2.8 2026.06.16 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 1 - concept.pdf
Tekst van het document
Ik had eerst nog mijnheer Van de Vreede. Ik kom later bij u. De heer Van de Vreede: Voorzitter, het is ons verteld dat de oorzaak van kanker tientallen jaren kunnen duren voordat er daadwerkelijk iets aan de hand is. Er wordt gezegd van asbest dat het in die 10 procent overig zit. Zijn daar precieze de cijfers van? Vroeger werd er met asbest gestrooid alsof het keukenzout was. Ik vind het heel makkelijk om nu dan te roepen, het zit in die 10 procent. Zijn er dan ook precieze cijfers van? De voorzitter: Wederom een vraag voor extra cijfers. Heeft u die? 20 Mevrouw De Koning: Ik denk dat Sean dit misschien nog beter kan beantwoorden dan ik, want er is door de GGD specifiek gerapporteerd op kanker die is ontstaan door asbestblootstelling. De voorzitter: Gaat uw gang. De heer Van Putten: Het is bekend van blootstelling aan asbest dat het inderdaad ver in het verleden plaatsvindt. Dat is een grotere range dan bij longkanker. Dat geldt voor tien tot vijftig jaar in het verleden dat mensen over het algemeen worden blootgesteld aan asbest. Ik heb dit niet benoemd in deze presentatie, omdat ik daar geen tijd voor had, maar er is ook een kleine verhoging van asbestkanker in dit postcodegebied waargenomen. Dat is het voornaamste gezondheidseffect dat in verband wordt gebracht met asbest. Het is ook zo dat het in een deel van de gevallen kan leiden tot longkanker.
Het is een risicofactor voor beide ziekten. Een exact percentage over wat het aandeel is van asbest binnen longkanker zou ik niet precies kunnen aangeven. Ik denk dat als je kijkt naar verschillende bronnen, je daar ook verschillend antwoord op krijgt. Ik kan geen antwoord geven op wat exact het percentage zou zijn. De voorzitter: Dat is voldoende? Er zijn nog diverse vragen. Ik ga ze zo veel mogelijk chronologisch af. Volgens mij mijnheer Tutupoly, mevrouw Van Vugt, mevrouw Van Herwijnen, mevrouw Striebeck en dan mijnheer Van der Graaf. Er zijn veel vragen, sommigen moeten lang wachten. Mijnheer Tutupoly. De heer Tutupoly: Mijn vraag gaat ook over asbest. Er werd weliswaar net genoemd dat asbest, het werken met asbest, tot kanker kan leiden, maar we hebben ook veel woningen, met name alles wat voor eind jaren ‘70 gebouwd is, waar asbest in de woningen zit. In het verleden zou er een regeling komen, in 2024, om asbest te verwijderen, maar het is toen niet doorgegaan. Als ik naar de maatregelen kijk, in hoeverre gaat de gemeente daarbij actie ondernemen, eventueel, in dit gebied? Daar zitten veel oudere woningen waar asbest in kan zitten, denk ik. De voorzitter: Wie kan daar wat over zeggen? Gaat uw gang. De heer Sajet: Ik denk dat dit een vraag is die wij mee moeten nemen en daar later nog op terugkomen. De voorzitter: Nog even geduld. Ik zie meteen nog een vervolgvraag.
De heer Tutupoly: Het is geen vervolgvraag, het is een tweede vraag. Dat had te maken met steenkool opslag aan de Mijlweg. In hoeverre kan fijnstof afkomstig daarvan ook effect hebben op longkanker? De voorzitter: Wie kan ik het woord geven? De heer Van Putten: Ik heb de industrie als geheel bekeken en dat kan een bron zijn van fijnstof. Ik heb niet specifiek gekeken naar de plek waar u het over heeft. Ik kan daar geen antwoord op geven, maar er zijn meerdere bronnen van fijnstof, waar dit er wellicht 21 een van is, die bijdragen aan luchtverontreiniging. Hoe groot die bijdrage exact is, zou ik u niet kunnen vertellen. De voorzitter: Dan ga ik naar mevrouw Van Vugt. Mevrouw Van Vugt-Roose: Voorzitter, ik denk dat mijn vraag al min of meer beantwoord is. Die ging over de effectiviteit van het preventieve beleid en de verslavingspreventie. Mevrouw Nzolani stelde daarnet een vraag over. Ik vind het even genoeg. Het is goed. De voorzitter: Uitstekend. Wat een eensgezindheid zo, voor de derde keer al. Mevrouw Van Herwijnen, heeft u nog een vraag die over is of zijn uw vragen ook allemaal al door anderen gesteld? Mevrouw Van Herwijnen: Nee. Mijn vraag staat nog open. Dit deel van de presentatie richt zich heel erg op roken. Als je kijkt naar wat de Kankeratlas aangeeft voor Dordrecht, dan springt deze wijk er heel erg uit.
Als wordt gekeken naar het schemaatje op pagina 5 van de presentatie, dan springt die wijk er niet zozeer uit. Zou u iets kunnen zeggen over die verhouding en in hoeverre dat effect van roken daardoor wel of geen grote rol speelt? De voorzitter: Gaat uw gang. Mevrouw De Koning: Ik denk dat dit ligt aan de verschillende onderzoeksmethoden. De Kankeratlas kijkt echt naar de diagnoses, het aantal diagnoses ten opzichte van het Nederlands gemiddelde. De Gezondheidsmonitor werkt, volgens mij, op basis van enquêtes in de wij, als ik me niet vergis. Ik kijk even naar de GGD-collega. Ik denk dat daar een heel van de verklaring in zit. De voorzitter: Voldoende zo? Dan ga ik naar mevrouw Striebeck. Mevrouw Striebeck: Dank u wel. Mijn vraag is toch wat meer divers. Zijn er ook cijfers van kinderen met klachten in het postcodegebied? Dat is de eerste vraag. Is ook de luchtkwaliteit in de woningen getest? De voorzitter: De kinderen en in de woningen. Wie kan ik daar het woord voor geven? Mijnheer Van Putten. De heer Van Putten: Binnen het onderzoek dat is uitgevoerd door de GGD, zijn beide aspecten niet bekend. Kinderen zullen mogelijk onderdeel zijn van de verhoogde incidentie die we zien, mogelijk ook niet. Daar kan ik geen antwoord op geven, omdat we geen persoonsgegevens hebben van die patiënten. Er zijn geen metingen gedaan binnen woningen in dit postcodegebied.
De voorzitter: Is het voldoende zo? Dan heb ik nog een, volgens mij, op dit moment laatste vraag staan van mijnheer Van der Graaf. De heer Van der Graaf: Twee vragen als het mag, voorzitter. Misschien hoeft de tweede vraag niet eens meer. 1, als we het over roken hebben in deze presentatie, gaat het dan specifiek over tabak of ook over andere soorten van roken? 22 De voorzitter: Wie? Gaat uw gang. Mevrouw De Koning: Als ik me niet vergis, is dat tabak. Voor de zekerheid ga ik dat navragen. De heer Van der Graaf: Dan heb ik ook nog een tweede vraag. Er worden bijvoorbeeld ook joints gerookt. Als ik mij niet vergis, dan heeft het ook behoorlijk invloed, misschien nog wel meer invloed, op longkanker. Mijn observatie, in zowel Wielwijk als Crabbehof, is dat toch wel veel mensen tegenwoordig met joints door de wijk heenlopen. Wat is daar dan weer de invloed van op longkanker? Kunt u daar iets over zeggen? De voorzitter: Kunt u daar iets over zeggen of is dat iets wat u daarin meeneemt? Mevrouw De Koning: Dat ga ik proberen mee te nemen, of we daar meer data over hebben. De voorzitter: Dat komt dan te zijner tijd uw richting op. We hebben nog een stuk presentatie te gaan. Ik stel voor dat we dit nu eerst doen. Dan is er daarna nog tijd voor nadere vragen. Gaat uw gang. De heer Sajet: Dank u wel, voorzitter. Ik mag jullie meenemen door het onderdeel luchtkwaliteit.
