CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B2. OER (Omgevingseffectrapport) SED

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Omgevingsvisie (2026-04)32.242 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Thema

Beoordelingsaspecten

Criteria

Beweegvriendelijke leefomgeving

Mate van sportaccommodaties, sport- en speelplekken, recreatief groen en blauw en nabijheid van voorzieningen

Wonen

Kwaliteit (type woningen) en kwantiteit (omvang) van vraag naar en aanbod van woningen

Voorzieningen

Afstand tot verschillende voorzieningen (onderwijs, horeca en winkels, culturele voorzieningen, gezondheid en welzijn)

Ontmoetingsplekken

Beschrijving en ligging van ontmoetingsplekken

Verkeersveiligheid

Aantal verkeersdoden en verkeersongevallen

Sociale veiligheid

Sociale veiligheidsindex (onveiligheidsgevoelens, onveiligheidsperceptie en vermijdingsdrang) en beleving van sociale veiligheid

Omgevingsveiligheid

Aantal kwetsbare objecten binnen PR-contour en hoeveelheid bebouwing binnen brand- en explosie aandachtsgebied

Luchtkwaliteit

Concentratie stikstofdioxide en fijnstof (PM10 en PM2.5)

Geluidhinder

Geluidbelasting door rail- en windturbines en stiltegebieden

Samenleving

People

Veiligheid

Planet

9 oktober 2024

Milieu

wegverkeer,

industrie

BJ1895

28

en

Laag

Thema

Bodem en water

Klimaat

Natuur

Landbouw en landschap

Beoordelingsaspecten

Criteria

Trillinghinder

Continue en herhaald voorkomende trillingen in trilling gevoelige ruimten

Bodemkwaliteit

Locaties met verontreinigingen, bodemkwaliteitskaarten

Oppervlaktewater

Chemische en ecologische waterkwaliteit

Hitte

Ervaren gevoelstemperatuur, stedelijk hitte eiland effect (UHI)

Droogte en grondwater

Risico op droogtestress, gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG)

Wateroverlast door hemelwater

Water op straat na een extreme bui, concentratie verhard oppervlak

Biodiversiteit

Soortendiversiteit en soortendiversiteit Rode lijstsoorten

Beschermde natuur (Natura 2000 en NNN)

Instandhoudingsdoelstellingen N2000 en mate van voltooiing NNN

Groene leefomgeving

Afstand tot openbaar groen, groenindex

Landbouw

Type landbouwbedrijven

Landschappelijke kwaliteit

Landschappelijke waarden, bijzonder provinciaal landschap, stolpboerderijen

Cultuurhistorische waarden

Aanwezige cultuurhistorische waarden

Broeikasgassen

CO2-uitstoot

Duurzame energieopwekking

Percentage duurzaam opgewekte energie i.r.t. klimaatdoelen

Duurzame gebouwen

Energielabels woningen en kantoren

Circulariteit

Aantal kilogram afvalscheiding

huishoudelijk

Duurzame en slimme mobiliteit

Aantal deelauto’s, laadpalen

elektrische

Werkgelegenheid

Aantal arbeidsplaatsen en netto arbeidsparticipatie

Werklocaties en bedrijvigheid

Vraag en aanbod van werklocaties en bedrijventerreinen

Vrijetijdseconomie

Aantal bezoekers, evenementen, overnachtingen, hotels/verblijfsaccommodaties, bezienswaardigheden, horecagelegenheden, winkels en culturele instellingen

Fiets- en wandelnetwerk

Score fietsnetwerk, ontbrekende schakels in wandel- en fietsnetwerk, aantal en locaties van recreatieve routes

Bereikbaarheid auto en OV

Afstand van woningen tot hoofdwegen, mate van doorstroming, parkeerlocaties, aanwezigheid en afstand tot (H)OV-station, ontsluitingskwaliteit OV

Duurzaamheid

afval auto’s

en en

percentage

(semi)publieke

Economie

Recreatie en toerisme

Profit

Bereikbaarheid

3.4

De ‘Foto van de leefomgeving’

De ‘Foto van de leefomgeving’ beschrijft de staat van de leefomgeving in de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland. Hierbij wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling tot 2030 gemeentebreed beschreven, en daar waar mogelijk een doorkijk gegeven naar 2040. De huidige situatie en de autonome ontwikkeling vormen samen de referentiesituatie voor dit OER. De beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling is in samengevatte en visuele vorm weergeven in het rad van de leefomgeving, in de vorm van kwaliteitsniveaus hoe de leefomgeving ervoor staat (zie Figuur 4-1).

9 oktober 2024

BJ1895

29

Wijze van beschrijven van de referentiesituatie De huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn beschreven en er is een kwaliteitsniveau toegekend. Daarmee is een overzichtelijk beeld ontstaan van waar de leefomgeving gemeentebreed op orde is, waar er problemen en knelpunten optreden en wat de autonome trends daarin zijn. Voor de toekenning van een kwaliteitsniveau aan de beoordelingsaspecten is per beoordelingsaspect een schaallat gedefinieerd. Op basis van deze schaallat is een kwaliteitsniveau toegekend aan de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Over het algemeen geldt: bij kwaliteitsniveau ‘groen’ is overwegend sprake van een goede kwaliteit, dat wil zeggen: er is geen sprake van overschrijding van wettelijke of beleidsnormen, knelpunten of anderszins. Bij kwaliteitsniveau ‘rood’ is sprake van overwegend slechte kwaliteit, dat wil zeggen: er is sprake van overschrijding van normen of knelpunten. Bij kwaliteitsniveau ‘oranje’ is er sprake van een wisselend beeld ten aanzien van de aanwezigheid van problemen en/of het risico op problemen, de kwaliteit zit dan tussen groen en rood in. Rad van de leefomgeving De resultaten van de beoordeling van de huidige situatie en autonome ontwikkeling worden weergeven in het zogenaamde rad van de leefomgeving.

Het rad visualiseert hoe de kwaliteit van de leefomgeving er in de SED gemeenten voor staat voor alle thema’s en beoordelingsaspecten. In de beoordeling van de beoordelingsaspecten zijn de volgende kwaliteitsniveaus gehanteerd: Gemeentebreed overwegend geen sprake van knelpunten of problemen (‘goed’) Gemeentebreed overwegend wisselend sprake van wel en geen knelpunten/problemen of risico (‘oranje’) Gemeentebreed overwegend sprake van knelpunten/problemen (‘slecht’) In het rad wordt de huidige situatie weergegeven door de witte aaneengesloten lijn, de autonome ontwikkeling wordt weergegeven door de donkerblauwe stippellijn. Het doel van het rad is om inzicht te geven in hoe het nu en in de toekomst staat in de leefomgeving. Het geeft aan waar knel- en aandachtspunten zitten. Het doel van de omgevingsvisie is niet om alle beoordelingsaspecten op een goed niveau te brengen. Het rad dient alleen ter ondersteuning.

De navolgbaarheid van de ‘Foto van de leefomgeving’ Voor het zo objectief, navolgbaar en reproduceerbaar mogelijk toekennen van kwaliteitsniveaus zijn de volgende factoren bepalend: 1. Beschikbare informatie en status daarvan; 2. Beschikbare referentiewaarde voor het definiëren van een groen, oranje en rood kwaliteitsniveau; 3. Waardering van de autonome ontwikkeling. Deze drie factoren worden hieronder verder toegelicht. 1. Beschikbare informatie en status daarvan Er wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende vormen van beschikbare informatie: 1. Kwantitatieve informatie: dit betreft cijfermatige informatie, bijvoorbeeld data uit rekenmodellen of meetgegevens. 2. Kwalitatieve informatie: dit betreft niet-cijfermatige informatie, bijvoorbeeld kaartmaterieel met landschapstypen. 3. Expert judgement: in dit geval is er geen kwantitatieve of kwalitatieve informatie beschikbaar en wordt teruggevallen op het oordeel van een expert.

