CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2.3 Concept Notulen Gemeente Dordrecht Commissie Fysieke Leefomgeving 28 september 2021.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 9 november 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 2: Vaststellen van de notulen van de Gemeenteraad van 12 oktober, de commissies Bestuur en Middelen, Fysieke Leefomgeving en Sociale Leefomgeving van 28 september, de commissie Grote Projecten van 29 september en de commissies Fysieke Leefomgeving en Sociale26.370 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

23

De voorzitter: Oké, prima. Een woordvoering. Mijnheer Struijk wilde een woordvoering en dan mag u daarna, mevrouw Jager. De heer Struijk: Ja, het kan kort. Ik denk dat het voor iedereen duidelijk is dat de woningmarkt zodanig is dat we een soort deltaplan nodig hebben om naar een oplossing toe te gaan. Bouwen dat moet, maar ja, dat gaat ook niet allemaal even snel. Dus de eerste stap die we moeten zetten, die is inderdaad dat die zelfbewoningsplicht en in combinatie met anti-speculatiebeding, en dat voor nieuwbouwwoningen. De landelijke wetgeving afwachten, als we het zelf sneller kunnen doen, als die ruimte er is, dan denk ik dat we dat ook zeker moeten doen. Tegelijkertijd moeten we niet uit het oog verliezen, dat lijkt nu wel een klein beetje, dat voor huurwoningen natuurlijk, dat er ook behoefte aan is. Zelfs aan huurwoningen in de particuliere sector. En vormen van uitbuiting, dat moeten we voorkomen. 1200 euro voor de Henri Polakstraat, dat is belachelijk. Maar er zijn ook voorbeelden te geven waarbij mensen heel blij waren, bijvoorbeeld kort na een echtscheiding, dat er ergens een particuliere woning te huur was. Dus met het kind het badwater niet weggooien denk ik. Kind met het badwater. Ja. Ik was net op tijd hè. De voorzitter: Iets met badwater weggooien. Oké. Dank u wel, mijnheer Struijk. Mevrouw Jager. Mevrouw Jager: Dank u wel, voorzitter.

Het is toch ontzettend grappig dat er op 28 mei 2019 een motie is aangenomen die precies hierover ging, particuliere verhuur, hoge prijzen, niet meer bereikbaar voor starten, middeninkomens en ga zo maar door. De motie is aangenomen, er is in november een antwoord op gekomen en dat antwoord was zodanig dat we er gewoon helemaal niks mee konden. Het werd eigenlijk gewoon ontkend. Ondertussen is het wel zo dat anti-speculatiebeding, die wet is dus aangenomen in de Tweede Kamer en ligt nu bij de Eerste Kamer. Dus daar zit schot in. Het is wel zo dat je die dus alleen maar op bepaalde specifieke plaatsen kunt gebruiken en niet over de hele stad, want dat wordt niet goed gevonden. En je moet ook precies aangeven waarom je dat wilt, op dat moment. Zo simpel is dat nog niet. Zelfbewoning wetsvoorstel, dat is in de Tweede Kamer misschien in behandeling maar daar heb ik nog niet over kunnen lezen dat het is aangenomen en geparkeerd is bij de Eerste Kamer op dit moment. Je hebt wel landelijke wetgeving nodig om dit te kunnen doen. En met dat anti-speculatiebeding, daar heeft de Rotterdamwet ook nog mee te maken. En je kunt hem gewoon niet uitrollen. Je zou kunnen zeggen van, je kiest ervoor om dit in NieuwKrispijn te doen bijvoorbeeld, waar veel van die kamerverhuurbedrijven zitten. En waar er meer zitten dan is toegestaan door de gemeente, daar zou je naar kunnen kijken.

Maar je kunt niet zeggen, we gaan dat op elke plek doen waar kamerverhuurbedrijven zitten want er mogen er een aantal zijn. Dus het is nog niet zo simpel maar ik denk wel dat we daarnaar moeten kijken. Want, ja, ik was toen de motor van die motie, en we hebben hem met zijn vieren ingediend. Maar ik weet wel dat ik toen al zag dat het deze kant op ging. En dat de motie dus wel is aangenomen maar dat blijkbaar degene die hem moesten, ja, verwerken en beantwoorden, dat niet zagen. Dus ik denk dat we toch die kant op moeten, dat we dus als gemeente gaan doen wat maar enigszins mogelijk is. Dat je dus ook gebieden, zodra die wet door de Eerste Kamer is, dat je gebieden aan gaat wijzen waar je dat kunt doen. En dat je voor wat betreft de zelfbewoning, ja, echt de vinger aan de pols moet houden tot die wet aangenomen is en dan gelijk erin springen. Mevrouw Stolk: Voorzitter?

24

Mevrouw Jager: Dat is mijn woordvoering. De voorzitter: Mevrouw Stolk. Mevrouw Stolk: Ja, voorzitter, ik onderschrijf het betoog van mevrouw Jager want wij zijn ook mede-indiener van die motie geweest. En daar vroegen wij in 2019, en ik ga hem nog even het dictum even een keer oplezen, te onderzoeken of en op welke wijze de gemeente Dordrecht stappen kan ondernemen om binnen haar stadsgrenzen een halt toe te roepen aan activiteiten die de beschikbaarheid van woonruimte voor jongeren, studenten, ouderen en middeninkomens frustreren, en hierover binnen vijf maanden aan de gemeenteraad te rapporteren. En eigenlijk is die motie bij meerderheid aangenomen en heeft het college die motie gewoon niet uitgevoerd. Waardoor nu mensen, zoals de heer Groen die hier op de tribune zit, de dupe worden van dit soort activiteiten binnen onze stad. Dus we hadden al veel eerder, en dan kijk ik nog even met een schuin oog naar de heer Nederhof, mijn oude buurman, dat als wij … In 2019 hebben wij dus al aangegeven dat wij hier bang voor waren, en we waren eigenlijk vooruitlopend op landelijk beleid. Ja, en dan span je nu een beetje het paard achter de wagen doordat het college het gewoon niet uitgevoerd heeft en dat is eigenlijk wel teleurstellend. De voorzitter: Ik dacht dat u een vraag ging stellen aan mevrouw Jager. Maar u heeft een tweede woordvoering inmiddels gehouden, heel goed.

