20260605 Vovo appellant (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
,
,
,
,
,
,
,
,
,
[nleiding [appellant] is eigenaar van het perceel. In het zuidwestelijke deel van het perceel staat een gebouw dat voorheen in gebruik was als zorqboerderij. [appellant] heeft bij het college twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor het huisvesten van arbeidsmigranten in de bestaande zorgboerderij en nieuw te plaatsen modules in het zuidwestelijke deel van het perceel. De huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel is iri strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied (D4000) (hierna: het bestemrningsplan). Het perceel heeft grotendeels de bestemming Agrarisch. De gronden ¡n het zuidwestelijke deel van het 3.
2.
- p
l. l
£IJi
,.
i plc2t.
s
-
-
-
--------J_ $UeI. QQI IU_J
.
VQI i U
¿UI_•..._.4.._: UUl UI ,
l__s_. ___i
lj Ut1l
• U VIJ$Ji
iCiCII. ti IClJJItJrP. -
¿. Ul yUUIÌ
UÌ
)J
4. Het colíege heeft aan [appelíantj twee omgevingsvergunningen verleend voor huisvesting van 31 arbeidsrnigranten in de bestaande zorgboerderij en van 32 arbeidsrnigrantert in nieuw te plaatsen modules o•f woonunits. De omgevingsvergunning voor huisvesting van 32 arbeidsmigranten in nieuw te plaatsen modu!es of woonunits is verleend voor een periode van vijfjaar. Het col!ege heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2. 12. eerste lid. aanhef en onder a. onder 2°. van de Wabo aelezen in samenhana met artikel 4 aanhef en .
van 9
,
26/05/2026
,
CLI:NL:MVS:202(:929 Maad
van State ,
,
span
nttps:ffuitSpratefirCCrnSpra. flI/Uea11S lu=
class=fl1UU23U... >
i. lNIIv
onderdeei 9 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. (hierna: het Bor). [partij AI en anderen zijn omwonenden van het perceel en/of eigenaren van naastgelegen agrarische gronden. Zij vrezen dat het huisvesten van arbeicismigrantefl in de nabijheid van hun agrarische gronden tot beperkingen van hun agrarische bedrijfsvoering zal Ieiden. Het gaat [partij A} en anderen in het bijzonder om de mogelijke beperkingen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun gronden. Het perceei iigt binnen eri ôíìdCìCii. arstan van u m tot de ararisctìe roriderì vari [iij ,
De uitspraak
een
de rechtbank
van
5. De rechtbank heeft kort samengevat geoordeeld dat de bestreden omgevingsverguflflingefl zijfl verleend in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank heeft overwogen vari 7 dat het spuitzonerapport van Adromi Groep van 7 juni 2022 (hierna: het spuitzonerapport van n.Adrorni n J. ei nrinn ,
,
•jra. . . £_.d_.J ,
Int•ll.
rrr.rc!rn , rJt- J-cr , .— l Jl .1JL
4LP
,
.l
rrn.lnrJn , J4 Ì1l lJl., JII, rrJnn 44411
in !Pr , , i9444VIJI.11 S9S91. 4S94 • l. .. S9 VS. 11 l S9S. . . • 1. 411 lli.l._IJISS..
.
VS9II
l.ÀL. • 11. 41. 9
,
de arbeidsmigranten ondeugdelijk is. Aan het spuitzoneonderzoek Iigt nameIijk het verspreidingsmociel van de European Safety Authority (het EFSA-model) ten grondslag. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 19 oktober 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3023 en 23 november 2022 ECLI:NL:RVS:20223387 heeft de rechtbank overwogen dat het EFSA-model niet geschikt is om spuitzones in het kader van een goede ruimtelijke ordening te beoordelen. Daarom kan een onderzoek dat op dit model berust niet dienen als een ocatiespecitiek onclerzoek naar cle aanvaarcibaartleld van het gebruilc van gewasbeschermlflgsmiddelen binnen een afstand van 50 m tot gevoelige functies. van
,
,
,
,
,
Goede procesorde [partij AI en anderen hebben verzocht het nadere stuk van [appellantl van 19 december 2025 wegens 6. strijd rnet de goede procesorde buiten beschouwing te laten in deze procedure. Dit stuk bevat een nieuw onderzoeksrapport van Adromi Groep van 5 december 2025. -ioewei het nadere StUK 5 ngeciend vóór oe uendagen termijn als bedoeid in artikel 8:58 van de Algernene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stellen [partij A] en anderen dat het niet meer mogelijk was een eigen contra-expertise in te brengen als reactie op het onderzoelcsrapport. Zij wijzen er hierbij op dat het nadere stuk pas vlak voor het kerstreces op 19 december 2025 is ingediend terwijl het onderzoeksrapport dateert van 5 decernber 2025. ,
,
-
(rk
r•.
rrn
n hrrntrmiin , t-. -----r . . . . . . . . . .- ,
vn-
-. . -. -r
ri -. --------
,
jt
ppipp
-
-
ø trrifliir --
.
lc hs-rir
in artikel 6:6 van de Awb kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijlcheid om in een lopende procedure nieuwe argurnenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen cluurt voordat de zitting is zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of cie goede procesorde wordt geschoilden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weínig tijd resteert om ZlCh er iflnOUdetiJK over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak rnoet worden aangellouden met als gevolg eeri onwenselijke of onaanvaardbare vertragiflg van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van çieze twee vragen speelt in ieder geval een rol of het bewijsmiddel eerder had lcunnen worden ingediend. de omvang van het bewijsmiddel de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren. 6. 2.
Het nadere stuk van [appeilant] van 19 december 2025 bevat het onderzoeksrapport van Adromi van 5 december 2025 dat een aanvullende onderbouwing vormt voor de standpullten die eerder in deze procedure zìjn ingenomen met name over de driftreducerende werlcing van afschermende maatregelen. In het spuitzonerapport van Adromi van 7 juni 2022 ziin hierover al passages opgenomen. Gelet op de omvang en Oiiìpixii. éii. vdì iÌe iõ1.)OiL JLÍdt. vCiOridlììCiijk aiyJJitle VrvtJjLillyeIJ llddí weLeri5i_í1dppeíijk ¡ii. eíöuur bév hebben [partij A] en anderen naar het oordeel van cie Afdeling voldoende tijd gehad om zich hierover nhoudeiijk uit te kunnen laten. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding het nadere stuk van 19 december 2025 buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde. ,
,
,
,
,
,
.
,
,
Het hoger beroep JCJ. JJCIIICI
[appel!antl
van
-----------------------iCCJ
UOJ. UC
C
..
iiUilUCii
IJCUUCIU l
VJJJJI JJJUVV UCiGll
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeff mískend dat de beroepsgronden van [partíj Aj! en anderen niet kunnen leiden tot vernietiging van het besluit van 15 december 2022 omdat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb hieraan in de weg staat. Dat de migrantenhuisvesting kan leiden tot toekomstige beperkingen aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waardoor [partij A] en anderen worden aanoetast in de best. emirle exolnitatiemooeliikheden van hiin eiaendommen is voloens íaooellantl niet een ,
,
,
van
9
26/05/2026
,
CLI:NLRVS2O26:929 ; ; , Raad
State ,
ran
https://uitspracen. rechtspraaK. n1/Jeta11s!iC1b-L1:rL:t < .V
> class=hlO202302...
span
:. Lu:
belang dat een aoede ruimtelijke ordening in dit geval beschrmt. Bovendien is het volgens [appellant] uitgesloten cJat [partij A] en anderen gebruiksbeperkingen of lclachten vanwege milieuhinder zullen ondervinden die zij niet al hadden kunnen ondervinden. [appellarit] wijst erop dat de gronden waar de migrantenhuisvesting gevestigd is zijn bestemd als zorgboerderij. Deze zorgboerderij beschikte ook over een bedriifswoning waar de beheerders met hun vier kinderen woonden. De potentiële beperkingen die een zorgboerclerij stelt aan het gebruik van gewasbescherrningsrniddelen zljn volgens [appellant] vele malen groter dan bij gebruilc voor huísvesting van arbeidsmígranten. Als er arbeidsmígranten verblijven verblijven er immers niet langer kinderen of andere mensen met een bijzondere kwetsbaarheid in de zorgboerderij op het perceel. Ook zullen de arbeidsmigranten maximaai vier maanden aaneengesloten verblijven op het perceel en zullen zij overdag niet worden blootgesteld aan drift omdat zij elders aan het werk ,
,
,
,
7. 1. Uit cle geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken 11 2009/10 32 450 nr. 3 blz. 1. 8-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kenneliik niet strekt tot bescherming van het belang van deaene die in (hoger) beroep komt. [partij A] en anderen beroepen zich op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de directe omgeving 7. 2. van hun agrarische bedrijven. De norm van een goede ruimtelijke ordening voor zover deze slaat op een aanvaardbaar woon- en leeflclimaat ter plaatse van een woning beschermt omgekeerd ook de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf. Degene die een bedrijf uitoefent kan .
