3.2 2023.03.07 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 1 - concept.pdf
Tekst van het document
Dat gaat over informatie en ook informatie delen of het gebrek aan delen daarvan. In hoeverre is dat een knelpunt, in de zin van, dat kun je op twee manieren bekijken, één wordt er dingen niet gedeeld of worden er juist te veel dingen gedeeld? Mevrouw Siebelt: Bedoelt u dan informatie van zorgprofessionals naar gezinnen toe of tussen de zorgprofessionals van het sociaal medisch domein? De heer Van Dam Timmers: Eigenlijk allemaal natuurlijk, want als er meerdere mensen zich met een gezin of een persoon of een familie of een toekomstige familie bemoeien, dan kan ik mij voorstellen, zeker omdat mensen heel bang gemaakt zijn door een bepaalde stomme wet die de AVG heet, dat er weleens wat misgaat. Mevrouw Siebelt: Zeker. Daar zit zeker een knelpunt. Het lastige is inderdaad dat die AVG geeft best veel ruis, die is eigenlijk niet zo streng als dat die lijkt, maar heel veel zorgverleners zijn er gewoon mee onbekend. Dan is het al heel snel van, de AVG laat niet toe dat wij deze informatie delen tenzij expliciet daar toestemming voor gegeven wordt. Wordt er eigenlijk maar heel beperkt informatie gedeeld. Dat zie je vooral in die fase van na een kraamperiode dat dan vanuit de kraamzorg en de verloskundigen wordt de zorg afgesloten. Dan neemt de jeugdgezondheidszorg de zorg over. Daar zie je vaak een gat.
Kraamzorg en verloskundigen hebben vaak nog wel met elkaar iets gedeeld, die zijn ook allebei over de vloer geweest in dat huis, maar dan die overdracht naar de jeugdgezondheidszorg is vaak gewoon heel erg minimaal. Daar zit, enerzijds wel ook doordat het lastig is met het delen van gegevens vanuit dossieruitwisseling ... Dat is landelijk gewoon nog echt wel een probleem van, hoe kunnen we veel beter patiëntengegevens met elkaar gaan delen digitaal vanuit die dossiers. Anderzijds ook wel doordat het toch als een drempel ervaren wordt van, jij bent echt van een andere organisatie. Ik moet daar toestemming voor vragen aan het gezin een kwestie. Het gezin is vaak vrij terughoudend van, wat wil ik nu dat jij overdraagt aan de ander? De voorzitter: Mijnheer Van Dam, genoeg?
21
De heer Van Dam Timmers: Wat is daarvoor dan de oplossing? Ik dacht zelf aan, wat als je het dan mondeling overdraagt? Staat er niks ... De voorzitter: Mondeling overdragen, is dat de oplossing? Mevrouw Siebelt: Ja, deels is dat de oplossing. Op het moment dat je digitale gegevens kan delen, dan staat het ook wel in dat dossier. Als je het mondeling overdraagt, is soms de vraag van, in hoeverre landt dit nu echt bij de collega's in een andere organisatie? Als het dan vervolgens overgedragen wordt aan een andere collega, waar blijft het dan? Maar het feit dat het mondeling overdragen nu ook al gewoon niet zoveel gebeurt, dat is wel een zorgpuntje. De voorzitter: Dat was hem, mijnheer Van Dam? Mevrouw Siebelt: Mag ik daar zelf nog iets op aanvullen? De voorzitter: Ja, u mag aanvullend en daarna heeft mijnheer Boersma nog een vraag. Mevrouw Siebelt: Want wat nu jullie misschien wel bekend is dat vanuit de wetgeving wel de jeugdgezondheidszorg ook het prenataal huisbezoek is gestart. Is dat iets heel onbekends misschien? Sinds 1 juli is dat.
De ruimte die daarbij geboden wordt, is dat als mensen in de zwangerschap al sociale problematiek ervaren of zorgen hebben, dan is er de ruimte dat de jeugdverpleegkundige ook al in de zwangerschap een huisbezoek aflegt bij de mensen thuis en dan met de mensen in gesprek gaat om te kijken van, waar loop je tegenaan, waar heb je behoefte aan en kunnen we dat nu aan de voorkant al oplossen misschien door heel laag laagdrempelig of kleine hulp in te schakelen. Ook regelmatig door ook wel om sociale wijkteams al te schakelen van, wat is er nu nodig? Dan zie je al dat ze meer aan de voorkant betrokken zijn ook in die zwangerschap en daaraan ... Het is er nog wel iets wat nieuw is en wat we moeten leren met elkaar van, hoe werkt dit? Maar daarin zie je al wel dat de zorgprofessionals elkaar wel al beter beginnen te vinden, doordat het niet meer zo'n scheidslijn is van, tot en met de kraamweek en dan daarna opeens jeugdverpleegkundige. Het gaat meer in elkaar nu over, ook dat stukje integraliteit. De voorzitter: Mijnheer Boersma, u dacht, ik ga toch ook nog een keer een vraag stellen nu het nog kan. De heer Boersma: Ik dacht, ik stel ook nog een vraag. Dat AVG-verhaal moeten we misschien nog eens een keer goed naar kijken, want dat is natuurlijk best wel een punt.
Want ook als je mondeling gegevens met elkaar deelt, dan komt er toch een keer een traject uit waarop iemand gewoon kan bevragen, hoe kom je daar bij dit traject? Dan gaan we de inhoud weer in, doen we niet. Ik heb nog even een vraag, want ik ... U constateerde daar eigenlijk twee knelpunten. Aan de ene kant het medische en sociale wat nog niet altijd met elkaar in verbinding is. Tweede, de rol van de zorgverzekeraars, met name op het medisch gebied. Ik zat me even af te vragen, misschien kunt u daar iets op zeggen, als we met elkaar naar één sociale verordening gaan, eigenlijk op papier en volgens de regels al die domeinen aan elkaar gaan verbinden, biedt dat ook een oplossing voor deze twee knelpunten? Ik kan me vooral voorstellen voor de laatste, met de zorgverzekeraars, want die hebben wij als gemeente natuurlijk helaas niet aan een
22
touwtje, zit daar ruimte in of zegt u van, daar moeten jullie echt nog even kritisch over iets anders nadenken? De voorzitter: Mevrouw Siebelt. Mevrouw Siebelt: Het is sowieso denk ik goed om wel die samenwerking ook als gemeente en zorgverzekeraar op te zoeken. In ons geval hier is dat dan VGZ als preferente zorgverzekeraar. Dat is ook de zorgverzekeraar waar vervolgens het medisch domein weer contact mee heeft. Het is denk ik wel zeker zinvol om ook als gemeente wel daar korte lijnen te hebben en ook om die knelpunten met VGZ te bespreken. Want als je vanuit de zorgverleners die knelpunten op tafel legt, dan wordt er gewoon al heel snel gezegd, sorry, dat is gemeentelijk domein, dan moet je daar maar aankloppen. Terwijl dat eigenlijk heel gek is voor de medische hoek om te gaan zeggen, maar gemeente kunnen jullie dan niet nu wat? Dankzij gelukkig dat actieprogramma Kansrijke Start en dat wij hier die lokale coalitie hebben, lukt dat al wel. Wij krijgen echt wel ruimte. Nu ook binnen het IZA en het GALA, Gezond en Actief Leven Akkoord. Is jullie denken allemaal welbekend? Ik verwacht misschien te veel. De voorzitter: U verwacht inderdaad te veel. Mevrouw Siebelt: Er zijn wat landelijke akkoorden die vallen onder het Integraal Zorgakkoord en die ook specifiek op preventie gericht zijn.
Daarbinnen zit ook weer, voor dit actieprogramma met deze scoop van aanstaande en jonge gezinnen, budget. Dat komt eigenlijk weer vanuit de gemeentes juist vrij om toch de medische hoek ook daarin te kunnen ondersteunen, omdat dat is echt een stukje sociaal wat geboden moet worden door de medische zorgprofessionals. Dat was er gewoon eigenlijk ... Een jaar of vijf of tien geleden deden dat gewoon nog helemaal niet. Het is zowel bewustwording van, dat is blijkbaar nodig als ook van, hoe doe je dat dan? Daar komt wel ruimte toch ook vanuit de gemeentekant. De voorzitter: Mijnheer Boersma, bent u tevredengesteld en gerustgesteld? De heer Boersma: Tevreden wel, gerust dat gaan we natuurlijk zien, althans ga ik niet meer zien, maar dat gaan jullie zien. De voorzitter: Dank je wel. Mevrouw Van Vugt, u had ook nog een vraag. Mevrouw Van Vugt-Roose: Ik had voor een groot deel dezelfde vraag, want ik wilde vragen, welke rol is voor de gemeente weggelegd om die knelpunten op te lossen? Maar dan stel ik aanvullend een vraag. Hoe gaan we als gemeente daar invulling aan geven? Want ik zie het wel in het plan staan, maar zijn er gewoon al concrete voorbeelden te geven hoe we contact gaan leggen met verzekeraars en zo? De voorzitter: Dat gaat denk ik mevrouw Van Benschop beantwoorden. Mevrouw Van Benschop: Dank u wel, voorzitter. Dat contact is er.