9 oktober 2024

BJ1895

30

Over het algemeen geldt dat kwantitatieve informatie het meest objectief, navolgbaar en reproduceerbaar is, en expert judgement het minst. Kwalitatieve informatie zit er tussenin. Er is daarom gestreefd om de beoordeling zoveel mogelijk op basis van objectieve, kwantitatieve informatie te baseren. Bij beoordelingsaspecten waar dat niet beschikbaar is, is teruggevallen op kwalitatieve informatie. Daar waar ook geen kwalitatieve informatie beschikbaar is, is teruggevallen op expert judgement. In de ‘Foto van de leefomgeving’ (zie bijlage 1) is per beoordelingsaspect aangegeven welk type informatie is gebruikt. Bronvermelding De leefomgevingskwaliteiten voor de huidige situatie en de autonome ontwikkeling zijn in beeld gebracht op basis van beschikbare (cijfermatige en kwalitatieve) informatie bij de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland, de provincie Noord-Holland, Omgevingsdienst NHN, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en openbare bronnen. Per thema en beoordelingsaspect is in de navolgende hoofdstukken aangegeven welke bronnen specifiek zijn gebruikt.

In de beschouwing van de autonome ontwikkeling zijn de gevolgen van verschillende trends en ontwikkelingen voor de verschillende beoordelingsaspecten meegewogen, zoals technologische ontwikkelingen (zoals in mobiliteit en digitalisering), maatschappelijke ontwikkelingen (zoals ontwikkeling van de economie en het aantal huishoudens) en andere autonome trends die de kwaliteit van de fysieke leefomgeving beïnvloeden (zoals klimaatverandering). Ook is meegewogen wat de verwachte invloed is als het bestaande beleid wordt voortgezet. Waar mogelijk worden belangrijke onzekerheden expliciet benoemd (denk bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van schone, emissieloze voertuigtechnologie).

2. Beschikbare referentiewaarde voor het definiëren van een groen, oranje en rood kwaliteitsniveau Onder referentiewaarde wordt hier verstaan een waarde waaraan een kwaliteitsniveau wordt gerelateerd. Hierbij is onderscheid gemaakt in: 1. Wettelijke normen; 2. Vastgestelde beleidsnormen of -doelstellingen; 3. Advieswaarden van instituten (bijvoorbeeld GGD, RIVM, WHO); 4. Vraag versus aanbod (vanuit maatschappij, markt); 5. Benchmark ten opzichte van gemeentelijke doelstellingen/ambities; 6. Benchmark ten opzichte van landelijk gemiddelde, tijdreeksen (ontwikkelingen van de indicator over de afgelopen tijd) en geografische vergelijkingen (cijfers en trends van vergelijkbare gemeenten of de provincie Noord-Holland); 7. Expert judgement. Bovenstaande opsomming moet als rangorde gezien worden qua objectiviteit, navolgbaarheid en reproduceerbaarheid. Per beoordelingsaspect is het afgelopen als een ladder, te beginnen bij 1 en eindigen bij 7. Daar waar er wettelijke normen beschikbaar zijn, zijn die gehanteerd. Bij afwezigheid van wettelijke normen is teruggevallen op vastgestelde beleidsnormen en zo verder. Daar waar geen enkele andere referentie beschikbaar is om een kwaliteitsniveau aan te relateren, is teruggevallen op expert judgement. In de hoofdstukken met de resultaten van de beoordeling zijn telkens aan het begin de gehanteerde informatie en referentiewaarde gedefinieerd.

9 oktober 2024

BJ1895

31

Voorbeeld schaallat kwaliteitsniveau: luchtkwaliteit Binnen het thema ‘aangenaam leven’ en sub-thema ‘milieu’ is één van de beoordelingsaspecten ‘luchtkwaliteit’. Het beoordelingscriterium daarbij is de concentratie van en blootstelling aan fijnstof (PM 10, PM2.5) en stikstofdioxide (NO2). Beschikbare informatie: kwantitatief, concentratiekaarten op basis van modelberekeningen. Referentiewaarde: wettelijke normen (grenswaarden Wet milieubeheer) en gezondheidskundige advieswaarden (WHO). Hiermee is voor dit aspect kwantitatieve informatie beschikbaar en wettelijke normen en gezondheidskundige advieswaarden als referentiewaarden voor de definitie van kwaliteitsniveaus. Op basis hiervan is de onderstaande schaallat voor kwaliteitsniveaus toegekend.

Kwaliteitsniveau Groen Oranje Rood

Luchtkwaliteit Wettelijke grenswaarden worden overal behaald en WHO-advieswaarden worden (zo goed als) overal behaald. Wettelijke grenswaarden worden overal of bijna overal behaald, WHO-advieswaarden worden niet gehaald. Op meerdere locaties worden wettelijke grenswaarden overschreden.

Op basis van de beschikbare kwantitatieve informatie en de gedefinieerde schaallat is het kwaliteitsniveau toegekend voor de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Het toegekende kwaliteitsniveau is een gemeentebreed beeld, daar waar er specifieke relevante afwijkingen zijn van het gemeente brede beeld wordt dat in de onderbouwende beschrijving benoemd. Tabel 3-2 Voorbeeld schaallat kwaliteitsniveau: luchtkwaliteit

De toegekende kwaliteitsniveaus zijn voor alle beoordelingsaspecten in het rad van de leefomgeving toegekend, zoals in Figuur 3-2 weergegeven.

Figuur 3-2 Algemene schaallat van de beoordelingsaspecten zoals visueel weergegeven in een uitsnede van het Rad van de leefomgeving

3. Waardering autonome ontwikkeling Bij de beschouwing van beoordelingsaspecten is een waardering gegeven aan de autonome ontwikkeling, op basis van een kwalitatieve inschatting van ontwikkelingen die optreden als gevolg van: • De mate waarin autonome trends en ontwikkelingen leiden tot een vooruitgang of achteruitgang van de huidige situatie, zoals demografische veranderingen, klimaatveranderingen en veranderingen in de woningmarkt. • De mate waarin voortzetting van bestaand (gemeentelijk) beleid leidt tot een vooruitgang of achteruitgang. • De mate waarin besluiten over plannen, programma’s en projecten die worden geïnitieerd door andere partijen zoals Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en andere overheden leidt tot een vooruitgang of achteruitgang.

9 oktober 2024

BJ1895

32

Toekomstjaar autonome ontwikkeling De omgevingsvisie van de SED gemeenten is gericht op 2040. Omdat de meeste beschikbare informatie over autonome trends of prognoses voor leefomgevingsaspecten niet verder gaan dan 2030 of omdat de onzekerheidsmarge na 2030 groot wordt, is in het OER 2030 in beginsel als toekomstjaar gehanteerd. Aanvullend is een doorkijk gegeven richting 2040.

3.5

De effectbeoordeling

Het OER toetst het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie op effecten, dit heet de effectbeoordeling. De SEDgemeenten hebben ervoor gekozen een conceptversie van de 80% visie op te stellen om ‘de hoeken van het speelveld’ te ontdekken. Deze visie is op effecten beoordeeld. De beoordeling van effecten van deze visie geeft inzicht in de consequenties van (beleids)keuzes en helpt om het beleid in de omgevingsvisie verder aan te scherpen. Op basis hiervan is vervolgens een definitieve 80%-versie opgesteld. De effectbeoordeling is gedaan in een tussentijdse notitie en zijn gepresenteerd aan de gemeente. De resultaten hiervan is te lezen in hoofdstuk 5. De beoordelingsmethodiek Voor de beoordeling van het nieuwe beleid geldt dat er enkel beleidsuitspraken beoordeeld worden die nieuw en concreet genoeg zijn en dat er zicht is op de uitvoering. Op basis van de concept omgevingsvisie is beoordeeld welke uitspraken concreet genoeg zijn. Hierbij is Tabel 3-3 gebruikt. Tabel 3-3 Categorisering beleid

Categorie

Toelichting

Methode

Ambitie

Geen beleidskeuze maar een ambitie (wat is de stip op de horizon?)

Geen effectbeoordeling. De beleidskeuze worden wel afgezet tegen de ambities (mate van doelbereik)

Beleidskeuze die een bestendiging voortzetting is van bestaand beleid

Geen effectbeoordeling. De verandering ten opzichte van de referentiesituatie is per definitie gelijk aan ‘0’, de referentiesituatie is immer situatie o.b.v. voortzetten bestaand beleid.

