CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2020.12.08 Dordrecht Commissie Fysieke Leefomgeving.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 26 januari 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 2: Vaststellen van de notulen van de Gemeenteraad van 15 december 2020, de commissie Grote Projecten van 3 december 2020, de commissies Bestuur en Middelen, Sociale Leefomgeving en Fysieke Leefomgeving van 8 december 2020.25.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Als er tussendoor vragen zijn, wat mij betreft kan dat via de chat, dan kunnen we daar meteen op ingaan. Want het is ook vooral bedoeld om het interactief te krijgen. Ik heb al wel een vraag, van Bauke, als ik het goed heb. De heer Van der Meer: Ja, u zegt: er is een tijdelijk omgevingsplan. Maar we hebben nu kortgeleden een uitvoerig document gekregen, waar ik mij doorheen aan het worstelen ben. Daarin staan allerlei dingen in en ik heb begrepen dat geleidelijk aan de komende jaren daar allerlei onderdelen verder van ingevuld kunnen worden. Wanneer noem je het nou niet meer tijdelijk en wanneer is het nou definitief? Want dat is mij niet duidelijk. De heer Van de Rijdt: Dat is ook een hele complexe materie, omdat met overgangsrecht krijg je eigenlijk gewoon een nieuw omgevingsplan, alleen dat noemen we tijdelijk, omdat daar nog de oude regelingen in zitten en dat het nog geen regelingen zijn die tot stand gekomen zijn op basis van nieuwe criteria van de wet, namelijk een goede fysieke leefomgeving of een evenwichtige toedeling van functie aan locaties. Maar die zijn nog eigenlijk gebaseerd op goede ruimtelijke ordening. De heer Van der Meer: Maar het zou dus wel kunnen dat we over anderhalf jaar, over twee jaar wel een verhaal over het Maasterras daarin hebben staan, bijvoorbeeld.

De heer Van de Rijdt: Dat is denk ik één van de keuzes die u, en wij als organisatie, waar we mee te maken krijgen. We kunnen dat omgevingsplan proberen in één keer te maken, maar je kunt het ook per gebied of per thema opstellen. Iedere keer wijzig je dan een stukje van dat tijdelijke omgevingsplan en dan wordt het een permanent omgevingsplan. De heer Van der Meer: Oké, duidelijk. De heer Van de Rijdt: Op die manier kan dat omgevingsplan langzaam ontstaan. Ook nog een vraag van Bauke van der Meer, als ik het goed heb.

23

De voorzitter: De heer Van der Meer hebben we net gehad, er is nog een vraag van mijnheer Oostenrijk. De heer Van de Rijdt: O sorry, excuus. De heer Oostenrijk, ja. De heer Oostenrijk: Ik vind het een interessante casus, temeer omdat naar mijn gevoel dit gebied eigenlijk gaat over het befaamde en nog niet geopenbaarde plan van Mecanoo. Maar als ik dat zo beschouw en je moet uitgaan van een nog niet fungerende omgevingsplan voor dat gebied en je constateert ook dat je niet kunt terugvallen op een oud bestemmingsplan, want dat leent zich er helemaal niet voor, want we hebben het in dit geval over de Weeskinderendijk en omgeving, dan kom je eigenlijk dus in een niemandsland terecht. Dus wat is dan de positie van zowel het college als de raad? Dan moet je toch, denk ik, eerst dan maar het oude middel van een bestemmingsplan maar hanteren? De heer Van de Rijdt: Eigenlijk gaat deze presentatie precies over deze vraag, dus ik denk dat de komende dia’s hopelijk een antwoord gaan geven. Wellicht dat we aan het eind van de casus nog even deze vraag erbij kunnen pakken, of die daarmee beantwoord is. Ik ga even door met de situatie. 2022, er is nog geen omgevingsplan, dus terug op een oud bestemmingsplan. Er ligt een verzoek voor een bouwplan en het college is in principe aan zet. De vraag is: hoe kan de raad nou nog invloed uitoefenen? Er is dan als het goed is een omgevingsvisie.

Die ligt nu als ontwerp ter inzage en die wordt nu ter vaststelling binnenkort aan u aangeboden. Maar dat is een indirect instrument, ik kom daar dadelijk nog op terug, hoe dat werkt. Maar dat is geen directe werking in juridische zin, er zitten geen directe regels aan. Het instrument ‘programma’ kan ook nog niet ingezet worden, want dat programma is er nog niet, dus daar kunnen we dan op dat moment nog geen gebruik van maken. Nou, het omgevingsplan, net al even aangegeven, dat hebben we nog niet, dus in principe kan de raad via het omgevingsplan op dat moment nog niet, in ieder geval niet vooraf sturen. Dan heb je de vergunningverlening, die zit straks bij het college, tenzij de raad gevallen heeft aangewezen waarin ze zeggen: daar willen wij advies in uitbrengen. Alleen als dat besluit genomen is mag de raad advies uitbrengen en dat is een soort van bindend advies. Maar daar is dus eerst een besluit voor nodig. Als dat besluit er nog niet is, is het in principe aan het college. Het laatste instrument, ‘monitoring’ – dus dat zijn de instrumenten van de beleidscyclus – ook dat vraagt eerst een besluit in het omgevingsplan. Dat is er ook nog niet, dus uiteindelijk zijn de mogelijkheden om te sturen in zo’n gebiedsontwikkeling, in zo’n situatie heel beperkt. Dus de omgevingsvisie indirect en via de vergunning alleen als er een aangewezen geval is benoemd door de raad.

De voorzitter: Oké, even, mijnheer Van der Meer heeft een vraag en daarna mijnheer Gündogdu. Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: In de werkgroep Omgevingswet werd gezegd dat die punten waar de raad een bindend advies over zou willen kunnen geven, dat dat ging over besluiten die buitenplans zijn, dat wil zeggen: afwijken van het omgevingsplan. U beschrijft een situatie waar in er nog geen omgevingsplan is. Komt u er nog op, hoe je

24

in die situatie dan aan kunt geven waarover je als raad advies wilt geven? Dus nog voor dat er een omgevingsplan is. De heer Van de Rijdt: Hier komen we weer een beetje bij de discussie. Er is wel een omgevingsplan, juridisch. De heer Van der Meer: Oké. De heer Van de Rijdt: Alleen dat is een tijdelijk omgevingsplan, dus het gaat hier over de buitenplanse afwijking. De heer Van der Meer: Ja, dus dat gaat, zolang er nog niet een echt omgevingsplan is over afwijking van bestemmingsplannen, als ik het goed begrijp. De heer Van de Rijdt: Ja, want daar ligt een omgevingsplan voor rechtswege, maar dat zit nog een bedrijfsbestemming op in veel gevallen, dus in ieder geval – of Weeskinderendijk: parkeren – dus daar kunnen nog geen woningen gebouwd worden. Dus er is een afwijking nodig en op dat moment heeft een initiatiefnemer de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen en moet het college binnen acht weken beslissen. Dat is eigenlijk zoals de Omgevingswet het nu juridisch geregeld heeft. De heer Van der Meer: Ja. Mevrouw Forsten: Mag ik daar iets aan toevoegen? De heer Van de Rijdt: Natuurlijk, Emma. Mevrouw Forsten: Dat tijdelijke omgevingsplan, dat is van rechtswege van kracht, dus dat is op dit moment van kracht. Dat tijdelijke omgevingsplan dat bestaat uit onze oude bestemmingsplannen plus de regels die we van het Rijk krijgen en dat is het vertrekpunt.

Dus er is wel een omgevingsplan, maar dat heet dan een tijdelijk omgevingsplan, wat eigenlijk bestaat uit alle oude bestemmingsplannen. Voor een gebied als Maasterras wil je natuurlijk iets nieuws hebben, omdat daar een hele nieuwe ontwikkeling plaatsvindt. Dus dat levert soms wat verwarring op, maar dat tijdelijke omgevingsplan dat is dus een verzameling van alle oude bestemmingsplannen plus de nieuwe Rijksregels. De heer Van de Rijdt: Ja, dank je wel, Emma. Het is ingewikkelde materie, dus terecht deze aanvulling. Als het nog steeds niet duidelijk is, dan stel vooral uw vragen en dan kunnen we daarop ingaan. De voorzitter: Dan heeft mijnheer Gündogdu een vraag aan u en daarna mijnheer Kleinpaste. De heer Gündogdu. De heer Gündogdu: Dank je wel, voorzitter. Ik heb inderdaad een vraag. Als ik zeg maar zo volgordelijk bekijk, wanneer komen mogelijke zienswijzen in beeld bij het college en worden wij als raad daarvan ook op de hoogte gehouden in deze volgorde?