Mijnheer Bosuguy. De heer Bosuguy: Voorzitter, wij volgen de woorden van de heer Gündogdu. De voorzitter: Nou, dat is lekker kort, helemaal goed. Mijnheer Kleinpaste? De heer Kleinpaste: Ja, voorzitter, in belangrijke mate volgen wij de woordvoering van de VVD, maar vrij specifiek zitten de pijnpunten echt bij bestaande woningbouw. En is het lastig dus dat wij kennelijk wel, om vooruitlopend op dat wat in Den Haag besloten wordt, daar al van alles aan te doen want dan span je misschien het paard niet achter de wagen maar loop je te ver voor de troepen uit. De voorzitter: Oké. Verder niemand? De heer Van der Meer: Ja, bij interruptie, als dat mag? De voorzitter: Ja, dat mag. De heer Van der Meer: Op mijnheer Kleinpaste. Vindt hij het niet een goed idee om te anticiperen op die wetgeving die er komt, zodat we daar meteen op in kunnen schieten? De heer Kleinpaste: Precies daarom sloot ik mij aan bij de woorden van de heer Noldus. De voorzitter: Nou, hè. De heer Oostenrijk: Voorzitter? De voorzitter: Dat klinkt als liefde. Mijnheer Oostenrijk ook nog.

25

De heer Oostenrijk: Dan toch, als de heer Kleinpaste zich aansluit bij de woorden van de heer Noldus, sluit hij zich dan ook aan dat, zoals de heer Noldus heeft gepleit, voor een pilot? Want ik gruwel van het woord pilot, dat heeft de heer Noldus heel nadrukkelijk betoogd, hij wil een pilot. Ik bedoel, lees het er maar op na, dat is duidelijk. Dat staat ook in de stukken van waarom de VVD … De voorzitter: Mag mijnheer Kleinpaste antwoord geven? De heer Kleinpaste: Er zal in de handelingen ongetwijfeld het woord pilot staan. Ik vond dat wel een voorzichtige formulering in relatie tot het feit dat er nog bepaalde wetgeving in aantocht is. Dus in die zin onderschrijf ik dat wel. En als we dringender maatregelen en definitievere maatregelen kunnen nemen, dan heel graag. Ik heb heel veel, ik ben erg benieuwd naar het concept initiatiefvoorstel wat vanuit het CDA gaat verschijnen. Zal ik met belangstelling lezen. Vooralsnog, anticiperend op wetgeving die nog moet komen, denk ik dat een pilot al heel wat is. De voorzitter: U stopt er voor een kwartje in, en je krijgt voor een euro. Mijnheer Stam, hoe is het met u vanavond? De heer Stam: Ja. Het lukt mij niet in korte woorden. Ik denk dat we hier wel grotendeels op één lijn zitten.

Wat wij in deze raadsinformatiebrief hebben aangegeven is dat we het wel willen maar dat we inderdaad op die regelgeving hebben gewacht omdat het gewoon heel moeilijk is om zelf al iets te gaan organiseren terwijl de landelijke regelgeving daarin leidend is. En natuurlijk zie ik ook een aantal andere gemeentes, ook dichtbij bij ons die nu al een besluit hebben genomen dat ze dat gaan doen. Maar wat ze daar niet bij zeggen is dat ze dat op nieuwbouwprojecten gaan doen die ergens eind 2022 worden gebouwd. Ja, daar kan je nu het besluit van nemen maar dit zitten nu eigenlijk in dezelfde positie als waarin wij nu verkeren. En dat is in ieder geval met die opkoopregeling, die is in juli vastgesteld in de Eerste Kamer. En ik kan u vertellen dat we ook reikhalzend uitkijken naar die anti-speculatiebeding en die zelfbewoningsplicht. Dus wij zijn ambtelijk, is de opdracht al lang uitgezet, voor de vakantie al, we gaan ons voorbereiden op de implementatie van die wetten. Dus op 1 januari moeten wij allerlei verordeningen gaan aanpassen, op het moment dat de Eerste Kamer heeft besloten om die regelgeving toe te passen. Dus wij zijn die voorbereidingen al aan het treffen. En wat we eigenlijk in die rib hebben gezegd, dat is van, we willen het wel maar we willen houvast hebben in de landelijke regelgeving om die regels goed toe te passen.

Als je kijkt naar de zelfbewoningsplicht en je kijkt naar het anti-speculatiebeding, dan heeft dat betrekking op nieuwbouwwoningen, op nieuwbouwprojecten. Laat ik die even apart zetten. Dan kunnen we twee dingen doen, dan kunnen we een pilot gaan doen, maar je kan ook gewoon zeggen, we gaan gewoon structureel kijken hoe we dat kunnen toepassen in deze huidige woningmarkt voor bijvoorbeeld een X aantal jaar. Tot die markt weer genormaliseerd heeft en dan zou je kunnen kijken van, waar is het nog van toepassing en waar is het niet van toepassing? Of je het pilot noemt of niet, of je gaat het structureel doen, evalueren moet je altijd. Dus wat dat betreft is dat voor mij een stuk hetzelfde als een pilot uitvoeren die je gaat evalueren en de effecten in beeldt brengt, dat gaan we ook structureel doen. En ik heb de woorden van de heer Groen ook goed gehoord want daar zit wat mij betreft het grootste probleem, en dat heb ik ook gehoord van de heer Noldus van de VVD, onze woningvoorraad kent een hele grote voorraad die relatief goedkoop is. En daar zit echt mijn grootste zorg, hoe kan je ervoor

26

zorgen dat je situaties zoals in de Henri Polakstraat kan voorkomen? Nou, eind juli heeft de Eerste Kamer die opkoopregeling, ja, goedgekeurd. Dus wij zijn daar nu volop mee in de gang, om die uit te werken en de voorwaarden te bepalen. Want er zitten natuurlijk nog wel wat haakjes en oogjes aan, we kunnen heel makkelijk zeggen, u mag niet kopen, u zult niet kopen. Maar we hebben allemaal kinderen. Stel dat onze kinderen geen woning kunnen kopen en wij zeggen als ouder, ik ga een woning kopen voor jou, daar mag jij in. Als je de regeling heel strikt zou nemen, zou dat niet kunnen. Dus wij moeten wel een aantal voorwaarden en randvoorwaarden gaan creëren in die verordeningen. Maar ik ben het helemaal eens zoals het probleem wat de heer Groen hier heeft geschetst, we moeten wel heel goed gaan kijken wie woningen opkoopt. Ik zie het eigenlijk ook wel gebeuren bijvoorbeeld bij woningbouwcorporaties die woningen afstoten en die verkopen aan partijen die er arbeidsmigranten in zetten. Nou heb ik niks tegen arbeidsmigranten maar je moet wel goed met elkaar gaan kijken, wie koopt er en hoe ga je daar voor nieuwe huisvesting zorgen? Ik heb ook het probleem gehoord van dat er toch wel wat woonoverlast is bijvoorbeeld in de Schaperstraat. Daar hebben we ook allerlei instrumenten voor.

