Bijlage 3 SwindregtWere 1-2020.pdf
Tekst van het document
Heerjansdam
Hendrik-Ido-Ambacht
Zwijndrecht
uitgave van:
Historisch genootschap hendrik-ido-ambacht en historische vereniging zwijndrecht Jaargang 34 nr. 1, juni 2020
Inhoud Van de redactie
4
Ambachters en de Arbeitseinsatz
5
Vier huizen aan de Schoolsteeg
13
Archeologisch onderzoek Smidshoef
19
Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog
25
De (voorlopig) laatste kraak van de KP-Johannes, die van het raadhuis van Zwijndrecht – 21 februari 1944 –
31
Jeanne Berkelaar: koerierster
40
Colofon
46
J. A. Vliegenthart
Riny Benschop
Nieky Klaus
Bas Los & Wim Tempelaar
Kees Popijus
Kees Popijus
Links boven: Woningkaart van Schoolsteeg 4, na een straatnaamwijziging in 1952 Kerkplein 4. De kaart laat zien dat Piet Lodder hier, met zijn gezin, van 30 mei 1947 tot 20 februari 1957 woonde. Links onder: Detail van een kaart vervaardigd door landmeter Jan Potter in 1584. De pijl geeft bij benadering aan waar Den Brommert (in waarschijnlijk 1777) werd gebouwd. Voorpagina: Posters van Nederlandse Arbeidsdienst, om in eerste instantie vrijwillige en later verplichte werkinzetdienst (Arbeitseinsatz) voor mannen en vrouwen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog te bevorderen.
2 Swindregt Were
Swindregt Were 3
Van de redactie
Ambachters en de Arbeitseinsatz J. A. Vliegenthart
Wij als redactie vinden het heel plezierig om u het voorjaarsnummer van Swindregt Were te presenteren. Eigenlijk is het een soort themanummer geworden. Hoewel dat gebeuren door de omstandigheden van het coronavirus mogelijk minder aandacht krijgt, herdenken wij op korte termijn dat in 1945 grote delen van ons land bevrijd werden. Ook onze regio. Het aantal inwoners dat deze oorlogsjaren en die bevrijding nog bewust heeft meegemaakt, is uiteraard steeds geringer geworden. Om maar niet te spreken over allen die hun verzetsdaad gepleegd hebben, of anderszins wezenlijk van betekenis waren. Velen zijn niet meer in leven! Daarom heeft de redactie het plan opgevat om dit nummer te vullen met artikelen die ouderen en jongeren confronteren met die vreselijke oorlogstijd. Opmerkelijk trouwens (en goed), dat onderzoeken en interviews duidelijk maken dat de jeugd in het algemeen geïnteresseerd is in de Tweede Wereld oorlog, die in feite toch ̔ de ballast’ is van hun (over)grootouders! Verschillende scribenten hebben een diepgaande studie verricht alvorens tot publicatie over te gaan. Er komt in hun bijdragen het een en ander aan de orde waarvan gezegd moet worden dat het beslist geheel onbekend was. Dat geldt zowel voor Zwijndrecht als Hendrik-Ido-Ambacht. Het stimuleert, naar wij hopen, ook nog eens de losse verkoop van ons blad.
En wie eenmaal zo met ons fraai geïllustreerde periodiek kennis heeft gemaakt, overweegt buiten alle twijfel een eigen abonnement. Diverse auteurs confronteren ons met de feiten: hoe ging het allemaal in werkelijkheid? De namen van verzetshelden, personen die in Duitsland te werk gesteld zijn, het dagelijks leven, de zorg om aan voedsel te komen, slachtoffers enzovoorts, dit komt hier allemaal aan de orde. Kijk maar eens naar de inhoudsopgave. Niet alles gaat over de oorlog. Maar we twijfelen er in het geheel niet aan: de opgravingen bij de Smidshoef en de geschiedenis van de nabij gelegen bewoning (vier woningen) aan wat eens de Schoolsteeg was en nu het Ambachtse Kerkplein is, leest u ook graag. Het is trouwens het debuut van onze redacteur Riny Benschop, waarvoor dank en complimenten. Vaak uniek fotomateriaal en de prima lay-out (we krijgen daar opmerkingen over) maken de uitgave van weer een nieuwe Swindregt Were toch tot een beetje vreugdevol gebeuren in deze nare tijd.
Dit jaar herdenken wij dat 75 jaar geleden Nederland bevrijd is van de Duitse overheersing. Vijf jaar onderdrukking, vijf jaar angst, vijf jaar onzekerheid over de dag van morgen. En dan is er ineens weer die vrijheid. Leven en werken zoals het hoort, zonder over je schouder te kijken of je niet in de gaten gehouden wordt. En elk jaar op 4 mei de doden herdenken, miljoenen doden. Aantallen die moeilijk te bevatten zijn. Lijsten met namen worden geproduceerd, monumenten zijn opgericht. Maar wie waren zij nu echt? Kunnen namen ook een gezicht krijgen? Vragen waar wel een antwoord op te vinden is, zolang er mensen zijn die het kunnen navertellen. Die verhalen zijn altijd gekleurd. De officiële documenten die van hen zijn opgemaakt, vertellen een eigen verhaal. Hier staat het verhaal al zwart op wit. Ook van de bijna 70 slachtoffers die met Hendrik-Ido-Ambacht te maken hebben. Ze zijn er geboren, overleden, of woonden aan het begin van de oorlog in het Waaldorp. Een aantal is ingezet in de Duitse oorlogsindustrie als dwangarbeider. Vijftien Ambachters hebben hun leven in een van de werkkampen verloren. Arbeitseinsatz, arbeidsinzet, dwangarbeid, tewerkstelling, werkverruiming. Hoe je het ook noemt, in de praktijk staat het voor hetzelfde feno-
Namens de redactie, René van den Berg
Bevel.
4 Swindregt Were
meen. Werken voor de vijand, en dat zeker niet uit vrije wil. Al voor het uitbreken van de Tweede Wereld oorlog worden Nederlanders in Duitsland tewerk gesteld. De Nederlandse regering is van mening dat werkelozen wel iets tegenover hun werkloosheidsuitkering moeten stellen. In Nederland is men al snel voorzien van arbeidsplaatsen, het is niet voor niets crisistijd. In Duitsland is er voldoende plek voor buitenlandse arbeiders. De Duitse industrie, met name de oorlogsindustrie, kan wel wat mensen gebruiken. De vooroorlogse lichtingen Toch worden de Nederlanders, aanvankelijk, voornamelijk ingezet in de landbouw en veeteelt. Daar komen ze het best tot hun recht. Rond 1938 zijn in de grensstreek al ruim 1800 mannen in Duitse dienst. Dit alles onder het mom van ‛wie niet werkt, zal ook niet eten’ een gezegde dat we later ook nog tegen zullen komen. Niet lang daarna worden ook bouwers en ijzerwerkers gevraagd, en geleverd. Nederland staat in Europa achter Polen en Italië op de derde plaats als het gaat om levering van arbeidskrachten aan het ‛Duizendjarig Rijk’. Werken in Duitsland wordt door het departement van Sociale Zaken gezien als ‛passend werk’. Het leven in Duitsland valt niet mee. De levensomstandigheden zijn verre van acceptabel. Slechte huisvesting, vaak zonder verwarming, bedden die die naam niet eens waard zijn, eten waar een varken nog van in opstand komt.
Daarbij zijn de werkdagen lang, heel lang. Twaalf tot veertien uur is geen uitzondering. Het lijkt in geen enkel opzicht op de situatie thuis. Iets minder comfortabel is ingecalculeerd, maar dit slaat alles. Dus, zoals een goed Hollander betaamt, steekt hij dat niet onder stoelen of banken. Daar worden de Duitsers dan weer niet Swindregt Were 5
blij van. Al snel sturen ze weer 3000 man terug naar huis. Ze zijn te zwak om ingezet te worden, is de reden van ‛ontslag’. Arbeidsinzet na de Duitse inval Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt door onder andere rijkscommissaris SeyssInquart de verplichting tot arbeid in Duitsland ingesteld. Het ‛vrijwillige’ karakter is er af. Het is ook niet vreemd dat de Duitsers arbeiders nodig hebben. Wie miljoenen mannen onttrekt aan het arbeidsproces om als soldaat door het leven te moeten gaan, mist in alle andere takken van sport mankracht. De Nederlandse Arbeidsdienst (NAD) speelt een belangrijke rol bij het aanwijzen van personeel. De Gewestelijke Arbeidsbureaus krijgen de opdracht werkzoekenden aan te leveren om in de Duitse oorlogsindustrie te worden ingezet. Alle door de Duitsers bezette gebieden moeten mankracht leveren. In 1943 beslaat het contingent dwangarbeiders meer dan de helft van het totale aantal arbeiders in Duitsland. En nog is het niet genoeg. Want niet iedereen is enthousiast genoeg om van huis en haard gescheiden te worden. Razzia’s moeten de tekorten op een snellere manier opheffen. Inmiddels telt men in het Duizendjarig Rijk al 1600 kampen; daar vallen niet alleen de werkkampen onder, maar ook alle andere soorten kampen die door de Nazi’s zijn gebouwd.
