CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 2023.03.07 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 1 - concept.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 11 april 2023, gemeente DordrechtBij agendapunt: 3: Vaststellen van de notulen van Gemeenteraad 14 maart en Dordtse Dinsdag 7 en 21 maart 2023 Vergaderzalen 1,3,532.034 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De voorzitter: U zit niet om woorden verlegen hoor, dat hebben we gemerkt. Maar het is uitermate nuttig. De heer Burakçin: Voorzitter, dank u wel. Die laagdrempelige inlooppunten, daar zien wij het belang zeker van in en dat moet ook zeker doorgezet worden. Maar vanuit uw perspectief, waar heeft u bijvoorbeeld behoefte aan als u hulp wil vanuit de gemeente, wat zou dat zijn? Mevrouw Spruit: Bijvoorbeeld een langdurige relatie om je stichting te kunnen exploiteren. Nu moet ik ieder jaar opnieuw, om maar iets praktisch te noemen, subsidie aanvragen. In feite heb ik nu al mensen met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd en eigenlijk ben ik dan geen goed werkgever. Eigenlijk zou ik in november moeten zeggen, de dreiging van ontslag is er. Bijvoorbeeld net voor de kerst hoor ik dan meestal dat het weer doorgaat. Dat doe ik niet, maar in feite, dat gaat wringen. De voorzitter: Voldoende, mijnheer Burakçin? Mevrouw Spruit, dan uw nabrander en dan ga ik naar mevrouw Verkade en daarna denk ik dat we naar de wethouder gaan. Mevrouw Spruit: Want we hebben natuurlijk, nogmaals, op d’recht sociaal. We hebben al bedacht ... Toen ik de spelregels las, dacht ik eerst, hoe ga ik dit vormgeven? Maar het is toch een heel leuk gesprek geworden. Dank daarvoor. Maar ik wil jullie graag van harte uitnodigen, op d’recht sociaal wil graag met meerdere partners, wie daar behoefte aan

41

heeft, een rondetafelgesprek faciliteren, organiseren, waarbij we jullie uitnodigen om met ons in gesprek te gaan. Bij deze heb ik dit hier op tafel gelegd. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Verkade. Mevrouw Verkade: Dank je wel. Ik wil even een correctie doen op de wachtlijst op huishoudelijke ondersteuning, want die staat gewoon in de factsheet. Die heeft u gekregen. Er is een aanbieder met een cliëntenstop. Er zijn er een paar met wat langere wachtlijsten, maar er zijn de drie waar je binnen een week terecht kan. Dat zijn de feitelijke cijfers. Het kan zijn dat u echt die geluiden heeft gehoord, maar er is echt wel beschikbaar. Dat is ook goed voor u om te weten. De mix tussen informeel en formeel, daar hebben we echt nog wel een hoop te winnen, ook door die schotten. Wij zijn ook echt met bijvoorbeeld ... Ik noem een voorbeeld, maar het zit overal. Medewerkers van de sociale dienst die de intake doen, die kennen onvoldoende de wijken nog. Daar zijn we echt mee aan het werken. Maar de opdracht bijvoorbeeld aan Dordrecht Sociaal, waar de sociaal makelaars onder vallen, de sociaal makelaar heeft echt die opdracht om informeel en formeel met elkaar te verbinden. Zo proberen we dat te doen. Kan zeker meer. Langjarig subsidiëren, dat doen we steeds meer, maar nog veel te weinig. Dat is zeker waar. Yes.

De voorzitter: Dames, in ieder geval hartelijk dank voor jullie komst hierheen en voor de waardevolle en ook soms begeesterende bijdragen. Ik denk dat de collega's heel veel hebben kunnen leren vanavond en op een leukere wijze dan dat je wat documenten door moet worstelen. Het was me een waar genoegen om erbij te zijn. Ik heb ook wel gemerkt, we zijn er nog niet, maar er zijn wel verbeteringen zichtbaar. Perfect zal het nooit worden, maar we gaan wel langzaam die kant op. Dat is fijn. Nu ben ik heel benieuwd wat de wethouder ons gaat vertellen over het vervolgtraject. Wat gaat er nu gebeuren? Dan denk ik bijvoorbeeld over het participatieproces met partners in de stad en hoe wordt de raad verder daarbij betrokken? Aan u het woord. Mevrouw Van Benschop: Dank u wel, voorzitter. Allereerst ook van mijn kant dank aan alle partners die hier aan tafel hebben gezeten, de professionals die hier hun verhaal zijn komen doen. Ik denk dat het waardevol is, ook voor de commissie, om te horen hoe het in de praktijk werkt en wat dat ook betekent voor de keuzes die hier gemaakt worden en ook de keuzes die wij met zijn allen maken. Het proces is dat er ligt nu een startnotitie voor, die vastgesteld moet worden door de raad om daadwerkelijk vanuit die uitgangspunten verder te kunnen.

In de tussentijd zijn we wel in gesprek met de partners die ook genoemd staan in het raadsvoorstel en andere maatschappelijke partners waarvan we denken die moeten we aanhaken, want die begeven zich in het Sociaal Domein. Daarnaast spreken we met cliëntvertegenwoordigers die ook bepaalde doelgroepen vertegenwoordigen, die weldegelijk geraakt worden door dit beleid. Maar waar het op neerkomt, is dat als de raad deze startnotitie vaststelt we verder gaan werken aan dat plan en die verordening, in samenwerking met de stad en dat die vervolgens weer terugkomt in de commissie. De voorzitter: Dank je wel. Als wij dit vaststellen als raad, dan ga je verder werken aan het plan, komt er een verordening en dan zijn wij weer aan zet. Zo simpel is het.

42

Mevrouw Van Benschop: Zeker. De raad moet het toch echt vaststellen. De voorzitter: Dat is logisch. Ga ik de volgende vraag stellen aan de mensen die hier aanwezig zijn. Hebben wij ... Mevrouw Van Benschop: Maar waar ik nog even een opmerking wil maken, voor echt dat het heel duidelijk is, het is net zoals Dorrit net zei, of mevrouw Verkade net zei, het is wel die gelaagdheid. Eerst het plan en dan de verordening en daarna de nadere regels. De voorzitter: Helder. Het is een drietrapsraket. Dan is mijn vraag aan de commissie, hebben jullie voldoende informatie op dit moment? Is er behoefte aan een oordeelsvormende sessie of kan het als hamerstuk naar de raad? Ik ga rondkijken en ik zie dat mevrouw Jager iets wil zeggen. Mevrouw Jager: Ik vraag me af, we zijn bezig over een beleidsplan, maar dit is een startnotitie, dat is nog geen beleidsplan toch? De voorzitter: U hebt helemaal gelijk, maar er is net verteld, eerst moet deze startnotitie vastgesteld zijn voordat het beleidsplan er kan komen. Mevrouw Jager: Voor alle voorzichtigheid en zekerheid denk ik dat ik toch wel een oordeelsvormende commissie daar nog over zou willen hebben. De voorzitter: Waar zou u dan over willen spreken? Mevrouw Jager: Over de inhoud van de startnotitie. De voorzitter: Dat is wel heel algemeen. Zijn er die dit steunen? Mevrouw Vol. Mevrouw Vol-van der Holst: Nee, ik steun dit niet.

Ik begrijp nu even gewoon, even voor mijn eigen informatie, als we hiermee akkoord gaan dan komt er een plan waar we alsnog op mogen schieten. Dat is eigenlijk toch het verhaal? Een soort van. De voorzitter: Ja. Daarna komt er nog een verordening. Mevrouw Vol-van der Holst: Juist. Dan wat mij betreft ... Mevrouw Van Benschop: Het is niet dat als u ... Sorry, voorzitter. De voorzitter: U mag hoor, mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Het is niet dat als u nu ja zegt tegen de startnotitie dat het plan nooit meer voorbijkomt. Het is juist de bedoeling dat als de startnotitie is vastgesteld dat we verder kunnen werken richting het plan. De voorzitter: Juist. Mevrouw Vol-van der Holst: Dan kunnen we gaan finetunen? Wat ik heb wel vragen die ik eigenlijk dan nog toegevoegd zou willen hebben, maar dat kan dan later?

