CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoeksrapport over de financiele en beleidsvrije ruimte van gemeenten.pdf

Commissie Bestuur en Middelen Dordrecht 30 maart 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 10: Onderzoeksrapport over de financiele en beleidsvrije ruimte van gemeenten34.740 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

B

ZOU

2015

1

■ Lasten totaal

------ Percentage lasten in CP'en

Het aandeel gemeenschappelijke regelingen in de totale begroting

16

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten m Zuid Holland

Beleidsruimte gezien vanuit het perspectief van het sociale domein

De theoretische beleidsruimte per domein

Deze passage gaat nader in op de volgende vraag: is er beleids­

In ons onderzoek hanteren we de volgende definitie voor

ruimte binnen het sociale domein? Hierbij is het de veron­

beleidsruimte: 'Het maken van beleid is het opstellen van uitvoerings-, inkoop-, samenwerkings- of visiebeleid; hoe interpreteren

derstelling dat de financiële kaders (kleine budgetten), de

beperkingen vanuit de rechterlijke kaden en de kaden van het Rijk dusdanig limiterend werken dat er geen sprake meer is van

we de decentralisatiewetten binnen onze gemeente en vertalen we dat naar regels, instructies, werkprocessen en reglementen P'

beleidsruimte.

Ruimte interpreteren we voor dit onderzoek als volgt: 'De moge­ Drie onderzoekmethodes

lijkheid om jezelf beperkingen op te leggen.' Hierbij zijn twee zaken

Drie methodes zijn gebruikt om beleidsruimte in het sociale

van belang: je wordt hierin niet of niet volledig beperkt door

domein te onderzoeken. Allereerst hebben we financieel onder­

anderen en je kan zelf komen tot regels (i.e. beperkingen).

zoek gedaan, waarbij we vooral keken naar de verhouding tus­ sen de volumes, budgetten, begrotingen en jaarrekeningen. In aanvulling daarop hebben we relevante rapporten, publicaties

Voor gemeentelijke taken zijn we uitgegaan van de letter van

en jurisprudentie bestudeerd. Tot slot hebben we, zoals we al eerder aangaven in dit document, een aantal casussen geformu­

de wet. Dat betekent dat we in de wet kijken wat de gemeente

moet doen en wat de gemeente mag doen. Gemeenten kun­ nen ook nog andere taken doen (zoals het verlenen van lichte hulp in het sociaal wijkteam of in de toegang). Deze taken zijn

leerd dat de ‘hete hangijzers’ in het sociaal domein beschrijven. Aan de hand van deze casussen zijn we in gesprek gegaan met

bovenwettelijk en vallen daarom deels buiten onze definitie, in

gemeenten (bestuurders en ambtenaren) van verschillende

het onderdeel praktische uitvoering besteden we hier nog wel

groottes om een representatief beeld van de provincie te krijgen. Samen met hen hebben we bekeken of dit inderdaad de vijf belangrijkste thema's zijn binnen het sociaal domein en of ze

aandacht aan.

(al dan niet) het gebrek aan beleidsruimte illustreren.

Het antwoord op de hoofdvraag: *ls er binnen het sociaal domein sprake van gemeentelijke beleidsruimte?’ verschilt per domein. Hiema geven we onze theoretische bevindingen per domein en daarna de praktische kanttekeningen.

Tot slot: het sociaal domein kent vele definities. In dit on­ derzoek hebben we gekeken naar de volgende onderdelen: de drie decentralisatiewetten (Jeugdwet, Wmo, Participatiewet),

de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de genoemde

casussen.

B

17

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid-Holland

Jeugdwet

Wmo

Bij de Jeugdwet is het minst sprake van gemeentelijke beleids­ ruimte. Uit de financiële analyse blijkt dat de budgetten vaak

Ook bij de Wmo wordt de beleidsruimte van gemeenten steeds

niet in verhouding staan tot de stijgende volumes. Gemeenten

meer beperkt. Dit komt onder andere door rechterlijke uitspra­ ken (bijvoorbeeld over de resultaatfinanciering, rechtbank Leeu­

worstelen met de vraag hoe ze passende zorg kunnen leveren binnen de beperkte budgetten en wat passende zorg is als

warden), beperkende maatregelen vanuit het Rijk (AMvB reële prijs) en door knellende budgetten. Kenmerkend is de oproep

er geen budget is. De beleidsruimte wordt dus in hoge mate

van de VNG om wachtlijsten langer te laten worden of inwo­ ners te weigeren onder het mom van ‘financiële zelfredzaam­

bepaald door de financiën. Niet alleen op macroniveau (gemeentefonds) maar ook als het gaat om de samenwerking

met andere gemeenten en andere partijen. Voor zware jeugd­ zorg heb je als gemeente weinig keus. Vooral kleine gemeenten voelen zich ‘kansloos' als ze moeten onderhandelen met grote partijen, zoals conglomeraten van gemeenten in een GR of

heid', om zo processen en jurisprudentie uit te lokken. Deze

onorthodoxe aanpak is wel een uiting van beleidsruimte, maar zal uiteindelijk leiden tot een externe beperking (aangezien het via de rechterlijke macht loopt). Samenvattend kunnen we stel­

len dat de Wmo met relatief veel beleidsruimte is begonnen in

grote landelijke of regionale aanbieders.

2015, maar in de afgelopen zes jaar steeds verder is ingeperkt.

Het jeugdzorgtraject van Jeffrey

Huishoudelijke hulp voor Ricardo

Jeffrey begint vol goede moed aan een nieuw

Ricardo is alleenstaand, met toenemende zorg­

jeugdzorgtraject. Hij hoopt in deze nieuwe omgeving

behoefte en daarom overweegt hij om te verhuizen

helemaal opnieuw te kunnen beginnen. Tot zijn schrik

naar een andere gemeente. In de nieuwe gemeente

verschilt het nieuwe traject nauwelijks van het vorige!

kan hij veel goedkoper hulp kan aanvragen dan de hulp

Hij is zwaar teleurgesteld en verliest het vertrouwen

die hij in zijn huidige gemeente uit eigen zak betaalt.

dat het ooit nog goed komt

Hoewel hij de hulp makkelijk zelf kan betalen, wil hij

graag een paar tientjes minder uitgeven. • Zware jeugdhulp met verblijf is de allerduurste

vorm van zorg die we in Nederland hebben (♦/- € 200.000 per jaar per cliënt). Een stijging

•

Vanaf het begin van de decentralisaties gingen

gemeenten over de wijze waarop de wet Wmo werd

van slechts een paar cliënten kan al een grote impact

uitgevoerd Het Rijk en de rechterlijke macht leggen

hebben op een begroting van een kleine gemeente.

echter steeds meer beperkingen op deze uitvoering.

Dit bemoeilijkt voor de gemeenten de financiële

Gemeenten hebben daarmee minder sturings

beheersbaarheid.

mogelijkheden. Zo kunnen ze geen inkomensgrens bepalen. Iedereen heeft recht op zorg vanuit de Wmo.

• Qua uitvoering van de wet heeft de gemeente

weinig sturingsmogelijkheden. Dit komt doordat

B

• Gemeentelijke beleidsruimte binnen de Wmo

de toegang en programma uitvoering vaak extern

wordt steeds kleiner, doordat het aantal opgelegde

belegd zijn.

beperkingen almaar groter wordt.

Lees in de bijlage het hele verhaal over Jeffrey en waar

Lees in de bijlage het hele verhaal over Ricardo en waar

gemeenten mee worstelen op het gebied van jeugdzorg

gemeenten mee worstelen op het gebied van de Wmo.

18

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

Participatiewet

Het re-integratietraject van Jurre

De Participatiewet heeft twee gezichten. Als het gaat om ‘inkomen’ is de wet heel bepalend en speelt de gemeente

een vrij uitvoerende rol. "In het inkomensdeel van de Participatiewet is geen

komma ruimte. De moeite die het gemeenten heeft

gekost om op hele kleine schaal te mogen experimen­ teren, was immens. Dat is zo dichtgetimmerd. Dat is eigenlijk helemaal geen decentralisatie."