Ook leegstaande gebouwen, zoals theaters, sport hallen, hotels, landhuizen, boerderijen, etc., worden volgestampt met dwangarbeiders. De Gestapo en de SS worden ingeschakeld bij de levering van kampcommandanten.
Ook in Hendrik-Ido-Ambacht wordt het Arbeitseinsatz-bevel uitgevoerd. Tientallen jonge mannen tussen de 18 en 35 jaar, later verruimd tot 17 en 40 jaar, worden ‛vriendelijk’ verzocht zich te melden om naar Duitsland te worden verhuisd, zeg maar getransporteerd. Aanmelden bij het Gewestelijk Arbeidsbureau in Dordrecht, een keuring ondergaan, opstappen op station Dordrecht, dan naar Amersfoort, Den Bosch of Westerbork en van daaruit richting Duitsland. Van Kiel tot Augsburg worden ze in al lang bestaande werkkampen, de Arbeitslagers, gehuisvest. Grootste klant bij het aanvragen van dwangarbeiders is de ‛Hermann Göring Werke’. Die heeft in heel Duitsland vestigingen. De staalindustrie draait op volle toeren. Massaproductie van wapens en oorlogsmaterieel voert de boventoon. Kiel heeft als marinehaven een cruciale functie als het gaat om scheepsbouw voor de Kriegsmarine. Berlijn, Bochum en Augsburg zijn plaatsen waar de Reichsbahn, de Duitse spoor wegen, de onderdelen vandaan haalt om treinstellen en locomotieven te assembleren. Het Ruhrgebied op zich is één grote fabriek geworden. Juist door de vestigingen van de ‛Hermann Göring Werke’ zijn dorpen uitgegroeid tot steden. Salzgitter is daar een goed voorbeeld van. Zeventig kampen worden daar uit de grond gestampt en rond het dorp gesitueerd. Tijdens de oorlog woonden er tweemaal zoveel dwangarbeiders als inwoners.
En dit is geen uitzondering. De meeste werkkampen zijn dependances van een concentratiekamp. Deze subkampen hebben hetzelfde regime als het ‛Konzentrationslager’, kortweg KZ. Zo vallen de kampen in Salzgitter onder
Razzia in Rotterdam.
Fabriekshal Hermann Göring Werke.
6 Swindregt Were
Een Lager in Kiel.
het KZ Drütte. Ook Auschwitz en Buchenwald hebben een aantal werkkampen in de buurt van de hoofdvestiging. Bij de behandeling door de Duitse bewakers ten aanzien van dwangarbeiders moet nog wel een onderscheid gemaakt worden in de afkomst van het werkvolk. West-Europeanen moeten gelijkgesteld worden met Duitse arbeiders. Oost-Europeanen, zoals Russen en Polen, zijn vogelvrij verklaard. Ook zij behoren tot de ‛Untermenschen’, dus staan ze op de sociale ladder nog lager dan dieren. Als zij bij wijze van spreken maar enigszins op een verkeerde manier uit hun ogen lijken te kijken, krijgen ze er al ongenadig van langs. Hun sterfte cijfer in de kampen is een van de hoogste. Op de begraafplaatsen en erevelden in Duitsland zijn hun grafvelden, qua oppervlakte en bezetting, dan ook het grootst. Als op 6 juni 1944 de geallieerden op de stranden van Normandië landen, is het begin van het einde voor de Duitse overheersing daar. In elf maanden tijd wordt Europa bevrijd. De Amerikaanse en Engelse legers bevrijden tussen de opmars door de kampen die ze tegenkomen. Ze weten ze niet wat ze zien. Uitgemergelde gevangenen en in veel gevallen een in de haast geheel of gedeeltelijk vernietigde administratie, om vooral maar niet te kunnen achterhalen hoeveel mensen er in het kamp aan wezig zijn geweest en wat er met hen gebeurd is. In een aantal gevallen zijn de kampen leeg en verlaten.
De Duitsers hebben de gevangenen verzameld om lopend naar noordelijk gelegen kampen af te voeren. Al snel worden deze ‛dodenmarsen’ ook in de krijgsgevangenkampen op touw gezet.
Na de oorlog worden de kampen langzaam aan volgestopt met ‛foute’ Duitsers. Ze moeten de achtergelaten puinhopen opruimen. Later, als de kampen leeg zijn, worden ze ingezet bij de afbraak. Wat overblijft zijn de verhalen van kampbewoners en een sterk afgeslankt archief, wat het zoeken naar oorlogsslachtoffers er niet makkelijker op maakt. Laten we eens een aantal kampen nader bekijken waar Ambachters hun verplichte arbeid hebben verricht. Kiel In Kiel vinden we onder andere de Ambachtse inwoners Henk van der Vorm, Bas Wilschut en Jan Zijderveld terug in de ‛Flintkamp’, een vestiging die onder kamp ‛Hochbrücke’ valt. Het is een van de ongeveer 100 kampen, die in Kiel zijn gebouwd. De kampleiding is echter bijna menselijk te noemen. De arbeiders mogen vrij rondlopen en krijgen zelfs toestemming om de stad in te gaan. Niet teveel, maar toch. Ze kunnen dingen kopen, tenminste als ze geld hebben, maar wel weer op tijd terug zijn in het kamp. Bezoek is toegestaan. Tot zover het ‛positieve’ gedeelte. Slapen in de barakken is niet meer dan hutje-mutje in een slaapzaal liggen. Naarmate de oorlog vordert, komen steeds meer dwangarbeiders in dezelfde zaal de nacht door brengen. Hygiëne is uitermate slecht. Gelukkig zijn de toiletten in een apart gebouw geplaatst. Maar te weinig voor teveel mensen. Dat vraagt om ziektes. Dysenterie is het meest voorkomend.
Het week menu bestaat uit brood, een blokje dat op boter lijkt en wat worst. Daarbij dagelijks soep, variërend van nudel-, kool-, koolraap-, brood- tot aardappelsoep. Daar smaakt het in elk geval naar. Swindregt Were 7
Bij bombardementen is het toegestaan te schuilen in een schuilkelder in de buurt van het kamp. Tenminste als er plek is. Vergelijken we hun positie met die van de Russen en Polen, dan valt op dat deze in een met prikkeldraad omgeven kamp werden geplaatst, waar zij geen stap buiten de poort mogen en kunnen zetten. Hun weekmenu ziet er nog slechter uit. Voor iedereen geldt echter dat er gewerkt moet worden, en hard. Fysiek en mentaal knap je er niet van op, dat is een ding dat zeker is. Een marinehaven als Kiel is gedoemd om door de geallieerden gebombardeerd te worden. En dat gebeurt. Voor de Kielenaren wordt het tegen het einde van de oorlog bijna dagelijkse kost. Het kamp Flintkamp is wonder boven wonder steeds ontkomen aan de bommenregens. Je zit gewoon elke keer weer voor niks in de schuilkelder. In april 1945 besluiten Henk, Bas en Jan om maar niet de schuilkelder in te gaan als het alarm weer afgaat. Een vierde Ambachter, Siem de Waard, gaat wel. Hij mag na twee uur bommenregen de anderen aan hun kleding identificeren. De drie jongens worden begraven op het Nederlands ereveld op begraafplaats Eichhof in Kiel. Siem de Waard keert na de bevrijding terug naar HendrikIdo-Ambacht. Het jaar daarop verklaart hij tegenover wachtmeester Pauw van de Koninklijke Marechaussee hoe Bas, Henk en Jan aan hun einde zijn gekomen.
Wachtmeester Pauw beoordeelt dat het verhaal klopt, ook al omdat Arie Plomp, een medegevangene uit Zwijndrecht, het verhaal bevestigt. Pauw verklaart de drie jongens officieel overleden. Bremen Bremen heeft in de jaren ’40 tussen de 150 en 200 zogenoemde ‛Gemeinschaftslagers’. Alle grote gebouwen die leeg staan, worden omgebouwd tot Lager. Daarnaast zijn er de barakkenlagers, al dan niet met prikkeldraad omheind. Het is niet moeilijk te raden wie er achter het prikkeldraad gevangen worden gehouden. De inwoners van Bremen krijgen de opdracht vooral geen contact te hebben met de dwang arbeiders. Zelfs antwoord geven op een vraag levert straffen op, voor de Bremenaar dan wel te verstaan.
8 Swindregt Were
De Reichseierkarte.