Ik ga eerst een stukje technische sheet laten zien om te duiden wat luchtkwaliteit is. Het gaat over een mengsel van gassen en stofdeeltjes die in de lucht zitten. De hoeveelheid van dit soort gassen en stofdeeltjes die in de lucht zweven of zitten, bepaalt sterk de mate of de lucht die we inademen gezond is ja of nee. Daarbij kijken we primair naar 2 belangrijke stoffen. Dat is de stikstofdioxide en het fijnstof. Fijnstof wordt dan ook nog eens beschreven als PM10 of PM2,5. Dat zijn echt de zwevende deeltjes. Bij PM10 zijn de deeltjes kleiner dan 10 micrometer, bij PM2,5 zijn deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer. Voor de beeldvorming, een mensenhaar is ongeveer 70 micrometer. We hebben het echt over hele kleine deeltjes. Zoals u in dit plaatje kan zien, ligt de deken van luchtverontreiniging, om het zo te noemen, over Nederland heen. Deels is dat door een stukje van grensoverschrijdend, deels vanuit onze eigen nationale achtergrond. Dat is bijvoorbeeld wat er vanuit ons buurgemeenten naar ons toe komt aanwaaien. Een deel daarvan ziet u hier als zijnde de stedelijke achtergrond. Er zijn verschillende emissiepunten. Wat daarbij heel erg opvalt, zijn de straten en de wegen waar de auto’s over rijden. Er staat aan de rechterkant een stukje over het landelijke gebied. Daar staat de snelweg ingetekend.
Bij ons in de stad ligt de rijksweg in de stad en niet zozeer in het landelijk gebied. Je kunt je voorstellen dat als je dit optelt, de emissie die dan zo piekt, en je zet dat bovenop de stedelijke achtergrond, dat het er nog verder bovenuit piekt. Ik heb er ook nog bijstaan, de invloed van de weersomstandigheden. Het kan van dag tot dag heel sterk verschillen, afhankelijk van of het regent, dat is de grote gaswasser, waait, dan heeft zeker fijnstof minder effect, of de winststille dagen die wij misschien nog wel vanuit het verleden kennen, de zomersmog en de wintersmog, dat je een gele drab boven een stad zag hangen qua stikstofdioxide. Die gele drab zien we bijna niet meer, gelukkig, want als we een stukje terug in de tijd kijken, dan zien we dat we vanaf 2013, dat is informatie uit de Atlas Leefomgeving, grote stappen hebben gemaakt. Voor de kleurduiding, blauw, lichtblauw, zit je echt in de 23 gezonde lucht. Tussen oranje en geel kunnen we nog wel een stap zetten, maar zullen we voldoen aan nieuwe Europese grenswaarden. Kom ik zo meteen nog op terug. Daar waar het rood is, is toch sprake van een serieus slechte luchtkwaliteit. Ik haalde het net aan, de nieuwe Europese norm. Eind 2024 is zijn nieuwe Europese grenswaarden vastgesteld. Die zijn gebaseerd op de WHO-advieswaarden, World Health Organization.
Als hoofddoel zit daarin het behalen van echt een gezonde lucht in 2050. Het is nog een stuk weg, omdat het een vergezicht. Er is daar voor de Europese grenswaarden een tussendoel gesteld voor 2030. Voor eind dit jaar, ik moet het goed zeggen, moeten wij dat als Nederland, als lidstaat, in onze nationale regelgeving hebben geïmplementeerd. In 2030 moeten wij daar als land aan voldoen. In het tabelletje ziet u de weergave van de huidige normering. 40 voor NO2, 40 voor PM10 en 25 voor 2,5. De nieuwe Europese normen, u ziet het, dat is een halvering, of nog strenger dan een halvering. Dit betekent wel dat er een slag gemaakt moet worden. De WHO-advieswaarde voor 2050, oftewel de zero pollution, is nog een stuk strenger. Als wij uitzoomen naar Dordrecht en we kijken naar de concentraties op dit moment in Dordrecht, gemeente breed, dan zal je zien dat het zo heel erg slecht nog niet is met de luchtkwaliteit. Echter, we zijn er nog niet. Met name bij de lokale bronnen, de rijkswegen of onze eigen wegen, zitten wat aandachtspunten. Voor lokale wegen hebben wij zelf een bevoegdheid. Voor de rijkswegen hebben wij geen bevoegdheid. De emissiepunten, het verkeer dat daar plaatsvindt, daar kunnen wij niet hard op reguleren. Inzoomend op Dordrecht.
De belangrijkste bronnen zijn het verkeer, dat had ik al gezegd, scheepvaart, de industrie, maar ook mobiele werktuigen die wij in de stad hebben, in de bouw, maar ook een stuk vanuit de landbouw. Linksonder in het beeld ziet u het plaatje voor de, ik moet het er even heel snel bij pakken, PM10. Daar ziet u ook al dat het op dit moment al best wel goed blauw kleurt. Fijnstof PM10, daar hebben we echt wel een redelijk goede luchtkwaliteit. Rechts onderin ziet u het fijnstof voor PM2,5. Daar voldoen we wel aan de Europese grenswaarden voor 2030, maar om te spreken van gezonde lucht, zover zijn we nog niet. Rechts bovenin ziet u het plaatje van het stikstofdioxide, de NO2. Wat hier sterk in opvalt, is de duidelijke weergave van de rijkswegen. Je ziet zo de A16 en de N3 liggen, maar ook een aantal gemeentelijke wegen. Ik sluit even aan bij wat Sean zei, het gezondheidsbeeld van nu is toch echt ook een blik naar het verleden. Waar komen we vandaan? PM2,5, 2013, 2019, 2024. U ziet in 2013, het plaatje kleurde volledig rood. 2024, we zijn er nog niet, maar wel voldoen al wel aan de norm voor 2030. Spreken van gezonde lucht, nog niet 100 procent. De voorzitter: Even nog een vraag tussendoor.
Is dat een verduidelijkende vraag of kan hij ook wachten tot het einde van de presentatie? De heer Tutupoly: In de sheet noemde je steeds het verkeer, zoals de A16 en dergelijke, en scheepvaart, maar wat doet het treinverkeer hierin? Die splitst onze stad in tweeën. Valt daar ook nog winst te behalen? De heer Sajet: Interessante vraag. Het treinverkeer rijdt met name is dat geëlektrificeerd. Dat is niet een specifieke emissiebron die uit deze data springt. Op het moment dat ze met diesellocs gaan rijden, kan je wel de vraag stellen. Vanuit het emplacement Dordrecht naar de zeehaven toe, daar komt wel een emissie bij vrij, alleen dat zijn niet de aantallen bewegingen waardoor je echt een keer zo’n piek ziet. 24 De voorzitter: Over twee jaar is het weer Dordt in Stoom. Dan kunt u weer wat verwachten daarvan. Zullen we verdergaan met een presentatie? De heer Sajet: Fijnstof PM10, daar zijn we een eind op de op de goede weg. We zijn er nog niet 100 procent, maar u ziet het, het kaartje begint hier blauw te kleuren. Voor stikstofdioxide van 2013, waar de stad bijna helemaal rood kleurde, tot 2024, waarin je duidelijk die rijkswegen ziet. Opvallend ook weer hierin is de tunnel, echt aan de tunnelmonden. Daar zie je spots liggen. De verkeersknooppunten bij Amstelwijck. Dan zie je dat daar waar het verkeer ophoopt, meer emissie voorkomt.
Dat zijn punten waar we op dit moment of net wel of niet aan de grenswaarden voldoen. Wat doen we in Dordrecht? Beleidsdoelen in onze omgevingsvisie. Wij streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, met uiteindelijk het doel om voor iedereen gezonde lucht te creëren, die WHO-advieswaardes te behalen. Daar maken we gebruik van onder andere het Schone Lucht Akkoord. We hebben het Schone Lucht Akkoord getekend. Het doel daarin is een gezondheidswinst te bereiken van minimaal 50 procent ten opzichte van 2016. We zijn een eind op de goede weg. We zijn er nog niet helemaal en dat heeft u ook kunnen lezen in de raadsinformatiebrief over luchtkwaliteit. Er zit een uitvoeringsagenda onder met een grote diversiteit aan maatregelen, die ook aansluiten op het doel voor de klimaatneutraal 2040. Onder andere duurzame mobiliteit, mobiliteitsplan, laadvisie, zaken rondom walstroom, schoon en emissieloos bouwen, hout stoken, een groot scala aan maatregelen. De GGD-adviezen. Sean heeft ze daarnet al gepresenteerd. Daar kijken wij heel kritisch naar. Deze pakte jij weer over vanaf hier? Zijn er op dit moment trouwens nog vragen? De voorzitter: We zijn er bijna, denk ik? De laatste sheet. Ik stel voor om de laatste sheet eerst te doen. Mevrouw De Koning: Even kijken. Jeroen zei, we kijken er kritisch naar.
