CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2.3 Notulen Dordrecht Commissie Fysieke Leefomgeving 13 april 2021.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 26 mei 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 2: Vaststellen van de notulen van de Raadsvergadering van 28 april 2021 en van de Commissies Bestuur en Middelen, Fysieke Leefomgeving en Sociale Leefomgeving van 13 en 20 april 202125.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De heer Loekemeijer: Dat is precies wat wij in het stuk een beetje zouden willen zien, is dat daarover nagedacht wordt: hoe kunnen we daar nou voor zorgen? Want omdat dat natuurlijk, er zijn heel veel tegenstrijdige belangen. We willen groeien, we willen verdichten, maar we willen ook de leefomgeving verbeteren, we willen vergroenen. Dat is inderdaad precies wat we een beetje missen in dit stuk. Het is een soort en, en, en: we gaan dit doen en we gaan dat doen en we gaan zus doen. Maar er zullen ook keuzes gemaakt moeten worden: hoe gaan we dat dan doen en wat gaan we dan niet doen? Gaan we bijvoorbeeld heel erg de hoogte in om op straatniveau meer groen te kunnen creëren? Dat mis ik nog een beetje, juist dat stuk: welke visie hebben wij nou voor de toekomst om die dingen te gaan combineren die elkaar gewoon bijten? Dat kan bijna niet anders. De voorzitter: Mevrouw Klein-Hendriks. Mevrouw Klein-Hendriks: Voorzitter, ik hoor de heer Loekemeijer aangeven waar zijn vragen zitten. Ik kan me ook echt wel voorstellen dat de figuur van de stadsbouwmeester daar juist een goede rol in zou kunnen vervullen, dus eigenlijk meer een figuur met overwicht in de advisering van de verdere groei en ontwikkeling van de stad.

Ik kan me ook voorstellen dat het college daarvoor zelfs ook een programma bijvoorbeeld over die bouwkwaliteit en circulariteit en duurzaamheid ontwikkelt, waarin dan ook de positie van welstand of de stadsbouwmeester een rol kan hebben. Zou dat een richting kunnen zijn, vraag ik aan de heer Loekemeijer? De heer Loekemeijer: Ja, wat ons betreft zeker. In ieder geval iets of iemand die de integraliteit bewaakt. Want ik denk dat het ook daar ontbreekt, ook wat mijnheer Oostenrijk daarover zei, een beetje los van elkaar staande zaken lijken te zijn binnen deze visie en dat je juist natuurlijk die integraliteit wilt bewaken. Zorgen dat, wat ik al zei, het één het ander niet gaat bijten of in ieder geval er over nagedacht: hoe kan je dat op een goeie manier combineren? Waardoor alle zaken erop vooruitgaan, om het zo maar te zeggen. De voorzitter: Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Mijn vraag aan de heer Loekemeijer, hij heeft net als de heer Oostenrijk twijfel geuit aan de vraag of dit wel een visie is of niet. De vraag is wat hij vindt dat we daarmee moeten doen. Wat je kunt, zoals de heer Oostenrijk gesuggereerd heeft, dan tegen het college zeggen: doe het maar over, want dit is geen visie. Je kunt ook als commissie of als raad richtingen aangeven waarin die visie ingevuld moet worden.

Dat kun je procedureel doen door te zeggen: er moet een stadsbouwmeester komen, of er moet iets anders gebeuren. Je zou het ook inhoudelijk kunnen doen. Wat is in zijn ogen de beste manier om met die vraag van het bij hem gevoelde gebrek aan visie om te gaan? De heer Loekemeijer: Ik denk, als het aan ons ligt, een beetje een combinatie van beide. Ik denk zeker dat de komende jaren dat de Omgevingswet ingaat, als dat gaat gebeuren, want ook dat is natuurlijk een beetje discutabel op dit moment, dat zou best zomaar nog eens uitgesteld kunnen worden. Maar ik denk zeker dat er nog aan het huidige stuk gewerkt moet worden, maar ik denk ook dat we inhoudelijk als raad daar natuurlijk aan bij kunnen dragen. Dat is eigenlijk mijn antwoord. Is dat voldoende?

De voorzitter: Oké. Ja, we gaan er gewoon even vanuit dat dat voldoende is. Mijnheer Oostenrijk, u heeft ook nog een reactie, u werd genoemd. De heer Oostenrijk: Ja voorzitter, in feite naar aanleiding van het kleine debatje tussen de heer Loekemeijer en de heer Van der Meer. Dat ging over het punt stadsbouwmeester. Ook onze fractie heeft al in den beginne dat element genoemd, heel interessant en terecht. Alleen we komen nu weer tot die wedervraag: hoort dit aspect in een visiedocument? Naar onze mening niet. Het is natuurlijk wel van belang hoe we onze stad verder willen gaan ontwikkelen in laten we maar zeggen architectonische en ruimtelijke omvang, maar je kan daar geen visie van maken. Een stadsbouwmeester is geen visie, het is een middel om een visie nader te concretiseren. Dus in dat opzicht zitten we op een redelijk gelijk spoor. Wat formuleer je onder het hoofdstukje visie? Als we zouden gaan beginnen met alles wat bestaand beleid is, wat detaillistisch van aard is uit dit stuk te schrappen dan houden we wellicht stukken van de visie over waar we het dan ook feitelijk over kunnen hebben. Want het is natuurlijk ons allen volstrekt onmogelijk om een visielijn te ontdekken uit dit stuk van 171 pagina’s. De heer Loekemeijer: Dat was geen vraag, geloof ik, hè? De voorzitter: Mijnheer Loekemeijer, had u nog meer tekst? De heer Loekemeijer: Nee. De voorzitter: Nee? Prima.

De heer Loekemeijer: Ik laat het hier even bij voor nu. De voorzitter: Dank u wel. Voor de geïnteresseerden, ik heb het even opgezocht. Er staat hier een hele leuke: een visie geeft jou op een inspirerende wijze richting. Zo simpel kan het zijn. Dat gaat mijnheer Kleinpaste nu duidelijk maken, hoop ik. Vooral kort, dan. De heer Kleinpaste: Voorzitter, een visie geeft op een inspirerende wijze richting en dan is dit stuk inderdaad – want dat ben ik met de heer Oostenrijk eens – wel heel erg omvangrijk. 171 pagina’s, met bijlages 450 pagina’s. Het is wel goed dat we het digitaal tot ons nemen, want anders hadden we een paar bomen moeten kappen. Ik wou niet al die 171 pagina’s langs rennen. Bovendien, mevrouw Klein-Hendriks heeft het nodige gezegd wat mij zinvol lijkt, datzelfde gold ook voor de heer Oostenrijk. Om daar maar mee te beginnen: ik vind het ook een enorm groot stuk. De eerste opdracht aan het college zou wat mij betreft kunnen zijn: maak daar nou eens een handzame samenvatting van waarmee we met elkaar wel de scherpte vinden om op dat gebied van die visie met elkaar tot verdieping en verbetering van dat geheel te komen. Dus die uitdaging ligt er wel degelijk, vind ik. Ik zou graag twee aspecten even specifiek nog bij de kop willen pakken als dat gaat om deze Omgevingsvisie. De één is participatie en de ander is rechtszekerheid.

Want ja, dit is een organisch document en dat kan groeien, dat kan krimpen, dat kan alle kanten ook op. Ook de tekst van het hele verhaal biedt heel veel ruimte om linksaf of rechtsaf te slaan om dingen te doen. Ik zou zo graag gewoon klip en klaar van het college willen weten hoe nu de rechtszekerheid voor al onze inwoners bij toekomstige ontwikkelingen in die programma’s, in

uitvoeringsplannen, geborgd wordt, zodat daar geen al te grote mate van rechtsongelijkheid of rechtsonzekerheid gaat ontstaan. Dus daar zou ik graag een stukje reflectie vanuit het college op hebben. Wat betreft de participatie, er is keurig beschreven wat er zoal is opgehaald en wat er in het verleden is uitgewisseld om inwoners te laten meedenken en meebeslissen. Maar ik had graag stelliger en beter dan nu het geval is willen lezen hoe het stadsbestuur inwoners gaat meenemen in ontwikkeling van nieuwe plannen, nieuwe gebiedsvisies, nieuwe zaken die aan de orde zijn. Want soms ben ik daar gewoon ronduit ongerust over. Laat ik een voorbeeld geven: het kV-50-gebouw. Het kwam bij de agendasetting al even voor, dan ligt er toch een duidelijkere richting vanuit de commissie: nou ja, we staan kritisch tegenover de plannen, overweeg dat, kijk daar nog eens een keer goed naar. Er is kritiek vanuit omwonenden en dan zie je toch dat het college eigenlijk op die weg voortborduurt.