Voortzetting bestaand beleid

en

Concreet besluit

Beleidskeuze die nieuw is en dermate concreet, dat er zicht is op de uitvoering

Effectbeoordeling mogelijk. Dit wordt gedaan o.b.v. de mate waarin keuzes nu al kunnen leiden tot een verandering in de mate waarin ambities voor beoordelingsaspecten uit het rad van de leefomgeving worden bereikt

Principe besluit

Beleidskeuze die nieuw is en dermate globaal, dat een nadere afweging van keuzes in vervolgbesluiten nodig is voor zicht op uitvoering. Het kader voor de te nemen vervolgbesluiten is in zicht.

Effectbeoordeling mogelijk. Dit wordt gedaan o.b.v. een beschouwing van kansen en risico’s die relevant zijn voor vervolgbesluiten, gezien de gevolgen die toekomstige keuzes kunnen hebben voor het bereiken van de ambities voor indicatoren uit het rad van de leefomgeving.

Proces besluit

Beleidskeuze die nieuw is en intentie betreft om een stap te zetten in een proces dat kan leiden tot nieuw beleid.

Geen effectbeoordeling Effecten zijn niet in te schatten omdat de aard van eventuele vervolgbesluiten nog onduidelijk is (bijv. de gemeenten willen onderzoeken of …).

9 oktober 2024

BJ1895

33

De beleidsuitspraken zoals geselecteerd zijn op basis van de concept omgevingsvisie zijn weergegeven in paragraaf 5.1 De concrete beleidsuitspraken moeten echter nog wel verder geconcretiseerd worden in vervolgplannen, programma’s en -besluiten. In dit stadium kunnen effecten van het nieuwe beleid nog niet kwantitatief beschouwd worden, er is daarom gekozen voor een kwalitatieve beschouwing. De effecten zijn beschreven in kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. Deze effecten hoeven niet daadwerkelijk op te treden, maar ze geven wel een indicatie van de mogelijke gevolgen van het nieuwe beleid en de richting daarvan (positief of negatief). Of het effect daadwerkelijk optreedt is onder meer afhankelijk van de precieze beleidsinvulling en concretisering van het beleid in bijvoorbeeld een omgevingsplan of omgevingsprogramma. Scoping van de beoordelingsaspecten Het nieuwe (voorgenomen) beleid bestaat uit meerdere beleidsuitspraken die over bepaalde thema’s gaan. Voorbeelden van thema’s zijn wonen & samenleven, gezondheid, welbevinden & milieu, duurzaamheid, natuur & recreatie, economie, mobiliteit & toegankelijkheid en ruimtelijke kwaliteit. Voorafgaand aan de effectbeoordeling is er op basis van expert judgement bepaald met welke beoordelingsaspecten uit de ‘Foto van de leefomgeving’ de beleidsuitspraak raakvlakken heeft, dit heet scoping.

Het kan zijn dat een beoordelingsaspect gerelateerd is aan meerdere onderwerpen. In bijlage 3C is een tabel opgenomen die de relatie laat zien tussen de thema’s van het nieuwe beleid en de beoordelingsaspecten. De beoordeling Elke beleidsuitspraak is vervolgens enkel op deze beoordelingsaspecten beoordeeld in termen van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. Het kan ook zijn dat er wel een relatie is maar dat er nagenoeg geen effect te verwachten is. In enkele gevallen is er sprake van zowel kansen als risico’s. In deze gevallen is per saldo op basis van expert judgement een afweging gemaakt of er sprake is van overwegend kansen of risico’s. Voor de beoordeling is een driepuntschaal gehanteerd, deze is weergeven in Tabel 3-4. Tabel 3-4 Gehanteerde scoringstabel bij effectbeoordeling Score

Definitie

+

Kans op een positief effect

-

Risico op een negatief effect

0

Nagenoeg geen effect

n.v.t.

Geen raakvlak tussen beleidsuitspraak en beoordelingsaspect

De effecten in het rad van de leefomgeving De kansen op positieve effecten en de risico’s op negatieve effecten zijn geprojecteerd in het rad van de leefomgeving. Dit geeft, per beoordelingsaspect, inzicht in de ontwikkeling van het nieuwe beleid ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van deze informatie is in één oogopslag zichtbaar of de omgevingsvisie leidt tot een relatieve kwaliteitsverbetering of -verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie. Het gaat om een inschatting van het nieuwe kwaliteitsniveau op basis van de relatieve ontwikkeling. De nadruk ligt hierbij op de verbeteringen en verslechteringen ten opzichte van de referentiesituatie in plaats van op de nieuwe kwaliteitsniveaus. Door de ontwikkelingen van het concept omgevingsvisie in het rad van de leefomgeving te projecteren, is ook zichtbaar op welke beoordelingsaspecten aanvullende maatregelen genomen moeten worden om de leefomgeving verder te verbeteren. De daar benoemde kansen en risico’s zijn bij elkaar opgeteld. Daaruit is afgeleid of er overwegend sprake is van meer kansen op positieve effecten of risico’s op negatieve 9 oktober 2024

BJ1895

34

effecten. In hoeverre er sprake is van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten is benoemd in hoofdstuk 4. Doorkijk naar de botsproeven Aanvullend op de scenariobeoordeling is er voor de beoordeling van het concept omgevingsvisie ook gekeken of de voorgenomen ontwikkelingen ruimtelijk passen. Dit is gedaan door de beleidsuitspraken onderling met elkaar te ‘botsen’. Hier wordt een score aan toegekend, deze is als volgt: Tabel 3-5 Gehanteerde scoringstabel bij botsproeven Score

Definitie

+

Kans op synergie/versterking

0

Nagenoeg geen effect

-

Risico op tegenstrijdigheid

+/-

Zowel sprake van synergie als tegenstrijdigheid

n.v.t.

Geen raakvlak tussen beleidsuitspraken

Doorkijk naar het doelbereik Tenslotte is in paragraaf 5.5 een doorkijk gegeven naar het doelbereik. Hierin zijn beoordelingsaspecten aan de ambities uit de omgevingsvisie gelinkt. Vervolgens is er, op basis van de effectbeoordeling, gekeken of het nieuwe beleid bijdraagt aan het halen van de gestelde ambities.

3.6

De botsproeven

De omgevingsvisie van de SED gemeenten schetst een samenhangend en integraal beeld van de leefomgeving van de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland, de opgaven die er liggen, de ambities die de gemeente wil behalen en het nieuwe beleid dat helpt de ambities te halen. Omdat het om een samenhangend, integraal beeld gaat, is het van belang dat het voorgenomen beleid voldoende consistent is en niet conflicteert. Hierbij is het van belang dat dat de ene uitspraak voor nieuw beleid geen afbreuk doet aan een andere uitspraak, maar dat uitspraken elkaar juist versterken. Want alleen dan kan je spreken van integraal beleid dat in samenhang bijdraagt aan het verbeteren van leefomgevingskwaliteiten en het behalen van ambities. In dit OER zijn zogenaamde ‘botsproeven’ uitgevoerd, waarbij de onderlinge samenhang tussen beleidsuitspraken is beschouwd. De beleidsuitspraken zijn, op systematische wijze, onderling met elkaar geconfronteerd en beoordeeld op potentiële onderlinge versterking en strijdigheid. In Tabel 3-5 is de score weergeven die bij de systematische beoordeling gehanteerd is.

3.7

Het doelbereik

Draagt het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie bij aan het halen van de gestelde doelen? Dat is de vraag die centraal staat in het doelbereik. In het OER is beoordeeld in hoeverre de doelen die geformuleerd zijn bij het toekomstbeeld in paragraaf 2.4. In welke mate wordt doormiddel van de beleidsuitspraken bijgedragen aan de doelen?