We bekijken goed hoe het aansluit of een aanvulling is op ons lopend beleid. Wat we naar aanleiding van het rapport alvast hebben gedaan, is vanuit een aantal disciplines gekeken waar er nog kansen liggen, samen met bewoners. Op 25 juni hebben we weer een bijeenkomst staan. Daar is Danielle ongetwijfeld ook bij, samen met de andere vertegenwoordiging van de participatief actieonderzoekers. Wat ik ook heb gedaan, is advies ingewonnen bij het Integraal Kankercentrum. Dat noemde ik al even. Wat ik daar probeer, is ook nog een kleine verheldering van de data die we zien te verkrijgen. Dat is met name omdat we in de percentages die we zien in Kankeratlas niet goed kunnen zien wat de absolute aantallen zijn waar we het over hebben. Bijvoorbeeld, hoeveel aantallen diagnoses gaan er schuil achter die percentages? Dat is best wel relevante vraag. Op dat soort punten probeer ik nog wat meer helderheid te krijgen. Wat we ondertussen aan het doen zijn, is bijvoorbeeld kijken naar meer wijkgerichte aandacht voor stopmogelijkheden. We kunnen contact zoeken met onze zorgverzekeraar VGZ. Daar kan je gratis een aantal stoppogingen doen, maar veel mensen zullen dat niet weten. Ook in ons Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord liggen er mogelijkheden om op rookvrij wat extra's te gaan doen. Daarin zien we ook wel voorbeelden in de regio van gemeenten die daar al ietsje verder mee zijn.
Dan bedoel ik verder in de samenwerking met GGD, op een meer wijkgerichte aanpak. Dat zijn beleidsontwikkelingen die lopen en waar we dit heel goed mee kunnen nemen. We zien in datzelfde akkoord, het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, dat er specifiek geld komt voor de aanpak van multiproblematiek. 25 Dat vind ik altijd een beetje een onaardig woord, maar om in Nationale Programma- gebieden te kijken wat voor een inzet daar nog helpend zou zijn. Daar heb ik samen met Mirjam ook contact over, hoe het dat op bijvoorbeeld gezondheidsvaardigheden of … Goed, daar gaan we nog een mooi voorstel voor doen. We kunnen ook denken aan het faciliteren van lotgenotencontact in de wijk. Wij werken al samen met een partner Helianthus. Die hebben nu een inloopspreekuren aan de Singel. Zij willen ook wel kijken of ze in deze wijk wat extra's kunnen doen. Daarbij kwam ik ook wel op die absolute aantallen. Het is mooi als je ook een bepaald volume hebt van inwoners die je dan met elkaar in contact kan brengen. Dat zijn we nog even aan het uitlopen via de subsidieadviseur. Dan heeft Jeroen … De heer Sajet: Het verlagen van de rijsnelheid op snelwegen werd al een paar keer genoemd. Als SLA-gemeenten, iedereen die het Schone Lucht Akkoord heeft ondertekend, komen we zo af en toe bij elkaar. Dat is zowel ambtelijk als op bestuursniveau.
Vanuit die SLA-bestuurdersconferenties is er een oproep gedaan aan het ministerie om toch de snelheid op de rijkswegen omlaag te brengen met als doel een betere luchtkwaliteit. Een ander voorbeeld is, en dat vind ik wel belangrijk om te benoemen, want de industrie werd ook al een aantal keren genoemd, het scherper vergunnen van industriële emissies door de omgevingsdienst. Ik heb hier de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid staan, dat is onze uitvoeringsorganisatie, maar ook namens provinciaal bevoegd gezag, de DCMR. We hebben een aantal provinciale bedrijven binnen onze gemeentegrens en net daarbuiten liggen. Daar loopt ook een traject voor het scherper vergunnen op de emissies. Dat was het voor nu. De voorzitter: Ik kijk weer even rond. Op dit moment zie ik een, twee, drie, vier vijf. Mevrouw Nzolani. Mevrouw Nzolani: Dank u wel, voorzitter. Ik zie allemaal mooie dingen die worden ingezet op basis van de GGD-adviezen, maar ik mis hier een heel erg belangrijk stuk. Is er zicht op de illegale handel op sigaretten en vapes? Wat zijn we van plan om daarmee te gaan doen? De voorzitter: Kunt u daar iets over zeggen? Mevrouw De Koning: Ik denk dat het moeilijk is om daar grip op te krijgen, omdat veel jongeren het wel via apps kunnen bestellen. Ik denk dat dit ook de realiteit is.
Ik zie wel dat bijvoorbeeld dat het Rijk met hun maatregelen, door ze geen aantrekkelijke smaakjes meer te geven, een herhaling van zetten probeert van wat we ook met sigaretten hebben gezien. Kliksigaretten bijvoorbeeld waren ook aantrekkelijker voor jongeren. Zo proberen ze wel die markt te reguleren. Of we er specifiek zicht op hebben in Dordrecht, dat zou ik moeten nagaan. De voorzitter: Dan het rijtje af. Eerst mijnheer Van Antwerpen nog. 26 De heer Van Antwerpen: Dank u wel, voorzitter. Voorzitter, in de sheet over de EU, over de cijfertjes, kwam naar voren, ik citeer letterlijk: “met name rijkswegen hebben lokaal een grote impact.” Dan denk ik van, wat is een grote impact? Kunt u een grove inschatting maken hoe groot dan die impact wel niet is? De voorzitter: De vraag om kwantificering. De heer Sajet: Ik zal de microfoon even aanzetten. Ik pak deze sheet er toch even bij. Ik ben de presentatie begonnen met het laten zien van de deken die over Nederland heen ligt, de stadsemissie, en dan die pieken daarbovenop. Dan zie je, omdat wij al een opeenstapeling hebben, en binnen een stadse omgeving, dat je dan echt een hogere piek hebt. Dit plaatje is recent uit Atlas Leefomgeving 2024. Daar zie je duidelijk dat de rijkswegen daarin een grote emissiebron zijn. Pak hem beet 100, 80 meter verderop, zie je echt de concentraties omlaaggaan.
In de Atlas Leefomgeving kan je dat vrij nauwkeurig terugzien door echt op het punt te klikken en dan krijg je precies van die locatie de concentraties. De voorzitter: Duidelijk. De volgende is mevrouw Van Herwijnen. Mevrouw Van Herwijnen: Dank u wel, voorzitter. Ik had twee vragen als dat mag. De voorzitter: Als ze kort zijn, dan hebben we daar nog tijd voor. Mevrouw Van Herwijnen: De eerste vraag is, we hebben het antwoord van de minister van Volksgezondheid gelezen. Die gaf aan van mening te zijn dat de effecten voor het verlagen van de snelheid op rijkswegen minimaal zijn. Er wordt nu een oproep gedaan aan het ministerie van Infrastructuur. Hoopt u daar een ander antwoord te krijgen? Is er iets te zeggen over hoe die gesprekken lopen? De tweede vraag gaat over de gesprekken met de bedrijven. Er wordt nu aangegeven dat er heel erg scherp wordt gekeken naar het vergunnen, maar dat is meer het formele traject. Worden ze misschien ook informeel meegenomen van, zijn ze bereid om voor hun buren een betere luchtkwaliteit te verzorgen? De voorzitter: Kunt u op deze twee vragen een antwoord formuleren? In de microfoon graag. De heer Sajet: Om bij de tweede vraag te beginnen, de omgevingsdienst is daarin de uitvoeringsorganisatie die de contacten heeft met de bedrijven.
Ik kan navragen hoe dat tot stand komt en of zij daarin ook een oproep doen aan de bedrijven zelf om voor hun omgeving een beter leefmilieu neer te zetten. Het is wel een lastige materie, omdat je bent gebonden aan zogenoemde best beschikbare technieken waarbinnen een vergunning wordt verleend. Bedrijven kijken ook naar, wij passen een best beschikbare techniek toe, daar hoort een bepaalde emissie bij. Dat wordt getoetst. Past dat milieutechnisch gezien, dan kan een omgevingsdienst heel moeilijk zeggen van, we kunnen die vergunning niet verlenen, omdat het milieutechnisch past. Het is een goede vraag om te kijken of ze iets meer willen doen voor hun omgeving. De eerste vraag, zou u die nog kunnen herhalen? Mevrouw Van Herwijnen: Dat was met betrekking tot de verschillende ministeries. 27 De heer Sajet: Ik durf daar op dit moment geen harde uitspraken over te doen. Dat zijn lopende gesprekken. Als gemeente Dordrecht zijn we samen met bijvoorbeeld Rotterdam en Utrecht ook op hoog ambtelijk niveau, directeurenoverleg, betrokken, of in gesprek met het ministerie. Daarin herhalen wij ook deze oproep. Ik begrijp heel goed dat het politiek niet heel populair is om de snelheid te gaan verlagen op rijkswegen. Ik kan moeilijk antwoord geven op hoe dat precies ziet.
