudering van materialen is het uitgangspunt bij de toepassing van duurzame materialen. Dit geldt voor de bebouwing, maar ook voor de inrichtingselementen van de buitenruimte, zoals zitbanken en verlichtingsarmaturen. Gerecycled materiaal sluit aan bij de circulaire intenties en bij de gewenste beeldkwaliteit. In de openbare ruimte worden zoveel mogelijk inheemse bomen en planten toegepast en beplanting die rijk is aan bloei en vruchtdragend is. Dit komt ten goede aan het insecten- en vogelbestand van de wijk. Het groen maakt bovendien dat in het plan de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid voor de toekomst groter is, met ruimte voor natuur en een verbetering van de wateropvang (vermindering wateroverlast bij piekbelasting, verbetering waterbuffer tegen droogte, vermindering hittestress).

4.6

Verkeer en parkeren

4.6.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. De gemeente Drechterland gebruikt de landelijke verkeers- parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. Wat betreft de functies wordt aansluiting gezocht bij de functies zoals genoemd in deze CROW-publicatie. De parkeernormen in CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren bestaan uit een minimum- en maximumwaarde. In de gemeente Drechterland wordt het gemiddelde hiervan gebruikt om de verkeersgeneratie en parkeernorm te bepalen. De gemeente Drechterland is aan te merken als 'weinig stedelijk'. De verschillen in inrichting en bebouwing in de gemeente zijn redelijk groot, waardoor het zinvol is om onderscheid te maken naar gebiedskenmerken, te weten: centrum, schil/overloopgebied, rest bebouwde kom en buitengebied. In de Parkeernormennota is de gebiedsindeling opgenomen. Het plangebied wordt aangemerkt als rest bebouwde kom. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 4.6.2

Parkeren

In voorliggend geval gaat het om de realisatie van 6 vrijstaande woningen; 2 twee-onder-één-kap woningen; 10 rijwoningen. Op basis van vorenstaande uitgangspunten geldt de volgende parkeernorm: Type Aantal Parkeernorm Parkeerbehoefte Vrijstaande woning 6 2,3 13,8 Twee-onder-één-kap 2 2,2 4,4 woning Rijwoning 10 2,0 20 Totaal 38,2 De totale parkeerbehoefte bedraagt 38,2 parkeerplaatsen. Het aandeel voor bezoekers is hierin 18*0,3= 5,4 parkeerplaatsen. De werkdagavond is het maatgevende moment voor woningbouwontwikkelingen. Voor dit moment gelden de volgende aanwezigheidspercentages en bijbehorende parkeerbehoefte: 80% voor bezoekers > 5,4*0,8= 4,32 90% voor bewoners > 32,8*0,9= 29,52 Dit betekent dat de parkeerbehoefte afgerond 34 parkeerplaatsen bedraagt. Bij (één)gezinswoningen bestaat de mogelijkheid om parkeervoorzieningen op eigen terrein te realiseren. In de CROW-uitgave is hiervoor een parkeerbalans opgenomen. Deze is hierna weergegeven:

Er worden in dit geval 21 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast worden er bij de vrijstaande woningen garages met dubbele oprit gerealiseerd. Deze tellen mee voor 6*1,8= 10,8 parkeerplaatsen. Bij de twee twee-onder-één-kap woningen worden dubbele opritten gerealiseerd. Deze tellen mee voor 2*1,7= 3,4 parkeerplaatsen. Als laatste wordt er een enkele oprit bij een rijwoning gerealiseerd. Deze telt mee voor 0,8 parkeerplaatsen. In totaal worden er dan ook 36 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt aan de parkeernorm voldaan. Door een bepaling omtrent parkeren op te nemen in de regels is dit ook juridisch geborgd (zie regels artikel 12.1 Parkeervoorzieningen). De zuidelijke toegang door het, buiten het plangebied gelegen, parkeerhof is in overleg met USP Vastgoed anders vormgegeven. In afbeelding 4.3 is de oude situatie weergegeven met in het oranje de 15 parkeerplaatsen. Door de gewijzigde toegang is er voor 6 parkeerplekken (aangegeven in rood) een andere plek aangegeven. Hiervan hoeft er slechts 1 parkeerplek gecompenseerd te worden binnen het plangebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