43

De voorzitter: Mevrouw Schnabel. Mevrouw Vol-van der Holst: Juist. Dank je wel. De voorzitter: Mevrouw Schnabel heeft ook een opmerking of een vraag. Mevrouw Schnabel: Ik heb eigenlijk nog een korte vraag en dat is een wat van algemenere aard, omdat die in de startnotitie staat. Want in de startnotitie staat dat er vanuit het Rijk onzekerheid is over het wetsvoorstel resultaatgericht indiceren en dat dat door de Centrale Raad van Beroep bestempeld is als strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel. Maar dat beroep zit niet bij de stukken. Wij vroegen ons af wat dat betekent in financieel opzicht voor de gemeente en om hoeveel geld dat dat gaat. Mevrouw Van Benschop: Dat is inderdaad goed opgemerkt. Ik vraag wel of we deze vraag schriftelijk af mogen doen, want ik weet niet uit mijn hoofd wat de implicaties zijn, ik weet alleen dat als we inderdaad toegaan naar het uurfactuursysteem dat we dan een flinke kostenpost erbij krijgen. Maar we kunnen hem technisch beantwoorden gewoon schriftelijk. Mevrouw Schnabel: Dan stuurt u schriftelijk de vragen? Mevrouw Van Benschop: Dat gaan we alsnog doen. De voorzitter: U dient de vraag in en dan krijgt u ook antwoord of u ... Mevrouw Van Benschop, u gaat al het laten uitzoeken? Mevrouw Van Benschop: Ik zeg nu gewoon toe dat we die vraag gaan beantwoorden. De voorzitter: Prima. Toezegging, u krijgt antwoord en wij krijgen dat antwoord ook.

Dank u wel. Ik ga nog even terug. Mevrouw Jager wilde een oordeelsvormende commissie. Ik zie nog niet veel steun. Sterker nog, ik zie helemaal geen steun. Dan gaat dat ook niet gebeuren. Dan kan het als hamerstuk naar de raad, tenzij er een motie komt, maar dat is altijd zo. Dat mag altijd. Dan wil ik iedereen hartelijk danken voor de inbreng, voor de scherpe vragen die er gesteld zijn en voor uw geduld en het aanhoren van al de verhalen en dergelijke. Ook de wethouder bedankt, mevrouw Verkade bedankt en de dames nogmaals en het publiek natuurlijk. 3. Bespreken van Zienswijze Begrotingswijziging 2022 GR Dienst Gezondheid & Jeugd Wordt samen met agendapunt 4 besproken. 4. Raadsinformatiebrief over Programma Werk voor de Jeugd – Raadsinformatiebrief Voorzitter: De heer Gündogdu Commissiegriffier: Mevrouw Van Poppel Verslag: NotuBiz

44

Aanwezig: Dhr. Van Ballegooijen (VVD) Dhr. Boersma (CU/SGP) Mevr. Boom-Vos (VVD) Dhr. Bootsman (GroenLinks) Dhr. Burakçin (GroenLinks) Dhr. Van Dam Timmers (CDA) Dhr. Kolkiliç (DENK) Mevr. Schnabel (PvdA) Dhr. Stam (Fractie van Waardhuizen) Mevr. Striebeck (VSP) Mevr. Vol-van der Holst (Partij voor de Dieren) Dhr. De Vries (VSP) Portefeuillehouders: wethouder R. van der Linden Ambtelijke ondersteuning: Mevrouw Smid-Marsman Gastsprekers: dhr. De Haas, dhr. Van Hattem De voorzitter: Beste collega's, neemt u uw plekje in. De portefeuillehouder komt ook binnen wandelen. Beste collega's, van harte welkom. Het is tien uur geweest. We gaan beginnen aan deze commissievergadering. Ik heet u van harte welkom. Aydin Gündogdu, ik mag vanavond uw voorzitter zijn. Wat gaan we vanavond bespreken met elkaar. Dat is het vervolg op een eerdere commissie Zienswijze Begrotingswijziging 2022 en tweede Burap Gemeenschappelijke Regeling Dienst Gezondheid ne Jeugd. Het is een beeldvormende sessie. Iedereen van harte welkom. Het lijkt me handig om eens even een voorstelronde te doen. Niet iedereen kent elkaar. Laten we voor de verandering eens een keertje beginnen aan de rechterkant. Normaliteit beginnen we links. De heer De Haas: Ik ben Teunis de Haas. Ik ben de manager bedrijfsvoering en de concerncontroller van de Dienst Gezondheid en Jeugd. De heer Van Hattem: Een hele goedenavond.

Mijn naam is Paul Van Hattem. Ik ben verantwoordelijk voor jeugdhulp en voor Veilig Thuis als directeur Jeugd bij de Dienst Gezondheid en Jeugd. De heer Bootsman: Nick bootsman, GroenLinks. De heer Boersma: Jan Willem Boersma, ChristenUnie/SGP. De heer Burakçin: Necdet Burakçin, GroenLinks. De heer Stam: Marco Stam, Fractie van Waardhuizen. De heer Kolkiliç: Masum Kolkiliç, DENK. De heer Van Dam Timmers: Jan van Dam Timmers, CDA Dordrecht.

45

Mevrouw Vol-van der Holst: Danielle Vol, Partij voor de Dieren. Mevrouw Boom-Vos: Karin Boom, Dordtse VVD. Mevrouw Schnabel: Marije schnabel, Partij van de Arbeid. Mevrouw Striebeck: Bernadette Striebeck, VSP. De heer De Vries: André de Vries, VSP. De heer Van Ballegooijen: Luca van Ballegooijen, Dordtse VVD. Mevrouw Smid-Marsman: Gemma Smid, portefeuille directeur Sociaal Domein. Mevrouw Van Poppel: Denise van Poppel, commissiegriffier. De voorzitter: Bedankt, beste aanwezigen. Toelichtend, waarom zitten we vanavond bij elkaar? Op 17 januari jongstleden is er een beeldvormende sessie, commissievergadering geweest over de tweede Burap en een aangekondigde raadsinformatiebrief Programma Werk voor de Jeugd. De Dienst Gezondheid en Jeugd is hiervoor uitgenodigd, zodat voorbereidend op de jaarrekening en eerste Burap 2023 inhoudelijk kan worden gesproken over risico's dan wel kansen en hetgeen de gemeente zelf van invloed kan zijn op de uitoefening van zaken die staan beschreven in de tweede Burap 2022. De Dienst Gezondheid en Jeugd heeft voor vanavond een beknopte samenvatting van de tweede Burap 2022 opgeleverd en presenteert ook vanavond de sturing en inkoop vanuit Dienst Gezondheid en Jeugd om risico's af te vangen. Hierop aansluitend heeft de gemeente sturingsinstrumenten om te sturen op kwaliteit en financiën van de jeugdhulp.

Dat staat beschreven in de bijgevoegde raadsinformatiebrief Programma Werk voor de Jeugd. Dit ter inleiding. Ik wil de heer De Haas het woord geven, want hij heeft een presentatie voorbereid. Wel even met de mededeling, als er vragen zijn graag nadat de presentatie is gehouden. Dan is mijnheer De Haas, maar ook de heer Van Hattem bereid om al uw vragen te beantwoorden. We hebben afgesproken dat u vijf minuten de tijd heeft. Ik weet dat dat heel krapjes is, maar laten we beginnen. De heer De Haas: Dank u wel dat ik hier een korte toelichting mag geven op de dienst en wat er mogelijk is op het gebied van sturing en welke risico's wij in ieder geval zelf ook onderkennen waar wij zelf ook op sturen. De presentatie is ongeveer tien sheets. Redelijk beperkt. Ik hoop dat ik dat in vijf minuten kan doen. Dan kunt u daarna nog vragen stellen achteraf. Misschien even gewoon als inleiding nog. Dat zal wel bekend zijn. Gezondheid en Jeugd heeft vier merken. De GGD, de Gemeenschappelijke of Gemeentelijke Gezondheidsdienst, lijkt de taken vooral belegd zijn in het kader van de infectieziektebestrijding en het voorkomen van infectieziekte, maar ook toezicht kinderopvang, gezondheidsbevorderingsprogramma's, ook GGZ, vallen daar onder als uitvoerende taken. LVS, Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten, is ook een onderdeel wat wij bedienen namens de gemeente.