25

De heer Van de Rijdt: Als het gaat om een omgevingsvisie is dat nu aan de orde, dus dan heeft u nu ter inzage daar kunnen zienswijzen op ingediend worden. Programma is een bevoegdheid van het college, maar daar zijn ook zienswijzen mogelijk. Een omgevingsplan heeft ook die procedure, eerst zienswijzen. Vergunning heeft die procedure niet, dus in het geval van die casus is het een reguliere omgevingsvergunning die binnen acht weken verlengd moet worden. Bij monitoring zit in beginsel ook geen zienswijzeprocedure. Mevrouw Forsten: Ook hier weer een aanvulling over het omgevingsplan, dat tijdelijke omgevingsplan wat van rechtswege van kracht is. Daar zijn geen zienswijzen voor mogelijk, dat is gewoon van rechtswege van kracht. Maar op het moment dat we het gaan aanpassen dan kunnen er weer zienswijzen op ingediend worden. De heer Van de Rijdt: Ja, een hele goede aanvulling. De heer Gündogdu: Oké, bedankt. De voorzitter: Mijnheer Kleinpaste, u had nog een vraag. De heer Kleinpaste: Voorzitter, die vraag is eigenlijk de volgende: ik word namelijk heel erg bezorgd en ongerust van een sheet als deze. Wat kunnen de mensen voor mij betekenen om die ongerustheid wat weg te nemen? Want ik zie eigenlijk dat je nul invloed overhoudt als politiek orgaan. De heer Van de Rijdt: Gelukkig is de presentatie nog niet klaar, dus de volgende dia’s gaan hopelijk dat ongeruste gevoel wat wegnemen.

Maar dat vraagt, en dat is precies waarom we vanavond bij elkaar zitten, wel wat besluiten van u en we willen eigenlijk vandaag duidelijk maken dat u daar ook tijdig over na moet denken: wat moeten we gaan doen om invloed te houden straks onder die Omgevingswet? Dus ik ga even door naar de volgende dia. De voorzitter: Gaat uw gang. De heer Van de Rijdt: Die omgevingsvisie, daar gaf het schema net aan, daar zit in directe invloed in. Dus die werkt niet rechtstreeks naar de burgers toe, maar het college is natuurlijk wel gebonden aan zo’n omgevingsvisie. Ik heb even een analyse gemaakt van het ontwerp omgevingsvisie zoals die nu ter inzage ligt. Heel kort, maar op de zeven doelen die in de omgevingsvisie staan doet de omgevingsvisie, als het gaat om het Maassterras, wel een aantal uitspraken waarvan je kan zeggen: daar moet het college zich in ieder geval aanhouden. Ik zal ze niet allemaal noemen, ik heb er twee geel gemarkeerd. In principe zegt de omgevingsvisie dat er geen plan voor woningbouw mag komen voordat er eerst een duurzaam mobiliteitsplan ligt. Dus er moet nagedacht zijn over: hoe ga je met mobiliteit om? Dat moet ook in een soort programma uitgewerkt worden. Een ander voorbeeld is bijvoorbeeld dat als daar ontwikkelingen plaatsvinden moet dat klimaatbestendig zijn.

Dat betekent bijvoorbeeld dat voor een plangebied dat ontwikkeld wordt veertig procent groen/blauw moet worden. Dus in die vergunningverlening kan het college niet voorbijgaan aan de uitspraken die gedaan zijn

26

door de raad in de nog vast te stellen omgevingsvisie zoals die nu als ontwerp ter inzage ligt. Belangrijke aanvulling daarbij nog: in de omgevingsvisie staat aangekondigd dat er voor het Maasterras een programma gaat komen. Of althans, het plan wat er nu ligt, dat dat nog een slag verder gebracht moet worden. Daarmee zou die indirecte sturing vanuit die omgevingsvisie nog verder versterkt kunnen worden, omdat de raad het college mee kan geven wat er in het programma moet komen. Dan ga ik weer iets dieper in de casus, want de gemeenteraad heeft ook nog het omgevingsplan als instrument zelfstandig beschikbaar. Dat is eigenlijk op twee manieren in te zetten, vooraf en achteraf. Ik begin met de variant vooraf. Dat wil zeggen dat de raad, voordat er ontwikkelingen kunnen plaatsvinden op het Maasterras – dus met spoed, als we daar snel willen bouwen – dat de raad uitspreekt: wij willen daar eigenlijk eerst een omgevingsplan vaststellen waarin we vastleggen wat de kaders zijn, wat de regels zijn voor de verdere planontwikkeling. Dat zijn dus de regels die het college dan in acht moet nemen bij initiatieven zoals ik die net in de casus benoemd heb. Die variant kom ik dadelijk in de volgende dia nog even op terug. Variant twee is de variant achteraf, zoals we die hier ook wel kennen.

Er is een initiatief, het initiatief past niet in het tijdelijk omgevingsplan, dus dan is er een wijziging van het omgevingsplan nodig, zoals dat nu met een postzegel of bestemmingsplan gaat of een bestemmingsplan voor een concreet project. Het omgevingsplan volgt dan het initiatief, het eerste initiatief, dan het omgevingsplan. Maar in het omgevingsplan heeft de raad de beslissende stem: hoe gaan we die ontwikkeling, onder welke voorwaarden gaan we die nu mogelijk maken? Die variant geeft natuurlijk veel meer sturing voor de raad, maar is voor het college ook wel weer lastiger als we snel die ontwikkelaar willen helpen, want die wil snel een besluit nemen om die woningen te bouwen en dat is nog best een lastige opgave. Maar goed, dat zijn wel twee varianten omgevingsplan die de raad in ieder geval als instrument in handen heeft. Ik zoom nog wat verder in op de casus waar er vooraf, dus dat de raad laten we maar zeggen in 2022 al een omgevingsplan voor het Maasterras gaat opstellen. In dat omgevingsplan staat dan bijvoorbeeld de regel dat het college met de vergunning medewerking kan verlenen aan initiatieven die bijdragen aan de doelen van de omgevingsvisie. Die doelen uit de omgevingsvisie, die heb ik net genoemd, die kan de raad weer een slag verder uitwerken in dat omgevingsplan.

Bijvoorbeeld voor klimaatadaptatie of voor klimaatbestendig Dordrecht zou je de regel kunnen opnemen: er mogen pas woningen gebouwd worden als voldaan is aan de eis veertig procent groen en water. In dat geval, als die aanvraag binnenkomt en er is dus dat omgevingsplan, dan moet het college die vergunning verlenen als aan de regel wordt voldaan die door de raad gesteld is. Als de raad in dat omgevingsplan op alle doelen regels stelt dan is op die manier ook de mogelijkheid om het college bij die vergunningverlening aan kaders te binden. De voorzitter: Ogenblikje. Ik zie, als ik het goed heb, want ik moest net even iets anders controleren, mijnheer Van der Meer nog met een vraag staan en mijnheer Portier. Klopt dat, mijnheer Van der Meer, dat u nog een vraag had? De heer Van der Meer: Ja, dat klopt, voorzitter. De voorzitter: Oké, gaat uw gang.

27

De heer Van der Meer: Die gaat al een stukje terug in het verhaaltje. U zei iets over: de raad kan dingen aan het college meegegeven nu in een programma. Bijvoorbeeld een programma voor Maasterras moet kunnen worden opgenomen. Maar ik heb het toch goed dat het programma door het college wordt vastgesteld, niet door de raad? Dus de raad kan wel wenselijkheden aandragen, maar keurt het programma als zodanig niet goed. De heer Van de Rijdt: Klopt helemaal, ja. Klopt helemaal. De heer Van der Meer: Oké, dat is mijn beeld. De tweede vraag die ik had die ging over die twee varianten die u noemde. Bij de tweede variant zegt u: daar heeft in feite, dat begrijp ik ook, de raad meer sturingsmogelijkheden. Maar het is lastig, want het kost te veel tijd eigenlijk en het college heeft haast, want er is een termijn van acht weken of zo. Dat betekent dus dat in de systematiek eigenlijk een druk zet, als ik het goed begrijp, om je daar als raad zo weinig mogelijk mee te bemoeien. Of zeg ik het nou te onvriendelijk? De heer Van de Rijdt: Nee, ik denk, snelheid is één van de belangrijke doelen van de Omgevingswet. Als je snelheid wil halen dan leert de ervaring in het maken van een omgevingsplan of een bestemmingsplan, daar ben je al langer dan een jaar mee bezig inmiddels. Eerder twee jaar dan een jaar en dan ben je misschien dat momentum kwijt.