Stadtplan Bremen met een aantal werkkampen (rode cijfers).
Het werkkamp aan de Wiehenstrasse is de Ambachter Adriaan Goudswaard noodlottig geworden. Hij overlijdt daar aan een bacteriële buikinfectie die sterke vermagering tot gevolg heeft. Hoe het zover komt, is niet verwonderlijk. Hij wordt tewerkgesteld bij het ‛Weser Flugzeugbau Werk’, waar hij als slotenmaker in de smederij zijn werkzaamheden verricht. In dezelfde fabriek wordt ook de Focke Wulf gebouwd. Een van de aan de Vrouwgeleweg neergestorte Engelse vliegtuigen is neergehaald door de piloot van een Focke Wulf. Maar dit terzijde. In het kamp Wiehenstrasse zitten 1900 man van allerlei pluimage vast. Slecht eten, geen verwarming, ratten- en wantsenplagen, erbarmelijk sanitair zijn de leefomstandigheden, waar je mee moet leren omgaan. Maar ondanks dat, wel 100% inzet op het werk graag. Het is velen in Bremen noodlottig geworden. Ook Adriaan Goudswaard. Bochum Bochum is weer een heel ander verhaal. De firma Krupp en de Gebrüder Eickhoff hebben daar hun eigen Lagers. Veel kampen liggen in de onmiddellijke nabijheid van de fabrieken waar dwangarbei-
ders worden tewerkgesteld. Bij de firma Krupp worden onder andere veren voor treinstellen gefabriceerd. Na assemblage moeten de veren ‛omgegooid’ worden, een handigheidje dat door twee man wordt uitgevoerd. Ben je niet goed op elkaar ingespeeld, kan dat ledematen kosten. Ook hier is het hard werken en lange dagen maken. Eenmaal terug in het kamp aan de Baare Strasse, kan het ‛diner’ genuttigd worden. Het voorgeschotelde eten is nog redelijk in vergelijking met andere kampen. De arbeiders krijgen zelfs een ‛Reichseierkarte’, goed voor één ei per week. Een van de hier verblijvende Ambachters, Aart Vliegenthart, bij Krupp tewerkgesteld, heeft zijn kaart niet volledig gebruikt. Zoals de afbeelding hierboven laat zien, kan hij nog acht eieren op zijn kaart krijgen. De oorzaak van het niet volledig gebruiken van deze kaart, is een verhaal apart. De dwangarbeiders kunnen namelijk verlof pasjes aanvragen. Daarmee kun je een avond de stad in. Alleen of met een paar kamp- of dorps genoten. Een mogelijkheid om te vluchten? Niet echt, qua kleding word je er altijd al snel uitgepikt.
Wat wil het geval? De vader van Aart Vliegenthart is sleepbootschipper bij sloperij ‛Holland’ aan de Veersedijk. Hij vaart regelmatig met bakken schroot achter zijn sleepboot naar Duitsland. Aart bezoekt hem als hij in Bochum is, samen met andere Waaldorpers. Nieuwtjes worden uitgewisseld, groeten overgebracht en de zin om te blijven wordt steeds minder, zo die er ooit geweest is. Als op een dag de sleepboot in een van de havens van Duisburg aanmeert, zorgen drie jongens, waaronder Aart, dat ze een verlofpasje hebben. Ze mogen niet de stad uit, maar aangezien Aart een lange jas en een chauffeurspet met embleem draagt, lijkt hij in het donker op een Duitse officier. De verlichting is niet al te best, dus een scherp beeld krijgen de controleurs op het station van Bochum niet. Met wat Duits ‛geblaf’ presteren ze het om in de trein naar Duisburg plaats te nemen. In Duisburg is het weer even ‛blaffen’ en niets wordt hen in de weg gelegd om naar de haven te gaan waar de sleper ligt. Ze klimmen aan boord en in een mum van tijd vertrekt men richting Nederland. Het enige wat nu nog fout kan gaan is de grenscontrole. De jongens kruipen in loze ruimtes in het voorsteven van de bakken. Na een vluchtige controle door de Duitse douane, krijgt de schipper toestemming zijn reis voort te zetten en vaart men ongestoord naar Hendrik-Ido-Ambacht. Daar duiken de jongens onder.
Na de bevrijding begint voor hen een nieuw leven. Bij de Gebrüder Eickhof is de Ambachter Aart de Lijster ondergebracht in een van de ‛eigen’ Lagers aan de Wasserstrasse. Ook bij het Lager aan de Wasserstrasse zijn de leefomstandigheden gelijk aan die in andere Duitse kampen. Hygiëne staat niet in het woordenboek, het eten is abominabel en ‛Allgemeiner Körperschwäche” staat in de meeste overlijdenspapieren als doodsoorzaak vermeld. Gek genoeg is er in de Duitse archieven niets te vinden over de dwangarbeiders die de Arbeits
Doodsoorzaak Overlijdensakte. Swindregt Were 9
einsatz hebben overleefd. Met ‛Deutsche Gründlich keit’ zijn de administraties van de kampen vernietigd. Of er is een openbaarheidstermijn aan gekoppeld die nog lang niet verstreken is. Over Aart de Lijster (en ook over Aart Vliegenthart) staat in welk stuk dan ook, niets vermeld. Wat wel bekend is, is dat Aart de Lijst zijn verblijf daar heeft overleefd, maar dermate verzwakt naar huis is gekomen, dat hij niet meer bestand blijkt tegen de in Ambacht uitgebroken dysenterie. Binnen de kortste keren is hij besmet. Twee weken ‛vrijheid’ kosten hem in het ziekenhuis in Dordrecht het leven. Aart Vliegenthart trouwt in 1950 in Hendrik-Ido-Ambacht en overlijdt in 1997. Het zijn twee Ambachters die hun verblijf in Duitsland hebben overleefd. Voor de een begint een nieuw leven, voor de ander zijn de gevolgen van zijn verblijf in Duitsland fataal. Lahde In Lahde, in de buurt van Petershagen, heeft men een zogenoemd ‛Arbeitserziehungslager’ (AEL) gebouwd. Het is een soort opvoedingskamp waar naast werken een dusdanig zwaar Gestapo-regime wordt toegepast, dat je vanzelf wel in het gareel blijft lopen. Adrianus Maaskant, zoon van de bakker uit de Dorpstraat, is hier terecht gekomen na een mislukte ontsnappingspoging uit zijn vorige werkomgeving, een bakkerij in Neuss. Hij was in Neuss de bombardementen zat en doet een poging om naar huis te komen.
Onderweg wordt hij opgepakt en rijp bevonden om heropgevoed te worden. In het AEL Lahde.
Maquette AEL Lahde.
10 Swindregt Were
In het kamp zijn vier houten woonbarakken waar ongeveer 200 man per barak in gehuisvest kunnen worden. Een simpele rekensom geeft een totaal capaciteit van maximaal 800 man aan. Meestal zijn er 900 tot 1000 man opgesloten. Er is een aparte sanitaire ruimte, die die naam eigenlijk niet mag dragen. Ook de voedselbarak onderscheidt zich niet in positieve zin. Op de appelplaats staan ook twee galgen. Die worden regelmatig gebruikt. De bunker heeft een aantal isoleercellen, die ook in gebruik zijn als ‛dodencel’. Links naast de bunker staat de ‛Leichenkarre’, een vertaling is overbodig. Het wordt eentonig, maar de voedselkwaliteit is ook hier ronduit slecht, zeer slecht. Als strafmaat regel bij ‛ongewenst gedrag’ wordt in ieder geval het voedselrantsoen geminimaliseerd of tot nul teruggebracht. Blijkt je arbeidsethos weer op peil, dan komt het voedsel ook weer op tafel. Adrie Maaskant is ook niet bestand tegen de leefomstandigheden. Buikloop is het gevolg. Hij blijkt daarin niet de enige. Alleen heeft hij het met zijn leven moeten bekopen. Saillant detail: Adrie wordt begraven op het Ostarbeiterfriedhof in Bierde, een naburig dorp. Deze begraafplaats is speciaal aangelegd, omdat het lokale kerkhof te weinig ruimte meer heeft om alle doden uit het Lager te kunnen begraven.