Het is inderdaad VGZ in deze regio en daar hebben we periodieke contacten mee. Dat gaat over het IZA, dat gaat over het GALA, maar dat gaat ook vaak over preventie, omdat preventie een taak
23
is. Is dat iets van de zorgverzekeraar, is dat iets van de gemeente? Je profiteert er allebei van. Het gaat voor ons om onze inwoners. Het scheelt voor hen de kosten achteraf, als het al na de preventiefase is. Maar die overleggen zijn er en het is ook goed om dit soort signalen dan weer op te pakken en mee te nemen om dit soort gesprekken ook nog verder de inhoud in te kunnen laten gaan. De voorzitter: Dank u wel. Is het genoeg, mevrouw Van Vugt? Mevrouw Schnabel, u keek daarnet zo teleurgesteld, misschien kunt u nog uw vraag stellen aan mevrouw Siebelt, want dan gaan we daarna dit gezelschap vervangen door drie andere dames. Mevrouw Schnabel: Ontzettend bedankt. Ik had namelijk nog een korte vraag en dat ging inderdaad over de 18-plus. In de startnotitie staat dat er een afwegingskader is en dat is misschien dan vooral aan de wethouder de vraag of ik ... Ik weet niet precies aan wie ik hem het beste kan stellen. Maar in ieder geval dat er gepleit wordt voor een inhoudelijk afwegingskader rond het achttiende levensjaar. Komt dat afwegingskader of die criteria nog naar de raad? Mevrouw Verkade: Er wordt al samengewerkt rondom dat 18-min, 18-plus problematiek. Er is al een 16-plusplan. Er moeten al plannen liggen als jeugdigen 16 zijn voor als ze 18 worden. Dat is er al.
Wat was uw vraag daar aanvullend dan nog? Mevrouw Schnabel: Er wordt in de startnotitie gesproken over een inhoudelijk afwegingskader voor rond het achttiende levensjaar, of althans dat daarvoor gepleit wordt. Mevrouw Verkade: Wat je je kan voorstellen, er is natuurlijk een verschil in aggregatieniveau tussen het beleidsplan, de verordening en de nadere regels. Je kan uitspreken in een beleidsplan dat je visie hebt, dat er beter samengewerkt moet worden en dat er samenwerkingsafspraken gemaakt moeten worden rondom dat 18-min, 18-plus en dat dat moet gaan over dat punt. Dat kan je dan vastleggen in een verordening, maar in die nadere regels zou je echt dat afwegingskader onderling ... Professionals kunnen dat veel beter duiden dan wij natuurlijk. Zo zou ik die trap zien. In ieder geval, ik vind de uitgangspunten van die startnotitie, het gaat niet om mij, gaan echt om hier veel meer kader aan te geven dan nu al er is. Maar we komen er nog ... Mevrouw Van Benschop: Voorzitter, nog een aanvulling? De voorzitter: U vult maar even aan, ja. Mevrouw Van Benschop: Het integraal beleidsplan Sociaal Domein en de verordening komen weldegelijk terug in de raad in waarschijnlijk twee rondes van oordeelsvorming. Mevrouw Schnabel: Inderdaad. Dan ook met die criteria die dan inderdaad ... Oké. Dank u wel.
24
De voorzitter: Voldoende zo? Verder nog vragen? Dan ga ik de dames aan mijn rechterzijde hartelijk danken voor hun bijdrage en dan wil ik de volgende drie uitnodigen om hier aan tafel te komen. Wat mij betreft, misschien is het wel handig eventjes drie minuutjes, als iemand wat te drinken wil pakken. Dan doe ik het toch maar nu, want het is toch gerommel. Schorsing De voorzitter: Mag ik de collega's verzoeken hun plaatsje op te zoeken, al dan niet voorzien van een drankje en de genoeglijke gesprekjes te staken, zodat we gewoon weer ordelijk verder kunnen gaan. Ordelijk. Vooral ordelijk. Mevrouw Jager, nu komt er voor u volgens mij weer heel wat nieuws. U moet extra goed luisteren. Ik hoop dat u ... Denk ik. U had nog uw vraag ... U had een vraag over de ouderen en daar gaan we het nu over hebben. Dat bedoel ik. Het tweede rondetafelgesprek gaat over ouderen en kwetsbare volwassenen. Naast mij zit mevrouw Jessica van der Waal, daarnaast mevrouw Angelique de Kruijf en daarnaast mevrouw Femke Spruit. Ze zijn keurig op volgorde gaan zitten. Ik kan me ook niet gaan vergissen, alsof het afgesproken is. We gaan het op dezelfde manier doen als daarnet. Elk ongeveer een kwartier voor het praatje met de vragen die gesteld worden. Dan begin ik maar met mevrouw Van der Waal. Die mag aftrappen uit de praktijk wat u vindt van het nieuwe systeem enzovoort en waar u tegenaan loopt.
Dan op een gegeven moment zeg ik wel ho, er is een vraag en dan komt het allemaal goed. Mevrouw Van der Waal: Zal ik eerst even vertellen wat mijn werk inhoudt? Ik ben namelijk sociaal makelaar van Dordrecht Centrum. Wij zijn als sociaal makelaar sinds vier jaar actief in Dordrecht. In eerste instantie voornamelijk samen met het wijkteam. Daar kregen we voornamelijk onze aanmeldingen vandaan en dan voornamelijk aanmeldingen die in het voorveld liggen, meer preventief. Twee jaar geleden zijn we ook met een pilot gestart, Sociaal Recept, die in allerlei stukken is terug te vinden. Daarin zijn we de samenwerking met de huisartsen aangegaan om het medisch domein aan het Sociaal Domein proberen te verbinden en om ook daarin een omslag proberen te maken, ook vanuit huisartsen en POH’ers om toch eens wat verder te kijken dan bijvoorbeeld medicatie voorschrijven voor mensen met slaapproblemen. Zodat we ook kunnen kijken, waar komt het eigenlijk door dat u niet slaapt? Dat is een beetje een makkelijke uitleg om meer achter de psychosomatische klachten te kijken. Die mensen worden naar ons doorverwezen. Wij gaan dan eigenlijk een soort triage doen. We kijken van, is dit iemand die al geholpen zou zijn als we hem toeleiden naar een ontmoetingsplek of vrijwilligerswerk of is er toch meer nodig? Dan kan het zijn dat ik het Sociaal Wijkteam inschakel. Daar heb ik hele korte lijntjes mee.
Hun erbij betrekt, zodat we samen op kunnen trekken. Maar het kan ook zo zijn dat ik signaleer dat het toch multiproblem is en dan neemt het Sociaal Wijkteam de casus eigenlijk over. Daarin is altijd een warme overdracht. Het kan ook zijn dat het een motivatietraject is. Dat ik eigenlijk iemand aantref waarvan ik denk, dit is echt wel heel heftig en je hebt echt wel wat zwaardere hulp nodig, maar dat ze dat niet meteen willen of zelf inzien of het toch wel heel erg spannend vinden om naar het Sociaal Wijkteam toe te gaan. Dat zijn ook de mensen die ik dan ook letterlijk aan de hand mee kan nemen. Wat je vooral ziet bij ons dat het grootste gedeelte van de aanmeldingen, vooral ook via Sociaal Recept, vooral om
25
ouderen gaat. Ik kan eventjes wat voorbeelden geven van wat knelpunten. Wij merken eigenlijk als sociaal makelaars ... We proberen eigenlijk alles zo snel mogelijk weg te zetten, dat mensen op de goede plek terechtkomen. We merken dat de mensen die bij ons blijven hangen, waar we eigenlijk heel lang mee bezig zijn, daarin merken we ook gelijk eigenlijk een gat in de informele hulp die er wordt geboden in de stad. Wat dat betreft lopen we bijvoorbeeld heel erg aan. Dat werd net ook al genoemd, ouderen en de digitale wereld. Dan vooral ook de ouderen die niet mobiel zijn, dat is nog een extra moeilijkheid. Daarmee kom je ook al bijvoorbeeld op zaken als ouderen die zich in willen schrijven bij Woonkeus, omdat ze toch denken van, het kan dadelijk moeilijk worden, laten we ons inschrijven. Maar ze hebben totaal geen knowhow van hoe ze dat überhaupt moeten doen op internet. Vervolgens krijg je dan natuurlijk dat ze ook moeten reageren op woningen. Dan komt ook nog de verhuizing. Vooral bij mensen met een minimaal of geen sociaal netwerk zie je dat dat echt heel erg lastig is. Wij vangen dat gat nu grotendeels ook op als sociaal makelaars, want dit zijn niet mensen die we dan loslaten zo van, jongens, er is niks, zoek het maar uit. Wij lopen dan gewoon met die mensen mee en wij ondersteunen en begeleiden ze daarin. Wat ook een moeilijkheid is, zijn de ouderen.