Dus dat is een hele terechte opmerking, maar ook een lastige vraag voor u leeft: hoe gaan we daarmee om? De heer Van der Meer: Ja, een leuke puzzel. Dank u. De voorzitter: Er is nog een vraag van mijnheer Portier. Gaat uw gang, mijnheer Portier. De heer Portier: U stelde dat in variant één eigenlijk dat het college een hoop ruimte krijgt om in te gaan op vergunningsaanvragen. Maar als ik het goed begrijp heeft het college helemaal geen ruimte, als een ontwikkelaar met een plan komt dat aan de voorwaarden voldoet moet het verleend worden. Is het niet eerder zo dat de ontwikkelaar alle ruimte krijgt, eerder dan het college? De heer Van de Rijdt: Dat is een hele terechte opmerking, maar dat ligt er ook een beetje aan hoe het omgevingsplan geformuleerd is. Je kunt zeggen: het college mag medewerking verlenen aan woningbouwplannen die voldoen aan een goede stedenbouwkundige kwaliteit, ik noem maar een criterium. Maar dat is een hele open norm die het college zelf nog mag invullen: wat vinden wij dan goede stedenbouw? Daar zit de ruimte die de raad kan geven aan het college om bij de vergunningverlening de afweging te maken. Zo kunnen ze dat ook doen bijvoorbeeld met geluid, dat we zeggen: we staan toe dat er hoge waarden tot, ik noem maar wat, 58 dB optreden, maar het college moet wel per geval kijken of dat nodig is en of dat niet wat lager kan.

Op die manier kan de raad het college afwegingsruimte geven. Het laatste bullet geeft ook aan dat de raad ook kan afzien van de vergunningverlening en zeggen: we gaan alleen maar algemene regels opnemen. Dus we gaan precies bepalen: in dat gebied mogen zoveel woningen komen. Als een ontwikkelaar voldoet aan onze criteria die wij opnemen,

28

waarvan de regels in het omgevingsplan, dan kan de ontwikkelaar bouwen zonder dat er een vergunning nodig is. Dat is een heel ver uitgewerkte manier van omgevingsplan, maar dat is er wel eentje die de wetgever nadrukkelijk heeft mogelijk gemaakt. Dus dat betekent dat theoretisch het mogelijk is om woningen te bouwen zonder vergunning. Maar dan moet de raad wel hele duidelijke regels stellen en dan heeft het college eigenlijk geen afwegingsruimte meer. De voorzitter: Mijnheer Van der Meer die heeft hier nog een vraag over, denk ik. De heer Van der Meer: Ja, klopt. Over die algemeenheid van de regels, ik begrijp het nu dus goed dat als we in het omgevingsplan, denk maar even aan het definitieve omgevingsplan, als we daar hele scherpe regels inzetten – zoveel procent groen – dan moet elk voorstel wat daaraan voldoet gehonoreerd worden. Als we er iets vaags inzetten – ‘het college moet erop toezien dat er voldoende groen komt’ – dan kan het college daar een keuze in maken. De puzzel is dan dus: wanneer stuur je als raad, hoe kun je dan als raad het beste sturen? Aan de ene kant had ik het gevoel: dan moet je het zo concreet mogelijk maken in het omgevingsplan, want dan weet je in elk geval waar je de piketpaaltjes zet. Maar als je dat doet dan heeft het college geen speelruimte meer. Terwijl als je het vaag laat dan heeft de raad geen greep op het geheel.

Dat is een geweldig dilemma, lijkt me. Dus zie ik dat goed? De heer Van de Rijdt: Ik denk dat u dat helemaal goed ziet. Dus dat is precies het dilemma of het spanningsveld wat we ook willen laten zien en waar we met zijn allen goed over na moeten denken: hoe vinden we die balans tussen rechtszekerheid en flexibiliteit? Want daar gaat het uiteindelijk ook over. Tussen: wat bepaalt de raad en welke ruimte laten we het college? We zullen verderop zien dat het instrument ‘monitoring’ daar ook veel kan helpen. De heer Van der Meer: Ja, oké. De voorzitter: Ik stel voor – mijnheer Oostenrijk heeft nog een vraag gesteld – dat we deze vraag nog even doen, maar dat we dan verder gaan met de presentatie, want anders komen we daar misschien niet meer aan toe. Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: De discussie volgend kom je bijna tot de conclusie, wil je een beetje grip hebben als raad op de planvorming, dat je bijna genoodzaakt bent om zoveel bepalingen op te nemen aan de voorkant dat je niet achteraf geconfronteerd wordt met iets wat je niet wilt. Dat geldt natuurlijk zeker voor gebieden zoals hier het Maasterras, waarin natuurlijk de hele zaak op zijn kop komt te staan met nogal wat ambitieuze doelstellingen. Maar dan ben je bijna op het oude bestemmingsplanniveau aangeland. Klopt dat? De heer Van de Rijdt: Niet helemaal, hoop ik.

Maar de volgende dia’s gaan daar nog wat verder op in en ik denk dat we het daarna ook met de stelling aan u willen voorleggen, precies, wat het antwoord op deze vraag zou kunnen zijn. Ik zal de presentatie even afmaken van mijn deel en dan kunnen we die vraag denk ik nog laten terugkomen.

29

De voorzitter: Ja, ik hoop dat de vraag van mijnheer Portier ook even kan wachten tot de laatste dia’s geweest zijn. Kan dat? Even dan. Oké. Gaat u even door met de presentatie. De heer Van de Rijdt: We hebben hier dus de casus gehad met een omgevingsplan waar eigenlijk de koninklijke weg gevolgd wordt: de raad heeft een omgevingsplan gemaakt. Je hebt ook nog een variant, dat initiatief, dus er is een nieuw omgevingsplan, dus de raad heeft dat netjes opgesteld voor het Maasterras, met eventueel de concrete regels. Dan komt er een initiatief binnen, die casus die we net gezien hebben, en dan blijkt bijvoorbeeld dat dat bouwplan niet voldoet aan die eis van veertig procent groen. In dat geval staat de Omgevingswet toe dat het college toch mag afwijken van het omgevingsplan, met een buitenplanse afwijking. Dat is nu eenmaal door de wet zo bepaald, dus in dat geval is wel de motivering wat zwaarder, maar het college heeft dan toch de mogelijkheid – net zoals we in het verleden artikel 19 hadden – om af te wijken van een vastgesteld bestemmingsplan. Zo gaat het straks ook gelden voor het omgevingsplan, maar dan met de reguliere procedure binnen 8 weken. Dan komen we bij het instrument ‘monitoring’. Dat is in de beleidscyclus die Emma net liet zien – de eerste dia – de laatste stap.

Dat is een mogelijkheid die in de Omgevingswet door de wetgever een belangrijke plek is gegeven, die ook op landelijk niveau al veel wordt toegepast. Die zou je bijvoorbeeld kunnen toepassen op de regel dat 40%van het plangebied in het Maasterras uit groen en water bestaat. Dus even los van of er nou buitenplans wordt afgeweken kan de raad in het omgevingsplan opnemen dat dat gemonitord moet worden. Dus als zo’n regel is opgenomen, het college beoordeelt de bouwaanvraag, dan kan zij dus buitenplans tot de afweging komen: we gaan toch medewerking verlenen aan dit bouwplan, omdat we bijvoorbeeld in een latere fase wel wat groen gaan aanleggen. Daarmee voldoe je eigenlijk nog steeds aan het omgevingsplan, of in ieder geval aan de bedoeling van het omgevingsplan. Maar om dan daar als raad toch een invloed op te houden kun je dus in dit soort gevallen in het omgevingsplan vastleggen dat het college verplicht is om deze regel te monitoren. Eventueel kan de raad ook zeggen, als die eis van 40% niet gehaald wordt, dan wordt het college verplicht een programma uit te voeren zodat die 40% wel gehaald wordt. Dus op die manier kan op een regel toch, dat instrument monitoring, druk bij het college neergelegd worden om de doelen die de raad gesteld heeft te halen. Nu ga ik nog een slag dieper en dat is dezelfde casus, maar dan met de bouwenvelop.