We hebben deze week nog een convenant woonoverlast afgesloten om dat soort problematiek aan te pakken, en we hebben ook een meldpunt slecht verhuurderschap. Dus als er huurders zijn die niet aan de voorwaarden voldoen, dan kan dat altijd gemeld worden zodat wij daar met de OZHZ gewoon actie op kunnen ondernemen. Dus ik denk, de vragen die hier zijn gesteld en de toezeggingen die zijn gevraagd, dat ik op die allemaal volmondig ja kan zeggen. We zijn al bezig met de voorbereidingen op de wetgeving, op de opkoopregeling op de vastgestelde regelgeving en speculatie en zelfbewoningsplicht, daar zijn we nu al aan het anticiperen. Maar we hebben die regelgeving echt nodig om die kaders goed af te stemmen zodat we in januari gewoon goed van start kunnen gaan. En dan is de vraag, als je naar zo’n opkoopregeling kijkt, wil je dat voor wijken doen of wil je dat over heel de stad doen? Want er zitten wel een aantal voorwaarden vast aan die regelgeving. En daar zijn we nu nog met het ministerie aan het kijken van, ja, wat zijn dan die voorwaarden? Want wat mij betreft mag het over heel Dordrecht. Maar dan heb je ook nog de vraag, hoe kijken een speculant, want op sommige fronten heb je ook wel de speculanten nodig die woningen kopen.

Dus we moeten heel goed met elkaar kijken en die afweging maken in die regelgeving die we nu aan het voorbereiden zijn, welke kaders gaan we hanteren? De heer Noldus: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Ja, voorzitter, dank voor de reactie en ook de mondige omarming van de gevraagde toezegging. De reactie ook op de zelfbewoningsplicht en antispeculatiebeding is daarbij ook duidelijk. Maar wel volgens mij dan anders dan verwoord in de raadsinformatiebrief, is dan even mijn conclusie. Daar zou ik graag nog wel even wat duiding op willen. En het tweede specifiek over wat we gevraagd hebben, over de opkoopregeling, daar zit inderdaad wat aan te komen. En ik zou graag willen weten ook qua tijdslijnen, daar ging het net ook even in de discussie wel over, die komt? Hoogstwaarschijnlijk, zeer waarschijnlijk vanaf januari. Wat ik zou willen voorkomen, wat wij zouden willen voorkomen is dat grote steden om ons heen die per 1 januari hebben staan, en wij pas dan op dat moment daar een besluit over moeten gaan nemen. Waardoor we eigenlijk al maanden verliezen waarop woningen daarmee niet beschermd

27

kunnen worden. Dus ik zou daar graag wel ook zicht krijgen op de tijdslijn en hoe het college daarmee de raad in positie brengt om hier, ja, goed dit proces te kunnen sturen? De voorzitter: Mijnheer Stam. De heer Stam: Ja, voorzitter, ik denk dat ik ook hier op één lijn zit met de heer Noldus. Uw zorg is ook mijn zorg en het college zorg. Natuurlijk willen wij aansluiting vinden bij elke gemeente. Want ik heb van de week nog een stuk gezien in de krant dat een Amerikaans bedrijf inmiddels al 1400 huizen bezit in Amsterdam. En je kan natuurlijk op je vingers natellen dat dat door druppelt naar steden van onze omvang dus dat willen wij te allen tijde voorkomen. Alle gemeentes die nu te maken krijgen met deze drie maatregelen, die hebben allemaal een voorbereidingstijd nodig. Ik heb net al aangegeven dat wij ambtelijk al in de voorbereiding zitten. Wij gaan u daar de komende maanden van op de hoogte houden. En de verwachting is dat we 1 januari wel kunnen starten, dat zou februari kunnen worden want we moeten wel een aantal verordeningen gaan aanscherpen en aanpassen, maar dat geldt ook voor de gemeentes om ons heen.

En de vraag bij de gemeentes die het nu toepassen is of ze juridisch de juiste dingen hebben gedaan en het nu terug moeten draaien? En waarom ik in deze rib heb gekozen om te wachten op de landelijke regelgeving, is niet om in die valkuil te stappen dat we nu dingen doen die we moeten terugdraaien. Maar in 2022 op een goede manier te kunnen starten, op een heel groot gebied, en niet op een nieuwbouwproject van twintig woningen maar gelijk op een aantal projecten. En die opkoopregeling, situaties zoals de heer Groen nu heeft genoemd, beter kunnen aanvechten en aanvliegen. En dat is ons streven om dat begin januari, begin 2022, eind 2021 aan u voor te leggen. De heer Noldus: Ja, en voorzitter, toch even over dat laatste, die laatste zin precies. Want wij willen hem, en dat begrijp ik ook van steden om ons heen zoals Rotterdam, waar we verwachten dat als er daar strenger wordt ingevoerd in bepaalde wijken, dat wellicht hier naartoe zal plaatsvinden, dat die het in zullen voeren per 1 januari. En net als wij het gaan bediscussiëren in het begin van 2022, dan verliezen we daar een half jaar. Dus wij zouden echt willen oproepen, het jaar is nog drie maanden en ongeveer ook zoveel dagen, om echt in deze periode met elkaar dat uit te leggen en te zorgen dat er vanaf 1 januari daarvoor een stevige regeling staat.

De heer Stam: Ja, voorzitter, wij doen ons uiterste best om die 1 januari datum te halen, maar dat doet ook een Rotterdam. En Rotterdam heeft ook een streven om op 1 januari in te voeren, en daar is die echt ook 1 januari waarschijnlijk nog niet ingevoerd. En we hebben daar ook regionaal overleg over, dus we houden elkaar goed beet om het gewoon integraal met elkaar toe te gaan passen, ook buitenregionaal, omdat we gewoon allemaal het belang zien dat die regeling gewoon goed wordt uitgevoerd. De heer Van der Meer: Voorzitter? De heer Stam: Dus wij … Ons streven nogmaals is om u dit jaar het voorstel voor te leggen, om zo snel mogelijk tot invoering over te gaan. De voorzitter: Mijnheer Van der Meer.

28

De heer Van der Meer: Ja, dank u wel. En we zijn het over een aantal dingen erg eens denk ik. Het gaat lijkt mij niet alleen over de juridische mogelijkheden, die zijn natuurlijk van belang. Maar u had het, of de wethouder had het ook over, ja, een aantal nuances en haken en ogen die eraan zitten, om het zo in te voeren dat het wel mogelijk blijft dat er ook een kamer gehuurd wordt in Dordrecht en dat soort zaken meer. Daar zitten dus ook politieke vragen voor ons aan. En het lijkt mij van belang om die ook nog dit najaar met elkaar te kunnen bespreken, zodat ook die politieke keuzes goed in de stukken verwerkt kunnen worden. Is dat mogelijk? De heer Stam: Ja, voorzitter, ik denk dat dat juist de reden is waarom we hier in deze verhouding tot elkaar zitten. U geeft een opdracht aan het college, het college stelt het op, u besluit of het voldoende kaders is om goed te kunnen hanteren. Dus wat dat betreft gaan we dat aan u voorleggen, kunt u altijd op schieten en aanpassingen doen die passen binnen die wettelijke kaders. En na één jaar gaan we dan anderhalf, twee jaar, gaan we evalueren en dan kunt u daar weer uw oordeel over geven, op basis van de wettelijke regelgeving die wellicht landelijk dan ook weer wordt aangepast, welke aanpassingen u op uw lokale beleid wil doen. De voorzitter: Mijnheer Kleinpaste.