Leerplichtambtenaren en ook mensen die proberen in het kader van matchmaker een koppeling te leggen tussen de arbeidsmarkt en leerlingen die vroegtijdig de school hebben verlaten. Veilig Thuis voor de kindermishandeling te voorkomen en huiselijk geweld ook voor te zijn. Serviceorganisatie Jeugd voor de inkoop van jeugdhulpaanbod en de monitoring van de uitvoering daarvan

46

en de kwaliteit van de dienstverlening daarover en ook de advisering richting gemeente over welke instrumenten er zijn om daarop te sturen. Kaderstelling. Ik ga ervan uit dat onze missie bekend is. Die is gericht op het verkleinen van de gezondheidsverschillen en ook het bevorderen van de ontwikkelkansen van mensen in Zuid-Holland Zuid. Dat is eigenlijk onze basismissie waar al onze taken ook uit voorkomen of invulling voor worden gegeven. Die taken zijn ook wettelijke taken. We hebben een aantal, werd ook benoemd, waar wij invulling van uitvoering aan geven namens de gemeenten, in het kader van verleng bestuur. Met publieke gezondheid, Wet maatschappelijke ondersteuning, Leerplichtwet. Dat zijn allemaal dingen die wij uitvoeren namens en voor de tien gemeenten in Zuid-Holland Zuid. De kaderstelling daarover, want op zich we hebben een wettelijke taak, we hebben een missie, maar daarnaast moeten we ook een ambitie formuleren. Die ambities is verwoord in het meerjarenbeleidsplan wat wij elke vier jaar opstellen conform de Gemeenschappelijke Regeling en waar we ook de inbreng van gemeenten en raden vragen vooraf. Dat we ook gezamenlijk die ambitie kunnen onderschrijven en uitvoering kunnen geven. Het meerjarenbeleidsplan wat nu loopt is tot met 2023. Wij zijn bezig met de voorbereiding voor het nieuwe meerjarenbeleidsplan tot en met 2027.

Daar zijn we eigenlijk mee gestart met een eerste bouwstenennotitie op te stellen. Vervolgens gaan we een fase in van april tot en met juni om de ambities met uw vast te stellen die wij in het meerjarenbeleidsplan kunnen en willen gaan opnemen, om uiteindelijk eind van dit jaar tot een in ieder geval concept meerjarenbeleidsplan te komen wat in het AB wordt vastgesteld en vervolgens weer ter zienswijze aan de raden wordt verstuurd. Dat gaat eigenlijk om een stukje inhoudelijke kaderstelling waar je ook als raad flinke invloed uitoefent op wat je als ambitie in ieder geval voor onze diensten wil neerzetten. Financieel. Hulpkader natuurlijk. We hebben natuurlijk de begroting en de begrotingswijzigingen die we ook voorleggen aan de raden, in ieder geval ter zienswijze. Als ik kijk naar de tweede Burap, dan is de begroting totaalniveau rond de 215 miljoen euro. Dat is best een fors bedrag. Dat is enigszins vertekend ook door onze inzet op de COVID-bestrijding. Je ziet op publieke gezondheid een bedrag van 50 miljoen. Daarvan is ongeveer 43 miljoen van bestemd voor de COVID-bestrijding en wordt ook volledig door VWS afgedekt. Regulier publieke gezondheidsmiddelen betreft zo’n 7 miljoen structureel voor de dienst om uitvoering aan te geven. Veilig Thuis ook een bedrag van ongeveer 7 miljoen wat daar in omgaat.

Onderwijs, of er staat hier leerplicht en RMC-functie is 2 miljoen, 2,3 miljoen. Jeugdgezondheidszorg wordt uitgevoerd door Jong JGZ in de vorm van een opdracht die wij daaraan verstrekt hebben namens de 10gemeenten en waar we ook de monitoring op verrichten. Dat is een bedrag 12,5 miljoen. Het Kennisprogramma. Zijn inhoudelijke en onderzoeken die wij doen voor en namens de gemeenten, maar ook bijvoorbeeld de Jeugdmonitor en de Gezondheidsmonitor die daarin worden uitgevoerd, binnen die middelen. Algemeen, heb ik even beschouwd, de bedrijfsvoerings- en ondersteunende functies. Huisvesting, de ondersteuning van het SGD valt daaronder, daar zit vooral de overhead, om het maar even plat te zeggen in besloten. Uiteindelijk voor de jeugdhulp zo’n 136 miljoen wat we bij de tweede Burap hadden geraamd aan uitgaven voor de 10 gemeenten in het kader van jeugdhulpverlening. De lasten had ik al benoemd, maar de bijdrage die er dan als gemeente ook gevraagd wordt te leveren aan de dienst, die is weer gebaseerd op de twee bijdrageverordeningen die wij hebben vastgesteld. Dat vaststellen is ook gebeurd op basis ... Of met een zienswijze die van de raden is gevraagd. Daar zijn verdeelsleutels

47

in opgenomen van welke bijdrage de gemeente levert aan welk deel van het programma op basis van ofwel het aandeel van het gemeentefonds ofwel het aantal leerplichtigen voor de onderwijsprogramma's. Voor de jeugdgezondheidszorg kijken we naar het aantal jeugdigen tussen de 0 en 18. Voor de jeugdhulp kijken we echt naar het profijtbeginsel, welke gemeente heeft gebruik gemaakt van welke diensten bij welke aanbieders. Die kosten worden dit jaar in ieder geval volledig doorbelast richting de gemeenten, omdat de solidariteit daar niet meer van toepassing is. Dan zal ik eventjes moeten doorklikken. Dit is wat ik net ... Ik had te snel verteld en te langzaam geklikt. Excuus. Als ik kijk naar die bijdrageverordening, wat zijn dan de bijdragen die de gemeente Dordrecht levert aan de verschillende programma's? Die variëren tussen de 25 en 30 procent op financieel gebied. Ik had al aangegeven publieke gezondheid is enigszins vertekend. 43 miljoen VWS-financiering is het voor COVID. Als je daar uitgaat van een 7 miljoen reguliere uitgavenpatroon is ook daar de bijdrage van Dordrecht ongeveer 25 procent in de totale begroting van de dienst op dit onderwerp. Nog een ontwikkeling in het programma's. Een aantal zijn er al benoemd ook in de tweede Burap We zijn natuurlijk druk nu bezig met de afschaling op COVID-19. Eind juni valt de financiering op dat vlak weg.

Dat betekent dat wij heel veel contracten die wij hebben op het gebied van huisvesting, inhuur, materieel ook moeten gaan opzeggen. Dat proberen we ook zo snel en zo goed mogelijk vorm te geven, maar ook met respect voor de afspraken die we gemaakt hebben met de leveranciers en ook gewoon de ingehuurde krachten. Daar zijn we druk mee bezig. Leerplicht was ook in de tweede Burap aangegeven, wordt een enorm beroep opgedaan, omdat het aantal verzuimmelding met twintig is toegenomen. Dat betekent ook een flinke belasting voor onze ambtenaren. Daar hebben we wel wat maatregelen op getroffen. Alleen de vraag is of dat voldoende is om de kwaliteit in ieder geval van dat de toezicht te kunnen blijven garanderen. Pandemische paraatheid. De wens van VWS is ook om onze pandemische paraatheid, de inzet van onze dienst bij een nieuwe pandemie om die te kunnen borgen. Daar is een projectsubsidie voor beschikbaar gesteld in ieder geval voor 2 jaar. Daar hebben we ook gebruik van gemaakt. Het is niet te vergelijken 46 miljoen of 43 miljoen die we nu hebben. Het is 6 ton wat we nu in ieder geval deze 2 jaar hebben kunnen aanvragen aan subsidie om er invulling aan te geven. Dat wordt voornamelijk ingezet op de artsen en verpleegkundigen die nodig zijn en de training daarvoor om die mensen in te kunnen zetten. Als laatste punt de jeugdgezondheidszorg.

Ik gaf aan dat dat nu bij Jong JGZ is belegd. De uitvoering van die overeenkomst loopt tot met 2024. We willen voor die tijd gewoon een goede evaluatie uitvoeren om te kijken in hoeverre en op welke manier we verdergaan met het beleggen van die taak bij deze partijen. De risico's zijn ook al benoemd in de risicoparagraaf. Even in brede zin, we zijn voor een deel afhankelijk toch van subsidies, opdrachten en ook van marktgerichte activiteit, zoals de reizigersvaccinaties. Daar hebben we de afgelopen jaren natuurlijk een stuk minder inkomsten uit kunnen genereren, omdat gewoon de reismogelijkheden beperkt waren en daarmee de mensen ook geen vaccinatie kwamen halen. Dit jaar gaat het weer een stuk beter als we verwacht hadden, eerlijk gezegd. Dat gaat de goede kant op. Alleen de vraag is nog wel, hoe gaat dat ook in de toekomst zich ontwikkelen? Subsidies, opdracht is altijd ook dat sommige subsidies zijn structureel. Daar kunnen ook wel op rekenen dat die elk jaar binnenkomen. Maar sommigen is echt ... Zoals die gelden die net noemde als het gaat om de pandemische paraatheid, die zijn nu voor twee jaar zeker gesteld. Maar wat gebeurt er daarna? Kan je nu al met vaste contracten mensen aan je binden, terwijl

48

je pas over twee jaar echt weet of het ook een structurele doorwerking gaat krijgen. Dat is nog wel even in ieder geval een risico wat we in de gaten houden, waar we ook gaan kijken, hoe gaan we dat met de werving goed inrichten? Cao-inflatie. Een cao is denk ik een bekend risico. We zien dat we een principeakkoord hebben wat een flinke stijging van de salarislasten tot gevolg zal gaan hebben. Die varieert afhankelijk van de inschaling tussen de veertien en vier procent. Hoe hoger de schaal, hoe lager het percentage. Alleen gemiddeld denken wij ongeveer op acht procent salarisstijging uit te komen met de huidige bezetting en het huidige akkoord. Dat is wel een impact die het ook op onze begroting gaat hebben. Inflatie, wat je ziet is dat gewoon onze leveranciers ook in hun contracten indexaties hebben afgesproken. Ook dat varieert tussen de vijf en soms vijftien procent wat daarin wordt toegepast. Dat is ook een flinke impact op onze begroting waar we ook rekening mee hebben te houden. Dat was het laatste over de jeugdhulp zelf. Aantal risico's die wat specifieker dan voor dit onderwerp gelden. De kostenstijging die wij zien per jeugdige. Het is niet zozeer de instroom als wel het gebruik van jeugdhulp zien we toenemen. De inflatie waar ik het net over had, die zit ook in die zorgcontracten met de jeugdhulpaanbieders.