Kom ik weer op dat stukje sociaal netwerk, wat echt zo cruciaal is. De mensen die geen sociaal netwerk hebben, maar wel bijvoorbeeld mantelzorg nodig hebben, is ook een moeilijk stukje. Want ik maak heel veel gebruik van respijtzorg, vind ik heel prettig ook om mee samen te werken, is heel makkelijk om in te zetten, maar op het moment ... De voorzitter: Er is een vraag van mevrouw Van Vugt. Mevrouw Van Vugt-Roose: Sorry hoor, maar ... Mevrouw Van der Waal: Geeft niks. Mevrouw Van Vugt-Roose: Dank u wel alvast. U was gewoon lekker op gang. Heel veel van wat u doet hoor ik eigenlijk ook terug bij de vrijwilligers die werken in de buurthuizen en die ook heel veel hulp bieden en begeleiding in het zoeken van de juiste hulp. Waarin verschilt jullie werk en waarin werken jullie samen? Daar ben ik heel benieuwd naar. Mevrouw Van der Waal: U bedoelt met de buurtwerkers? Mevrouw Van Vugt-Roose: Ja. Mevrouw Van der Waal: Dat zijn eigenlijk mijn collega's. Daar werk ik in die zin mee samen, de buurtwerkers doen bijvoorbeeld de inloopspreekuren en daar worden de enkelvoudige vragen opgepakt. Dat zijn de vragen als een telefoontje, hulp bij een formulier, dat soort zaken.
Als hun signaleren bijvoorbeeld van, ik denk toch dat hier meer aan de hand is of mensen vertellen meer, dan bespreken ze ook direct met die mensen van, luister, ik heb mijn collega, zij is sociaal makelaars, zou je het misschien eens fijn vinden om met haar te praten, want zij kan je misschien verder helpen. Mevrouw Van Vugt-Roose: Vinden de vrijwilligers u ook? Mevrouw Van der Waal: Ja, in principe wel.
26
Mevrouw Van Vugt-Roose: Want buurthuizen worden natuurlijk vooral door vrijwilligers gerund. Die vinden u ook? Mevrouw Van der Waal: Ja, die vinden mij ook. De voorzitter: Voldoende, mevrouw Van Vugt? Mevrouw Jager. Mevrouw Jager: Ik hoorde u net zeggen, mensen zonder sociaal netwerk of een te klein sociaal netwerk die mantelzorg nodig hebben. Maar de definitie van mantelzorg is toch dat die gegeven wordt door familie en dergelijk. Mensen zonder sociaal netwerk hebben geen mantelzorger nodig, maar zorg. Mevrouw Van der Waal: Precies. Maar dat is soms wel heel erg lastig, want respijtzorg bijvoorbeeld om dat dan in te zetten, dat is vervangende mantelzorg. Er moet eigenlijk een mantelzorger zijn wil je respijtzorg in kunnen zetten. Dat maakt het dan heel erg lastig. Mevrouw Jager: Ze hebben gewoon zorg nodig. Mevrouw Van der Waal: Precies. De voorzitter: U mag verder met uw verhaal. Mevrouw Van der Waal: Even kijken, waar was ik gebleven? Dat laatste, dat die ouderen zonder sociaal netwerk die inderdaad zorg nodig hebben, dat is een heel moeilijk iets. Mensen die dan bijvoorbeeld uit het ziekenhuis komen en thuis verder moet herstellen, dat kan soms echt wel heel ingewikkeld zijn. De voorzitter: Mijnheer Portier. De heer Portier: We hadden ooit iets als wijkverpleegkundigen en dergelijk om daar in te zetten, uitgebreid netwerk.
Is dat nu helemaal weg of is dat gewoon veruit onvoldoende wat we nu hebben? De voorzitter: De wijkverpleegkundigen. Mevrouw Van der Waal: De wijkverpleegkundigen melden ook regelmatig mensen bij ons aan als sociaal makelaars. De heer Portier: Maar ik heb niet over dat ze aanmelden, maar op het moment dat iemand uit het ziekenhuis naar huis gaat en daar nog zorg nodig heeft en er is verder niemand die dat kan leveren, dan zou dat toch vanuit de wijkverpleging moeten komen? Mevrouw Van der Waal: Daar dat moet dan een indicatie voor zijn. De heer Portier: Belachelijk dat je daar een indicatie voor moet hebben. Dat is toch gewoon vanzelfsprekend. De voorzitter: U kunt daar misschien een beter antwoord op geven? Het knopje drukken.
27
Mevrouw De Kruijff: Wij krijgen vanuit het wijkteam ook wel ... Werken wij ook wel samen met maatschappelijk werk vanuit het ziekenhuis bijvoorbeeld. Want dan staat iemand vlak voor een ontslag en dan moet er inderdaad nog van alles geregeld worden. Dan gaat dat in samenspraak met de ergotherapeut en de maatschappelijk werker van het ziekenhuis die dan ... Dat we dan een en ander regelen. Er moeten bijvoorbeeld spullen komen om de woning aan te passen, zodat ze kunnen herstellen. Of afspraken worden gemaakt met de thuiszorg. Dat soort zaken. Dat gaat vaak in samenspraak of in samenwerking. De voorzitter: Tevredengesteld, mijnheer Portier? De heer Portier: Ik ben bang dat het toch heel vaak niet goed gaat. Dat is in ieder geval de stellige indruk die ik heb. Mevrouw Van der Waal: Dat klopt, dat gaat soms inderdaad niet goed. De voorzitter: Mevrouw Jager. Mevrouw Jager: Kleine opmerking. Ik hoor vaak dat mensen die naar huis moeten maar eigenlijk nog niet kunnen, dat die tijdelijk naar een verpleeghuis of in de verzorging gaan. Dat is toch ook een oplossing? De voorzitter: Ja hoor, u mag het zeggen. Mevrouw De Kruijff: Maar dat is best een dure oplossing als we het hebben over betaalbare hulp als mensen langduriger in het verpleeghuis moeten zijn, terwijl ze thuis ook zouden kunnen zijn met de juiste hulp. De voorzitter: Dan heb je het knelpunt financiën weer.
Mevrouw Van der Waal, u kan nog verder gaan. Mevrouw Van der Waal: Het lastigste vind ik dat stukje die ouderen en die digitale wereld waar eigenlijk niks specifieks voor is. Het is ook iets waar ik het lastig vind om dan bijvoorbeeld een vrijwilliger in te zetten, omdat ze toch ook met hele precaire informatie om moeten gaan. Dat vind ik wel een lastige. Wij vangen dat met alle liefde nu op, maar het zou wel heel fijn zijn als we daar eens met zijn allen iets voor zouden kunnen bedenken. Ik vind al de digitale overheid bijvoorbeeld in de bibliotheek is echt superfijn. Dat is een hele mooie plek die laagdrempelig is en waar mensen met een hoop van die digitale vragen terecht kunnen. Maar inderdaad, wat als mensen niet meer mobiel zijn? De voorzitter: Mijnheer De Heer. De heer De Heer: Voorzitter, dank u wel. Heeft u een inschatting van hoe groot die groep is van ouderen die niet digitaal vaardig zijn en ook niet mobiel zijn? Mevrouw Van der Waal: Dat is toch wel een flink ... Ik kan daar geen exacte cijfers van geven, maar ik tref wel heel veel van dat soort mensen aan. Leeftijd hoeft ook niks te zeggen, want ik heb bijvoorbeeld een mijnheer van 90 jaar die help ik en die bestelt via zijn tablet gewoon zijn boodschappen bij de PLUS. Maar ik heb ook een mijnheer van 67
28
jaar die ik help en die mijnheer heeft echt helemaal geen internet, die heeft geen smartphone en die weet zich er helemaal geen raad mee. De voorzitter: Had u nog een vraag, mijnheer De Heer? De heer De Heer: Ik had nog een andere vraag, als ik die ook mag stellen. Zoals u uw functie omschrijft is dat wel een hele diverse rol. Heel belangrijk eigenlijk ook wanneer we integraal of nog meer integraal willen gaan werken. Ik kan me ook voorstellen dat er dan heel veel op jullie afkomt als team. Hoe staat het met de capaciteit, want als we dat verder willen uitnutten of willen vergroten, kunnen jullie dat als team dan ook aan? Mevrouw Van der Waal: Ja, wij zijn nu met zes mensen in totaal Dordrecht-breed. We zijn met twee mensen per gebied. Ik ben met nog een andere collega. Hier heb ik het gehele centrum. Tot nu kunnen we het nog bolwerken. Wat dat betreft hebben we ook gewoon een hele fijne samenwerking met het Sociaal Wijkteam. Ik vind het wel ... We zijn natuurlijk nu Dordrecht Sociaal en er moet nu officieel ontschot worden, maar eigenlijk doen wij dat al drie, vier jaar. Dat is wel heel erg fijn. Wij hebben gewoon altijd die korte lijntjes met elkaar en we trekken gewoon makkelijk samen op en daardoor hebben we mensen gewoon het snelste geholpen. Dat is waar het uiteindelijk om gaat. De voorzitter: Mijnheer Portier en daarna mevrouw Striebeck.
