Bijlage 3 SwindregtWere 1-2020.pdf
Tekst van het document
De familie Tempelaar net na de Tweede Wereldoorlog (1949): Arie Tempelaar, zijn vrouw Goverina van ’t Hoff en hun twee zoons, Leendert Pieter (links) en Wilhelm Philipp (rechts vooraan). Collectie Wim Tempelaar.
Arie Tempelaar had een stuk tuinland op de Botvink, achter het huis van Arie van Namen aan de Rotterdamseweg 181. Hij tuinde direct achter dit huis. Daar weer achter had Arie van Namen zijn tuinderij en niet ver daarvandaan was het land van Bas Bezemer te vinden. Om de hoek, vlak bij de wei van melkboer Schouten, had Arie Tempelaar nog een stuk tuinland. Daar weer tegenaan lag een strook van oom Cor Tempelaar, een broer van Arie. Zijn Swindregt Were 25
Het huis van de familie Tempelaar aan de Rotterdamseweg nummer 136 (nu nummer 154). Collectie Bas Los.
vader, Leendert Pieter Tempelaar, die woonde op de Rotterdamseweg 177, tuinde nog een stukje verderop langs het Botvinkpad. De Tempelaartjes hadden verschillende karakters. Arie had een beetje de zeggenschap over de familie. De grond waarop het gezin Tempelaar tuinde, was van een rentmeester, meneer De Kat, die alles liet regelen door het Land-Administratiekantoor J. G. van der Gijp Barendregt, gevestigd aan de Vest 129 te Dordrecht. In die tijd was tuinen een zwaar beroep. Er waren weinig opbrengsten. Zo kwam er in de winter niets van het land. Sommige tuinders hadden daar iets aan proberen te doen. Zij deden investeringen in bijvoorbeeld platglas of kassen. De familie Tempelaar had ook in allerlei noviteiten geïnvesteerd. Zo had Arie Tempelaar zo’n 3200 vierkante meter platglas, een klein kasje en een stuk onbebouwde grond. Hij teelde onder andere tomaten, komkommers, sla, andijvie en bloemkolen. Ondanks dat veel geregeld werd via de Groenten- en Fruitveiling voor Zwijndrecht en Omstreken, kortweg ‘de veiling’, waren er toch ook regelmatig hoogoplopende spanningen tussen de tuinders. Zo moesten Arie en Cor Tempelaar in 1925 voor de rechter verschijnen, omdat ze gevochten hadden met de gebroeders Boonstoppel over huur en onderhuur. De uitspraak was in het nadeel van de broers Tempelaar: 10 gulden boete of 10 dagen vastzitten.
Landstorm Arie Tempelaar was lid van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (BVL). Deze groep vrijwilligers kon het
26 Swindregt Were
Familie Tempelaar op de tuinderij. Op de achterste rij met sigaret Arie Tempelaar, daarnaast zijn broer Cor Tempelaar. Helemaal rechts zien we Wim Tempelaar en zijn iets oudere broer Leen Tempelaar. Collectie Bas Los.
steunde zij allerlei samenwerkingsverbanden, zoals de Volkenbond. De BVL kreeg door deze bezuinigin gen meer verantwoordelijkheden. Toen de Tweede Wereldoorlog aanbrak, bestond dit vrijwilligersleger uit ruim 90.000 mannen. Ruim de helft daarvan werd ingezet toen de Duitsers aanvingen met hun aanval op Nederlands grondgebied. Ook in Zwijndrecht was de BVL omvangrijk. In de jaren dertig werden er regelmatig bijeenkomsten en oefeningen georganiseerd. Burgemeester J. A. J. Jansen Manenschijn (1880-1956) was zelfs erevoorzitter van afdeling Zwijndrecht, terwijl hij in Dordrecht secretaris was. Onder de leden bevonden zich naast Arie Tempelaar ook J. Turkstra, C. J. van der Ven, J. de Waard, S. de Waard, C. Bakker jr., N. M. van Drimmelen, A. van Hengel, A. Kuipers en J. Los. Toch zijn zij tijdens de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog nooit ingezet, ondanks dat zij wel aanboden te helpen. De belangrijkste reden hiervoor was dat de juiste kleding van de BVL niet aanwezig was in Zwijndrecht. Een poging om die kleding in Dordrecht op te halen, een route die dwars door het strijdtoneel voerde, mislukte en dus gingen de vrijwilligers naar huis. Het resultaat is bekend. De bruggen waren aan de Zwijndrechtse kant al vrij snel door de Duitsers veroverd, terwijl in Dordrecht nog dagen gevochten is. Na de capitulatie van Nederland heeft de bezetter de BVL al vrij snel afgeschaft.
Arie Tempelaar kreeg naar aanleiding van die opheffing een akte thuisgestuurd, waarin hij bedankt werd voor zijn diensten.
leger ondersteunen in tijden van acute dreiging. Oorspronkelijk was de Landstorm opgericht in de nadagen van de Napoleontische tijd. Deze vrijwil ligers maakten deel uit van legers, die Nederland van de Franse overheersing bevrijdden. Net voor de Eerste Wereldoorlog werd de Landstorm vervangen door de Bijzondere Vrijwillige Landstorm. Gedurende deze oorlog stonden landelijk ruim 20.000 mannen klaar om te helpen bij de verdediging, indien dit noodzakelijk werd geacht. Na de Eerste Wereldoorlog nam de populariteit van de BVL nog verder toe. De jaren twintig en dertig stonden vooral in het teken van economische tegenspoed en de Nederlandse regering investeerde dan ook steeds minder in het leger. In plaats daarvan
Akte van ontheffing van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (BVL) voor Arie Tempelaar, uitgegeven enkele maanden na de Nederlandse capitulatie. Collectie Wim Tempelaar.
Een detail van een plattegrond van Zwijndrecht net voor de Tweede Wereldoorlog. De weg linksonder is de Rotterdamseweg. Rood omcirkeld is het land van Arie Tempelaar, dat alleen via het Botvinkpad te bereiken was.
De Rotterdamseweg tijdens de Tweede Wereldoorlog Leen en Wim Tempelaar waren in hun jeugd veel op het tuinland te vinden. Als zij niet moesten helpen op het land van hun vader, hielpen zij bij hun oom of opa op de tuinderij. Vaak waren zij al vroeg op om ‘veuren te schrappen’. De moestuinen lagen ook op loopafstand van het woonhuis, dus je was er zo. In die tijd deed men toch praktisch alles lopend. Alleen voor het brengen van de groenten en fruit naar de veiling gebruikte men karren, wagens en vanaf de jaren dertig ook auto’s en vrachtwagentjes. Op deze voertuigen werden de veilingkisten gestapeld. Toch zorgde de Tweede Wereldoorlog voor de nodige veranderingen op dit gebied. Zo werd de vrachtauto van de familie Tempelaar in beslag genomen. Toen de vordering van de Duitsers bij de familie bekend werd gemaakt, probeerde Arie het voertuig nog te verstoppen in een schuur op het land. Zonder banden. Maar daar kwamen de Duitsers natuurlijk achter en zij namen de wagen alsnog mee. De vrachtauto werd nooit meer teruggezien. Sindsdien moest Arie met broer Cor mee naar de veiling, want diens vrachtwagentje was gelukkig vrijgesteld van vordering. Immers, één auto per familie werd door de bezetter als voldoende geacht. Toch was dit een veelvoorkomend probleem. In jaarverslagen van de veiling lezen we regelmatig, dat de medewerkers steeds minder groenten en fruit
Invorderingsakte van de Ford van A. Tempelaar. Collectie Wim Tempelaar. Swindregt Were 27
te veilen hadden, omdat veel tuinders door een gebrek aan vervoer als gevolg van Duitse invorderingen hun goederen niet meer konden leveren. Maar de invloed van de Duitsers reikte verder. Leen en Wim gingen elke dag – lopend ‒ naar de Morgenstond, later naar de Julianaschool. Maar omdat de Duitsers dit gebouw ook al snel vorderden, moesten zij tijdelijk naar de Kerkstraatschool. Die school puilde op den duur uit van de leerlingen, want andere scholen, die elders in de gemeente gelegen waren, hadden de Duitsers reeds gevorderd. In die jaren moeten de leerlingen nauwelijks fatsoenlijk les gehad hebben. Ook voor de leerkrachten, zoals jufrouw Haier, de meesters Ringersma, Brouwer en Van Vliet was dit een heftige tijd. Soms was er helemaal geen school. Dan was er voor de broertjes Tempelaar genoeg tijd om te spelen met de andere kinderen in de straat. Er werden veel spelletjes gespeeld. Vaak was het op de Rotterdamseweg een drukte van belang, immers was het een belangrijke verbinding tussen Rotterdam, Dordrecht en verder. Regelmatig kwamen Duitse kolonnes of voertuigen langs. In de herinnering van oude Zwijndrechtenaren staat nog de vele liederen die de Duitse soldaten zongen, zoals ‘Wenn wir fahren gegen England’, terwijl zij op de Rotterdamseweg marcheerden. Verder reed er ook de tram, maar de rails werden in 1942 opgebroken op last van de Duitsers.