3.8

De Passende Beoordeling

De gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland leggen in de omgevingsvisie het ruimtelijk beleid vast. In het OER wordt bepaald of dit beleid uitvoerbaar is. In dat kader is in het OER met behulp van een voortoets bepaald of een Passende Beoordeling uitgevoerd moet worden. Indien een activiteit of plan significant negatieve effecten kan hebben op een Natura 2000-gebied moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Bij deze beoordeling wordt niet alleen gekeken naar de gevolgen van de activiteit zelf, maar ook naar de gevolgen die de activiteit in combinatie met andere activiteiten of plannen heeft. Het

9 oktober 2024

BJ1895

35

nieuwe plan kan alleen worden vastgesteld, wanneer op grond van de Passende Beoordeling is vastgesteld dat de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. De Passende Beoordeling is de wettelijke plantoets die hoort bij kaderstellende plannen waarvan een significant negatief effect op een Natura 2000-gebied op voorhand niet uitgesloten kan worden. Het doel van de Passende Beoordeling is: • Het in beeld brengen van de risico’s op significant negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-netwerk als gevolg van het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie. • Beschrijven van mitigerende maatregelen en/of beleidsaanpassingen die nodig zijn om significante effecten te voorkomen. Het gaat hier met name om aanbevelingen voor de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten. • Waar relevant: kansen op positieve effecten. Het detailniveau van de Passende Beoordeling sluit aan bij het detailniveau van de omgevingsvisie. In de Passende Beoordeling is bepaald welke factoren een knelpunt zijn bij het behalen van de doelen van de gebieden binnen de verschillende Natura 2000-gebieden. Dit geeft handvatten om een risico-inschatting te maken van de nieuwe beleidsuitspraken.

Wanneer bijvoorbeeld verstoring een belangrijk knelpunt binnen een Natura 2000-gebied is, dan is er eerder sprake van een risico op een negatief effect bij beleid dat leidt tot een toename van verstoring. Wanneer van het nieuwe beleid de locatie bekend is, kan nauwkeuriger worden aangegeven welke Natura 2000-gebieden beïnvloed kunnen worden. Aan de hand van deze informatie dient de Passende Beoordeling aannemelijk te maken dat aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden is uit te sluiten en dat het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie uitvoerbaar is. De Passende Beoordeling sluit aan op de beoordeling die in het OER is gemaakt.

9 oktober 2024

BJ1895

36

4

Wat staat er in de ‘Foto van de leefomgeving’?

4.1

Algemeen beeld

De staat van de fysieke leefomgeving in de SED-gemeenten is samengevat weergegeven in het rad van de leefomgeving (zie Figuur 4-1). De witte lijn geeft de huidige situatie weer, de witte stippellijn de autonome ontwikkeling in 2030. Het verschil tussen de autonome ontwikkeling en de huidige situatie geeft weer in hoeverre er sprake is van een negatieve of positieve autonome trend voor de verschillende beoordelingsaspecten. De positie van de lijnen in het rad (de witte doorgetrokken lijn en de witte stippellijn) is per indicator bepaald aan de hand van de definitie en de gehanteerde schaallat voor de waardering van de huidige en autonome situatie. Dit wordt beschreven per indicator in de ‘Foto van de leefomgeving’ in bijlage 1. Huidige situatie: wisselend kwaliteitsbeeld De huidige staat van de fysieke leefomgeving in de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland laat een wisselend beeld zien. Vooral voor de aspecten ontmoetingsplekken, landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarden staat de fysieke leefomgeving er op dit moment over het algemeen goed voor (‘groen’). Leefomgevingsaspecten met een laag kwaliteitsniveau (‘rood’) zijn broeikasgassen, duurzame energieopwekking, circulariteit, duurzame en slimme mobiliteit en biodiversiteit.

Autonome ontwikkeling 2030: negatieve en positieve trends De autonome ontwikkeling in de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland laat wisselende trends zien in de kwaliteit van de leefomgeving. Bij circulariteit is ook in 2030 nog sprake van een slecht kwaliteitsniveau, naar verwachting op hetzelfde niveau als in of verslechterend ten opzichte van de huidige situatie (kwaliteitsniveau ‘rood’). Voor de aspecten broeikasgassen, duurzame energieopwekking, duurzame en slimme mobiliteit en biodiversiteit zijn positieve autonome trends te verwachten, maar niet voldoende om ‘uit het rood’ te komen. Vanuit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving liggen bij bovengenoemde aspecten belangrijke opgaven voor de omgevingsvisie. De locaties van deze knelpunten zijn verder toegelicht in hoofdstuk 4.2. De aspecten wonen, geluidhinder en werkgelegenheid zijn in de huidige situatie beoordeeld met kwaliteitsniveau ‘oranje’ maar laten autonoom een verslechterende trend zien. Ook voor deze aspecten liggen belangrijke opgaven voor de omgevingsvisie. Deze aspecten zijn dan ook verder toegelicht in hoofdstuk 4.2.

De aspecten voorzieningenniveau, beweegvriendelijke leefomgeving, groene leefomgeving, sociale veiligheid, omgevingsveiligheid, luchtkwaliteit, werklocaties en bedrijvigheid, landbouw en fiets- en wandelnetwerk zijn in de huidige situatie beoordeeld met kwaliteitsniveau ‘oranje’, maar laten autonoom geen verandering zien. De aspecten verkeersveiligheid, bodemkwaliteit, oppervlaktewater, duurzame gebouwen, hitte, droogte en grondwater, wateroverlast (door hemelwater), beschermde natuur (Natura 2000 en NNN), vrijetijdseconomie en bereikbaarheid auto en OV zijn in de huidige situatie beoordeeld met kwaliteitsniveau ‘oranje’ en laten autonoom een verbetering binnen ‘oranje’ zien. Tenslotte scoren de aspecten ontmoetingsplekken, landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarden in de huidige situatie groen en laten deze aspecten autonoom een verbeterende trend zien binnen ‘groen’.

9 oktober 2024

BJ1895

37

Figuur 4-1 Rad van de leefomgeving van de SED gemeenten

9 oktober 2024

BJ1895

38

4.2

Belangrijke aandachtspunten

De beoordelingsaspecten die in de huidige situatie en autonome ontwikkeling beoordeeld zijn met kwaliteitsniveau ‘rood’ en ‘oranje met verslechterende trend’ zijn aangemerkt als knelpunt en aandachtspunt. Deze aspecten dragen niet bij aan een goede kwaliteit van de leefomgeving. In de omgevingsvisie moet hier extra aandacht aan worden besteed. De aspecten waar het om gaat en het specifieke aandachtspunt zijn hieronder omschreven. Knelpunten Knelpunten zijn de aspecten die in de huidige situatie beoordeeld zijn met kwaliteitsniveau ‘rood’ en autonoom in het ‘rood’ blijven. Broeikasgassen De vermindering van de uitstoot van broeikasgassen loopt in alle drie de gemeenten achter op de gestelde wettelijke doelen uit de Klimaatwet. Het aspect broeikasgassen is een gemeentebreed aspect en daardoor niet ruimtelijk-specifiek te maken. Duurzame energieopwekking Het percentage duurzaam opgewekte energie ligt in alle drie de gemeenten lager dan het landelijk gemiddelde en voldoet nog niet aan de doelstelling vanuit de EU (14% hernieuwbare energie). Dit aspect is een gemeentebreed aspect en is niet ruimtelijk- specifiek te maken. Circulariteit Geen van de drie gemeenten haalt het doel van 100 kg huishoudelijk afval per inwoner en 75% afvalscheiding. Dit aspect is een gemeentebreed aspect en is niet ruimtelijk- specifiek te maken.

Duurzame en slimme mobiliteit In alle drie de gemeenten ligt het aantal deelauto’s het aantal elektrische auto’s en het aantal (semi)publieke laadpalen achter op het provinciale gemiddelde. Dit aspect is een gemeentebreed aspect en is niet ruimtelijk- specifiek te maken. Biodiversiteit De soortendiversiteit van Rode-lijstsoorten is laag in alle drie de gemeenten. Aandachtspunten Aandachtspunten zijn de aspecten die in de huidige situatie beoordeeld zijn met kwaliteitsniveau ‘rood’ en autonoom verbeteren naar ‘oranje’ of in de huidige situatie beoordeeld zijn met kwaliteitsniveau ‘oranje’ en autonoom verslechteren binnen ‘oranje’ of naar ‘rood’. Wonen In alle drie de gemeenten is er sprake van tekorten aan bepaalde type woningen. In Stede Broec is er behoefte aan eengezinskoopwoningen, in Enkhuizen aan goedkope huurwoningen en duurdere koopwoningen en in Drechterland aan kleine (huur en koop) woningen, ouderenwoningen en goedkope huurwoningen. Het tekort is het grootst in Drechterland. Dit aspect is niet ruimtelijk- specifiek te maken. Geluidhinder In het grootste deel van de gemeenten wordt er voldaan aan de WHO-advieswaarden, op enkele plekken langs de N307, N505 en N506 is er sprake van overschrijding van de WHO-advieswaarden, ook is er lokaal overlast van windturbines en industrie.