,
,
,
,
,
,
,
,
I.
ì ij
.cnnr.rr...-, ì • i
.
L.r , S• ,
fl
rr. l , ¼.,
S. i S. . I •
.
r!irr. S. I. . I
,
, I II. 1I. .
, tr..L SJI I SJI. . . 11. .
1. 1
I. PI
.J
,,
n
V SJ l
S. . . . . l
•
,, .
W
4f,
6 11111
11111 S. J. i
l_. V 6
J
S_I
zijn bedrijf aanvoeren dat vanwege de rnilieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklirnaat is gewaarborgd voor in dit geval de arbeidsmigranten. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre niet n de weg aan vernietiging van een besluit op die grond. De Afdeling verwijst naar haar overzichtsuitspraak van 11 november 2022 ECLI:NL:RVS:2020:2706 onder 10.6 Weliswaar kunnen [partii A] en anderen dergeliike cievolaen ook ondervinden van de bestaande zorgboerderij in de buurt van hun agrarische percelen maar dat doet niet af aan de omstandigheid dat zij ook door de nieuwe rnigrantenhuisvesting in dit belang worden geraakt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een aanwezige beclrijfswoning werd gebruil(t door de beheerders van de zorgboerderij. Dat de potentiële beperl(ingen volgens [appellant] worden verkleind ten opzichte van de huidige situatie is een inhoudelijk standpunt. Dat gaat dus niet over de vraag of een eventueel geschonden norm strekt tot bescherming van degene die zich daarop van
,
,
,
,
,
,
,
,
hrrt
rrhhrlç ,
haFt
rl
irirlrr , ,
4rrht-
[partij A] en anderen op grond besluit van 15 december 2022. van
van
artikel 8:69a
,
-t7iLWr) , , nrir h4- nnrr3l
rl
rJ
rnnrn
de Awb niet kunnen leiden tot vernietiging
van
van
het
Het betoog slaagt niet. Goed
woon- en
o.
totauJ
leefl(limaat uel. uuyt veJeí uai u
st. iitjaiik LC(t
deugdelijk heeft gemotiveercl dat bij de huisvesting een goed woon- en leeflclimaat.
JtI
voor
C(ILC
(fL
LIVCI VVtJyCf1 Ud(.
arbeidsmigranten
op
¡cl
l(lct.
zijn perceel sprake zal zijri van
[appellant] voert teri eerste aan dat bij de huisvesting voor arbeidsmigranten op zijn perceel sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat omdat de bestaande bebouwing volgens hem op een afstand ligt van 37 m van een boerderii waar bioloaisch wordt aeteeld en waar dus aeen aewasbescherrninasmiddelen worden ciebruikt. De ramen en deuren van de te plaatsen modules staan gericht naar dit biologisch bedrijf. Aan de zijde van de veehouder die niet op biologische wijze werkt zijn de modules voorzien van een dichte wand zonder ramen of deuren. [appellantl voert daarnaast aan dat in het algemeen een afstand van minder dan 50 rn acceptabel is tussen gevoelige functies en agrarlsche percelen waar gewasbeschermingsrnlddelen worden toegepast. Hij wijst erop aat de mínimaie astand van 50 m die de Afdeiing hanteert is vastgesteid toen rninder sirerlge wetielijke verplichtingen golclen voor driftreductie. Dat een kleinere afstand vanuít ruimtelijlc oogpunt bezien aanvaardbaar is blijkt volgens hem ook uit het EFSA-model. Daaruit volgt dat driftdruppels na 10 m uit de lucht zijn verdwenen en dat op een afstand van respectievelijk 25 m en 50 m alleen aerosolen en darnpen aantoonbaar zijn. ,
,
,
L I. . i r
van
9
-
J
..
,
4t
3# .
-
•r
Pl • 7-
-
ri
1+
i SJI
A4ISIVll , 7 ).ìni ,l . . .! i •n SSJii
)f177 in 4i# niJ , 1 4 . J 6_ _ l! • .W I t _
SJ fl ...i_I ,, , li. .
2610512026 ,
LI:NL:RVS:2026:929 Raad ,
van
State
span
,
https://uitspraken. rechtspraak. nl/details?idECL1:NL:RV S:2026:
class=hl0202302... >
motivering biedt voor afwiiking van de afstand var 50 m. [. appellant} stelt zich op het standpunt dat het gebruikte EFSA-model geschikt is voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van spuitzones in het kader van een goede ruirntelijke ordening. Het gebruikte EFSA-model is ontworpen om te dienen als beoordelingsinstrument bij de uitvoering van de Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees parlement en de raad van 22 mei 2012 (híerna: de Verordeníng) en kan worden toegepast orn de mate van driftblootstelling ì iorst caseS-otie ut ii optretieiì. i3overitiien gåt iiet ebtuikte e beordëiii tiie riiax ïai aannames waardoor een hogere blootstelling wordt berekend dan in de praktijk blíjkt op te treden. Over de windhaag voert [appellant] daarnaast nog aan dat het met het EFSA-model weliswaar niet mogelijk is om afscherming van drift met een haag of een scherm te modelleren maar dat er voldoende wetenschappelijk onderzoek is verricht naar de afschermende werking van een windhaag. Dat er een aantal resterende wetenschapoelike onzekerheden ziin in het spuitzoneraoort van Adromi van 7 juni 2022 betekent volgens [appellant] niet dat de rnogelijke risicos die daaruit voortvloeien onaanvaardbaar zijn zodat geen sprake meer kan zijn van een goede ruimtelijke ordening.
In het spuitzonerapport van Adromi van 7 juni 2022 wordt namelijk aangegeven dat deze risicos en onzekerheden zeer gering zijn. Het college is volgens [appellant] vrij ervoor te kiezen deze onzekerheden en risicos te accepteren. [appellantl wijst er n dit verband verder op dat het risico op negatieve gezondheidseffecten al is uitgesloten doordat irr Europa strenge ,
,
,
,
, , i -rr.rIr l_i.
.
,, r SÅÌ ,, , , , , , . . . , , rr lO_Ìl_ll_. irrInirn , , , !!rrr , Ì -ririnn r!rt , I-i np ,, , rrnp.çrkr*rrhaSðÌ rr Ì *S1l_Il. * n.irir Ì IÌS. IÌ_IÌS_Ì VVSJÌ tIS.IÌ t. at_. I-p.pi _ll_iÌ.iÌtUÌlÌÌ t_ , , VLI_1l_tt__1t. .Ì t. .. , lÌllt , .Ì Ì l*_., l Ì. ft l l_ll**_. l ÌLÌl * ,V , p.p.r ,
deze geen schade berokkenen nogmaals in het lader < van een
,
Ì l.t ÌJ
.trstn rsir It. ll, , t_ÌI_1
hoeft het risico op negatieve gezondheidseffecten volgens [appellantj niet goede ruimtelijke ordening beoordeeld te worden.