Dat was een heftig gezicht. Tegelijkertijd was het een lekker rommeltje en dus een speelplaats voor de jeugd. Inkwartiering Wellicht het meest confronterend was de inkwartiering van Duitse soldaten, arbeiders of vluchtelingen. Dit had ook een enorme invloed op het dagelijkse leven van de bewoners in Zwijndrecht. Hierbij werd er van bewoners verwacht dat zij de bezetters
onderdak aanboden. Dit betekende dat de Duitsers dus in de directe levenssfeer van de bewoners toegelaten moesten worden. Dit kon heel gevaarlijk zijn, vooral ook omdat veel Nederlanders niets moesten hebben van de ‘moffen’. Toch kon juist door de inkwartiering de mening over de bezetter veranderen, zowel in positieve als in negatieve zin. In sommige gevallen ging het alleen om een bed voor de nacht. In andere gevallen ging het ook om het gebruik maken van de badkamer, het verorberen van een (avond)maal of om verbruik van stroom. Vooral als het ging om soldaten die paarden of wagens bij zich hadden, was het handig om te weten waar zij terecht konden. De ‘Ortscommandant’ wees voor iedere soldaat een slaapplek aan. De soldaten gaven de bewoners vervolgens een ingevuld inkwartieringsbiljet en aan het eind van de maand konden deze biljetten bij het gemeentehuis worden ingeruild voor een vergoeding. In de beginjaren werd door de gemeente geïnventariseerd waar deze soldaten konden overnachten. In het laatste anderhalf jaar werd van alle inwoners verwacht dat zij Duitsers een bed konden aanbieden. Alleen vanwege gezondheidsredenen kon men hier onderuit komen. Vooral in de laatste periode van de Tweede Wereldoorlog kregen ook de bewoners van de Rotterdamseweg veelvuldig te maken met inkwartiering. In sommige schuren in de buurt hadden de Duitsers werkplaatsen ingericht.
Daar waren ze aan het lassen en deden ze allerlei klussen. In de avonden werd er dan op de voordeur gebonsd en dan werd er geroepen: ‛Wij zijn hier ingekwartierd!’ Dat wist je nooit van tevoren. Dus je moest alles goed op orde hebben. Geen verzetskrantjes op tafel en al helemaal geen sporen van onderduikers. Er zijn situaties bekend dat men in de ene kamer Duitse soldaten had, terwijl in de andere kamer (Joodse) onder duikers zaten. Ook dit maakte inkwartiering enorm
Detail van een inkwartieringslijst uit het jaar 1944. Op de lijst zien we bij nummer 367 dat bij A. Tempelaar tussen 23 en 26 november 1944 twee Duitse soldaten waren ingekwartierd. Collectie Regionaal Archief Dordrecht.
28 Swindregt Were
gevaarlijk. Had je eenmaal soldaten in je huis ingekwartierd gekregen, dan bleven zij daarna vaak terugkomen. Ook de familie Tempelaar kreeg te maken met inkwartiering. Tussen 1944 en 1945 kregen zij twee keer twee soldaten te slapen. De laatste twee soldaten van in de twintig lieten zich nauwelijks zien. Ze werkten op de werkplaatsen in de schuren van Leen van Namen en Arie van Namen en waren verder ook niet lastig. Met de eerste twee ingekwartierde soldaten waren goede contacten. Dit waren twee veertigers en zij kwamen regelmatig een kop koffie drinken. Het ging hierbij waarschijnlijk om een surrogaatkoffie, dat met Buisman op smaak gebracht werd. Echte koffie was namelijk nauwelijks voor handen. Bij deze gelegenheden werd er van alles besproken. Zo deed één van hen, Willy Schraub, zeer gevaarlijk werk achter de gevechts linies. In Brabant en zelfs in België, waar op dat moment de geallieerden gesignaleerd waren, ging hij op de motor op zoek naar kapot materieel, zoals tanks en auto’s. Uit deze wagens haalde hij alle onderdelen die nog te gebruiken waren. Die nam hij mee naar Zwijndrecht en daar werden de onderdelen op de werkplaatsen weer aan de praat gebracht. Zelfs na de oorlog was er nog contact met deze Willy. Uit zijn brief uit 1950 bleek dat het de Duitse soldaten op hun terugtocht naar hun thuisland ook allesbehalve voor de wind was gegaan.
In de laatste maanden van de oorlog waren ze zenuwachtig geweest. Zo kreeg de familie Tempelaar onder meer de vraag of ze ook een radio hadden. De soldaten wilden weten hoe het aan het front was en ze geloofden hun eigen bevelvoerders niet. Op zo’n moment moest er dan even gelogen worden. Ondanks dat er een goede band was tussen de soldaten en de familie Tempelaar was het vertrouwen toch niet groot genoeg om dit soort dingen te delen. Immers, radio’s waren verboden en de soldaten konden de familie verraden en dat risico wilde je niet lopen. Andere herinneringen Tijdens de Tweede Wereldoorlog kregen Leen en Wim allebei tuberculose. Eerstgenoemde werd tijdelijk naar een sanatorium in Katwijk gebracht. Wim moest meerdere malen op controle komen bij
Brief van Willy Straub aan de familie Tempelaar. Collectie Wim Tempelaar.
dokter Van Kammen op de Singel in Dordrecht. Ook dit bleek nog een hele onderneming, want de brug was alleen toegankelijk indien men daar een vrijstellingsbrief voor had. Om die te krijgen, moest de familie Tempelaar eerst zo’n brief aanvragen en ophalen bij de distributiedienst in de Emmastraat nummer 1. Tijdens de hongerwinter werden tuinders veel bezocht door mensen die eten wilde kopen. Sinds het begin van de spoorwegstaking in september 1944 lag de handel helemaal stil. Ook de veiling lag hierdoor grotendeels plat en veel tuinders verkochten hun goederen op de ouderwetse manier. Bij Arie Tempelaar stond bij de voordeur dagelijks een mand met groenten. De passerende mensen, vaak uitgehongerde Rotterdammers, konden de groenten aan de deur kopen. Ook stond er voor hen een ‘warm prakkie’ klaar. In de meeste gevallen rekenden de tuinders vastgestelde prijzen voor hun groenten en fruit en hielden zij alles bij in hun kasboekjes. Swindregt Were 29
Aan de Dordtse kant van de verkeersbrug over de Oude Maas stond een verbodsbord. Alleen met een vrijstelling mocht men de brug passeren. Collectie Regionaal Archief Dordrecht.
Echter, er zijn ook verhalen bekend dat tuinders woekerprijzen rekenden. Anderen verkochten hun producten niet of nauwelijks uit angst zelf niets meer te hebben. Een andere reden om niets te verkopen was omdat het illegaal was. De groenten en het fruit behoorden de Duitsers toe. Enkele Duits gezinde tuinders verkochten dan ook niets. Toch was er wel een uitzondering. Zo kwam soms de ‘Reus van Rotterdam’ naar Zwijndrecht en deze tuinders durfden geen ‘nee’ te verkopen aan deze man. Het achterhouden van voedsel, alsmede het rekenen van woekerprijzen werd absoluut niet gewaardeerd. De familie Tempelaar werd na de Tweede Wereldoorlog beschuldigd van het laatst genoemde. De controleurs hadden van iemand, die onbekend wenste blijven, een briefje gekregen. Na controle bleek echter dat er geen sprake geweest was van woekerprijzen en dus werd de klacht afgewezen. Eveneens in 1944 werd op het land van Arie Tempelaar, tussen de bloemkolen, luchtafweergeschut geplaatst. Dit was natuurlijk een zeer strate gische locatie, omdat je vandaar vrij uitzicht had op de overvliegende vliegtuigen. Immers, sinds de
30 Swindregt Were
capitulatie van Nederland vlogen er dagelijks Engelse vliegtuigen over richting Duitsland en weer terug. Soms hadden zij het ook voorzien op locaties in Zwijndrecht, zoals in juli en oktober van het jaar 1940, toen in totaal negen Zwijndrechtenaren om het leven kwamen na mislukte bombardementen op het Noordpark en de verkeersbrug. Maar ook in de jaren daarna volgden nog enkele bombardementen. Gelukkig vielen er nooit bommen in de buurt van het huis van de familie Tempelaar. Als de lucht alarmen afgingen, spoedden de Duitse soldaten zich naar het nieuwe luchtafweergeschut in het land van Arie Tempelaar. Zij schoten dan op de reeds gepasseerde vliegtuigen. Een enkele keer draaide een vliegtuig om en beschoot de soldaten. Voor Leen en Wim was dit natuurlijk een machtig gezicht, maar als de vliegtuigen omkeerden, moesten ook zij rennen voor hun leven. Zij schuilden in zelf gegraven, met stro afgedekte, schuilplaatsen, die vlak bij de luchtafweer lagen. Die laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog gebeurde er in Zwijndrecht heel veel. De Duitsers wisten dat ze aan de verliezende hand waren en dus werden zij zenuwachtiger en harder tegen de bewoners. Er werd nog meer gevorderd en bijna iedere bewoner kreeg te maken met inkwartiering. Tegelijkertijd was er honger en armoede. Ook was er blijdschap, want de Geallieerden konden ieder moment komen.