9 oktober 2024

BJ1895

39

Werkgelegenheid Het aantal banen per 1000 inwoners ligt lager dan het provinciale gemiddelde, in de toekomst neemt de netto arbeidsparticipatie waarschijnlijk af door vergrijzing. Het aspect werkgelegenheid en arbeidsmarkt is een gemeentebreed aspect en daardoor niet ruimtelijk-specifiek te maken. Naast bovenstaande aandachtspunten geldt dat de aspecten voorzieningenniveau, beweegvriendelijke leefomgeving, groene leefomgeving, sociale veiligheid, omgevingsveiligheid, luchtkwaliteit, werklocaties en bedrijvigheid, landbouw en fiets- en wandelnetwerk in de huidige situatie beoordeeld zijn met kwaliteitsniveau ‘oranje’ en autonoom geen verbetering of verslechtering laten zien. Ook hier ligt een opgave voor de omgevingsvisie.

9 oktober 2024

BJ1895

40

5

Wat zijn de effecten van de omgevingsvisie?

5.1

Beoordeelde beleidsuitspraken

Het toekomstbeeld van de gemeente Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland is uitgewerkt in zes thema’s. Deze thema’s zijn: • Wonen en samenleven • Gezondheid, welbevinden en milieu • Duurzaamheid, natuur en recreatie • Economie • Mobiliteit en toegankelijkheid • Ruimtelijke kwaliteit. In de omgevingsvisie is voor elk van deze thema’s uitgewerkt wat de doelen zijn. Deze doelen zijn beschreven in paragraaf 2.4. Ook is in de omgevingsvisie onder ‘’hoe gaan we te werk’’ beschreven hoe deze doelen bereikt moeten worden, ook wel de beleidsuitspraken genoemd. Per thema is bekeken welke van deze beleidsuitspraken nieuw en concreet genoeg waren om beoordeeld te kunnen worden in dit OER. Hoe dit gedaan is staat beschreven in paragraaf 3.5. Het beleid is ook in visueel gemaakt in onderstaande visiekaart.

Figuur 5-1 Verbeelding van de omgevingsvisie

9 oktober 2024

BJ1895

41

In de visie is tenslotte ook gekeken naar hoe het beleid is uitgewerkt in de verschillende deelgebieden. De deelgebieden zijn: • West-Fries lintenlandschap • Rechtlijnig landschap • Lutjebroek, Grootebroek en Bovenkarspel • Enkhuizen • Hoogkarspel en Venhuizen • Overige kernen • Overige kernen - Oosterdijk In Tabel 5-1 staan de beleidsuitspraken zoals die in de effectbeoordeling van het OER beoordeeld zijn op effecten. In de tabel is ook aangegeven op welke deelgebieden de uitspraken van toepassing zijn. Tabel 5-1 Beleidsuitspraken omgevingsvisie SED per thema

Thema

Beleidsuitspraak

Wonen & samenleving

De gemeenten bouwen bij voorkeur woningen rond een knooppunt van openbaar vervoer, daar waar een centrum met voorzieningen is of in de buurt van een station. Onder ‘’aantrekkelijk en compact centrum’’ en ‘’comfortabel en goed benutte stationsomgevingen’’ wordt ingezet op verdichting in het centrum van Hoogkarspel, Grootebroek, Bovenkarspel en Enkhuizen (zie ‘’te versterken woon/werkfunctie stationsomgeving en centra’’ in Figuur 5-2).

Figuur 5-2 Te versterken woon/werkfuncties stationsomgeving en centra

Als winkels in deze centra structureel leeg komen te staan, is het goed om het winkelbestand compacter te maken en de opvallende plekken te gebruiken voor bijvoorbeeld wonen. In de visie is een zoekopdracht voor woonuitbreiding opgenomen; aan de randen van Hoogkarspel en ter hoogte van Venhuizen (zie witte huisjes in Figuur 5-3). Hier wordt gekeken in welke mate woningbouw een plek kan krijgen in dit gebied. In Venhuizen wordt ook gekeken naar verdichting van het centrum.

9 oktober 2024

BJ1895

42

Thema

Beleidsuitspraak

Figuur 5-3 Wonen

In kleine kernen wordt ruimte geboden aan woningbouw in de vorm van maatwerk en in verhouding tot de schaal van het dorp en de lokale behoefte. Bij voorkeur daar waar bestaande functies vervallen. Dit is op de visie kaart aangegeven met ‘’woningbouw in maatwerk’’ (zie Figuur 5-3). Buiten de kernen zijn kansen voor woningen op plekken waar agrarische bedrijven stoppen. Daar waar scheefgroei is ontstaan om de samenstelling van de woningvoorraad, stuurt de gemeente op verbetering door bouw of verbouw. Voorzieningen zoals onderwijs, kinderopvang en groen groeien mee bij de groei van de kernen door woningbouw. Ontmoetingsplekken worden gestimuleerd. Van toepassing op alle deelgebieden

In de inrichting van openbare ruimte wordt aandacht besteed aan: • Extra opvangmogelijkheden voor water, waterberging; • Extra groen- en boombeplanting vooral op plekken waar de kans op hitte het grootst is. Groen & water

Bij nieuwe woongebieden en grote veranderingen in bestaande woongebieden gaat de gemeente uit van de regel dat binnen een afstand van 300 meter tot woningen groen aanwezig moet zijn. Dit groen moet gebruikt kunnen worden om te ontmoeten en/of te bewegen. Van toepassing op alle deelgebieden

In de inrichting van openbare ruimte wordt aandacht besteed aan een goede verdeling van sport, beweeg en speelplekken en sportvoorzieningen of beweegvoorzieningen voor mensen met een beperking. Sport & bewegen

9 oktober 2024

Stede Broec zet in op het samenbrengen van de verschillende sportvoorzieningen en mogelijkheden om te bewegen in het sportlandschap. Dit is een gebied in ontwikkeling en bevindt zich ten zuiden van Lutjebroek (zie Figuur 5-4).

BJ1895

43

Thema

Beleidsuitspraak

Figuur 5-4 Nieuw te ontwikkelen sport- en recreatielandschap Van toepassing op alle deelgebieden

Duurzaamheid

In het West-Friese lintenlandschap liggen vier zoekgebieden voor de Regionale Energie Strategie (RES) (zie Figuur 5-5). In het zoekgebied ten zuidwesten van Enkhuizen liggen kansen voor zonne-energie. In het zoekgebied ten zuiden van Venhuizen is ruimte voor wind- en/of zonne-energie. In het zoekgebied ter hoogte van de gemeentegrens zijn mogelijkheden voor de opwek van zonne-energie. Ten slotte is ten zuiden van Hoogkarspel mogelijk ruimte voor zowel wind als zonne-energie. Buiten de zoekgebieden liggen op erfniveau mogelijkheden om kleinschalige windturbines of zonne-installaties op daken te plaatsen. De gemeente verduurzaamt haar gebouwen.

Figuur 5-5 Zoekgebieden duurzame opwek energie Van toepassing op deelgebied West-Fries Lintenlandschap

Natuurgebieden kunnen nog groeien. Er zijn ideeën voor uitbreiding van het streekbos (zie Figuur 5-6). Voorwaarde is dat de natuur meervoudig gebruik wordt. Natuur

9 oktober 2024

BJ1895

44

Thema

Beleidsuitspraak

Figuur 5-6 Mogelijke uitbreiding natuur (De te realiseren EVZ is autonoom beleid) Van toepassing op deelgebied rechtlijnig landschap en West-Fries lintenlandschap

Recreatie

De mogelijkheid om te wandelen, fietsen en varen wordt verbeterd door initiatieven te ondersteunen en te zorgen voor voldoende voorzieningen en toegankelijkheid bij recreatiegebieden. Het West-Friese lintenlandschap is een gebied waarin het netwerk van paden en vaarten kan worden versterkt en vergroot. Er komen geen nieuwe (grootschalige) terreinen met recreatiehuisjes. Bestaande recreatiegebieden worden zo goed mogelijk gebruikt. De West-Friese Omringdijk blijft onbebouwd afgezien van kleinschalige en/of tijdelijke dagrecreatieve voorzieningen en horeca zoals een strandje en strandtent. Van toepassing op deelgebied rechtlijnig landschap en West-Fries lintenlandschap

Economie

9 oktober 2024

De gemeente zet in op compacte centra van winkelvoorzieningen in de grote kernen met een goede ontsluiting en parkeermogelijkheden. Het gaat hierbij om de kernen Hoogkarspel,

BJ1895

45

Thema

Beleidsuitspraak Grootebroek,

Enkhuizen

en

Venhuizen

(zie

Figuur 5-7). Hier is ook ruimte voor bedrijven of voorzieningen. Als winkels structureel leeg komen te staan is het goed om het winkelgebied compacter te maken en de opvallende plekken te gebruiken voor andere functies die gericht zijn op publiek of wonen. Op bedrijventerreinen Krabbersplaat en Scheperswijk wordt ingezet op meer veiligheid, variatie, toezicht en bezetting. Dit wordt nader uitgewerkt in het gebiedsprogramma Enkhuizen.