Dan word ik bezorgd over de mate van inspraak en participatie in zo’n proces en met een aantal grotere processen die aan de gang zijn – Dordtzone hebben we net al genoemd, Spoorzone is er zo één – ben ik vooral benieuwd hoe het college, en ik hoop dat ze daar ook een heldere visie op kunnen geven, hoe het college dat gaat oppakken en de inwoners volledig gaat meenemen en volledig gaat betrekken om hun zegje te kunnen doen in de ontwikkeling van de plannen. Dat vind ik eigenlijk de twee belangrijkste zaken in die hele Omgevingsvisie, omdat daar aan de orde is hoe je met je inwoners en met je stad dus ook wilt omgaan. Ik hoop echt dat het college daar kort iets over zou willen gaan zeggen. Voor het overige, mijnheer Loekemeijer duidde er al op, wellicht is de Omgevingsvisie, wordt die nog wel een keer uitgesteld voor de invoering, de implementatie en ook voor de verbeterslag die er al mogelijk is. In onze eigen stad zou het mij een lief ding waard zijn als dat inderdaad nog weer een jaartje wordt uitgesteld. Tot zover. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Kleinpaste. Gaan we naar mevrouw Jager. Mevrouw Jager: Voorzitter, dank je wel. Volgens mij hebben we het over de Omgevingswet die dus nog een jaartje uitgesteld mag worden, maar de visie mag van mij ook wel.

Al moet ik zeggen, ik had nog niet verwacht dat ik, ik had verwacht dat ik als laatste weer aan de beurt zou zijn, daar had ik mijn stukje ook een beetje op geschreven. Ik heb me gehouden aan wat de griffier ons gevraagd heeft: beperk je tot de paar punten die je na aan het hart liggen. De Omgevingsvisie vind ik een mooi stuk werk dat er goed uitziet. Ik hou mijn reactie dan ook zo kort mogelijk en ik zal me beperken tot een aantal dingetjes die me opvielen met betrekking tot alle onderwerpen die me na aan het hart liggen. Op pagina 17, 2.3.4, de alinea, staat dat armoede, laaggeletterdheid en eenzaamheid verdwijnen door meer werk. Ik kan u verzekeren dat dat niet zo is. Laaggeletterdheid en eenzaamheid verdwijnen niet door werk, maar alleen door maatschappelijke inspanning. Armoede verdween in het verleden wellicht door werkaanbod, maar ook dat is niet meer waar. Anders zouden er geen mensen zijn die met twee volwassenen minstens drie banen hebben en desondanks onvoldoende inkomen hebben om hun gezin, dus henzelf en drie kinderen, goed te kunnen huisvesten en voeden, laat staan dat ze die kinderen ook nog zouden kunnen bieden wat nodig is voor een goede opleiding. Ik vind dan ook dat een dergelijke opmerking niet thuishoort in de Omgevingsvisie.

Bij het openbaar vervoer worden de mensen ten aanzien van vervoer per spoor, bus en over het water genoemd, als waren het de plannen die er door het stadsbestuur gemaakt zouden kunnen worden. Het is ook al in

eerdere besprekingen hierover gezegd: we kunnen veel willen, maar daar gaan we niet over. We zijn voor dit alles afhankelijk van het Rijk en de provincie. Toch moet er wel iets gebeuren om de andere plannen tot groei van deze stad en de regio tot stand te brengen. Vraag: hoe gaat de invloed van de stad/regio op dit belangrijke onderwerp verankerd worden? Gaat er iets gebeuren waardoor we daar meer over te zeggen krijgen? Op pagina 32, figuur 3.7, zie ik een Dordtse bus naast een Dordtse waterbus en zelfs de trein heeft een Dordts uiterlijk. Ons eigen vervoersysteem zou mooi zijn, maar voorlopig is dat alleen nog maar photoshopping. In paragraaf 33 gaat het onder meer over de fietsstad en dat doet het eerder in het stuk ook al en later ook nog en iedere keer gaan we inzetten op minder auto en meer fietsbewegingen. Iedere keer gaan we langere routes via fietsknooppunten aanleggen zodat we in één ruk van Rotterdam naar Dordrecht kunnen fietsen en daaromheen alle natuurgebieden aan kunnen doen. Dat is geweldig nieuws, maar fietspaden zijn in de breedte niet van elastiek. Aangeven van wie waar mag fietsen, dus geen dubbel fietspad laten eindigen in een halve afslag, waarna er over één baantje voortdurend tegenliggers je tegemoet komen is voor de hele regio nodig.

Bij mooi weer zijn de fietspaden nu al overvol, want onze eilandbevolking en onze bezoekers doen namelijk al wat we heel erg graag willen: op de fiets naar het werk, ook als dat wat verder weg is, en op de fiets de natuur in. Alleen meer fietspaden plannen brengt niet alles wat we nodig hebben. Daarom vind ik het jammer dat op pagina 40 noch elders in het stuk ook maar één woord gewijd wordt aan de voor de gezondheid van velen zo schadelijke houtstook. Er zijn veel vragen over gesteld, maar in het stuk komt niks voor. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat echte Dordtenaren niet bereid zouden zijn om hun stookgedrag een keer of drie, vier per jaar aan te passen, zodat een aantal mede-Dordtenaren het niet Spaans benauwd hoeven te krijgen, alleen als de weersomstandigheden daar om zouden vragen. Het zou heel mooi zijn als we daarover in gesprek zouden kunnen gaan met elkaar. Dat lijkt me veel beter als dat we het dus met een heleboel regels en toestanden in een vat proberen te gieten, daar waar er geen wet en regelgeving is. De Omgevingsvisie is een mooi stuk, ik vraag me alleen wel een beetje af voor wie het geschreven is, want ik kan me niet voorstellen dat het voor ons is, namelijk. En waarom de foto’s en dergelijke stukken nooit verder gaan dan de historische binnenstad, alsof de rest van de stad er nooit toe doet.

Het doet me toch helaas, het is een prachtig stuk, maar het doet me toch net allemaal iets te veel denken aan een sprookje van Hans Christian Andersen bijvoorbeeld en dan met name de nieuwe kleren van de keizer. Dit stuk proberen tegen te houden is een zinloze aangelegenheid en het kost ook te veel geld en ambtenarentijd om er veel artikel 40vragen aan te besteden. Maar ik hoop wel dat het college ook overweegt dingen die niet op het scherpst van de snede worden uitgespeeld en bevochten mee wil nemen in een eventueel volgende versie, want die zal uiteindelijk toch nodig blijken, vrees ik. Hier wil ik het bij laten. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Jager. De PVV, mijnheer Hartog, denk ik. De heer Hartog: Ja voorzitter, ik kan hem heel kort houden, want wij sluiten ons aan bij het CDA. De voorzitter: Dat is wel heel kort, mijnheer Hartog. Maar prima, want we moeten ook nog ergens een keer pauze houden en dat gaan we echt pas doen na de eerste termijn. Mijnheer Noldus.

De heer Noldus: Voorzitter, dank u wel. Vanuit ons een iets langere, maar toch ook we proberen het kort te houden hierbij vanavond. Allereerst dank ook voor het aanleveren van deze visie en de belangrijke stap, denk ik, die we gaan zetten. We kunnen ons ook wel bij een aantal opmerkingen die eerder gemaakt zijn aansluiten omtrent de omvang van het document en ook de verschillende typologieën aan visie die in dit document zijn opgenomen. Van vergezichten tot beschrijvingen van bestaande beleidsplannen eigenlijk, het is allemaal hierin te vinden. We hebben het bekeken vanuit een bril, we hebben in het verkiezingsprogramma een slogan gehad: maak meer mogelijk. Eigenlijk is dat ook het afwegingskader wat voor ons centraal staat, oftewel: kunnen we dereguleren, maken we hiermee meer mogelijk of schrijven we opnieuw op wat we eigenlijk toch al deden? En een uitgangspunt: gaan we van ‘nee, tenzij’ echt naar ‘ja, mits’?. Iets wat toch een belangrijk uitgangspunt is binnen de Omgevingsvisie. Het lastige met een dergelijk brede visie is dat je het met veel punten eens bent als partij, maar iedere partij voor zich toch een aantal aspecten zal hebben waar ze het niet mee eens zullen zijn. Zo is dat ook voor ons. Wij richten ons daar met name op drie thema’s, waar voor ons wat toch wel kritieke punten zitten in de visie zoals deze voorligt.