De nieuwe begraafplaats is in eerste instantie bedoeld voor de Oost-Europeanen die in de diverse Lagers over lijden. Aangezien er steeds meer West-Europeanen overlijden, worden die ook op het Ostarbeiter Friedhof begraven. Bijna driehonderd dwangarbeiders liggen op deze plek begraven. In enkele graven of in massagraven. Uit diverse documenten blijkt dat het graf van Adrie Maaskant op de eerste rij te vinden is en het nummer 108 OF 109 heeft. Men is daar niet zeker van. Grafstenen staan er niet op de begraafplaats. Alleen een monument. Lüttringhausen Het Zuchthaus Lüttringhausen is tussen 1902 en 1906 gebouwd. Oorspronkelijk als gevangenis bedoeld, wordt het in oorlogstijd een tuchthuis, waar ongeveer 1000 gevangenen worden opgesloten. Zij zitten hun straf uit wegens daden tegen het Nationaal-Socialisme. Onder de 30 Nederlanders
bevindt zich ook een geboren Ambachter, Pieter Goudswaard. Hij heeft levenslang gekregen wegens medewerking aan de illegale pers, met name aan ‛Vrij Nederland’. Zijn dwangarbeid in Lüttringhausen bestaat uit het naaien van papieren damestassen. Dat gebeurt in het tuchthuis zelf. Hij is bestempeld als te gevaarlijk om naar buiten gestuurd te worden. Maar buiten moet onder andere handmatig de Autobahn Leverkusen-Wuppertal worden aangelegd. Dat kost veel dwangarbeiders het leven. Wie in Lüttringhausen terechtkomt, krijgt een plaats in een hel op aarde. Het tuchthuis ligt op een hoogte van ruim zeshonderd meter, waardoor de
Zuchthaus Lüttringhausen.
temperatuur in de nacht nog wel eens tot min tien graden Celsius kan dalen. Slapen wordt dan toch een probleem. De bewakers hebben geen mede dogen. Zij zorgen er wel voor dat ’s morgens om vijf uur iedereen weer ‛fris en fruitig’ zijn vriescel uit komt om weer aan het werk te gaan. De verzorging is minderwaardig, er zijn harde arbeidsomstandigheden, slechte medische verzorging, niet verwarmde cellen en wrede disciplinaire straffen. Bezoek is niet welkom. Dagelijkse verhoren eindigen steevast in martelsessies. Acteer je niet naar behoren, dan wordt een sessie met de gummiknuppel ingepland. Dan valt de straf nog wel mee, bij ‛ernstiger’ vergrijpen volgt overplaatsing. Mogelijkheden zijn er genoeg: Auschwitz, Buchenwald, Dachau en Flossenbürg. Het eten bestaat uit een snee brood van inferieure kwaliteit en een bak soep waar knolraap, kool en wortel in verwerkt schijnt te zijn. In het weekend is het menu uitgebreid met een lepeltje jam, een blokje kaas en een blokje boter. Bij ziekte wordt direct het voedselrantsoen teruggebracht. Ook hier geldt: ‛Wie niet werkt,………’.
Door een bedrijfsongevalletje heeft Pieter Goudswaard een aantal weken niet kunnen werken. Zijn vinger was ‛bewerkt’ door de naaimachine en dat leverde problemen op. Nu was zijn gezondheid ook niet je van het, dus door de vermindering van zijn voedselrantsoen ging hij alleen maar sneller achteruit qua gezondheid. 51 kilo wegen als je bijna 1.90 m lang bent, is niet veel, zeg maar gerust veel te weinig. Hij loopt tot overmaat van ramp ook nog een longtuberculose op. De behandelend arts geeft in zijn diagnose aan dat Pieter niet lang meer zal leven. De familie, met name zijn moeder en zijn verloofde mogen, als ze tenminste een reisdocument kunnen bemachtigen, bij uitzondering een bezoek brengen aan Pieter. Nog voor ze een document in hun bezit hebben, overlijdt Pieter in de zieken afdeling van het Zuchthaus. In een brief aan de familie, ‛Ik heb de treurige plicht…….’ worden door de directeur condoleances aangeboden. Mocht men meer willen weten, dan dient men contact op te nemen met gevangeniskapelaan dr. Krönig, die de laatste momenten bij Pieter is geweest. Hij zal begraven worden op de Evangelische begraafplaats in Remscheid. Pieter is later overgebracht naar Ridderkerk en daar herbegraven. Het Zuchthaus Lüttringhausen bestaat nog steeds als Justizvollzuganstalt Remscheid. Een mond vol voor een strafgevangenis. Het archief van het Zuchthaus is daarom ook bewaard gebleven.
Van de gevangenen is een persoonlijk dossier aangelegd. Het dossier van bijvoorbeeld Pieter Goudswaard beslaat 250 pagina’s. Het is alleen jammer, dat de correspondentie tussen Pieter en het thuisfront niet volledig is. Bij het archiveren zijn de brieven nog wel eens bij de verkeerde gevangene ondergebracht. Dat heeft de broer van Pieter ook ondervonden toen hij het dossier opgevraagd heeft. Brieven zijn verdwenen en brieven van andere gevangenen zijn toegevoegd. Het is niet meer recht getrokken. De speld en de hooiberg worden als reden opgegeven. Tot slot Zomaar een aantal verhalen over een paar Ambachters, die wegens de Arbeitseinsatz een tijd in Duitse werkkampen hebben doorgebracht. Met alle ontberingen die daar bij hoorden. De een overleeft, de ander niet. Swindregt Were 11
Vier huizen aan de Schoolsteeg Riny Benschop
Ereveld Friedhof Stoffeln, Düsseldorf.
De trieste conclusie die na de oorlog getrokken kan worden, is dat vijftien Ambachters als gevolg van deze Arbeitseinsatz in Duitsland zijn overleden. In eerste instantie worden zij begraven op begraafplaatsen in de directe nabijheid van de kampen. Er zijn kampen die een eigen begraafplaats hebben, al dan niet op het kampterrein. Hebben ze dat niet, dan wordt begraven op de lokale begraafplaats. Zijn er teveel doden te betreuren, dan worden speciale begraafplaatsen aangelegd. In massagraven worden de doden begraven, soms krijgen ze een eigen graf. Dan moet wel de naam van de overledene bekend zijn. In de jaren vijftig sticht de Oorlogs
gravenstichting Erevelden. Daar worden Nederlanders herbegraven, die als oorlogsslachtoffer aangemerkt worden. Zij krijgen allemaal dezelfde grafsteen, waardoor het onderscheid met de rest van de begraafplaats duidelijk is. Het merendeel van de Ambachtse oorlogsslachtoffers ligt op een van deze Erevelden. Twee van hen zijn overgebracht naar Nederland en in hun woonplaats herbegraven, de een op de Waalhof in Ambacht, de ander op de Rusthof in Ridderkerk. Van twee jongens is het graf niet bekend, ook de administratie van een Friedhof kan niet altijd op orde zijn.
Bronnen Gudrun Pischke: Europa arbeitet bei den Reichswerken. B. A. Sijes: De arbeidsinzet. L. de Jong: Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ITS Arolsen: The Camp-System. Lopatto e.a.: Eine Spur van mir. Waltraud Jachnow: Und die Erinnerung tragen wir im Herzen. Diverse Nederlandse en Duitse archieven.
Foto’s zijn afkomstig van NIOD. Wikipedia.
Dit huis staat op een idyllisch plekje, maar waar? Stel dat ik dit plaatje kreeg toegestuurd als ansichtkaart met de tekst Groeten uit Giethoorn, dan had ik geen moment aan deze plaatsaanduiding getwijfeld. Eveneens zou ik zonder aarzelen instem men met degene die van mening was dat het hier om een griendwerkershuisje in de Biesbosch ging. Een bijschrift daarentegen dat het houdt op een arbeiderswoning in Ambacht maakt mij op slag tot ongelovige. Ik vertrouw het niet. Ik herken de plek niet. Volgens mij klopt het niet. Maar ja, Corrie Lodder zegt dat het waar is. Natuurlijk is het een huis in Ambacht. En zij kan het weten; ze heeft er gewoond. Ik kom er al snel achter dat het beeld iets verborgen houdt en wel − om precies te zijn − drie andere huizen. Het afgebeelde huis maakt deel uit van een rijtje van vier. Valt er misschien nog meer te ontdekken? Wat is er bekend van de bouw- en Zicht op een arbeiderswoning, gezien vanaf de achterzijde van de pastorie, richting de Waal; circa 1940. (Beeldbank Historisch Genootschap).
bewoningsgeschiedenis van deze huizen? Tot mijn verrassing leert een eerste verkenning dat het rijtje van vier al voorkomt op de oudste kadastrale kaart van 1827. Dat is een mooi startpunt voor een klein onderzoek. Een rampzalig begin Omstreeks 1800 woont aan de Dorpsstraat het gezin Labrijn. De vader, Pieter Labrijn,¹ is timmerman. Hij overlijdt in 1812 en wordt opgevolgd door zijn zoon Aart. Een andere zoon, Gijsbert, is aanvan kelijk ook werkzaam in de zaak, maar specialiseert zich later tot wagenmaker. Op 11 juni 1825 – Gijsbert is dan dertig jaar – trouwt hij met Jannetje van ’t Zelfde. Het pasgetrouwde stel is dan nog op zoek naar een geschikte woon- en bedrijfsruimte. Op 5 april 1826 is het eindelijk zover: met de hulp van (schoon)vader Leendert van ’t Zelfde gaan ze over tot de aankoop van een vlasboerderij, bestaande uit een woonhuis, schuur, zwingelkeet, drooghut, arbeidershuis, erf en boomgaard. Het complex grenst ten oosten aan de Waal, ten westen aan de school, ten zuiden de vlasboerderij van Huig Leeuwenburg en ten noorden het land van Herman van Wingerden. Ze betrekken hun woning en Gijsbert start zijn wagenmakerij.² Situatieschets van het gebied rond de Schoolsteeg, gebaseerd op de oudste kadastrale kaart van 1827. A – kerk. B – pastorie. C – boerderij van Leeuwenburg. D – school. E – wagenmakerij Labrijn. F – rijtje van vier huizen.