Want die bouwenvelop, dat is een instrument die we nu ook heel veel toepassen of zien dat die toegepast wordt. Met een bouwenvelop, dat bedoel ik heel breed. Dat kunnen ook aanbestedingsleidraden zijn of masterplannen, ambitiedocumenten. Maar in heel veel gebiedsontwikkelingen binnen Dordrecht worden dit soort documenten gebruikt om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ik heb een aantal voorbeelden genoemd: de Middenzone, Amstelwijck, Vlijweide, Huis van Stad en Regio, Crown Point, allemaal grote gebiedsontwikkelingen waar eerst een soort uitwerking op bouwenvelop-niveau komt. De vraag is: hoe gaat dat straks onder de Omgevingswet? Heel kort even nog de kenmerken van een bouwenvelop of die andere documenten, die leidraden. Die hebben dus geen juridische status, nu niet en straks niet, dat zijn beleidsdocumenten. Het doel van die stukken is eigenlijk sturen op gewenste kwaliteit van leefomgeving, bijvoorbeeld om een aanbesteding, een ontwikkelaar of inschrijvende partijen zo hoog mogelijke

30

kwaliteit te laten halen op de beschreven eisen in die bouwenvelop. Een bouwenvelop is te typeren als een concrete vertaling van de doelen uit de omgevingsvisie voor een specifiek gebied. Dus als je kijkt bijvoorbeeld naar de bouwenvelop die voor Amstelwijck is opgesteld, dan is dat de vertaling van de structuurvisie zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld. Als je hem nu leest is dat bijna één op één zo overgenomen en op die manier werkt dus die structuurvisie nu door in die bouwenveloppen. Ik kom er dadelijk op terug hoe dat ook bij de omgevingsvisie kan zijn. De bouwenvelop wordt meestal niet vastgesteld door de raad, maar wel is er regelmatige behandeling in de commissie en worden daar raadsinformatiebrieven over opgesteld. Dus even als achtergrond. Nu wil ik even toespitsen hoe die bouwenvelop straks samenwerkt met de instrumenten van die Omgevingswet. Als het bijvoorbeeld gaat om de omgevingsvisie dan kan een visie die hele duidelijke uitspraken doet en bijvoorbeeld een dwingende input geeft als het gaat om het Maasterras, als het gaat om het woningbouwprogramma, voor welke doelgroepen gebouwd moet worden of hoeveel groen er moet komen of welke parkeernorm gehanteerd moet worden. Als de visie duidelijk genoeg is wordt het college dan ook gedwongen om bij het opstellen van die bouwenveloppen die visie te volgen, daar zit dan geen beleidsvrijheid.

Dus op die manier kan de omgevingsvisie doorwerken in dat soort ontwikkelingsdocumenten. Het programma kan eigenlijk ook een soort van bouwenvelop zijn, of het kan die bouwenvelop deels vervangen. Als we bijvoorbeeld kijken naar het Maasterras is een omgevingsvisie al aangekondigd: het huidige ambitiedocument moet eigenlijk nog een slag krijgen. Dat is een opdracht die de raad meegeeft aan het college. In die opdracht kan ze natuurlijk ook instructies geven: hoe wil ik dat dat programma uitgewerkt wordt? Dus die manier kan dat programma ook een rol spelen als er straks aanbestedingen worden gestart of partijen geselecteerd worden en die worden dan getoetst aan het programma. Als we kijken naar het omgevingsplan en we kijken ook bijvoorbeeld naar de pilot voor Amstelwijck zoals die nu gevolgd is dan zult u zien dat het opgestelde bestemmingsplan, wat een soort van omgevingsplan is, heel veel lijkt op de vastgestelde bouwenvelop die weer gebaseerd is op de structuurvisie. Die lijn die door de raad uitgezet is in die structuurvisie die is doorgetrokken naar de bouwenvelop en die komt bijna concreet terug in dat omgevingsplan. Dus op die manier kan een soort doorwerking plaatsvinden. Een andere mogelijkheid zou zijn bij vergunningverlening om te zeggen: de raad moet gaan beslissen, in welk geval wil u bij die vergunningverlening advies uitbrengen? Dus dat bindende advies.

Dat zou bijvoorbeeld ook gekoppeld kunnen worden – als er geen bouwenvelop ontwikkeld is of eventueel geen programma ontwikkeld is – dat hij dan zegt: dan moet er ook eerst recht van advies plaatsvinden, dus dan moet het college eerst advies inwinnen voor ze een vergunning kunnen verlenen. Tot slot kunnen ambities uit een bouwenvelop ook doorwerken in de monitoring die je in het omgevingsplan gaat regelen. Dat kan eventueel ook los van een gebiedsontwikkeling. Als je zegt ’het klimaat vinden wij belangrijk, wij willen we dat het college ieder jaar voor de hele stad beoordeeld: hoe staat het nu met die klimaatdoelstelling?’ en worden die doelstellingen niet gehaald, dan kan de raad het college dwingen om een programma uit te voeren om die doelen wel te behalen. Ik heb nu nog een paar dia’s waar ik wat sneller doorheen ga, om even het beeld compleet te krijgen. Dat vraagt eigenlijk wat meer tijd, maar ik loop er nu even snel doorheen, want de participatie, dat is natuurlijk een heel belangrijk onderwerp onder de Omgevingswet.

31

Hoe ga je dat nou doen bij die casus die we net hebben voorliggen? Vijfhonderd woningen. De Omgevingswet leg die verantwoordelijkheid in principe bij de initiatiefnemer, met een aanvraagvereiste. Dus dat is een proceseis bij de omgevingsvergunning, dat die aanvraag moet aangeven of er participatie plaatsgebonden heeft en zo ja, hoe dat plaatsgevonden heeft. Dat betekent dat de aanvrager er ook voor kan kiezen om het niet te doen. Vervolgens is aan het college om te beoordelen of die participatie, of daar alle belangen voldoende in beeld zijn gebracht. Daar zal de omgevingsvisie een belangrijke rol in spelen. Ook belangrijk: staat er iets in het omgevingsplan over participatie? Dan zal dat, zeker als het gaat om vergunningen die in plaats van het omgevingsplan verlengd worden, zal dat gevolgd moeten worden. En de raad heeft de mogelijkheid, dat is één van de besluiten die u moet nemen, om gevallen aan te wijzen waarin u participatie verplicht stelt. Dat is één van die besluiten die niet meer gaan komen. Dan hebben we nog de omgevingstafel, maar die zit niet in de beleidscyclus, maar is iets wat wel door de VNG bedacht is om die vergunningverlening snel binnen die acht weken te kunnen afronden. Eigenlijk een soort recht bijna, tenminste, zo hebben we dat nu ook in Amstelwijck toegepast, voor ontwikkelaars om die vergunning van acht weken.

Dat gaat vaak mis, omdat er nog allerlei belangen spelen, waterschap, veiligheid, welstand. Het idee van de VNG is eigenlijk dat gemeenten een omgevingstafel hebben waarin een soort overleg plaatsvindt waar alle belangengroepen, dus de initiatiefnemer, alle stakeholders, Rijkswaterstaat, waterschap, de gemeente, maar ook de omwonenden en andere belanghebbenden, dat die daarin meedoen en een stem krijgen in hoe die vergunning verleend moet worden. Daar is ook nog een belangrijke vraag: wat is daar de rol van de raad? Ik wil hem nu even aanstippen, ik zal er verder niet op ingaan, maar het is er wel eentje waar we nog het komend jaar bij u op terug zullen komen. Dan sluit ik eigenlijk af met deze dia voor we naar de stelling gaan. Op basis van deze presentatie denk ik dat er een aantal vragen zijn die u uzelf kunt stellen en die we als gemeente aan u willen voorleggen.