Figuur 5-7 Te versterken centra en zoekgebieden werken

Landbouw moet zo veel als mogelijk behouden blijven. In het West-Friese lintenlandschap is dat niet mogelijk om dat daar te veel functies zijn die om ruimte vragen. Wel wordt er ter hoogte van gebieden waar op dit moment al grootschalige bedrijven actief zijn (bij Slimweg ten zuiden van Hoogkarspel en ten zuidoosten van Venhuizen) ruimte geboden voor doorontwikkeling. Zoetwaterbeschikbaarheid en mogelijkheden voor waterberging en hergebruik van water zijn hierbij belangrijk. In het rechtlijnig landschap is nog ruimte voor versterking van bedrijven als dat ook bijdraagt aan andere belangrijke opgaven zoals water en natuur. Van toepassing op alle deelgebieden

9 oktober 2024

BJ1895

46

Thema

Beleidsuitspraak Woningen worden met voorkeur rond een knooppunt van openbaar vervoer gebouwd, daar waar centrumvoorzieningen zijn of waar een station is. Ook wordt gewerkt aan goede verdeling van elektrische laadmogelijkheden. De veiligheid voor fietsen wordt verbeterd door de aanleg van aparte fietspaden waar geen auto’s komen en de aanleg van een doorfietsroute. De route loopt over bestaande infrastructuur, wel moet herinrichting van de weg plaatsvinden. De doorfietsroute is aangegeven in

Mobiliteit & toegankelijkheid

Figuur 5-8.

Figuur 5-8 Doorfietsroute Van toepassing op alle deelgebieden behalve Rechtlijnig landschap

Ruimtelijke kwaliteit

9 oktober 2024

De gemeente wil de bestaande waarden betrekken bij nieuwe ontwikkelingen om het karakter van de gemeenten te versterken (zie Figuur 5-9). In het lintenlandschap worden de groenblauwe verbindingen versterkt. Ook het rechtlijnige landschap wordt versterkt, evenals de bestaande groenstructuren met kansen voor biodiversiteit. De West-Friese Omringdijk wordt als provinciaal monument beschermd door in een zone van 350 meter landinwaarts en 100 meter buitendijks geen ontwikkelingen te faciliteren die haaks staan op het open, kleinschalige en romantische karakter van het dijkenlandschap.

BJ1895

47

Thema

Beleidsuitspraak

Figuur 5-9 Versterken en/of behoud bestaande landschappelijke waarden Van toepassing op deelgebied rechtlijnig landschap en West-Fries lintenlandschap

5.2

Wat zijn de effecten van het voorgenomen beleid?

In dit hoofdstuk zijn de effecten van het voorgenomen beleid (de concept omgevingsvisie) beschreven. Dit is gedaan door de beleidsuitspraken (zoals beschreven in paragraaf 5.1) te toetsen aan de beoordelingsaspecten uit de ‘Foto van de leefomgeving’. In de ‘Foto van de leefomgeving’ zijn de huidige situatie en de autonome ontwikkeling beschreven, dit vormt de referentiesituatie van dit OER. Omdat het voorkeursalternatief voor de omgevingsvisie niet in detail uitgewerkt is, is het niet mogelijk de effecten precies te berekenen (kwantitatief). Er wordt een oordeel op basis van expert judgement gedaan en daarom gesproken van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. De effecten hoeven niet daadwerkelijk op te treden, maar geven een indicatie van de mogelijke gevolgen van een beleidsuitspraak. Of het effect daadwerkelijk optreedt is onder meer afhankelijk van de precieze beleidsinvulling en concretisering van het beleid in bijvoorbeeld een programma en /of een omgevingsplan. De effectbeoordeling van de concept omgevingsvisie en de argumentatie hierachter zijn opgenomen in bijlagen 3A en 3B. Deze paragraaf beschrijft de resultaten van de effectbeoordeling.

Omdat het op dit moment nog onduidelijk is hoe het beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie verdere uitwerking krijgt, wordt er gesproken in termen van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. Op deze manier wordt er richting gegeven aan hoe de drie gemeenten zich ontwikkelen. Pas bij verdere concretisering van het beleid in 9 oktober 2024

BJ1895

48

vervolgplannen wordt duidelijk hoe groot die ontwikkeling van effecten daadwerkelijk is. In bijlage 3A is een tabel opgenomen met de toegekende kansen en risico’s voor de concept omgevingsvisie en bijbehorende beleidsuitspraken. Bijlage 3B bevat de onderbouwing bij de toegekende kansen en risico’s. Hieronder is op hoofdlijnen beschreven wat de effectbeoordeling aan resultaten laat zien. Het rad van de leefomgeving is opgenomen in Figuur 5-10.

9 oktober 2024

BJ1895

49

Omgevingsvisie

Figuur 5-10 Rad van de Leefomgeving SED

9 oktober 2024

BJ1895

50

5.2.1

Overall beeld per beoordelingsaspect

Figuur 5-11 laat de overall beoordeling per beoordelingsaspect goed visueel zien. Onderstaand wordt dit tekstueel nader toegelicht.

Figuur 5-11 Kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten, per beoordelingsaspect

9 oktober 2024

BJ1895

51

Het nieuwe beleid laat de meeste kansen op positieve effecten zien voor de beoordelingsaspecten ontmoetingsplekken, beweegvriendelijke leefomgeving, sociale veiligheid, wonen en fiets- en wandelnetwerk. • Voor ontmoetingsplekken zijn er kansen op positieve effecten door verdichting van de kernen, het realiseren van sport-, speel- en beweegplekken en recreatiemogelijkheden. • Voor beweegvriendelijke leefomgeving zijn er kansen op positieve effecten door het realiseren van sport-, speel- en beweegplekken, het creëren van fiets- en wandelpaden en het aanleggen van een doorfietsroute. • Voor sociale veiligheid zijn er kansen op positieve effecten door het inzetten op de combinatie van wonen en werken en het bevorderen van ontmoetingsplekken. Verder zorgt het tegengaan van leegstand en het veilig maken van bedrijventerreinen Krabbersplaat en Schepenwijk voor kansen op positieve effecten. • Voor wonen zijn er kansen op positieve effecten door het realiseren van nieuwe woningen, zowel rondom stationslocaties en in kernen als in aangewezen locaties in het buitengebied. • Voor fiets- en wandelnetwerk zijn er kansen op positieve effecten door het versterken van recreatie en het aanleggen van een doorfietsroute.

De volgende beoordelingsaspecten laten ook kansen op positieve effecten zien, maar in mindere mate: voorzieningenniveau, duurzame energieopwekking, duurzame gebouwen, duurzame en slimme mobiliteit, droogte en grondwater, werkgelegenheid en werklocaties en bedrijvigheid. • Voor voorzieningenniveau zijn er kansen op positieve effecten door het meenemen van voorzieningen bij de bouw van woningen. • Voor duurzame energieopwekking zijn er kansen op positieve effecten door het realiseren van zon- en windenergie. • Voor duurzame gebouwen zijn er kansen op positieve effecten door het verduurzamen van de gebouwen van de gemeente. • Voor duurzame en slimme mobiliteit zijn er kansen op positieve effecten door het realiseren van meer laadpalen. • Voor droogte en grondwater zijn er kansen op positieve effecten door het realiseren van waterberging en andere opvangmogelijkheden voor water. • Voor werkgelegenheid en werklocaties en bedrijvigheid zijn er kansen op positieve effecten door het versterken van mogelijkheden voor voorzieningen en bedrijfjes. Voor de aspecten groene leefomgeving, biodiversiteit, broeikasgassen en hitte zijn er naast kansen ook enkele risico’s op negatieve effecten. Per saldo zijn er meer kansen dan risico’s. • Voor groene leefomgeving zijn er kansen op positieve effecten door het bouwen van woningen dicht bij groen.