De voorzitter: Voldoende zo? Mevrouw Van Herwijnen: Voorzitter, zou ik die eerste vraag misschien mogen richten aan mevrouw Vermaat, of zij misschien vanuit haar programma contact heeft, in de vorm van participatie, met de bedrijven als het gaat om het programma woonwijken West? De voorzitter: Mevrouw Vermaat, kunt u daar misschien antwoord op geven? Mevrouw Vermaat: Ik kan wel een poging doen. We hebben inderdaad wel een afgebakend gebied. Het gaat hier met name, ook als je kijkt naar de meest voorkomende windrichting hier, om de bedrijven die langs de A16 liggen, maar dan net aan de andere kant, niet in de woonwijken. Ik kijk eventjes naar Danielle, want jullie hebben weleens gesprekken gehad, volgens mij, met het bedrijf aan de overkant van de snelweg, toch? Misschien dat zij een kleine toevoeging kan doen. De voorzitter: Gaat uw gang. Mevrouw Den Haan: Wij hebben inderdaad een gesprek gehad met de eigenaar of directeur van het zeehavenbedrijf, het opslagbedrijf. Wij hebben rare substanties in het zwembad aangetroffen, waarvan wij dachten van, wat is dit? Dit hebben wij nooit eerder meegemaakt sinds het zeehavenbedrijf daar ligt en zulke grote bergen die daar liggen, laat ik het even zo benoemen. Die mijnheer was heel kort van stof. De omgevingsdienst is daarbij geweest. Die hebben daar ook proeven van genomen.
Het was gelukkig niet schadelijk, waar wij allemaal heel dankbaar voor zijn, want er spelen kindjes. Tegelijkertijd zei mijnheer wel dat het, dat is, ik denk, een 60 meter uit elkaar liggend stuk, wel op de glijbaan terecht was gekomen. Dat was wel zijn substantie. Datgene wat in het bad lag niet. Tegelijkertijd was er mijnheer van de omgevingsdienst aanwezig. Die zei van, ik fiets hier elke dag langs en ik krijg die stoffen in mijn ogen. Dat brandt. Dit brengt ook gevaar met zich mee, want je fietst op een best wel drukke weg. Tegelijkertijd vertelde hij dat hij twee containers op elkaar gestapeld moet hebben om een beetje de substantie tegen te houden. Als je twee containers hebt die zo hoog zijn en de bergen zijn zo hoog, vraag ik me persoonlijk af wat het gaat tegenhouden. Daar zijn wij wel heel erg, wat kan daarin veranderd worden. De voorzitter: Dank u. We moeten langzamerhand naar de afronding. Ik heb nog een vraag van mijnheer Van der Graaf, mevrouw Kovalenko en mevrouw Van Vugt. Die wil ik graag nog de ruimte geven en daarna zullen we moeten afronden. Mijnheer Van der Graaf. De heer Van der Graaf: Twee korte vragen, voorzitter. Eigenlijk is het allemaal een verduidelijking van eerder gestelde vragen. Een aanvulling op de vraag van mijnheer 28 Van Antwerpen. U gaf aan dat de snelheidsverlaging tot ongeveer 80 meter van de snelweg impact heeft.
Mijn vraag is dan, loopt die impact lineair af? Dat is mijn eerste vraag. De voorzitter: Laten we een voor een doen. De heer Sajet: Of de impact lineair afloopt? Dan zou ik echt de data moeten bekijken. Zoals u op dit plaatje al kunt zien, het is lokaal een vrij scherpe verhoging van de concentratie. Hoe scherp dit lineair afloopt, dat durf ik niet te zeggen. De voorzitter: Ik begrijp dat het nog even moet worden nagezocht. Overigens, voor de hele commissie geldt dat er altijd de mogelijkheid is om technische vragen ook nog schriftelijk in te dienen. Dit moet even nagekeken worden. Wat is uw tweede vraag? De heer Van der Graaf: Dank u wel, voorzitter. Mijn tweede vraag is, als je specifiek naar het dakdeel kijkt van de geluidsmuur en je trekt bijvoorbeeld een vergelijking met de geluidsmuur van de A28, nabij Utrecht, die gaat er echt een heel eind eroverheen, wat voor impact zou het nog hebben als je dat deel zou verlengen op die 80 meter? Hoeveel zou dat ongeveer kunnen verkorten als je het verlengt? Niet in de hoogte, nogmaals, maar in de breedte. De voorzitter: Kunt u daar wat op zeggen? De heer Sajet: De geluidsmuur is primair aangelegd voor het tegenhouden van geluid. Ik weet dat het effect heeft op luchtkwaliteit. Onze modelmatige werkelijkheid van de luchtkwaliteit gaat uit van een wand van 6 meter hoog. Tot daar is de effectiviteit.
Dit is echt een typische vraag die nader onderzocht moet worden. Het is echt heel technisch. Ik kan dat uitzoeken. De voorzitter: Dat is een duidelijke toezegging. Dan ga ik door naar mevrouw Kovalenko. Mevrouw Kovalenko: We hebben best veel tijd besteed aan roken en de snelweg. Een van de andere aanbevelingen in de op een na laatste sheet was fijnstoffilters installeren in ventilatiesystemen. Voor welk deel van de woningen in dat gebied geldt dat? Hoe relevant is het, hoe snel kan het en kunnen jullie iets meer daarover vertellen? De voorzitter: De fijnstoffilters. Wie kan ik het woord geven? Mevrouw De Koning: Ik heb contact gehad met Woonbron daarover. Zij hebben firma Breijer opdracht gegeven om die fijnstoffilters al te plaatsen. Ze zijn in veel van de huurwoningen al vervangen. We hebben het ook even gehad in de vergadering over dat het in koopwoningen net even anders zit, omdat dan de eigenaar van de woning verantwoordelijk is. Daar ligt een andere uitdagingen. De voorzitter: Mevrouw Kovalenko. 29 Mevrouw Kovalenko: Worden de eigenaren van de koopwoningen daarover geïnformeerd? Mevrouw De Koning: Niet dat ik weet op dit moment, maar dat kan wel een actie zijn. De voorzitter: Dank u wel. De laatste vraag is voor mevrouw Van Vugt. Geniet ervan. Mevrouw Van Vugt-Roose: Voorzitter, ik zie dat u ook in tijdnood zit.
Ik had een vraag over de emissie van de scheepvaart en nog een andere vraag. Ik ga ze schriftelijk stellen. Er is weinig tijd nu. De voorzitter: Dank u wel. Dank u wel ook voor het mededelen, het meedenken ook. Dank u wel allemaal. We moeten toe naar de conclusie. Er zijn meer dan veertig vragen gesteld. Dat geeft aan hoe het leeft. Hoe gaan we verder? Als eerste, zijn alle vragen beantwoord? Is er nog een beeldvormende sessie nodig of niet? Ik zie vooral schuddende gezichten. Dan komt vanzelf de vervolgvraag wat er dan moet gebeuren. Even kijken hoor. Moet het oordeelsvormend besproken worden? Ik zie gelijktijdig … Mijnheer Van Antwerpen eerst maar even. De heer Van Antwerpen: Dank u wel, voorzitter. Voorzitter, ja, wij zouden het oordeelsvormend terug willen laten komen met de volgende politieke vraag, in de wetenschap dat in postcodegebied 3317 56 procent meer kankerdiagnoses voorkomen dan gemiddeld, dat omgevingsfactoren daarbij mogelijk een rol spelen en Dordrecht het Schone Lucht Akkoord heeft ondertekend, is de raad dan van mening dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de luchtkwaliteit in onze stad verder te verbeteren? Zo ja, aan welke maatregelen denkt de raad dan daarbij? De voorzitter: Voor het vormen van een oordeelsvormende vergadering is een meerderheid nodig. Ik wil eerst nog even mijnheer De Heer het woord geven. Die stak ook zijn hand op.
Dan kunnen we daarna kijken hoe de verhoudingen liggen. De heer De Heer: Voorzitter, ik heb op basis van de informatie vanavond een ander voorstel. Ik zie ook dat er een raadsinformatiebrief komt in Q4. We hebben, denk ik, heel veel informatie opgehaald, met de schriftelijke vragen en met deze sessie. Er kunnen nog aanvullende vragen worden gesteld. Ik denk dat we dit dossier zeker op de voet gaan volgen, maar wat ons betreft laten we ons weer informeren in Q4. De voorzitter: Ik kijk nog even rond. Ik zie twee voorstellen. Dan moet ik eventjes kijken wie waar voor is. De heer Van der Graaf: Voorzitter? De voorzitter: We hebben een voorstel voor een oordeelsvormende vergadering en een voor afwachten op de RIB. Mijnheer Van der Graaf heeft wellicht nog een toevoeging. De heer Van der Graaf: Meer een vraag aan u. Als we zouden zeggen, we doen het niet oordeelsvormend, wat gebeurt er dan? Dat even voor mijn beeldvorming. De voorzitter: Dan is het ter kennisname. 30 De heer Van der Graaf: Dat is alles? Er gebeurt verder niets mee? De voorzitter: Klopt. De heer Van der Graaf: En het voorstel van mijnheer De Heer, in Q4 bespreken, dan kan er later altijd nog over worden gesproken? De voorzitter: Ja. Dan is het naar aanleiding van de RIB die dan uitkomt. Dan kan de raad beslissen. Wij met zijn allen gaan het bespreken. Mijnheer Van Antwerpen.