(met dank aan Henk Schreuders).
SPD-net. Collectie A. Vliegenthart. Sterbeurkunde Salzgitter. Collectie J. A. Vliegenthart/Stadtarchiv Petershagen. JVA-Remscheid.
12 Swindregt Were
Swindregt Were 13
Nog datzelfde jaar worden Gijsbert en Jannetje opgeschrikt door een uitslaande brand bij buurman Huig Leeuwenburg. Het is woensdagavond 23 augustus 1826, een uur of zeven. De brandweer kan niet verhinderen dat het vuur overslaat naar het pand van de familie Labrijn. Woonhuis en schuur gaan in vlammen op. Er vallen geen slachtoffers. Dat het niet om zomaar een brandje gaat, blijkt wel uit het feit dat een peloton pontonniers in ijltempo uit Dordrecht naar Ambacht marcheert om assistentie te verlenen. Het hele dorp is in rep en roer. Ook de school raakt beschadigd. De kerk en pastorie blijven gespaard dankzij een zuidenwind die de vuurzee richting Labrijn jaagt.³ De wagenmaker en zijn vrouw kunnen opnieuw beginnen. En dat gaat snel. De kadastrale kaart van 1827, opgesteld door landmeter K. E. Machen, laat de nieuwe situatie zien.⁴ Er staat een flink pand getekend dat het woonhuis en bedrijf moet voorstellen en even verderop springt een rijtje van vier kleine huizen in het oog dat het ene arbeidershuisje van voor de brand vervangt. Een zwingelkeet en een drooghut, die genoemd worden in de koopakte van 5 april, zijn nergens meer te bekennen. In de as gelegd en gesloopt? Labrijn heeft ze in elk geval niet nodig. Hij is tenslotte geen vlasboer. Hij gaat bij de herbouw uit van zijn eigen wensenlijstje. En daarop staan vier arbeiderswoningen.
De vraag is natuurlijk wat een wagenmaker met vier extra huizen moet. Hij kan ze bestemmen voor huisvesting van eigen personeel, maar dat is – zoals hierna zal blijken – geen praktijk. Duidelijk wordt dat hij met de bouw inspeelt op de behoefte aan woonruimte van vlas- en landarbeiders die werkzaam zijn bij boeren in de directe omgeving. De verhuur van deze huizen levert extra inkomsten op. Geld dat hij goed kan gebruiken na de geleden brandschade. En dus start hij naast zijn wagenmakerij een verhuurbedrijf. 1827-1874 Omstreeks 1840 huren Pieter Lodder en Maaike Alderliefste één van de vier huizen. Pieter is vlas arbeider. Ze zijn in 1833 getrouwd. In de periode tot 1845 worden acht kinderen geboren van wie er zes al snel overlijden. De zevende, een dochter, Pietertje, is zeven jaar als ze sterft. Alleen zoon Hendrik
14 Swindregt Were
bereikt de volwassen leeftijd. Het is een extreem voorbeeld van de hoge kindersterfte in die tijd. Gijsbert Labrijn is in die tijd een weduwnaar met vier kinderen. Zijn vrouw is overleden in 1837. De wagenmakerij neemt hem in beslag. Er zijn karren en wagens in soorten en maten, maar het draait toch altijd weer om nauwgezet handwerk. Vooral het fabriceren van de wielen is een arbeidsintensieve klus. Een vakman heeft voor het maken van een complete boerenwagen gemiddeld 36 werkdagen nodig. Daarbij is dan de assistentie van knechten niet meegerekend en evenmin het smeedwerk dat aan een smid wordt uitbesteed.⁵
Een boerenkar van een type dat ook door wagenmaker Boudewijn van der Schee werd gemaakt. Links de stoep naar de Oostendam. Rechts op de achtergrond de woning en werkplaats van schilder Gijs van Kooten; circa 1900. (Beeldbank Historisch Genootschap).
De knechten die Labrijn in dienst neemt, krijgen van hem kost en inwoning. De meesten vertrekken weer na een jaar, maar iemand als Boudewijn van der Schee, afkomstig uit Poortugaal, werkt jarenlang mee in het bedrijf. Nadat zijn kinderen het huis uit zijn gegaan – zoon Pieter vertrekt als laatste in 1858 – blijft Gijsbert achter met de inwonende knechten en een dienstbode. Later gaat hij kleiner wonen, maar wel in zijn eigen huis. Op een dag in 1872 klopt namelijk de burgemeester, Cornelis van Aken, bij hem aan met
de vraag of hij een paar kamers kan huren. In het dorp is geen geschikte burgemeesterswoning voorhanden. Het huis van Labrijn staat op een mooie plek aan de Waal. Van Aken en zijn vrouw zouden hier graag hun intrek nemen. En zo gebeurt het.⁶ Het is 1874. De zomer loopt op zijn eind. De vier huizen worden nog altijd door Labrijn verhuurd. In het ene huis wonen Arie Kamerling en Cornelia de Jong met hun vier kinderen. Arie is vlasarbeider. Het andere biedt onderdak aan Bastiaan Goudswaard, Johanna van Wingerden en hun zes kinderen. Bastiaan is bouwknecht. De huurders van het derde huis zijn Arie van der Linden en Pieternella Klootwijk. Zij hebben drie kinderen. Ook Arie is bouwknecht. Het vierde huis staat leeg. Dat heeft de huisbaas voor zichzelf gereserveerd. Daar trekt Gijsbert Labrijn zich op het laatst van zijn leven in terug en daar overlijdt hij op 6 oktober 1874. 1875-1950 Boudewijn van der Schee, de voormalige knecht van Labrijn, schrijft op 17 maart 1875 in een brief aan zijn vader Laurens van der Schee: ‘Voorts vermeld ik u nog dat het huis met tuin enz. van G. Labrijn ons eigendom wordt, hoe en op wat wijze is te breedvoerig te schrijven, hiervan mondeling hopen wij’.⁷ Het was blijkbaar een ingewikkelde zaak. Zicht op de details ontbreekt, maar de bewaard gebleven koopakten maken veel duidelijk. Wagenmaker Labrijn heeft geen opvolger.
De erfgenamen besluiten zijn bezittingen te verkopen. Het onroerend goed bieden zij in twee percelen van gelijke grootte aan. Perceel 1 de woon- en bedrijfsruimte van Labrijn met de helft van de grond; perceel 2 de vier woningen met de andere helft van de grond. Op 23 december 1874 koopt Dirk Prast, smid, het eerste perceel. Bastiaan Nugteren, eigenaar van boerderij Overkerk, koopt het andere perceel. De prijzen ontlopen elkaar niet veel, respectievelijk ƒ 2125 om ƒ 2025.⁸ Ruim een jaar later, op 5 mei 1876, verkoopt Dirk Prast zijn perceel aan Boudewijn van der Schee voor precies hetzelfde bedrag dat hij ervoor betaald heeft: 2125 gulden.⁹ Vanwaar dit een-tweetje tussen Prast en Van der Schee, want zo kun je het wel noemen,
Kijkje in de Schoolsteeg, met links de pastorie en op de achtergrond, half verborgen, de woning van Boudewijn van der Schee; circa 1910. (Beeldbank Historisch Genootschap).
gelet op de datering van bovengenoemde brief? De overwegingen blijven duister. Wat wel duidelijk is dat er tussen beide heren een band bestaat. Bij het huwelijk van Boudewijn van der Schee en Jannigje Riedijk op 26 januari 1871 treden zowel Dirk Prast als zijn zoon Tieleman Prast in de hoedanigheid van oom en neef van de bruid op als getuigen. Bastiaan Nugteren is de nieuwe eigenaar van de vier huizen. Hij zal de aankoop als een nuttige investering beschouwd hebben. Hij kan zijn personeel onderdak aanbieden en daarnaast de panden als het zo uitkomt aan derden verhuren. Vlasarbeiders en bouwknechten zijn onder de huurders nog altijd sterk vertegenwoordigd, maar ook zien we in deze periode een melkslijter, ijzerwerker en nachtwaker verschijnen. Op het eind van de negentiende eeuw woont het gezin van Zeger Provilij en Aafje Stolk in een van de huizen.¹⁰ Ze nemen een opvallend besluit en verhuizen van het beschutte hoekje aan de Waal naar Amsterdam. Eerst gaat zoon Adrianus, 22 jaar, in 1894 er zijn geluk beproeven; blijkbaar zijn de ervaringen gunstig, want een jaar later volgt zijn broer Cornelis. En weer een jaar later maken de ouders met nog eens drie kinderen dezelfde sprong. De werkgelegenheid in de grote steden en de gunstige lonen daar maken het voor landarbeiders aanlokkelijk om te gaan werken in de industrie.