Prof dr K Peters

Als het gaat om 'werk' heeft de gemeente, binnen de wettelijke kaders, relatief veel beleidsruimte. Denk aan het bepalen van welke doelgroepen prioriteit hebben, het inzetten van een

Jurre is 36. Hij heeft een beperking en is voor zijn

SW-bedrijf voor re-integratie of de overlap van de Participatie­ wet met Wmo-voorzieningen. Omdat de uitkering (BUIG) een

eerder wel gewerkt en wil graag deelnemen aan een

doeluitkering is, en geoormerkt, is het duidelijker wat de kaders

gemeente. Afgelopen jaar zijn er veel inwoners van deze

zijn (meer dan bij de Wmo en Jeugdwet). Hierdoor is het voor gemeenten eenvoudiger om zichzelf beperkingen op te leggen. Er zijn dus duidelijke kaders, maar binnen die kaders heeft de

gemeente in de bijstand ingestroomd. Daarom koos de gemeente ervoor om de contracten met de externe

gemeente beleidsruimte.

werk?

inkomen afhankelijk van de gemeente. Hij heeft

re-integratietraject bij een externe partner van de

partners voorlopig te stoppen. Kan hij ooit weer aan het

•

De financiële kaders door instroom zijn dwingend. Gemeenten zijn verplicht om levensonderhoud uit

te keren. Het is gemeenten niet toegestaan om bijstand te weigeren of mensen uit te sluiten. Hierdoor

kunnen eventuele aanvullende investeringen uit de BUIG niet of in mindere mate gedaan worden.

•

Wanneer gemeenten alsnog aanvullende

investeringen willen doen, moeten deze uit andere

bronnen bekostigd worden.

Lees in de bijlage het hele verhaal over Jurre en waar

gemeenten mee worstelen op het gebied van re-integratie

B

19

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

Schuldhulpverlening

De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening kent de meeste beleidsruimte. In vergelijking met de 3D’s is er zelfs fors meer

beleidsruimte. De wet laat de gemeente erg vrij in het bepalen van de uitvoering of afhandeling van trajecten en heeft de

Beleidsruimte in het sociaal domein samengevat In de deze passage zetten de we de juridische en financiële beleidsruimte van de verschillende wetten op een rij:

minste impact op de begroting. Daardoor is het eenvoudiger om budgetten toe te wijzen aan deze wet. Voor de cliënten pakt de beleidsruimte niet altijd even prettig uit. Mensen lopen ertegen­ aan dat er bij de ene gemeente meer of juist minder kan dan bij de andere gemeente. Het schuldhulpverleningstraject van Tamara

• Jeugdwet: bij de Jeugdwet is het minste sprake van gemeen­ telijke beleidsruimte. Qua uitvoering van de wet heeft een gemeente vooral een administratieve functie. De toegang

en programma-uitvoering zijn vaak extern belegd, waardoor er weinig sturingsmogelijkheden zijn voor gemeenten. Dit

terwijl de grootste financiële problemen binnen het sociaal domein op dit moment ontstaat binnen deze wet. • Wmo: ten aanzien van de Wmo neemt de beleidsruimte die gemeenten hebben gekregen bij de start van de decentralisa­ ties steeds meer af. Ook de financiële situatie laat een dalende trend zien, de tekorten lopen steeds verder op. De verwach­ ting is dat deze trend in de toekomst verder door zal zetten gezien de demografische ontwikkelingen en de interventies vanuit het Rijk en de rechtelijke macht • Participatiewet: deze wet kent een tweedeling, enerzijds is de

Bij de Belastingdienst bouwt Tamara (45) een enorme schuld op. Ook heeft ze problemen met het betalen

wet zeer bepalend en is de gemeente een relatief uitvoerende instantie. Dit geldt met name voor het deel inkomen. Ten aanzien van het deel werk kent de gemeente echter relatief

dat ze haar kapsalon moet opgeven. Een vriendin die

veel beleidsruimte, binnen de kaders van de wet. De finan­ ciële situatie is relatief stabiel te noemen, het blijkt dat de financiële impact met name afhankelijk is van de conjunctu­

in een andere gemeente woont, krijgt voor hetzelfde

rele ontwikkelingen (bijv, door economische crisissen).

probleem passende hulp van een vrijwilliger. Dat wil

• Wet gemeentelijke schuldhulpverlening kent de meeste beleidsruimte. De impact op de financiële kant is momen­ teel slecht in kaart te brengen. Er is weinig bruikbare data

van de hypotheek, nutsvoorzieningen en haar private leaseauto. Ze zit met haar handen in het haar en is bang

Tamara ook. Maar is deze hulp er in de gemeente waar zij woont?

•

Er is sprake van gemeentelijke beleidsruimte. Omdat

voorhanden over volumes en trends; dit is dan ook een van de belangrijkste gebreken voor het deel Wgs.

de gemeenten gaan over het ‘wat’ en het ‘hoe’ en

het voor mensen als Tamara uit in welke gemeente ze

Wat opvalt is dat de onderdelen binnen het sociaal domein waar gemeenten het minste beleidsruimte hebben zorgen voor

woont. Dit knelpunt speelt dus voornamelijk voor de

de grootste financiële problemen.

daarmee de invulling van het beleid bepalen, maakt

doelgroep.

• Gemeenten zijn sinds 2021 verplicht om meer moei­

te te doen mensen met schulden te bereiken. Dit ’outreachend’ werken kan lastig zijn omdat schulden vaak worden opgebouwd bij andere overheden dan

de gemeente, zoals bijvoorbeeld de Belastingdienst.

Lees in de bijlage het hele verhaal over Tamara en waar gemeenten mee worstelen op het gebied van

schuldhulpverlening.

B

20

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

Eigen beleidsruimte in de praktijk

De verschillende hulpverleners van gezin Mulder

Een puur formele en bestuurlijk-juridische beschouwing, aangevuld met een financiële analyse, is onvoldoende als we

de sturingsruimte van gemeenten goed in kaart willen bren­

gen. De praktijk van alledag is minstens zo belangrijk om een goed beeld te krijgen. Voor onze analyse van 'beleidsruimte in de praktijk' spraken we met een groot aantal gemeenten. Ook hebben we de rijke ervaring met begrotingsprocessen meegeno­ men en gekeken naar onderzoeken bij gemeenten in het sociale

domein. Steeds stond de vraag centraal: ‘Kan de sturingsruimte

Livina en Cor Mulder wonen hun met twee kinderen

ook in praktijk benut worden?'

Kaylee (15) en Ciovanni (12) in Delft. Livina is arbeidson­ geschikt. Cor is zijn baan als rondvaartschipper kwijt. Het

De context van ons onderzoek

gezin moet nu rondkomen van één bijstandsuitkering en

Een aantal belangrijke op zichzelf staande maatschappelijke ontwikkelingen (ook wel ‘autonome megatrends* genoemd)

dat lukt nauwelijks. Livina en Cor maken zich grote zor­

zijn sterk van invloed op het sociaal domein. We noemen de

aard. De gemeente heeft een gezinsbegeleider naar de

toenemende eenzaamheid door individualisering; het afne­ men van sociale cohesie door polarisatie in de maatschappij en het - mede onder invloed van sociale media - ontstaan van

familie Mulder gestuurd. Maar is dat wel waar behoefte

problematiek op jonge leeftijd. Op deze trends kun je als over­ heid lastig sturen, maar ze beïnvloeden wel (het succes van) je handelen.

•

gen. Maar hun problemen zijn niet alleen van financiële

aan is?

De gemeentelijke beleidsruimte ten aanzien van de wetten waar een gezin mee in contact kan komen

verschilt. Door de hoeveelheid wetten die op een

gezin van toepassing kan zijn, is het beleid in zijn

Kortetermijnacties beperken beleidsruimte

totaliteit vrijwel uniek per gemeente. Dit maakt het

Een van de trends waar gemeenten mee te maken hebben, is het continue verplaatsen van stelselverantwoordelijkheid en

voor individuen en gezinnen vaak moeilijk om te

beleidsregels. De wetgever heeft soms de neiging om zaken, die hij eerst heeft afgestoten, al na een paar jaar weer naar zich toe te trekken. En dat terwijl de rechtssociologie ons leert dat het

jaren kost voordat wetten een positief effect laten zien. Deze kortetermijnacties verstoren de beoogde effecten van de wet­ geving en beperken daarmee ook de beleidsruimte (Decentraal bestuur, 2020).

ontdekken waar ze hulp kunnen krijgen.

•

De complexiteit van het stelsel maakt het lastig om effectieve interventies in te zetten. Het monitoren van

de interventies is ook lastig vanwege de verschillende IT-systemen.