De heer Portier: Ik heb even een opmerking, vraag over die digitale vaardigheden. Want het wordt heel erg gelegd bij de ouderen, of een deel van de ouderen, die zijn niet digitaal vaardig en dat is het probleem. Maar is het probleem niet veel meer, zodat alles waar mensen behoefte aan hebben dat het alleen nog maar digitaal en via internet bereikbaar is? Dat het niet de ouderen zijn die iets verkeerd hebben of die een gebrek hebben, maar dat we als maatschappij een gebrek hebben dat we alleen nog maar dingen digitaal aanbieden. De voorzitter: Dat is een hele boeiende. Mevrouw Van der Waal: Precies. Daar heeft u helemaal gelijk in. Ik kan niet anders zeggen. Ik vind een heel mooi voorbeeld van hier in de gemeente is nu de koppeling van de Dordtpas aan de persoonlijke ov-chipkaart. Ik moet echt naar heel veel mensen toe om dat te koppelen, want ze denken, wat moet ik hiermee? In principe, als je digitaal vaardig bent, is het zo gepiept. Maar als jij niet eens een smartphone hebt en geen idee hebt, dan is het toch wel een ding. Daar was ik wel een beetje verbaasd over. De voorzitter: Als u nog vrijwilligerswerk zoekt, mijnheer Portier, u bent digitaal vaardig. Maar uw vraag is beantwoord, denk ik. Ja. Mevrouw Striebeck. Mevrouw Striebeck: Mijn vraag eigenlijk ook. Dank u, voorzitter. Ik ben jaren zelf ambassadeur geweest voor SeniorWeb.
Dat wil ook zeggen dat mensen de mensen thuisbezoeken eventueel. Dat is ook een hele goede oplossing voor de mensen. Mevrouw Van der Waal: Mag ik daarop reageren? De voorzitter: Ja, daar mag u op reageren? U bent het er waarschijnlijk mee eens.
29
Mevrouw Van der Waal: Klopt. Daar werk ik ook weleens mee samen, maar dat is ... Daar moet je natuurlijk ook een abonnement op hebben, toch? Dat is toch met SeniorWeb? De voorzitter: Mevrouw Striebeck, u bent deskundige op dat gebied. Mevrouw Striebeck: Om te beginnen, ik weet niet in hoeverre dat nu nog zo is, maar SeniorWeb zat ook altijd in de bibliotheek op zaterdag. Is dat nu nog zo dan? Mevrouw Van der Waal: Ik weet dat dat een aantal maanden geleden nog wel zo was, want die zitten daar dan ook met ... Klik & Tik zit daar. Daar stuur ik ook mensen die inderdaad mobiel zijn naartoe. Soms probeer ik mensen ook inderdaad te motiveren om lid te worden van SeniorWeb. Maar dat is ... Mevrouw Striebeck: Je hoeft niet per se lid te worden daarvan om geholpen te worden. Mevrouw Van der Waal: Dank u. De voorzitter: Mooi. Zegt het voort. U heeft nog wat aanvullingen of zal ik naar de volgende spreker gaan? Mevrouw Van der Waal: Nee, ik denk dat het genoeg was zo voor mij. De voorzitter: Tenzij iemand nog een vraag heeft? Nee. Dan ga ik naar mevrouw De Kruijff. Mevrouw De Kruijff: Ik zal ook maar even vertellen wat mijn werk ongeveer inhoudt en wat het wijkteam doet. Mensen kunnen bij ons bij de inloop komen met vragen over allerlei sociale problemen, waar ik noem ... Als ik het uitleg aan mensen zeg ik vaak, we zijn een soort van huisarts van de sociale problemen.
Dan komen ze bij ons binnen en dan als er een pleister op geplakt kan worden en het is simpel dan los wij dat zo op. Is er meer aan de hand, dan volgt er een vraagverhelderingsgesprek, ook vanuit de opdracht de vraag achter de vraag bepalen. Dan komt er een contactpersoon die dan gekoppeld wordt en gaat kijken wat er verder ingezet moet worden. Dat kan dan op allerlei gebied van alles en nog wat zijn. We hebben verschillende mensen met expertises met verschillende aandachtsgebieden. Mijn aandachtsgebied is dan senioren. Voor senioren is er wel een net iets andere aanpak vaak, want bij ons komen mensen ook vaak binnen via andere kanalen. Die komen dan niet heel gauw bij een inloop binnen. Wij krijgen inderdaad via Social Recept, vanuit de huisarts of vanuit het ziekenhuis aangemeld of van bezorgde familieleden of bijvoorbeeld het stedelijk netwerk, als iemand is gevallen en kon niet meer overeind en is op die manier in het ziekenhuis beland en er lijkt geen netwerk te zijn. Dan vragen we natuurlijk niet of ze bij ons op de inloop even eerst langs willen komen, maar dan gaan wij erop af. Dan gaan we op huisbezoek. Dan kunnen we ook direct zien hoe iemand erbij zit in de woning. Zo komen wij dan eigenlijk binnen bij mensen. Veel ouderen zitten ook niet heel ... Die ik tegenkom zitten ook niet altijd per se te wachten op hulp.
Die denken van, ik kan het allemaal wel zelf en ik doe het al de heel tijd zo en waar bemoeit iedereen zich eigenlijk mee? Maar toch zeker ouderen met geen netwerk is het dan onze ... Hebben wij onze taak toebedeeld om ze in beeld te krijgen en ook in beeld te houden. Daar loopt het thans
30
met de opdrachten die we hebben en de processen die je moet lopen en dat je na een Xaantal maanden toch wel een doel bereikt moet hebben of af moet sluiten. Dat is soms jammer, want het kan ... Ik heb namelijk wel een mevrouw die ik al heel erg lang als cliënt heb, die zie ik maar eens in de vier maanden, maar voor haar ben ik wel een soort life line. Ze heeft mijn nummer in haar telefoon staan. Als er dan iets is, kan ze mij bellen. Als ik dat zou moeten gaan afsluiten, dan moet ze weer een soort opnieuw die stap nemen. Ook ouderen bij wie je dan eindelijk binnen bent ... Zo noemen we dat dan, we zijn binnengekomen, het is gelukt. Als je dan het contact weet te houden en er gebeurt wel iets ergers en er is geen netwerk, dan kun je sneller schakelen. Dat is een beetje mijn werk, wat ik doe. Er was net al genoemd wat knelpunten die je tegenkomt zo, verhuizen, want er was ... Ik heb even die die uitgangspunten opgeschreven. Over betaalbare woning, maar daar hoort ook wel passende woonruimte bij. Niet alleen betaalbaar, maar ook passend. Daar kom je bij ouderen soms ook ... Is dat soms ook lastig. Ouderen met een koopwoning die onderhouden eigenlijk moet worden wat dan niet lukt of wat ze niet geregeld krijgen. Het hele verhaal van het verhuizen.
Als ze dan inderdaad wel die stap willen zetten en het is digitaal en dan verhuizen is er eindelijk, wie gaat dan de keukenkastjes inpakken en het allemaal verhuizen? Nu is er wel ... Ik had laatst wel een casus waarbij dat aan de hand was. Vanuit de Wmo wordt er dan verhuiskosten wel vergoed en dan wordt het allemaal wel in gang gezet. Maar het is wel een intensieve taak, laat ik het zo zeggen, die dan komt. De voorzitter: Mevrouw van Vugt en mijnheer Boersma daarna? Prima. Mevrouw Van Vugt: Ik zit me voor te stellen waar het dan komt. Is het dan in bijna al die gevallen zo dat die mensen geen netwerken hebben of zijn er ook netwerken waar bijvoorbeeld kinderen gewoon weigeren om ook zelf mee te helpen in het zorgen voor de ouderen? Mevrouw De Kruijff: Ja, dat gebeurt ook wel. Het is soms ook wel lastig. Duurt dat ook wat langer om te achterhalen wat het verhaal is. Sommige ouderen vertellen gelijk hun hele levensverhaal, maar bij anderen duurt dat wel even wat langer. Daar zit ook dan geschiedenis achter. Want het wordt soms wel vaak gezegd, dat hoor ik dan wel om me heen, maar je laat je moeder toch niet zo in de steek of dat doe je toch wel? Maar families hebben gewoon ook vaak een geschiedenis en daar kun je ook niet aan voorbijgaan. Ik probeer altijd wel de contacten zo van, lukt het toch om wel contact te leggen? Dat is ook een onderdeel natuurlijk van ...