De heer Kleinpaste: Ja, voorzitter, ik werd even getriggerd door de opmerking van de wethouder dat er goed overleg is met ons grote zus zal ik maar zeggen, met Rotterdam. Leidt dat overleg er ook toe of is dat in die richting te verwachten dat er gewoon een afspraak wordt gemaakt over de invoeringsdatum en dat Rotterdam en Dordrecht daar op één lijn gaan zitten? De heer Stam: Ja, ik begrijp uw vraag, voorzitter, maar ik wil mijn vingers daar niet aan branden dat ik nu afspraken ga maken met Rotterdam. We houden elkaar op de hoogte van de ontwikkelingen en de invulling van de verordeningen, en ons streven is om dat zo snel mogelijk te doen, het liefst op 1 januari. De voorzitter: En dat was intussen ook de vraag van de heer Nederhof, begreep ik. De heer Nederhof: Een korte aanvulling. Het is toch wel noodzakelijk, het is een groot probleem in dit land, dat we het allemaal tegelijk op dat moment uitvoeren. Ik bedoel, anders krijg je toch wat hier al geroepen werd, we gaan vlug even nog naar Dordrecht of we gaan even vlug naar Rotterdam. Dus ja, het is toch wel belangrijk om een goede afstemming te maken denk ik voor ons als gemeente Dordrecht. De voorzitter: Dank u wel. De heer Oostenrijk: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Gündogdu was aan de beurt, en daarna kom ik bij u. De heer Gündogdu: Ja, voorzitter, een vraag aan de portefeuillehouder, bedankt voor zijn toelichting.

Waar ik me wel een beetje zorgen om maak is het volgende, nu, we onderschrijven denk ik allemaal het belang van deze instrumentaria. Maar waar ik concreet nu op zoek naar ben is, kunnen wij op dit moment, met de wetenschap dat er

29

heel veel nieuwbouwwoningen worden opgeleverd, wel concreet aangeven dat er met de ontwikkelaars de afspraak is gemaakt van, joh, deze woningen worden verkocht voor zelfbewoning. Of is dat … Hebben we dat zeg maar in onze afspraak in de tenders en noem maar op, hebben we dat vrijgelaten? Want dan hebben we natuurlijk wel een kans gemist. De heer Stam: Ja, voorzitter, ik weet niet of we een kans hebben gemist. Ik heb net al aangegeven dat de juiste wettelijke regelgeving daartoe nog ontbreekt om zo duidelijk afspraken te maken met ontwikkelaars. En van daar we volgens mij ook wel weer bij elkaar zitten om dat zo snel mogelijk te regelen om dat wel mogelijk te maken. En we hebben in onze bouw van de stad nog voldoende te bouwen. Dus ja, uw vraag is mijn vraag, zo snel mogelijk organiseren, regelen en vastleggen en op 1 januari beginnen zodat we daar veel beter sturing aan kunnen geven. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Ja, voorzitter, dank voor de positieve reactie van de wethouder. Wat dat betreft zitten we denk ik grosso modo wel op één lijn met één koers. Neemt niet weg dat wij toch al voornemens zullen zijn om dat initiatiefvoorstel in te dienen, al is het maar om druk op de ketel te krijgen, en we zien wel hoe dat dan verder in de beraadslagingen gaat lopen.

Ook wij zijn wel benieuwd, en ik snap dat die dat vanavond niet kan toezeggen, over het tijdspad voor daadwerkelijke invoering van de beide aspecten, want dat is denk ik wel helder om te weten. De heer Noldus: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Nog een toelichting op het college, ik vind natuurlijk het CDA, dat ze daar een initiatiefvoorstel toe indienen, maar ik wil wel het college, en ik wil oproepen om de ingezette koersen omtrent de beantwoording vast te houden en niet per se daarmee te vertragen omtrent de procedure die omtrent een initiatiefvoorstel hangt, zoals die net ook door de voorzitter kort is geduid. Ik zou het zonde vinden als we daar tijd missen, als raad. De heer Oostenrijk: Voorzitter, mag ik ter interruptie? Ja, want … De voorzitter: Ik weet niet op wie u interrumpeert maar … De heer Oostenrijk: Mijnheer Noldus. De voorzitter: Nou ja, maar die was eigenlijk ook helemaal niet aan het woord want die had zelf een opmerking. De heer Oostenrijk: Ja, maar hij kreeg wel de ruimte. De voorzitter: Ja, maar u mag ook wat zeggen. De heer Oostenrijk: Mooi zo.

30

De voorzitter: Maar niet als interruptie, gewoon omdat ik u het woord geef. Gaat uw gang. De heer Oostenrijk: Ja, nou, het laatste wat wij natuurlijk met ons initiatiefvoorstel willen beogen is dat het ambtelijke apparaat achterover gaat leunen, en dat hoor ik ook niet van de wethouder. Dus ik zou zeggen, ik wens de wethouder alle goeds toe als het gaat om snelheid te betrachten om de hele regelgeving in elkaar te timmeren. En we zien wel wat voor bijdrage, want zo positief wil ik het zien, ons initiatiefvoorstel daaraan kan bijdragen ja. De voorzitter: Mijnheer Stam, hoe zit het met de hamer en de spijkers? De heer Stam: Ja, voorzitter, wat moet ik hierop antwoorden? Ik bedoel, ik kan twee dingen doen, ik kan zeggen, ik wacht het initiatiefvoorstel af, we gaan lekker achteroverleunen. Maar ik heb volgens mij hier al voldoende aangegeven dat we volle kracht vooruitgaan om die regeling op te gaan stellen, om zo snel mogelijk van start te gaan. Als CDA dan bereid is om dat in elke gemeente te doen en overal die vertraging te verzorgen, dan zitten we weer op één lijn maar ik denk niet dat dat verstandig is. De heer Oostenrijk: Voorzitter? Ja, dan toch. Ik heb juist willen reageren richting de heer Noldus over dat vertragingsaspect, niet naar de wethouder toe.