Lees in de bijlage het hele verhaal over het gezin Mulder

en waar gemeenten mee worstelen op het gebied van

Interactie tussen wetten bemoeilijkt handelen Binnen het sociaal domein hebben gemeenten te maken met een veelheid aan wetten en regels die elkaar regelmatig in de

Een ander effect van de complexiteit in wet- en regelgeving is

weg zitten. Vooral bij gezinnen met multiproblematiek kan dit voor verwarring en problemen zorgen. Wat volgens de ene maatregel wel kan, kan volgens de andere maatregel niet.

dat mensen ‘op hun gevoel’, buiten de regels om, beslissingen gaan nemen. Sommige gemeenten raken steeds meer bedreven in het omzeilen van wet- en regelgeving binnen het sociaal

Beleidsmakers en bestuurders, maar ook uitvoerend professio­ nals ondervinden in hun werk (grote) hinder van de interactie

domein om zo toch de zorg of hulp te kunnen leveren die hun inwoners nodig hebben. Dit omzeilen van de wet kan juridi­ sche problemen geven in relatie tot de Algemene beginselen

tussen wetten. Stel, je moet In het kader van de Participatiewet tijdelijk iemands bijstand verlagen, terwijl je weet dat iemand op het randje van schuldhulpverlening zit. Dat is een onmoge­ lijke keuze De praktijk beperkt dan de theoretische vrijheid van

handelen.

B

multiproblematiek.

van behoorlijk bestuur (abbb’s) en leidt soms tot rechterlijke procedures.

21

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

Praktische belemmeringen beleidsruimte en sturings­ mogelijkheden

Ontstane knelpunten vragen om landelijke maatregelen. Hierdoor vindt inhoudelijk of organisatorisch een zekere mate van recentralisatie plaats die de sturingsruimte van gemeenten beperkt.

Een aantal praktische punten belemmert de beleidsruimte en sturingsmogelijkheden van gemeenten in Nederland. Belemmeringen in praktijk (beleidsvrijheid/sturingsmogelijkheden) a. Rijk is systeem- en stelselverantwoordelijk gebleven

b. Recentralisaties standaardisa-ics en reparaties beperken sturmgsru mte gemeenten

c. AVC, mtcgritct en behoorlijk bestuur remmen innovat es en sterke sturing d. ffcctiet sturing geven vraagt om hoogwaardige kennis en kunde e. Behoefte aa” sc^aalgrootre en specialistische kennis leidt daarom tot "bouncing' f. "Schraalhans is ireukenmeester' sturingscapaciteit wordt weggesneden

Creëren de voorwaarden voor morgen Figuur 20. Praktische belemmeringen beleidsvrijheid

a.

Rijk is systeem- en stelselverantwoordelijk gebleven

De invloed vanuit het Rijk is nog steeds groot als het gaat om

wet- en regelgeving. Dit feit staat soms haaks op de gedachte dat gemeenten maatwerk leveren doordat ze hun beleid en uitvoering kunnen afstemmen op de lokale situatie (‘Amsterdam is geen Ameland1). De verantwoordelijkheid voor een beleidsterrein is zelden volledig overgedragen aan de gemeente. Zoals bij de drie decentralisaties toen het Rijk op 1 januari 2015 de taken heeft overgedragen aan de gemeenten. De Rijksoverheid is echter aangewezen als systeem- en stelselverantwoordelijke, zonder dat expliciet is aangegeven wat deze

verantwoordelijkheid precies inhoudt.

b.

Recentralisaties, standaardisaties en reparaties beperken sturingsruimte gemeenten

Het Rijk ziet het, in haar rol van systeem- en stelselverantwoordelijke, als haar taak om wetten en regels aan te scherpen en te verbeteren. Voor een deel is dit alles inherent aan de invoering van decentralisaties.

B

C.

AVC, integriteit en behoorlijk bestuur vragen om innovatiesprong

De aandacht voor privacy (AVG 2018), integriteit en behoor­ lijk bestuur - mede Ingegeven door de informatisering van

overheid en samenleving - vergroot de behoefte aan innovaties en datagedreven sturing. Het kwalitatief goed bedienen van doelgroepen, het toewijzen van de juiste ondersteuning aan de juiste mensen en het efficiënt inzetten van middelen vraagt om krachtige analyses en slim gebruik van data. d

Effectief sturing geven vereist hoogwaardige kennis en kunde

Het is cruciaal dat gemeente professionals voldoende mogelijk­ heden hebben om het gemeentebeleid in de praktijk goed uit te voeren. Als hier geen ruimte voor is, door bijvoorbeeld een

gebrek aan formatie, kennis en kunde, opleiding of ervaring, zal de uitvoering van de beleidstheorie lastig zijn. Men is dan vooral bezig met ‘wegwerken' in plaats van het slim toepassen van regels. e.

Behoefte aan schaalgrootte en specialistische kennis leidt tot “bouncing"

Het beleggen van taken bij de gemeenten leidde tot het ont­

staan van meerdere ‘lagen’ tussen provincie en gemeenten. De verantwoordelijkheid voor die taken ligt bij de gemeenten, maar in de praktijk worden ze uitgevoerd op regionaal niveau, op afstand van de gemeenteraad en georganiseerd in een gemeen­

schappelijke en complexe verantwoordelijkheid.

f

Spanning in begrotingsproces leidt tot

optimistisch begroten in sociaal domein Veel posten op de gemeentebegroting zijn een gegeven en moeilijk beïnvloedbaar. Het politieke debat spitst zich dan ook vooral toe op die posten die eenvoudiger beïnvloedbaar zijn. Een groot deel van de gemeenten begroot de kosten van het sociaal domein (die grotendeels in het lastig te beïnvloeden deel zitten) te optimistisch. Gemeenten hanteren daarbij de vergoedingsre­

gels uit het gemeentefonds.

22

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

g

Schraalhans is keukenmeester: sturingscapaciteit wordt weggesneden

Investeren in extra sturingscapaciteit vereist durf en visie. De

kosten gaan immers uit voor de baten. Veel bestuurders snap­ pen goed dat op de lange termijn diepgravende kennis van het sociaal domein en datagedreven sturing zich uitbetaalt in beter beleid en besparingen. Alleen is het bijna ondoenlijk om tijdens een begrotingsproces prioriteit te geven aan een dergelijke investering.

1

B

23

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

Samengevat: gemeenten roeien met korte riemen en hebben risico’s in het verschiet Met de afsluiting van deze rapportage over de financiële positie

en beleidsruimte van gemeenten in de provincie Zuid-Holland komen we tot een korte samenvatting en drie reële, niet te negeren risico's voor de gemeenten. Het gaat om risico’s die kunnen leiden tot een verdere verslechtering van de financiële positie van gemeenten. In het somberste scenario brokkelt de beleidsruimte van gemeenten (binnen het sociaal domein)

steeds verder af en komen leefbaarheid en vitaliteit van de ste­ den, kemen en dorpen zwaar onder druk te staan. De riemen

die de gemeente heeft om mee te roeien -ruimte in de financiën

en de beleidsruimte en de mogelijkheid om daarmee te sturen­ zijn te kort.

In onderstaande figuur zijn de twee hoofdconclusies weer­ gegeven. Daaraan gekoppeld zijn de drie reële risico's. Stuurloos

1. De mate waa'mee gemeenten inhoudelijk en financieel kunnen sturen neemt af

Roeien met korte riemen Uit ons onderzoek blijkt dat gemeenten steeds minder ruimte hebben om hun eigen keuzes te maken. Daardoor verliezen ze langzamerhand de grip op hun financiën, taakuitvoering en dienstverlening en kunnen ze minder goed voldoen aan de verwachtingen die burgers hebben van hun 'eerste overheid'. Dat is een serieus te nemen zaak. Want of je nu een betrokken inwoner bent die meedenkt over de inrichting van de wijk, een sportieve inwoner bent die graag sport of een inwoner bent die kampt met complexe sociale en financiële problemen, je

hoopt dat jouw gemeente keuzes maakt die aansluiten bij jouw

behoeften, passend bij jouw gemeente. Beleid en uitvoering moeten daarop aansluiten. Hoe heeft de beleidsmatige ruimte van Zuid-Hollandse gemeenten zich ontwikkeld?