In menig huis stond de vaderlandse vlag al klaar in de hoek van de kamer. Toen begin mei de berichten kwamen dat Hitler zelfmoord had gepleegd en dat Duitsland gecapituleerd had, brak er een groot volksfeest los. Ook in huize Tempelaar, waar toevallig een verjaardag was, was het feest. De feestvreugde sloeg al snel om toen ze het bericht kregen dat iemand op de Burgemeester de Bruïnelaan was doodgeschoten. Het ging om Jan Reijerkerk, die waarschijnlijk te midden van de nog steeds aanwezige Duitsers te vrolijk feestvierde. Zwijndrecht was een klein dorp, iedereen kende elkaar, goed en kwaad. In de dagen die volgden, gebeurde er veel op de Rotterdamseweg. Terwijl de Zwijndrechtenaren feestvierden, trokken de Duitsers zich in grote en kleine groepen terug via de Rotterdamseweg. Zij marcheerden niet meer en zongen ook niet meer. En zo kwam aan een roerige periode een einde.
De (voorlopig) laatste kraak van de KP-Johannes, die van het raadhuis van Zwijndrecht – 21 februari 1944 –
Kees Popijus
In ¹ het late najaar van 1943 hadden de Zwijndrechte naren P. (Pieter) Berkelaar ² en H. (Henk) de Klerk ³ daarvoor al plannen ontwikkeld, maar die bleken helaas niet op korte termijn uitvoerbaar. Eerst wilde het maar niet lukken om een goede valse sleutel te krijgen van de kluis, waarin zich de distributie bescheiden bevonden. En toen er dan eindelijk goede afspraken waren gemaakt met een Amsterdamse verzetsgroep, die de kraak wel wilde uitvoeren, werd deze juist eind ’43 door de Sicherheitspolizei (SiPo) opgerold. Uiteraard was men daarover in Zwijndrecht diep teleurgesteld, temeer, daar in de regio Barendrecht inmiddels de ene succesvolle kraak na de andere was uitgevoerd. ‛Zou de KP, die daarvoor verantwoordelijk is, er niet voor kunnen zorgen, dat Zwijndrecht nu eindelijk ook eens aan de beurt komt?’, verzuchtte de tijdelijk leider van de Zwijndrechtse distributiedienst, S. A. (Siem) den Hollander,⁴ tegenover zijn vriend L. de Kool, voormalig gemeentesecretaris van Heerjansdam. Ze kenden elkaar goed, omdat ze elkaar in het recente verleden nogal eens ‛achterom’ – zoals dat toen heette – wat bonkaarten voor onderduikers hadden toegespeeld. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Kees de Kool zat sinds de kraak van Heerjansdam nog ondergedoken in Barendrecht en het was een kleine moeite voor hem om Johannes ter zake te tippen. Dat moet al begin februari zijn gebeurd.
Johannes had op dat moment elders de handen vol en daarom liet hij het over aan Frans de Regt (ook geen onbekende voor Den Hollander) om de eerste oriënterende besprekingen te voeren. Uitgebreid werd de situatie ter plaatse verkend. Het zag er allemaal niet bepaald gunstig uit. Vlak naast het raadhuis bevond zich het politiebureau (met nogal wat foute agenten) ... en in de directe omgeving bevond zich een aantal gebouwen (het Julia-internaat en de Julianaschool), waarin Duitse militairen waren gelegerd.
Maar tenslotte slaagde Frans er samen met Kees de Kool, Den Hollander en de eerdergenoemde ambtenaren in om een voorlopig plan op te stellen en onderling alvast wat belangrijke taken te verdelen. In de week na zondag 20 februari moest de overval plaatsvinden. Den Hollander zou zorgen, dat er flink wat bonkaarten in huis zouden zijn en Berkelaar belastte zich met de vervaardiging van een gedetailleerde plattegrond. Frans en Kees stelden Johannes en de andere leden van de knokploegen tevoren goed op de hoogte en op zondagavond 20 februari fietsten Johannes en Frans naar Zwijndrecht om ten huize van Berkelaar de laatste afspraken te maken. Den Hollander was er ook en kon meedelen, dat hij in zijn opzet was geslaagd: de kluis zat vol rantsoenbonnen, toeslagkaarten en coupures. De volgende avond leek zich goed te lenen voor de overval omdat de verwachting was dat het dan flink donker zou zijn. En De Klerk had gehoord dat de gemeentebode C. van Haren, die op de bovenverdieping van het raadhuis woonde, op maandagavond 21 februari wegens de verjaardag van zijn vader met zijn gezin niet thuis zou zijn. Dat leek een zodanig gunstige omstandigheid te zijn, zodat men onmiddellijk besloot om die avond in actie te komen. Het tijdstip voor de overval zou 20.00 uur zijn en het wachtwoord was – net als de zaterdag ervoor – ‛Ha, de Koning’.
De bode, die ‛goed’ was, kreeg het advies om tot tien uur met zijn gezin weg te blijven. Hem zou dan geen blaam treffen. Berkelaar kon helaas niet van de partij zijn omdat hij was geveld door de griep. Het zou hem later goed van pas komen. Op maandagmiddag om half vier vertrok de voorhoede al uit Barendrecht: Johannes, Arie (Stramrood), Frits (Smit), Jan Wildschut en Jaap (Veldman). Het vroor dat het kraakte en daarom had het gezelschap zich in dikke winterjassen gestoken; verder droegen ze allen een grijze Swindregt Were 31
V.l.n.r: Pieter Hendrik Berkelaar Simon Arie den Hollander Hendrik de Klerk. Collectie Kees Popijus.
gleufhoed. Jaan Jiskoot had ze bezworen om voldoende boterhammen mee te nemen, maar dat hadden ze geweigerd. Jaan: ‛Ik zei altijd: ‛Je mot slapen en eten!̓ Dan lachten ze me uit. En op de dag van de overval op Zwijndrecht zei ik: ‛Neem nou eten mee!’ ‛Ja, wat denk je nou, als we in spanning zitten, dat we dan kunnen eten?!’ Maar toen ze terug kwamen, zeiden ze: ‛Hadden we maar naar je geluisterd, want we verrekten van de honger’. Om half vijf arriveerde de groep bij het raadhuis. Het was daar nog druk in verband met de uitreiking van de tweede distributiestamkaarten en daarom viel het nauwelijks op, dat er nog een groepje naar binnen stapte. De Klerk wachtte hen op en wist hen ongemerkt naar de zolder van het raadhuis te loodsen. Op zolder ‛zevenentwintig’ liet hij hen achter. Op de terugweg liep De Klerk echter tegen de rijksduitser Fruhauf op, die zijn werkkamer in het raadhuis had. Later zou deze zich de ontmoeting met De Klerk herinneren, gelukkig zonder dat dat voor deze akelige gevolgen zou hebben. Onderwijl maakten de mannen op zolder het zich maar wat gemakkelijk op een hoop lege zakken van de luchtbeschermingsdienst. Sommige ervan zouden later die avond hun nut nog bewijzen. Bij gebrek aan beter staken ze de ene sigaret na de andere op: de boterhammen van Jaan werden node gemist. Zo gleden de minuten voorbij. Om kwart over zeven verliet de (NSB-)burgemeester Abr.