Tot 1928 werden de huizen aangeduid met een voortdurend veranderend wijknummer. Met ingang van dit jaar wordt de combinatie straatnaam Swindregt Were 15
Deze luchtfoto geeft een mooi overzicht van de bebouwing rondom de kerk. Ook het rijtje van vier huizen is duidelijk herkenbaar; circa 1950. (Beeldbank Historisch Genootschap).
plus nummer ingevoerd. Ze staan vanaf nu geregistreerd als Schoolsteeg 4, 5, 6 en 7. Henk Nugteren is inmiddels boer op Overkerk. Op een keer moet hij woonruimte regelen voor Piet Bakker, een nieuwe aangenomen knecht. Het probleem is dat alle vier de huizen zijn verhuurd. Hij bedenkt een creatieve oplossing: er wordt een woonboot aangekocht die vanaf de rivier via de Oostendamse sluis wordt aangevoerd en een ligplaats krijgt in de gracht bij de school. Tot tevredenheid van Bakker die er jarenlang zal wonen.¹¹ ‛Rijp voor de sloop’ In 1952 besluit de gemeenteraad de naam Schoolsteeg te wijzigen in Kerkplein; aan de nummering verandert niets.¹² De huizen staan na ruim een eeuw een stuk minder strak in de rij. Het is duidelijk dat ze steeds meer moeite hebben overeind te blijven. Gemeentewerken laat in 1956 en 1957 inspecties uitvoeren. Hoekwoning nummer 4 is met een woonoppervlak van 47 vierkante meter de meest ‘luxe’ van de vier. Een erf, een grote tuin en een eigen wc – waarvan het riool uitmondt in de gracht – zorgen voor extra wooncomfort. De twee tussenwoningen moeten het met 30 vierkante meter stellen en het achterste hoekpand meet 43 vierkante meter. De bewoners van deze drie huizen hebben geen grond tot hun beschikking en moeten voor een toiletbezoek de deur uit, een kleine wandeling naar het
16 Swindregt Were
houten huisje even verderop dat een privaat voor gemeenschappelijk gebruik blijkt te zijn. De huizen delen tal van gebreken. Ze zijn te klein en te vochtig. Het houtwerk is vermolmd. De staat waarin de balken verkeren, zorgt voor een gevaarlijke toestand. De muren vertonen scheuren en ogen wankel. Hier is geen redden meer aan. De conclusie in de inspectierapporten luidt dan ook
Plattegrond van de begane grond van een van de vier huizen en wel Kerkplein 4 (voorheen Schoolsteeg 4), waar de familie Lodder van 1947 tot 1957 woonde; 1956. (RAD, toegang 1036, inv.nr. 3788).
dat het technisch en economisch onverantwoord is ze weer in een redelijk goede staat te brengen. Ze worden onbewoonbaar verklaard.¹³ De eigenaar, Henk Nugteren, verkoopt zijn bouwvallig bezit en bijbehorende grond aan Bram Booi, die zich in 1950 in de wagenmakerij van Van der Schee heeft gevestigd en daar een carrosseriebedrijf is gestart. Booi kan de grond goed gebruiken om zijn bedrijf verder uit te breiden. Voorwaarde is wel dat de huizen gesloopt worden. De huurders vertrekken. Tot hen behoort de familie Lodder: vader Piet Lodder die werkzaam is bij Henk Nugteren, moeder Antje Kanters en de kinderen Henk, Corrie en Dam. Het gezin woonde van 1944 tot 1947 op nummer 7, het achterste hoekhuis, en verhuisde vervolgens naar nummer 4, het huis dat op de foto is te zien en dat herinnerd wordt als klein maar knus. Men ging altijd naar binnen via de keukendeur, langs het kolenhok, dat binnen stond. De drie kinderen sliepen op zolder. Beneden waren drie bedsteden, een keuken, een kamer en voorkamer (de ‘nette’ kamer, zoals destijds veel huizen er een hadden en
De familie Lodder omstreeks 1947, met van links naar rechts: Corrie, moeder Antje Kanters, Henk, Dam en vader Piet Lodder. (Particuliere collectie).
die op doordeweekse dagen verboden terrein was voor de kinderen). Ze wonen er tien jaar. Dan trekken ze de deur achter zich dicht.¹⁴ In 2019, ruim 60 jaar later, kreeg Corrie Lodder een foto van het verdwenen huis van haar kinder jaren onder ogen. Over deze ontdekking schreef haar man, Joop Tessers, het volgende gedicht.
Het ouderlijk huis Het ouderlijk huis waar zij woonden als kind, en waar broer en zus soms over spraken. Als iemand daarvan een oude foto vindt, dan blijkt je dat toch wel te raken.
Daar tussen de Dorpsstraat en ’t riviertje de Waal, dat nog vrolijk langs het dorp meandert, verdwenen die huisjes van toen allemaal en is heel dat uitzicht veranderd.
Een schoolkennis zocht iets in het dorpsarchief en zag toen dat huis aan het water. Ze had het herkend en dat schreef ze, per brief. Toch apart, meer dan zestig jaar later.
Broer en zus wilden beiden die foto wel zien. Zij heeft hem tenslotte bemachtigd. Voor hem maakte zij ook nog een kopie, nadien, ’t was allemaal niet te omslachtig.
Puur toeval dat zij toen die ansichtkaart vond, bij bezoek aan ’t Historisch Genootschap. Broer en zus wisten niet dat die foto bestond, dus was het een prettige boodschap.
Wie kijkt af en toe niet graag terug naar die tijd, naar een beeld uit een ver verleden? Zo ook broer en zus al zijn ze veel kwijt, maar dit delen ze saam in het heden. Joop Tessers Swindregt Were 17
Noten
1. Voor de stamreeks Labrijn zie J.A. van der Giessen en L.M. van der Hoeven, Steeën in ’t Ambacht (Den Haag, 2007) p. 184-186. Voor het woonhuis zie p. 213-214. 2. Regionaal Archief Dordrecht, toegang 20, inv.nr. 1491, akte 2819. Zie ook: Steeën in ’t Ambacht, p. 183. 3. Verslag in de Dordrechtsche Courant van 26-8-1826. RAD, toegang 569, inv.nr. 32. 4. De kadastrale kaart en de bijbehorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel zijn te raadplegen via de beeldbank van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl. 5. Informatie ontleend aan https://www.zeeuwseankers.nl/verhaal/wagenmakerij. 6. De nummers van de huizen veranderen voortdurend. Vanaf juli 1856 tot oktober 1890 staan ze geregistreerd onder nummer A53. De wagenmakerij had in deze periode nummer A54. Aan de hand van de nummers was het mogelijk in de bevolkingsregisters en in de registers van de Burgerlijke Stand gegevens te verzamelen over bewoners. Zie RAD, toegang 1027. 7. Geciteerd in Nieuwsbrief 27 van de Oudheidkamer Rhoon en Poortugaal: Arie Beukelman, De Wagenmaker. De huidige verblijfplaats van de brief is onbekend. 8. RAD, toegang 20, inv.nr. 2036, akte 355. 9. RAD, toegang 505, inv.nr. 102, akte 28-29. 10. RAD, toegang 1027, inv.nr. 28, folio 147. 11. Mondelinge mededeling d.d. 21-1-2020 door dhr. J. Nugteren. 12. RAD, toegang 1036, inv.nr. 16, 12-12-1952. 13.
RAD, toegang 1036, inv.nr. 3788, Kerkplein 4, 5, 6 en 7. 14. RAD, toegang 1027, inv.nrs. 1011 en 1012 (hierin woningkaarten van afgebroken woningen). Beschrijving van het interieur in een schriftelijke toelichting van Joop Tessers d.d. 7-9-2019.