Wat voor soort omgevingsvisie stellen we vast? Welke visie wordt dat? Gaan we die globaal doen, gedetailleerd? Welke onderdelen daarvan willen we laten uitwerken in een programma? Er is bijvoorbeeld al een initiatief, ik geloof via de motie van D66 als ik het goed heb, om op een aantal thema’s te kijken: hoe kunnen we nou tot een verdere uitwerking komen als het vervolgens gaat om verdichting in de stad? Een andere vraag is: willen we een omgevingsplan en wanneer willen we dat en hoe ziet dat eruit? Een belangrijke andere vraag is: in welk geval willen we dat adviesrecht naar ons toetrekken? Dus wanneer is de raad aan zet om advies uit te brengen? Dat zal natuurlijk in alle gevallen zijn, maar dan heeft u wel heel veel te doen, dus daarom moet er waarschijnlijk ook een keuze gemaakt worden. In welke gevallen willen we participatie verplichten, in welke gevallen willen we een omgevingstafel verplichten en waar willen we op monitoren? Nou, het lijkt me dat dit best wel pittige vragen zijn die komend jaar op u wachten. Ik hoop dat deze presentatie daar wat duidelijkheid in gegeven heeft. De voorzitter: Dan heb ik voor u ook nog een aantal vragen, die hebben we even verzameld ondertussen. Mijnheer Portier als eerste, gaat uw gang. De heer Portier: Even over het dilemma hele algemene regels of dat we dingen precies vaststellen.

Als je wil voorkomen dat een ontwikkelaar die een stuk grond in bezit heeft

32

ineens hele rare dingen gaat doen dan zou je geneigd kunnen zijn om te zeggen: we gaan hele gedetailleerde regels vastleggen, om dat te voorkomen. Maar daarmee bind je natuurlijk ook je eigen handen en je hebt dan ook veel minder de mogelijkheid om in te spelen op nieuwe maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Wie weet hoe we er over vijf jaar voorstaan? Leidt dat dan niet tot de conclusie dat je eigenlijk, om te voorkomen dat zoiets gebeurt, dat je als gemeente vooral grondposities moet verwerven voordat een ontwikkelaar dat doet? Om op die manier de zaken in de hand te kunnen houden, zonder dat je alles gedetailleerd al probeert dicht te timmeren, jaren van tevoren. De heer Van de Rijdt: Ja, ik denk dat de vraag niet aan mij gericht is, maar aan de raad zelf. Want dit gaat over grondpolitiek en dat is echt een politiek thema, lijkt me. Maar in ieder geval, actief grondbeleid kan natuurlijk wel een middel zijn om grip te houden op gebiedsontwikkeling. Maar daar zitten andere vragen aan vast, denk ik. Mevrouw Forsten: Ik denk dat met de Omgevingswet de gemeente zowel de raad als college wel voldoende mogelijkheden om ook zonder actieve grondpolitiek te sturen. Het is alleen: je moet die instrumenten een beetje in de vingers zien te krijgen en dat kost tijd. De voorzitter: Dat is helder. Ik denk dat mijnheer Portier het voor nu eventjes hiermee moet doen.

Mijnheer Oostenrijk, u had ook een vraag. De heer Oostenrijk: Ja, de naam welstand kwam even langs. Ik vraag me af hoe in de nieuwe situatie, waarbij ontwikkelaars toch eigenlijk veel meer ruimte hebben om, zeker als het gaat om bouwkundige vormgeving, iets te ontwikkelen, wat dan in de nieuwe situatie de rol van welstand is? Oftewel: is er nog een rol voor welstand, los even van wat je over welstand in de huidige situatie mag denken? De heer Van de Rijdt: Er is in ieder geval nog een rol voor welstand. De Omgevingswet verplicht voor gemeenten die monumenten hebben – en daar valt Dordrecht zeker onder – dat er in ieder geval een adviescommissie komt, een gemeentelijke adviescommissie, die in ieder geval over monumenten adviseert. Maar het ligt ook voor de hand om die over welstand te laten adviseren. Dat mag zelfs nog breder dan welstand, dus de wetgeving geeft nadrukkelijk de mogelijkheid om de welstandscommissie een nieuw leven te geven onder de Omgevingswet, maar ook daar zullen we nog een keer bij u terug komen om voor te stellen hoe we dat in Dordrecht willen oplossen.

Blijft dat de welstandscommissie zoals we die nu kennen of laten we die bijvoorbeeld meedraaien in die omgevingstafel? Omdat, we hebben het nu niet alleen maar over goede ruimtelijke ordening, maar over fysieke leefomgeving, dus het is ook denk ik belangrijk dat welstand meer integraal betrokken wordt bij thema’s als klimaat, geluid en energie, omdat die belangenafweging wordt in de Omgevingswet steeds lastiger om die per commissie of per situatie af te wegen. Goede vraag, misschien weet Emma dat, maar volgens mij is al een besluit in voorbereiding voor welstand. Mevrouw Forsten: Ja, er wordt aan gewerkt, er wordt heel actief aan gewerkt. De meest interessante discussie gaat worden hoe we die commissie wel of niet willen uitbreiden.

33

We zullen aan het eind van de presentatie laten zien wat er in de bestuurlijke planner staat en daar zit deze ook in. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Dan nog toch nog even één reactie. Als ik dit zo aanvoel dan ontstaat er een soort vierde macht die een invloed heeft, veel groter dan de raad. Is dat gevoel juist? De heer Van de Rijdt: Ik zou zeggen van niet, maar de raad moet wel de instrumenten die het heeft gaan inzetten om te zorgen dat ze bijvoorbeeld in de omgevingsvisie vastlegt: wat voor stad willen we nu zijn en waar willen we op sturen? Ik denk dat de raad diverse instrumenten heeft om dat heel verregaand vast te leggen, maar dat het de kunst is – en dat is natuurlijk wel het gedachtegoed achter de Omgevingswet – om ook ruimte te geven aan de samenleving en ook de kracht van de samenleving te benutten en daar een soort evenwicht in te vinden: we kunnen niet alles doen, maar de belangrijke taken die horen denk ik toch wel bij de raad. Dat zal met die instrumenten vastgelegd moeten worden, zodat daar die vierde macht niks op te vertellen heeft als het gaat om de echt belangrijke zaken. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie mijnheer Oostenrijk zijn lampje nog knipperen, maar ik wilde graag even doorgaan als het kan. Er zijn nog meer vragen en we willen mevrouw Verveer toch ook graag nog een kansje geven om iets te zeggen.

De volgende die nog een vraag had was mijnheer Kleinpaste. Gaat uw gang. De heer Kleinpaste: Voorzitter, dank u wel. Naarmate ik meer hoor van de Omgevingswet word ik eigenlijk steeds ongeruster, maar dat terzijde. We gaan wat snel door participatie heen, want volgens mij is één van de doelen van de Omgevingswet juist dat inwoners meer invloed krijgen op hun directe leefomgeving. Is naar uw oordeel, met dat wat u nu schetst, dat voldoende geborgd voor de inwoners van Dordrecht? De heer Van de Rijdt: Nee, ik heb het nu alleen even geschetst hoe het formeel in elkaar zit. Maar om participatie vorm te geven zal er ook een participatiebeleid moeten komen en zal ook in het omgevingsplan aangegeven moeten worden hoe de raad graag wil dat er geparticipeerd wordt en heeft u de mogelijkheid om gevallen aan te wijzen waar u vindt dat participatie nodig is. Dus er zijn nog verschillende besluiten die wij aan u voorleggen om met de participatie om te gaan. Ik ben daar nu heel snel overheen gegaan, omdat het zo’n groot onderwerp is dat het gewoon iets te veel was om in deze presentatie te stoppen. Maar we komen daar graag nog een keer uitgebreid op terug. De heer Kleinpaste: Dat stelt mij enigszins gerust. Dus net als bij welstand komt dit onderwerp nog een keer uitgebreid op de agenda? De heer Van de Rijdt: Ja, ook daar kan Emma denk ik iets meer over vertellen.

Mevrouw Forsten: Ja, zal ik straks doen.

34

De heer Van de Rijdt: Oké. De voorzitter: Vind ik een hele goede. Dan hebben we nog een vraag van mijnheer Van der Meer. Gaat uw gang, mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ook nog even over die participatie, toch een vraag. U heeft aangegeven dat een raad kan aangeven waar participatie verplicht is. Kan de raad daarbij ook aangeven hoe die participatie vorm moeten krijgen of is het alleen een uitspraak van participatie of niet? Want uiteindelijk heb ik ook begrepen uit uw verhaal dat het college beoordeelt of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden. Dus de raad kan daar geen mening over tot uiting brengen. Mevrouw Forsten: De Omgevingswet eist van de gemeente dat we een participatiebeleid opstellen, daar wordt nu aan gewerkt. De heer Van der Meer: Dat weet ik. Mevrouw Forsten: Dat participatiebeleid gaat over twee dingen. Het eerste deel is de participatie die de gemeente zelf moet organiseren. Daar zijn we natuurlijk al heel erg lang mee bezig. Het tweede deel gaat over de participatie die vergunning-aanvragers moeten organiseren. Dat is niet verplicht, dat een aanvraag om een bouwvergunning of wat voor vergunning dan ook participatie organiseert, maar de raad kan gevallen aanwijzen waarin het wel verplicht wordt, wanneer er sprake is van afwijking van het omgevingsplan.