De voorzitter: Mevrouw Van der Waal wil nog aanvullen. Dat is het mooie van een rondetafelgesprek, dan kan dat. Mevrouw Van der Waal: Ik wilde nog graag even aanvullen. Want dat is inderdaad wel iets waar we ook in eerste instantie altijd naar kijken. Wij krijgen ook als sociaal makelaars heel veel mensen aangemeld met betrekking tot eenzaamheid. We gaan ook altijd eerst kijken van, maar wat is er eigenlijk om je heen en zijn er misschien ook nog contacten die je bijvoorbeeld opnieuw aan zou willen halen? Want dan vinden ze het bijvoorbeeld heel spannend om iemand weer na lange tijd te bellen. Of iemand is ziek en eigenlijk is de familie niet echt op de hoogte van hoe erg het eigenlijk is. In dat soort gevallen ... Zo heb ik laatst ook een casus gehad dat ik dan bijvoorbeeld ... Dan heb ik
31
van die mijnheer zijn twee kinderen, zijn broer en zijn schoondochter uitgenodigd van, jongens, dit is er aan de hand. Ik ben jullie vader al een tijdje aan het helpen, maar ik maak me best wel zorgen. In dit geval ging het om die mijnheer, die kon zijn eigen administratie bijvoorbeeld niet doen en hij had wat hulp in het huis nodig, hij had iemand nodig die hem naar het ziekenhuis bracht. Toen heb ik eigenlijk een soort klein familienetwerkberaad gedaan van, jongens, dit zijn de dingen die moeten gebeuren. Wie kan wat oppakken? Zo probeer je dan wel het sociaal netwerk wat er is, als het er al is, om dat dan te mobiliseren en een beetje te activeren daarin. De voorzitter: U ziet er heel tevredengesteld uit. Dan ga ik naar mijnheer Boersma. De heer Boersma: Dank u, voorzitter. Als vervolg hierop, als mensen geen netwerk hebben, sociale netwerk, lukt het dan ook om een netwerk te creëren, een informeel netwerk, bijvoorbeeld vanuit buurtbewoners, vanuit moskeeën, kerken, noem maar op? Dat zag je in de coronatijd een beetje ontstaan, spontane netwerken die ineens ontstonden. Dat is mijn eerste vraag.
Tweede vraag is, lukt het jullie dan ook om met de kleine categorie van mensen die eigenlijk echt niks willen, de voordeur waar je eigenlijk ook niet eens binnenkomt, mensen die al in een isolement zitten, maar ook niet meer de behoefte hebben of misschien die behoefte niet meer uit kunnen spreken om contact en een netwerk en hulp te krijgen, om toch ook met die mensen in contact te komen en te zorgen dat dat je daar ook een beetje hulp kan bieden? De voorzitter: De eerste vraag, netwerk creëren. De tweede vraag, dat is de dichte voordeur. Mevrouw Van der Waal: Netwerk creëren, dat doe ik als sociaal makelaar op meerdere manieren. Het ligt ook aan of mensen mobiel zijn. Dan komen we weer dat hetzelfde stukje. Op het moment dat mensen mobiel zijn, kan ik ze toeleiden door bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte, een wijkcentrum ... Ik ga kijken, waar ligt je interesse? Ik weet in welke wijkcentra welke clubjes zitten en welke activiteiten er zijn, wandelgroepen, noem maar op. Dan ga ik daarin kijken of ze daar iets interessant vinden waar ze dan bij aan kunnen sluiten. Wat ik ook doe, is dat ik bijvoorbeeld ook de buurtbewoners ... Omdat ik ken natuurlijk heel veel mensen nu en ik weet ook van mensen dan of ze eenzaam zijn. Dan kan ik ook kijken van ...
Soms ontmoet ik iemand en dan denk ik, volgens mij zou die het heel goed met die persoon kunnen vinden en die woont toevallig twee straten verderop. Dan ga ik daarover in gesprek van, er woont hier iemand een stukje verder en die zou het ook echt heel leuk vinden om gewoon een leuk sociaal contact te hebben. Hoe zou je het vinden als ik jullie aan elkaar voorstel? Dat gaat ook vaak erg goed. Ik heb vorig jaar nog een stel van allebei in de 80, waren een mijnheer en een mevrouw, die waren heel eenzaam op zoek gewoon naar een vriendschap. Maar ik kreeg in december een appje dat ze verkering hadden. Supermooi. De voorzitter: Er zijn ook succesverhalen? Mevrouw Van der Waal: Er zijn ook succesverhalen. Mevrouw De Kruijff: Er zijn echt succesverhalen. De voorzitter: Maar nu de dichte voordeur.
32
Mevrouw Van der Waal: De dichte voordeur. Ik maak het weinig mee dat mensen voor mij de deur niet opendoen. Ik krijg weleens aanmeldingen via via van mensen, maar dat zijn dan echt de zorgmijders ... Mevrouw De Kruijff: Die komen weer bij ons. Mevrouw Van der Waal: Die komen dan ofwel bij het Sociaal Wijkteam of ik meld ze aan bij Zorg en Overlast. Soms ben ik ook weleens samen met Zorg en Overlast bijvoorbeeld opgetrokken. Dat ik dan bijvoorbeeld probeerde diegene te motiveren voor hulp vanuit de Wmo. Dan spelen we een beetje good cop, bad cop. Dan krijgen we het toch uiteindelijk voor elkaar dat die persoon op de juiste plek komt, meestal. De voorzitter: Mevrouw De Kruijff, geldt dat voor u ook, dat u dat ... Mevrouw De Kruijff: Ja, dat geldt voor mij ... Ik heb daar wel een voorbeeld van een dame die wel heel koppig is. Of daar psychisch iets mee aan de hand is of dat ze gewoon simpelweg heel koppig en eigenwijs is dat weet je soms niet helemaal. Maar daar zou ... Dan komt dat hele verhaaltje met die ketenaanpak en het netwerken wel in naar voren. Die zou afgesloten worden van het water. Daar komen ook meldingen van binnen bij ons. Daar gaan we ook op af van, wat is er aan de hand? Die is gewoon echt super eigenwijs en zegt, maar dat heb ik al betaald en ze gaan maar op het dak zitten en het zijn dieven. Weet je zo dat soort, maar ondertussen ontstaat er wel een probleem.
De GGD is daar ook langs geweest vanuit die melding Zorg en Overlast. Daar ben ik dan in eerste instantie samen mee opgetrokken. Die kwamen ook ... De ene komt wel binnen in de ander niet. Het is ook maar net of je ogen aanstaan of niet en hoe de pet staat van die persoon. Ik kwam dan wel daar binnen. Dan moet je een beetje een soort aanvoelen van, hoe kan ik haar vertrouwen winnen? Dan heeft ze bijvoorbeeld een vraag die heel erg prangend is zo van, ik moet per se dit betalen aan de BENU en dat slaat nergens op. Gaan we samen bellen. Dan kom je zo binnen. Dan heb je maar één dingetje geregeld of gevraagd en dan, zal ik dan volgende week toch nog maar een keer komen? Dat vind ik helemaal prima. Zo van lieverlee ... Dan is het niet zo'n heel proces wat soms beschreven wordt over hoe een traject moet lopen of hoe een plan van aanpak moet zijn. Je vloeit dan een beetje mee met hoe het loopt. Dat was wel lastig om daar wat in te krijgen. Uiteindelijk is ze gevallen ook nog met de scootmobiel of heeft ze een ongeluk gehad. Kwam ze inderdaad in zo'n verpleeghuis terecht, want ze kon niet naar huis, want ze is alleen, geen netwerk. Zo'n heel verhaal is dat dan al. Werk je samen met het ziekenhuis. Wat moet er allemaal gebeuren voordat ze naar huis kan? Dan heb je dat ook geregeld.
Maar in de tussentijd is er wel vertrouwen ontstaan en is het gelukt om Grijs Genoegen bij haar in te zetten als individuele begeleiding. Nu komt er iemand anders elke week twee uur of zo bij haar langs. Maar daar zit ook het verhaal met de financiën. Wat heel lastig is ook soms, soms is er zo'n grijs gebied waarin mensen wel of niet eigenlijk bewind zouden nodig hebben. Mensen die nog geen diagnose hebben van dementie, maar waar het echt helemaal misloopt. Dat is echt heel lastig om dat voor elkaar te krijgen. Het is mij nog eigenlijk niet gelukt. De voorzitter: Er zijn nog vragen. Mijnheer Portier en dan mijnheer Burakçin en misschien dat we dan langzamerhand naar mevrouw Spruit kunnen gaan.