We hebben vanuit drie invalshoeken onderzocht wat de beleidsruimte van gemeenten beperkt: formeel, financieel en praktisch. In formele zin worden begrippen als autonomie,

Plus: drie rooie risico's voor gemeenten

medebewindstaken en beleidsvrijheid door elkaar gehaald. Voor het doel van dit onderzoek hebben we gekozen voor het

crhalmg weeffouten decentralisatie Sociaal Domein bij Omgevingswet en Interbestuurlijke Taken

best dekkende begrip (vrije) beleidsruimte. Het traditionele juridische onderscheid tussen 'autonomie’ en 'medebe­ wind' gaat niet op bij de financiering van decentrale taken.

4. Ve'dieping tekorten Soc aal Dorne n door zvegvallen meevallers inkomcnvoorzicningcn

Gemeenten moeten uitgaven voor beide taken bekostigen uit het gemeentefonds. Gemeenten hebben op veel taakvelden

5. Bezuinigingen op traditioneel autonome gemeente’ aken leidt tot uitholling leefbaarheid en vitaliteit dorpen en wijken

te maken met strakke financiële kaders voor de begroting, verplichtingen liggen vast en veel taken worden uitgevoerd in regionale samenwerkingsverbanden. Er is een duidelijke

3.

Figuur 21

De hoofdconclusies ven het onderzoek

toename zichtbaar in het aandeel van gemeenschappelijke

regelingen. Intergemeentelijke samenwerking richt zich op

B

24

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

samenwerking om schaalvoordelen te creëren (schaarse kennis,

de periode van 2011-2019 hebben gemeenten in Zuid-Holland,

lagere kosten, een robuuste uitvoering). En op interbestuuriijke samenwerking, die tot doel heeft om grote maatschappelij­

op enkele jaren na, voortdurend te kampen gehad met aan­ zienlijke tekorten op de exploitatie. Deze structurele tekorten

ke vraagstukken (arbeidsmarkt, economie, energietransitie,

in het sociale domein, voornamelijk op Wmo en Jeugdzorg, en

wonen) regionaal op te lossen. Op de schaal waarop de vraag­ stukken zich manifesteren en oplossingen te vinden zijn. De

de tekorten bij interbestuuriijke taken, baren de gemeenten

zorgen. We zien dat gemeenten deze tekorten oplossen door

verdeling van middelen, kennis en mogelijkheden om samen

bezuinigingen, die voor een belangrijk deel plaats vinden op de

een maatschappelijk vraagstuk interbestuurlijk op te lossen stelt

traditionele taakvelden van de gemeente en door Inzet van het eigen vermogen. De gemeenten in Zuid-Holland hebben fors

extra eisen aan democratische legitimiteit en verantwoording (ROB, Van den Berg & Leurs, 2020) en beperkt tegelijkertijd de bewegingsruimte van de spelers. De kaders, verplichtingen en

ingeteerd op hun eigen vermogen. In de periode 2011-2019 daalde het eigen vermogen van € 6,9 miljard in 2011 naar € 5,6

samenwerkingsverbanden laten de gemeenten steeds minder

miljard in 2019. De totale solvabiliteit van alle gemeenten in

ruimte om eigen keuzes te maken. Specifiek kijkend naar het sociaal domein verschilt de mate van gemeentelijke beleids­ ruimte sterk. Bij de Jeugdwet en de WMO is de beleidsruimte

Zuid-Holland samen is als gevolg hiervan gedaald van 35,51% in 2010 naar 29,44% in 2019. Daarnaast voeren de gemeen­ ten lastenverhogingen door. De inkomsten uit gemeentelijke

van gemeenten gering en steeds meer beperkt. Dit komt onder

belastingen en heffingen stijgen geleidelijk van € 1,8 miljard in

andere door rechterlijke uitspraken, beperkende maatregelen vanuit het Rijk en door knellende budgetten. Het navrante

2011 naar € 2,1 miljard in 2019. Opvallend is dat de overige in­ komstenbronnen van gemeenten steeds verder zijn gestegen. De woonlasten (OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing) nemen

is dat Jeugdwet en WMO twee grote (en binnen het Sociaal Domein de grootste) begrotingsposten zijn met beperkte be­ leidsruimte. Ook in praktische zin neemt de beleidsruimte af. Met name het feit dat bij de decentralisaties het Rijk systeemen stelselverantwoordelijk is gebleven heeft geleid tot tal van

is dat de financiële problemen de komende jaren aan zullen houden en zelfs zullen toenemen. En het zorgwekkende is dat deze ontwikkelingen plaats vinden in en periode (2011-2014)

recentralisaties, landelijke standaardisaties (bijvoorbeeld op het gebied van tarifering) en reparaties. Het is de combinatie

waarin Nederland vanuit een crisis zich bewoog naar tijden van hoogconjunctuur (2018-2019).

van een nijpend begrotingstekort en formele en praktische belemmeringen die ervoor zorgen ervoor dat het beoogde effect van de decentralisaties en het goed bedienen van de gemeen­ schap onder druk komen te staan. De wens en noodzaak om te komen tot een nieuwe, betere balans tussen taken, verant­

woordelijkheden, kosten en praktische uitvoerbaarheid wordt breed gedeeld. Als we naar het totaal van de begroting van de Zuid-Hollandse gemeenten, ingedeeld volgens de systematiek van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB, 2019) voor beleidsruimte, kijken dan zien we dat gaandeweg het aandeel van taakvelden met ‘veel beleidsruimte' afneemt van gemiddeld 40,6% in 2011 naar 25,2% in 2019. Kortom; de gemeenten moeten roeien met de riemen die ze hebben, maar die riemen zijn heel kort.

In hoeverre kunnen Zuid-Hollandse gemeenten

bijdragen aan de interbestuuriijke opgaven voor

de komende jaren? De financiële ruimte voor gemeenten om hieraan te kunnen bijdragen is beperkt tot afwezig, zo is gebleken uit de financi­ ële analyse. Voor de interbestuuriijke opgaven die wij hebben

onderzocht liggen de verwachte extra structurele apparaats­ kosten voor gemeenten in Zuid-Holland op bedrag dat oploopt naar zo’n € 100 miljoen per jaar. Het is hierbij belangrijk om te realiseren dat dit bedrag geen betrekking heeft op alle interbe­

stuurlijke opgaven! We zien ook dat er op dit moment vanuit het Rijk middelen beschikbaar gesteld worden voor de opgaven die wij in dit onderzoek hebben onderzocht. Deze middelen zijn echter veelal incidenteel van aard en bovendien een stuk

Hoe heeft de financiële ruimte van Zuid-Hollandse

lager dan de kosten die gemeenten maken, ook in de toekomst.

gemeenten zich ontwikkeld?

Er is dus een structurele oplossing nodig voor de aanvullende kosten die op gemeenten, niet alleen in Zuid-Holland, afkomen voor deze nieuwe taken. Wij voorzien dat de huidige wijze van

Gemeenten hebben niet alleen beperkte mogelijkheden om te sturen, ze ondervinden ook grote financiële problemen: financi­

eel verkeren ze in zwaar weer. En de vraagstukken zijn groot. De gemeenten roeien op woelige baren. Jaarrekeningen overschrij­ den de begrotingen, de solvabiliteit verslechtert, lokale belastin­

gen en heffingen zijn en worden sterk verhoogd en de mogelijk­ heden om bij te plussen door grondexploitatie zijn beperkt. In

B

in 2021 toe met 4,4% ten opzichte van 2020. De verwachting

bekostiging in de nabije toekomst zal leiden tot vertraging van de programma's, zowel in de beleidsvoorbereiding als in de

uitvoering.

25

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

Financiële problemen nemen komende jaren toe

Hiervoor maakten we al een voorzichtige inschatting van de

Het is noodzakelijk om lering te trekken uit gemaakte fouten en praktische onvolkomenheden in de decentralisaties van 2015.

financiële problemen van gemeenten in Zuid-Holland voor

Dat maakt de kans op herhaling kleiner. Gemeenten moeten

de komende jaren, specifiek binnen het sociaal domein. De financiële knelpunten binnen de andere domeinen komen daar

beter zijn toegerust op het uitvoeren van nieuwe interbestuur­

nog bij. Denk bijvoorbeeld aan de (structurele) financiering

lijke taken en de implementatie van de Omgevingswet en ze moeten hun huidige taken naar behoren kunnen vervullen.

van (nieuwe) taken als de energietransitie, klimaatadaptatie,

Grotere tekorten sociaal domein door wegvallen

circulaire economie en wonen. Bovendien is de verwachting dat bezuinigingen op andere terreinen (zoals bijvoorbeeld volks­

2

huisvesting) in de toekomst zorgen voor nog meer financiële druk. Als al deze trends doorzetten en er komen geen wijzi­

Als de coronacrisis leidt tot een economische crisis, zal het aantal mensen dat een beroep doet op de inkomensvoorzienin­

gingen in de financiering van de eerste overheid dan zijn de financiële problemen voor gemeenten in Zuid-Holland zeer

gen bij gemeenten hoogstwaarschijnlijk stijgen. Mocht het om

ernstig. De inschatting is dat bij ongewijzigd beleid het tekort voor gemeenten in Zuid-Holland binnen afzienbare tijd oploopt tot een bedrag tussen de € 500 miljoen en € 700 miljoen per jaar. Dit is ongeveer 10% van het huidige eigen vermogen!