Binnen een radius van 300 meter moet er groen aanwezig zijn bij nieuwbouw en herontwikkeling van woningen. Het uitbreiden van natuur draagt hieraan bij. Het realiseren van duurzame energie zorgt daarentegen voor risico’s voor het afnemen van groen. • Voor biodiversiteit zorgt de uitbreiding van groen en natuur en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit voor kansen op positieve effecten. Het realiseren van woningen en duurzame energie zorgt voor kansen op negatieve effecten door het verdwijnen van leefgebied en risico’s op het verstoren van beschermde soorten. • Voor broeikasgassen zijn er kansen op positieve effecten door een toename aan duurzaam opgewekte energie en elektrisch rijden. Er zijn risico’s op negatieve effecten door een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van woningbouw. • Voor hitte zijn er kansen op positieve effecten door een toename van het groen en het versterken van bomenlanen. Er zijn risico’s op negatieve effecten door verdichting in het centrum. De extra verharding kan leiden tot hittestress. 9 oktober 2024

BJ1895

52

Er zijn evenveel risico’s op negatieve effecten als kansen op positieve effecten voorzien voor verkeersveiligheid, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, wateroverlast (door hemelwater), bereikbaarheid auto en OV en cultuurhistorische waarden. • Voor verkeersveiligheid zorgt een toename van het aantal woningen voor meer verkeersbewegingen, wat leidt tot risico’s voor de verkeersveiligheid. Het scheiden van fietspaden van de hoofdweg zorgt daarentegen voor kansen op positieve effecten. • Voor luchtkwaliteit zorgt een toename van het aantal woningen (en daarmee het aantal verkeersbewegingen) voor een afname van de luchtkwaliteit. Het stimuleren van elektrisch rijden zorgt daarentegen voor kansen op positieve effecten. • Voor bodemkwaliteit zijn er risico’s op negatieve effecten door het effect van zonnepanelen op de bodemkwaliteit. Doordat het zonlicht beperkt de bodem kan bereiken, is er een kans dat de kwaliteit van de bodem naar beneden gaat. • Voor wateroverlast zorgt een toename van verharding door het bouwen van huizen tot meer risico’s op negatieve effecten. Het realiseren van waterberging zorgt daarentegen voor kansen op positieve effecten. • Voor bereikbaarheid auto en OV zorgt nieuwbouw in het buitengebied voor een vergroting van de afstand tot het OV. Woningbouw zorgt voor een toename van verkeersbewegingen.

Daarnaast kan verdichten van woningen in Enkhuizen een knelpunt vormen m.b.t. parkeren. Hierdoor zijn er risico’s op negatieve effecten. Door verdichten van woningen rond de stationsomgeving wordt de afstand tussen woningen en OV afstand korter. Hierdoor zijn er kansen op positieve effecten. • Voor cultuurhistorische waarden zorgt het verdichten in de centra in Enkhuizen voor risico’s op negatieve effecten. Het beschermen van de West-Friese omringdijk zorgt voor kansen op positieve effecten. Voor landbouw, geluidhinder, beschermde natuur (Natura 2000 & NNN) en landschappelijke kwaliteit zijn er meer risico’s dan kansen te zien. • Door ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, duurzame energie en natuur, zijn er risico’s op negatieve effecten voor de landbouw. Deze functies gaan ten koste van de beschikbare ruimte van landbouw. Er is nog wel ruimte voor het versterken van (zaadveredelings)bedrijven in het rechtlijnig landschap en ter hoogte van grootschalige bedrijven in het West-Friese lintenlandschap. • Voor geluidhinder zijn er risico’s op negatieve effecten door een toename van verkeersbewegingen door het realiseren van woningen en door het realiseren van windturbines. Het stimuleren van elektrisch rijden kan zorgen voor kansen op positieve effecten, omdat elektrische auto’s stiller zijn.

• Voor beschermde natuur zijn er door het realiseren van nieuwe woningen en recreatie risico’s op negatieve effecten door verstoring. Het realiseren van windturbines zorgt voor risico’s op negatieve effecten door aanvaringsslachtoffers (vogels en vleermuizen). Ook ter hoogte van beschermde weidevogelgebieden. Wel zijn er kansen op positieve effecten door de uitbreiding van natuur op verschillende locaties in de gemeente en de afname van het aantal verkeersbewegingen. • Voor landschappelijke kwaliteit zijn er risico’s op negatieve effecten door het realiseren van woningen en duurzame energie in het landschap. Dit kan zorgen voor afname van de bestaande openheid en mogelijke aantasting van landschappelijk waardevolle structuren en elementen, met name ter hoogte van het Bijzonder provinciaal landschap. Er zijn kansen op positieve effecten door de versterking van het West-Friese lintenlandschap en het rechtlijnige landschap. Het beoordelingsaspect omgevingsveiligheid laat enkel risico’s zien. Dit wordt veroorzaakt door het inzetten op windenergie en het bouwen van huizen nabij het spoor (vervoer van gevaarlijke stoffen). Er zijn geen effecten waarneembaar voor de aspecten oppervlaktewater, circulariteit en vrijetijdseconomie. Er wordt niet ingezet op het verbeteren van de KRW waterkwaliteit. Voor circulariteit en het stimuleren van

9 oktober 2024

BJ1895

53

toerisme worden geen beleidskeuzes gemaakt die nieuw zijn en dermate concreet dat zicht is op ruimtelijke consequenties en leefomgevingseffecten. Het betreft voornamelijk procesbesluiten (zie paragraaf 3.5). Trillinghinder Voor trillinghinder was het in de Foto van de leefomgeving niet mogelijk om een beoordeling te geven, omdat er te weinig informatie beschikbaar was. Met het beleid uit het concept omgevingsvisie is er wel een risico op een negatief effect te zien voor de beleidsuitspraak onder wonen & samenleven. Omdat het aannemelijk is dat woningen gebouwd gaan worden nabij het spoor (binnen een afstand van 250 meter) is er een risico op trillinghinder.

5.2.2

Overall beeld per beleidsuitspraak

De effecten per beleidsuitspraak zijn gevisualiseerd in Figuur 5-12. De effecten zijn onderstaand nader tekstueel toegelicht.

Figuur 5-12 Kansen op positieve effecten en risico's op negatieve effecten, per beleidsuitspraak

Alle beleidsuitspraken kennen kansen op positieve effecten. In veel gevallen zijn er meer kansen op positieve effecten dan risico’s op negatieve effecten. • Voor de volgende beleidsuitspraken geldt dat er alleen kansen zijn op positieve effecten: o Groen & water. De kansen op positieve effecten zijn binnen de thema’s gezondheid, welbevinden & milieu en duurzaamheid, natuur & recreatie. Door het realiseren van groen binnen 300 meter van woningen en het realiseren van een waterberging zijn er kansen op positieve effecten. o Economie. De kansen op positieve effecten zijn binnen de thema’s wonen, gezondheid, welbevinden & milieu en economie. Dit hangt o.a. samen met het versterken van werkfuncties en het bieden van mogelijkheden voor doorontwikkeling van bestaande bedrijven op enkele locaties.

9 oktober 2024

BJ1895

54

o

o

Mobiliteit & toegankelijkheid. De kansen op positieve effecten zijn binnen de thema’s gezondheid, welbevinden & milieu, duurzaamheid, natuur & recreatie en mobiliteit. Door het aanleggen van een doorfietsroute en het plaatsen van meer laadpalen zijn er veel kansen op positieve effecten. Ruimtelijke kwaliteit. De kansen op positieve effecten zijn binnen de thema’s gezondheid, welbevinden & milieu, duurzaamheid, natuur & recreatie en ruimtelijke kwaliteit. Door het versterken van de West-Friese omringdijk en het versterken van bomenlanen ontstaan er kansen op positieve effecten.