Dus de raad heeft bij het vaststellen van het participatiebeleid kan de raad sturen en de raad kan sturen bij het vaststellen van de lijst gevallen die afwijken van het omgevingsplan waarin een aanvrager verplicht participatie moet regelen. De heer Van der Meer: Oké, ja. Dan heb ik nog één vraag, voorzitter. Die gaat over die afwijking van het participatieplan. De heer De Rijdt heeft gezegd dat het college kan afwijken van het omgevingsplan, maar dat er dan een stevige motivatie gegeven moet worden. Betekent dat dat daarover altijd aan de raad verantwoording wordt afgelegd of gebeurt dat alleen in het geval de raad heeft aangegeven van tevoren: daar willen wij advies over uitbrengen? De heer Van de Rijdt: Alleen in dat laatste geval, inderdaad. Die zwaardere motivering … De heer Van der Meer: Als de raad dat niet heeft aangegeven, dat men bijvoorbeeld over de hoeveelheid groen iets wil kunnen adviseren, dan is het college volledig vrij om af te wijken van wat er in het plan staat? De heer Van de Rijdt: Ja, met de belangrijke kanttekening dat ze dus niet mag afwijken van wat bijvoorbeeld in de visie is vastgelegd. De heer Van der Meer: Nee, oké. Helder. De voorzitter: Dat is helder. Dan zijn wij aan het eind van deze vragen en dan meen ik dat er nog een sheet is met een stelling en dan nog iemand het woord. Ik weet niet of

35

Emma dat doet of dat Vanessa dat doet. Maar eerst de sheet met de stelling maar, denk ik? De heer Van de Rijdt: Ik stel voor dat we de stelling niet vandaag hoeven te bespreken, maar dat we die mee willen geven voor de vragen die ik net stelde: onze stelling is, vanuit de overtuiging van de Omgevingswet, dat het adviesrecht – want je kunt natuurlijk in iedere situatie adviesrecht eisen – dat dat overbodig is met een goede omgevingsvisie. Dat willen we eigenlijk als gedachte meegeven. Die omgevingsvisie ligt nu als ontwerp ter inzage, dus die krijgt u binnenkort ter vaststelling. Dit is eigenlijk een wat prikkelende stelling om even te kijken: hoe kunnen we die visie nu laten leven? Om te komen dat we overal advies moet uitbrengen. De voorzitter: Dat is een mooie voor de commissie om onderling over te discussiëren een keer misschien. Dank u wel voor deze voordracht, presentatie, of hoe moet ik het noemen. Ja, presentatie. Dan zou ik nu het woord willen geven dan aan de volgende. Mevrouw Verveer: Dank u wel, voorzitter. Goedenavond. Ik ga nog even snel met u door de theorie van de Omgevingswet. Het meeste is al gezegd, maar ook hiervoor geldt: de kracht van de herhaling. Eens even kijken, ik begin met de omgevingsvisie. Die is u allen inmiddels wel bekend, deze ligt tot 22 december ter inzage. Begin 2021 is het aan u als raad om deze omgevingsvisie 1.0 vast te stellen.

Anders dan een structuurvisie nu, daar staan de doelen veel meer centraal en is de visie veel breder van opzet. Het vervangt straks ook de koersnota mobiliteit en ook de woonvisie. De omgevingsvisie die heeft geen directe juridische doorwerking, zoals Dirk ook al aangaf, maar door de voorbeelden van net wordt al snel duidelijk hoe belangrijk dat die visie kan zijn als het gaat om sturing door de raad. Belangrijk om te onthouden zijn de doelen, zoals bijvoorbeeld klimaatadaptief bouwen. Volgende sheet. In het programma legt het college vast hoe die doelen uit de omgevingsvisie gehaald gaan worden. Bijvoorbeeld een programma voor warmte dat vastlegt hoe de wijken van het gas afgaan. Bevoegdheid ligt bij het college, maar de raad gaat natuurlijk over het geld en kan ook in de omgevingsvisie opdracht geven tot het opstellen van programma’s. Even kijken, volgende dia. We gaan voor het hele grondgebied één omgevingsplan maken. Of beter gezegd: we gaan eigenlijk net zo lang wijzigen tot dat alle regels zijn vervangen, alle oude regels zijn vervangen. Het omgevingsplan ontstaat vanzelf per 1 januari 2022. Alle bestemmingsplannen plus de bruidsschat vormen samen het tijdelijke omgevingsplan. Daarvandaan gaan we vanuit ieder doel – dus verkeer, wonen, klimaat – na of het noodzakelijk is regels te stellen in het omgevingsplan. Dit kan per thema of dit kan gebiedsgericht.

Dit is nu eigenlijk ook al zo, hè? Een voorbeeld van een themagerichte herziening is een parapluplan, zoals bijvoorbeeld bij de energietransitie straks: alle wijken moeten van het gas af, dat regel je dan via een themagerichte aanpassing. Een soort parapluplan energietransitie. Als een aanpassing alleen een specifiek gebied aangaat dan kies je voor een gebiedsgerichte aanpak, zoals bijvoorbeeld een omgevingsplan Spuiboulevard. De raad kan het wijzigen van een omgevingsplan ook delegeren aan het college en ook dat is nu al zo met bijvoorbeeld wijzigingsplannen. Deze worden door het college vastgesteld en niet door de raad. De raad heeft allerlei keuzemogelijkheden, dat is de volgende dia. Aan de hand van een fictief voorbeeldje

36

loop ik deze keuzemogelijkheden even kort langs. Het zijn keuzemogelijkheden hoe je dus iets kunt regelen in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld: de gemeente neemt in het omgevingsplan regels op voor de activiteit kappen van bomen. Een voorbeeld van niet regelen: bomen met een stamdiameter kleiner dan tien centimeter mogen altijd worden gekapt. De initiatiefnemer moet dan wel voldoen aan de algemene regels voor het kappen van bomen, bijvoorbeeld: je mag het verkeer niet hinderen. Ik noem maar even een dwarsstraat. Bij algemene regels kan bijvoorbeeld dan staan: bomen met een stamdiameter tussen tien en twintig centimeter mogen ook worden gekapt, maar de initiatiefnemer moet wel vier weken voor aanvang van de activiteit een melding doen bij de gemeente en bij het uitvoeren van de activiteit moet hij voldoen aan de algemene regels voor het kappen. De vergunningplicht: bomen met een stamdiameter tussen twintig en dertig centimeter mogen alleen worden gekapt als de gemeente hiervoor een omgevingsvergunning verleent. In een omgevingsvergunning staan dan de regels waaraan de initiatiefnemer moet voldoen. Vervolgens, als laatste heb je eigenlijk het verbod. Voor bomen met een stamdiameter groter dan dertig centimeter geldt gewoon een verbod om te kappen. Er is natuurlijk ook nog zoiets als een zorgplicht aan maatwerk. Je kunt niet overal regels voor stellen.

Als iemand doelbewust een boom beschadigt met als oogmerk om de boom dood te laten gaan dan valt dat niet onder de regels van het omgevingsplan. Voor de zorg richting de Omgevingswet – eenieder draagt de zorg voor een goede leefomgeving – daar kan het college dan toch handhavend optreden. De raad heeft de keuze die zorgplicht specifiek uit te werken in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld voor de doelen klimaat en biodiversiteit. Daarmee kunnen activiteiten die dus evident botsen met die doelen worden aangepakt zonder direct regels in het omgevingsplan vast te laten leggen. Dus dan gaat het via de doelen van het omgevingsplan. Dat waren even heel in het kort die keuzemogelijkheden. Dan gaan we verder naar de omgevingsvergunning. Dit is een bevoegdheid van het college, zoals nu ook. Er is een binnenplanse en een buitenplanse vergunning en bij binnenplans – de naam zegt het al – daar valt de mogelijkheid tot afwijken binnen het omgevingsplan. De raad stelt het omgevingsplan vast en op die manier kan de raad dus sturen. Is er een mogelijkheid voor binnenplans vergunnen, dan heeft de raad verder geen vinger meer in de pap en er is ook verder geen adviesbevoegdheid. De tweede manier is dus binnenplans. Het college heeft de bevoegdheid om in alle gevallen met de vergunning af te wijken van het omgevingsplan.