Drie reële risico’s In aanvulling op onze hoofdconclusies, zien we voor de nabije toekomst drie reële, niet te negeren, risico’s voor gemeenten in

Zuid-Holland ontstaan. Deze risico’s worden hieronder kort toegelicht. i

Kans op herhaling van fouten bij Omgevingswet

en Interbestuurlijke Taken De decentralisaties in het sociaal domein leveren ons een belangrijke leerervaring op. In de afgelopen vijf jaar hebben we scherp kunnen zien hoe de decentralisaties financieel, bestuur­ lijk en praktisch uitpakten. Op tal van vlakken leidden ze niet

tot de gewenste resultaten. De combinatie van ‘dienstverlening dicht bij de burger’ en ‘meer ruimte voor lokale beleidsvorming en uitvoering’ pakte anders uit dan gedacht. En helaas leidde

meevallers inkomensvoorzieningen

dezelfde aantallen gaan als tijdens de financiële crisis in 2008 dan kan het tekort binnen het sociaal domein voor de gemeen­ ten in Zuid-Holland oplopen tot € 500 miljoen op jaarbasis.

De huidige financiële problemen binnen het sociaal domein worden voornamelijk veroorzaakt door tekorten op Jeugdzorg en Wmo. Overschotten op andere taakvelden binnen het sociaal domein (met name inkomensvoorzieningen) zorgden ervoor dat de totale tekorten binnen het sociaal domein enigszins werden gedempt.

Voor de komende jaren zijn de (financiële) vooruitzichten in het sociaal domein niet goed. De verwachting is dat de tekorten binnen Jeugdzorg en Wmo voorlopig blijven. Als er ook nog tekorten ontstaan op het gebied van inkomensvoorziening, zijn

de financiële problemen helemaal niet meer te overzien. Zeker nu de beperkte overschotten op het taakveld huishoudelijke

hulp dreigen op te drogen als gevolg van het abonnementstarief hulp in de huishouding. 3

Bezuinigingen op traditionele gemeentetaken leiden tot uitholling leefbaarheid en vitaliteit

Eenzaamheid, de ontwrichting van de samenleving en het iso­ lement van groepen zijn onderwerpen die een gerichte aanpak

het overhevelen van taken naar de gemeenten ook niet tot lagere kosten.

vragen. De covid-19-periode heeft dat nog eens extra duidelijk gemaakt. De gemeente heeft de beste papieren om te investeren in een inclusieve samenleving met leefbare en vitale kemen,

We moeten leren van deze lessen. Niet omdat leren van je ervaringen altijd goed is, maar omdat de penibele situatie van

dorpen en wijken. Maar juist de gemeentelijke taken die bijdra­ gen aan vitaliteit en leefbaarheid staan sterk onder druk.

de gemeenten zonder structurele aanpassingen verder zal ver­

slechteren. Als er niets verandert, zal de bestuurskracht van de gemeente in steeds hoger tempo afkalven. Zorgwekkend, want gemeenten krijgen alleen maar meer op hun bordje. Naast hun bestaande taken moeten zij nu en in de toekomst het hoofd bieden aan een aantal grote maatschappelijke vraagstukken die je alleen interbestuurlijk kunt oplossen: de klimaatverandering en de energietransitie. En de Omgevingswet staat voor de deur, een nieuwe decentralisatie met grote impact.

B

De transformatie van een verzuilde samenleving naar een maatschappij waarin mensen thematisch, in bubbels en hori­

zontaal met elkaar verbonden zijn, leidt tot nieuwe maatschap­ pelijke vraagstukken, zoals inclusiviteit, participatie, gelijkheid,

verbinding en sociale cohesie. Het Sociaal en Cultureel Planbu­ reau (SCP) hanteert twee strategische perspectieven om naar de samenleving te kijken: het perspectief van de veranderende verzorgingsstaat en het perspectief van insluiting en uitsluiting.

26

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidstuimte gemeenten in Zuid Holland

Denkend vanuit de maatschappelijke vraagstukken en de

perspectieven van het SCP heeft de eerste overheid, de

gemeente, een belangrijke rol. De gemeente staat immers het dichtst bij de samenleving en kan maatwerk leveren, passend

bij de samenstelling van de gemeenschap, de kemmerken van het gebied en met aandacht voor de identiteit van de kernen,

dorpen of wijken. De verminderde beleidsruimte en de belab­ berde financiële situatie gooien echter roet in het eten. Omdat gemeenten binnen het sociaal domein en regionale samen­

werkingsverbanden weinig sturingsmogelijkheden hebben, worden financiële tekorten afgewenteld op de traditionele

taakvelden. Precies die taakvelden die zo belangrijk zijn voor

een leefbare en levenskrachtige samenleving. Zelfs in tijden van hoogconjunctuur stonden voorzieningen voor cultuur,

sport, buurt- en jongerenzorg onder druk. Een slecht financieel perspectief leidt tot verdere uitholling van voorzieningen en

activiteiten die een belangrijke bijdrage leveren aan de leef­ baarheid en vitaliteit van steden, dorpen en wijken.

B

27

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

Slotbeschouwing Een wankele basis voor de autonomie van gemeenten De provincie Zuid-Holland heeft ons als hoofdvraag meegege­ ven: “Wordt nog in voldoende mate voldaan aan het grondwet­

Juist op die taakvelden is armslag nodig en zijn lange riemen gewenst. Hier is Nederland gebaat bij investeren. In de sociale

telijke uitgangspunt van autonomie en open huishouding van

veiligheid, buurtwerk, in de kwaliteit van de openbare ruimte, in groenvoorziening, in sport en cultuur. Maar juist dit smalle gebied waar gemeenten beleidsruimte hebben is wrang genoeg

gemeenten in Zuid-Holland”? Van meet af aan was duidelijk dat dit een normatieve vraag is, die niet zonder meer vanuit onze empirische onderzoeksresultaten beantwoord kan worden.

het terrein geworden waar noodzakelijke bezuinigingen moeten worden gevonden.

Een sterke eerste overheid is van groot belang voor gemeen­ schappen. De vraagstukken die raken aan leefbaarheid en

In financiële termen is het aandeel van taakvelden met 'veel

vitaliteit van dorpen, wijken en kernen én aan de samenhang en sociale cohesie in gemeenschappen blijven onverkort van belang. Die vraagstukken adresseren ook een goede relatie -met

beleidsruimte', uitgaande van de definities van het ROB, geslon­ ken van 40,6% in 2011 naar 25,2% in 2019. Bij continuering van het huidige beleid zal deze beleidsruimte verder slinken.

menselijke maat- tussen gemeente en inwoners. In tal van publicaties is juist de laatste jaren hierop gewezen, zoals in het boek “Veenbrand” van Kim Putters en "Groter denken kleiner doen" van Herman Tjeenk Willink.

Zo is de verwachting. Met mogelijk grote consequenties voor zwembaden, sporthallen en bibliotheken.

Juist die eerste overheid staat onder druk. Allereerst financieel, zo is duidelijk geworden in dit onderzoek. De begrotingen in het sociaal domein worden overschreden, het eigen vermogen loopt in tijden van hoogconjunctuur terug en de solvabiliteit daalt.

Ook hebben we gezien dat de beleidsruimte van gemeenten af neemt. Vanwege decentralisaties, interbestuurlijke en inter­

gemeentelijke samenwerking en nationale regelgeving. De gemeenten hebben daarentegen juist speelruimte op de traditi­ onele taakvelden die direct raken aan de leefbaarheid, vitaliteit en sociale cohesie nodig. Dit zijn ook de taakvelden waar de

gemeenteraden sturing kunnen geven aan beleid en uitvoering.