Ook daar zien we een variatie van zes tot en met dertien procent kostenstijging die wordt doorberekend in die tarieven die we dit jaar moeten gaan betalen. Dat is ook een risico als wel dat het gewoon een flinke kostenstijging gaat veroorzaken dit jaar. Gesloten jeugdhulp wordt minder gebruik van gemaakt. Betekent wel dat degenen, de aanbieders die dat aanbieden een stukje continuïteitssteun in ieder geval vragen om dat te leveren. Want de aantallen nemen af, de bezetting neemt af en daarmee neemt ook de voeding af, maar op zich de capaciteit blijft wel beschikbaar. Dan is de vraag, hoe gaan we daar dan mee om? Wat is daar een pad wat we daarin willen bewandelen? Dat geeft enige risico. Nieuwe inkoop brengt ook met zich mee dat we een andere productencatalogus hebben, tussen de productencatalogus en de dienstencatalogus. We zien dat daar ook een neiging is om de dure diensten zowel aan te vragen als af te nemen, waarmee ook de kosten op dat punt hoger lijken te worden. Als laatste het woonplaatsbeginsel. We hebben natuurlijk vorig jaar heel veel kinderen overgedragen aan andere gemeenten, maar ook gekregen. De inschatting was dat per saldo een plat gezegd een voordeel op zou leveren voor de regio, maar dat is niet op alle punten het geval. Ook gemeente Dordrecht zit eigenlijk meer in de negatieve kant, wat dat betreft dan dat er een voordeel op dat punt wordt behaald.

Dat is ook een risico wat ik in ieder geval hier wil benoemen. Ik weet niet of ik de vijf minuten gehaald heb, maar ik heb mijn best gedaan om het ... Exact. Ik heb het getimed. De voorzitter: In ieder geval enorm bedankt, mijnheer De Haas. Mijnheer Van Hattem, heeft u nog aanvullingen of zullen we direct overgaan naar het stellen vragen door onze commissieleden? Mevrouw Schnabel: Voorzitter, zou ik een korte vraag mogen stellen? Nog over de vorige sheet, ging het over de indexatie. Nou weet ik niet precies of dat klopt, maar naar wat ik heb gevonden lijkt het alsof de Rijksindexatie hoger ligt dan onze eigen indexatie, die op tweeëneenhalf ligt bij ons dan, of in ieder geval dat het in de tweede Bestuursrapportage staat. Klopt dat? Hoe kan dat, als dat zo is? De voorzitter: Aan u het woord.

49

De heer De Haas: De tweede Burap is niet hoger als dat wij vergoed hebben. Wat ik nu toch duid, als het gaat om het risico voor dit jaar, is vooral wat we dit jaar zien aan inflatie en cao-correcties die moeten worden doorbelast. Dat ligt veel hoger als dat wij aan indexatie vanuit het Rijk meekrijgen. De voorzitter: Toereikend op uw vraag, mevrouw Schnabel? Ik keek naar mijnheer Van Hattem. Had u aanvullend nog een toelichting willen geven? De heer Van Hattem: Nee, het lijkt me goed als we het gesprek voeren en dat de raadsleden ook de vragen stellen die ze nu zouden willen stellen. De voorzitter: Dan kijk ik deze commissie aan, de raadsleden. Mijnheer Boersma. De heer Boersma: Voorzitter, dank u wel. Even een vraag over de laatste sheet. Over die nieuwe inkopen. Daar werd wel aangegeven van, we zien een beetje een tendens dat daar duurdere diensten worden afgenomen. Misschien dat daar iets meer verhaal op te geven is. Wat is dat dan precies? Gaat het om diensten? Is dat meer gespecialiseerde zorg of is er een andere ... Zou u daar iets meer duiding op kunnen geven? De voorzitter: Mijnheer De Haas. De heer De Haas: Wat op zich de ... De voorzitter: Mijnheer Van Hattem. De heer Van Hattem: Ik dacht dat we eerst een rondje gingen maken. De voorzitter: Nee hoor. De heer Van Hattem: Gelijk beantwoorden? De voorzitter: Ja, zeker.

De heer Van Hattem: Deze kant praat ik naar mijnheer toe, dat is beter. U slaat de spijker op zijn kop. Het gaat inderdaad om kinderen met een hoge complexiteit. Wat we zien ook in onze analyses, is dat er steeds meer kinderen zijn met multiproblematiek, met zwaardere problematiek. Dat vertaalt zich ook naar meer gespecialiseerde vormen van zorg. Een voorbeeld daarvan is de hoogspecialistische GGZ-zorg bijvoorbeeld. We zien steeds meer kinderen die juist die vorm van zorg nodig hebben. Die wordt in onze regio door Yulius geboden. Wel bekend, denk ik. Daar zie je de effecten van eigenlijk een grotere behoefte aan dat soort specialistische zorg. Die zien we over de hele linie. Je ziet het ook bij het jeugdhulpgebruik in algemene zin. Het is niet zozeer dat het aantal kinderen dat jeugdhulp ontvangt nou aan het groeien is nog steeds, maar het is vooral dat de kosten per kind aan het stijgen zijn. Dat is ook een effect wat je hierin terugziet. De voorzitter: De heer Boersma, aanvullend.

50

De heer Boersma: Als vervolg, want hij wordt gekoppeld aan de nieuwe inkoop. Wil dat zeggen dat bij de nieuwe inkoop die specialistische zorg ook meer ingekocht is, omdat de noodzaak er was of is het van, we hadden meer ingekocht en we zien dat dat aanbod schept vraag? Of is het niet andersom? De heer Van Hattem: We hebben natuurlijk onze analyses gemaakt voor de inkoop en de contractering. Daarin hebben we ook gezegd, we hebben gewoon ook in onze regio, dat is niet uniek voor onze regio, zeg ik er maar meteen bij, want dat geldt voor heel Nederland, meer vormen van specialistische zorg nodig. Daar hebben we uitdrukkelijk naar gekeken. Dat zie je nu ook ontstaan, met name de GGZ. Daarom noem ik hem ook. Daarin zie je hem heel prominent naar voren komen. De heer Boersma: Bedankt voor de beantwoording. De voorzitter: Mijnheer van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Even aanvullend op die eerste vraag, want ik werd ook een beetje getriggerd door de inzet van duurdere diensten. Natuurlijk zijn er allerlei redenen waarom je duurdere diensten zou willen inzetten, bijvoorbeeld om je bedrijfsvoering beter te kunnen runnen. Is dat ook nog een risico wat je hier loopt door verandering van het systeem dat we als maatschappij hierdoor meer geld kwijt zijn, omdat we het ook mogelijk maken dat er veel duurdere zorg wordt ingezet. De heer Van Hattem: Ik denk dat de inhoud hier bepalend is.