Ik heb met zoveel woorden net ook gezegd van, succes met alle voorbereidingen voor het vormgeven van alle regelgeving die erop betrekking heeft. En het initiatiefvoorstel kan er op zijn hoogst een bijdrage aan leveren, een stimulering aan geven tot nog meer enthousiasme. De voorzitter: Ik hoor de wethouder alleen zeggen dat hij bang is dat het initiatiefvoorstel vertraagt. Maar goed, dat is mijn interpretatie als voorzitter. Mijnheer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ja, ik had nog een vraag aan de wethouder. Hij heeft net gezegd dat er met betrekking tot nieuwbouw ook niet al maatregelen genomen kunnen worden. Nou was mijn beeld dat dat anti-speculatiebeding wel degelijk daarop toegepast kan worden. En zelfs als dat niet kan, dus het niet opgelegd zou kunnen worden aan bijvoorbeeld projectontwikkelaars, is er natuurlijk wel overleg met projectontwikkelaars nodig om dat zoveel mogelijk te doen. Dus de vraag is hoe dan ook, wettelijk of niet, of u zoveel mogelijk druk op die projectontwikkelaars zet wat dit betreft? De heer Stam: Ja, voorzitter, dat doen we eigenlijk al hè. Dat doen we op meerdere fronten. Dat doen we niet alleen op anti-speculeren maar dat doen we ook met groen in nieuwbouw. Maar daar ben je toch, dat is meer op een informele manier en je bent dan toch afhankelijk van. En juist de kracht in deze regel zit 'm er in, dat je het kan formaliseren.

Dus we hebben wel gesprekken met ontwikkelaars, maar je weet ook niet van tevoren als u een huis koopt, of u hem door gaat verkopen of niet. Dus we willen wel altijd van ontwikkelaars weten, minimaal één, twee jaar wonen. Maar ja, dan zit je al heel gauw op regelgeving en dat handvat is nu gewoon te klein om dat te kunnen eisen. De voorzitter: Oké, dames en heren, is dit zo voldoende besproken? Dat idee dat heb ik namelijk wel. Ik zie allemaal knikken, dat is mooi, daar hou ik van. De vraag is dus nu of deze raadsinformatiebrief voor kennisname naar de raad kan? Zie ik weer knikken. Fijn.

31

Ja knikkende … Oké. Prima. Dan rond ik dit punt af. En dan gaan we, stel ik voor om tot 21.35 pauze te houden en dan gaan we dan verder. 24.Beantwoorden artikel 40-vragen VVD Huisvesting Statushouders Antwoordbrief artikel 40/41 25.Beantwoorden aanvullende artikel 40-vragen VVD Huisvesting statushouders Antwoordbrief artikel 40/41 De voorzitter: Dames en heren, wij gaan weer verder met de tweede ronde. Precies de tweede ronde. En ik zou bijna zeggen, mijnheer Chapel, gaat u leuk met een bord in de rondte. We hebben punten 24, mevrouw Van Benschop, we hebben punten 24 en 25 die we samen bespreken. U was niet bij het begin van deze vergadering. Ik heb vanavond een strenge bui, dus dan weet u dat alvast. Punt 24 is, beantwoorden artikel 40-vragen VVD huisvesting statushouders, en 25, het beantwoorden aanvullende artikel 40-vragen VVD huisvesting statushouders. Titelgewijs zou daar wat meer creativiteit in hebben kunnen zitten. De portefeuillehouder is de heer Stam. Het staat geagendeerd op verzoek van de VVD met de volgende politieke vragen, acht de commissie het wenselijk dat alle 167 statushouders dit jaar in sociale huurwoningen worden geplaatst en niet in de flexibele schil? Dat zou zomaar van iedereen alleen maar een ja of een nee kunnen zijn.

En vraag twee, in welke mate is het voor statushouders in relatie tot andere in aanmerking komende groepen van belang om een flexibele schil te creëren? Dat is … Die vraag was van GroenLinks. Ik benoem nog even dat het vluchtelingenthema nu weer actueel is door Afghanistan, en daarbij gaat het om noodopvang en nog niet om statushouders met recht op een woning. Daar zit duidelijk verschil tussen. En in de commissie Sociaal wordt binnenkort gesproken over de noodopvang aan Afghaanse vluchtelingen. Vanavond gaat het hier alleen over de huisvesting van statushouders. Ik geef het woord aan de VVD. De heer Noldus: Ja, voorzitter, dank u wel. Dank ook richting het college voor de beantwoording van onze vragen en de vervolgvragen. Met uw advies voor de titel nemen we mee voor de volgende keer, zullen we maar zeggen. En in beginsel, we gunnen natuurlijk iedereen een mooie woning. Maar we hebben net ook al uitvoerig gesproken, in de huidige woningmarkt is het lang wachten op een geschikte woning en dat vraagt geduld van de mens. En dat de statushouders met voorrang een woning toegewezen kregen, leidt daarbij in sommige gevallen tot weerstand. Het gevoel dat je links en rechts ingehaald wordt, draagt niet bij aan draagvlak. En we komen in een situatie die wij op een verjaardag niet meer uitgelegd krijgen.

Zo lezen we ook in een brief van minister Ollongren dat de huisvesting van grote aantal vergunninghouders in een krappe woningmarkt leidt tot onverminderd maatschappelijk draagvlak voor het huisvesten van deze en andere kwetsbare groepen. En dat is wat ons betreft dan ook de kern. In 2021 is de taakstelling voor de opvang van statushouders verdubbeld ten opzichte van 2020, en is ook niet de verwachting dat deze de komende jaren heel sterk zal afnemen. En voor de Dordtse VVD zijn er dan ook twee punten, we willen versneld werk maken van huisvesting in de flexibele schil, en we willen de urgentieregeling zoals die nu is afschaffen voor statushouders. En voor de tweede punt geld, voorzitter, dat wij de urgentieregeling voor statushouders willen schrappen. Een regeling die niet nodig is en ook wat ons betreft niet langer uit te leggen is in de huidige woningmarkt. En veel

32

gemeenten hebben deze al eerder afgeschaft, aangezien het sinds 2017 de vrijheid is gekomen om hier als gemeente zelf over te besluiten. De heer Kleinpaste: Voorzitter? De heer Noldus: En ja, voorzitter, een goede huisvesting … De voorzitter: Mijnheer Kleinpaste. De heer Kleinpaste: Voorzitter, even een vraag aan mijnheer Noldus, het afschaffen van die urgentieregeling, hoe verhoudt zich die volgens de heer Noldus tot de duidelijke opdracht die er toch vanuit Binnenlandse Zaken ligt als het gaat om de huisvesting van die statushouders? Want dat zou ik wel heel graag helder willen hebben. De heer Noldus: Ja, voorzitter, en wederom denk ik een hele goede vraag. En ik denk, daar wilde ik net op inzoomen, want die huisvesting die is inderdaad nodig en die opgave die we hebben, die taakstelling, die is er nou eenmaal. En het is onze taak, een maatschappelijke verantwoording om mensen goed te huisvesten en onderdeel te maken van de maatschappij. En wat ons betreft hoort daar ook een passende woonvorm in die flexibele schil bij. En dat is wat ons betreft ook, daar zijn we ook blij met de beantwoording van het college, maar daarin hebben we wel een aantal vragen.