Dat zijn – en ik ga jullie daar zo meteen in meenemen – Dordtwijkzone, de windturbines en zonneparken en de vrijheid over de mobiliteitskeuze. Om met het eerste te beginnen, de Dordtwijkzone. Er is door een aantal andere partijen ook al over gesproken. Hier wordt nieuw beleid voorgesteld en kijken we uit naar de discussie die we daar later met elkaar over hebben aan de hand van de businesscases. Met deze visie op de Dordtwijkzone, zoals die daar voorligt is anders dan deze die nu voorligt in de Omgevingsvisie. Dat gebied is een belangrijk gebied met veel potentie. Eigenlijk worstelen wij daar een beetje mee en willen we niet vooruitlopen op een discussie hierover later dit jaar. Zoals de visie voor de Dordtwijkzone nu voorligt kan de VVD op dat punt niet akkoord gaan. Op deze Omgevingsvisie zit namelijk de hele Dordtwijkzone op slot. Een stadion is in deze visie niet mogelijk en hoe gaan we aan bijvoorbeeld een belanghebbende als FC Dordrecht uitleggen dat al die jaren werk aan verschillende plannen, dat nu op slot wordt gezet? Ook worden woningen, we hebben het er eerder over gehad in het debatje met Beter Voor Dordt, aan de randen van het gebied op dit moment uitgesloten en er is ook geen enkele ruimte voor verschillende bedrijfsactiviteiten, op wat oogstmarkten na. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk wil er even tussen komen. De heer Noldus: Dat mag, mevrouw de voorzitter.

De heer Oostenrijk: Ja voorzitter, even inhakend op niet inhoudelijk, maar wel qua gedachte over het ene punt Dordtwijkzone en daar komen we straks toch wel op uit. Is de heer Noldus het eigenlijk met mij eens dat het eigenlijk toch wel vreemd is dat je in een Omgevingsvisie die bedoeld is stadsbreed zo specifiek nu al in moet gaan op aparte deelgebieden? Hij noemt de Dordtwijkzone, ik vind Amstelwijck ook een hele interessante, wat daar eigenlijk over geschreven staat, wat in feite allang afgerond is. Kortom, zou je ook niet veel meer op hoofdlijnen zo’n visie moeten formuleren? De heer Noldus: Voorzitter, om met die laatste vraag, of het wat meer op hoofdlijnen zo’n moeten: dat denk ik wel en daar zit ook voor ons de Dordtwijkzone wel een bezwaar dat we met deze visie, als we dit vaststellen, eigenlijk een hele ontwikkeling op slot zetten voor een aantal onderwerpen over een gebied waar we nog in de

besluitvorming later over gaan spreken met elkaar. Zowel over de Mecanoo-plannen als de businesscase die daar nog uit voort gaat komen. Dus in die zin ben ik dat met de heer Oostenrijk eens. Kijk, op zich kunnen we ons er wel wat bij voorstellen dat er op verschillende gebieden een afwijkende visie is. Voor een woonwijk heb je een andere visie dan voor een historisch centrum of voor een gebied waarin sport, recreatie en genieten van de blauwgroene structuur voor een belangrijk deel toch centraal zal moeten staan. De heer Oostenrijk: Maar voorzitter, daarmee illustreert de heer Noldus toch eigenlijk dat dit aspecten zijn die je in omgevingsplannen, deelplannen, gebiedsplannen nader zou moeten uitwerken? Want anders dan verzand je inderdaad in de verleiding dat je voor elke vierkante meter stadsgebied nu al in die Omgevingsvisie het één en ander gaat opschrijven. De heer Noldus: Dat ben ik op zich met de heer Oostenrijk wel eens, dat juist in die omgevingsplannen echt dit soort dingen wil gaan vastleggen. Dus dat heeft te maken met het detailniveau. Ik kan me wel voorstellen dat je ook qua visie voor een historisch centrum een andere hebt dan voor het polderlandschap. Dus ik vind dat je daar an sich in de Omgevingsvisie wel wat andere accenten mag leggen, maar dan wel met een bepaalde mate van diepgang. Zeker als het iets is wat nog in de besluitvorming voorbij moet gaan komen.

De heer Oostenrijk: We hebben het dus nu inderdaad niet over hoe breed dat fietspad moet zijn, maar wat vinden we over fietsmobiliteit in zijn algemeenheid? Ik probeer dat even te illustreren. De heer Noldus: Ja, helder. En inderdaad over de Dordtwijkzone: wat ons betreft dus het mogelijk maken van een gebied waar de stad in kan leven, dit kan beleven met recreatie, sport, maar ook op dit moment nog geen uitsluiting moet zijn voor andere functies zoals wonen in de randen, kleinschalige bedrijvigheid, een stadion, et cetera. Dat we dat inderdaad moet vastleggen in een ander stuk dan de Omgevingsvisie. De heer Oostenrijk: Dus in feite hebben we nu in drie zinnen geformuleerd wat we rondom de Dordtwijkzone aan visie hebben? De heer Noldus: Ja, nou ja, dat is wat ons betreft een belangrijk punt en daar zien wij in de huidige Omgevingsvisie een aantal punten die wat ons betreft daar echt het hele gebied wat ons betreft te ver op slot zetten. De voorzitter: Oké, volgens mij is dit helder. Mevrouw Klein. Mevrouw Klein-Hendriks: Dank u wel, voorzitter. Toch eventjes naar aanleiding hiervan en ik refereer even aan datgene wat de heer Kleinpaste ook heeft aangegeven. Die vroeg eigenlijk ook, die stelde de vraag naar de rechtszekerheid.

Kijk, we kunnen natuurlijk alles aggregeren tot een soort van hoofdlijnennotitie waarin dan de VVD graag wenst te lezen dat bepaalde delen van de Dordtwijkzone of in ieder geval onbegrensde delen van de Dordtwijkzone bebouwd zouden kunnen worden of voorzien zouden kunnen worden van een ander of een nieuw stadion of welke VVD-invulling daar dan ook is. Maar wat vindt de VVD dan van de mogelijke input, inbreng van omwonenden, wat zij

ervan zullen vinden? Want het maakt natuurlijk omwonenden nogal wat uit of aan de randen gebouwd gaat worden, want dat is ook dicht tegen hun woningen aan, of dat er gewoon totaal niet gebouwd mag worden. Zou de VVD daarop willen reageren? De heer Noldus: Jazeker. Kijk, op zich, het hele stuk rondom participatie is denk ik een aspect, de heer Kleinpaste zei er al wat over, dat gaat dadelijk als het goed is nog intensiever worden dan het was. Dat is iets wat we altijd zullen moeten wegen. Ik zeg ook niet dat we hele gebieden daar moeten volbouwen, dat is ook zeker niet de ambitie van de VVD. Maar waarom zouden we dat nu helemaal dicht zetten, wetende dat we een groot aantal ontwikkelingen daarbij ook op slot zouden zetten? Terwijl we nog niet eens de inhoudelijke bepaling of de ambitie die we als raad hebben voor dat gebied hebben vastgesteld. Waarom zouden we dat dan nu dicht zetten en aan de ketting leggen vooruitlopend daarop? Daar zien wij op dit moment geen toegevoegde waarde in, dus wij zeggen: laten we dat openhouden. We hebben een aantal andere partijen gehoord die dat ook vragen en dan gaan we als raad naar besluitvorming toe wat we daar echt willen. Wij denken dat in genoeg aspecten en kartelranden en stukken van die Dordtwijkzone diverse ontwikkelingen mogelijk zijn.

Sterker nog, er zijn al diverse woningen die ingetekend zijn binnen de contouren van de Dordtwijkzone. Dat zijn er niet … Mevrouw Klein-Hendriks: Voorzitter, een vervolgvraag. De voorzitter: Kort graag. Mevrouw Klein-Hendriks: De heer Noldus heeft het over het openhouden, terwijl ik eigenlijk terug hoor dat het niet gaat om het openhouden, maar het houden bij wat het bestaande nu is. Omdat er besluitvorming nog over moet gaan volgen. Er zit een groot verschil tussen gewoon nu opengooien voor toekomstige initiatieven of het later bij wat er nu de facto is om te voorkomen dat er ontwikkelingen plaatsvinden waar mogelijk omwonenden gewoon hele grote last van zullen hebben. Bent u het daarmee eens, heer Noldus? De heer Noldus: Ja voorzitter, de vraag van mevrouw Klein-Hendriks gaat meer over inderdaad rechtszekerheid en ik denk dat dat in technische zin iets is wat het college beter kan beantwoorden. Ons gaat het erom dat we nu in deze visie ruimte laten voor een verdere ontwikkeling en dat is echt niet dat er dan morgen tien plannen of initiatiefnemers zijn, maar dit is een groot plan wat nog door de raad gaat komen qua hele gebied. We zouden het enorm zonde vinden, ook gezien de verschillende ambities die we als stad hebben, als we daar nu kansen laten liggen. De voorzitter: Oké. Gaat u verder, mijnheer Noldus.