Archeologisch onderzoek Smidshoef Historie Den Brommert Den Brommert is volgens de topgevelsteen gebouwd in 1777 en ligt aan de oude dorpskern van Hendrik-Ido-Ambacht, op steenworp afstand van zowel de in oorsprong (waarschijnlijk) 14e eeuwse Dorpskerk als de plek waar het laat 16e eeuws Huis Boucquet en diens voorganger, ook Huis Boucquet genaamd, stond. Dat zou in 1572 verwoest zijn door Spaansgezinde troepen. We weten niet wanneer het gebouw voor het eerst ̒ Den Brommert’ wordt genoemd. Het zou vernoemd zijn naar de wind die in de brandgang een brommend geluid zou maken. Hoewel het lijkt alsof Den Brommert bijna anderhalve eeuw in het dorpshart van Hendrik-IdoAmbacht staat, is dat officieel gezien niet zo... Den Brommert is namelijk gebouwd in gemeente Sandelingen-Ambacht. Pas als die in 1855 met de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht en de Oostendam opgaat in gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, staat Den Brommert officieel in Hendrik-Ido-Ambacht. Zoals eerder gesteld is in de top een gevelsteen geplaatst met daarop het jaartal 1777. Of het pand in dat jaar gebouwd is, is niet zeker. Volgens sommigen is het gebouw ouder, anderen menen dat de steen van een ander gebouw komt.
Nieky Klaus
De situatie in 2019, voor de sloop van de panden achter Den Brommert, geprojecteerd op een Applekaart. Uitsnede van een kaart van Sandelingen Ambacht met daarop onroerend goed genoteerd. Nummer 74 is Den Brommert. De kaart is waarschijnlijk in 1827 gemaakt. beeldbank.cultureelerfgoed.nl
Reden onderzoek Verder terug het verleden in nu. Gezien de locatie, vlakbij de locaties van Huis Bouquet, de Dorpskerk en misschien ook Wittensteen, bestaat het vermoeden dat de te onderzoeken locatie achter Den Brommert ook van archeologische waarde is. Reden van het archeologisch onderzoek is de nieuwbouw van een expositieruimte achter Den Brommert. Uitsnede van kaart van Potter, 1584. De pijl geeft bij benadering aan waar Den Brommert (in waarschijnlijk Om daar plaats voor te maken, zijn enkele panden achter Den Brommert gesloopt. Het te onderzoeken 1777) gebouwd werd. Afbeelding: Erfgoedhuis Zuid-Holland/www.geschiedenisvanzuidholland.nl. terrein is in feite een bouwput. Bij het slopen van de
18 Swindregt Were
Swindregt Were 19
oude panden is ook een verdiepte kelder/opslagruimte verwijderd. Die is dus helaas niet onderzocht. Onbekend is ook waarmee de vrijgekomen ruimte gevuld is. Ook een (vermoede) kelder, liggend onder twee flinke betonplaten (stelconplaten), blijft buiten ons onderzoek. Het veldonderzoek vindt plaats tussen maandag 10 juni en vrijdag 14 juni 2019.
kwaad als het kan een verdeling van 8 vlakken. Tijdens dat werk zien we al veel scherven aan de oppervlakte liggen, tussen veel ondefinieerbare brokken en brokjes baksteen. Sommige scherven verzamelen we direct. We onderzoeken oppervlakkig de 4 vlakken aan de straatzijde, die ten opzichte van de 4 andere vlakken wat hoger liggen. Hier heb ik de volgende dag spijt van.
De buurman geeft een emmer vol vondsten uit de gang tussen het huis naast Den Brommert en Den Brommert.
Het hogere gebouw is Den Brommert, de aanbouwen erachter maakten plaats voor een nieuwe expositieruimte en is het onderzoeksterrein. Foto van februari 2019.
Het onderzoeksterrein is de eerste dag in vlakken verdeeld. Sommige vondsten liggen direct aan de oppervlakte.
Groen omkaderd het ‘keldertje’ dat helaas compleet verwijderd werd voor aanvang van het archeologisch onderzoek.
Veldonderzoek Oorspronkelijk is het idee om het archeologisch onderzoek samen met RAAP uit te voeren,¹ maar door miscommunicatie gebeurt dat (in eerste instantie) niet. Wel houd ik RAAP op de hoogte van de vorderingen. Omdat geen gediplomeerd archeoloog ter plekke is, wordt het onderzoek een veld onderzoek. Dat betekent dat de bouwput niet dieper dan 1 decimeter mag worden onderzocht. De bouwput zelf ligt overigens enkele decimeters lager dan het huidig straatniveau van de aangrenzende straat, Smidshoef. Op de eerste dag van het onderzoek werk ik samen met de voorzitter van het Historisch Genootschap Alie Tas. We maken zo goed en zo
20 Swindregt Were
Bijzondere gift Vooral de eerste dag is er aanloop van nieuwsgierigen. Ook de buurman komt een kijkje nemen. Als hij ziet waar we mee bezig zijn, brengt hij een overvolle emmer vol scherven en andere materiaal. Die heeft hij gevonden bij het aanleggen van een afvoer in de steeg tussen Den Brommert en zijn woning, in 1980. Bijzonder is de grootte van de scherven. Ook lijkt een deel op het eerste zicht ouder te zijn dan de vondsten die wij doen. De afvoer is in 1980 op een grotere diepte aangelegd dan waar wij op werken. Zijn dieper in ons onderzoeksterrein ook oudere vondsten te vinden?
Regendag Het regent woensdag onophoudelijk, waardoor een groot deel van het onderzoeksterrein al vlug onder water komt te staan. De laagstliggende vlakken natuurlijk het eerst en daardoor is onderzoek van die vlakken vandaag vrijwel onmogelijk. Hadden we nou maar gisteren… Ik besteed de dag aan het grof wassen, categoriseren en beschrijven van een deel van de vondsten van de dag ervoor. Veel scherven aardewerk, veel pijpenstelen en wat pijpenkopjes, wat bot, wat (dun) glas en wat metaal. Ik stal de vondsten uit achter het grote raam van Den Brommert. Natuurlijk is ook hier een AWN-banner² goed zichtbaar. Woensdag 12 juni is het door de hoge waterstand vrijwel onmogelijk om het lager gelegen deel, met daarin de (hier) linkse vlakken te onderzoeken.
Na het wassen van de vondsten worden ze te drogen gelegd in de ‘etalage’ van Den Brommert, zodat passerend publiek kan zien wat er achter Den Brommert uit de grond komt.
Donderdag Het regent niet veel meer en het grondwaterpeil zakt langzaam. Vandaag verder wassen, categoriseren en beschrijven van de vondsten. Af en toe een blik op de waterstand en bij een van die controles komt een zandwagen aangereden. Wat ik vrees, wordt vlug waarheid: er wordt over enkele ogenblikken een flink pak zand op het onderzoeks-/bouwterrein gestort. Vlak voor dat gebeurt, onderzoek ik de 2 achterste, nog-niet-onderzochte vlakken, oppervlakkig. In de 2 andere putten staat helaas nog teveel water om iets te zien. Die verdwijnen dus vrijwel ononderzocht onder een pakket zand. Ook de vlakverdeling verwijderd. Daardoor heb ik de vlakken en hun diepte niet kunnen vastleggen. Nadat de vondsten (grof) gewassen en gecategoriseerd zijn naar materiaal en vondstvlak, worden ze in dozen gestald in de voormalige winkel in Den Brommert. RAAP zal de vondsten later beoordelen en enkele stukken verder laten onderzoeken. Voor het zover is, kan passerend publiek de vondsten zien.
Swindregt Were 21
De funderingssleuven worden voor een deel in het opgebrachte zand gegraven en onderzocht door 2 archeologen van RAAP.
Afronding veldonderzoek + RAAP Vrijdagmiddag verwerk ik het laatste deel van de vondsten en stal ze uit in 3 dozen in Den Brommert zodat ze voor het passerend publiek te zien zijn. Ook kan RAAP hier straks een collectie uit halen om verder te onderzoeken, als het graven van de sleuven van de fundering (voor een deel in het opgebracht zandpakket) archeologisch begeleid wordt. RAAP-archeologen Roos de Leeuwe en Annabel de Gast doen diverse vondsten en treffen in de noordoosthoek een kleilaag aan, waarvan niet direct duidelijk is of het om een natuurlijke verhoging gaat, of om een culturele. In het laatste geval zouden oudere voorwerpen in de klei kunnen liggen. Omdat de funderingen niet dieper komen, wordt niet dieper gezocht. (Overigens wordt in het RAAP-rapport geconcludeerd dat het hier toch om een natuurlijk afzetting gaat.) De archeologen nemen enkele vondsten mee om ze verder te onderzoeken. Daarna gaan de vondsten het Provinciaal Depot in, zodat ze eventueel verder onderzocht kunnen worden door wetenschappers en uitgeleend kunnen worden aan musea en dergelijke. Voor mij is er vandaag niet veel te doen in het onderzoeksterrein, daarom besteed ik mijn tijd aan het behangvrij maken van een fraaie schouwomlijsting. Niet wetend dat die kort daarna per abuis gesloopt zal worden…
22 Swindregt Were
Tijdens het graven van de funderingssleuven komen direct nog veel meer aardewerken scherven aan het licht. In deze foto zijn een aantal ervan groen gemarkeerd.