Aeckerlin het pand via de achterdeur en een half uur later vertrok de gemeentebode naar zijn verjaardagspartijtje. Om 20.00 uur precies (ze hadden tevoren hun horloges gelijkgezet) stonden de mannen op: op dat moment zou beneden nl. de wacht worden afgelost. Op kousenvoeten ging het nu naar beneden, pistolen in de hand. Eén droeg de schoenen, een doos met
32 Swindregt Were
touw en lappen om eventuele gevangenen te boeien en een aantal lege zakken. Even voor achten had één van de twee dienstdoende agenten, de wachtmeester G. J. van Woerkom, zijn collega opperwachtmeester A. N. Voerman ⁵ uitgelaten. Voerman nam alvast het dienstpistool van zijn collega mee, omdat die spoedig zou worden afgelost door wachtmeester J. G. Hams. Kort daarop ging de bel en deed Van Woerkom de deur open voor Hams. Op het moment dat beiden nog wat stonden te praten in de vestibule, zwaaiden de glazen tochtdeuren tussen de vestibule en de gang open en klonk het: ‛Handen omhoog, of we schieten!’ Verbouwereerd staarden de agenten in een aantal dreigende pistoollopen. Gewillig lieten ze zich vervolgens door de drie overvallers ontwapenen, de buit was: een pistool en twee gummistokken, en naar de archiefkelder voeren: ‛Lopen, de trap af, naar de kelder!’ Daar moest zich de kluis, met inhoud, bevinden. Maar die kelder was ook in gebruik als centraalpost van de gemeentelijke luchtbeschermingsdienst. Die avond deden W. J. Klootwijk en H. J. Bijkerk daar dienst. Een van de luchtbeschermers werd boven aangehouden, toen hij de wc verliet, de andere werd door de twee resterende KP-ers overvallen en kreeg geen gelegenheid meer om de alarmschel in te drukken, die met het politiebureau in verbinding stond.
Eén van de agenten hoorde Johannes zeggen: ‛Ik ga even naar boven, naar de jongens kijken hoe ze het maken.’ Volgens afspraak opende hij de achterdeur voor de tweede groep, bestaande uit Frans en Rob (Rombout), die daar samen met De Klerk stonden te wachten. De Klerk overhandigde Johannes de sleutel van de kluis, die hij kort tevoren van een klerk op het politiebureau, J. E. Tijssen, had ontvangen. Tijssen, ook in het complot, had er zo
lang een andere sleutel voor in de plaats gehangen. De Klerk bleef buiten, omdat men hem in het raadhuis kende, terwijl Frans en Rob met Johannes mee naar de kelder gingen. Zij zouden de buit aanpakken en op de fietsen laden. In de archiefkelder waren de gevangenen op stoelen vastgebonden en nadat ze eerst nog wat te drinken hadden gekregen, werd er een prop in hun mond gestopt. Daaroverheen kregen ze een doek voorgebonden. Johannes maakte persoonlijk de kluis open: ‛Nu zullen we eens kijken, of de zaak klopt!’ Toen de kluisdeur eenmaal open was, zei hij, duidelijk hoorbaar voor de slachtoffers: ‛Wat valt het hier ontzettend mee; we kunnen het nooit op een wagen laden. Er moet nog een wagen komen!’ Terwijl twee van de overvallers het geboeide viertal onder schot hielden, haalden de andere de kluis leeg en vulden de zakken met distributie bescheiden. ‛Wat moet ik hiermee?’, vroeg er een aan Johannes, terwijl hij met een stapel stamkaarten op hem toe kwam lopen. Johannes: ‛Is hier geen kachel? Ze hebben hier centrale verwarming en ik zie geen kachel. Verscheur ze dan maar.’ Daarop werden de kaarten, gedeeltelijk, verscheurd. Een ander zei tegen Johannes: ‛Stempels! We stikken van de stempels. We hebben geen stempels van Zwijndrecht meer nodig.’ De volle zakken werden naar buiten gebracht, waar Frans en Rob ze op de fietsen bonden. Binnen een half uur was de klus geklaard.
Toen de laatste zak naar boven en naar buiten was gebracht, trokken de overvallers hun schoenen weer aan. Johannes nam nog de personalia op van de vier slachtoffers aan de hand van hun persoonsbewijzen. Tegen de agenten zei hij: ‛Ik krijg ook het politieblad, en mocht blijken, dat jullie een juist signalement van ons hebt opgegeven, waardoor we last zouden kunnen krijgen, dan krijg je de kogel.⁶ We hebben overal spionnen zitten.’ Aan de lucht beschermers vroeg hij, of ze misschien nog papieren bij zich hadden, die hen in moeilijkheden zouden kunnen brengen. Dat bleek niet het geval. Zo om en nabij half negen vertrokken ze, nadat ‛de lange magere’ (zeker Johannes) de achterblijvers nog had toegevoegd: ‛Nu mannen, het is mij aangenaam geweest; we hebben een reuze buit gehad. Het beste en leve de Koningin!’
Het briefje ̔ Voor Johannes’. Collectie Kees Popijus.
Buitengekomen gingen diegenen wier vervoer middel al met zakken beladen was, er onmiddellijk vandoor. De anderen bonden de overgebleven zakken snel op hun vervoermiddel en vertrokken eveneens in het donker naar Barendrecht, Jan Wildschut als laatste. Maar net toen Jan weg wilde fietsen, passeerde een Duitse militair, ene Heinz Kersten. Die had direct in de gaten, dat er iets niet in de haak was, trok zijn revolver en riep Jan toe: ‛Halt! Stehen bleiben!’ Jan liet zich op de grond vallen achter een zak met bonkaarten en vuurde een aantal malen op de Duitser, terwijl hij zich over de grond kruipend in diens richting bewoog, de zak als dekking voor zich uit schuivend. De militair trok zich daarop terug en Jan zag kans in het donker weg te komen. Henk de Klerk had zich achter een heg verborgen en was, plat op zijn buik liggend, getuige van de schietpartij. De KP-ers fietsten nu zo snel ze konden door donker Zwijndrecht. Volgens de getuigenverklaring van een scholier, die vanuit zijn ouderlijk huis aan Swindregt Were 33
het Raadhuisplein omstreeks 20.45 uur naar buiten had gekeken toen hij ‛een geluid hoorde, alsof iemand van zijn fiets viel’, waren er op dat tijdstip ‛een aantal fietsen, waarop personen waren gezeten, in razende vaart voorbij de woning van mijn vader gereden.’ De Duitse militair had inmiddels twee achtergelaten zakken opgeraapt en gaf een voorbijganger opdracht om op het politiebureau alarm te slaan. Opperwachtmeester Voerman was als enige op het bureau aanwezig en liet zich met enige moeite meetronen naar het Raadhuisplein. Het bureau sloot hij achter zich af. Aangekomen op het plein kreeg hij van de daar nog aanwezige militair het relaas van de schietpartij te horen. De twee zakken werden hem ter hand gesteld. De getuige: ‛Voerman keek in de zakken en zei: ̔Het zijn allemaal distributiebescheiden’. Ik keek toen ook in een der zakken en zag dat er stam kaarten in lagen.’ Op verzoek van Voerman hielp de voorbijganger mee om de zakken naar het politie bureau te dragen. Later werden nog twee zakken gevonden. Bij aankomst daar zag Voerman dat de alarmschel van het raadhuis in werking was gesteld en kreeg hij dadelijk een vermoeden, wat zich
daar had afgespeeld. Kort daarop verscheen de burgemeester op het bureau met de mededeling ‛We zijn overvallen’ en samen repten ze zich naar het raadhuis. In het raadhuis was één der agenten er namelijk in geslaagd om los te komen. Hij durfde niet meteen het alarm in te drukken, omdat hij bang was, dat ook het politiebureau door de KP bezet was. Daarom stelde hij zich telefonisch met het bureau in verbinding. Iemand, zeker Voerman, zei: ‛Hallo, met wie?’ Waarop de agent antwoordde met: ‛Met wie spreek ik?’ Toen die vraag daarop door de ander werd herhaald, verbrak de agent de verbinding en belde direct de burgemeester op om hem van de gebeurtenissen op de hoogte te stellen. Daarbij moet hij ook melding hebben gemaakt van het feit, dat de overvallers waarschijnlijk per auto waren gekomen. Vervolgens bevrijdde hij zijn lotgenoten en gaf een der luchtbeschermers opdracht toch maar het alarm in werking te stellen. Toen hij daarna voorzichtig de voordeur opende om te zien of de kust veilig was, bleek burgemeester Aeckerlin al met getrokken pistool op het bordes te staan. Op dat moment passeerde er een vrachtauto met
gasgenerator. Aeckerlin, vermoedend dat dit het vervoermiddel van de overvallers was, vuurde vijf schoten af, gelukkig zonder iemand te raken. Later bleek het vervoermiddel toe te behoren aan de Zwijndrechtse houthandelaar N. M. van Drimmelen, die kon aantonen dat hij toevallig voorbij was gekomen. ‛Nadat de burgemeester op de auto geschoten had, gingen wij het raadhuis binnen, terwijl tegelijkertijd een Duits soldaat binnenkwam, die zei, dat op hem geschoten was door mannen, die per rijwiel waren en die zakken bij zich hadden.’ De burgemeester inspecteerde de chaos in de kelder en gaf aan de inmiddels gearriveerde politiecommandant ‒ Voerman had door middel van het alarmapparaat het hele politiecorps gealarmeerd – de opdracht de twee agenten en de luchtbeschermers van elkaar te separeren voor verhoor. Hij belde zelf de Sicherheitspolizei in Rotterdam en de Feldgendarmerie te Dordrecht. Voerman kreeg opdracht de politie-instanties in de omtrek van het voorval op de hoogte te stellen en hen te vragen auto’s aan te houden en te inspecteren. Toen de SiPo en de Feldgendarmerie die avond arriveerden, was men al begonnen met het verhoor van de direct
betrokkenen. De Duitse politie-instanties namen daarop het onderzoek over. Direct werd vastgesteld, dat de overvallers zich in hadden laten sluiten, omdat men boven op zolder sigarettenpeuken vond. Bij het natellen bleken er ook een aantal zakken van de luchtbescherming te missen. Siem den Hollander werd door de burgemeester ontboden om de schade op te maken: ‛In opdracht van den burgemeester heb ik tezamen met den kassier-waardemateriaal en den administrateur van den distributiedienst onder toezicht van twee Duitse onderofficieren een voorlopige inventaris opgemaakt.’ Na die eerste voorlopige inventarisatie is hij nog twee dagen bezig geweest om een volledig overzicht van de geleden schade te maken. Niemand kwam echter op het idee te veronderstellen dat Den Hollander zelf betrokken zou kunnen zijn geweest bij de kraak. De buit was echter, ondanks het verlies van vier zakken, zo omvangrijk, dat de totale opsomming van ontvreemde distributiebescheiden bijna een volledige pagina van het politieblad in beslag nam. Het merendeel van de buit was echter nog niet veilig en wel in huize Jiskoot te Barendrecht
Situatieschetsen van het distributiekantoor ten tijde van de overval. Collectie Kees Popijus.