De heer Noldus: Wat ik net al zei, wij geloven dat er zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van het gebied meer mogelijk moet zijn op het gebied van wonen, werken en sport. Er staan immers al tientallen zo niet honderden woningen op dit moment in die Dordtwijkzone en wij willen dit op dit moment niet op slot zetten, dus moet er van ons het nodige veranderen. Dat zien wij toch op de volgende vier punten. De totale blik op dit gebied moet wijzigen. Het is geen stadspark, maar een gebied waar gewoond, gewerkt, gesport, gerecreëerd kan worden en een gebied met voorzieningen en waar

evenementen plaatsvinden. Het tweede punt is: er moet ruimte zijn aan de randen van de Dordtwijkzone om woningen toe te voegen. En het moet ook mogelijk zijn om ten behoeve van andere ontwikkelingen, zoals een stadion, wat meer hoogteaccenten op te zoeken. Dat gaat allemaal maatwerk per project waarin Dordtenaren hier moeten kunnen leven en het gebied ook moeten kunnen beleven. Derde punt, voorzitter … De voorzitter: U maakt wat los met dit punt. De heer Noldus: U zet mij als laatste in de rij ongeveer, voorzitter. De voorzitter: Ja, ik heb eerlijk geloot, hè? Laten we nou niet allemaal mijnheer Noldus gaan interrumperen. Even kijken, wie is het eerste? Mijnheer Oostenrijk, denk ik. Of was u… De heer Oostenrijk: Ja voorzitter, klopt helemaal. Ik heb toch in die zin voor wat betreft de context van wat we nu bespreken wat last van wat de heer Noldus nu allemaal vertelt over de Dordtwijkzone. Want we hebben het niet over het bespreken van de toekomst van de Dordtwijkzone. Nee, we hebben het over een Omgevingsvisie over heel de stad. Het is wel typisch een illustratie waarin we niet in verzeild moeten raken, dat we dus allerlei stadsdelen even tot op de vierkante centimeter moeten gaan becommentariëren. Daar zijn andere plekken en andere gelegenheden voor. Dus ik snap wat de heer Noldus zegt, alleen wat mij betreft hoort deze uitdieping van dit stadsdeelgebied daar niet in thuis.

De voorzitter: Waarvan akte. Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Laat u maar, voorzitter. Het is grotendeels gedekt door de heer Oostenrijk. De voorzitter: Prima, dank u wel. Mijnheer Gündogdu. De heer Gündogdu: Voorzitter, dank je wel. Ik heb een tweetal vragen aan mijnheer Noldus. Enerzijds toch even over zijn inbreng rondom de Dordtwijkzone, want hij heeft het over de kartelranden of buitenranden van de Dordtwijkzone. Heeft de Dordtse VVD enig idee waar de grens daarvan zou moeten liggen? Ik wil toch die discussie aangaan vanavond. Een tweede is – en dan wil ik ook even refereren aan mijnheer Oostenrijk, wat hij zojuist aangaf en wat eigenlijk door mijnheer Noldus ook werd ondersteund – we hebben het over deze visie waarvan de vraag wordt gesteld: zou dit de visie moeten zijn of in deze vorm de visie moeten zijn? Kan mijnheer Noldus heel kort aangeven of de Dordtse VVD dit nou een visie vindt voor de stad of niet? Want ik ben daar even zoekende naar. Dank u wel. De heer Noldus: Voorzitter, om met die eerste vraag van de heer Gündogdu … De voorzitter: U zat natuurlijk te wachten totdat ik zei dat u dat inderdaad heel goed kon beantwoorden. De heer Noldus: Ja, ik zat heel beschaafd te wachten, jazeker.

De voorzitter: Gaat uw gang. De heer Noldus: Om met die eerste vraag te beginnen, voorzitter. Dat is denk ik wel precies het punt waar we het in de discussie niet moeten raken momenteel. Ik denk dat dat eventjes voor een latere fase is. Het is nu zaak om te zorgen dat de ontwikkelingen mogelijk zijn binnen de contouren van de visie. In die zin, de opmerking van de heer Oostenrijk snap ik aan de ene zin, maar we gaan deze visie wel vaststellen en dit zijn de contouren waarbinnen dadelijk verdere omgevingsplannen gemaakt moeten worden en verdere initiatieven überhaupt op de tafel kunnen komen. Natuurlijk is die Omgevingsvisie ook aan te passen, maar we gaan dit wel als raad vaststellen met elkaar. Dan is het wel belangrijk dat daar dan ook de kaders in staan waarbinnen we denken dat die gebieden dan ook optimaal ontplooid kunnen worden. Wij denken dat daarvoor de Dordtwijkzone echt nog een slag overheen moet en tegelijkertijd gelijk een geruststelling in antwoord ook richting de heer Oostenrijk, dat wij dit niet voor ieder gebied of wijk binnen deze Omgevingsvisie zo diepgaand zullen doen. Maar wij zien hier toch wel echt knelpunten voor het vervolg in. Dan ben ik eigenlijk de tweede vraag van de heer Gündogdu is mij ontschoten. De heer Gündogdu: Ja, even heel kort. Wat volgens u, de Dordtse VVD zeg maar, de status van deze visie is.

Beschouwt u dit als een visie? Of zegt u: nee, dit moet echt weer terug naar de tekentafel. De heer Noldus: Voorzitter, een goede vraag. Ik zei er in het begin al kort wat over. Het zijn verschillende dingen door elkaar waarbij we zeker, als we dat even koppelen aan de Dordtwijkzone, want daar hebben we het op dit moment over: wij zouden hier juist wel iets meer visie willen, iets minder uitsluitsel van zaken, iets minder inhoud voor nu. Want dit hele stuk moeten we nog met elkaar als raad gaan bespreken en vastleggen. Voor de rest, ja, er zit inderdaad veel in – en daar kom ik zo meteen op een ander punt ook nog wel even op – waar gewoon best wel diepgaand is opgenomen wat we ook op het gebied van energietransitie bijvoorbeeld nog met elkaar moeten gaan vaststellen in de raad. Ik denk, dat is niet handig om dat nu al op dit detailniveau in een Omgevingsvisie vast te leggen. Dus het is een aantal zaken door elkaar. Het is 170 pagina’s ruim, zonder bijlagen, dus daar zit wel enige mate van diepgang in. Maar dat wisselt ook per onderwerp. Als ik mag verdergaan, voorzitter, met de woordvoering. Het derde punt wat we willen meegeven voor de Dordtwijkzone is dat we ook bedrijvigheid, dat is al aangegeven, ruimer mogelijk willen maken.

We willen daarbij zeker geen kantoorpark of industrieterrein in dit gebied, maar dit stuk geeft eigenlijk geen enkele ruimte en dat is zonde, want daarmee sluiten we dus ook bij voorbaat uit dat een lichte detailhandel of kleine kantoorruimtes bij een ontwikkeling of een sportpark mogelijk worden gemaakt. Wat ons betreft is dat een deur die we nu nog niet moeten dichtslaan. Verder, punt vier is dat de mogelijkheden rondom bestaande ontwikkeling op dit moment niet opgenomen zijn en we zouden het graag expliciet in het stuk terug zien, dat we daar meer ruimte toe bieden. Eigenlijk, een aantal opmerkingen hiervoor staand die gaan daar ook over. Bijvoorbeeld omtrent woningbouw en bedrijvigheid. Want dit is nu op dit moment helemaal afgesloten. Wat ons betreft, over de Dordtwijkzone, een gebied met potentie, maar dan moeten we in deze fase nog wel de kaders ruimer houden. Bij het vaststellen van deze visie en de plannen op dit specifieke gebied kunnen we dan altijd, zoals eerder gezegd, nog inkaderen, waarbij we in de overkoepelende

visie zoals die er nu ligt best wel veel dingen op slot zetten en dan gaat er natuurlijk nooit een initiatiefnemer of een partij komen met plannen voor dit gebied, om over die stadionplannen dan nog maar te zwijgen. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Voorzitter, als het gaat om de door de heer Noldus gemelde zaken rond bedrijvigheid, en hij zegt met zoveel woorden: nu is op dit moment eigenlijk niets mogelijk. Dan komt weer die verleidelijke koppeling weer naar diezelfde Dordtwijkzone toe, maar wat heeft hij in zijn algemeenheid daarover voor visies te melden wat er dan wel in de Omgevingsvisie zou moeten worden ondergebracht als het gaat om bedrijvigheid mogelijk te maken? Want dat is dan heel interessant. De heer Noldus: Dat is een goede, terechte opmerking. We zien daar geen letterlijke tekst voor liggen nu, maar we geven daar die kaders mee: geen industrieterrein of bedrijventerrein of iets dergelijks. Maar op dit moment staat er in de Omgevingsvisie dat er geen ruimte geboden wordt voor werkgelegenheid of in ieder geval arbeidsplaatsen hier op een boerenoogstbedrijf met wat kraampjes na. Dat is wat ons betreft een te enge benadering van toch te veel kansen die er zijn in dit omvangrijke gebied.