Johan Rudolph Thorbecke heeft onze grondwet vernieuwd en kan als grondlegger van het parlementarisme gezien worden. Hij had met de formuleringen van autonomie en open huis­ houding voor ogen dat gemeenten en provincies volledige zeggenschap zouden hebben over hun grondgebied binnen de grenzen van “hogere” wet- en regelgeving. En al in 1987 schreef Thorbecke-kenner Toonen: "De meeste beleidsterreinen waar gemeenten aanvankelijk hun recht op initiatief ontplooid hebben, zijn na verloop van tijd het voorwerp geworden van

nationale regelgeving. Deze terreinen zijn daarmee aan de au­ tonome taakbehartiging door gemeenten onttrokken" (Toonen, 1987). Maar hij waarschuwt daar meteen bij: “Bij de analyse van historische ontwikkelingen dient gewaakt te worden voor de interpretatie waarbij het onttrekken van taken aan de staats­

rechtelijke gemeentelijke autonomie gelijkgesteld wordt met een uitholling van de rol en materiële beleidsvrijheid van gemeen­ ten in het staatsbestuur." Ook de deskundigen die ons onder­

zoek hebben begeleid en geduid hebben gewaarschuwd voor een

al te simpele duiding van de betekenis van onze Grondwet op dit punt.

B

28

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

De huidige autonomie of vrije beleidsruimte ontwikkelt zich

De vraag of er nog "in voldoende mate wordt voldaan aan het

in een veld waarbij twee aspecten dominant zijn. Allereerst

grondwettelijk uitgangspunt van autonomie en open huishou­

vraagt het ene maatschappelijke vraagstuk om lokaal beleid

ding” en of en hoe wordt omgegaan met de drie hoofdadviezen

(veel vraagstukken verbonden aan vitaliteit en leefbaarheid)

is uiteindelijk een politieke vraag. Ons onderzoek kan slechts

en een ander vraagstuk om een regionale aanpak (wonen,

illustreren dat de vraag buitengewoon urgent is en de adviezen

arbeidsmarkt, energietransltie). Die regionale taken heb­ ben een interbestuurlijk karakter. Daarnaast vragen o.a. de

relevant.

decentralisaties om het opbouwen van hoogwaardige ken­ nis en kunde en robuuste uitvoeringsorganisaties. Vanwege

schaalvereisten en -voordelen worden vee) van deze taken

intergemeentelijk georganiseerd. Het geheel laat vanuit een gemeentelijk perspectief een beeld zien van een versmallend

deel van de taken dat gericht is op lokaal beleid en lokale uitvoering. En daarnaast een groeiende interbestuurlijke en intergemeentelijke samenwerking. In het rapport van Bemard ter Haar “Als één overheid" worden oplossingen aangedragen

om effectiever regionaal samen te werken (SIFV, 2020). De constatering dat maatwerk per opgave nodig is lijkt meer dan terecht. Echter, het plaatst gemeenten politiek-bestuurlijk steeds meer in een positie waarin het speelveld onoverzichtelijk en

moeilijk te beïnvloeden is. De legitimiteit van een groot deel

van de intergemeentelijke en interbestuuriijke samenwerking is matig ontwikkeld. De toenemende behoefte om te zoeken naar interbestuuriijke aanpakken met meer sturing op het regionale niveau is vanuit de inhoudelijke problematiek logisch en wenselijk, maar zet de sturingsruimte van gemeenten nog verder onder druk. De remedie van opschaling kan behulpzaam zijn, maar zet de oorspronkelijke taken van de gemeenten en de nabijheid bij

de gemeenschap onder druk. Al met al is een democratisch en bestuurlijk ontwricht stelsel ontstaan, waarin bestuurlijke zelfstandige gemeenten in een veelkleurig pallet van samen­

werkingsrelaties maatschappelijke vraagstukken proberen op te lossen.

Het lijkt daarmee wenselijk dat er een heroverweging omtrent verdergaande decentralisaties plaatsvindt om te voorkomen dat de politiek-bestuurlijke dynamiek in gemeenten verder wordt belast en de bestaande vrije beleidsruimte verder wordt beperkt. Daarnaast is het ook wenselijk dat doordacht gaat worden hoe sturing, financiering en legitimatie in de mix van lokale, interbestuurlijke en intergemeentelijke ambities en uitdagingen

evenwichtiger tot stand kan worden gebracht.

B

29

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

BIJLAGE 1.

Verdiepende analyses

Verdieping IA Ontwikkeling solvabiliteitsratio grootteklassen gemeenten Zuid-Holland 2010-2019

F

z.0—J 21

20

20

10

10

14

14

20

17

15

13

23

30

15

14

30

31

9

7

7

2016

2017

2018

15

2

In figuur 22 is de ontwikkeling van de solvabiliteit gepresen­ teerd voor verschillende grootteklassen van gemeenten.

We onderscheiden kleine gemeenten (< 40.000 inwoners), middelgrote gemeenten (40.000-70.000 inwoners), grote ge­

meenten (> 7O.OOO-25O.OOO inwoners) en G4-gemeenten. Voor alle grootteklassen is er een dalende trend van de ge­ middelde solvabiliteit zichtbaar over de periode 2010-2019,

30—1

in _ 14

n

2011

2012

2013

■ Solvabiliteit <20* ■ Solvabiliteit 20*-40*

ondanks incidentele stijgingen. De grootste daling is zichtbaar bij grote gemeenten, van 42,9% in 2010 naar 31,2% in 2019. Ook de G4-gemeenten laten een daling zien, van 32,4% in

Figuur 23

2010 naar 23,3% in 2019. De G4-gemeenten zitten hiermee nog maar net boven de kritieke grens van 20% die doorgaans voor de solvabiliteitsratio wordt gehanteerd.

Verdieping 1B

2014

14

14

«JH 20K)

23

2015

2019

■ Solvabiliteit >40%

Indeling gemeenten naar solvabiliteit

Ontwikkeling begrote lasten sociaal domein t.o.v. jaarrekening gemeenten Zuid-Holland 2011-2019

De stijging vanaf 2015 van de totale lasten in het sociaal domein in de jaarrekening van gemeenten in Zuid-Holland is aanzienlijk, maar ook een stuk minder groot dan het beeld dat

hierover bestaat. Dit komt vooral doordat het sociaal domein vóór 2015 ook al een aanzienlijk aandeel in de begroting van Zuid-Hollandse gemeenten had. 2010

2011

2012

20 3

2014

“ 0 - 40.000 inwoners — -.0 OOI 70 OOO inwoners Figuur 22

2015

2016

2017

2010

2019

— 70 OOI - 2SO 000 inworwrs “ Me«r dan 250 OOO inwoners

Dc ontwikkeling van de solvabiliteit gepresenteerd voor verschillende grootteklassen van gemeenten.

Ontwikkeling verdeling gemeenten over

afgezet tegen de werkelijke lasten in de jaarrekening. De totale lasten in de jaarrekening bedroegen in 2019 € 5,6 miljard, ten

verschillende groepen solvabiliteitsratio 2010-2019

opzichte van € 3,8 miljard in het jaar voor de decentralisaties van 2015.

In figuur 23 zijn de gemeenten in Zuid-Holland over de periode 2010-2019 ingedeeld naar solvabiliteit: zwak (< 20%), voldoen­

Dit betekent dat de totale lasten in het sociaal domein voor ge­

de (20%-40%) en sterk (>40%). Een aantal zaken valt op: • Het aantal gemeenten met een sterke solvabiliteit (>40%) neemt af van 21 in 2010 naar 15 in 2019.

van gemeenten in Zuid-Holland door de decentralisaties in

• Het aantal gemeenten met een voldoende solvabiliteit (20%40%) neemt juist toe, van 18 in 2010 naar 23 in 2020.

2015 met de helft is toegenomen, of zelfs is verdubbeld, klopt niet.

• In dezelfde periode is tevens een lichte stijging van het aantal gemeenten met een zwakke solvabiliteit zichtbaar, van 13 in 2010 naar 14 in 2019. Met name de stijging met 7 van 2018

naar 2019 is zorgwekkend, ook omdat uit recent onderzoek blijkt dat de ingezette trend de komende jaren niet zal

stoppen (zie ook benchmark BDO (2021)).