De jeugdhulp wordt gegeven vanuit doorverwijzingen vanuit lokale teams, gecertificeerde instellingen en medische verwijzers, die natuurlijk bepalen welke vorm van jeugdhulp daar nodig is. Dat zijn specialisten die daar een weging op maken. Wij hebben simpelweg gekeken, wat hebben wij in onze schappen nodig om aan de behoefte te voldoen voor de kinderen die nu in zorg komen? Dat is wat we nu zien gebeuren. Mevrouw Smid-Marsman: Voorzitter, misschien ... De heer Van Hattem: Je koopt van tevoren in. Je hebt het in het schap staan, maar uiteindelijk zijn het de specialisten, de lokale teams, de medische verwijzers en de gecertificeerde instellingen die een weging maken, wat is voor dit kind of voor dit gezin nodig aan specifieke jeugdhulp. Mevrouw Smid-Marsman: Voorzitter, misschien mag ik een kleine ... De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Marsman. Mevrouw Smid-Marsman: Kleine aanvulling geven. Ik denk dat het niet per se de nieuwe inkoop is die maakt dat het duurder is. Dat daar niet een een-op-een effect zit. Op uw vraag, we hebben een normenkader vastgesteld wat in feite zegt dat bij bepaalde problematiek een bepaalde behandeling hoort en dat voor die behandeling een bepaalde normtijd staat. In die zin is het niet zo dat de verwijzers vrijblijvend kunnen shoppen en kunnen denken van, inderdaad, laten we een duurder iets ...

51

Op het moment dat een aanbieder zegt, ik wil een zwaardere behandeling doen of langer, moeten ze terug naar het wijkteam en daar ook toestemming vragen om af te wijken van het normenkader. We proberen dat wel te dempen, maar het zit vooral in het feit dat de complexiteit bij individuele gevallen, dat heeft misschien wat met corona te maken, maar dat weten we niet, gewoon echt substantieel gestegen is. Wat ook niet ... Dat zien we echt ook, wat de heer Van Hattem zegt, landelijk. Daar zijn wij niet anders dan anderen. De voorzitter: Bedankt voor deze aanvulling, mevrouw Marsman. Mijnheer Stam. De heer Stam: Wel een aantal aanvullende vragen. Enerzijds bedrijfsvoering technisch en anderzijds inhoudelijk. Qua bedrijfsvoering, die inkoop, met hoeveel partijen doe je dan zaken? We hebben al eens eerder gevraagd, zijn dat de partijen waar je dan met jeugdhulp het hele jaar of de contractperiode de zaken mee doet? Kunnen die partijen nog doordecentraliseren? Hoe vaak gebeurt dat dan? Wat heeft dat dan voor effect op het kostenplaatje? Als je gaat kijken naar het inhoudelijke vraagstuk, die kostenstijging. Als je dan aan de voorkant gaan kijken, ik vraag me dan af, we leven in een welvaartsland. Als je de krantenberichten van de ene partij mag lezen, gaat het hartstikke goed.

Dan vraag ik me af, waar komen dan die complexere problemen echt vandaan? Maken de complexe problemen de duurdere inkoop of maakt de dure inkoop het nu dat de problemen complexer worden gemaakt? Wat ik eigenlijk wil zeggen is van, waar leggen we aan de voorkant kaders van wanneer iemand in een complexe situatie zit? Aan de achterkant van, wat is daar het resultaat van? Want als je gewoon kijkt naar de jarenlange begroting van DGJ dan komt er op jeugdhulp misschien wel om begrijpbare redenen elk jaar wel een X-aantal miljoenen bij. Maar je ziet eigenlijk nooit in de rapportages of bij jaarrekeningen dat er problemen zijn opgelost en dat er uitstroom is. Is dat een verkeerde suggestie? Zit dat anders in elkaar of ... Dat zijn eigenlijk een beetje de vragen die ik voor nu heb. De voorzitter: Bedankt. Wie zou deze vragen willen beantwoorden? Mijnheer Van Hattem? De heer Van Hattem: Ja, laat ik maar een eerste poging inderdaad doen. Het aantal partijen dat wij contracteren is in de loop van de jaren toegenomen. Dat zie je gewoon terug in de grote diversiteit van aanbieders op dit moment. Een heel groot gedeelte daarvan is gelegen in dat woonplaatsbeginsel, waar partijen elders verblijf regelden voor de jeugdige en waar wij ook de contractering hebben te doen als de jeugdige in Dordt woonde voorafgaand aan het verblijf. Daar zie je een enorm effect in optreden.

Het aantal partijen is daardoor wel gegroeid ten opzichte van de oorspronkelijke inkoop. Als het gaat om de kaders aan de voorkant, daar zeiden we net al wat over eigenlijk. We hebben hele strakke dienstomschrijvingen ook van wat er geboden kan worden, ook in duur en in intensiteit en daar wordt op gestuurd, dat dat ook netjes binnen die kaders blijft. Uiteraard streven we er ook naar om de kwaliteit van onze jeugdhulpverlening dusdanig in te richten dat je ook die uitstroom krijgt waar u het ook over heeft en dat kinderen weer terug kunnen naar een normale setting, weer terug kunnen naar school, weer terug kunnen naar hun gezin. Ik denk dat het een groot goed is dat wij ook in deze regio, ook hier in Dordrecht, investeren in jeugdhulpvoorzieningen die nabij zijn.

52

Time out-voorziening is daar ook een voorbeeld van. Dat kinderen even opgenomen kunnen worden, maar ook snel weer terug kunnen naar de reguliere setting. Dat zijn allemaal vormen waardoor je de uitstroom eigenlijk ook bevordert, zeker als het om jeugdhulp gaat. De voorzitter: Bedankt voor deze uitvoerige beantwoording. Mijnheer Stam, heeft u een aanvullende vraag? De heer Stam: Jazeker. Ik heb eigenlijk nog niet het antwoord gehoord op de vraag die ik heb gesteld. Hoe groot is die uitstroom dan? Ook met die contractering, wordt daar nog in doorgedecentraliseerd of zijn het enkel de gecontracteerde partijen waar je zaken mee doet? De voorzitter: Mijnheer Van Hattem. De heer Van Hattem: Om met de laatste vraag te beginnen, er wordt niet doorgedecentraliseerd, zoals u dat zegt. Onderaannemerschap komt af en toe voor, maar niet heel veel. We hebben gewoon een aantal partijen die een-op-een gecontracteerd zijn en de jeugdzorg ook uitvoeren. De cijfers over uitstroom heb ik niet zo paraat hoeveel dat is, maar ik weet wel dat er een grote doorloop is van kinderen in de jeugdhulpverlening. In de zwaardere zorg zie je dat kinderen, ik had het net over die hoogspecialistische GGZ, gewoon simpelweg langer in zorg verkeren en zelfs een aantal jaren in zorg verkeren. Dat brengt ook weer hogere kosten met zich mee. Dat jeugdhulp gebruik per kind zie je daardoor ook toenemen.

Toenemende complexiteit, toenemende duur en intensiteit van zorg, toenemende kosten. Dat is eigenlijk de kern. De voorzitter: Ik zie dat mevrouw Marsman ook een aanvulling heeft. Mevrouw Smid-Marsman: Alleen als de heer Stam echt cijfers wil dat we wel kunnen toezeggen dat we ... Want we hebben wel gewoon gegevens. Dat we samen met de SOJ even gewoon schriftelijk een overzichtje geven over instroom-, uitstroomgegevens. De voorzitter: Mijnheer Stam, was u klaar met uw vragen? Ik zie mijnheer Van Ballegooijen naar me kijken. Nog een laatste vraag. De heer Stam: Dank voor die toezegging, maar het gaat mij niet zozeer om de aantallen, maar meer van, is er dan een kengetal, een streefgetal wat je dan wil realiseren om kinderen te helpen? Want uiteindelijk gaat het daarom. Je wil die kinderen niet tien jaar die zware hulp geven. Je wil dat ze zo snel mogelijk weer normaal kunnen functioneren. Ik kan me dan voorstellen dat je daar als organisatie wel met elkaar afspraken over maakt hoeveel tijd je nodig hebt om zo'n jeugdige weer op een normale manier te kunnen laten functioneren. Mevrouw Smid-Marsman: Dat is, mijnheer de voorzitter, sorry, wat in dat normenkader zit. In feite hebben we met zijn allen gekeken naar als je bepaalde problematiek hebt, wat is dan een reële termijn om dat probleem op te lossen? In het normenkader zit dan ...

53

Bij sommige dingen is het zes maanden, bij sommigen is het negen, bij sommigen is het een jaar, bij sommigen is het misschien nog veel korter. Op die manier probeer je wel te sturen op ook het afronden. Wat we ook steeds meer proberen, is om te kijken van, vaak wordt een kind aangemeld, omdat het kind een probleem heeft, alleen dat is vaak ook een symptoom van een probleem in het gezin. Dat is eigenlijk in de bespreking die we hiervoor hadden over de Integrale Visie Sociaal Domein. Soms is het veel effectiever om te kijken of je wat met de vader of de moeder of dat je iets in het gezin moet doen en juist niet alleen in de jeugdzorg, maar juist in de context wat te doen, omdat dat ook vaak helpt om te zorgen dat na de behandeling niet je een half jaar later weer opnieuw kan beginnen. Juist die combinatie zou moeten maken dat je dat kan korten. Het andere spoor wat we doen, is zeggen van, we willen er eigenlijk vroeger bij zijn. Preventief optreden in relatie met het onderwijs, met verenigingen, met de wijkteams. Eigenlijk kijken, kan je niet al veel eerder zien dat er iets speelt, zodat je een algemene voorziening zou kunnen doen. Bijvoorbeeld, doorverwijzen naar sport of een praat ... Een weerbaarheidsclubje, waar gewoon een groep jongeren met elkaar dingen doen, in plaats van dat je het moet plaatsen in echt professionele zorg.