De heer Van Antwerpen: Mits je het als beeldvormende vergadering op de agenda krijgt. Dat betekent dat je weer je rondje moet doen om voldoende steun te krijgen. Zekerheid heb je niet. De voorzitter: Dat is zeker zo. Mevrouw Striebeck: Voorzitter? Wij steunen mijnheer De Heer, ChristenUnie/SGP. De voorzitter: Laat ik het even, in ieder geval voor mezelf, overzichtelijk houden. Laten we het even met handen opsteken doen. Wie is voor het voorstel van mijnheer Van Antwerpen om het oordeelsvormend te agenderen? Een, twee, drie, vier, vijf, dat zijn zes fracties als ik het goed lees. Die heb ik echt een keer meegeteld. Ik zie zes fracties daarvoor. Klopt dat? Dat is nog geen meerderheid. Wie wil liever de RIB afwachten? Ik tel zeven. Het betekent in ieder geval dat er nu geen oordeelsvormende vergadering wordt belegd. We zullen de RIB afwachten. Voordat we opstaan, zijn er nog twee vragen. Ik lees ze even keurig voor om te kijken of ik het goed doe. Kan de commissie kennisnemen van de beantwoording van de artikel 40-vragen en artikel 39-vragen? Bij dezen. De tweede vraag, kan de raadsinformatiebrief ter kennisname naar de raad? Dat is het formele gedeelte. Dan wil ik u allemaal bedanken. Zoals gebruikelijk, de laatste vraag is, wilt u zelf uw flesjes, kopjes en andere spullen meenemen en deponeren daar waar dat gewenst is? Dank u. 7.
Agenderingsverzoek college over Participatiewet in balans en transformatie sociale werkvoorziening Voorzitter: Mevrouw Stolk Raadsgriffier: De heer Boogaard Verslag: NotuBiz Aanwezig: Mevr. Van den Aardwegh-van Leeuwen (CDA) Mevr. Burgaz (GroenLinks-PvdA) Dhr. Dangerman (D66) Dhr. De Gelder (ChristenUnie/SGP) Mevr. Kovalenko (D66) Mevr. Lindner (Beter voor Dordt) Mevr. Nzolani (SP) Dhr. Peters (VSP Dordrecht) Mevr. Striebeck (VSP Dordrecht) 31 Dhr. Tutupoly (Op Ons Eiland) Dhr. Van de Vreede (VVD) Mevr. De Vries (GroenLinks-PvdA) Mevr. Vol-van der Holst (Partij voor de Dieren) Dhr. Wringer (Beter voor Dordt) Mevr. Yachou (DENK) Portefeuillehouder: wethouder W. van der Kruijff Ambtelijke ondersteuning: dhr. Holstein Overige aanwezigen: Mevr. Rodenhuis, mevr. Sinnema De voorzitter: Goedenavond allemaal. Mijn naam is Margaret Stolk en ik mag vanavond uw voorzitter zijn. Ik denk, ik druk nog twee keer op dat knopje, want dit wordt, volgens mij, mijn laatste commissievergadering die ik voor ga zitten. Vandaar dat ik denk, ik druk even twee keren op de knop. Welkom allemaal. Welkom, ambtelijke organisatie, welkom, raads- en commissieleden. Vanavond hebben wij een beeldvormende commissie over Participatiewet in balans en de transformatie voor de sociale werkinfrastructuur. Moeilijk woord.
Wat ik al gezegd heb, ik open hierbij deze beeldvormde commissievergadering over de Participatiewet in balans en de transformatie van de sociale werkinfrastructuur. Ik breek bijna mijn nek erover. Ik heet mijnheer Van der Kruijff, indien aanwezig, ik zie hem zitten, hij zit recht tegenover me, welkom, mevrouw Sinnema en mevrouw Rodenhuis van de GR Sociaal en mijnheer Holstein van de gemeentelijke organisatie. Voor het verslag vraag ik degenen die hier vanavond aan tafel zitten om even uw naam en partij te noemen. Ik begin aan de linkerkant. De heer Tutupoly: Gersom Tutupoly, Op Ons Eiland. Mevrouw Kovalenko: Vita Kovalenko, D66. De heer Dangerman: Xander Dangerman, D66. De heer Van de Vreede: Marijn van de Vreede, Dordtse VVD. Mevrouw Burgaz: Mihriban Burgaz, GroenLinks-PvdA. Mevrouw De Vries: Frouke de Vries, GroenLinks-PvdA. De heer De Gelder: Peter de Gelder, ChristenUnie/SGP. De heer Wringer: Jan-Willem Wringer, Beter voor Dordt. Mevrouw Lindner: Naomi Lindner, Beter voor Dordt. Mevrouw Nzolani: Cherry Nzolani, SP Dordrecht. Mevrouw Yachou: Majda Yachou, DENK Dordrecht. De heer Peters: Goof Peters, VSP Dordrecht. 32 Mevrouw Striebeck: Bernadette Striebeck, VSP Dordrecht. Mevrouw Vol-van der Holst: Danielle Vol, Partij voor de Dieren. Mevrouw Van den Aardwegh-van Leeuwen: Jolanda van den Aardwegh, CDA. De heer Boogaard: André Boogaard, commissiegriffier.
De voorzitter: De aanleiding van deze commissievergadering is, in de loop van dit jaar moet de gemeenteraad besluiten nemen over de Participatiewet in balans en de transformatie van de sociale werkinfrastructuur. Ter voorbereiding daarop heeft het college verzocht om deze vergadering en deze commissie alvast te informeren over de ontwikkelingen. Dan gaan we zo over naar de inhoudelijke behandeling. Ik zou daarbij graag het woord geven aan mijnheer Holstein, vervolgens aan mevrouw Sinnema en mevrouw Rodenhuis en de commissie verzoeken om vragen zo veel mogelijk op te sparen tot na de presentatie, tenzij de beantwoording echt nodig is om het verhaal goed te kunnen volgen. Kunt u daarmee instemmen? Dan geef ik nu, aan de linkerkant, als eerste het woord aan mijnheer Holstein. Gaat uw gang. De heer Holstein: Dank u wel, voorzitter. Goed om te weten dat ik vanuit de gemeentelijke organisatie de ambtelijke accounthouder ben voor de GR Sociaal, op de onderwerpen waar we het vandaag over gaan hebben. In aanvulling op de introductie van de voorzitter zal er inderdaad in de tweede helft van dit jaar een aantal stukken uw kant op komen. Dat betreft, naar aanleiding van de Participatiewet in balans, de aanpassing van de verordening sociaal domein op het onderdeel werk en inkomen.
Het transformatieplan sociale werkinfrastructuur is een visie op de lange termijn koers, over hoe we inwoners richting werk en meedoen in de samenleving willen stimuleren, hoe we dat zo goed mogelijk kunnen ondersteunen en wat daarbij de passende of adequate infrastructuur zou moeten zijn. Die beide stukken komen uw kant op in de tweede helft van dit jaar. Vandaag is het de bedoeling om daarvoor al de informatieve en inhoudelijke bodem te gaan leggen. Ook in moeilijke termen misschien, maar daarvoor hebben we twee experts erbij om u daar het nodige op uit te leggen. Verder wil ik u nog wijzen op de technische sessie die een week geleden is geweest, over de gemeentelijke zienswijze op de jaarstukken en de ombuigingen van de GR Sociaal. Daar is een aantal presentaties gehouden waarin ook in algemene zin wat uitleg is gegeven over de GR Sociaal en de taken. Ik denk dat een aantal van u daar ook bij is geweest. Zo niet, dan is het wel aan te bevelen om dat wellicht nog even terug te kijken en om die informatie ook nog even mee te pakken. De uitvoering van de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening, de twee onderwerpen waar het vandaag over gaat, worden ook uitgevoerd door de GR Sociaal. Dan ga ik nu, met uw goedvinden, voorzitter, naar de linkerkant kijken om het stokje weer over te geven aan de collega's van de GR Sociaal. De voorzitter: Zeker.