33
Mevrouw Van der Waal: Mag ik nog een aanvulling ... De voorzitter: U wilt nog een aanvulling geven. Mijnheer Portier, nog heel even geduld. Mevrouw Van der Wal: Excuus, ik was nog niet helemaal uitgepraat op uw vraag. Vandaar dat ik dacht, ik wilde ook nog even noemen dat ik heel veel samenwerk met Hulplijn Dordt. Als mensen helemaal geen netwerk hebben en ik kan niemand matchen, dan schakel ik vaak Hulplijn Dordt in. Dat is dan met betrekking tot eenzaamheid, maar ook soms voor praktische hulp, zoals tuinhulp, wandelmaatjes, dat soort dingen. De voorzitter: Mijnheer Portier, brand maar los. De heer Portier: Ik had even een praktische vraag over die verhuizing. Als ik over dertig jaar uit huis gehaald moet worden, gaat mijn dochter ook geen duizend boeken inpakken. Maar u had het net over iemand bij wie dan uiteindelijk een verhuisvergoeding geregeld werd. Maar dan zijn er weer allemaal dingen die mensen moeten gaan regelen. Als mensen inderdaad niet zo heel makkelijk zijn in het regelen van zaken en dat is toch nodig dat ze verhuizen en er is inderdaad een huis waar ze naartoe kunnen, is het dan nu ook niet mogelijk om in plaats van verhuiskostenvergoeding te geven gewoon een verhuisbedrijf te bellen en op die manier de mensen een beetje te ontzorgen? De voorzitter: Hulp in natura. Mevrouw De Kruijff: Dat is ook wel gebeurd hoor. Dat is vanuit de Wmo.
Die contactpersoon heeft ook dit verhuisbedrijf ingeschakeld en de afspraken gemaakt. Dat is ook wel op die manier zo gegaan. De voorzitter: Dat was een praktische vraag en een praktisch antwoord. U wil nog wat aanvullen? Mevrouw Van der Waal: Ja, graag. Want in het geval van mijn casus waar ik net over sprak, dat was een mijnheer van 82. Zijn partner was overleden, maar ze hadden allebei nog een aparte woning. Maar mijnheer had wel de laatste zes jaar bij zijn partner gewoond, omdat hij zijn mantelzorger was. Op moment dat de partner overleed, wilde hij heel graag in het huis van zijn partner blijven. Dat was in eerste instantie ook afgewezen door de woningbouwvereniging. Ik heb toen bemiddeld daarin. We hebben het voor elkaar gekregen dat hij daar mocht blijven. Gelukkig had deze mijnheer wat geld, waardoor we een ontruimingsbedrijf in de hand konden nemen en die heel veel zorgen daarin uit handen heeft genomen. De voorzitter: Mooie aanvulling. Mijnheer Burakçin, weet u uw vraag nog? De heer Burakçin: Jazeker. Voorzitter, ik heb een vraag over de sociaal pontonnier of de samenwerking met de sociaal pontonnier. Die komt erbij kijken als er systeemknelpunten zijn of wat dan ook, waar jullie kennelijk mee te maken hebben.
Mijn vraag is, wordt daar nog heel veel gebruik van gemaakt en bij welke casus wordt daar gebruik van gemaakt? Mevrouw De Kruijff: Ik heb een keer, eenmaal daar gebruik van gemaakt, maar toen was de route nog zo dat wij zelf contact zochten met de sociaal pontonnier. Nu gaat dat via
34
de doorbraakregisseur, omdat ik geloof dat iedereen de sociaal pontonnier ging bellen. Want alles is natuurlijk een knelpunt, denk ik. Er zit een soort nu iemand tussen. Maar toen dat nog niet zo was, heb ik wel daarmee samengewerkt. Huisvesting voor een moeder die bij een vreemde op de grond op matrasjes lag en die ... Hoe vaak daar gebruik van gemaakt wordt, dat weet ik niet. Ik weet wel dat het nu gaat via de doorbraakregisseur. Ik werk nu drie jaar bij dit wijkteam en ik heb daar zelf eenmaal gebruik van gemaakt. De voorzitter: Mevrouw Verkade wil daar ... Mevrouw De Kruijff: Nee, tweemaal. Dat stukje ... Want ik had ook nog zo'n prangende vraag over bewind. Er moest iemand echt onder bewind. Dat is gewoon ook niet gelukt. Daar is echt een vraag over vanuit ons, dat daar wel een soort van, hoe zeg je dat, beslisboom of werkwijze komt van, hoe gaan we daarmee om? Wie kunnen we bellen? Want er zijn wel mogelijkheden en er zijn wel ... Volgens mij kunnen geloof ik ook ... Ik weet niet of burgemeester en wethouders daar iets in kunnen betekenen. Maar hoe dan? Wie gaat dat doen? Want niemand wil zijn handen daaraan branden. Niemand wil de beslissing nemen, ik ontneem jou het recht, want zo voelt het dan, om niet meer voor je eigen financiën te zorgen, want het is nogal een dingetje.
Alleen denk ik dat de instanties die dat zouden kunnen doen moeten beseffen, dat doe je niet, dat doet de rechter. De rechter beslist dat. De voorzitter: Of mevrouw Verkade het verlossende woord gaat spreken, weet ik niet, maar ze wil in ieder geval wat zeggen. Mevrouw Verkade: Die sociaal pontonnier werd steeds populairder natuurlijk. Mevrouw De Kruijff: Die werd hartstikke populair. Mevrouw Verkade: Maar nu, in Dordrecht Sociaal worden die, hoe noemde je ze, procesregisseurs ... Mevrouw De Kruijff: Doorbraakregisseurs. Mevrouw Verkade: Doorbraakregisseurs. Er zijn per team doorbraakregisseurs opgeleid, zodat het wijkteam ook zelf steeds beter wordt in zelf die doorbraken ook te creëren. Op het moment dat zij dat zelf niet kunnen, dan heb je de sociaal pontonnier. Die heeft dan mandaat, staat dicht op wethouder, burgemeester et cetera. We hebben gewoon meer die scoop in die werkwijze geïmplementeerd in het Sociaal Wijkteam. Het gaat vooral op multiproblem casussen, want je vraagt dat nu ook aan iemand die vooral met ouderen bezig is en die komt dan weleens een casus tegen. Maar het zijn natuurlijk vooral de heftige multiproblem casussen waar de sociaal pontonnier voor wordt ingeschakeld. De voorzitter: U heeft een uitvoering antwoord gehad, maar misschien toch nog een vraagje. De heer Burakçin: Een kleine verhelderende vraag.
Maar over welke aantallen spreken we jaarlijks? Heeft u daar zicht op? Nee?
35
De voorzitter: Te moeilijk. Dan stel ik voor dat we naar mevrouw Spruit gaan, want die wil ook nog wat vertellen. Mevrouw Spruit: Goedenavond allemaal. Ik ben Femke Spruit van Stichting Helpende Handen Nederland, heten we heel deftig. We hebben in Dordrecht Oost twee locaties. We zijn een sociale onderneming, waarbij we met studenten eigenlijk voornamelijk en participatiedeelnemers informele hulp leveren bij de mensen thuis. Vaak in samenwerking met thuiszorg, Sociaal Wijkteam en de social makelaars. Maar daar valt nog, naar mijn idee, wel te verbeteren. Maar ik zal keurig eerst het verhaal houden. Ik heb jullie allemaal al een koffiekaart uitgedeeld, want wij hebben ook een platform binnen Dordrecht, op d’recht sociaal. Namens hen zit ik ook een beetje mee aan tafel. Wat bij ons of binnen Helpende Handen erg opvalt, is die bestaanszekerheid. We hebben natuurlijk ook al jonge mensen, dat is al hiervoor ter sprake gekomen, maar die zien wij ook. Die lopen stage bij ons. Daar is bestaanszekerheid soms helemaal niet een vanzelfsprekend uitgangspunt. Dat geldt ook voor wijkbewoners. We hebben ook met op d’recht sociaal het coronasteunpakket mogen uitvoeren, met een subsidie van de gemeente Dordrecht. Ook binnen al die sociale ondernemingen zien we dat bestaanszekerheid en dat normaliseren dat dat een uitgangspunt is wat soms nog behoorlijk ver weggaat.