Dat is wat u in uw verordening vorig jaar als aantal uitgangspunten hebt vastgesteld. De voorzitter: Bedankt voor deze toelichting. Mijnheer Van Ballegooijen. De heer Van Ballegooijen: Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee vragen. Gaan ook beiden over deze laatste slide. De eerste gaat over de continuïteitsproblemen in de gesloten jeugdhulp. Ik vroeg me af of daar iets meer toelichting op zou kunnen komen. Voornamelijk eigenlijk dan is de vraag, is dat omdat daar simpelweg minder noodzaak is om daar gebruik van te maken of is daar een stukje zorgmijding dat daar plaatsvindt of hoe moet ik dat plaatsen? De andere vraag gaat eigenlijk ... We hebben het een aantal keer al gehad, want het zat ook in drie van de punten, gaat het over kostenstijgingen. Maar ik vroeg me af of ook personeelstekorten bij aanbieders een risico zijn? Die zie ik hier niet in. Nou kan ik natuurlijk hopen dat dat betekent dat het geen issue is, maar ik ben bang dat het anders ligt. Maar dan hoop ik dan misschien dat het niet in de top vijf zit. De voorzitter: Mooi. Wie mag ik het woord geven? Mijnheer Van Hattem. De heer Van Hattem: Dank u wel, voorzitter. Om maar met die gesloten jeugdhulp te beginnen. Jeugdhulp Plus, zoals dat heet. Er is een enorm maatschappelijk debat ook geweest in de afgelopen periode over de gesloten jeugdzorg.

Dat heeft ertoe geleid dat de aantallen kinderen in de gesloten jeugdzorg dramatisch is gedaald. Als ik zeg dramatisch, dan heb ik het echt over een halvering van het aantal kinderen dat in de gesloten jeugdzorg op dit moment wordt opgenomen. Eigenlijk, zeg ik daar meteen bij, moeten we het toejuichen dat dat zo is. Dat is een groot goed dat wij minder kinderen hoeven op te sluiten, want daar komt het toch op neer. Dat heeft natuurlijk tevens een groot gevolg gehad voor de aanbieders die deze vorm van jeugdhulp bieden, want die hebben hun inkomstenstroom ook zien halveren, maar niet hun infrastructuur. Alle kosten lopen daarin nog steeds door. Als gemeenten staan wij aan de lat om deze vorm van jeugdhulp blijvend te bieden. Daarmee staan wij ook aan de lat voor de frictiekosten die op dit moment bij deze jeugdhulpaanbieders een plaats hebben, of deze kosten die op dit moment gefinancierd moeten worden. In onze regio werken wij samen in het landsdeel Zuidwest. Ik ga even wat vertellen over de context, want je kunt deze

54

specialistische vorm van jeugdhulp niet in je eentje bieden. In het landsdeel Zuidwest, Zuid-Holland, hebben wij twee aanbieders die deze specialistische vorm van jeugdhulp ook bieden. We zijn nu bezig met, let wel, vijftig gemeenten die allemaal verantwoordelijk zijn om die vorm van jeugdhulp overeind te houden om ervoor te zorgen dat die organisaties weer gezond verder kunnen. Beter gezegd, dat die vorm van jeugdhulp weer gezond verder kan. Want wij staan uitdrukkelijk niet aan de lat voor de organisatie. De vorm van jeugdhulp moet overeind blijven. Mevrouw Boom- Vos: Voorzitter, mag ik daar een verdiepende vraag op stellen? De voorzitter: Mevrouw Boom. De heer Van Hattem: Misschien nog een aanvulling daarop, als het mag. Wij zijn nu volop bezig om één de kaders te stellen, hoe zou Jeugdhulp Plus, de gesloten jeugdzorg, er in de toekomst uit moeten zien? Twee, ervoor te zorgen dat er continuïteitsplannen ook bij de aanbieders liggen die maken dat ze langjarig verder kunnen. Daar wordt nu aan gewerkt. Dan heeft u het complete plaatje, ook als het gaat om de gesloten jeugdzorg. De voorzitter: Nog even naar mijnheer Van Ballegooijen. U had twee vragen, heeft u op beide vragen antwoord gekregen? De heer Van Ballegooijen: Nog niet de eerste, maar ik kan me voorstellen dat de verdiepende vraag van mevrouw Boom specifiek op dit deel ingaat. De voorzitter: Mevrouw Boom.

Mevrouw Boom-Vos: Dat klopt. U gaf daar al een beetje een antwoord op, maar ik vroeg mij vooral af ... Ik begrijp helemaal en ondersteun het idee dat de gesloten jeugdhulp in leven moet blijven. Maar ook wanneer we met de andere gemeentes gaan bedenken, hoe groot moet dat nog zijn en hoe gaan we dat ... U zegt, daar zijn we nu mee bezig. Dat is mooi. Ondertussen blijft het wel een behoorlijke frictie en continuïteitsbudgetten heeft het nodig. Hoelang zal dat ongeveer duren? Ik snap dat dat niet binnen drie maanden of een half jaar kan. Maar wat is daar de prognose van wat jullie verwachten? De heer Van Hattem: Ik durf dat natuurlijk niet heel precies te zeggen, maar we hebben wel plannen lopen en een planning die ervoor moet gaan zorgen dat wij naar het einde van het jaar toe die stabiliteit en die continuïteit in de Jeugdhulp Plus ook georganiseerd krijgen met elkaar. Dat is de doorkijk voor de komende periode. De voorzitter: Mijnheer Van Dam heeft een aanvullende vraag.

De heer Van Dam Timmers: Dat klopt, voorzitter. Ook op dit thema vul ik daar graag bij aan. Ik vind het toch een beetje ingewikkeld ergens dit punt, want dit zijn private aanbieders waar het over die vorm van zorg aanbieden, waarbij er natuurlijk ook geld verdiend wordt in tijden dat het goed gaat. Dan hoor ik die organisaties nooit toch

55

richting de gemeente komen van, het gaat ons deze jaren goed. Maar als er afgeschaald moet worden, als eigenlijk het zorglandschap verandert, dan lijkt het bijna ongebreideld of in ieder geval heel lang daar ruimte voor zijn. Zie ik dat goed, of is dat een verkeerde voorstelling die ik hieruit concludeer? De voorzitter: Mijnheer Van Hattem. De heer Van Hattem: Ik gaf het net al aan, volgens de Jeugdwet staan wij aan de lat om deze vorm van jeugdhulp overeind te houden. Dat is misschien een beetje ... Het schuurt een beetje met de gedachte dat het ondernemingen zijn die ook geld verdienen, maar laat onverlet dat de wet de wet is en de regel de regel. Dat wij niet anders kunnen dan ervoor te zorgen dat die jeugdhulp verder kan. Maar daarom zei ik ook expliciet, we staan niet aan de lat om de organisatie overeind te houden. Het kan ook leiden tot andere keuzes. Dat we een specifieke aanbieder gaan kiezen die dat verder voor ons langjarig gaat organiseren en een andere aanbieder niet. Dat is allemaal nog koffiedik kijken op dit moment. Maar we gaan er natuurlijk wel voor zorgen dat dat weer gezond wordt, want voor een deel van de kinderen moet dit helaas nog steeds blijven bestaan. De voorzitter: Had u een aanvullende vraag, mijnheer Van Dam? De heer Van Dam Timmers: Ja, heel kort. In mijn beleving ... Wie is dan we in dit geval? Dat vind ik beetje ingewikkeld om te zeggen.