Dan geven we nu het woord aan mevrouw Sinnema. Mevrouw Sinnema: Ik ga er even bij staan. Ik weet niet hoe lang uw dag vandaag al is. Volgens mij bent u al vanaf ongeveer 16.00 uur actief. Volgens mij bent u begonnen in het Waterwiel in Wielwijk. Dat is wel heel leuk, want dit sluit ook wel aan bij het 33 onderwerp vanavond. Mijn naam is Marianne Sinnema. Ik mag mezelf projectleider noemen van de Participatiewet in balans. Nienke zal het tweede deel van de presentatie verzorgen. In totaal hebben we ongeveer een minuutje of 20, 25 nodig. We hebben hard geoefend. Dan hebben we de presentatie gedaan. Uiteraard is er daarna ruimte voor vragen. Samen sterk naar werk en meedoen. Nu komt altijd het meest spannende moment. Hij doet het. Ik begin even met een stukje aanleiding, een stukje context. Er zijn ongetwijfeld mensen hier aan tafel die weten wat de Bijstandswet of de Participatiewet is, maar sommigen misschien ook niet. Ik denk dat het wel even goed is om een klein beetje context te schetsen voordat we echt de diepte ingaan. Dan zal ik een toelichting geven over de Participatiewet in balans. Dat is een nieuwe wet en die is vorig jaar vastgesteld ter vervanging van de oude Participatiewet. Daarvoor heette het Wet werk en bijstand, daarvoor Algemene bijstandswet en als we nog verder teruggaan, dan hebben we het over de Armenwet, maar zover gaan we niet terug vanavond.
Het derde gedeelte zal verzorgd worden door Nienke. Een stukje toelichting op de transformatie sociale infrastructuur werk. Dat is ook de reden waarom ik een glaasje water nodig heb, want dat woord is inderdaad soms wat lastig uit te spreken. Na vanavond weet u, hopelijk, ongetwijfeld wat dat inhoudt. Dan een stukje planning en wat u kunt verwachten. Aan de ene kant een heel mooi plaatje, aan de andere kant niet zo'n mooi plaatje. Ik neem u even terug naar 2015. Toen zijn er een aantal wijzigingen geweest. De Participatiewet is veranderd. Met die Participatiewet kwamen ook de Jeugdwet en de Wmo-wijzigingen. Wmo werd al uitgevoerd door gemeente, Jeugdwet is naar de gemeente gekomen. De 3 decentralisaties, zo noemen we ze ook wel. Die Participatiewet is toen veranderd. Wat is er veranderd? Onder andere de Wet sociale werkvoorziening. U komt, volgens mij, allemaal uit Dordrecht. Ongetwijfeld heeft u weleens de naam Drechtwerk voorbij zien komen of de mensen van Drechtwerk gezien die veelal in de groenvoorziening werken of op de locatie op de Snelliusstraat. Drechtwerk is de organisatie die de WSW uitvoerde. De WSW is gestopt. We noemen dat een uitsterfconstructie, heel oneerbiedig. Dat was best een dure voorziening en voornamelijk voor mensen met een arbeidsbeperking, geheel of gedeeltelijk.
Sommige mensen werken daar intern, hebben ook echt enorm veel begeleiding nodig en zullen nooit zonder begeleiding dat werk kunnen doen. Sommige mensen maken stappen richting een reguliere arbeidsmarkt. Die WSW-regeling is gestopt, maar dit wil niet zeggen dat die mensen er niet meer zijn. Die stromen nu in, in de Participatiewet. De doelgroep van die Participatiewet wordt steeds groter. Wat er ook veranderde, was dat een aantal regelingen werden beperkt, waaronder de Wajong. De Wajong is een regeling voor jonggehandicapten. De criteria werden scherper, waardoor mensen minder snel de Wajong instroomden, maar ze moeten wel ergens naartoe. Zij stromen in, in de Participatiewet. Die ontwikkeling, en dan hebben we het nog niet over de ontwikkelingen die eraan gaan komen, zorgen ervoor dat de doelgroep van de Participatiewet steeds meer gaat groeien. En dat zijn mensen die toch net even wat meer nodig hebben om aan het werk te komen. Meer ondersteuning, maar ook ondersteuning van werkgevers. Het is ook maar de vraag of de werkgevers bereid zijn om deze mensen aan te nemen. Dat gebeurt wel. We hebben de banenafspraak. Dat is ook gestart in 2015. Het lukt ons zeker ook wel om mensen te begeleiden naar die reguliere markt, maar nog onvoldoende om dit scenario tegen te gaan. Het kabinet heeft op een gegeven moment gezegd, daar moet wat in veranderen.
Er zit verderop in de presentatie een link en ik zou iedereen willen adviseren om dat 34 document echt te lezen. In 2023 kwam de probleemanalyse van de Participatiewet. Wonderbaarlijk genoeg maar 24 pagina's. Dat gebeurt niet veel met landelijke stukken. Ik moet zeggen, ik vind het echt wel een helder document en het is zeker prettig om dat te lezen voor de behandeling van de stukken, want daar staat heel goed deze ontwikkeling in beschreven, waar het naartoe gaat en wat er moet veranderen. Doel is dat we de mensen toch op 1 of andere manier kunnen laten meedoen, het liefst naar werk. Dat zal ook niet veranderen. Dat blijft een uitgangspunt van de Participatiewet. We zien ook dat voor veel mensen werk niet haalbaar is op korte termijn, middellange termijn of misschien soms helemaal niet. Dan is meedoen of vrijwilligerswerk het hoogst haalbare. Het doel is dat mensen wel mee kunnen doen in de samenleving, want gebleken is wel dat als mensen actief zijn in de samenleving, vrijwilligerswerk doen, hun eigenwaarde stijgt. We noemen dat in de ambtelijke termen dan ook wel de maatschappelijke businesscase. Mensen zullen minder snel gezondheidsklachten hebben. Ik denk dat iedereen dit belang wel inziet. De 2 opgaven, Participatiewet in balans en de transformatie sociale infrastructuur, zijn opgaven die antwoorden moeten gaan bieden op deze uitdaging, zou ik bijna willen zeggen.
Dan wil ik u, voordat ik naar de Participatiewet in balans ga, even meenemen met in een aantal cijfers. Landelijk hebben ze het een en ander uitgezocht. Ze hebben gezien dat de doelgroep toeneemt, bepaalde kenmerken, maar wat gebeurt er in onze regio en wat gebeurt er in Dordrecht? We zijn niet uitputtend geweest met alle cijfers, want dan staan we hier, denk ik, volgende week nog, maar het is wel aardig om een klein beetje in te zoomen en een beeld te krijgen van hoe het zit in Dordrecht en in de regio. Dan zien we gelijk al een opvallend iets. We hebben 2015 en 2026 naast elkaar gelegd en u ziet dat Dordrecht eruit springt met min 10 procent. Dat vonden wij best interessant. Daar zijn we ook wel een beetje aan het speuren geweest. We hebben dat niet helemaal tot op de bodem uit kunnen zoeken, maar ik moet er gelijk bij zeggen, het aantal inwoners met uitkering op de totale bevolking neemt niet echt af. Nu zijn de percentages afgerond. De 3 is een 2,8. Je kan niet echt zeggen dat het percentage mensen met een uitkering af is genomen, maar we zien wel, met name in 2017, 2018, 2021 en 2022 een bepaalde piek. Het heeft nader onderzoek nodig om te bepalen wat dat dan precies betekent, want het hoeft niet zo te zijn dat in die jaren mensen ineens zijn gaan werken. Het kan er ook mee te maken hebben dat mensen verhuizen.
Klinkt heel flauw, maar misschien zijn er veel mensen overleden, zit het in bepaalde wijken. Het is wel interessant om dat wat nader te onderzoeken. Dat zullen we ook zeker doen. Hoe dan ook, het percentage uitkeringen op de totale bevolking blijft min of meer gelijk, maar zal ook wel de komende tijd gaan stijgen, verwachten wij. Een aantal algemene kenmerken. We hebben de duur van de uitkering, dat zegt wel wat over hoe bemiddelbaar iemand is, hoe groot de afstand tot de arbeidsmarkt is, leeftijdscategorieën en leefvorm. In de leefvorm zien we niet zo enorm veel spannende veranderingen, wel in de duur uitkeringen. Daar zien we best een behoorlijke stijging. Je ziet dat het aantal mensen dat langdurig in die bijstand zit, is gegroeid. Het heeft er ook mee te maken dat je de afgelopen jaren, als gemeente, gestimuleerd wordt om voornamelijk te investeren op mensen aan het werk krijgen. Wat gebeurt er? We kijken vooral naar de mensen die snel bemiddelbaar zijn. De financieringssystematiek is zo ook ingericht. Zitten er veel mensen in de bijstand, dan kost dat veel geld. Dan mag je als gemeente zelf bijbetalen. Elke gemeente, en ook de GR Sociaal, investeert in de mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, waardoor heel veel mensen die meer ondersteuning nodig hebben, soms 35 het nakijken hebben.