34 Swindregt Were
Swindregt Were 35
gearriveerd. De terugtocht van de KP-ers verliep chaotisch. Frans kreeg onderweg mankementen aan zijn fiets en begon in een bevroren sloot aan de reparatie. Hij was er nog mee bezig toen er plotseling twee auto’s met schijnwerpers langs kwamen, kennelijk op zoek naar de overvallers. De auto’s haalden ook de anderen in. Gelukkig wisten deze tijdig van de weg te komen en dekking te vinden achter schuren en boerderijen. Johannes liet zijn fiets, met zakken, achter een tuinderswoning staan en kwam te voet dwars door de landerijen en polders naar Barendrecht. Voor de goede richting had hij zich georiënteerd op de Poolster. Daar trof hij Jaan en zijn vrouw Dien in angstige spanning aan. Jan, Frits, Arie en Jaap waren er inmiddels ook al, maar allen zonder buit: die hadden ze ergens moeten achterlaten, omdat ze bang waren met de zakken te worden aangehouden. De enige, die uiteindelijk met zak op de uitvalsbasis arriveerde, was Frans. Hij was over landweggetjes via Heerjansdam naar Barendrecht gekomen. Helaas bleek de inhoud van zijn zak weinig waardevols te bevatten. Maar er miste nog iemand: Rob kwam maar niet opdagen en men begon zich ernstig zorgen te maken, vooral nadat Jan verteld had, dat er op hem geschoten was. Aan de maaltijd bij Jaan bad Jan Wildschut vurig om Robs behouden thuiskomst.
Omstreeks middernacht kwam Herman Harsveld langs, een bevriende politieman uit Poortugaal, om te horen hoe het in Zwijndrecht was gegaan. De aanwezigheid van Herman bracht Johannes op een idee. Jaan had boven nog een politie-uniform hangen en dat kwam nu goed van pas. Johannes trok het aan, tot grote hilariteit van de anderen, want de pijpen waren veel te kort. Samen met Herman ging hij er die nacht op uit om de zakken, die Johannes had moeten achterlaten, op te halen. Dat lukte. Daarna hees Jan Wildschut zich in het uniform en ook hij slaagde erin de door hem achtergelaten zakken in veiligheid te brengen. De volgende dag wisten Hilde Dekker en Jan de resterende zakken op te halen. Wat was er ondertussen met Rob gebeurd? Hij was die avond eerst met de anderen weggefietst, maar was gevallen. Daarbij was zijn fiets defect geraakt. Rob zette zijn kapotte fiets tegen een heg, gooide de zakken met bonkaarten in een tuintje en
36 Swindregt Were
was op de goede gok op zoek gegaan naar het huis van Pieter Berkelaar. Dat lukte niet en dus belde hij tenslotte zo maar ergens aan: gelukkig bleek op dat adres iemand te wonen, die Berkelaar goed kende en die Rob wel naar hem toe wilde brengen. Zo kwam Rob toch nog terecht bij Pieter. Op diens slaapkamer, wel te verstaan, want Pieter was immers ziek. Deze zou later vertellen: ‛Daar komt iemand de trap opstommelen. In het donker. Rob vliegt achter de deur met zijn pistool in de hand, tot schieten gereed. Dikke zweetdruppels op zijn voorhoofd en lijkbleek. Hij verkeerde in letterlijke zin in doodsangst. Maar niettemin vastberaden en kordaat! Hij zegt zijn leven zo duur mogelijk te zullen verkopen. Een zucht van verlichting toen Jeanne, de dochter van Pieter, binnenkwam. Dus zonder gevaar.’ Jeanne trok haar verpleegstersuniform aan om Rob weg te brengen. Het spoor voerde immers naar het huis van Berkelaar en dat zou gevaarlijk kunnen worden als men met honden ging zoeken. Rob zou naar een familielid van Rob, de onderwijzer Klein, die elders in Zwijndrecht woonde gebracht worden. Gezellig babbelend passeerden zij drukdoende Duitsers en bedrijvige agenten en bereikten veilig de woning van de familie Klein*, die voor het feit werd gesteld Rob logies te verschaffen. Ze waren daartoe bereid.
De pistolen van Rob werden met ander bezwarend materiaal ingepakt en in een vijvertje gegooid. Jeanne slaagde er vervolgens in zowel de fiets van Rob als de zak met vijfduizend bonkaarten in een schuurtje bij* Henk de Klerk te verbergen. Een andere zak werd door een Zwijndrechtenaar ⁷ gevonden, die onmiddellijk begreep, dat die vondst te maken moest hebben met de overval. Hij bracht hem bij de leraar Wim van Veelen,⁸ van wie hij wist, dat die connecties had met de illegaliteit. Van Veelen stelde zich in verbinding met Pieter Berkelaar en die zorgde ervoor, dat de twee zakken de volgende dag op een bepaald adres konden worden afgehaald. Die klus werd door Frans en Jaap geklaard. Jeanne was ̓s morgens om vijf uur al naar Barendrecht gefietst* om bij Jaan te vertellen, dat Rob in veiligheid was. Men was echter al van dit heuglijke feit op de hoogte: de opluchting was uiteraard groot.
In Barendrecht werd de buit inmiddels geselecteerd: acht miljoen coupures van verschillende artikelen, waarvan anderhalf miljoen ongestempeld, die waren dus in het hele land bruikbaar, duizenden rantsoenbonnen, fietsbandbonnen, schoenenbonnen, TD ̓s, noodrantsoenen en veertienduizend levensmiddelenkaarten. Wat niet gebruikt kon worden, werd in het fornuis van Jaan verbrand, wat alleen voor Zwijndrecht bruikbaar was, werd weer teruggebracht en door het Zwijndrechtse verzet verder uitgezocht. Alles, wat daarvan niet gebruikt kon worden, werd opgestookt in de kachel van de Muloschool, waaraan Van Veelen verbonden was. Maar het resultaat was overweldigend. Het was zondermeer de meest succesvolle bonnenkraak van de KP-Johannes. Nadat alles geteld en verwerkt was, werd het eindresultaat aan Henk Dienske in Amsterdam doorgegeven en die zorgde ervoor dat een en ander bij Jaan werd opgehaald. * Mondelinge mededeling van Jeanne Berkelaar dd 20-2-1996: Rob werd naar Wolbeek gebracht, niet naar Klein. De schuur was de eigen schuur, haar vader mocht dit niet weten. Niet op de fiets maar per trein en later op de dag ging Jeanne naar Barendrecht naar Jaan.
Eén van de vele kaarten die geroofd werden. Formeel is het DK/425 dit is District Kring 425 te Zwijndrecht. Het kantoor van de DK was gevestigd in het Raadhuis terwijl het uitgifte bureau, de Distributiedienst, gevestigd was in de Emmastraat. Collectie Kees Popijus.