Daar zouden we niet op detailniveau heel veel in willen voorschrijven, maar laten we dat ook zeker niet met de mate van detail zoals het er nu instaat helemaal dicht zetten. De heer Oostenrijk: Maar voorzitter, als we het niet over detailniveau hebben, maar laten we zeggen even op een hoger niveau, wat voor ideeën heeft dan de VVD als het gaat om de ontwikkelingskansen op ons Dordts terrein? De heer Noldus: Voorzitter, ik twijfel een beetje wat voor antwoord ik kan geven zonder in herhaling te vallen. De voorzitter: Precies, daarom zit ik ook even heel moeilijk te kijken. Want volgens mij is dit al gepasseerd. De heer Noldus: Ja oké, laat ik dan nog een keer zeggen tegen de heer Oostenrijk: denk bijvoorbeeld aan eerdere ontwikkelingen rondom het stadion waar allerlei combinaties van functies uitgesloten waren. De heer Oostenrijk: Weer het stadion, hè? Ja. De heer Noldus: Dat is één van de aspecten die in dit gebied liggen, waar volgens ons een belangrijke mogelijkheid ligt. De voorzitter: Oké. Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Mevrouw de voorzitter. De voorzitter: Afronden graag. Alstublieft, dank u wel. De heer Noldus: Ik heb nog twee punten, voorzitter. Naast de … De voorzitter: Dat kan heel snel.

De heer Noldus: … Dordtwijkzone, maar die zijn een stuk minder omvangrijk. Maar ik ben ook wel deels afhankelijk van de rest van de commissie natuurlijk. Het tweede kritiekpunt dat we zien in deze Omgevingsvisie gaat over de windturbines en zonneparken, zoals aangegeven. In de concept-RES is eerder vastgesteld dat er geen draagvlak is voor windenergie op het eiland. In de komende maanden zullen we de RES 1.0 gaan vaststellen en in de Omgevingsvisie wordt er wat de VVD betreft te veel ruimte geboden voor windenergie op het eiland. In het coalitieakkoord is ook eerder afgesproken dat het aantal windmolens tot vijf beperkt zou worden. Wat ons betreft halen we de passages over de windenergie er dus ook uit. Ook de RES die we nog gaan vaststellen is daar wat ons betreft ook leidend in. De voorzitter: Mijnheer Jansen. De heer Jansen: Ja, mevrouw de voorzitter. Ik ging een beetje aan op de heer Noldus, die net terecht aangeeft: we moeten niet een gebied als Dordtwijkzone, waar we nog besluiten over moeten nemen, op slot gooien. Maar vervolgens wel zegt: joh, de RES waar we nog een besluit over moeten nemen, we moeten wel vast op slot gooien dat er windmolens komen.

Het verbaast me ook elke keer weer dat een partij die toch altijd heel erg is van het je eigen broek ophouden op het gebied van de energievoorziening zegt: nee, we moeten maar niet te veel in onze eigen energie gaan voorzien Want we moeten toch echt naar duurzamere energie toe en … De voorzitter: Mijnheer Jansen, kunt u even compact een vraag stellen aan de heer Noldus? De heer Jansen: Ik kom nu tot de vraag. De voorzitter: Dank u. De heer Jansen: Daar was ik al net mee bezig. Mijnheer Noldus kan blijven zeggen: niet, niet, niet. Maar ik zou dan wel graag horen: wat dan wel? Want er zijn niet zoveel alternatieven. De voorzitter: En zonder daarbij over de Regionale Energie Transitie en dergelijke te spreken, mijnheer Noldus. De heer Noldus: Voorzitter, dank u wel. Over dat laatste gaan we over een paar weken met elkaar in gesprek, wat mij betreft, als het gaat om de inhoudelijke aspecten daarvan in het kader van de Regionale Energie Transitie. Eigenlijk geldt hier hetzelfde voor als dat ik eerder heb aangegeven over de Dordtwijkzone. Hier staat nu bestaand beleid van een paar jaar geleden in opgenomen als doublure. Eigenlijk zou ik zeggen: we gaan hier de komende maanden iets voor vaststellen in de Regionale Energie Transitie.

Dus dat we daar eerder op het gebied van windmolens, wat ondertussen ook achterhaald is door andere verschillende besluiten en coalitieakkoord, et cetera, is het gek als je daar die ruimte nog wel of die tekst nog wel laat staan. Dus ik zou niet bij voorbaat willen zeggen, of het is voor ons geen must dat erin staat dat er helemaal geen windenergie kan komen. Maar laten we dan op zijn minst verwijzen naar de RES die nog bekeken gaat worden. Dan zullen we daar wel spreken over windenergie op dit eiland.

De voorzitter: Oké. De heer Noldus: Waar we dan onze opvatting over hebben. De voorzitter: Mijnheer Van der Meer heeft een vraag. Kort. De heer Van der Meer: Ja, sluit hierop aan. Is de heer Noldus gecommitteerd aan wat we straks in de RES gaan vaststellen met betrekking tot het opwekken van duurzame energie op het eiland van Dordrecht? Even los van de vraag hoe dat moet gebeuren, maar is hij gecommitteerd aan de omvang daarvan en is hij bereid om daar ruimtelijke consequenties aan te verbinden? De heer Noldus: Voorzitter, ik vraag me af hoe ik daarop kan reageren zonder het over de RES te hebben. De voorzitter: Gewoon ja of nee is een hele goeie. De heer Noldus: In dat geval zou ik zeggen: nee, niet zonder meer, want we gaan het er nog over hebben met elkaar wat de opgave voor de RES gaat zijn en hoe we dat gaan invullen. Dus ik ga daar geen blanco cheque voor toezeggen, zeker niet als het niet over het stuk zelf gaat. De heer Van der Meer: Oké, dat is voldoende richtinggevend. Dank u wel. De voorzitter: Mevrouw Klein-Hendriks heeft ook een hele korte vraag. Mevrouw Klein-Hendriks: Dat klopt, voorzitter. Die korte vraag gaat erover dat de VVD heeft aangegeven dat ze benieuwd zijn of die ‘ja, mits’-aanpak, of dat wel gaat werken. Tegelijkertijd hoor ik allerlei opmerkingen over zaken die continuïteit van bestaand beleid zijn.

Continuïteit is één van de zaken waar je voorspelbaar wordt en ook voor ondernemers een betrouwbare stad bent. Als het gaat om energietransitie geeft de heer Noldus aan dat er best het één en ander uit mag worden gehaald. Ik zou de heer Noldus willen vragen: zouden de uitspraken die in de raad, de herzieningen van de structuurvisie zijn opgenomen over bijvoorbeeld de zonneweides niet juist hierin moeten? Omdat dat gewoon continuïteit van beleid en dus ook voorspelbaarheid van handelen voor ondernemers vertelt. De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Voorzitter, ik heb even niet precies de passage die op dit moment in de structuurvisie de laatste keer is toegevoegd omtrent de zonneweides. Daarover gaat ook de discussie omtrent de RES ontstaan, waarbij volgens mij ook ChristenUnie-SGP ook heeft gepleit omdat grote zonneweides in buitenruimtes, buitengebieden juist ook te beperken. Dus ik ben even benieuwd waar mevrouw Klein-Hendriks concreet naar op zoek is, maar ook hiervoor geldt … Mevrouw Klein-Hendriks: Daarnaar, inderdaad.