De archeologen van RAAP vinden drie bakstenen, zogenaamde Dordtse stenen, in verband naast elkaar. Ook aan de andere zijde van het onderzoeksterrein worden bakstenen in verband gevonden, daar ongeveer 12 stuks.
De Dordtse stenen worden ingetekend door RAAParcheoloog Roos de Leeuwe.
Stort De grond die weggegraven is bij het aanleggen van de funderingssleuven, is tijdelijk opgeslagen bij aannemer Rijsdijk. Op advies van (AWN’er) Cor Westra vraag ik toestemming om de afgegraven grond te onderzoeken op vondsten. Die krijgen we, voor enkele dagen. Ik besteed er een vrij- en maandag aan. Vrijdagochtend onderzoekt een mede-AWN’er met een metaaldetector de grote bergen afgegraven grond. Ook Alie Tas is er weer bij. De bovenlaag van de ‘stort’ is door de hoge temperaturen in de voorgaande dagen als gebakken klei: keihard. Aan het eind van de ochtend verspreidt aannemer Rijsdijk de bergen grond zodat het zoeken wat gemakkelijker wordt. De ‘detectorman’ neemt metalen vondsten mee, waaronder een (relatief recente) munt en een metalen knoop. We graven vandaag een geul in de breedte door de stort en verzamelen daarbij vrijwel alle vondsten. Een van de bijzonderste vondsten in deze fase is een bewerkte natuursteen. De context is (uiteraard en helaas) compleet verdwenen. Het is zelfs mogelijk dat de steen meegekomen is met het ophoogzand. Maandag 1 juli 2019 graaf ik op dezelfde manier een geul over vrijwel de gehele lengte en ook dan verzamel ik veel vondsten. Daarmee hebben we een dwarsen lengtedoorsnede van de stort gemaakt. Ook de gehele oppervlakte is onderzocht, eerder met de
metaaldetector en later met het blote oog. Hoewel een zeer groot deel van de gestorte grond dus ononderzocht blijft, meen ik dat de vondsten uit de onderzochte grond een goed beeld geeft van wat er zoal in aangetroffen had kunnen worden.
Hoewel de context verdwenen was en alleen duidelijk was dat de grond tot voor kort ooit achter Den Brommert had gelegen, spitten we toch een deel van de stort door. De bovenlaag van de stort is (letterlijk) keihard, maar sommige brokken hebben iets weg van een Kindersurprise: eenmaal open zit er toch een verrassing in, namelijk een stukje van een wit aardewerk pijpje, zo toont Alie Tas hier.
De afgegraven grond uit de funderingssleuven werd gestort bij de Ambachtse aannemer Rijsdijk. Die gaf ons de gelegenheid om de grond te doorzoeken.
Een van de bijzondere vondsten uit de stort is deze bewerkte natuursteen. Helaas is niet bekend of deze oorspronkelijk achter Den Brommert lag, of mee gekomen is met het pakket zand. Swindregt Were 23
Conclusie Thuis was ik de meegenomen vondsten nogmaals, nu extra goed. Ik fotografeer ze met een vondstenkaartje erbij, zo ontstaat een aardig beeld van de vondsten die uit de grond zijn gekomen. Enkele scherven zijn weer tot een deel van een serviesstuk te plakken. Terwijl ik daarmee bezig ben, bedenk ik weer dat het opvallend is dat geen enkel stuk servies in verband gevonden is. De vondsten zijn allemaal losse scherven, geen enkel stuk servies is ter plekke kapot gevallen en in de gevallen situatie bewaard gebleven. Was er een erfje achter de oorspronkelijke Den Brommert waar afval uit het huishouden in Den Brommert gewoon maar neergegooid werden? We vinden relatief weinig botmateriaal, ten opzichte van de vele scherven serviesgoed en pijpenstelen- en kopjes. Zijn die laatste samen met ander (baksteen)puin bewust gebruikt als ophoging? Antwoorden op deze vragen heb ik niet. Via www.histgenhia.nl/archeologie. html is het RAAP-rapport Plangebied Achter Den Brommert te lezen. Daarin staan de bevindingen van de RAAP-archeologen, zoals dat vrijwel alle vondsten uit de 17e, 18e en 19e eeuw zijn. Mijn rapport over het veldonderzoek, dat plaatsvond tussen maandag 10 en vrijdag 14 juni 2019, is bij het RAAP-rapport gevoegd. De omstandigheden zaten niet altijd mee, de
Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog
Ik heb de honderden vondsten thuis nogmaals gewassen en gefotografeerd. De foto’s zijn aan RAAP gezonden, de vondsten zijn eigendom van Historisch Genootschap Hendrik-Ido-Ambacht.
vondsten waren minder oud dan ik verwachtte aan te zullen treffen en directe verwijzingen naar Huis Bou(c)quet en voorgangers zijn niet aan het licht gekomen, maar desondanks heb ik met veel plezier ‘met mijn poten in de klei’ gestaan en graag hard gewerkt aan het blootleggen van een klein stukje historie van Hendrik-Ido-Ambacht.
(Hulp)bronnen www.archivesportaleurope.net www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.dordtenazoeker.nl www.regionaalarchiefdordrecht.nl www.nationaalarchief.nl Swindregt Were, mei 2017. De beelden zijn van Nieky Klaus, tenzij anders vermeld. Hij is werkzaam bij de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht als adviseur digitale middelen.
Noten 1. RAAP is een onafhankelijke onderzoeks- en adviesbureau voor archeologie, cultuurhistorie en erfgoed in Nederland.
Het Zwijndrecht van voor de Tweede Wereldoorlog zag er in veel opzichten anders uit. Het dorp telde destijds ongeveer twaalfduizend inwoners. Hiervan woonden de meeste mensen ‘achter het spoor’ in Meerdervoort, langs de Ringdijk en het daartegenaan gelegen Julianadorp. Ten noorden van de Burgemeester de Bruïnelaan, een deftige straat, die de grens van het Julianadorp vormde, lag het nieuwste stuk Zwijndrecht. Hier was in de jaren dertig een woonwijk ontstaan, waarvan het Raadhuis, de Julianaschool en het Julia-internaat het hart vormden. De meest noordelijke grens vormde de nieuw aangelegde Burgemeester Doornlaan. Veel gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog speelden zich af in dit nieuwe gebied. De Julianaschool werd een uitvalspunt van de Duitsers, evenals het internaat. Dit betekende overigens niet dat het elders in Zwijndrecht stil was. Ook daar gebeurde van alles tijdens de oorlog. Zo moet er op en rond de Rotterdamseweg in die jaren het nodige gebeurd zijn. Deze straat had een heel ander karakter dan de woonwijken die tussen 1920 en 1940 gebouwd waren, zoals het tuindorp Meerdervoort, het Julianadorp en de nieuwe woonwijk rond het gemeentehuis. Aan deze weg, die sinds de negentiende eeuw een officiële rijksstraatweg was en een belangrijke verbinding vormde tussen Rotterdam en het zuiden van het land, lagen vooral boerderijen of landhuizen, schuren en werkplaatsen.
Achter deze boerderijen waren, vooral aan de ‘Walburg-kant’, uitgestrekte landerijen, waar vele tuinders hun groenten en fruit kweekten. De boerderijen en loodsen bleken uitermate geschikt voor inkwartiering van Duitse soldaten.
2. AWN = Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland.
Het leven voor de Tweede Wereldoorlog In het stuk aan de Rotterdamseweg tussen de latere Koninginneweg en Laurensvliet woonden vele bekende Zwijndrechtse gezinnen: Bezemer,
24 Swindregt Were
Bas Los en Wim Tempelaar
Van Pelt, Van Namen, Los, Euser, Heij, Boonstoppel, De Klerk, Van de Leer, Valk, Van Dalen, Stolk, Van Turenhout, Bakker, Baan, Boom, Tims, Staat, De Jong en Tempelaar waren enkele bekende achternamen. Vaak woonden zij al generatieslang aan de Rotterdamseweg en niet zonder uitzondering waren velen van hen telgen uit omvangrijke Zwijndrechtse tuindersfamilies. Arie Tempelaar woonde op de Rotterdamscheweg 136 (nu nummer 154). Hij woonde daar met zijn vrouw Goverina van ’t Hoff en zijn twee zoons Leendert Pieter en Wilhelm Philipp. Leen was geboren op 4 december 1933 en Wim was geboren op 26 september 1937. Zij waren dus echt nog kinderen tijdens de oorlog.