Eigenlijk zou ik meteen in mijn verhaal toch hier neer willen leggen van, er zit een stuk voor en dat is ... We hebben de presentiebenadering binnen die sociale onderneming toch wel omarmd. Dat je vanuit die relatie met je wijkbewoners, op de plekken waar mensen komen, waar je ze ontmoet, dat je daarvanuit gaat vertrekken. Dat stukje miste ik eigenlijk als ik die uitgangspunten in het sociaal beleid zag. Het normaliseren. Wat is normaal? Dat wordt natuurlijk altijd een heel lastig punt, zeker zoals je ook nu hier in de gesprekken die je hoort meteen toch hoort dat achter normaliseren vaak een financiële prikkel zit. Daar lopen wij wel tegenaan. Meer inzet op preventie, sociale cohesie. Een groot belang vinden wij de bereikbaarheid van die wijk en ontmoetingsplekken. Helpende Handen is heel laagdrempelig. Mensen bellen zelf een Sociaal Wijkteam, kerken, we werken met de Hulplijn Dordt samen. Alleen wij zijn nog gebiedsgebonden. Wij zitten in Oost en wij krijgen ook wel telefoontjes van mensen uit andere wijken die zeggen, kunnen jullie bij ons ook die praktische hulp bieden? Want dan heb je het over een hulp in de huishouding, eens naar een winkel samen, gezelschap, naar buiten wandelen, net met die rollator naar buiten wat niet lukt. Eigenlijk zien we dat die vraag wordt wel groter, maar we hebben niet meer potentieel om dat te vervullen.
Die bereikbaarheid, dat gesprek aangaan met die mensen, dat is toch altijd weer het uitgangspunt. Dat normaliseren, zonder oordeel mensen tegemoet treden, dat is soms al heel moeilijk. Want ik hoor hele mooie verhalen van het Sociaal Wijkteam, maar ik ken de situatie zoals die in Dordrecht Oost is. Daar zien we mensen gewoon dwalen om het gebouw, omdat ze de deur van het Sociaal Wijkteam niet kunnen vinden. Ik zeg het toch maar even. Dat is gewoon moeilijk. Daar merken we dat soms oplossingen gezocht worden, begrijpelijk ook. Er ligt ook druk op jullie doelstellingen, waardoor soms toch de tijd voor de relatie en het met elkaar bekijken wat echt nodig is waar jullie dan wel weer meer tijd voor hebben, wat kunnen we daar met elkaar mee doen? Wat kan ik nog meer vertellen? Wij zien de afgelopen jaren, we bestaan bijna 12,5 jaar trouwens met Helpende Handen, een toename in de complexiteit. De mensen merken dat die zorg tekorten lopen op. Het ontbreken van een netwerk is een heel herkenbaar fenomeen. Wij
36
moeten soms familiemantelzorgers in Groningen ... Die blijken dan net zo hulpbehoevend te zijn aan de andere kant van de lijn. Maar dan probeer je toch van, hoe gaat het? Wij werken met een kleine eigen bijdrage, omdat we anders zelf niet kunnen bestaan als sociale onderneming. Dan is dat soms een heel gepuzzel om dat voor elkaar te krijgen, zoiets kleins. Dan heb je het nog niet over andere zaken. We hebben met bijvoorbeeld het coronasteunpakket de wijkwinkel methodiek van De Buitenwacht ook in Sterrenburg nu geïmplementeerd. Is daar ook heel succesvol. Komen mensen en eigenlijk je begint met een klein verhaaltje, maar dan, als je verder gaat pellen, komt er van alles je tegemoet. Daar gaat de samenwerking met het Sociaal Wijkteam heel goed in. Die eigenlijk een soort filteren en zeggen, gaat u naar die wijkwinkel toe, want daar kunnen ze u met dit probleem helpen, waardoor je elkaar versterkt. Dat zijn mooie ontwikkelingen. Op het moment is er ook gewoon een wachtlijst voor huishoudelijke ondersteuning. Dan zien wij dat soms een Wmo-consulent zegt, dan moet u Helpende Handen bellen, want dan kunnen die dat wel meteen doen. Soms kunnen we gerust wat betekenen, maar wij zijn geen vervanging van de professionals die in die situaties ook nodig zijn, wat ik hier ook al eerder hoorde. Het ontbreken van middelen. Wij zien echt veel mensen waar de armoede schrijnend is.
Zowel in het huis, je ruikt het, je ziet het. Waar studenten soms de thee van al negentien cent nog moeten gaan ruilen voor nog een goedkoper merk, waardoor gewoon mensen weinig middelen hebben om letterlijk te bestaan. Waarbij de energiecrisis toeslaat, omdat ze juist in een huis zitten waar het een beetje door de ramen wappert, ze het koud hebben. Dat soort dingen. Zorgtekorten. De voorzitter: Mevrouw Schnabel heeft een vraag voor u. Mevrouw Spruit: Graag. Mevrouw Schnabel: Dank u wel voor wat u vertelt. U vertelt net, studenten. Komen er dan ook echt studenten naar jullie toe? Mevrouw Spruit: Bij Helpende Handen is, zoals de thuiszorg werkt, daar hebben we echt een locatie. Daar, zoals aan deze tafel, starten ze ’s morgens. Dan gaan ze naar mensen toe, waar wel de coördinator altijd op intake is geweest. We weten altijd in welke situatie ze zijn. Soms gaan ze samen naar mensen toe. Dan in het kader van hun opleiding lopen ze stage. Dan gaan ze bijvoorbeeld. Ze doen entreeopleiding zorg en dienstverlening of helpende. Gaan ze bij de mensen thuishulp en ondersteuning bieden. De voorzitter: Heeft u nog een vraag, mevrouw Schnabel? Mevrouw Schnabel: Ja, dank u wel. Ik dacht dat het had over dat u studenten treft, die in armoede leven, maar ... Mevrouw Spruit: Ja, maar wij treffen ze ook ’s morgens ... Die komen bij ons bij wijze van spreken die stage lopen.
Wij zien soms studenten, we ruiken ze soms ook al van verre, die geen middelen hebben, soms niet hebben gegeten en an moeten ze nog aan de dag gaan beginnen. De voorzitter: Maar voor de helderheid, die studenten zijn dan geen cliënten van u, maar stagiaires of iets dergelijks.
37
Mevrouw Spruit: Dat weten we soms niet meer helemaal helder, omdat daar ... Wij zijn gewoon mensen. Je doet zoiets, omdat je een sociaal hart hebt. Dat treft ook ... De studenten hebben bijvoorbeeld ook bamisoepjes en koeken van de Lidl liggen om daar toch ook wat in te kunnen stoppen. Mevrouw Schnabel: Een hele kleine aanvulling. Deze studenten waarmee jullie dan ook samenwerken, komen die dan van het hbo en het mbo hier in Dordrecht? Mevrouw Spruit: Met name mbo. Mevrouw Schnabel: Mbo. De voorzitter: Mijnheer De Heer. De heer De Heer: Voorzitter, dank u wel. Dank u wel ook voor het verhaal. Ik besef me dat met deze samenstelling we ook meer de formele dn de informele zorg naast elkaar aan tafel hebben. Ik vraag me dan ook af als we nadenken voor de toekomst, hoe kan dat beter en integraler? Ik ben ook benieuwd welke kansen u ziet voor de toekomst om in de samenwerking met meer de formele zorg samen te werken en daar ook slagen te maken. Misschien ook in relatie tot ben ik benieuwd dan naar die laagdrempelige inloopplekken in de stad, die u ook noemde en ook in een aantal stukken terugkwamen. Hoe zou dat een rol ook kunnen spelen daarin? Mevrouw Spruit: Je mist eigenlijk dat de formele en informele partners op eenzelfde wijze gefaciliteerd worden om ook te kunnen netwerken. Als het Sociaal Wijkteam netwerkt, is daar gewoon hun vergoeding en hun salaris tegenover.
Terwijl als sociale partners en sociale ondernemingen dat doen, is er vaak een heel groot stuk vrijwillige energie bij betrokken, omdat die van subsidies, fondsen, een kleine eigen bijdrage in het geval van Helpende Handen van de cliënten zelf die bijdraagt. Maar daar zitten wel vakkrachten, zijn er in dienst, die eigenlijk alleen maar toegerust zijn om dat te doen en vanuit die kant bekostigd worden. Als ik hier zit ’s avonds ... Nu hebben we gelukkig een innovatiebudget van de gemeente gekregen, kan ik daar wat voor declareren. Maar normaal gesproken doe je dat op vrijwillige energie. Dat zit in geen bekostiging berekend. Datzelfde geldt dan waarbij de verbetering voor het netwerk echt zou kunnen. Ook de samenwerking zou veel beter kunnen als je elkaar veel beter kent en weet hoe je dat kan aanvullen. Mevrouw De Kruijff: Daar wil ik wel wat op zeggen. De voorzitter: Je wilde wat aanvullen en daarna mijnheer Bootsman nog. Mevrouw De Kruijff: Want we krijgen nu in het wijkteam best wel vaak vragen van, we willen graag komen kennismaken en we willen een presentatie komen doen. Maar wij hebben ook maar een bepaald aantal collega's die een caseload hebben van best groot. Dan willen ze graag met ons allemaal tegelijk dat doen, maar als je het dan gaat uitrekenen, dat is gewoon dertig manuur wat dan even niet dat aan het doen is, terwijl dat netwerk wel superbelangrijk is.