De raad heeft daar dan niets over te zeggen, tenzij de raad dus gevallen heeft aangewezen waarin ze eerst advies mag uitbrengen. Dat is nu als het ware ook zo met de verklaring van geen bedenkingen. Het 2015 heeft de raad gevallen aangewezen waar ze wel en geen verklaring van geen bedenkingen voor af willen geven. Straks wijst de raad dus gevallen aan waar ze wel advies over willen uitbrengen. Dit advies is bindend. Sturing kan vervolgens ook nog via de omgevingsvisie, ik geef als voorbeeld even de Dordtwijkzone. De omgevingsvisie is hier heel duidelijk: geen woningbouw. Dan is het toch ondenkbaar dat het college toch een vergunning aflevert voor woningbouw daar? Nee, vanuit behoorlijk bestuur is dat dus ondenkbaar. Kortom, de omgevingsvisie is een heel belangrijk sturend instrument. Dit brengt ons bij het laatste instrument, monitoring. De raad kan het in het omgevingsplan vastleggen dat het college verplicht is ieder jaar of iedere twee jaar een rapportage op te stellen waarin het college verslag doet over het wel of niet halen van de doelen uit het omgevingsplan. Bijvoorbeeld het verkeer bij een bepaald project.

37

De voorzitter: Mevrouw Van Veer, uw microfoon is uitgevallen. Mevrouw Verveer: Ik hoop niet dat dat al tien minuten geleden was … De voorzitter: Nee, ik denk ongeveer een minuut. Mevrouw Verveer: Oké. De voorzitter: Ik moest mijne even aanzetten om het te kunnen zeggen. Mevrouw Verveer: Ja, sorry hoor. Even kijken, hoor. De monitoring, raad kan het vastleggen in het omgevingsplan, die kan het college eigenlijk verplichten ieder jaar of iedere twee jaar een rapport uit te brengen. Als voorbeeld wil ik dan aangeven bijvoorbeeld verkeer bij een bepaald project. Bewoners hebben dan beloofd dat het niet drukker zal worden in de woonstraten, zoals dan berekend in het verkeersrapport. Bij het niet halen van dat doel weet het college dan dat ze een probleem heeft en dat er maatregelen nodig zijn. Dus verkeersmaatregelen. Omwonenden van het betreffende project kunnen op die manier wat meer vertrouwen krijgen in nieuwe ontwikkelingen. De Omgevingswet gaat dus echt heel veel veranderen voor de raad en er zijn heel veel nieuwe instrumenten … De voorzitter: Even een kleine onderbreking. Er is een vraag voor u van mijnheer Kleinpaste. Mijnheer Kleinpaste, gaat uw gang. De heer Kleinpaste: Dank u wel, voorzitter. Specifiek bij dit punt, want ik heb het gevoel dat er meer beleidsruimte voor het college ontstaat.

Op zich zou dat prima kunnen werken, maar ik kom niet een term tegen als ‘actieve informatieplicht’. Is dat wel onderdeel van de wetgeving en komt u daar nog op, of is dat een punt waar we als raad echt heel alert op moeten zijn? Mevrouw Verveer: Daar kom ik nu niet meer op, want ik moest nog letterlijk één zin voor mijn presentatie klaar was. Ja, actieve informatieplicht. Dan moet ik echt even verwijzen naar mijn collega. Maar als u het goed vindt zal ik eerst even de presentatie afronden, dan kunnen er daarna vragen gesteld worden. Even kijken. Dat was eigenlijk mijn laatste zin: de raad bepaalt zelf welke instrumenten ze wel en niet gaan inzetten. Voor de afsluiting wilde ik het woord geven aan Emma weer. De voorzitter: Prima. Mevrouw Forsten: De laatste, of de bijna laatste dia is dit. We hebben het al een paar keer gehad over alle besluiten die volgend jaar op de raad af gaan komen of alle voorstellen. We hebben die in deze dia op een rij gezet en ook zo aangeleverd in de bestuurlijke planner. Ik denk dat de meesten inmiddels ook wel langsgekomen zijn. Wat misschien wel goed is om aan te geven is dat die adviesbevoegdheid bij afwijking van een omgevingsplan, dat is een besluit, dat hoeft de raad niet te nemen.

Als de raad geen besluit neemt hierover dan betekent het dat de raad geen adviesbevoegdheid heeft en dat het college dus zonder advies van de raad in alle gevallen kan afwijken van het

38

omgevingsplan bij het verlenen van een vergunning. Bij participatiebeleid geldt iets vergelijkbaars. Beleid stelt de raad natuurlijk wel vast, alleen als het gaat om het aanwijzen van gevallen waarin een vergunning-aanvrager verplicht participatie moet organiseren dan is dat een bevoegdheid van de raad. Dat hoeft de raad niet te doen. Dus als de raad daar niets over vaststelt dan kan ook niemand verplicht worden om participatie te organiseren. Ik denk dat dat wel goed is om dat even in de gaten te houden. Ik zie in de chat staan of ik iets kan zeggen over ‘actieve informatieplicht’. Volgens mij hoort dat bij het algemene bestuursrecht. Ik ben daar niet helemaal goed in thuis. De Omgevingswet zegt daar niet zo heel erg veel over, behalve dan dat de raad het college altijd achteraf ter verantwoording kan roepen, omdat dat een algemene bevoegdheid van de raad is die dus niet verder uitgewerkt wordt in de Omgevingswet, omdat het een algemene bevoegdheid is. Dat is het enige wat ik daar nu over kan zeggen. De voorzitter: Mijnheer Van der Meer had ook nog een vraag voor u. De heer Van der Meer: Hierop aansluitend. De vraag ging over een actieve informatieplicht. Natuurlijk kan de raad altijd achteraf voor alles het college ter verantwoording roepen, maar als ik het verhaal goed begrepen heb dan is er alleen een actieve informatieplicht A.

als de raad heeft vastgelegd dat zij bindend advies uit wil brengen over bepaalde zaken en B. als de raad heeft vastgelegd dat over bepaalde zaken een monitor opgeleverd moet worden. Mijn beeld is dat in alle andere gevallen er geen actieve informatieplicht is voor het college. Is dat correct? Mevrouw Forsten: Ik denk dat dat correct is als u het heeft over de informatieplicht. Het is wel zo dat als je het hebt over bevoegdheden en plichten, dat het echt een soort spel is tussen het college en de raad. Er zijn een aantal dingen vastgelegd in de wet, maar er zijn natuurlijk ook veel dingen die gewoon afgesproken kunnen worden tussen college en de raad. Dat heb ik aan het begin ook gezegd: al die verschillende bevoegdheden grijpen een beetje in elkaar. Ik denk dat volgend jaar college en de raad samen een paar keer goed moeten gaan discussiëren over hoe zij dat vorm willen geven en wie wat pakt, zeg maar. De heer Van der Meer: Ja, helder. Mevrouw Forsten: Al die voorstellen die willen we ook gaan voorbereiden in de raadswerkgroep en dat is dan de allerlaatste dia van deze presentatie. De voorzitter: Dank u wel voor het geheel. Alle drie bedankt voor alle presentaties en uitleg. We hopen u allemaal weer … Nee, mevrouw Forsten gaan we niet meer zien hier, daar moeten we afscheid van nemen. Node, na zoveel jaren. Maar geniet ervan, zou ik zeggen. Mevrouw Forsten: Ja, bedankt.