Afbeelding 4.3: Parkeersituatie (Bron: B4O) 4.6.3

Verkeersgeneratie

In voorliggend geval gaat het om de realisatie van 6 vrijstaande woningen; 2 twee-onder-één-kap woningen; 10 rijwoningen. Op basis van vorenstaande uitgangspunten geldt de volgende verkeersgeneratie: Type Aantal Verkeersgeneratie Totaal Vrijstaande woning 6 8,2 32,8 Twee-onder-één-kap 2 7,8 31,2 woning Rijwoning 10 7,4 59,2 Totaal 123,2 De totale verkeersgeneratie bedraagt afgerond 124 verkeersbewegingen. Het plangebied wordt via de aan te BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp leggen infrastructuur voor het Marktplan Hem ontsloten op de Marktweg en Koggeweg. Deze wegen zijn van voldoende omvang om de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen veilig en vlot af te wikkelen. Voor langzaam verkeer wordt er aan de noordzijde een ontsluiting met de Hemmerbuurt aangelegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

Hoofdstuk 5

Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit m.e.r.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Voorliggend plan voorziet in de bouw van maximaal 18 woningen. Woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. De andere functies betreffen geen geluidsgevoelige functies in het kader van de Wgh. 5.1.2.1 Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in of nabij een zone van een gezoneerd industrieterrein. Er wordt daarom niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. 5.1.2.2 Railverkeerlawaai Het plangebied ligt niet nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar het aspect railverkeerslawaai is niet noodzakelijk. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In voorliggend geval ligt het plangebied binnen de wettelijke geluidszone van de Hemmerbuurt en Koggeweg. Er is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 2 bij deze toelichting. De geluidbelasting ten gevolge van de Koggeweg bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 42 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de Hemmerbuurt bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 41 dB.

Met deze waarden wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen aangaande het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 5.2.2

Situatie plangebied

Er is een historisch bodemonderzoek (zie Bijlage 3) en een verkennend bodemonderzoek (zie Bijlage 4) uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. 5.2.2.1 Historisch bodemonderzoek In het kader van eventuele ruimtelijke ontwikkelingen of bestemmingswijziging (gevoeliger gebruik) op de locatie kan een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk worden geacht. Op basis van het historisch vooronderzoek kan de gehele locatie als verdacht worden beschouwd in het kader van de NEN5740 en NEN5707 (asbest in bodem). De bovengrondse brandstoftank kan als verdachte deellocatie conform de strategie VEP van de NEN5740 worden onderzocht. Gezien de omvang van de locaties waar het spuitvat, ketel, substraatbak en opslag vloeibare meststoffen staan, kan deze locatie als één verdachte deellocatie conform de strategie VEP van de NEN5740 worden onderzocht. De bestrijdingsmiddelenkast kan als verdachte deellocatie conform de strategie VEP van de NEN5740 worden onderzocht. De twee gedempte sloten kunnen als verdachte deellocatie conform de strategie VED-HE van de NEN5740 en 5707 worden onderzocht. 5.2.2.2 Verkennend bodemonderzoek In de bovengrond zijn lichte verhogingen van cadmium, koper, kwik, lood, zink, som DDD, som DDE, som DDT en of som OCB’s aangetroffen.

In mengmonster mm3 van de baksteen houdende ondergrond zijn lichte verhogingen van koper, kwik en lood aangetroffen. In mengmonster mm4 van de ondergrond en monster m14, nabij de tank, zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen en molybdeen aangetroffen. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij elk beoogd gebruik. 5.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10 ). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen.

Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden). Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in de kern Hem, waar geen sprake is van een menging van functies. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m 5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval worden er uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies (in de omgeving). Reguliere woningen zijn aan te merken als milieugevoelige objecten. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een detailhandelsperceel. Een dergelijke functie behoort tot milieucategorie 1, waarvoor een grootste richtafstand geldt van 10 meter voor het aspect geluid. De te realiseren woningen bevinden zich op circa 12 meter afstand van de detailhandelsvestiging, waarmee ruim aan de richtafstand wordt voldaan. Ten noorden van het plangebied bevinden zich grondgebonden veehouderijen. De dichtstbijzijnde grondgebonden veehouderij bevindt zich op circa 70 meter van de meest nabijgelegen te realiseren woning. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur geldt. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Voor een grondgebonden veehouderij geldt, met uitzondering van het aspect geur, een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid.