De heer Noldus: Ja, precies. Hier geldt ook dat expliciet is opgenomen dat we heel concreet het maximaal benutten van restruimte binnen en buiten de bebouwde kom staat in de Omgevingsvisie. Dat vind ik nogal een uitspraak, als je dat noteert, als je daar maximaal op gaat inzetten, wetende dat de Regionale Energie Transitie waar dit heel nadrukkelijk als politiek gevoelig onderwerp, maatschappelijk gevoelig onderwerp op tafel ligt, dat dat besluit nog moet gaan komen. Het lijkt me prematuur om dat in je Omgevingsvisie op te schrijven, als dat de vraag van mevrouw Klein-Hendriks beantwoordt. Mevrouw Klein-Hendriks: In elk geval kan ik me voorstellen dat u aangeeft dat in ieder geval dan aangesloten moet worden bij de tekst van de structuurvisie zoals vastgesteld. De voorzitter: Oké. Mijnheer Noldus, gaat u langzaam richting een afronding of liever snel? De heer Noldus: Jazeker, ik ga het heel snel doen, voorzitter. Door de vraag van mevrouw Klein-Hendriks heb ik mijn stuk over zon en de restruimte al gehad. Het laatste punt is over mobiliteit en wat ons toch stoort is de verschillende passages over het beperken van Dordtenaren in de keuzevrijheid met betrekking tot mobiliteit. Voor ons is een belangrijk uitgangspunt dat Dordtenaren zelf de vorm van hun mobiliteit kunnen kiezen. Afhankelijk van het doel, de bestemming van de reis kiest men dan uiteindelijk voor het beste middel.

We steunen daarin de lijn die veel is beschreven in de Omgevingsvisie, om een fiets en ov extra aantrekkelijk te maken. De veilige fietsroutes, meer OV-haltes, betere aansluitingen, et cetera. Dan kunnen Dordtenaren dus zelf kiezen. Maar mensen de auto uitpesten past niet bij stad als Dordrecht, waar toch echt veel mensen afhankelijk zijn van de auto en waar het bepaald geen luxe voor is. Net even te veel lezen we in deze Omgevingsvisie terug dat de auto actief geweerd wordt uit verschillende gebieden en ontwikkelingen. Deze invulling van mobiliteitsbeleid heeft onze steun niet. Het bewust vast laten lopen vanwege, zoals we lezen op de pagina 36, gaat ons ook echt te ver, bijna misdadig, zou ik willen zeggen. Op pagina 88 lezen we dat een doelstelling is om de auto terug te dringen door infrastructurele maatregelen. Wat ons betreft is dit, zeker op totaalniveau van de stad, zeer ongewenst en het past niet bij een toegankelijke stad vol kansen voor de toekomst, voorzitter. De voorzitter: Ik denk: u gaat langzaam richting een afronding. De heer Noldus: Dat was de afronding. De voorzitter: Ja ja, dat kan zijn. Maar u maakt een dusdanige opmerking dat er weer allemaal mensen getriggerd worden om wat te zeggen. Als eerste mijnheer Loekemeijer. De heer Loekemeijer: Dank u wel, voorzitter. Ik was even benieuwd hoe de VVD dan denkt over ruimte.

Want er wordt nu gesteld dat mensen de auto uit gepest worden. Ik denk dat we dan wel een ruimteprobleem krijgen, gewoon puur vierkante meters. Auto’s nemen heel veel ruimte in en als we willen gaan verdichten en willen gaan vergroenen dan zal dat ergens voor in de plaats moeten komen. Hoe zien jullie dat dan voor je? Waar laten we alle auto’s en gaan we ook nog die andere dingen realiseren?

De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Voorzitter, de heer Loekemeijer snijdt natuurlijk een belangrijk snijpunt aan en dit is ook het punt waar we voor iedere ontwikkeling, dat is niet nu beperkt tot de Omgevingsvisie, iedere ontwikkeling kijken we hier zeer scherp naar. Wij willen ook begrip hebben voor andere alternatieven en het stimuleren van alternatieven. Af en toe denken wij het wensdenken, dat dat effect heeft op het gebruik van auto’s, maar wel de creativiteit die in dat soort plannen wordt gebruikt. Dat zouden we dan graag op planniveau ook beoordelen en niet op stadsniveau in een Omgevingsvisie vastleggen, dat de auto een soort taboe moet worden en dat we daarmee eigenlijk de Oudelandshoeken van de toekomst aan het creëren zijn. Dus daar zijn wij wel kritisch op. Wat ik eerder aangaf, we steunen allerlei initiatieven om alternatieven te bevorderen. Maar het uitzetten van een aantal andere, het wegzetten van de auto in een hoekje dat gaat ons te ver.

De heer Loekemeijer: Maar nog één korte vervolgvraag: mag dat dan ook geld kosten? Want ik kan me bijvoorbeeld niet voorstellen, als ondergrondse garages die gewoon duur zijn, zegt de VVD ‘daar willen wij dan ook wel in investeren, dat vinden wij goed besteed geld’? De heer Noldus: Dat hangt helemaal van de situatie af, maar zoals met heel veel dingen, alles wat duur is dat heeft dan zo ook zijn waarde, dus dat zullen we echt per casus moeten bekijken. We zijn niet te karig om te investeren in goede vervoersmobiliteiten voor onze stad in ieder geval. De voorzitter: Oké. Mevrouw Klein, heel kort, echt heel kort. Mevrouw Klein-Hendriks: Ik begrijp dat de VVD geen medestander zal zijn in het pleit bij Rijkswaterstaat voor het tekenen verbreding van de A16, de ruimteclaim die in het omgevingsplan zal worden gelegd, om het even concreet te maken. Maar de andere vraag die had ik, dat is namelijk de kant van bereikbaarheid. Omdat de VVD ook – even kijken, waar is dat dingetje? – omdat de VVD het ook heel erg belangrijk zal vinden dat de stad Dordrecht voor de bewoners en voor bedrijven … Als u zo gaat doen dan gaat het langzamer, want dan zit ik rond te denken. De voorzitter: Maar ik had gehoopt dat u gewoon een vraag zou stellen, maar u komt altijd met hele grote introducties. Gaat uw gang. Mevrouw Klein-Hendriks: Maar ik ga nu dus alleen even naar mijnheer Noldus kijken.

Of de heer Noldus, welke ideeën daar dan gewoon zijn als het gaat om de bereikbaarheid, omdat het ook echt absoluut wat moet betekenen over de autobereikbaarheid. Dus graag nog een korte reflectie daarop. De heer Noldus: Ja voorzitter, ik denk ook dat bij verschillende gebieden, de bereikbaarheid staat zeker voor nieuwe grootschalige ontwikkelingen vaak al onder druk, zo ook bijvoorbeeld in de Amstelwijck en er is een uitdaging geweest in de Middenzone. We denken wel dat met de inzet van verschillende middelen en het bevorderen van andere aspecten daarin winst gehaald kan worden. Maar op dit

moment, zoals het geformuleerd is, het echt te hard ingrijpt en de auto in het verdomhoekje zetten, dat gaat ons daarin echt te ver. De voorzitter: Mevrouw Klein is blij met u. En u kunt mij ook blij maken door nu af te gaan ronden. De heer Noldus: O, ik had nog … Nee voorzitter, dat was hem. Dank u wel. De voorzitter: Oké. Even kijken, mijnheer Jansen zou zomaar eens gelijk kunnen hebben. Mijnheer Stolk, u was net al eventjes in beeld en nu ben ik u weer kwijt. Ik heb heel veel zwart op mijn scherm. Nou, dat is nou jammer. Ja. Nou ja, ik weet het niet. Ik hoor hem ook? Ja, mijnheer Stolk. De heer Stolk: Ja, hij sloeg helemaal uit. Dus ik heb weer verbinding. Goedenavond, allereerst wil ik eigenlijk meegaan met GroenLinks en het CDA, wat ze aan woordvoering hebben gedaan. Ik had zelf ook nog een stuk woordvoering. De hele Omgevingsvisie is een uitwerking van het coalitieakkoord. Voorzitter, ambitieus akkoord die naar het oordeel van de VSP – en dit zeggen wij niet voor de eerste keer – naar onze mening onrealistisch en niet haalbaar is. Waarom richt de Omgevingsvisie zich alleen op het midden en hoge inkomens? Waarom is deze Omgevingsvisie zo dichtgetimmerd op de woningbouw? Wat gaat er nog meer gesloopt worden? De VSP heeft in alle vergaderingen aangegeven dat het voor ons van groot belang is dat er ook voor ouderen gebouwd gaat worden.