In het onderzoeksrapport van Adromi van 5 december 2025 wordt nader onderbouwd dat de aangevraagde omgevingsvergunningen in overeenstemming zijn met een goede ruimteiijke ordening. In dat rapport heeft Adromi dit onderbouwd met verwiizingen naar wetenschaipelijk onderzoek over de afschermende werking van een windhaag. Hierbij heeft Adromi de tijdelijkheid van de omgevingsvergunningen de bescherming van bewoners in de oorspronkelijke bestemming als zorgboerderij en de omstandigheid dat sprake ¡s van een logiesfunctie en niet van een woonfunctie betrokken. ,
8. 1. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de agrarische percelen van [partij A] en anderen en cle met de omgevingsvergunningen voorziene gevoelige functie bestaande uit nieuw te plaatsen woonmodules voor arbesmigranten ongeveer 10 m is. De precieze atstand tussen cie agrariscrie percelen en cie zorgboerderij is riiet uit het dossier af te leiden en op de zitting is gebleken dat partijen hierover verdeeld zijn. Vaststaat dat de afstand ¡n ieder geval kleiner is dan 50 m en dat er globaal vanuit kan worden gegaan dat de afstand ongeveer 30 m is. Op de zitting is bevestigd dat er geen spuitvrije zone is. ,
,
8. 2.
van [partij A} en anderen de bestemming I-p.rrI-srsts , , , srs , srrrrhijlrrp!p. , , , , , , trr)Õrt rrricrh , -____-..-...._-.-.--..-_.._.., , .-.....s_ , ..V. , . . -_-.--,, , ,,
De Afdeling overweegt allereerst dat op de gronden . _. -. -.
Çtl. nrp. .n.. i. ,., rs.-s p1. , rsl ..nrrrrÌlr , , , ¡V h4 --. , .
_
bedrijvigheid te ontplooien. Zo is het mogelijk om ter plaatse akker- en vollegrondstuinbouw fruittee!t boomteelt de teelt van boomkwekerijgewassen houtteelt sierteelt glastuinbouw en een intensieve kwekerij te exploiteren of te bedrijven. Gelet op artikel 3.1 aanhef en onder a en artikel 1.8 van de planregels is het mogelijk dat op de gronden waar nu biologisch wordt geteeld gewassen worden geteeld of gekweekt waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. In de besluitvorming moet worden uitgegaan van de maximale planologiscrie mogelikrieden. De stelling van appellantj dat op die gronden op dit moment geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen is dus niet doorslaggevend. Dat mogelijk al jaren geen gewassen zijn geteeld waarbij gebriiik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen of dat concrete plannen daarvoor ontbreken is onvoldoende om een uitzondering te maken op deze hoofdregel. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 14 oktober 2020 ECLI:NL:RVS:2020:2439 onder 82. 3. Overiciens vindt op dit moment niet op alle aanarenzende percelen biologische teelt plaats. Dat bevestiat nog eens dat moet worden gekeken naar wat het bestemmingsplan mogelijk maakt en niet naar wat cie toevallige teeltwijze op bepaalde percelen is.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 rn tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Het ¡s toegestaan deze afstand te verkieinen als daaraan een deugdeiijke motivering ten grondslag iigt. in eertiere uitsprakerr ireeíi úe Aícieiirtg uverwogert dac eerr koriere aístarìd kari worcieii geirrouveerd ddl cie irdrtci van een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. De Afdeling verwijst bíj wijze van voorbeeld naar haar uitspraak van 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 onder 7. Adromi heeft voor het spuitzoneonderzoek gebruik gemaalt< van het EFSA-model. Het rapport vermeldt onder Beoorde!ing overige factoren dat het gebruikte EFSA-model geen inzicht biedt in de blootstel!ingsrisicos voor t htJ ahrniktp TFÅkinr1ren irinnr rtn n jr n vrtrir nrtnhnrn kinriren (nk vrrnp!rlt hf r. irtnnrt ,
,
,
,
,
,
, ,
,
,
,
.
,
,
,
,
,
,
van 9
,
26/05/2026
,
CLI:NL:RVS:2026:929 , Raad van State ,
span
:2UZ
< ht1ps:t/urspracen.rechtSpraa.flIìOetai1S!IUL!L:1v
c1asshlO2O23O2... >
model geen inzicht geeft in de curnulatieve effecten yan blootstel!ing aan gewasbescherrningsmiddelefl en in cle eventuele gecombineerde werking tussen gewasbeschermingsmiddeien onderling. Ten slotte is het niet mogeiijk de om afscherming van drift met een haag of een scherm te rnodel!eren. Ge!et is de conclusie dat wat bruikbaarheid betreft van het voor dit project gebruikte EFSA-model dezelfde kritiekpunten gelden als aan de orde waren ín de uitspraken van 19 oktober 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3023 en 6 december 2023 -..-.. í. ......í...-ilJ.. VClUlZl_. lllZl l ÌlllJll IÌUUIZIlZI L1...L lL. r..l 7. ¿PJi. J. LICII. UlZ y ..l_-.... .-lUÌlZ I. U1 ltl1Zl VWI UlZl lZ1JI UÌÌsL. 01 UJ VlZlll1Ì IlZIU LIJI beoordeeld bij de toe!atìng tot de Europese markt laat onverlet dat op dit moment geen wetenschappelijke informatie beschikbaar is waarmee de eerder genoemde blootstellingsrisicos in beeld kunnen worden gebracht. l-!ierdoor kunnen deze blootstellingsrisicos niet op een verantwoorde wijze worclen meegenomen bij het bepalen van een aanvaardbare afstand. Weliswaar is in het spuitzonerapport van Adromi van 7 juni 2022 Uit de Afdeling voorzorg gereken.
d met correctiefactoren en ruirnere marges1 maar uit de genoemde uitspraken van gekomen daarmee tegemoet wordt aan de niet kan worden ingeschat of volgt juist dat zonder nader onderzoek clan ook terecht De rechtbarrk heeft onzekerheden van het ook irr dit geva! gehanteerde EFSA-model. advies overwogen dat het spuitzonerapport van Adromi van 7 iuni 2022 niet kan worden aangemerkt a!s een locatie waarin een kortere afstand deugdelijk is gemotiveerd aan de hand van een zorgvuidig op de toegesneden onderzoek. l-i nr l rI 11Al_íl r r 15 nI-r r rrl r r r I it-e Illl.i.1rl rr I_íl_í_íl. IZ lr I- 1_IIJI I l I. 1r•Ìrr rn e i_ V ní-. ii r Ì _i r _)fl rn -.- I1J rLÌIr r. rI-l. Il.IIl r lZJ rlne.rr 1_. 1_l. _i I_ð_. l ií.íjJ1_l_. lljtSS. l_ðt. lðl. ll. íll. UJíS tllI. li S_. i íV IJL. íl r.ll_.p l ll. í_ rl t_Jl_S.l...íl ILJ. *. t_l_. _I_) Ì 1JJJIJI over driftreductie door afschermende maatregelen. verschillende locatiespecifieke kenmerken van de situatie zijn hierin niet meegenomen waaronder de afstand tussen de woonmodules en de zorgboerderij tot de agrarische percelen van [partij A] en anderen. Alleen al om die reden kan het rapport van 5 december 2025 niet dienen als een zorgvuldig op de iocatie toegesneden onderzoek op groncl waarvan een kortere afstand dan 5f rn kan worden gemotiveerd.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet zorgvuldig heeft onderzocht of en zo ja in hoeverre het in overeenstemming is met een goede ruirntelijke ordening om arbeidsmigrantenwoningen rnogelijk te maken op het perceel dat grenst aan de agrarische percelen van [partij A] err anderen waar het gebruik van gewasbeschermingsmidde!en is toegestaan. ,
,
,
.
,, _.
,
, ..
,
,
,
,
,,,
,
,
,
,
,
, , ,
,
, ,, ,, .. .
. ,
,
, ,,
,
, , .. .
,
,,
, ,
,,
,, .
,,
,
.....
. . _.
,,
,
.
,
,
,
,
, ,, ,
,
...
,
,
,, ,
,, ,
..
_.
,
,
,, ,
,
,
,
Het betoog slaagt niet.
Conc!usie hoger beroep Het hoger beroep van [appel!ant] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank voor zover aangeval!en 9. ,
,
dient te worden bevestigd.