B

Dit is goed zichtbaar in figuur 24. Hierin zijn voor de periode 2011-2019 de begrote totale lasten van het sociaal domein

meenten in Zuid-Holland ongeveer 1,5 keer hoger zijn (+47%) dan vóór de decentralisaties. Het beeld dat de totale begroting

30

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zu»d Holland

Het Interbestuurlijk Programma

i“ I

■ Begroting

<5-----

MTr

■ Jaarrekening

€4

S

Het Interbestuurlijk Programma (IBP) dat de overheden in fe­ bruari 2018 met elkaar opstelden, is een uiting van de gedachte

2

dat overheden elkaar nodig hebben. In het IBP worden drie

■

zaken genoemd die aan de samenwerking ten grondslag liggen.

€2

• De vervlechting van maatschappelijke opgaven vraagt om

C'

samenwerking. Samen optreden als overheden is cruciaal om

€ o AKaBXUUUMMJU 2011

Figuur 24

2OT2

2013

204

2015

2016

2020

De begrote totale lasten van het sociaal domein afgezet tegen de werkelijke lasten in de jaarrekening

In aanloop naar de decentralisaties van taken in 2015, tussen 2011 en 2014, is een daling van de totale kosten in het sociaal domein voor de Zuid-Hollandse gemeenten zichtbaar. In 2011 bedroegen de totale kosten nog € 4,1 miljard, tegenover

€ 3,9 miljard in 2014. Deze daling is vooral te verklaren door lagere kosten op het gebied van inkomensondersteuning als gevolg van betere economische omstandigheden na de kredietcrisis van 2008. Wat verder opvalt in de figuur is dat de werkelijke lasten in ieder jaar, met uitzondering van het jaar 2014, hoger uitgeval­

len zijn dan aanvankelijk was begroot. Hierbij moet opgemerkt worden dat de begrote lasten in 2016 nagenoeg gelijk waren aan de gerealiseerde lasten.

knelpunten op te lossen en resultaten te boeken. • Voor het vertrouwen van de burger, en om aan de verwachtin­

gen van burgers te voldoen, is het noodzakelijk om te opere­ ren als één overheid. • Maatschappelijke opgaven worden steeds meer op sub- en

supranationaal niveau aangepakt, dus in de regio of juist op Europees niveau. In samenhang en ook wel los van het IBP zijn daarom in de afgelopen jaren meer interbestuurlijke

afspraken tot stand gekomen. Overheden moeten dus samenwerken bij maatschappelijke,

maar ook bestuurlijke vraagstukken die op meerdere schaal­ niveaus tegelijk spelen. Iedere overheidspartij moet daarbij in staat zijn om een betekenisvolle bijdrage te leveren. Immers, wanneer overheden dat niet kunnen, betekent dat een ernstige verzwakking van de overheidsinspanningen als geheel.

Financiële middelen In het IBP kwam de financiële dekking van de interbestuurlijke

Eveneens opvallend is dat de verschillen tussen begroting en realisatie in de periode na 2016 steeds groter worden. In 2017

opgaven aan de orde. Deze was voorzien in de trap-op-trap-af-systematiek, waarbij destijds een sterke groei van de rijksuitga-

was het totale verschil tussen begroting en realisatie ongeveer € 198 miljoen, terwijl dit in 2019 al was opgelopen tot bijna € 295 miljoen. De begroting van het sociaal domein van gemeen­

ven en daarmee het gemeentefonds werd geraamd. Daarnaast kwam er een verbreding van de basis voor de normeringsystematiek, zodat ook de groei in zorguitgaven van het Rijk ging

ten in Zuid-Holland lijkt structureel te optimistisch, afgezet tegen de daadwerkelijke realisatie.

meetellen. Dit alles zou gemeenten en provincies volgens het IBP meer vrij besteedbaar budget geven.

Verdieping IC

Dat betekende dat de gemeenten hun inzet volgens de af­ spraken in eerste instantie moesten bekostigen uit bestaande

middelen. De groei van de algemene uitkering moest uit het Nieuwe interbestuurlijke opgaven zorgen voor extra financiële druk

De samenleving heeft te maken met grote opgaven en tran­

sities. Zowel de problemen als de oplossingen gaan over de grenzen van de individuele overheden heen. Maatschappelijke

opgaven zijn niet eenduidig toe te delen aan overheid of markt of aan een bepaalde bestuurslaag. Steeds vaker werken overhe­ den dan ook samen aan die opgaven, op basis van regionale en/

of landelijke afspraken.

B

gemeentefonds (accres) komen. Daarnaast waren er voor een aantal van de gezamenlijke opgaven enveloppen of andere intensiveringen voorzien.

Ook gemeenten, provincies en waterschappen zegden toe om middelen beschikbaar te stellen voor de interbestuurlijke opga­ ven. Volgens het IBP zou dit blijken uit de investeringsagenda van de decentrale overheden (2017) en de (nieuwe) college- en raadsprogramma's.

31

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten m Zuid Holland

Hieronder gaan we in op de twee majeure opgaven. Zij behoe­ ven de sterkste groei van de inzet van de overheid als geheel en daarmee ook van de gemeenten: de klimaatopgave en het

Omdat de meeste gemeenten al begonnen zijn, hebben we voor de jaren 2018-2021 een schatting gemaakt op basis van dezelf­

de cijfers. Niet elke extra taak is daarbij al aan de orde; sommi­

toekomstbestendig (en betaalbaar) wonen.

ge taken, zoals het uitrollen van wijkuitvoeringsplannen in het

Drie grote opgaven rond de klimaatverandering

kader van de warmtetransitie, worden nog opgestart. Hieruit resulteert het volgende beeld (figuur 25):

Eén van de meest bepalende opgaven in de huidige tijd is de kli­ maatverandering. Er zijn drie centrale thema's: energietransitie,

I

klimaatadaptie en circulaire economie.

CI20---------------------------------------------------------- ------------------------------------------------------------------

€1CO

1016 91.4

CfV<

767

€60

1. Energietransitie Om de opwarming van de aarde te beteugelen, zijn maatregelen nodig. Daarom hebben Nederlandse overheden en organisaties in 2019 het Klimaatakkoord gesloten: de Nederlandse uitwer­ king van de internationale klimaatafspraken van Parijs (2015).

Figuur 25

Veel van de afspraken moeten in de regio worden waargemaakt.

We zien dat de opgeteide extra apparaatskosten oplopen van

Gemeenten zetten zich in het Klimaatakkoord in voor een meerjarige, programmatische, nationale aanpak. Samenwerking

€ 31 tot € 42 miljoen in 2019 tot maximaal zo’n €100 miljoen in de jaren die nog komen. Let wel: dit zijn alleen de apparaats­ kosten. Hier komen dan nog investeringen bij.

met regio’s in het hele land staat bij de energie- en kiimaatstrategieên voorop. Ook de Omgevingswet wordt hierbij betrokken. Er zijn in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt waardoor decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschap­ pen) nieuwe taken krijgen of waardoor bepaalde taken worden geïntensiveerd. Zij moeten daardoor extra kosten maken. Het gaat daarbij om apparaatskosten maar ook om investeringskosten, zoals de fysieke kosten van laadpalen of verduurzaming van ge­ bouwen.4 In totaal kunnen 28 nieuwe of (sterk) geïntensiveer­ de taken voor gemeenten worden onderscheiden, naar de vijf

pijlers van het Klimaatakkoord: gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, landbouw en elektriciteit.

Vanwege zijn onafhankelijke positie is de Raad voor het Open­ baar Bestuur gevraagd een onderzoek te begeleiden naar de hoogte van de extra uitvoeringslasten. Op basis van dit onder­

zoek’ kan worden gesteld dat de kosten voor gemeenten in 2024 in totaal € 599,6 miljoen bedragen. De totale extra uitvoerings­ lasten voor de periode 2022-2024 zijn € 1.589,3 miljoen. Uitgaande van dit onderzoek hebben wij adequaat kunnen berekenen wat de komende meerkosten van de Zuid-Hollandse

gemeenten zijn vanaf 2022.