R A A D H U I S Z W IJ N D R E C H T Toelichting behorende bij situatietekening I (zie schets op blz. 34), vervaardigd Febr. 1944 door medewerkers uit Zwijndrecht, in samenwerking met de KP van Johannes Post. 5 KP-ers wandelden op 21 febr. 1944 te plm. 5.00 uur ‘s avonds het raadhuis in door de hoofd ingang (via voordeur-vestibule-hal) naar de achterzijde van het gebouw en via het trappenhuis naar de zakkenzolder van de luchtbeschermingsdienst (LBD) op de 4e etage. Hier verbleven zij tot 8.00 uur ̓s avonds, daalden toen af. 3 KP-ers overvielen de 2 wachtpolities in de typistenkamer bij de telefooncentrale. Twee KP-ers overmeesterden de 2 wachtsmannen van de LBD bij de Centraal Post LBD. Alle overvallenen werden in het vertrek van Centraal Post gebracht. Vervolgens werden nog 2 KP-ers door de deur aan de achter zijde ingelaten. Zij waren in het bezit van de kluissleutel, van de nodige zakken, touw en mondproppen. Na kneveling van de overvallenen werd de kluisdeur geopend en de inhoud van de in rood aangeduide kasten in de meegebrachte suikerzakken gedeponeerd. De buit was overweldigend groot, waarom Frits, tegelijk met de vijf paar schoenen, nog enige zandzakken van de zakkenzolder meebracht. Ter misleiding van de overvallenen deelde hij mede nog om een wagen te zullen telefoneren.
De om 8.15 uur via de achterdeur binnengekomen 2 KP-ers hadden de rijwie1en van hun 5 kameraden en die van hen zelf achter het raadhuis bij de binnenplaats opgesteld. De aftocht had plaats via de achterdeur. Alle werkzaamheden werden binnen een half uur verricht. De situatietekening was goed voor het voorgenomen doel. Nadere verklaring van de op de tekening voorkomende gegevens. a. Sleutel direct terug ‛de Koning’, 8.15 uur, Maandagavond: Er was een valse sleutel van de kluis in Zwijndrecht, welke echter’ nog niet was geprobeerd. We konden geen risico’s nemen, waarom we aan Zwijndrecht om de ‛echte’ sleutel vroegen. Dit kwam voor elkaar. Een ambtenaar van het po1itiebureau (zie rapport 21, BA.I-l Z.H. Zuid, Verzame1staat 28, b1dz. 2 bovenaan) verleende medewerking. Het wachtwoord tussen hem en de Swindregt Were 37
KP was ‛de Koning’. De sleutel is slechts enige minuten in handen van de KP geweest, alleen om de kluis te openen. Direct na opening werd de sleutel weer teruggegeven, verzegeld en opgeborgen op het politiebureau. b. Agenten zullen schieten. Een waarschuwing aan ons adres, welke voor zichzelf spreekt. Wees op Uw hoede. c. Maandagavond 7 uur Holl. 4 man voor transport zorgen, wachtwoord ‛de Koning’ = Op Maandagavond 14 Febr. 1944 hadden Kees en Frans een bespreking met en ten huize van de leider Distributiedienst. Uit het toen gehouden gesprek kwam vast te staan, dat naast de KP nog 4 man nodig zouden zijn voor het transport. Het wachtwoord luidde: ‛de Koning’ Zwijndrecht zegde toe deze 4 man te zullen leveren. Bij de nadere bespreking op 29 Febr. zijn wij van dit plan afgestapt. Wij zouden het zelf doen. d. Zondagavond afspreken P.K. stelsel, 7.30 uur. Op Zondagavond 20 Febr. te 7.30 uur vond de laatste bespreking plaats tussen Johannes en Frans met de heer B. te Zwijndrecht, ten huize van laatstgenoemde, aanvankelijk lag het in ons voornemen ook het P.K.stelsel (bevolkingsregister) mede te nemen, althans te vernietigen. Het betrof 13.000 kartonnen kaarten. Hiervan is afgezien. Het zou teveel risico geven. De levensmiddelenkaarten waren voornamer. e. 10 a 12 laden, 290 laatjes x 50 (persoonskaarten) = 10.000 kaarten+ 3000 (kaarten) boven op V(itrine).
Het bevolkingsregister van Zwijndrecht is op merkwaardige – welhaast unieke – wijze opgeborgen. Er waren 200 kleine laden in elk
waarvan zich 50 kaarten bevonden, vastgehecht met celluloidrand. Dit vastgehecht zijn leverde voor ons een nieuwe moeilijkheid op. Het was ondoenbaar 200 laatjes in een beperkte tijd te ledigen. f. Bij W.C. uitreiking TD. Naast de W.C. werden de Tweede Distributiestamkaarten uitgereikt.
Noten 1. Van de overval op Zwijndrecht zijn – in tegenstelling tot heel wat andere kraken – vrij veel gegevens bewaard gebleven, zodat de loop der gebeurtenissen nauwkeurig en gedetailleerd kan worden beschreven. Direct na afloop vervaardigde Frans de Regt gewoontegetrouw een verslag van de overval (in: ʻGegevens opgetekend door een ambtenaarʼ in 1946). Daarnaast beschikt het archief van de gemeente Zwijndrecht over een uitvoerig proces-verbaal met getuigenverklaringen en fotoʼs, dat door de Zwijndrechtse politie werd opgesteld (kopieën in het Museum ʼ40-ʼ45 Regio Dordrecht te Dordrecht). Verder werd de kraak kort na de oorlog uitgebreid beschreven door iemand, die ondertekent met ʻP.B.Sʼ (= Persoonsbewijs-sectie), Pieter Berkelaar. En tenslotte heeft K. van Loon er in ʻVerzet in en om Dordtʼ (Den Haag/
Algemeen. De cijfers 2, 3 en 4 geven de afstanden in meters aan. Het gehele gebouw is 10 M. breed; de afstand van zwaaideur naar telefooncentrale is 3 m.; de vestibule is 2 m. breed; de afstand van trap naar kluisdeur is 4 m., Alleen waar zich mensen konden bevinden, zijn de afstanden aangegeven. De voor ons van groot belang zijnde zaken zijn in rood aangegeven, t.w. de telefooncentrale, 3 inhoudrijke distributiekasten in de kluis, de stekker voor verlichting in de kluis. Let ook op het luikje in de kluis (bij de voordeur). Dit moesten wij sluiten om uitstraling van licht naar buiten het gebouw te voorkomen. Chaos in de kluis. Collectie Kees Popijus.
Batavia, z.j.), 140vv., nogal wat woorden aan gewijd. Anne de Vries sluit zich daar overwegend bij aan (a.w., 256vv.) 2. Pieter Hendrik Berkelaar werd in 1886 te Delft geboren. Hij was plaatsvervangend hoofd van de luchtbeschermingsdienst (LBD) van Zwijndrecht. 3. Volgens gegevens uit het gemeentearchief van Zwijndrecht is dit Hendrik (Henk) de Klerk geweest, die in 1907 geboren werd te Zwijndrecht en in 1964 in Dordrecht is overleden. Hij was een overbuurman van de hierna te noemen S. A. den Hollander. 4. Simon Arie den Hollander (1894-1973) was kantoorbediende van beroep en tijdelijk leider van de distributiedienst Zwijndrecht. 5. Antonius Nicolaas Voerman werd in 1903 geboren te Tilburg. Hij werd kort na de overval wegens plichtsverzuim door de SiPo gearresteerd en kwam via bureau Haagscheveer in Rotterdam terecht in Vught. Op 19 maart 1945 overleed hij te Politz bij Stettin ʻten gevolge van dysenterie en uitputtingʼ (gegevens uit een brief van het Ned. Rode Kruis aan het Gemeentebestuur van Zwijndrecht, afdeling Bevolking). 6. Dat het geen loos dreigement was, valt op te maken uit een document uit het archief van wijlen ds. Post te Rijnsburg. Het dateert uit mei 1944 en omvat een aantal rapporten over het doen en laten van Zwijndrechtse politiemensen. Bijgevoegd is een briefje ʻVoor Johannesʼ.
Daarin wordt opgemerkt, dat een van de genoemde politiemensen ʻerg gevaarlijk wordt, omdat hij zich ten zeerste beijvert de zaak van uw jongens tot klaarheid te brengen. Wat is uw advies? Moet de man schriftelijk gewaarschuwd worden?ʼ 7. Dit is de heer Teun Schenkel. De zak wordt gevonden net voor het bruggetje bij de vijver aan de Willen van Oranjelaan. Hij brengt de zak naar zijn broer Arie Schenkel in de Prins Bernhardstraat. Later wordt de zak pas bij Van Veelen gebracht. 8. Hij was een neef van de hiervoor genoemde verzetsman M. C. van Veelen uit Leiden.