10. D
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. inhoud var het nieuwe besiit oo bezwaar
Met het besluit van 30 mei 2023 heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [partij AJ en anderen tegen de besluiten van 12 en 26 januari 2022 waarmee het col!ege aan {appellant] twee omgevingsvergunningen heeft verleend voor de huisvesting van arbeidsmigranten op zijn perceel. Het college fleeft besloten de besluiten van 12 en 26 januari 2022 te vernietigen1 Dit betekent vo!gens het coliege dat fappellantl geen gebruilc meer mag malcen van de eerder aan hem verleende verqunningen. Het colleqe heeft zich op het standpunt gesteld dat het spuitzonerapport van Adromi van 7 juni 2022 op grond van vaste rechtspraak níet gebruilt< kan worden als deugdelíjke motivering voor de verkleiníng van de afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Bij gebrek aan een geaccepteerde onderzoeksmethode is een lcortere afstand tot spuitzones in het kader van een goede ruimte!ijlce ordening velgens het college op dit moment niet aanvaardbaar. Verder heeft het college het bezwaar niet-ontyankeliij < verklaard voor zover dat door {partij FJ als natuurlijk persoon is gemaakt en voor zover hij dit heeft gemaakt namens {bedrijf A] en [bedrijf B] Het col!ege heeft geen vergoeding van de proceskosten in bezwaar toegekend aan [partij A] [partij B] [partij C1 [partij D] en [partij EJ.
Op cle zitting heeft het college bevestigd dat met de vernietiging van de besluiten van 12 en 26 januari 12. 2022 is bedoeld die besluiten te herroepen. Verder is op de zitting vastgesteld dat uit het besluit van 30 mei 2023 niet blijkt dat het college naast de herroeping van deze besluiten een nieuw besluit op de aanvragen om omgevingsvergunningen van [appeiiantj neeft genomen. Op ae zrtting neeft het coiiege aangegeven aat net ae aanvragen om omgevingsvergunningen van [appeilant] in een nieuw besluit zou weigeren.
1. 1.
,
,
,
,
Het beroep van [appe11ant1 tegen het besluit van 30 mei 2023 Het beginsel dat de geschonden regel bedoeld is voor jouw belang
13. van 9
< 8:69a van de [appellantl betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het relativiteitsvereiste uit artiiel
26/05/2026
,
CLI:NL:RVS:2026:929, Raad
van
State, <span class="hl0">202302…
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details1d=ECLENL:KV S:2020:5
Awb in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunningen. grondslag is voor het besluit van 30 mei 2023, Gelet op wat de Afdeling heeft overwogen [appellant] niet.
in
13.1.
overweging 7.2.
Dit betekent
van
volgens hem dat
deze uitspraak,
er
geen
slaagt dit betoog
van
Spuitzoneonderzoek het college de aan hem verleende omgevingsvergunningen ten onrechte heeft advies herroepen in het besluit van 30 mei 2023. Hij wijst erop dat de Afdeling in een andere zaak opnieuw voor Milieu en heeft gevraagd over het EFSA-model aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) naar aanleiding van een onderzoek waarin wordt gesteld het EFSA-model
[appellant] betoogt dat
14.
wel bruikbaar is. Daarnaast voert hij aan dat voldoende is onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Met de aanleg van afschermende maatregelen, zoals een haag, kan worden voldaan aan de eis dat bij het hanteren Dit van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie gegarandeerd is. van december 2025. Momenteel 5 zijn blijkt ook uit het hiervoor al genoemde onderzoeksrapport van Adromi waren verleend omgeven door een de beide waarvoor omgevingsvergunningen volgens [appellant] gebouwen bladhoudende haagbeuk van ongeveer 2 m. Ook de toekomstige perkeergelegenheid is a! deels voorzien van een
haagbeuk, die later kan worden uitgebreid.
14.1.
Het advies
de STAB
van
[appellant]
waarnaar
in beroep heeft
verwezen
is het advies dat
aan
de orde
uitspraak sluit de de Afdeling van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523. van 19 oktober 2022, Afdeling aan bij wat zij eerder over het EFSA-model heeft overwogen in haar uitspraak ECLI:NL:RVS:2022:3023. Op de zitting heeft [appellant] geen verschillen naar voren gebracht over de en het gehanteerde versie van het EFSA-model in het spuitzonerapport van Adromi van 7 juni 2022 gehanteerde EFSA-model dat ter discussie stond in de uitspraak van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor
uitspraak
in de
was
In die
van
dat de in deze zaak gehanteerde versie van het EFSA-model een algemeen wetenschappelijk model is waarmee in het kader van de ruimtelijke ordening afstanden voor aanvaardbare spuitvrije
het oordeel
aanvaard zones
worden bepaald.
kunnen
Voor zover [appellant] onder verwijzing naar het rapport van 5 december 2025 betoogt dat in dit geval met afschermende maatregelen kan worden volstaan, verwijst de Afdeling naar haar oordeel hierover in overweging deze uitspraak.
8.2.
van
Het
betoog slaagt
Het beroep
van
Ontvankelijkheid
niet.
[partij F] tegen van
het besluit
van
30 mei 2023
[partij F], [bedrijf B} en [bedrijf A]
heeft verklaard. [partij F] _ [partij F] betoogt dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk in uit de
15.
woont weliswaar op 750 m afstand namenlijst die is bijgevoegd bij het
perceel op het adres (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) maar pro-forma-bezwaarschrift, blijkt volgens hem dat hij meedoet
van
het
als eigenaar Daaruit Blijkt volgens achter van de direct (perceel Aj. iandeigenaar gronden perceel (perceel Bj [partij F] dat hij namens [bedrijf B] en [bedrijf A] bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 12 en 26 januari 2022. En die vennootschappen zijn belanghebbende. van
het
en
ais
bijgevoegd bij het pro-forma-bezwaarschrìft, staat achter de naam van [parù) F] "doet mee als eigenaar van [perceel B] en ais landeigenaar direct achter [perceel Al/1[ perceel C]". Hieruit blijkt niet dat [partij F]s vennootschappen bezwaar hebben gemaakt. Die worden op deze lijst ook niet genoemd. Bezwaarmaker is dus [partij F] in privé. Die woont op een te grote afstand, namelijk 750 m, om belanghebbende te zijn. Het college heeft het bezwaar van [partij F] daarom terecht niet-ontvankelijk 15.1.
In de
namenlijst
die ìs
verklaard. de vennootschappen dus geen bezwaar gemaakt tegen de Dat betekent dat het college in het besluit van 30 mei 2023 niet hoefde over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring van enig bezwaar van die vennootschappen. Maar anderzijds ondervinden die vennootschappen ook geen nadeel van die overbodige niet-ontvankelijkverklaring.
Uitgaande van wat hiervoor is overwogen oorspronkelijke omgevingsvergunningen.
hebben
slaagt niet. De Afdeling beslist daarom afzonderlijk op het beroep van [partij F] en verklaart dat ongegrond. Als zij het hierna heeft over het beroep van [partij A] en anderen bedoelt zij daarmee dus die groep appellanten minus [partij F]. Het betoog
‘van 9
26/05/2026,
; cU:NL:RVS:2026:929 , Raad van State.
span
nttps://u1tspraKen. reCrnsPraaI. ni/QeäUS 11U=LJL :LrIV
class=hlO2023(12... >
{partij A} en anderen tegen het besluit van 3. 0 mei 2023 Vergunningveriening in strijd met gemeentel ijk afwijkingsbeleid {partij A] en anderen betogen verder dat de aanvragen van {appellantl in strijd zijn met het 16. gemeentelijk afwijkingsbeleid. _l._ -i- -. -- S. L. l l_& ¿_JÌl t& L. L 54 L. ---.. 1. C&I l t L. _ItJL. l. t_&. l. 1 SJ. J &_Cl ISIÌ. l_J l_. Ì t Cl J _a L. t_l L 41. 41 LIJ flJ L. tt (4 l Ì-1..I L.I 1. 45. 1 l_. t. ltjLl 1. 41. 1 (. ¿_lJ & (_. t. uitkomst van het besluit van 30 mei 2023. Naar het oordeei van de Afdei!ng hebben [partij A} en anderen daarom geen belang bij een bespreking van dit betoog. Het beroep
.
.
, , ,
van
.
, .. , , , ... , , ,, ,, , , , .
,
.
,,
,
,
, ,
,
.