En we willen graag weten welke aantallen het college daarbij voorziet voor de invulling in die flexibele schil, en ook op welke termijn we hier concreet invulling aan kunnen geven? Want op die punten missen we in de beantwoording van onze vragen toch wel de nodige informatie. Want er wordt gezegd, we zien deze route en we zien dit als invulling, maar op welke termijn, welke omvang en welke verwachtingen we daar dan bij mogen hebben, ook gelet op de taakstelling vanaf dit jaar, zien we daar niet in terug. Dus wat ons betreft gaan we daar snel werk van maken en geven we met die forum invulling aan de opgave die we hebben vanuit het Rijk. De heer Nederhof: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Nederhof. De heer Nederhof: Mag ik een vraag stellen aan mijnheer Noldus? Ja, kijk, u zegt zelf, het land, de Binnenlandse Zaken die stelt eigenlijk de eisen, maar de voorwaarden die moeten wij maar uitzoeken. Want kijk, we hebben een Haagse VVD en we hebben een burgemeester VVD ook in Den Haag, en dan die laten het gebeuren, en dan de Dordtse VVD moet het oplossen. Hoe gaat u het oplossen. Hoe gaat u het oplossen? De heer Noldus: Ja, voorzitter, kijk, uiteraard wordt hier in een hele korte vraag meerdere aspecten van het vraagstuk geraakt. En we kunnen heel lang twisten over hoe we met migratie willen omgaan en hoe we met de opgave over de landelijke verdeling willen omgaan.

Daar zit ook wel in de brief die vanuit de regio is gestuurd naar het Rijk, wordt daar ook wel aan gerefereerd. Kijk naar de krapte op de woningmarkt, kijk naar wat er past binnen de gebieden, kijk niet alleen maar naar de inwoneraantallen. Nou ja, daar kunnen we heel lang met elkaar over wisselen. Dat staat nu, en dat is ook de reactie vanuit het Rijk, dat is zoals het is, gaan we niet aan tornen. Dus vanuit dat kader willen we dan ook kijken naar hoe we dat hier lokaal kunnen invullen. En volgens mij is dat

33

belangrijk, hoe gaan we nou lokaal om met de taakstelling zoals die is? Hoe gaan we nou zorgen dat we niet 140 sociale huurwoningen voor de neus van iemand anders weg laten gaan? Maar dat we daar nou zorgen dat die woningen beschikbaar komen aan de mensen die al lang op de wachtlijst staan en dat we dit invullen met een flexibele schil. De heer Nederhof: Dus eigenlijk zegt u, voorzitter, de flexibele schil is de oplossing. En hoe ziet u die flexibele schil trouwens? De heer Noldus: Nou ja. De heer Nederhof: Wat is dat? De heer Noldus: Nou, voorzitter, dat zit … We hebben daar niet het antwoord per se op maar in de vragen die we gesteld hebben en de antwoorden die wij gekregen hebben zien we daar een aantal ingrediënten van terug. Wij zien dat niet als één opgave voor alles, maar er valt te denken aan transformatie van leegstaande kantoren, het gaat over flexwonen, het gaat over andere vormen van tijdelijk wonen. Nou ja, die staan ook in de reactie van het college. En dan denken we, nou, dat is inderdaad bij elkaar opgesteld een flexibele schil. Welke verdeling en welke som hebben we nu geen concreet voorstel voor of aanleiding bij. Mevrouw Stolk: Voorzitter? De heer Noldus: Dat is het wat we aan het college vragen om dat nader in te vullen. De voorzitter: Eerst mijnheer Struijk.

De heer Struijk: Ja, een vraag aan mijnheer Noldus, hij heeft het dan over die flexibele schil waarvan volgens mij we eigenlijk helemaal nog niet weten hoe groot die is. Maar goed, u kwam met een idee, bijvoorbeeld een kantoorgebouw wat leegstaat. Dan is dus uw idee om daar al die statushouders in te stoppen? Hij staat aan hè? Ja. De heer Noldus: Ja, hij staat aan. Ja, oké, ja. De heer Struijk: Is dat goed voor de integratie? De heer Noldus: Nou ja, dat ligt eraan hoe je daarnaar kijkt. Als je zegt, er is één groot kantoorpand en daar zet je iedereen bij elkaar, dan denk ik dat dat niet de beste bedoeling is. Ik zou zeggen, en volgens mij is dat ook nogmaals de suggestie die we vanuit de beantwoording vanuit het college krijgen is, zorg dat je meerdere vormen hebt die elkaar aanvullen en dat je dat op een goede manier spreidt en invulling geeft. Er is wat ons betreft geen één smaak die dat allemaal zou moeten raken. De voorzitter: Als het mag via, ja, tuurlijk, maar via mij. U heeft het over de heer Noldus en niet over u. Gaat uw gang. De heer Struijk: Ik zal hem even aan … Ja, nu staat die aan. Voorzitter, ik heb een vraag aan mijnheer Noldus en hij heeft het weer over nu wel weer die schil maar dan verspreid, dus op allerlei locaties. Maar dan vraag ik nog steeds, de statushouders, dat is alleen

34

voor statushouders, dus daar zes, daar acht, daar veertien. Of komen ook andere mensen in aanmerking voor die schil? De heer Noldus: Ja, ik denk de uitvoering daarvan en de invulling daarvan, is ons voor nu nog even om het even. Kijk, de urgentie nu zit hem omtrent die statushouders. Wat we vanuit het antwoord van het college horen is dat daar breder naar gekeken wordt. Wij denken ook zelf dat omtrent die urgentieregeling dat er meer doelgroepen zijn waarom wij strenger moeten kijken naar wie wanneer voorrang krijgt. En ik denk dat je dan kunt kijken naar meerdere doelgroepen die uiteindelijk in een flexibele schil zich kunnen huisvesten. Maar goed, dat is voor nu voor ons nog niet heel klip en klaar hoe dat precies eruit moet zien. De voorzitter: Mevrouw Stolk. Mevrouw Stolk: Ja, voorzitter, de heer Noldus geeft bijna een beetje antwoord op de vraag die ik wilde stellen want eigenlijk weten we nog niet wat die flexibele schil precies inhoudt. Zouden we dan niet eerst daarop in moeten zetten en kijken van, wat is nou die flexibele schil en hoeveel woningen zijn daarvoor beschikbaar en wat willen we daar dan voor gaan gebruiken? En dat we dan invulling gaan geven wie, wat, waar je gaat plaatsen. Ik denk dat we dan een andere discussie voeren. Want als je nu gaat zeggen van, in die flexibele schil, ja, we hebben nog geen flexibele schil want ik heb nog geen concreet plan gezien.