Bronnen De foto’s zijn genomen na de overval voor het proces-verbaal.
Popijus, H. C., Zwijndrecht van Bezetting tot bevrijding, 1995. Popijus, H. C., Zwijndrecht van Bezetting tot bevrijding, supplement, 2005. drs Hovingh, G. C., Johannes Post; een biografie. Gemeentearchief Zwijndrecht, thans ondergebracht bij Stadsarchief DiEP. Persoonlijk gesprek met Jeanne Renning-Berkelaar.
Ingang van het Raadhuis met links de toegang naar de kelder. Collectie Kees Popijus.
38 Swindregt Were
De ingang tot de kluis. Collectie Kees Popijus. Swindregt Were 39
Jeanne Berkelaar: koerierster Kees Popijus
Voor Jos
Eén der belangrijkste koeriersters is Jeanne Berkelaar. Zij is de dochter van Pieter Berkelaar en Pietertje Schotel. Pieter komt oorspronkelijk uit Hof van Delft; Pietertje komt uit Zwijndrecht. In 1906 wordt Pieter als loteling opgeroepen voor de militaire dienst. Hij meldt zich voor de dienstplicht aan te Nijmegen. In 1908 besluit hij om een verbandakte te tekenen. Dit wil zeggen hij tekent voor zes om te gaan dienen in Nederlands-Indië bij het Nederlands Indisch Leger (NIL), het latere Koninklijk Nederlands Indisch Leger, het KNIL. Dit bevalt hem goed. Hij tekent bij. In 1916 trouwt hij met de handschoen met Pietertje Schotel. Trouwen met de handschoen wil zeggen dat hij in Indië verblijft en zijn vrouw in haar woonplaats, Zwijndrecht. Enige tijd later voegt zij zich bij haar man in Indië. Uit dit huwelijk worden twee kinderen geboren: dochter Jeanne Anne Christine (25-5-1919), roepnaam Sjaantje en
zoon Arie Borghardus Willem (31-12-1917) roepnaam Ad. Beide kinderen worden te Gombong, Nederlands-Indië, geboren waar Pieter op dat moment gelegerd is. In 1929 keert Pieter met zijn gezin terug naar Nederland en gaat in Zwijndrecht wonen. Jeanne gaat in Dordrecht naar de HBS, evenals haar broer Ad. In 1937 behaalt zij haar diploma. Ook haar broer behaalt zijn diploma. Hij besluit om een opleiding te gaan volgen aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda om daar opgeleid te worden tot officier. Met het uitbreken van de oorlog is hij genoodzaakt deze opleiding voortijdig te beëindigen. In mei 1942 moet hij zich op last van de Duitsers melden voor gevangenschap. Hij wordt 28 april 1945 door de Russen bevrijd. Jeanne geniet tot de Tweede Wereldoorlog van een betrekkelijk mooie jeugd. Zij is geïnteresseerd in muziek en geeft in 1934 een uitvoering voor de Bijzonder Vrijwillige Landstorm afdeling Zwijndrecht (BVL afd. Zwijndrecht). Haar vader bekleedt hier een bestuursfunctie. Ook op sportief gebied is zij actief. Zij behaalt haar vaardigheidsdiploma zwemmen. Haar vader is vanaf de opening van het zwembad te
Uittreksel uit het stamboek met, gedeeltelijk, de gegevens van Pieter. Collectie Kees Popijus.
40 Swindregt Were
Zwijndrecht, in 1931, tot 1940 badmeester en geeft aan de Zwijndrechtse Dames Zwemclub zwem- en gymnastiekles. In 1938 wordt zij leerling-verpleegkundige te Dordrecht. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komen er veel veranderingen, ook voor het gezin Berkelaar. Vader is dan plaatsvervangend hoofd Luchtbescherming en bestuurslid van de BVL. Dankzij zijn ervaring als sergeantmajoor bij het NIL is hij al kort na uitbreken van de oorlog betrokken bij het verzet. Pieter wordt omstreeks september 1940 benaderd door overste Rodenburg. Hij is eveneens lid van de BVL. Pieter neemt te Dordrecht contact op met Keesmaat en met Paul Kooijman. Hij richt de Orde Dienst te Zwijndrecht op en heeft later nauw contact met onder andere Bobby Schotel en Jan van Driel i.v.m. spionageactiviteiten. Jeanne gaat ook actief deel nemen in het verzet. Pieter raadt haar aan om niet plaatselijk te gaan werken. Hij is hier al bekend en met haar erbij kan het te gevaarlijk worden. Door de contacten van haar vader komt zij met Paul Kooijman uit Dordrecht in aanraking. Jeanne wordt zijn persoonlijke koerierster. Voor zijn groep gaat zij werken als landelijk koerierster. Zij is verpleegster en in haar uniform is het gemakkelijker om ook buiten Zwijndrecht actief te zijn. Een verpleegster die naar een andere plaats gaat, valt minder op. Zodoende wordt zij een belangrijke schakel voor de groep van Paul.
Na de arrestatie van Beinema (chef LO Dordrecht) heeft zij het verpleegstersuniform afgeschaft. De S.D. kijkt uit naar een vrouw in verpleegstersuniform. Doordat zij veel reist, is het ook mogelijk om informatie door te geven aan Bobby Schotel. Zo is zij tevens zijdelings bij het spionagewerk betrokken. In verband met haar verzetswerk krijgt zij eind 1942, of begin 1943, extra bonkaarten. In 1942 woont de familie Berkelaar in de Juliana van Stolbergstraat, naast de Joodse familie Den Hartog. Als hij het bericht krijgt om zich te melden wordt hem geadviseerd onder te duiken. Hieraan geeft hij geen gehoor. Vader Tobias den Hartog meldt zich vrijwillig met zijn gezin. De avond voorafgaande aan zijn vertrek gaat hij nogmaals op bezoek bij de familie Berkelaar. Hij krijgt van Pieter zijn ransel en veldfles mee. Bij de overval op het raadhuis spelen zij, ieder afzonderlijk, ook een rol. Zie hiervoor: De (voorlopig) laatste kraak van Swindregt Were 41
de KP-Johannes, die van het raadhuis van Zwijn drecht – 21 februari 1944, elders in dit periodiek. Het zijn spannende tijden. Zij mag van haar vader niet werken als koerierster voor de illegale bladen Trouw of het Dagblad. Daar zijn speciale lokale koeriersters voor. Op 8 augustus 1944 gaat het mis. Door verraad van Edith, schuilnaam voor Miep Oranje,¹ wordt zij opgepakt. Als de Duitsers haar komen halen, ̓s avonds omstreeks 23.30 uur, hoort zij de auto ̓s naderen. Bij haar en haar vader rijst de vraag voor wie zij komen. Het blijkt voor haar te zijn. Vader Berkelaar vertrouwde Edith niet en was niet aanwezig bij de gesprekken die Jeanne en Edith hadden bij Jeanne thuis. Jeanne wordt door de Sicherheitsdienst, SD, meegenomen en naar de Heemraadsingel in Rotterdam gebracht. Daar wordt zij hardhandig verhoord en ook met personen geconfronteerd. Zij blijft zwijgen. Op al de aan haar gestelde vragen antwoordt zij ontkennend. Jeanne heeft veel kennis van de OD en LO. Ook over de spionage groep Reinard en de groep van Paul Kooiman weet zij veel. Bob Schotel heeft nog het idee opgevat om haar te bevrijden uit angst dat zij tijdens het verhoor namen zou noemen. Hoelang zij in Rotterdam is gebleven, is onbekend. Vandaar wordt zij naar S.D. lager Scheveningen, het Oranje Hotel, gebracht. Reeds de volgende dag wordt zij naar kamp Vught gebracht.