De voorzitter: Pensioen. Beide anderen hopen we graag binnenkort weer terug te zien. Ik zou zeggen: fijne feestdagen alvast. Toch? Oké, dank u wel. Dan denk ik dat we nu

39

verder kunnen met ons laatste agendapunt. Ja? Prima. Ik moest even kijken of er niet nog andere dingen aan de hand waren. Nee hoor, het is goed zo. We hebben nog – even kijken, hoor – we hebben nog een paar dingetjes, wat administratieve zaken af te handelen. 6. Stand van zaken Moties De voorzitter: De stand van zaken met betrekking tot de moties. Er zijn vooraf door u geen wijzigingsvoorstellen aangemeld. Kan ik hieruit de conclusie trekken dat de commissie akkoord is met het afvoeren van de moties waarbij afvoeren wordt voorgesteld en dat de commissie kennisgenomen heeft van het overzicht? Als u iets anders wilt dan is voorgesteld dan zie ik dat graag terug in de chat nu. Ik zie niets terug, dus dat is akkoord. 7. Stand van zaken Toezeggingen De voorzitter: De stand van zaken met betrekking tot de toezeggingen. Er zijn vooraf geen wijzigingsvoorstellen ingediend. Kan ik concluderen dat de commissie akkoord is met het afvoeren van de toezeggingen waarbij afvoeren wordt voorgesteld en dat de commissie kennisneemt van het overzicht? Als men hier iets anders wil dan is voorgesteld dan zie ik dat graag nu terug in de chat. De commissie is akkoord hiermee. 8. Nieuwe behandelvoorstellen De voorzitter: Dan gaan we naar de nieuwe behandelvoorstellen, dat zijn er 14, maar die gaan we niet allemaal langs.

We gaan alleen de voorstellen langs waarbij vooraf door één of meer fracties een verzoek is gedaan. Voor het overige ga ik ervan uit dat de commissie instemt met het behandeladvies, namelijk die stukken waar niemand op gereageerd heeft. 8.1 Beschikbaar stellen van aanvullend krediet ten behoeve van project Dordtse Mijl De voorzitter: Het eerste stuk waar we het wel even over gaan hebben is het beschikbaar stellen van aanvullend krediet ten behoeve van project de Dordtse Mijl. Het voorstel was om dit als hamerstuk door te sturen naar de raad voor 15 december. Het CDA heeft aangegeven dit voorstel te willen bespreken en daarvoor geef ik graag het woord nu aan mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Voorzitter, dank. De reden is eigenlijk dat wat ons betreft er nog onvoldoende informatie beschikbaar is waar je op grond van wat nu voorligt zonder meer zou kunnen beslissen of kunnen instemmen via een hamerstuk om 6,2 miljoen als vervolg voor dit project te gaan bestemmen. Ik heb dat maar gevat in een paar politieke vragen. Is voldoende duidelijk waar het aanvullend krediet van die 6,2 miljoen voor bestemd is en is dit krediet passend voor de nog uit te voeren werkzaamheden? Vanmiddag heb ik nog aanvullende informatie via de mail gezien, alleen die informatie die stemt mij ook niet helemaal gerust, omdat die geeft geen antwoord op die politieke

40

vraag: waar staan we nu eigenlijk met dit project? Want we hebben het over 8 miljoen plus 6,2 miljoen en het is mij te kort door de bocht om dit verder ontoegelicht als hamerstuk te willen bestemmen. Dat is de politieke vraag. De voorzitter: Dat is de politieke … Nou, meer politieke opmerking. Maar dat is ook goed. U heeft wel voor deze bespreking in de commissie de steun van 3 andere fracties nodig. Ik vroeg mij af: wie van de andere fracties wil het CDA hierin steunen? Mijnheer Van der Meer zegt dat GroenLinks steunt en de SP steunt, geeft mijnheer Portier door. Moeten we er nog één. Nee? Er zijn 3 fracties in totaal nodig. Oké, dan zijn we er. Uw verzoek gaat ingewilligd worden, mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Hartelijk dank. De voorzitter: Graag gedaan. 8.2 Actualiseren bestuurlijke planner 2020/2021 (november 2020) 8.3 Vaststellen Verordening starterslening gemeente Dordrecht 8.4 Raadsinformatiebrief Voortgang amendement Behoud varend erfgoed Binnen Kalkhaven 8.5 Raadsinformatiebrief Over Revitalisering Stadspolderring De voorzitter: Dan is de volgende de raadsinformatiebrief over revitalisering van de Stadspolderring. Het voorstel was om hem ter kennisname naar de raad te sturen. De ChristenUnie-SGP heeft aangegeven deze raadsinformatiebrief te willen bespreken. Ik geef het woord aan mevrouw Klein-Hendriks. Mevrouw Klein-Hendriks: Dank u wel, voorzitter.

De griffier heeft het ook al rondgemaild, met welke vraag. Het gaat om 34 platanen die in het verlengde van de revitalisering van die Stadspolderring zouden moeten worden gekapt. In de raadsinformatiebrief staat ook een alternatief. Maar wij zouden graag nog nader willen bespreken om een deel van die 34 bomen alsnog ter plekke of op een andere plek te kunnen behouden, dus vandaar ook het voorstel voor bespreking. De voorzitter: Dank u wel. U heeft hiervoor maar liefst in zijn totaliteit – omdat het een raadsinformatiebrief is – 6 fracties nodig. We gaan even kijken of we die kunnen vinden. Even zien. Mevrouw Klein-Hendriks: Inclusief ChristenUnie-SGP? De voorzitter: Ja. Dus dan zijn er nog 5 anderen. Zie ik het goed dat GroenLinks dat? O, kijk aan. Ruim. Mijnheer Loekemeijer, D66, mijnheer Gündogdu, Beter Voor Dordt, mevrouw Stolk van de VSP, mijnheer Timmer van – welke partij, dat weet ik even niet – van GroenLinks, SP had ik ook al genoemd. Er zijn er ruim voldoende. De griffier heeft ze allemaal genoteerd. Dus ook deze gaat besproken worden. Uw wens gaat in vervulling, mevrouw Klein-Hendriks.

41

8.6 Antwoordbrief artikel 40-vragen van de fracties SP en VSP over publicatie m.b.t. parkeren bij het ASZ De voorzitter: Nummer 6, de antwoordbrief artikel 40-vragen van de fracties SP en VSP over publicatie met betrekking tot parkeren bij het ASZ, Albert Schweitzer Ziekenhuis. Het voorstel was om dit voor kennisgeving aan te nemen. VSP, SP en Partij van de Arbeid willen voorstellen deze antwoordbrief, en ook de volgende onder 8.7, direct als bespreekstuk naar de raad door te sturen. Het woord is eerst aan de VSP en daarna aan de SP en de PvdA, om eventueel aan te vullen. Denkt u hierbij wel alstublieft direct om de politieke vraag die u mee wilt geven. Volgens ons reglement van orde kan dat als daar minimaal 3 fracties voor zijn, met de antwoordbrief over zwembad De Dubbel is het in Sociaal op dezelfde manier gegaan. Dus 3 fracties moeten hiervoor zijn. Maar ik geef eerst het woord aan de VSP, gaat uw gang. Mevrouw Stolk: Dank u wel, voorzitter. Ik ben even aangeschoven … De voorzitter: Hé, mevrouw Stolk. Mevrouw Stolk: … bij deze vergadering. Wij hebben in de commissie Grote Projecten het bestemmingsplan niet vastgesteld, maar doorgeleid naar de raad van 15 december. Deze artikel 40-vragen, zowel van de VSP, SP en de Partij van de Arbeid, zouden wij ook willen doorgeleide naar de gemeenteraad van 15 december, met daarbij ook nog een opmerking.

De antwoorden van de Partij van de Arbeid die het college heeft gegeven, daar staat in dat er gespreksverslagen zijn tussen het Albert Schweitzer Ziekenhuis en het college. Die zouden wij heel graag voor de raad van 15 december willen ontvangen en we willen ook weten wie dat geëntameerd hebben – of dat het ziekenhuis is geweest of het college – en willen we doorgeleiden met 3 partijen – of 3 partijen, 5, maakt niet uit – naar de gemeenteraad. Dan willen we parkeren eerst bespreken en daarna het bestemmingsplan, maar dat heb ik ook al aangegeven in de commissie Grote Projecten. De voorzitter: Die verslagen waar u het net over had, knikt de griffier heel hard ja bij, dus ik neem aan dat die daarvoor gaat zorgen. Een politieke vraag heb ik nog niet gehoord, maar die hoor ik misschien straks aan het eind wel. Dan geef ik nu even mijnheer Portier van de SP de gelegenheid om zijn licht hierover te laten schijnen. De heer Portier: Voorzitter, ik kan heel kort zijn: ik sluit me volledig bij Margret Stolk aan van de VSP. De voorzitter: Dat is lekker kort, dank u wel. Partij van de Arbeid, mijnheer Jansen. De heer Jansen: Ik wil even kort zijn als de heer Portier: ook wij sluiten ons volledig aan bij mevrouw Stolk van de VSP. De voorzitter: Dank u wel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/217/documents/6902