Is dat dan de Dienst Gezondheid en Jeugd Zuid-Holland Zuid, zijn het al die gemeentes? Wie beslist daar dan uiteindelijk? Dat vind ik toch ingewikkeld. De heer Van Hattem: Wij zijn als Dienst Gezondheid en Jeugd verlengd lokaal bestuur. Wij zijn gemeenten, zeg ik daar altijd meteen bij. Maar in dit geval zijn het uiteindelijk de gemeenten zelf, de tien gemeenten in deze regio en de vijftig gemeenten opgeteld in het landsdeel Zuidwest, die daarover zullen besluiten. De voorzitter: Bedankt voor deze toelichting. Mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie vragen. De eerste vraag is, u vertelt inderdaad dat de problemen steeds complexer worden bij de kinderen. Aan de hand van de vorige keer was de vraag eigenlijk, er is deze pilot van de multidisciplinaire aanpak, hoe het kan dat er dan maar vijf casussen eigenlijk opgepakt zijn als ook de problematiek steeds groter wordt? Een andere vraag gaat dan gericht over Veilig Thuis. Ik lees dat Veilig Thuis niet aan de wettelijke norm voldoet als het gaat over het halen van de doorlooptijden en afgerond onderzoek,. Nu was ik benieuwd, wanneer gaan we aan die wettelijke verplichting voldoen en hoe? Ik was benieuwd waarom Veilig Thuis vanuit de jeugdgelden betaald wordt en niet vanuit de Wmo-gelden. De voorzitter: Mevrouw Schnabel, bedankt voor deze drie vragen. Mijnheer Van Hattem.

De heer Van Hattem: Er staat nog een vraag open over de personeelstekorten. Voorzitter, vindt u het goed als ik die vraag eerst behandel. De voorzitter: Zeker. Dat staat ook op mijn lijstje inderdaad.

56

De heer Van Hattem: Dan kom ik daarna terug op de twee vragen die daarna gesteld zijn. Ook de arbeidsmarktprobleem is de zorg niet vreemd. Inderdaad speelt dat bij diverse organisaties die ook moeite hebben om voldoende capabel, geschikt personeel te hebben. Je ziet dat dat opgelost wordt door krachten te bundelen. Je ziet samenwerking tussen zorgorganisaties ontstaan. Je ziet ook dat er een levendige zzpmarkt is ontstaan, ook in de zorg. Niet alleen bij de jeugdhulp, maar dat is in de volle breedte. Er wordt volop naar oplossingen gezocht, maar de arbeidsmarktproblematiek wordt daar op dit moment niet minder door. Het betekent ook dat zorginstellingen, zeker ook in de jeugdhulp, op zich veel bewuster zijn geworden om ook jonge mensen aan te trekken, opleidingstrajecten te organiseren, alles om aantrekkelijk werkgever te zijn en ervoor te zorgen dat ze voldoende personeel ook hebben om het werk te verrichten. Het is, voor zover ik weet op dit moment, bij de aanbieders die wij kennen geen nijpend probleem, maar het is wel een probleem waar echt op geacteerd moet worden. De voorzitter: Is hiermee überhaupt uw vraag beantwoord, mijnheer Van Ballegooijen, voordat we de vraag van mevrouw Schnabel beantwoorden. Mevrouw Schnabel heeft ook een aantal vragen gesteld, mijnheer Van Hattem. De heer Van Hattem: Op de eerste vraag moet ik een wedervraag stellen.

Welke pilot bedoelt u precies? Mevrouw Schnabel: Die pilot wordt de MDA-pilot genoemd. Die schijnt al twee jaar aan de gang te zijn. Die wordt ook in de tweede Bestuursrapportage genoemd. Daar zouden vijf casussen bij opgepakt zijn. De heer Van Hattem: Doelt u dan op de MDA++-aanpak bij Veilig Thuis? Mevrouw Schnabel: Ja, inderdaad. De heer Van Hattem: Want dat is een experimentele pilot inderdaad om ook weer multiproblematiek bij kinderen en gezinnen op te pakken. Het aantal kinderen was heel laag, maar begint nu langzaam toe te nemen. Het is natuurlijk een pilot waar Veilig Thuis, het OM en andere partijen een rol in spelen. Maar dat is met dat kleine aantal toen begonnen en langzaam is het nu aan het groeien. De voorzitter: Mevrouw Schnabel. Mevrouw Schnabel: Dank u wel. Want in die reportage stond dat het ging over vijf casussen. Hoeveel zijn dat er dan nu? Kunt u daar iets over vertellen? De heer Van Hattem: Dat kan ik nog wel even na laten zoeken, dat we daarover kunnen rapporteren hoeveel kinderen er nu in die MDA++-aanpak zitten. De voorzitter: Mevrouw Schnabel had nog twee andere vragen. Dat ging over Veilig Thuis. De heer Van Hattem: De andere vragen hadden betrekking op de doorlooptijden. Dan hebben we het over de wettelijke doorlooptijden voor de triage, de weging bij Veilig Thuis, het vaststellen van het risico in het gezin, als er sprake is van geweld, en de

57

doorlooptijd van het onderzoek. Wat je daar ziet, is dat we gemiddeld genomen weldegelijk voldoen aan de normen die daarvoor gelden. Alleen je ziet door het jaar heen, ook door de fluctuatie van het aantal meldingen, dat je ook een aantal weken in het jaar hebt dat je die normtijden overschrijdt. Maar gemiddeld genomen zitten we steeds dicht op de normtijden die ook wettelijk vereist zijn en sturen we daar ook actief op bij. Iedere keer als we zien, we gaan weer overschrijden, dan zorgen we ervoor, we hebben ook een flexibel team binnen Veilig Thuis, dat ook die meldingen die dan extra binnenkomen die we snel moeten oppakken dat we die ook kunnen oppakken. Bovendien, dat vind ik ook wel belangrijk om te zeggen, we doen dan aan triage met prioritering, waar ook de meest risicovolle situaties bij voorrang worden opgepakt. Met die set van maatregelen proberen we zo dicht mogelijk bij die normtijden te blijven die de regelgeving van ons vragen. De voorzitter: Zijn hiermee uw vragen beantwoord? Mevrouw Schnabel: Ik had nog een kleine aanvulling erop. Omdat in die Bestuursrapportage staat inderdaad dat dan op dat moment niet voldoen aan de wettelijke norm. Is dat dan een momentopname of op wat voor manier kan ik dat dan ... De heer Van Hattem: Dat is het eigenlijk.

Dat is ook wat ik zeg, door het jaar heen fluctueert die eigenlijk continu, afhankelijk van de meldingenstroom die er is. We hebben natuurlijk een vaste capaciteit. Daarom is het ook zo goed dat we nu werken met zo'n flexibele schil, dat we ook kunnen bijsturen tussentijds en daarmee ook dicht tegen die normtijden kunnen blijven acteren. De voorzitter: Bent u hiermee gerustgesteld? Mevrouw Schnabel: Dank u wel. Want ik had nog een laatste vraag. Die vraag is dan misschien aan de wethouder. Waarom Veilig Thuis vanuit de jeugdgelden betaald wordt en niet vanuit de Wmo? De voorzitter: De heer Van der Linden. De heer Van der Linden: Ik zie een heel dwingende vinger van mijnheer Van Hattem. De heer Van Hattem: Misschien een kleine aanvulling, want de financiering van Veilig Thuis is zowel gericht op kindfinanciering als op volwassenenfinanciering. Dat zijn twee verschillende financieringsstromen die weldegelijk ook uit de Wmo komen. Het is ook, en, en. De heer Van der Linden: Maar de veiligheid wordt volgens mij alleen in de Wmo genoemd, maar kent twee financieringsstromen. De voorzitter: Is dat helder, mevrouw Schnabel? U kijkt zo vragend. Mevrouw Smid-Marsman: Als je het heel feitelijk bekijkt, wordt Veilig Thuis door de gemeente betaald. Wij krijgen in de algemene uitkering middelen die dat mogelijk maken. Dan kan je je eigen afweging over maken.

In feite zitten zowel in de Wmo als in de Jeugdwet elementen die maken dat je een Veilig Thuis moet hebben en dat die een

58

bepaalde functie hebben en doorlooptijden en dat soort zaken. Maar de financiering komt in feite gewoon vanuit de gemeente. Bijvoorbeeld, wij hebben vorig jaar ook de formatie met zijn allen wat uitgebreid, juist omdat we de normtijden wilden halen en dat soort zaken. De voorzitter: Bedankt voor deze aanvulling, mevrouw Marsman. Mijnheer Burakçin. De heer Burakçin: Dank, voorzitter. Ik had een vraagje over het afbouwen van die solidariteit. Dat is nu in volle gang. Dat zou gaan betekenen dat we als gemeente in ieder geval een financieel voordeel ... Voor onze gemeente een financieel voordeel zou opleveren. Maar als ik nu bijvoorbeeld zie je die continuïteitsproblemen voor de aanbieders van gesloten jeugdhulp, zijn die problemen destijds ook in die prognoses meegenomen voor nu of is dit iets nieuws wat nu opeens is komen opduiken? Wat betekent dat voor de toekomst voor onze gemeente als we die solidariteit nu afbouwen? Gaat het dan... nog financieel voordeel opleveren voor ons of betekent dat extra belasting financieel? De voorzitter: Volgens mij gaat die ... Mevrouw Marsman. Nee, de heer Van der Linden. De heer Van der Linden: Dit is ook een half politieke vraag natuurlijk.