Enkele weken later, op 5 september, wordt zij overgebracht naar Ravensbrück in Duitsland. Ook hier is haar behandeling, evenals die van de andere gevangenen, zeer slecht. Eind oktober wordt ze overgebracht naar Dachau. Zij wordt daar geregistreerd onder Da 123093. Daar moet zij gaan werken in de Agfafabrieken. Na ongeveer één week meldt zij zich ziek. In Dachau wordt zij uiteindelijk door de Amerikanen bevrijd. Na de bevrijding bevinden zich alleen nog Poolse gevangen en zigeuners in het kamp. Met tien andere Hollandse meisjes uit het kamp begeeft zij zich op 24 mei 1945 per autobus naar huis. Zij heeft een Rode Kruis-pakket waar zij geen gebruik van heeft gemaakt als bagage bij zich. Op de eerste nacht naar huis bevinden zij zich nog in Duitsland. Aldaar wordt overnacht. Eten is er niet, wordt gezegd, hoewel er elders in dat huis wel voedsel aanwezig is. Zij komen in de Franse zone aan en worden daar korte tijd geïnterneerd. Via een pontonbrug
42 Swindregt Were
passeren zij de Rijn en komen in Limburg aan. De thuisreis verloopt niet zonder problemen. Zij worden aangezien voor sympathisanten van de Duitsers. Tijdens een stop van de bus, ergens in Limburg, wordt deze verlaten in verband met een reparatie aan de bus. De plaatselijke bevolking maakt van de gelegenheid gebruik en rooft alle Rode Kruis-pakketten uit de bus. Een fraai welkom terug in Holland, wordt gedacht. Zij komen te Eindhoven aan, waar zij in een hal bij de Philipsfabriek medisch worden onderzocht. De vrouwen worden op verzoek van mevrouw S. Philips-van Lennep gevraagd mee te gaan naar haar woning. Bij Jeanne wordt TB geconstateerd zodat zij niet mee mag. De reden van het verzoek zal de betrokkenheid zijn van echtpaar Philips bij de vrouwen uit het Philips-Kommando uit kamp Vught zijn. Begin juni 1945 is zij weer thuis.² Wonderwel overleeft zij alle ontberingen en pleegt geen verraad. Na haar thuiskomst heeft zij vanwege haar gezondheid en haar verblijf in vooral Dachau, recht op dubbele bonkaarten. Bij het ophalen van deze bescheiden op het distributiekantoor krijgt zij te horen dat de arbeiders die verplicht waren te gaan werken in Duitsland het wel zwaarder gehad hebben dan zij. Zonder in discussie te gaan, gaat zij naar huis; men moest eens weten. Direct na haar terugkeer komen burgemeester Jansen Maneschijn en Paul Kooiman op bezoek.
Paul bedankt haar dat zij geen verraad
De top van het Zwijndrechtse verzet bijeen. Van links naar rechts: P. Berkelaar, J. Hordijk sr., W. van Veelen, burgemeester Jansen Maneschijn, A. Mol, P. van Leeuwen, op de rug gezien H. Schotel, P. Hoogerwerf en een commandant van het SG van Heerjansdam. Collectie Kees Popijus.
bij deze operatie zou optreden.̓ Uit het vervolg van de brief blijkt dat de uniformen niet verstrekt werden, zodat de BVL niet kan deelnemen aan de strijd. Bovenstaande brief wordt overigens vooral geschreven op verzoek van één der BVL-ers om de beschuldiging te weerleggen dat hij zou hebben gesympathiseerd met de Duitsers.
De eerste Dodenherdenking, 26 augustus 1945. De herdenking vond plaats op het oude Stationsplein aan het eind van de Burg. de Bruïnelaan. Links met krans Jeanne Berkelaar. Op de voorgrond, met grote krans, Siem Buitendijk en Piet van Die. Daarachter naast Jeanne Jenny Kijkuit, Syja de Ruiter en Truus Lommers-Bezemer. Collectie Kees Popijus.
heeft gepleegd ondanks de mishandelingen die zij ondergaan heeft. Ook haar broer komt naar huis. Hun vader is gedurende de gehele oorlog actief in het verzet. Opmerkelijk feit is dat de BVL nog aangeboden heeft om in de meidagen van 1940 aan de strijd deel te nemen. Een vijftigtal van hen biedt hulp aan. Hiervan wordt echter geen gebruik gemaakt. Na de oorlog wordt hierop teruggekomen. In een schrijven van de heer P. H. Berkelaar aan burgemeester Jansen Manenschijn, d.d. 30 augustus 1945, staat te lezen: O ̔ p uw verzoek stelde zich op den 10 den mei 1940 een vijftigtal B.V.L.ers ter beschikking om den vijand van uit de Groote Lindt het oprukken naar de grooten verkeersbrug bij Dordrecht, te bemoeilijken c.q. tegen te houden. Het bezwaar van deze operatie stuitte echter op een groote moeilijkheid, nl. het niet aanwezig zijn van militaire uniformen om de vrijwilligers voor deze escapade te kleeden. Om hierin te voorzien zijn op den 10 den Mei 1940 des morgens omstreeks 10 uur de heeren M. Gorter en M. van Bezooyen met een roeiboot van Zwijn drecht naar Dordrecht vertrokken om den Plaatselijk Militairen Commandant te Dordrecht een vijftigtal militaire uniformen te vragen.
(...) Aan deze overtocht, heen en terug, was levensgevaar verbonden, daar de brug reeds door enkele Duitsche parachutisten bezet was, en deze ook de rivier onder vuur namen, van het een en ander ben ik ten volle op de hoogte, daar ik als commandant
Staat van dienst van Jeanne. Collectie Kees Popijus.
Het verblijf in de diverse kampen heeft Jeanne geen goed gedaan. Desondanks besluit ze om op 11 november 1947 dienst te nemen bij het Vrouwen Korps van het KNIL in Nederlands-Indië. Het Nederlandse leger is dan betrokken bij de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs. Nog dezelfde dag vertrekt zij per m.s. Willem Ruys naar Batavia. Daar komt zij op 24 december 1947 aan. Zij gaat werken in met militair hospitaal te Tjimahi. Bij toeval ontmoet zij daar de heer Jos Hordijk die afkomstig is uit de Groote Lindt. Hij dient daar als Oorlogs Vrijwilliger. De heer Hordijk kent zij vanuit haar werk als koerierster. Hij was nauw betrokken bij het verzet. Op 31 mei 1948 wordt Jeanne bevorderd tot korporaal. Wegens buitengewone dienst ijver en loffelijk gedrag wordt zij op 21 november 1949 bevorderd tot sergeant titulair. Op 2 december 1949 vertrekt zij naar Nederland met de ms. ̔ Sibajak’ van rederij Rotterdamsche Lloyd. Toevalligerwijs is dit ook het schip waar Vera Karreman, soms, als hofmeesteres op vaart. Vera is later getrouwd met Bobby Schotel. Het is niet bekend of Vera en Jeanne elkaar op deze overtocht ontmoet hebben. Na aankomst in Nederland, 28 december 1949, krijgt zij eervol ontslag. Haar gezondheid laat te wensen over. De huisarts adviseert haar om naar een warmer land te verhuizen. Zij vestigt zich, met haar Swindregt Were 43
man Frans Rennings, te Spanje en later in Saint Pons te Frankijk. Later keren zij terug naar Nederland en gaan in Steenwijk wonen. Frans is anesthesieverpleegkundige en schildert graag en verdienstelijk met acrylverf naïeve kunst. In Spanje krijgt zij het bericht dat haar een onderscheiding wordt toegekend. De afspraak binnen het verzet was: geen onderscheiding te aanvaarden. Jeanne neemt contact op met Paul Kooiman. Hij geeft haar het advies om de onderscheiding wel te accepteren. ̔Als er een is die het verdient dan ben jij het wel ̓ !! In 1977 wordt door generaal J. Anemaet ³ het Kruis van Federatie van Europese Oud-Strijders uitgereikt. In 1982 ontvangt Jeanne het Verzet herdenkingskruis. Tijdens haar verblijf in Spanje en Frankrijk schrijft Jeanne twee gedichtenbundels: ‘Een zilveren rand’ (1981) ⁴ en ̔ Het zilveren spoor ̓
In de zomer van 1944 duikt ze een week onder bij een oom en tante in Arnhem. In Rotterdam wordt ze vervolgens secretaresse van de afdeling Zuid-Holland van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, waarvan Teus van Vliet de leider is. Zes weken later pakken de Duitsers verspreid door het land tientallen verzetsmensen op. Duidelijk is dat dit een gevolg is van verraad. In verzetskringen komt men tot de conclusie dat óf de drukker óf de secretaresse van de Rotterdamse organisatie de verrader moet zijn. Op 8 augustus 1944 weet LO-leider Van Vliet zeker dat secretaresse Oranje de verraadster is. Die dag ook ontmoet ze haar vader voor het laatst, ze neemt bij die gelegenheid de juwelen van haar overleden moeder mee. In september 1944 gaat ze op voorstel van haar SD-vriend Oelschlägel naar Duitsland, waar ze voor het Duitse Rode Kruis gaat werken. De loonlijst laat zien dat ze daar tot januari 1945 in dienst is, daarna ontbreekt ieder spoor. Bron:wikipedia. 2. Korte toelichting: De geschiedenis van het Philips-Kommando begint in februari 1943 met de beslissing van directeur Frits Philips om op dringend verzoek uit ‘Berlijn’ werk te verschaffen aan gevangenen in Kamp Vught. Hij doet dat na lange aarzeling en stelt aan zijn medewerking voorwaarden, die tot zijn verbazing door de SS-Kampleiding worden geaccepteerd.