•

Voor de volgende beleidsuitspraken geldt dat er, naast kansen op positieve effecten, risico’s op negatieve effecten zijn: o Wonen & samenleven. De risico’s op negatieve effecten zijn voornamelijk binnen de thema’s gezondheid, welbevinden & milieu, duurzaamheid, natuur & recreatie en ruimtelijke kwaliteit. De kansen op positieve effecten zijn binnen de thema’s wonen & samenleven en gezondheid, welbevinden & milieu. Het realiseren van woningen zorgt voor kansen op positieve effecten op het gebied van wonen, maar heeft risico’s op negatieve effecten voor natuur en verkeer. o Sport & bewegen. De risico’s op negatieve effecten zijn binnen het thema economie. De kansen op positieve effecten zijn binnen de thema’s wonen & samenleven en gezondheid, welbevinden & milieu. Het creëren van sport-, beweeg- en speelplekken zorgt voor kansen op het gebied van ontmoeten en bewegen, maar zorgt voor risico’s op negatieve effecten voor de landbouw. o Duurzaamheid. De risico’s op negatieve effecten zijn voornamelijk binnen het thema gezondheid, welbevinden & milieu. De kansen op positieve effecten zijn binnen het thema duurzaamheid, natuur & recreatie. Het opwekken van duurzame energie geeft kansen op positieve effecten voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en het verduurzamen van gemeentelijke gebouwen.

Windturbines en zonnevelden kunnen daarnaast zorgen voor risico’s op negatieve effecten voor natuur, de bodemkwaliteit en de omgeving (geluidhinder, omgevingsveiligheid, groene leefomgeving). o Natuur. De risico’s op negatieve effecten zijn binnen het thema natuur. De kansen op positieve effecten zijn binnen het thema economie. Het uitbreiden van natuurgebieden zorgt voor kansen op positieve effecten voor de natuur en biodiversiteit, maar zorgt voor risico’s op negatieve effecten voor de landbouw. o Recreatie. De risico’s op negatieve effecten zijn binnen het thema duurzaamheid, natuur & recreatie. De kansen op positieve effecten zijn binnen het thema duurzaamheid, natuur & recreatie. Het uitbreiden van recreatiemogelijkheden zorgt voor kansen op positieve effecten voor ontmoeten en bewegen, maar heeft risico’s op negatieve effecten voor de natuur.

•

Voor de beleidsuitspraken sport & bewegen, natuur en recreatie geldt dat er meer kansen op positieve effecten zijn dan de risico’s op negatieve effecten.

•

Voor de beleidsuitspraken wonen & samenleven en duurzaamheid geldt dat er meer risico’s op negatieve effecten zijn dan kansen op positieve effecten.

9 oktober 2024

BJ1895

55

5.3

Hoe ontwikkelen de knelpunten ten opzichte van de referentiesituatie?

In de ‘Foto van de leefomgeving’ is aan de beoordelingsaspecten een kwaliteitsniveau toegekend. In het geval dat er sprake is van een overwegend goede kwaliteit is het kwaliteitsniveau ‘groen’ toegekend. Voor het kwaliteitsniveau ‘oranje’ geldt dat er op enkele locaties sprake is van een overschrijding van gestelde normen. Tenslotte geldt voor ‘rood’ dat er sprake is van een overwegend slechte kwaliteit, er is dan op meerdere locaties in de gemeente sprake van een overschrijding van gestelde normen. De beoordelingsaspecten die in de huidige situatie en autonome ontwikkeling beoordeeld zijn met kwaliteitsniveau ‘rood’ en ‘oranje met verslechterende trend’ zijn aangemerkt als knelpunt en aandachtspunt respectievelijk. Vanuit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving liggen bij deze aspecten belangrijke opgaven voor de omgevingsvisie. In de ‘Foto van de leefomgeving’ zijn de volgende aspecten aangemerkt als knelpunt: broeikasgassen, duurzame energieopwekking, circulariteit, duurzame en slimme mobiliteit en biodiversiteit. Daarnaast zijn de volgende aspecten aangemerkt als aandachtspunt: wonen, werkgelegenheid en geluidhinder. Paragraaf 5.3.1 gaat in op de ontwikkeling van de bestaande knelpunten en aandachtspunten zoals deze benoemd zijn in de ‘Foto van de leefomgeving’.

Daarnaast kan het zijn dat het beleid uit de concept visie meer risico’s op negatieve effecten laat zien, dan kansen op positieve effecten. In dat geval is het mogelijk dat er nieuwe knelpunten of aandachtspunten ontstaan. Paragraaf 5.3.2 gaat hier verder op in.

5.3.1

Ontwikkeling bestaande knel- en aandachtspunten

Deze paragraaf beschrijft de ontwikkeling van de bestaande knel- en aandachtspunten. Eerst is beschreven welk kwaliteitsniveau in de ‘Foto van de leefomgeving’ is toegekend aan het beoordelingsaspect. Vervolgens worden de gevolgen van de visie beschreven. Tenslotte is beschreven of de verwachting is dat de scenario’s bijdragen aan het (gedeeltelijk) oplossen van de knel- of aandachtspunten. De volgende knelpunten zijn in de ‘Foto van de leefomgeving’ benoemd: • Broeikasgassen Broeikasgassen is in de huidige situatie beoordeeld met kwaliteitsniveau rood, omdat de broeikasuitstoot in alle drie de gemeenten ten opzichte van 1990 achterblijft op de klimaatdoelen. Het beleid laat zowel kansen op positieve effecten als risico's op negatieve effecten zien, waarbij er meer kansen op positieve effecten zijn. Risico’s op negatieve effecten ontstaan door aan de randen van Hoogkarspel en ter hoogte van Venhuizen te kijken hoe en in welke mate woningbouw een plek kan krijgen. Het gaat hierbij om woningen met een goede ontsluiting van bestaande en toekomstige functies. Er is een kans dat dit tot een toename van de verkeersbewegingen leidt en dus ook tot een toename van de uitstoot van broeikasgassen. Kansen op positieve effecten komen voort uit de opwekking van duurzame energie waardoor er een kans is op de afname van de uitstoot van broeikasgassen.

Verder zijn er kansen op positieve effecten door het stimuleren van elektrisch rijden middels de aanleg van laadpalen en de aanleg van (door)fietsroutes. Hiermee wordt het bestaande knelpunt naar verwachting verholpen. Het is daarmee aannemelijk dat er kansen op verbetering zijn, maar het knelpunt wordt waarschijnlijk niet verholpen. • Duurzame energieopwekking Duurzame energieopwekking is in de huidige situatie beoordeeld met kwaliteitsniveau rood met een autonome verbetering. Het beleid laat kansen op positieve effecten zien. Dit ontstaat doordat er in totaal meer duurzame energie opgewekt wordt opgewekt en het percentage duurzaam opgewekte energie 9 oktober 2024

BJ1895

56

•

•

•

t.o.v. de klimaatdoelstellingen dus zal toenemen. Het is onduidelijk in hoeverre hiermee wordt voldaan aan de klimaatdoelstellingen. Daarom is het onzeker of het huidige knelpunt wordt verholpen, wel is er sprake van een positieve trend. Circulariteit Circulariteit is in de huidige situatie beoordeeld met kwaliteitsniveau rood met een gelijkblijvende autonome trend. Het beleid laat geen kansen op positieve effecten, noch risico's op negatieve effecten zien. Met het beleid wordt het knelpunt dus niet verholpen en blijft het kwaliteitsniveau rood. Dit wordt met name veroorzaakt doordat het beleid nog weinig concreet is en daardoor effecten niet goed zijn in te schatten. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt aan een uitvoeringsplan voor verduurzaming, er wordt geadviseerd en gestimuleerd om huizen te isoleren en er wordt onderzoek gedaan naar de vermindering van restafval en de ondersteuning van ondernemers bij het inzaaien van kruidenrijke zaadmensgels. Duurzame en slimme mobiliteit Duurzame en slimme mobiliteit is in de huidige situatie beoordeeld met kwaliteitsniveau rood met een autonome verbetering. Het beleid laat enkel een kans op een positief effect zien. Deze kans op een positief effect ontstaat doordat er meer laadpalen komen en daardoor zowel het aantal (semi)publieke laadpalen als het aantal elektrische auto's per 1.000 inwoners toeneemt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16415863/1