,
..
,
,
,
,
.
.
Het betoog slaagt niet. Proceskosten bezwaar 1. 7. {partij ] en anderen betogen verder dat het coiiege ten onrechte geen proceskostenvergoealng in bezwaar heeft vergoed. Zij voeren aan dat hun bezwaren ertoe hebben geleid dat de vergunningefl zijri herroepen. Orndat het coilege hiermee tegemoet is gekomen aan hun bezwaren zou het college de proceskosten van beide bezwaarprocedures moeten vergoeden met toepassing van artikel 7:15 van de Awb. i. 7. l. Artikel 7:15 tweede iid ian de Awb luidt: De kosten die de belanghebbende iri verband met de 1 1 11 I; ; ; -rP7rì t_. Ìsrl i-tfi-h- ho7lr wegens aan het wordt herroepen vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid < in 17. 2. De Afdeling stelt vast dat [partij AI en anderen hebben verzocht orn vergoeding van de proceslosten van mei 2023 heeft beslist. Met het besluit 30 coliege op de bezwaren heeft cle bezwaarprocedures voordat het het col!ege de besluiten van 12 en 26 januari 2022 herroepen maar is het collnge niet overgeçaan tot vergoeding van de proceskosten van [partij A} en anderen in bezwaar. Op de zitting heeft het college bevestigd dat aan [partij AI en anderen een vergoeding moet worden toegekend. ,
.
,
,
,
, ,, ,, . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . .
,
,,
.
,
Het betoog slaagt. Conclusie beroep i8. Het beroep varì faDoellanti teaen het besivit van 30 mei 2023 is oñacarond. 0vcr hct bcroep vn fpartij F} is hierboven at gezegd dat de Afdeiing dat ongegrond verklaart. Het beroep van [partij AI en anderen tegen dat besluit is gegrond. De Afdeling zal het besluit van 30 mei 2023 vernietigen voor zover het college iri strijd rnet de artikelen 7:11 tweede lid en 7:15 tweede lid van de Awb niet opníeuw heeft besloten op de aanvragen om omgevingsvergunningen en de kosten die [partij A] en anderen in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken niet heeft vergoed. De Afdeling ziet aanieidíng om met toepassing vari &&. ll._ LC]i? UC _&. - _t_. r.LJC_ PlUelli _t_. C -. -. _t. A. Ì. _l. C Ç. t. 4. -. &. ..._.l.1._l ; n. _ln t. _1. l:. _l _S. t. UUUI _ LlCl ,
,
,
,
. . .. . . . _. .. . _. . .. .. __. _. . .. Uel UC_ IIU , .00111 lCÍ Cl i .vl__. .ìuei_. _ u , vaí l UC_ t&VU LCÍI 111 UC_ L0ii
.....
.
.
_.
. __.
.
_. _.
. ._. .. _. . . .. .. . . , l. C_. . VUUl aanvragen is bes!ist. De , zodat daarmee op de omgevingsvergunningen weigeren [appeilant] aangevraagde dat het lid , van de Awb , te bepalen van artíkel 8:75 , eerste Afdeling ziet verder aanleiding om met toepassing
0! Í. lSsCÍ Q. / ¿
cotiege aan [partij A] en anderen de in verband met de voor de behandeling van het bezwaar gemaakte proceskosten vergoeclt. De Afdeling zal de proceskostenvergoeding in bezwaar vaststellen op een bedrag van €
133200. ,
19. Als gevolg van deze uitspraak zal de voorlopige voorziening die is getroffen in de uitspraak van 28 juli 2023 vervallen. Hierdoor mag [appellant] vanaf de datum van deze uitspraak geen arbeidsmigranten meer huisvesten op zijn perceel terwijl daar op dit moment nog arbeidsmigranten wonen. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om bij wijze van vooriopige voorziening als bedoeid in artike! 8:72 vijfde !id van de Awb te bepaien dat cle besluiten van 1. 2 en 26 januari 2022 van kracht btijven tot dertien weken na de dag van l lnn! l.- IJIIS ..i-l.1 l-. i. Ç_JUC ..&CCCrC1.. .t-.t t-fn-.t 4-.I..tSISI. Ål l •. l st .-í.s L! t lC t tt j. CCl LtJt t! l!l tÇ! ln.CJClJl _L&C S.nl__&. .-S.S-t_ nnttlll. ! J& i JC tt..t ; Cl&& &Cl&t ClC. CC •Lli&_J. t-.. J UCl. ;; ,
,
,
,
,
,,
, , ,
.
,
,
, ,
,
,
,
,
, . _. .. .
.
,
,
,
.
,
,
, , ,, , , ,
, ,
, ,
,
,
worden gernaakt. 20.
Het coliege moet de proceskosten
van
[partij A}
en
anderen verçoeden.
Overschrijding redelijke termijn [partij A] en anderen hebben de Afdeiing verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van eerste ¡!d van het erdrag tot beschermirìg van de rechten varì de e redeijke termijn ais bdoeid ¿n ari. ikei mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). 21. 1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vierjaar rede!ijk. Hierbij wordt een halfjaar gerekend voor de behandeiing van het hezwaar rr1orhlfir wier t-lg hohrìrJolirri vr l-iol- horrÌorl ort ioo ir vrrr rlo hohn lrir trt hol- hrtror horort rfo 21.
,
,
,
,
,
,
B van 9
,
,
,
26105/2026
,
https://uitspraken.rechtspraak.nl/aetauls AA=EALIINLGKV
CLI:NL:RVS:2026:929, Raad van State, <span class="hl0">202302.…
D:2040:7
van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. termijn begint.op het moment van ontvangst 22 februari 2022. De 21.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [partij A] en anderen ontvangen op De niet overschreden. Afdeling wijst het verzoek redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog van de redelijke termijn daarom af. van [partij A] en anderen om schadevergoeding wegens overschrijding
Beslissing De Afdeling
bestuursrechtspraak
van
de Raad
het hoger beroep van
State:
van
[appellant] ongegrond;
Í.
verklaart
Ii.
bevestigt de uitspraak van de rechtbank,
voor
zover
aangevallen; het
college
van
burgemeester
var
verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit Dronten van 30 miei 2023, kenmerk 369147, ongegrond;
Iv.
_ verklaart het beroep van [partij F] tegen het besluit van het college van burgemeester en
mr,
Dronten
Vv.
30 mei
van
2023,
verklaart het beroep
college
van
burgemeester
kenmerk 369147,
wethouders
van
wethouders
en
wethouders
van
ongegrond;
[partij Al, [partij Bj, [partij C], [partij D] en [partij E] tegen
van en
van
Dronten
van
30 mei
2023,
kenmerk 369147,
het besluit van
gegrond;
en wethouders van Dronten niet heeft VI. vernietigt dat besluit voor zover het college van burgemeester [partij besfoten op de aanvragen om omgevingsvergunningen en de kosten die [partij Al, [partij B], [partij C], heeft moeten maken niet vergoed; hebben D] en [partij E] in verband met de behandeling van het bezwaar
_
ViL.
weigert de door [{appellant] aangevraagde omgevingsvergunningen;
VIII.
bepaalt
dat deze
uitspraak
in de
plaats
treedt
van
het
besluit
van
30 mei 2023,
voor
zover
dit is
vernietigd; het college van burgemeester en kenmerk OV 12 januari 2022, kenmerk OV 2021-1451, en 26 januari 2022, tot dertien weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
_ bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de besluiten
IX.
wethouders
van
2021-1263,
van
Dronten van kracht blijven
van
van bij [partij Al, college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding in en beroep van de bezwaar [partij Bj, [partij Cj, [partij Dj en {partij EÌ in verband met de behandeling derde toe te rekenen aan door een opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2733,00, geheel de betaling van genoemd bedrag aan één beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij heeft voldaan; van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting af. XI. _ wijst het verzoek van [partij A] en anderen om schadevergoeding in tegenwoordigheid van mr. (geanonimise rd) Aldus vastgesteld door mr. (geanonimiseerd) tid van de enkelvoudige kamer, (geanonimiseerd) DEN oritier.
veroordeelt het
X.
w.g. lid
(geanonimiseerd)
van
wg.