Levensloopbestending, zorgbuurthuizen en knarrenhofjes. Er wordt landelijk zelfs geld voor vrijgemaakt en in de Omgevingsvisie ontbreekt dit. Onbegrijpelijk voor de VSP. Nee voorzitter, we bouwen niet voor de minder draagkrachtige ouderen, want waar wordt er gebouwd? Alleen voor de rijke ouderen wordt er gebouwd. Totaal geen sociale woningbouw voor ouderen en minder draagkrachtige mensen in onze stad. Tot onze grote schrik zagen wij van een reclamant van Dordrecht hoe Dordrecht het Wassenaar van Zuid-Holland wordt. Dordrecht kweekt volgens de reclamant elitewijken zonder diversiteit. Het enge van het verhaal is dat deze visie aangeeft dat andere midden- en hoge inkomens uit onze stad vertrekken. Maar wat vindt ervan dat lage inkomens wellicht uit onze stad vertrekken? Daar willen we echt een uitspraak over hebben. Ook zij zijn namelijk Dordtenaren in hart en nieren en houden van de stad. Samen maken wij namens de stad arm en rijk, ongeacht leeftijd, geaardheid en geloof en afkomst. Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Stolk. Dan hebben we nu … De heer Stolk: Pauze. De voorzitter: … alle commissieleden hadden. Voordat we pauze hebben, wat natuurlijk hebben we nu wel pauze. Maar ik wil u alvast, zeker ook het college, meegeven dat er in principe aan het college weinig vragen zijn gesteld.

U krijgt wel even de gelegenheid tot, even kijken, 22:15 uur om in de pauze eventueel nog te overleggen. Het heeft eigenlijk mijn voorkeur om, omdat de heer Burggraaf hier bij mij staat als portefeuillehouder, of het college kan proberen om één wethouder een reactie te laten geven. Dan mag u aan de ene kant voor wat mij betreft zelf kiezen wie dat is, alleen, dat wat ik zeg: omdat bij mij de heer Burggraaf reken ik in dat geval misschien wel op de heer Burggraaf. We gaan voor nu in ieder geval even pauzeren. 22:15 uur gaan we verder. Tot zo.

Schorsing De voorzitter: Zo, dames en heren, wij gaan weer verder. Het is 22:15 uur, ik heb inmiddels vanuit het college begrepen dat niet de heer Burggraaf, maar de heer Sleeking de woordvoering zal doen. Die geef ik daar nu de gelegenheid voor. Ik weet zeker dat ook mijnheer Sleeking gewoon lekker compact erin kan zitten vanavond. Wethouder Sleeking: Voorzitter, daar daagt u mij wel uit. Er zijn, denk ik, een aantal opmerkingen gemaakt over het proces waartoe dit product ons uiteindelijk gebracht heeft. Ik ben op onderdelen nog wel wat verrast, eerlijk gezegd, omdat de hele structuur die wij gevolgd hebben de afgelopen jaren –waar ook raadsleden bij betrokken zijn geweest, waar wij de structuur, de indeling, de doelen hebben geformuleerd – waar ik nu uit bepaalde fracties hoor: dit is helemaal niet wat we willen en neemt u het maar terug, want we willen een heel ander document. Volgens mij, voorzitter, zou dat dan wel de wereld op zijn kop zetten na alle voorbereiding die is getroffen. Ik heb het idee dat we hier Omgevingsvisie 1.0 hebben. Zoals sommigen noemen een dynamisch document wat ook in de loop der tijd ongetwijfeld aan verandering onderhevig zal zijn, maar wat op dit moment toch eigenlijk de onderlegger zou moeten zijn om verder te werken met de omgevingsplannen.

Ervan uitgaand dat de Omgevingswet ook volgend jaar daadwerkelijk van kracht wordt, dat zullen we nog even moeten afwachten. Maar ik heb toch wel signalen dat die in de loop van dit jaar ook echt door de Eerste Kamer zal worden vastgesteld en daarmee rechtsgeldig wordt. Daarom is het ook goed, denk ik, dat we straks deze onderlegger, deze Omgevingsvisie met elkaar kunnen vaststellen en daarop kunnen voortborduren. Ik kan me voorstellen dat sommigen ook vanuit hun eigen achtergrond, misschien vanuit hun eigen programma’s ook op zoek zijn geweest naar onderdelen die er misschien niet zo heel specifiek instaan. Tegelijkertijd zijn de verschillende doelen toch wel helder benoemd en ook verder uitgewerkt en is het inderdaad zo dat zo’n tachtig procent van deze Omgevingsvisie een soort van vertaalslag heeft gemaakt tussen vastgesteld beleid. Met op onderdelen ook een vertaling van het coalitieakkoord van de groeiambitie, die overigens ook door de grote meerderheid van de raad is gedeeld. Dus daarmee is het ook staand beleid geworden, waarop je je verdere visies en ontwikkelingen van de stad ook baseert. Tot het tegendeel blijkt, zal ik maar zeggen. Alle opmerkingen over bijvoorbeeld woningbouw, voorzitter, die komen echt allemaal in een ander verband terug, als we het hebben over de woonvisie, de regionale visie, de doelstellingen, de woonprogramma’s.

Daarin lijkt mij dit echt niet het moment, bij het vaststellen van de Omgevingsvisie, om die discussie hier ook weer allemaal te gaan herhalen. Een paar dingen die concreet zijn genoemd. De A16 is wel een terecht punt dat is opgemerkt, maar ook dat is eigenlijk al staand beleid. Dat staat ook wel in de structuurvisie en is dus daarom ook opgenomen in deze Omgevingsvisie. We zien dat op dit moment ook niet als een belemmering. Niet voor niks gaan we ook gewoon door met ontwikkelingen van Amstelwijck, de realisering van het geluidscherm, ook in samenwerking met Rijkswaterstaat. Dus concrete plannen om die A16 te verbreden zijn er nu op dit moment ook niet. Er ligt nog wel steeds iets van een ruimteclaim. Daar nemen we ook kennis van, zou ons ook in de toekomst misschien nog wel kunnen helpen. Voorzitter, er zijn ook vragen gesteld over natuur, natuurinclusief. Ik vind dat nou juist een onderdeel dat vrij uitvoerig in één van de doelen is uitgewerkt, in het kader van klimaatbestendige stad, de bescherming en bevordering van biodiversiteit, ook met name in de ecologische verbindingszone. Maar

uiteindelijk is het een algemeen doel geworden in onze stad om de biodiversiteit te beschermen en te versterken, daar waar wij daar kansen toe zien. Dit document is ook niet bedoeld, zeg ik ook richting de Partij van de Arbeid, om heel specifiek nu alle locaties te gaan opsommen die wij nu al voor ogen hebben voor mogelijke toekomstige woningbouw. Overigens staan er op bladzijde 48 van het document een groot aantal locaties genoemd waarvan wij het idee hebben dat wij bij de ontwikkeling van die locaties ook een heel eind in de doelstellingen komen die we met elkaar hebben geformuleerd. De heer Jansen vroeg ook nog: hoe zit het dan met het poldergebied, is dat nou beschermd of niet? Ja, ook dat staat volgens mij heel helder in het stuk, voorzitter. Een uniek poldergebied beschouwen wij als uniek en dat willen we ook behouden en beschermen. Dat is ook het kader, volgens mij, waarbinnen wij in de toekomst kunnen werken met verdere omgevingsplannen. De voorzitter: Mijnheer Jansen. De heer Jansen: Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Even heel kort. Ik noemde niet het woord ‘beschermen’, maar ik vroeg heel specifiek naar uw plan om de polders monumentaal te verklaren. Dat was heel specifiek, tenminste, het plan van VVD, om … Wethouder Sleeking: Ja, dat klopt, voorzitter. Dat is inderdaad geen voorstel vanuit het college, dat is … De heer Jansen: Precies.

Wethouder Sleeking: … en dat is onderzocht, zoals u weet, en getoetst. Er is aangetoond dat er in ieder geval voor een deel onvoldoende argumenten waren tot die monumentale status over te gaan. Maar ik heb het idee dat door de duiding ook in deze Omgevingsvisie er voldoende bescherming geboden wordt voor het polderlandschap, omdat er ook geen woningbouwplannen aangeduid worden. Voorzitter, ook de opmerking over de stadsbouwmeester. Ik ben het ook met de heer Oostenrijk eens dat een discussie over een stadsbouwmeester ook eigenlijk helemaal buiten het kader van deze Omgevingsvisie valt. We komen daar ongetwijfeld over te spreken bij de hele opzet en programmering en organisatie van de bouwplannen die we in onze stad hebben, met name in de Spoorzone. Ik kijk nog even naar zaken die mogelijk nog vergeten zijn. Ja voorzitter … De voorzitter: Nou, mevrouw Klein-Hendriks heeft een vraag, denk ik. Mevrouw Klein-Hendriks: Ja, dat klopt, voorzitter. De stadsbouwmeester zou helemaal buiten de orde van deze visie vallen. De vraag die wij hebben gesteld is of het niet onderdeel moet zijn van een programma voor de ruimtelijke bouwkwaliteit en dat het daarna nog mee moet worden opgenomen in het omgevingsplan, dat is twee.