Wat ik nog even wilde zeggen over de jongeren, de cijfers gaan tot 2025 en vanaf begin 2026 valt wel op dat het aantal jongeren stijgt. Dat is overigens niet alleen in Dordrecht of in de regio, maar ook landelijk. We houden dat uiteraard ook in de gaten. Het is niet zozeer dat het schoolverlaters zijn. Het zijn ook wel jongeren die een opleiding hebben afgerond, zien we, maar voornamelijk jongeren die zich melden met mentale problematiek. Dat is wel een aandachtspunt. Dat gaat u zeker ook teruglezen in de notitie, want dat is uiteraard een groep die we het liefst niet lang in de bijstand hebben. Dit is wat meer ingezoomd op Dordrecht. Cijfers verschillen niet enorm veel met de regio. We zien in de cijfers terug dat we voornamelijk investeren in die groep met een korte afstand. Ook in de samenstelling van het bestand zien we niet zo enorm veel bijzonderheden. Dan de laatste cijferanalyse op hoofdlijnen. Ik zeg het, op hoofdlijnen. Ik vind het zelf altijd een lastig woord. We noemen dat klantgroepindeling. Vroeger heette het fases, daarvoor waren het categorieën. Het blijft altijd een beetje lastig om mensen in hokjes te stoppen, want het verschilt. Beleidsmatig wil je wel soms een trend of een gevoel krijgen van, hoeveel mensen hebben we nu in die doelgroep zitten met een grote afstand, middellange afstand en een korte afstand? We werken wel met klantgroepindelingen.
Uiteraard gebruiken we dat soort termen niet in de spreekkamer. Het is niet van, u zit in klantgroep 1. Zo werkt het niet. Het is echt de bedoeling dat we het vooral als beleidsinformatie gebruiken. Nogmaals, het is geen exacte wetenschap, maar het geeft wel een indicatie. Ook hier zien we dat we niet zo veel afwijken van het landelijke beeld. Dat met name. Klantgroep 3 is de groep mensen waarbij de afstand tot de arbeidsmarkt groot is. Dat geldt bijna voor elke gemeente. Dan even een beeld van de mensen uit Dordrecht. 10 procent werkt parttime. Dat is sowieso een interessante groep, want als mensen daar extra uren kunnen maken, dan bevordert dat de uitstroom. Er zitten ook mensen tussen die waarschijnlijk nooit meer dan een X-aantal uur kunnen werken. Ongeveer 0,5 procent heeft een ontheffing van de sollicitatieplicht. Dat kan te maken hebben met zware zorgproblematiek, dat is vaak tijdelijk, of een wat oudere leeftijd. Ik ga ze niet allemaal na, want u kunt ze allemaal lezen. 17 procent ontvangt geen dienstverlening. Dat heeft ermee te maken dat we ook simpelweg niet altijd de capaciteit hebben om iedereen uitgebreid te ondersteunen. Daar worden steeds prioriteiten gesteld. Dat is ook een onderdeel dat terug gaat komen, uiteraard, in die notitie. Overigens wil dat niet zeggen dat die 17 procent mensen niks doet. Er zijn wel mensen die vrijwilligerswerk doen.
Als ze zich melden, dan worden ze ook zeker geholpen. Het is ook zo dat deze mensen wel altijd iemand te spreken krijgen in het kader van bestaanszekerheid. Onze consulenten Bestaanszekerheid spreken deze mensen in ieder geval jaarlijks om te kijken hoe het staat met schulden, financiële aspecten. Dan ga ik bijna naar de Participatiewet. Ik heb hier een aantal citaten opgenomen uit de probleemanalyse. Dit is overigens de link naar het rapport. Uiteindelijk willen we toch ook wel, en daar zal Nienke dadelijk in haar verhaal op terugkomen, zorgen dat we de mensen die een grotere afstand hebben wat meer ondersteuning, tijd en aandacht kunnen gaan geven. Gebleken is dat als we daarop investeren, je net even wat meer doorstroom creëert en voorkomt je dat het bestand groter wordt. Aan de ene kant kan je zeggen, ondersteuning is belangrijk, aan de andere kant, de arbeidsmarkt en de infrastructuur van re-integratie moet ook maar bereid zijn om dat op te nemen. Is een werkgever bereid om met deze mensen aan de slag te gaan? Dat noemen we de infrastructuur. Dat is waar Nienke dadelijk wat meer over gaat vertellen. Even een procesding. Ik heb het er toch even ingezet. U krijgt volgens mij ook de presentatie, als 36 ik het goed heb. De Participatiewet in balans gaat niet alleen over begeleiding en re- integratie, het is een pakket aan maatregelen. We hebben, zoals gezegd, maar 25 minuten.
We focussen ons op dit onderdeel. Als u naar de VNG-site gaat en Participatiewet in balans intikt, dan ziet u een uitstekend overzicht van alle maatregelen die we allemaal aan het oppakken en doorvoeren zijn. Mijn laatste sheet, de nieuwe P- wet in balans, de kern van het hele verhaal. Iedereen die kan werken, moet werken. Dat blijft overeind. Dat heb ik net ook al gezegd. Daar zullen we op blijven investeren, samen met maatschappelijke ondernemers hier in Dordt en in de regio. Die nieuwe wet gaat meer rekening houden met mensen voor wie het niet haalbaar is. Eigenlijk zegt die nieuwe wet, gemeente, zorg dat je daarop investeert en leg ook uit wat je doet en hoe je dat doet. Dat moet terechtkomen in een verordening werk en inkomen. Ik noem het werk en inkomen, maar, volgens mij, Lesley, je moet me helpen, heet het sociaal domein hier in Dordt. Jullie hebben de verordening van de Jeugdwet, Wmo en de Participatiewet in 1. Daar zit een apart hoofdstuk in. Die verordening moet aangepast worden op technische onderdelen, dat is wat minder spannend, maar ook op de vraag, wat gaan we doen met deze groep mensen en hoe doen we dat? Dat is een stuk dat uw kant op gaat komen, met een begeleidende notitie. Daar zal een algemeen stuk in komen, maar daar zal ook een stuk in komen dat specifiek gericht is op Dordrecht.
Daar zitten bijvoorbeeld vragen in als, hoe gaan we om met ontheffingen, gaan we ons richten op specifieke doelgroepen of zeggen we dat we aan sommige doelgroepen wat minder aandacht aan besteden? Dat zijn allemaal vraagstukken die terugkomen. Een ander belangrijk onderdeel is, hoe gaan we zorgen dat al die organisaties, werkgevers en lokale partners klaar zijn en met ons mee kunnen werken om deze groep mensen te begeleiden? Daar gaat Nienke het antwoord op geven. De voorzitter: Dank, mevrouw Sinnema, voor deze heldere presentatie. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Rodenhuis. Gaat uw gang. Mevrouw Rodenhuis: Dank u wel. Mijn naam is Nienke Rodenhuis. Ik ben beleidsadviseur voor het thema Ontwikkelen naar Werk bij de GR Sociaal. Ik ga u meenemen op het onderwerp transformatie sociale infrastructuur werk. Ik heb al meerdere verwarde gezichten gezien. Waar gaat het over? De sociale infrastructuur, daarmee bedoelen wij het geheel aan organisaties dat zich bezighoudt met ontwikkeling, begeleiding, participatie, re-integratie naar werk.
Waarom moet er dan een transformatie op plaatsvinden? Dan kom ik weer even terug bij de hele kleurrijke tabel, die we aan het begin ook hebben gezien, die aangeeft dat de Participatiewet zo is ingericht dat we nu al weten dat er een veel grotere doelgroep bij de gemeente terecht gaat komen en dat daar ook veel meer mensen in gaan zitten die een zekere mate van arbeidsbeperking hebben. Het zijn mensen die vroeger in aanmerking waren gekomen voor een andere voorziening, zoals de WSW of de Wajong, maar daar nu geen recht meer op hebben. Dit betekent niet dat er geen mensen meer zijn met een arbeidsbeperking. Die mensen komen bij de gemeente terecht en wij moeten proberen om hen, zo goed als het kan, te begeleiden naar zo regulier mogelijk werk. Toen het Rijk dit bedacht, hadden zij verwacht dat de organisaties die uitvoering geven aan deze wet, zich gaandeweg zouden gaan aanpassen aan de nieuwe situatie. We weten, als we naar die tabel kijken, als we blijven doen wat we doen, dan zullen we niet kunnen blijven voorzien in de behoeften van de doelgroep. Daarnaast zal het systeem financieel ook niet houdbaar zijn. In de praktijk is gebleken, nu, na 10 jaar, dat die transformatie die het Rijk destijds had 37 beoogd nog niet dermate op gang is gekomen als ze hadden verwacht. Dit geldt niet alleen voor onze regio, dat is landelijk geconstateerd.