We zijn destijds, ruim drie jaar geleden, die solidariteit gaan afbouwen, omdat we tot dan toe of je heel ambitieus was op jeugd of wilde bezuinigen, we hadden toch de afspraak we delen alle kosten en opbrengsten door elkaar. We zorgen ervoor dat we allemaal evenveel bijbetalen of juist overhouden. Dat vonden we als bestuurders ingewikkeld, omdat de ene gemeente gewoon zegt, ik wil royaal kunnen zijn en de ander zegt, ik wil krap kunnen zijn. Dat is ingewikkeld. We vonden het ook ingewikkeld om als we extra geld nodig hadden moesten we altijd met al die vertragingsslagen, die je eenmaal hebt als je in een GR zit, moesten we naar de raad. Dan zei u, mooi is dat, dit was drie maanden geleden bekend en nu kunnen we erover beslissen. Nu kunnen we alleen maar ja zeggen. Of je voordeelgemeente gaat zijn of nadeelgemeente, u staat nu aan zet. U kunt zo meteen zeggen, fijn, we hebben een voordeel. Natuurlijk, we gaan ook een keer nadeelgemeente zijn. Dat kan. Dan gaat u zeggen, prima, dat gaat dan ten koste van iets anders, want we willen wel goede jeugdzorg blijven bieden, of dan moeten we iets doen, als het kan, want de Jeugdwet is daar niet heel makkelijk in, aan kostenbesparing, zodat u niet met een vertraging van vier maanden daar iets over kunt vinden, maar meteen als het probleem zich voordoet.

Dat is eigenlijk, vind ik, het grote voordeel voor u als raad om sowieso die solidariteit niet meer toe te passen. Het klopt ook, tot nu toe hebben wij steeds als Dordt een beetje meer of een beetje minder baat erbij gehad. Nu hebben we onder andere als gevolg van het woonplaatsbeginsel eigenlijk een extra kostenpost van negen ton. Dat vloeit voort uit een wetswijziging. Die is zo geregeld en wij zitten nu met negen ton extra kosten. Ik maak hem nu iets te makkelijk, maar dat is het wel ongeveer. We gaan ook wel weer een keer ergens een voordeel zien natuurlijk, maar het is niet gegarandeerd dat wij altijd voordelen gaan houden. De voorzitter: Is hiermee uw vraag beantwoord, mijnheer Burakçin?

59

De heer Burakçin: Mijn vraag was meer in die trant van, toen we bijvoorbeeld die solidariteit gingen afbouwen waren dit soort problemen bekend. Of is dit gewoon een nieuw fenomeen wat nu opeens is komen opdagen? De voorzitter: De heer Van der Linden. De heer Van der Linden: Een deel van de problemen ... Problemen? Een deel van de vraagstukken hebben we natuurlijk al ... Elk jaar maken we meer kosten. Langjarig is ook het aantal jeugdigen in zorg toegenomen. We hebben natuurlijk al eerder geconstateerd, 30 jaar geleden of zoiets 1 op 27 kinderen, nu 1 op 9. Dat is veel meer. Eigenlijk die grote groei is er wel een beetje uit. Corona gaat er misschien toch wel wat dat op doen. Maar de zorgdossiers per kind zijn wel complexer geworden, gemiddeld genomen en duurder. Tot begin vorig jaar hebben wij het nooit gehad over arbeidsmarktproblematiek. Nu gaat het er bijna elke vergadering over. Die gesloten jeugdhulp, waar we enorm op aan het duwen zijn, dat moet kleiner en dat moeten we eigenlijk zoveel als kan, het kan nooit helemaal, vanaf. Dat is de laatste jaren gelukt. Zo blijf je natuurlijk bezig. Deze sheet was drie jaar terug niet aan de orde. De inflatie was ook niet aan de orde. De voorzitter: Ik kijk de commissie rond. Mevrouw Schnabel heeft een vraag. Mevrouw Schnabel: Ik heb nog een kleine vraag, aanvullende op, want dat gaat dan over Veilig Thuis en de wettelijke norm.

U gaf inderdaad aan dat dat steeds fluctueert. Mijn vraag is eigenlijk, zou u ons dan ook nu kunnen informeren over hoe het er dan op dit moment voorstaat of wat nu de cijfers zijn? De voorzitter: Lukt dat, mijnheer Van Hattem? De heer Van Hattem: Dat zou ik zeker kunnen doen. Tegelijkertijd krijgt u natuurlijk ook door het jaar heen de vaste rapportages. Iedere keer rapporteren wij hier weer over. Maar als u daar prijs op stelt, kan ik ook laten zien waar we nu ongeveer staan. Mevrouw Schnabel: Dank u wel. De voorzitter: Mijnheer Van Dam. De heer Van Dam Timmers: Dank, voorzitter. Ik heb een vraag over de pandemische paraatheid en ook de afbouw van COVID-inzet in feite. Als ik uw verhaal zo goed begrijp, dan ... Ik moest een beetje lachen op dat moment, want als het hebben over pandemische paraatheid gaat het natuurlijk niet om paraatheid voor twee jaar, maar dan gaat het natuurlijk om langjarig de mogelijkheid hebben om als het al dan niet nodig is op te schalen. Maar eigenlijk zegt u, dat kunnen wij zo helemaal niet realiseren. Klopt dat of bedoelt u iets anders? De voorzitter: Is dat een vraag aan mijnheer De Haas? De heer De Haas: Wat ik bedoelde te zeggen inderdaad, we krijgen nu voor twee jaar een financiering vanuit het Rijk om voor zes ton ongeveer daar invulling aan te geven.

60

Dat betekent dat je daar een aantal artsen en verpleegkundigen voor kan inzetten, om daar invulling aan te geven. Maar na twee jaar kan dat ook weer stopgezet worden. Het is ook de vraag, hoe structureel kan je die pandemische paraatheid ook garanderen, want het vraagt gewoon ook inzet van mensen kan capaciteit en oefenen en trainen en opleiden om dat ook structureel in te bedden in je organisatie. Het is voor nu even geruststellend dat we in ieder geval iets overhouden van 43 miljoen van eerst stijgen, naar het gebracht wat we nu hebben om dit in ieder geval in te kaderen en ook stelling te geven. Of het genoeg is, dat zag ik in dat dat nog niet voldoende zal zijn, maar dat is ... Ik heb ook wel de verwachting dat na twee jaar ... Dadelijk uit de eerste jaar gaan we hiermee verder of wordt het ook een structureel budget wat van VWS wordt gegeven. De voorzitter: Aanvullende vraag? De heer Van Dam Timmers: Dan ben ik wel benieuwd, als u dit zo constateert, komen dat soort signalen dan ook terecht bij VWS? Want we hebben onze mond vol gehad twee jaar geleden verleden van, waarom is het niet beter georganiseerd? Ik heb daar ook we eens wat over gedacht.

Dan denk ik, dan is het toch eigenlijk best gek als wij met elkaar vinden dat we pandemisch paraat moeten zijn, dat moeten we dan eerst vaststellen trouwens dat we dat willen, dan is dit toch wel een beetje een gekke uitwerking daarvan. Het is eigenlijk bijna een politieke constatering, maar ik bedoel te zeggen, wat zou er nodig zijn om dat voldoende te doen? De voorzitter: Ik denk dat mijnheer Van der Linden daar een antwoord op zou kunnen geven. De heer Van der Linden: Ik vind het best een ... Dit is een hele goede, maar ook een best lastige vraag. Eigenlijk hebben we met zijn allen tijdens corona gemerkt dat ... Dan zit je natuurlijk in het regime van de Veiligheidsregio met het Veiligheidsberaad wat daar vaak over gaat. Dan daarnaast was er ook nog wel het Zorgspoor. De Wet publieke gezondheid schakelt door naar de Veiligheidsregio's in het geval van deze grote pandemie. Tegelijk hadden we nog wel het overleg als voorzitters van GGD-regio's met de minister van Volksgezondheid af en toe. Maar dat overleg was niet heel erg ... Had geen zware agenda, want echte zaken werden gewoon gedaan via de Veiligheidsregio's. Gelukkig maar. Dat is goed geregeld. Nu is alles weer redelijk normaal en we zitten weer in de normale setting. Maar wat je eigenlijk ziet, is dat dit land, dat is niet specifiek voor onze regio, maar dat we als ...

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/552/documents/22906