de enkelvoudige kamer
(geanonimiseerd)
griffier Uitgesproken
in het
openbaar
op 18 februari 2026
700-1133
9 van
9
26/05/2026,
:CLI:NL:RVS:2025:4134 Raad ,
van
Statc 202400509/1/RI ,
ECLI:NL:RVS:2O25:4134 Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2025
Datum pubticatie
27-08-2025
Zaaknummer
202400509/1. /R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 december 2023 heeft de raad van de ciemeente Venray het bestemmingsplan tWoningbouw Zompgraaf Oostrum vastgesteld. Het plan maakt het mogelijk om aangrenzend aan de noordzijde van de kern Oostrum op enkele verspreid liggende percelen aan de Geysterseweg en cle Van Broekhuizenstraat in totaal 6 vrijstaande woningen 2 woningen in de vorm van een tweekapper en 3 aaneengebouwde woningen te realiseren. Het gaat in totaal dus om 11 woningen waarvan er al één eerder positief is bestemd. [appeHant ß] is eigenaar van een perceel aan de [locatie] in Oostrum kadastraal bekend gemeente Venray sectie S nummer 312. Op dat perceel rust op grond van het daar gelderìde bestemmingspian ttOostrum deels een woorìbestemming en deels een agrarische bestemming. {appcHant B} woont op dit adres en exploiteert vanuit dit adres de twee vennootschappen. [appellant B] en andere betogen dat hun perceel S 312 ook gedeeltelijk een agrarische bestemming heeft voor de teelt van gewassen en dat op deze gronden ook feitelijk gewaheschermingsmiddelen worden gehruikt.
-
meervoudig
,
,
,
,
,
,
,
,
Rechtspraak. nl Lijjkte uitspraak
20240509/i/Ri. Datum uitspraak: 27 augustus 2025
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen: Agrum B.V {appellante A] en [appellant B] gevestigd en wonend in 0ostrum gemeente Veflray (hierna gezamenlijk: [appellant B] en andere) ,,
,
,
,
appellanten
,
de raad vari de gerneerìte Veiìray
,
verweerder. Procesverloo p Bij besluit van 12 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan vastciesteld.
van 7
Woningbouw Zornograaf 0ostrum
25/05/2026 ,
CL1:NL:RVS:2025:4134 Raad
van
,
https://uitspraen. rechtspra. fll/deta11S?1dCL1: IL:KV
State 202400509/1/R 1 ,
iU2):
Tegen ciit besluit hebben [appellant BJ en andere beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant B] en andere hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juii 2025 vertegenvoordigd dcor mr. PJ. G. Goumans advocaat in Mjmegen Hoeijmakers( zijn verschenen. MJ. H. Godschalk en ,
waar
, ,
er
[appellant B] en andere de raad vertegenwoordigd door ,
mr.
,
.
Overwegingen Overgangsrecht i nwerki ngtreding Omgevi ngsrecht 1. Op 1. ianuari 2024 zijn de Omgevingswet en de lnvoerinqswet Omqevingswet in werking getreden. Op gronr] van arbkel 4.6 dercie iii van de Invoeringswet Omgevingswet blijít op een beroep tegen een bèsluit tot vaststelling van eerì bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 28 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht waaronder de Wet ruimteirjke ordening en de Crisis- en hersteiwet zaais dat goid vóór i jarruari 2024 våiì toepassing blijft. ,
,
,
,
,
Inleiding 2. Het plarì maakt het mcgelijk om aangrenzend aan de noordzijde van de kern Oostrum op enkele verspreid ìiggende percelen aan de Geysterseweg en de Van Broekhuizenstraat in totaal G vrijstaande vvoriirrqerr 2 wonirrgen iri de vorrn van een Lweekapper en 3 aaneengèiouwde worringefl te reaiìseren. Het gaat in totaal dus om 11 woningen waarvan er al één eerder positief is bestemd. [appeìiant B] is eigenaar van een perceel aan de [locatieJ in Oostrum kadastraal bekend gemeente 3. Venray sectie S nummer 312. Op dat perceel rust op grond van het daar geldende bestemmingsplan Oostrum deeis een woonbestemming en deels een agrarische bestemming. [appellant B] woont op dit adres en exploiteert vanuit clit aclres de twee vennootschappen. De agrarische bedrijfsactiviteiten van Aarum vinden ferteiijk plaats vanuit de [locatie 2] in Oostrum. Daarnaast heeft één van de vennootscrrappen cle eigenaom van het perceel kadastraal bekend gemeente Venray sectie S nummer 398 ten noorden vaii de Geysterseweg. Dit perceel wordt gebruikt voor de teeìt van gewassen. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Toetsingskader 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan rnoet de raad bestemmingen aanwijzen en regeis geven die de raad uit het oogpurrt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en rnoet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zeif of het plan in overeerrstemming is met eeri goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of Iiet besluit tot vaststeiiing van het bestemmingsplan in overeenstemming is rnet het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plarr te dienen doelen. in:rekkirïg broepsgronden
n
ontvankeiijkheidsverweer
5. Op de zitting hebben [appellant BJ en andere hun beroepsgronden over de behoefte het parkeren en het verkeer ingetrokken. De raad heeft zijn verweer over de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant B] en andere ingetrokken. ,
Beroepsgronden Spuitzore gewasbeschermingsmiddeíen 6. [appellant B] en andere betogen dat hun perceel S 312 ook gedeeiteiijk een agrarísche bestemming heeft voor de teelt van gewassen en dat op deze gronden ook feitelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Uitgaande vari de maximale planologische mogelijkheden had de raad volgens hen geen woningen binnerì 50 meter van deze gronden mogeìijk mogen maken. Datzelfde geldt voor de groenbestemrning die aan de gronden ten oosten vcn dit perccei is tcegekend. Ecn dcugdclijkc motivering waarom n dit geval een kortere afstand mogelijk is ontbreekt. [appellant B] en andere zijn niet voornemens om de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen binnen de planperiode te staken. Weliswaar heeft de raacl een voorbereidingsbesluit genomen dat ertoe strekt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het perceel S 31. 2 wordt beëindigd maar het bestaande gebruik rnag niettemin worden voortgezet. Hetzelfde voeren zij aan voor het perceel S 398. ,
,
van 7
25/05/2026
,
CL:NL:RVS: 2025:4134 Raad ,
van
S:025:
State 202400509/1/R 1 ,
Vaste rechtspraak ís dat er geen wettelijke bepalingen over de minimaai aan te houden afstanden bestaan tussen gronden waarop gewassen worden geteeid en nabijgetegen woningen en tuinen (zie bijvoorbeeld cle uitspraak van 29 rnaart 2017 ECLI:NL:RVS:2017:868). In het algemeen wordt een afstand van 50 m als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmidclelen worden gebruìkt niet onredelijk geacht (zie onder meer de uitspraak van de Åfdelirìg van 18 rnaart 2020 ECLI:NL:RVS:2020:604). Dit betekent niet dat eert kortere afstand in een bepaatde situatie niet redelijk zou kunnen zijn maar aan het hanteren van een kortere afstand dient een deugdelijke motivering ten grondslag te worden gelegd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3303). 6. 2. De Afdeling stelt vast dat de vijf woriingen op het perceei S 124 eri de twee woriirìgen op het perceei S 2077 op grotere afstand dan 50 rneter van de agrarische gronden ziin voorzien. Het betoog van [appeltant BJ en andere bevat geen aanknopingspunten voor het oordeet dat deze grotere afstand niettemin onredelijk is. Over de gronden ten oosten van het perceel S 31.2 waaraan een groenbestemming is toegekend stelt de Afdeting vast dat in artiket 7. 5. 4 van de ptanregets een voorwaardetijke verptichting is opgenomen voor de lndschappelijke.
inpassing van deze gronde. n. Op grond van deze bepating is het aebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig de woonbestemming uitstuitend toegestaan ats binnen 2 jaar na het onherroepetijt( worden van het bestemmingsptan de gronden rnet de groenbestemming zijn ingericht overeenkomstig het bepaalde in het iandschappetíjk inpassingsplan ín bijtage 2 bij de ptanregels en tevens aís zodanig in stand worden gehouden. In het landschappetijk inpassingsptan is uitgewerkt dat de gronden ten oosten van het perceel S 312 zullen worden ingericht als wadi en dat dit gebied niet openbaar zal zijn. AJs gevoig van deze inpassing zai er dus geerì sprake zijn van angdurig verblijf op deze gronder1. De raad hoefde voor deze qroenbestemmincj daarom qeen locatie-specìfieke afweging te rnaken vanweqe de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het naastgelegen perceel (vergetijk cìe uitspraak van 8 mei 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1973 onder 9. 1). Het voorgaande betekent dat liet betoog faalt voor zover het de percelen S 1824 en S 2077 betreft. De Afdeting zal hierna onderzoeken of de raad deugdetijk heeft gemotiveerd dat voor de percelen S 2071 S 2039 en S 2040 een kortere afstand aanvaardbaar is. 6. 3. Aan het perceel S 2071 was at een woonbestemming toegekend en op grond daarvan was één woning op dit perceel mogelijk.