De heer Noldus: Nee, voorzitter, om daar kort op te reageren. Kijk, dat is een terecht punt en dat is ook onze vraag zeg maar, die wij kregen naar aanleiding van het lezen van de antwoorden. Die flexibele schil wordt als een, ook in de beantwoording als een heilige graal omarmd, zonder dat er aantallen, periodes of invulling bij staat. En dat baart ons in die zin ook de zorgen dat we dit jaar wel een grote taakstelling hebben. En als we het nu niet in gaan zetten, voor deze doelgroep en misschien breder, dan loopt die in die zin bij ons weg en dan kunnen we niet die honderd zoveel woningen aan een Dordts gezin beschikbaar stellen. Dus wat ons betreft … Mevrouw Stolk: Voorzitter, nog een antwoord hierop. De heer Noldus: Vaart maken. De voorzitter: Mevrouw Stolk. Mevrouw Stolk: Ja, voorzitter, dank. Ja, fijn dat de heer Noldus dat nu aangeeft, maar hadden we daar dan niet al wat eerder mee moeten beginnen dan alleen maar voor de statushouders? Want u zegt zelf al, op verjaardagen is het niet meer uit te leggen dat mensen soms zeven jaar ingeschreven staan voor een woning en dat ze geen woning kunnen vinden, en dat we nu met de statushouders gaan kijken naar de flexibele schil. Had deze raad of het college daar al niet eerder aanstalten toe moeten maken? De heer Noldus: Ja, wat mij betreft, wat ons betreft wel.

En we hebben vorig jaar een keer een discussie gevoerd naar aanleiding van de Huisvestingsverordening. Naar aanleiding daarvan, nou ja, is wat ons betreft in ieder geval het politieke geluid daarover naar buiten gekomen, onvoldoende steun gekregen. En toen hebben we hem wellicht te

35

weinig gekoppeld aan de invulling van zo’n flexibele schil. Dus ja, we zien dit nu voorbijkomen en denken, dit is een invulling hoe we dat voor ons zien, waar we op in moeten zetten. Mevrouw Van Benschop: Voorzitter? De voorzitter: Nee, eerst mijnheer Nederhof. De heer Nederhof: Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een vraag, een reactie op wat de heer Noldus zegt. U had het over doelgroepen, eigenlijk hebben we geen doelgroepenbeleid meer, dat hebben we eigenlijk een keer afgezworen. Maar de nood is hoog, voor iedereen, elke inwoner van dit land en van Dordrecht is de nood hoog. Studenten wonen in een bezemkast, en wat voor oplossing, u hebt de oplossing ook nog niet. Kijk, kantoorgebouwen worden er natuurlijk ook allemaal getransformeerd maar die hebben we gewoon keihard nodig voor gezinnetjes, gescheiden ouders, oudere mensen, noem maar op. Nu komen er dus 176 statushouders bij, waar gaan we die houden? Nou, misschien is het een idee, wij hebben daar … De voorzitter: Wat is uw vraag, mijnheer Nederhof? De heer Nederhof: In Beter Voor Dordt hebben we het daarover gehad, misschien is het een idee, we hebben ooit eens een boot gehad, een B&B. Weet u misschien niet denk ik, uit uw vorige … Ja, uit mijn vorige leven wel maar, misschien heel simpel, een ponton met tiny houses, dat is hartstikke hot. Ik noem maar iets. Dan heb je een aanvulling op je woningaanbod.

Mevrouw Stolk: Voorzitter? De heer Nederhof: Want je krijgt toch geen andere woningen, er zijn geen woningen. Die zijn er niet. Wat zou u nou … De voorzitter: Mijnheer Nederhof, wat is uw vraag? De heer Nederhof: Nee, of dat een antwoord is op de invulling van uw flexibele schil? De voorzitter: Het gaat volgens mij heel ver maar mijnheer Noldus kan het misschien zo ontzenuwen. De heer Noldus: Nou, ik ga mijn best doen, voorzitter. De heer Nederhof: O, gaat dat ver? De heer Noldus: Dat zou wellicht een invulling kunnen zijn maar waar wij nu niet in willen schieten is de reflex dat wij nu een bepaald middel of instrument gaan invullen hoe dat eruit moet zien. En wat voor woning dat moet zijn, of die op het water zit of niet, of het moeten drijven of staan of hangen, dat maakt voor ons niet zo uit. Wij willen het college opdragen, maak vaart met die flexibele schil. In de beantwoording zelf wordt er over gesproken, verschillende varianten van de invulling ook. Voeg daad bij het woord, ga aan de slag. De opgave is groot. Die herken ik, ik hoor in uw vraag dat u dat standpunt

36

daarin met ons deelt. Maar we gaan nu niet, dat is niet onze insteek, om nu een hele concrete invulling daarvoor nu op tafel te leggen. En ik zie aan de voorzitter dat ik toe ben aan een afronding. De voorzitter: U ziet aan de voorzitter, mijnheer Noldus, dat u via de voorzitter moet spreken en dat ik het bijna opgeef. Ik hoorde mevrouw Van Benschop, gaat uw gang. Mevrouw Van Benschop: Ja, voorzitter, dank u wel. Ja, u bent misschien streng en met het risico dat ik nu overkom als zuur, heb ik toch wel een vraag aan de VVD. Is dit nou een discussie die gaat over een probleem met betrekking tot statushouders of is dit weer een verkapte discussie om aan die Huisvestingsverordening te gaan sleutelen zodat die urgentieverklaring ervan af gaat? Want uit de beantwoording van de vragen begrijp ik in ieder geval dat er een flexibele schil moet komen voor mensen die op korte termijn met hoge nood een woning nodig hebben, en dat die mensen gaan doorstromen naar een reguliere sociale huurwoning. Dus wat is nou precies het verschil tussen de statushouder met urgentieverklaring, of zonder urgentieverklaring? Want die komt net zo goed, kan net zo goed terechtkomen in die flexibele schil en vervolgens doorstromen naar een sociale huurwoning, net als alle andere mensen met een urgentieverklaring.

Dus wat is nou precies de discussie waar we het over hebben? Wat wilt u, wat wil de VVD met deze discussie bereiken? De Huisvestingsverordening aanpassen zodat de VVD kan zeggen dat de statushouders geen urgentieverklaring meer krijgen, of een daadwerkelijke oplossing voor een probleem wat wel bestaat? De heer Noldus: Nou, voorzitter, de VVD, ik heb net ook gezegd in mijn woordspeling, er zijn twee punten. We willen die flexibele schil zodat we daar snel goed invulling kunnen geven aan de huisvestingstaak die we hebben zonder dat het ten koste gaat van de sociale huurwoningen die voor andere doelgroepen zijn, zodat we ten einde van die urgentieregelingen afkunnen. Want als het goed is, als die flexibele schil goed functioneert, is die urgentieregeling niet meer nodig. Het gaat primair om het eerste, maar dat tweede is uiteindelijk een afgeleide daarvan wat ons betreft. Mevrouw Van Benschop: Voorzitter, nog een aanvullende vraag? Ik begrijp nog steeds het probleem niet. Op het moment dat je die flexibele schil inzet voor alle urgente woningzoekenden, dan komt die flexibele schil er toch per definitie voor mensen met een urgentieverklaring, voor mensen die dus of statushouder of whatever the reason, pardon in het Nederlands, wat dan ook de reden is, dat je een urgentieverklaring zou krijgen.