4

s

B

In hei ROB onderzoek Van Parijs naar praktijk (januari 2021) porden de kosten gerekend die decentrale overheden m hun eigen processen maken om de laken uit te voeten Dit zijn 'apparaatskosten, ook pel 'de kleine geldstroom genoemd De investeringen in de samenleving f programmagelden of 'de grote geld stroom') worden met meegerekend De totale kosten daarvan lopen mogelijk m de miljarden Van de omvang noch verdeling van deze kosten (overheid, huishou dens, bedrijven) zijn berekeningen voorhanden Zie voor de resultaten hnm./Zpwpraartnr^nbaaiPestiu.i nlAirvumenterV nuhliratiec/2O21A1ir2«Vadvies van nanis naar oraktilk

€40 — Verpachting koster

€20

Ondergrens kosten ------ Bovengrens kosten

4 --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ZOle 2019 2020 2021 2022 2023 2024 202S 2026 2027 2029 2029 2030

Verwachte extra apparaatskosten energietransitie Zuid-Hollandse gemeenten 2020-2030.

2. Klimaatadaptatie Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast,

hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Het is opgebouwd volgens zeven ambities. Om de kwetsbaarheden in beeld te krijgen, dienden alle overheden uiterlijk in 2019 een

stresstest te hebben uitgevoerd voor de vier klimaatthema's: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. Op basis van deze stresstest voeren gemeenten, waterschappen, provincies en Rijkswatentaat per regio een risicodialoog met alle relevante gebiedspartners. Nadat overheden de adaptatiestrategie

hebben opgesteld, maken zij een uitvoerings- en investeringsagenda voor hun regio.

Ook op het gebied van klimaatadaptatie kan uitgerekend worden wat deze activiteiten in termen van apparaatskosten hebben gekost en zuilen gaan kosten. Aan de hand van een taakanalyse en capaciteitsberekening voor diverse categorieën

gemeenten (klein, middelgroot, groot) komen wij voor 2019 uit op een bedrag van € 7,5 miljoen voor alle gemeenten van Zuid-Holland bij elkaar. In 2021 zullen de gemeenten gezamen­ lijk op € 11,1 miljoen uitkomen en daarna op € 5,6 miljoen per jaar. De piek houdt verband met de initiële (participatieve)

beleidsontwikkeling op dit gebied.

32

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten in Zuid Holland

3.

Circulaire economie

In het Publiek Kader Huishoudelijk Afval hebben de gemeenten

De huidige lokale financiering geschiedt in principe via de grondexploitatie. Deze is een balans van kosten en opbrengsten

en het Rijk de ambitie vastgelegd dat in 2020 de hoeveelheid

per locatie. Als we kijken naar de omvang van deze grondex­

restafval gemiddeld niet meer dan 100 kilogram per persoon

ploitaties, zien we het volgende beeld:

per jaar mag zijn. Ook moet 75% van het huishoudelijk afval worden gescheiden. Minder restafval en meer gescheiden mate­ riaalstromen vergroten de kansen voor hergebruik.

| €Z° i < ra 125 ■I * it t

g 8J0 Bouwgrondexploitatie ■ 820 Woningexploitatie/woningbouw g 82 Grondexploitatie (niet-bedrijvente | 52 Fysieke bedn/sinfrastructuur

«u

De VNG heeft ook over verpakkingen met het Ministerie van

lis__________ k I 0,95 097

Infrastructuur & Waterstaat en het Afvalfonds Verpakkingen

afspraken gemaakt. Hiervoor geldt wettelijke producentenver­ antwoordelijkheid, die via de Raamovereenkomst Verpakkingen

«.IjU

■

■

081

?OU

2O1<,

70»

7OT7

026 2^? 026

CO*

2013-2022 deels wordt uitgevoerd door gemeenten, in ruil voor vergoedingen en aanvullende afspraken.

€0.4 <-<u

Deze normen werken door in de tarieven waar gemeenten mee te maken hebben en die zij (kunnen) doorberekenen in de af­ valstoffenheffing. Deze heffing is in 2021 landelijk met 10,0%

I

«0.8

€2052

2013

701*

7019

Figuur 26. Crond«xpk>itatl«* (woningen en bedrijventerreinen) in begroting gemeenten Zuid-Holland 2011-2020.

de sterkste stijgingsfactor in de lokale lasten (CBS, 2021).

In de figuur zijn de begrote lasten met betrekking tot grondex­

Vergoedingen door het Rijk niet afdoende Zoals hierboven aangegeven, werd bij het sluiten van het IBP ervan uitgegaan dat de kosten van de gemeenten merendeels konden worden opgevangen binnen de geraamde stijging van de inkomsten uit het gemeentefonds. Desalniettemin was ook voorzien in de mogelijkheid dat het Rijk aanvullende middelen

ter beschikking zou stellen. Dat is inderdaad gebeurd, middels een aantal, grotendeels incidentele, decentralisatie-uitkeringen. Voor de gezamenlijke Zuid-Hollandse gemeenten gaat het om de volgende bedragen: € 8,0 miljoen in 2016, € 1,0 miljoen in 2017, € 29,7 miljoen in 2019, € 29,2 miljoen in 2019 en € 0,3 miljoen in 2020.

ploitaties (woningen en bedrijventerreinen) van gemeenten gepresenteerd over de periode 2011-2020. In deze periode is een

duidelijk dalende trend zichtbaar. Waar het volume in 2011 € 1,8 miljard bedroeg, is dit in de begroting 2020 gedaald tot

€ 760 miljoen. Dit betekent een afname van ongeveer € 1,0 miljard in de begroting van gemeenten in Zuid-Holland over deze periode.

Er zijn twee belangrijke redenen voor deze daling: • De belangrijkste oorzaak van de extreme daling is de krediet­ crisis van 2008. Veel gemeenten voerden ten tijde van deze crisis een actief grondbeleid, hetgeen ook bij gemeenten in Zuid-Holland resulteerde in grote grondposities. Als gevolg

Woonopgave lastig te realiseren

van de kredietcrisis lukte het steeds minder goed om deze gronden te verkopen. Veel gemeenten hebben in deze peri­

Het tweede interbestuurlijke thema is wonen. Woonbeleid Is een gemeentelijke taak, waarvoor gemeenten financieel verant­ woordelijk zijn.

ode, al dan niet verplicht, grote afboekingen gedaan op de

grondpositie. Inmiddels is de vraag aangetrokken, maar zijn de prijzen van de grond die de gemeenten verkopen slechts

In de Staat van de Woningmarkt 2020 stelt het ministerie van BZK voor om in de periode 2020-2030 in totaal 845 .000 woningen te realiseren en tijdens de coronacrisis de bouw te

laten doorgaan om een terugva), zoals tijdens de kredietcrisis, te voorkomen.

geleidelijk gestegen? • Steeds meer gemeenten in Zuid-Holland voeren in toene­ mende mate een faciliterend grondbeleid in plaats van een

actief beleid van aan- en verkoop van gronden. Hierbij wordt een groot deel van de (financiële) risico’s bij marktpartijen neergelegd. Er komt dus relatief weinig grond bij op de gron­

Op 22 april 2020 werd door meer dan 40 partijen de gezamen­

lijke verklaring ‘Samen doorbouwen aan Nederland’ onderte­ kend. Tevens is op 20 mei het Doorbouwplan gepresenteerd, gericht op het blijven doorbouwen tijdens de coronacrisis. Ook VNG en IPO ondertekenden deze verklaring. De activiteiten van de gemeente variëren van het stellen van randvoorwaarden (door middel van visie, plannen en regel­

geving) tot een actieve rol (aankoop en verkoop van gronden, ontwikkeling).

B

dexploitatie. Bij de woonopgave zijn er meer knelpunten voor gemeen­ ten dan alleen het afgenomen volume van de eigen grond­ exploitatie. 6

Benchmark Gemeentelijke Grondprijzen, 2020 2021

33

Roeien met te korte riemen | Financiële positie en beleidsruimte gemeenten m Zuid Holland

Met name rond de realisatie van een betaalbaar woningbouw-

programma (sociale huur, betaalbare koopwoningen) zijn er verminderde opbrengsten. Er is sprake van een publieke onrenda­ bele top van een project. Dit is het financieel tekort op het totaal

van publieke kosten en opbrengsten van een project. Dit tekort ontstaat door de kosten van de voor woningbouw noodzakelijke

Ook voor grote gemeenten is een opvallende stijging zichtbaar van 14,9% in 2011 naar 29,0% in 2020, bijna een verdubbeling

van het aandeel. Hiermee komt het boven het percentage van middelgrote gemeenten te liggen. Dit is opmerkelijk omdat we verwachtten dat grote gemeenten relatief meer taken in eigen beheer zouden kunnen uitvoeren. Voor de gemeenten in Zuid-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/256/documents/8513