Aan de andere kant denk ik ook, netwerken wordt
38
genoemd vaak de organisaties die met elkaar samenwerken, maar je werkt natuurlijk ... Het zijn de personen die werken voor de organisaties die je in je telefoon hebt staan en die je belt. Als je elkaar al eens gevonden hebt, dan vind je elkaar de volgende keer ook wel weer makkelijker. Netwerken kan ook wel op een denk ik andere manier dan per se met allerlei samenkomsten. Mevrouw Spruit: Daar ben ik zelfs helemaal niet voor en ik ben allergisch voor post-its. Dat helemaal niet. Maar wat wel natuurlijk ... Wat ik probeer te zeggen is van, als je als gemeente dat wil, zal je als ook gemeente daar echt actief op moeten acteren. Dan heb ik het niet allemaal presentaties bij elkaar geven, maar wel elkaar goed kunnen vinden. Wat mensen bijvoorbeeld bij ons heel vaak zeggen is, ik krijg jullie gewoon aan de telefoon. Eerlijk is eerlijk. Ik heb jullie ook weleens gebeld, dat lukt niet meteen. De voorzitter: Er zit een wethouder aan tafel die meegeluisterd heeft, misschien dat die nog een keer daarop reageert. Maar mijnheer Bootsman mag eerst een vraag ...
De heer Bootsman: Voorzitter, dank u wel. Ik hoorde mevrouw Spruit net iets zeggen over, ook in de kader van die integraliteit, van de formele en informele zorg, dat dingen daar met de wachttijden van de huishoudelijke hulp die er op dit moment zijn en dat er dan verwezen wordt naar Helpende Handen. Zijn daar ook afspraken in gemaakt tussen de formele en informele zorg dat jullie daarin naar elkaar verwijzen? Mevrouw Spruit: Nee, er zijn op die manier geen afspraken over gemaakt. Wel dat wij natuurlijk soms ... Het bestek van de huishoudelijke zorg zal jullie niet onbekend zijn, maar daar worden geen boodschappen gedaan, daar worden ramen gezeemd, daar worden niet eens een wandelingetje mee gemaakt. Dat kunnen we mooi aanvullen binnen de wijken waar wij actief zijn met elkaar. Maar wij kunnen niet ... Soms ook in situatie waar het echt schrijnend is ... Er was wel bijvoorbeeld een casus, daar was kanker geconstateerd, er moest chemotherapie, maar er was ook al een zieke partner. Daar moest huishoudelijke hulp gewoon in. Dat moest dan eerst eigenlijk door de puberzoon. Uiteindelijk waren we er over eens, dat kon niet, maar er was gewoon niemand. Dan kan je niet zeggen, dat kan Helpende Handen oplossen. Dat is dan eigenlijk al veel te complex. Stel dat er al een huishoudelijke hulp was, zou je wel kunnen zeggen, die komt samen. Dan versterk je dat.
Die kan dan bijvoorbeeld nog even dit of dat extra doen. Maar in dit geval en nu op dit moment weten we gewoon dat het duurt wel bijna, ik durf het niet heel hardop te zeggen, zes maanden voordat er huishoudelijke hulp is. De voorzitter: Mijnheer Bootsman, uw vraag is hiermee behandeld? De heer Bootsman: Ja, zeker. De voorzitter: Dan ga ik naar mijnheer Van Ballegooijen. De heer Van Ballegooijen: Dank u, voorzitter. Mijn vraag sluit daar een beetje aan op de heer Bootsman. Ik hoorde inderdaad ook mevrouw Spruit en mevrouw De Kruijff een aantal keer noemen dat er vooral ook een tekort is aan handen, zowel in de formele kant
39
als in de informele kant. Men verwijst naar elkaar door, maar ook daar zijn tekorten. Ziet u die tekorten in het aantal mensen ook als het grootste probleem op dit moment en richting de toekomst, of zijn er andere dingen die nog een groter issue zijn? Mevrouw Spruit: Ik zie het vooral ook wel als een kans. Ik ben ook heel blij dat we nu op deze manier aan tafel zitten, om juist te versterken wat we al hebben en dat misschien met een heel klein beetje professionele inzet een aanjager te laten zijn. Met name wil ik dan ook benadrukken de sociale ondernemingen. Daar zit gewoon een groot potentieel met wijkbewoners die laagdrempelig ontmoeten en die toch door juist dat vertrouwen en de ban dingen gaan doen waarbij ze weer gaan participeren en een deelname kunnen zijn. Soms voor een buur of iemand in de flat een mantelzorger kunnen zijn, omdat ze dan bijvoorbeeld een boodschapje doen één keer per week. Zo laagdrempelig zou je eigenlijk elkaar moeten kunnen weten te vinden. Dan natuurlijk dreigen die zorgtekorten, maar als je dan handig gebruikmaakt en niet de schotten zo over moet, maar de deur even open kan doen, dat scheelt. De voorzitter: Genoeg, mijnheer Van Ballegooijen? Dank je. Dan ga ik naar mijnheer Van Dam. De heer Van Dam Timmers: Dank, voorzitter. Ik heb eigenlijk een korte vraag. We hebben natuurlijk een startnotitie.
Is dat een deel van de oplossing voor de problemen waar u tegenaan loopt? Mevrouw Spruit: Voor een groot deel wel, maar we zijn er niet helemaal. Wat ik al zei, je hebt ook echt eerst nog wel het zicht op de mensen nodig. Als ik bij jullie ook hoor van, we gaan vragenverheldering en ... Weet je, dan ... Ik herken het, want ik ben zelf ook wijkverpleegkundige geweest. Ik snap de taal en ik snap het werk. Maar tegelijkertijd denk ik dat we door de verschillende financieringsstromen en tegelijkertijd een integraal beleid maken, wel een hele grote uitdaging voor ons hebben. De voorzitter: Vervolgvraag, mijnheer Van Dam? De heer Van Dam Timmers: Ja, dank. Dat zijn natuurlijk hele mooie integrale woorden. Mevrouw Spruit: Ik heb ook huiswerk gekregen, van tevoren. De heer Van Dam Timmers: Precies. Dat begrijp ik, maar waar ik naar op zoek ben, je hoort vaak van, ook vrijwilligersorganisaties hebben natuurlijk wel deels een betaald kader, dat die er soms tegenaan lopen dat hun financiering te kort loopt of kortjarig is. Dat is een knelpunt. Of dat zeggen, we weten elkaar niet te vinden. Er is niet echt een goed overzicht van elkaar. Zijn dat soort dingen volgens u nu voldoende geregeld of zegt u van, daar zitten eigenlijk ook nog wel knelpunten? Mevrouw Spruit: Daar zitten ook nog wel knelpunten. Daarom benoemde ik dat net ook. Maar ook binnen op d’recht sociaal merken we dat dat ...
Het verschil in bestaanszekerheid, als je het hebt over formeel en informele partijen, is natuurlijk al dusdanig dat dat gewoon een bedreiging zou kunnen zijn. Als één zo'n partij in een wijk wegvalt die een heel groot informeel netwerk heeft, dan is dat een bedreiging.
40
Vrijwilligers worden schaarser. Als je die niet weet te binden en te boeien en aan je vast te houden, dan heb je een probleem. De voorzitter: Genoeg, mijnheer Van Dam? Is er nog iemand die een vraag heeft? Mijnheer Portier. De heer Portier: U zegt dat vrijwilligers schaarser worden. Is het niet meer zo de afgelopen jaren dat steeds meer werk wat vroeger door beroepskrachten betaald gedaan werd, wordt afgeschoven op vrijwilligers. Dat op zich niet er minder mensen zijn die vrijwilligerswerk doen, maar dat er een steeds groter beroep wordt gedaan door de maatschappij, dit moet maar door vrijwilligers opgelost worden. Mevrouw Spruit: Ten dele. Maar er zijn ook echt minder mensen. De vutter, mijn vader ging met 55 of 57 in de vut. Ik heb die leeftijd al lang gepasseerd, maar ik ben nog volop aan het werk. Die schoof in een fotoclub. Ik noem maar wat. Maar dat zie je, dat merk je bij verenigingsleven ook. Dat merken wij ook. Dat is een groot verschil. Ik zeg altijd, bij Helpende Handen leer ik jongeren weer hoe leuk vrijwilligerswerk kan zijn. We werken samen met Dordtse Helden. Daar zie je dat jongeren het weer oppikken, juist omdat ze op die manier in contact komen en voelen wat het is om wat voor een ander te doen. Maar er zijn echt op het moment gewoon ook te weinig vrijwilligers. De voorzitter: Ik kijk nog even rond. Mevrouw Spruit: Ik heb zelf nog een afsluitende ...