Aan deze richtafstand wordt voldaan. Voor het overige bevinden er zich geen milieugevoelige objecten in de nabijheid van het plangebied. Er wordt geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.5.3.3 Spuitzones Binnen een straal van 50 meter vanaf de grens van de woonbestemmingen zijn geen agrarische gronden in gebruik als agrarische teeltgronden maar als tuin en erf bij de aanwezige woningen. Het is niet te verwachten dat deze tuinen en erven in de toekomst nog omgezet gaan worden naar bedrijfsmatige agrarische productiegronden. Het uitvoeren van een spuitzoneonderzoek is daarom niet benodigd. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Drechterland De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderijen te sturen. Gemeenten mogen bij de verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde "gebiedsvisie". De gemeente Drechterland heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In de geurverordenin zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De minimale afstand voor veehouderijen in de bebouwde kom, het plangebied bevindt zich in bebouwde kom, bedraagt 50 meter 5.6.1.3 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen.

Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Situatie plangebied

De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Omliggende agrarische bedrijven betreffen grondgebonden veehouderijen. Voor dergelijke veehouderijen geldt, ten opzichte van woningen binnen de bebouwde kom, een vaste afstand van 50 meter op basis van de vastgestelde geurverordening. Het dichtbijzijnde agrarische bedrijf ligt op circa 70 meter van de te realiseren woningen. Hiermee wordt aan de gestelde afstandseis voldaan. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.3

Conclusie

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) heeft besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het plangebied bevindt zich op circa 2 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000- gebied ’Markermeer & IJmeer’. Om de gevolgen van de gewenste ontwikkeling wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een stikstofberekening met behulp van de Aerius-calculator door BJZ.nu uitgevoerd. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting.

Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 16 kilometer. Gelet op deze afstand (het NNN kent geen schaduwwerking) zijn geen negatieve effecten op het NNN te verwachten. Geconcludeerd wordt dan ook geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.7.3.2 Situatie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaand kassencomplex gesloopt. BJZ.nu heeft dan ook een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is als Bijlage 6 bijgevoegd. Hierna wordt op de onderzoeksresultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten Vogels Van de mogelijk in het plangebied voorkomende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren, vernielen en/of beschadigen van vogelnesten dienen daarom buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. 5.7.4

Conclusie

Het plan heeft geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, het NNN of beschermde soorten.

5.8

Archeologie & cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied In het kader van dit bestemmingsplan is er een archeologische quickscan uitgevoerd. Deze is als Bijlage 7 bijgevoegd. Hierna wordt op de resultaten en conclusies ingegaan. Onderzoeksresultaten Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan 'Drechterland Zuid' (vastgesteld 2013-06-24). Middels het bestemmingsplan geldt binnen het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 en Waarde – Archeologie 3. In het eerste geval betekent dit dat rekening dient te worden gehouden met het aspect archeologie bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm.

In het tweede geval dient rekening te worden gehouden bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm. Archeologie West-Friesland adviseert om de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 ter hoogte van het plangebied te laten vervallen, vanwege het ontbreken van een intact bodemprofiel in combinatie met de aanwezige verstoringen. De kenniswinst binnen deze zone is beperkt. nieuw op te stellen bestemmingsplan. Indien hier bodemroerende ingrepen plaatsvinden die groter zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 40 cm dient het aspect archeologie te worden meegewogen. Het advies van Archeologie West-Friesland wordt overgenomen. De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 is van de verbeelding verwijderd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Leidraad landschap en cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat in het kader van dit plan geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Passende beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in het realiseren van maximaal 18 woningen. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook 5.7.2.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.

Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

bestemmingsplan Hemmerbuurt 19a te Hem ontwerp

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14086629/1