Dit perceet grenst aan het perceel S 312 en ligt ook binnen 50 meter van perceel S 398. Omdat het plan een extra woning op dit perceet mogelijk maakt maakt het plan daarmee een nieuwe voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie mogeiijk. Dat er al één woning ats zodanig was bestemd betekent immers níet clat er ook bij een tweede woning op dit perceel een aanvaardõaar woon- en leetklimaat kan worden gegarandeerd. Anders dan de raad stett is dus ook voor dit perceel een locatie-specifieke afweging nodig.
61. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Bij de vaststelling van het ptan is de raad ervan uitgegaan dat op het perceel S 312 geen gewasbeschermingsrniddelen meer worden gebruikt. [appellant BJ en andere hebben evenwet onderbouwd dat er nog steeds gewasbeschermingsmidde!en op het agrartsche dcc! van dit percee! worden gebruikt. Daarnaast heeft cle raad erop gewezen dat hij bij besluit van 14 mei 2024 een voorbereidingsbesluit heeft genomen op grond waarvan het gebruik van gewasbeschermingsmiddeten in de open lucht niet meer mogelijk is op liet perceel S 312 en een deel van S 398. Op de zitting hee de raad evenwel toegelicht dat het voorbereidingsbestuit te absoluut is geformuleerd en dat bij nader inzien het bestaande gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de perceten mag worden voortgezet. Het bestaande gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de teelt van gewassen is dus nog mogelìjk op de percelen van [appellant 6] en andere. In dit gevai is de afstand tussen de wocnbestemmingen op de perceien S 2071 S 2039 en S 2040 en het perceel van [appetlant BJ en andere korter dan 50 meter. Een deugdelijke niotivering waarom in dit geval een kortere afstand dan 50 meter kan worden gehanteerd heeft de raad niet gegeven. In zoverre is het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen.
6. 4.
,
S 2039 en S 2040. 6. 5. Voor een woningbouwontwikke!ing ten uiden van het perceet S 31. 2 heeft de raad het besternmingsplan Oostrum-Oost vastgesteld. Ook daartegen hebben [appetlant BJ en andere beroep ingesteld. Beide beroepen zijn op dezelfde zitting behandeld. Voor het besternmingsplan Oostrum-Oost heeft de raad op 14 mei 2024 een flerstelbesluit genornen waarmee een voorwaardelijke verplicliting ïn de planregels is opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat er binnen een zone van 50 meter rondom percelen waaroo Het betoog saagt
,
voor zover het betre
de perceien S 2071
,
,
gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt geen omgevingsvergunning voor de bouw van een
van 7
25/05/2026
,
(.L1:NL:RVS:2(J2:4t34 Raad van State 2(J24UUU9I1/RI ,
:. uz:
,
woning verleencl mag worden als het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen die zone nog mogelijk is. De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij een dergelijke voorwaardelijke verplichting ool( passend vindt in dit besternmingsplan. Als dit tijdig was onclerkend zou hij ook een vergelijkbaar herstelbesluit hebben genornen voor dit bestemmingsplan. Zoals de Afdeling in de uitspraak over het bestemrningsplan Oostrum-Oost in zaak nr. 202305236/1/RI. heeft geoordeeld mocht de raad cleze voorwaardelijke verplichting met een enkele wijziging daarvan in dat plan opnemen om te voorkomen dat nieuwe gevoelige functies worden gerealiseerd binnen 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen voor de teelt van gewassen mogen worden gebruikt. De raad heeft zich daarbij redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat een bestaande mogeiijkheìd van teelt van gewassen met gebruik van gewasbescherrningsrniddelen op de naastgelegen agrarische percelen op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de voorwaardelijke verplichting. Het gebrek zou dus kunnen worden hersteld met een vergelijkbare voorwaardelijke verplichtíng als die welke in het bestemmingsplan OostrurnOost is opgenomen. ,
,
,
,
,
De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welke gevolgen dit moet leiden.
6. 6.
m. e. r. -beoordeling
7.
[appellant BJ en andere betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt ste!t dat geen sprake is van een stedelijk ontwíkkelingsproject en dat de raad daarom ten onrechte geen mer-beoordeling heeft gemaakt. Als relevante omstandigheid waarom volgens hen toch sprake is van een stedelijl( ontwikkelingsproject noernen zij dat de woningen zijn voorzien op grasland en het ruimtebeslag fors toeneemt. de Afdeiing heeft de raad terecht geen reden gezien voor het aannemen van een De ontwikkeling van per saido 10 wonirigeri op verspreic] ¡iggencie perceieri i.an geiet op de omvang ervan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwiklelingsproject als bedoeld in kolom 1. van categorie 1. 1. 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m. e. r. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt behoefde er geen m. e. r. -beoorcieling te worden uitgevoerd. 7. 1.
Nõar het oordee!
.
van
m. e. r. -beoordeiitigspiîcht.
,
,
,
Het betoog slaagt niet. Wet natuurteschermin 8. [appellarit BJ en andere betogen dat de raad zich op grond van de uitgevoerde stikstoftoets niet op het standpunt mocht stellen dat significante effecten in Natura 2000-gebieden kunrien worden uitgesloten. Op de zitting hebben zij nader toegelicht dat de raad zich dus niet op voorhand op het standpunt mocht stellen dat een omgevingsvergunniog voor een Natura 2000-activiteit verleend zal kunnen worden. Het plan i volgens [appellant BJ en andere daarmee niet uitvoerbaar. 8. 1. Deze beroepsgrond over de gebiedsbescherrning in de Wet natuurbescherming kan op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Daarvoor ligt het perceel aan de Van Broekhuizenstraat op te grote afstand van Natura 2000-gebieden namelijk ten minste 1 km tot het meest nabij gelegen gebied Boschhuizerbergen. De Afdeliog verwijst voor de motivering van dit oordeel verder naar haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020 ECLI:NL:RVS:2020:2706 in het bijzonder onder 10. 51. wat betreft het woon- en !eefkmaat van [appe!lant BJ. Vor zover [appe!!ant BJ en andere deze beroepsgronci aaovoeren in relatie tot de bedrijfseconomische belangen van de venoootschappen bevat de overzichtsuitspraak onder 10. 53-1. 0. 54 de redenen waarom het relativiteitsvereiste n zoverre aao vernietiging in de weg staat. Onder 10. 31.
van de overzichtsuitspraak is gemotiveerd waarom het betoog in de sleutel van de uitvoerbaarheid evenmin tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Deze beroepsgronden beoordeelt de Afdeling daarom niet inhoudelijk. Bovendien heeft de Afdeling eerder overwogen dat voor Natura 2000-gebieden ls voorzien in eeri aízorrcieriijk toetsirrgskder voor pirrnen zocit bij piannerr rriet hoeft te worcieri ingegaan op cie uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot een rnogelijk vereiste natuurvergunning (bijvoorbeeld haar uitspraak van 21ju11 2021 ECLI:NL:RVS:2021:1586 0oder26). ,
,
,
,
,
,
,
Omgevingsverordening 9. . -. .-.-. ,
-.