Daarom heeft het Rijk besloten om daar een impuls aan te geven. In 2026 en de daaropvolgende jaren is er een impulsbudget vrijgemaakt en een landelijk ondersteuningsteam dat zich inzet om met iedere regio aan de slag te gaan met het maken van een transformatieplan, waarin we in ieder geval een langere termijnvisie neerleggen over waar we naartoe werken als gezamenlijke infrastructuur. Daar hoort ook een financieel plaatje bij. Daar zijn we mee aan de slag. Als we dan even gaan kijken naar de huidige sociale infrastructuur naar werk, dan bestaat het nu, in de context van de GR Sociaal, uit 2 belangrijke onderdelen. Enerzijds hebben we Drechtwerk, de organisatie met werk- en ontwikkelplekken voor mensen met een indicatie arbeidsbeperkt. Daar zitten nu nog 724 inwoners van de oude Wet sociale werkvoorziening. Zij mogen daar blijven. Tot ze met pensioen gaan, zijn we verplicht om een plek voor hen te bieden. Daarnaast zijn er nu inmiddels 111 inwoners met een beschutwerkindicatie. Dat zijn mensen die in de nieuwe Participatiewet zitten en een arbeidsbeperking hebben die zo groot is dat er niet van een reguliere werkgever kan worden verwacht dat hij een plek biedt voor deze mensen. Daar creëren we ook zelf plekken voor. Daarnaast hebben we dan nog een klein aandeel arbeidsmatige dagbesteding, participatieplekken en ontwikkelplekken voor andere doelgroepen bij Drechtwerk.
Anderzijds hebben we de opgave Ontwikkelen naar Werk. Daar wordt de dienstverlening geboden die past bij de oude Wet werk en bijstand. We doen daar begeleiding van inwoners naar werk, maar inmiddels ook steeds meer begeleiding van inwoners naar participatie en meedoen. We hebben ook een afdeling die werkgevers stimuleert om mensen uit de doelgroep in dienst te nemen en we bemiddelen naar werk. Als we kijken naar die wetswijzigingen, dan weten we al dat de doelgroep van Drechtwerk, de doelgroep mensen met een indicatie arbeidsbeperkt, gaat afnemen. We weten ook dat de doelgroep van de opgave Ontwikkelen naar Werk heel erg sterk gaat toenemen en dat we niet kunnen blijven doen wat we doen. Er is al 1 hele belangrijke stap gezet en dat is dat deze 2 organisaties met elkaar gefuseerd zijn. Waar er eerst 2 wetten waren, de WSW en de Wet werk en bijstand, 2 uitvoerende organisaties, is er nu 1 wet en 1 organisatie die daar uitvoering aan geeft. Daar valt nog steeds heel veel winst te behalen. Het is ook lastig als je nog steeds 700 werkplekken moet faciliteren voor mensen in de WSW. Dan kun je niet je hele organisatie op de schop gooien. In die infrastructuur naar werk zit niet alleen de GR Sociaal. De gemeente doet daar ook het een en ander. Die heeft daar 335 participatieplekken bij ruim 30 leerwerkbedrijven in Dordrecht.
U bent vandaag bij Waterwiel geweest, u heeft over Dordt West het een en ander gehoord. Dat is ook onderdeel van de infrastructuur. De gemeente Dordrecht houdt zich ook bezig met maatschappelijk ondernemen en allerlei andere initiatieven die door de gemeente door in beheer zijn. We weten dat, als we naar de grote rode golf aan doelgroep kijken die op ons af gaat komen op termijn, we als GR Sociaal en gemeente, ook al bundelen we onze krachten zo veel mogelijk, niet alleen het hoofd kunnen bieden. Daarom zullen we op termijn de infrastructuur veel breder gaan bekijken dan we nu doen en zullen we veel meer en veel intensiever moeten gaan samenwerken met andere organisaties. Dan hebben we het over werkgever, maar ook leerwerkbedrijven, onderwijs, sociaal ondernemers, maatschappelijke organisaties. Daar werken we nu al mee samen, maar dat moeten we echt veel verder gaan uitbreiden en ook beter gaan doen, want anders kunnen we het niet goed doen voor al de inwoners die bij ons terecht gaan komen. Het tweede heel belangrijke onderdeel van de transformatie 38 is dat we ons veel meer gaan richten op ontwikkelen en doorstroom, want op dit moment, Marianne zei daar ook al wat over, focussen we heel erg op het neusje van de zalm, klantprofiel 1, mensen die een korte afstand hebben af te leggen naar de arbeidsmarkt.
We weten dat er steeds meer mensen in het bestand gaan komen met een hele grote afstand tot de arbeidsmarkt. Als je daar niet iets van beweging in gaat creëren, dan loopt je systeem vast. Dat gaat blokkeren. Doorstroom wordt heel belangrijk en daar moeten we ons op gaan focussen. In het transformatieplan zullen we 3 onderdelen centraal stellen. Enerzijds dat we die infrastructuur veel breder gaan bekijken en hoe we dat dan voor ons zien. Tweede punt is dat we ontwikkeling veel belangrijker gaan maken en hoe we dat gaan inrichten. Tot slot, wat heeft dat dan voor effect op de rentabiliteit van je systeem? Oftewel, hoe houden we dat betaalbaar? We werken nu aan een transformatieplan. Dat doen we samen met 7 gemeenten. We hebben 7 beleidsadviseurs die daar heel erg nauw betrokken bij zijn. We gaan dat samen met het bestuur doen. Dan eindigt dat in een transformatieplan. Hoe hangt het dan samen met de P-wet? Inhoudelijk, dat hebben jullie gehoord, ligt heel heel dicht bij elkaar. De P-wet in balans en de verordening met bijbehorende notitie die jullie na de zomer te zien krijgen, gaat over, hoe geven we vorm en uitvoering aan begeleiding, re- integratie en participatie? Die nieuwe verordening zal per 1 januari 2027 van start gaan.
Het transformatieplan gaat over, hoe richten wij onze organisaties in ten behoeve van begeleiding, re-integratie en participatie? Er zal ook een langere termijn transitiepad aan hangen. Na de zomer 3 stukken, een verordening, een notitie met een toelichting op die verordening en een transformatieplan. That’s it. Vragen. Dank jullie wel. De voorzitter: Ik wil jullie allereerst bedanken voor de heldere en boeiende presentatie. Het gaat namelijk een beetje over hoe we de transformatie ingaan, maar ook over de meest kwetsbaren in onze samenleving, in Dordrecht en ook in de regio. Ik heb de commissie nog nooit zo stil meegemaakt. Dit betekent dat de presentatie boeiend is. Ik heb ze allemaal heel aandachtig horen luisteren en ik heb al een aantal vingers de lucht in zien gaan met een vragen. Zal ik het rijtje afgaan? Ik zag daar aan mijn linkerkant als eerste. Mijnheer Dangerman, mag ik u als eerste het woord geven? De heer Dangerman: Dat mag u, voorzitter. Ik wil allereerst mijn dank uitspreken voor de presentatie. Het was echt heel helder. Ik had even een vraag, want bij de cijfers wordt heel veel vergeleken met de andere gemeenten waarmee we in de gr zitten.
Ik vraag mij af, in hoeverre is Dordrecht vergelijkbaar met die gemeenten en hoe doen we het ten opzichte van vergelijkbare steden? De voorzitter: Mevrouw Sinnema, mag ik u het woord geven? Mevrouw Sinnema: Het is niet helemaal vergelijkbaar. De cijfers zijn voornamelijk gericht op de vraagstukken, hoe lang zitten mensen in de bijstand? Dat zijn de kenmerken. Dordrecht wijkt in die zin met min 10 procent wel wat af, maar als we uiteindelijk kijken naar, hoe is de samenstelling van die doelgroep in vergelijking met andere gemeenten, dan wijken we daar vrij weinig af. Wat wel redelijk uniek is in deze regio, niet zozeer voor Dordt, maar voor de regio, is dat we in verhouding best veel participatieplekken hebben, omdat we de afgelopen 2, 3 jaar daar best wel op hebben in geïnvesteerd met de lokale partners. Dat zien we niet in elke regio terug. Er zijn ongeveer zo'n kleine 800, die overigens niet allemaal bezet worden door mensen met een uitkering, maar een groot percentage wel. 39 De voorzitter: Dan geef ik het woord aan mijnheer Van de Vreede. Gaat uw gang. De heer Van de Vreede: Voorzitter, er werd gesproken over twee groepen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, mensen met een grote afstand, mensen met een kleine afstand.