Maar in de uitwerking, in een programma zou het zeker wel passen, gelet op de grote bouwopgave en de ruimtelijke kwaliteit die ook het college, blijkens de voorgestelde ontwerpvisie, voorstaat. Wethouder Sleeking: Nee, in die formulering kan ik me goed vinden, voorzitter. Ik denk dat we ook binnen dat kader, ook gezien de uitspraken die vanuit de raad zijn gedaan, ongetwijfeld ook in dat verband terug zullen komen bij de verdere programmering. Maar

niet om het als afzonderlijk doel in de Omgevingsvisie op te nemen. Zo bedoel ik hem eigenlijk, zo had ik hem ook opgevat. De voorzitter: Oké. Mijnheer Kleinpaste. De heer Kleinpaste: Voorzitter, ik proefde een beetje dat de wethouder naar een afronding moest en ik miste toch wat reflectie op participatie en de visie daarop en de rechtszekerheid. Dus wellicht wil de wethouder daar toch wat woorden aan wijden. Wethouder Sleeking: Voorzitter, het hele stuk rondom het participatiebeleid dat komt sowieso voor het zomerreces richting de raad. We hebben er natuurlijk al eerder over gesproken dat participatie in de hele Omgevingswetgeving en hele omgevingsplannen straks nog wel wat intensiever wordt, maar vooral ook uitnodigender naar partijen. Dat initiatiefnemers daarin ook zelf aan de slag moeten met participatie en het betrekken van de omgeving en dat het niet in alle gevallen ook de gemeente zal zijn die daar als eerste mee aan het werk moet. Of het moet zijn dat wij zelf initiatiefnemers zijn voor plannen, dan zijn we ook gehouden om die participatie zelf te organiseren. De voorzitter: Mijnheer Kleinpaste, een vervolgvraag. De heer Kleinpaste: Ja, het is toch even een vervolgvraag. Ik ben blij dat het nog naar ons toekomt natuurlijk op termijn en ik ben ook best blij met het antwoord dat het meer bij initiatiefnemers ligt en niet altijd bij de gemeente.

Dat is allemaal prachtig, maar een paar van die noties zouden we dan ook wel wat helderder geformuleerd willen hebben in de Omgevingsvisie, omdat het dan ook de randvoorwaarden zijn waarbinnen je die participatie in de toekomst vorm wilt geven. Dus ik vind het er wel thuishoren. Wethouder Sleeking: Ja, ik zou eens even terug moeten kijken hoe het dan precies geformuleerd staat. Ik kan me ook voorstellen dat het straks wat nadrukkelijker aan bod komt bij het vaststellen van participatiebeleid en bij het vaststellen van nieuwe omgevingsplannen. De rechtszekerheid is natuurlijk geborgd in bestemmingsplannen zoals ze nu door de raad allemaal zijn vastgesteld en zullen ook juridische kaders vormen als het gaat om de Omgevingswetgeving waar die rechtszekerheid ook in geborgd zou moeten worden voor de bewoners van onze stad en belanghebbenden. De voorzitter: Oké. Mevrouw Jager. Mevrouw Jager: Voorzitter, ik had nog volgens mij een duidelijke vraag gesteld ten aanzien van mobiliteit en openbaar vervoer. Wethouder Sleeking: Voorzitter, volgens mij staan er aardig wat teksten en te bereiken doelstellingen als het gaat om bereikbaarheid. Ik zit even te kijken welke vraag dat specifiek was. Ik heb wel begrepen dat er een gedateerd fotootje of zo instond, in het stuk.

Mevrouw Jager: Het was een prachtige foto, een mooie photoshop van een trein en een bus en een waterbus, allemaal met Dordtse emblemen. Dat triggert me wel. Wethouder Sleeking: Maar wat was uw vraag?

Mevrouw Jager: Mijn vraag was gewoon: ik heb een heleboel gelezen over de mobiliteit en over het openbaar vervoer, maar overal wordt ervan uit gegaan dat we dat op die en die en die manier gaan inrichten, terwijl we toch echt wel de ervaring hebben dat wij daar zelf heel weinig over te vertellen hebben. In hoeverre is al bekeken of geborgd of hoe moet ik het noemen, verankerd dat die overlegstructuren er zijn met het Rijk en met de provincie, zodat dat wat we willen ook inderdaad kan gebeuren? Wethouder Sleeking: Nee, dat is een goed punt. We hebben natuurlijk wel een zekere invloed om onze zienswijze mee te geven richting provincie, vooral als het gaat om het afgeven van een nieuwe periode waarin een openbaar vervoer op de markt wordt gezet. Dat geldt natuurlijk ook voor systemen als het waterbussysteem. Het openbaar vervoer in de stad, daar hebben wij natuurlijk zelf wel een grotere invloed op, zeker als wij bereid zijn om daar zelf nog extra budget voor beschikbaar te stellen zoals u weet. Maar ook om aan te geven als het gaat om de routering in de stad, om aan te geven wat de wensen zijn vanuit de gemeente Dordrecht. Dus die overleggen zijn er wel, de invloed is niet honderd procent zoals wij dat in de stad met elkaar kunnen organiseren. Daar zijn wij één van de belanghebbenden in, zeg maar.

Mevrouw Jager: Ja, dan zou ik daar toch graag iets meer van willen zien dan regionaal en verder dan regionaal, wat we daarvoor zouden moeten doen om daar succes in te kunnen krijgen. Wethouder Sleeking: Ja, zoals u weet zijn wij vanuit de ontwikkeling van de Spoorzone natuurlijk wel intensief in overleg onder andere met het Rijk, provincie, met ProRail om te kijken hoe wij openbaar vervoer langs die kant veel meer kunnen versterken. Ook gericht op een extra station op het knooppunt tussen Leerpark/Gezondheidspark en mogelijk in de toekomst ook een halte Amstelwijck. Dat zijn natuurlijk wel de punten waarop wij heel erg inzetten. Verder, het hele verkeerstructuurplan in de binnenstad, wat ook verbonden wordt aan de Spuiboulevard, dat wordt ook in een ander verband met collega Van der Linden besproken, volgens mij. De voorzitter: Oké. Mevrouw Jager: Laatste opmerking. Maar dat geeft nog niet de openheid richting naar buiten, zeg maar. Dan zitten we in Dordrecht en zijn we nog niet daarbuiten. Maar daar laten we het maar even bij, want ik zie niks terugkomen daarvan. Het zou toch wel fijn zijn als we dat ook nog als aandachtspunt hadden. Dank u wel. De voorzitter: Oké, dank u wel. Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Voorzitter, dank u wel. Een vraag aan de heer Sleeking. Naar aanleiding van het antwoord wat hij net gaf over rechtszekerheid.

We hebben ook om een verruiming van een aantal mogelijkheden in de Dordtwijkzone gevraagd. Klopt het dan dat we dan wel de kaders stellen voor de nieuwe omgevingsplannen, als we die verruimen? Wat nog steeds rechtszekerheid en bescherming is binnen de huidige bestemmingsplannen voor betrokken omwonenden, et cetera. Dus of dat een goede conclusie hieraan is?

Wethouder Sleeking: Nee, dat is juist, voorzitter. De huidige bestemmingsplannen blijven ook van kracht tot er nieuwe omgevingsplannen zijn vastgesteld. Dat is de rechtszekerheid die mensen nu ook bieden, dit geeft een visie naar de toekomst aan. Dus ik snap ook uw opmerking over Dordtwijkzone. Die komt ook binnenkort richting de raad, Dordtwijkpark XL, stadspark XL, waarin we ook willen opnemen dat we ook die Dordtwijkzone niet helemaal op slot willen zetten. Dat ook daar, als zich daar kansen voordoen, aan de randen van die Dordtwijkzone naar onze mening bouwmogelijkheden wel te vinden zullen zijn. Dus daar ben ik niet zo huiverig voor, dat we met dit document dat allemaal op slot gaan zetten. Dat kunnen we ook in dat verband met elkaar bespreken. Nogmaals, dit is een versie 1.0, ik zie het zelf ook als een dynamisch document. Als daar voldoende aanleiding is dan zal er, net als bij de bestemmingsplannen, ook weer aanpassing mogelijk zijn. De structuurvisie hebben we ook verschillende keren geactualiseerd. Dus de wereld staat niet stil en het staat de raad altijd open om tot wijziging van beleid te komen. Ook dit document is natuurlijk niet voor de eeuwigheid, laten we daar ook helder over zijn. De heer Noldus: Helder. De voorzitter: Oké. Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Dank u wel, voorzitter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/284/documents/9679