[appellant B] en aodere betogen dat het plan in strijd met de Omgevingsverordening Lirnburg 2014 is •. j -. ------------------:. - J t.. -. L/r tte. IV y. ueL. i. Z. -t. - -i - igytf uu:y i:t UJU v u , ._ ,
,
:U was
,
,
-
. -.
,
-
...,
.
_
-
-
.. ,
.
,, .
f U1
,
,
, .
., .
U
,.
..
. . _. _.
.,
.
,
planvaststelling dit artikel ingrijpend gewijzigd. Er ontbreekt een actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek als bedoeld onder b van artikel 2. 4. 2. 9. 1. De raad stelt dat begin 2022 het wettelijk voorgeschreven vooroverleg met het provinciebestuur heeft plaatsgevonden dat heeft geleid tot een reactie op 25 februari 2022 (bijlage 10 bij de plantoelichting). Vervolgens is het plan regionaal afgesternd en na al(koord in de regio opgenomen iri de Plancapaciteitsmonitor van 7
25/05/2026 1 ,
CU:NL:RVS:2025:4134 Raad ,
van
State 202400509/1/K1
:uz
,
Wonen. l-let nieuwe artikel 2. 4. 2 ziet volgens de raadalleen op Tnieuwe planvoorraad wonen. Omdat het plan al was opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor is volgens de raad geen sprake van nieuwe planvoorraad wonen en hoefde niet getoetst te worden aan het nieuwe artikel 2. 4. 2. 9. 2. Artikel 2. 42 (nstructieregels nieuwe planvoorraad wonen) van de Omgevingsverordening Limburg 2014 zoals dat cold op het moment van vaststeilinq van het plan luidt: De toelíchtinq bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of rneerdere woningen beschrijft dat: ,
,
,
[...} ; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhanketijk regionaal
behoefteonderzoek ; r
ln artikel 2. 4. 1 van de Orngevingsverordening is bestaande planvoorraad gedeftnieerd ais: mogelijkheden voor bebouwing en voorzieningen die zijn opgenomen in vastgestelde ruimtelijke ptannen en die nog niet zijn gerealiseerd ; ,
9. 3. Bij wijzigingsverordening van 30 september 2022 is artikel 2. 4. 2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 gew!jzìgd (Provinciaal hlad 2022 12418). Deze wijziging gold ten tijde van de vaststelling van het ,
bestemmingsplan. De raad heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval sprake ¡s van bes•taande planvoorraad iri de zin van de Omgevingsverordening. Voor het antwoord op de vraag of ten tijde van de planvaststelling sprake was van bestaande of nieuwe planvoorraad is op grond varì artikel 2. 4. 1 van de Omgevingsverordening irnmers bepalend of sprake was van een vastgesteld plan. Dat was niet het geval. Daarom heeft de raad ten anrechte niet getoetst aan artikel 2. 4. 2 varì de Omgevingsverordening zoals dat luidde ten tijde van de vaststelling van het plan. Omdat ook verder een beschrijving van de behoefte in de plantoelichting ontbreekt is het oordeel van de Afdeling dat het plan in strijd met artikel 2.4.2 onder b van de orngevingsverordening is vastgesteld. ,
,
,
,
Het betoag siaagt. De raad heeft in het verweerschrift en op de zitting alsnog ecn bcschrtjving gegeven van de behoeite. Ue raad heeft gewezen op het voor besternmingsplan Oostrum-Oost uitgevoerde ladderonderzoek van 24 november 2022 (bijlage 1 bij de toelichting van dat plan). In dit actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek zijn volgens de raad de 10 woningen betrokken bij de planvoorraad in Oostrum en is geconctudeerd dat er daarenboven behoefte is aan de 59 woningen die het bestemmingsplan Oostrum-Oost rnogelijk maakt. Op de zitting hceft de raad nader qemotiveerd dat de behoefte aan nieuwe woninqen in de gerneente Venray onverminderd hoog 15 en dat daarom de ontwikkeling van de gebieden Brabander Noord Oostrumsveld en Oostrum-Oost Oost - voor in totaal meer dan 1. 000 woningen - in voorbcreiding s waaraan een actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek ten grondslag ligt. [appellant Bjl en andere hebben clit niet weersproken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen reden om eraan te twijfelen dat er behoefte is aan de per saldo 10 woningen die dit plan mogelijk maatt. < In zoverre heeft de raad alsnog toereikend beschreven dat sprake s van behoefte in kwantiteit en cwa!iteit op bas!s van een actueel onafhankelUk regionaal
9. 4.
,
,
behoefteonderzoek. 9. 5. De Afdeling zal hterna onder de conclusie bezien tot wellce gevolgen dit moet leiden. Conclusic Wat hiervoor onder 6. 4 en 9. 3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het bésluit van 10. 12 decerLei 2023 egcnd !s eri dat d!t esiuit daaiom moet woderi vernietigd. 11. Gelet op wat hiervoor onder 6. 5 en 9. 4 is overwogen ztet de Afdeling aanleíding om toepassing te geven aan arttkel 8:72 derdc lid van de Awb. De Afdeling zal de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten en voor zover het betrcft het hiervoor onder 6. 4 geconstateerde gebrek zelf ¡n de zaak voorzien door een nieuwe planregel en een bijbehorende aanduiding op de verbeelding toe te voegen. fiet aannemelijk is dat ,
,
,
,
,
derclebelanahebbenden hierdoor in hun belanaen zouden kunnen worden qeschaad. De wijze waarop de Afdeling precies zelf in de zaak voorziet staat hierna in cie beslissing. Het komt erop neer dat het plan wordt aangevuld rnet een voorwaardelijke verplichting zoals die ook in het bestemmingsplan Oostrum-Oost zal worden opgenomen. De Afdeling zal de raad opdragen om de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening. ,
,
van 7
25/05/2026 J ,
L1:NL:RVS:2025:4134 , Raad
van
:L UL3:+
State , 202400509/1/R1
De raad moet de proceskosten vergoeden.
12.
.
Beslissing De Afcleling bestuursrechtspraak van de Raad t. verklaart het beroep gegrond ;
State:
van
11. vernietigt het besluit van cle raadvan ae gemeente Venray van 12 december 2023 tot vaststeliing het bestemmi ngspian Woriingbouw Zompgraaf Oostrum ; 111. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven ; IV
bepaalt dat:
a. aan
cie jianreges
een
van
artikei 7. 5. 5 wordt toegevoegd dat ais voigt komt te uiden: ,
Arti kel 7 5. 5 (Voorwaarclelijke verplichti ng spuitzone) De omgevingsvergunning voor tiet bouwen van woningeri met bijbehoreride tuinen op gronden met de aanduiding specifìeke vorm van wonen - spuitzone mag pas worden verleend nadat binnen 50 m van de beoogde woningen en de bijbehorende tuinen het telen vari gewassen met gebruik van rrenzerìde agrarische perceien niet mecr mogelijk is. ; gewasbeschermingsmiddeien birinen b. op de verbeelding de aanduidng specifieke vorm van wonen - spuitzone wordt toegekend aan de gronden die in de bijlage bij deze uitspraak zijn weergeven ; bepaalt dat deze uitspraak wat betreft onderdeel IV. in de piaats treedt van liet besluit van 12 decernber V. 2023 voor zover dit artikel en deze aanduiding daarin ontbreken ; clraagt ae raad van ae gemeente Venray op om innen vier weken na verzenciirig vari cieze uicsjraak ¿ory V. dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel V. wordt verwerkt op de landelijke voorziening ; te .
,
,
VII. veroordeelt de raad van de gemeente Venray tot vergoeding van bij Agrum B.V. [appellante A3 en [appellaiit BI in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.81400 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raaci aan zijn betalingsvelichting heeft votdaan ; VIII. gelast dat de raad van de gemeente Venray aan Agrum B.V. [appellante AJ en [appellant B3 het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 36500 met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeftvoldaan. Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen1 voorzìtter en mr. J. F. de Groot en mr. N. H. van den Biagelaar leden in tegenwoordigheid van mr. W. M. Boer griffler. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
w. g.
Ten Veen
voorzitter w. g.
Boer
griffier Uìtgesproken in het openbaar op 27 augustus 2025 745 RV1I ACF
van 7
25/05/2026 , 1