Wat doet dat dan af, ik snap gewoon de discussie oprecht niet of je nou wel of niet die statushouders in de flexibele schil, dan, je doet toch ook de andere mensen met een urgentieverklaring een plek bieden in die flexibele schil? Dus wat is nou precies de discussie? Als u zegt, als de VVD zegt, we willen vaart maken met die tijdelijke of die flexibele schil, of flexwonen, dan vindt de VVD ons helemaal aan haar, zijn, zijde. Maar als het hier gaat over weer een discussie dat de statushouders het plekje inpikken van de mensen die in Dordt een woning zoeken, dan zijn we er echt wel een beetje klaar mee. De heer Noldus: Ja, voorzitter, ik snap ook de tegenstelling van, zo, van mevrouw Van Benschop niet helemaal. Ik moest even nadenken. Kijk, die urgentieverklaring, die regelt dat bepaalde doelgroepen met voorrang recht hebben op een sociale huurwoning. Dus als je zorgt dat die mensen ergens anders gehuisvest zijn, dan kan in sommige gevallen

37

die urgentieverklaring eraf. En dan doet … Ik snap niet uw tegenstrijd die u daarin naar voren brengt, dat het daarmee ingevuld is. Want nog steeds, wij leggen de woningcorporaties op dat bepaalde doelgroepen met voorrang een woning toegewezen moeten krijgen. Dus als wij dat op een andere manier gaan invullen, dan moeten we ook de woningcorporaties daartoe een andere opdracht geven, en dat regelen we in de Huisvestingsverordening. En ik snap niet waar u dan die tegenstelling in zoekt of dat punt niet wil begrijpen? De heer Oostenrijk: Voorzitter? Mevrouw Van Benschop: Voorzitter, nog één aanvullende vraag dan, met de hoop dat ik daarmee ook een beetje uitleg geef. De vraag is, als je alleen bij de statushouders die urgentieverklaring niet meer zou afgeven, maar ze wel vervolgens huisvest in de flexibele schil, net zoals mensen bijvoorbeeld wel met een urgentieverklaring, omdat die snel een woning nodig hebben, die vervolgens gewoon doorstromen naar een sociale huurwoning, dan is er dus geen verschil. Als u zegt, als de VVD zegt, we moeten helemaal van de urgentieverklaring af want we hebben gewoon een grote flexibele schil nodig, oké.

Maar waar komt het onderscheid vandaan tussen een statushouder of iemand anders die urgent woningzoekend is? Want ik weet niet of ik u eraan moet helpen herinneren, allemaal, maar volgens mij is een statushouder behoorlijk urgent woningzoekende, die heeft namelijk geen woning en die komen over het algemeen niet uit de meest prettige omstandigheden. De voorzitter: Dat waren weer een heleboel vragen, mijnheer Noldus. En … De heer Noldus: Ja, en ik zit even te denken om de vragen eruit te halen tegelijkertijd, uit het pleidooi. Maar om daarin te beginnen, u stelt, de flexibele, via de voorzitter, mevrouw Van Benschop stelt dat de flexibele schil daarmee invulling geeft aan de urgentieverklaring. Maar zolang die urgentieverklaring blijft staan, hebben de mensen natuurlijk het recht om daar gebruik van te maken richting de woningcorporaties en daar alsnog mee een sociale huurwoning te verwerven. Wat ons betreft zou dat voor in ieder geval de statushouders daar met die flexibele schil invulling gegeven moeten worden. Wat ons betreft is het ook zo, kijk, u zegt terecht, de mensen komen hier, worden hier toegewezen, dan moeten we ook urgent en snel een woning toewijzen. Daar hebben we ook geen discussie over, dat is de opgave die we hebben. En wat ons betreft gaan we die huisvesten in die flexibele schil. Mevrouw Van Benschop: Net als alle andere urgente woningzoekenden.

De heer Noldus: Nou ja, dat is de vraag die we hier als … De voorzitter: Ik had u helemaal het woord niet gegeven, mevrouw Van Benschop. Mijnheer Oostenrijk mag namelijk nu een poging doen. De heer Oostenrijk: Ja, voorzitter, toch eerst even een vraag van orde, want is het de bedoeling dat we ons alleen concentreren op de reactie van de heer Noldus, of …

38

De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk, de heer Noldus die heeft van mij het woord gekregen als eerste vragensteller, en die is nog steeds bezig en u springt allemaal bovenop hem. Dus in die zin zijn we dus nog steeds bezig met de heer Noldus. De heer Oostenrijk: Ja, en ja, zo kunnen we het … Ja, zo kunnen we het … Want in feite is het al een breed debat geworden, waarbij we natuurlijk op elkaar reageren. Maar dan toch even een poging. Voorzitter, je kan dit op twee manieren beoordelen, hebben we het over het VVD-probleem rond statushouders, of hebben we het over een probleem dat we te weinig sociale huurwoningen hebben? Nou, één ding is duidelijk, de VVD is bij uitstek de laatste jaren de rem geweest op het bouwen van meer sociale huurwoningen. Dus laten we dat even maar stipuleren. Dus als we de ruimte … Mevrouw Stolk: Voorzitter? De heer Oostenrijk: Als we de ruimte bieden voor het bouwen van meer sociale huurwoningen, dan lossen we daar tegelijkertijd het probleem op van de druk op de woningmarkt door woningzoekenden met voorrang. En die woningzoekenden met voorrang, dat is een breed scala van soorten woningzoekenden. Want één op de drie woningen gaat inderdaad naar … Mevrouw Stolk: Voorzitter? De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk, u ging een vraag stellen aan de heer Noldus, het lijkt nu alsof u uw woordvoering doet.

De heer Oostenrijk: Ja, iedereen neemt daar zijn eigen vrijheid in dus. De voorzitter: Nou, dan heb ik een spijtige mededeling voor u want zo werkt het niet. Dus als u geen vraag heeft aan de heer Noldus, dan zie ik dit als woordvoering en dan ga ik mevrouw Stolk namelijk laten interrumperen want die gaat daar dan weer overheen. De heer Oostenrijk: Ja, zo werkt het ja. Maar dan één vraag aan mijnheer Noldus. De voorzitter: Graag. De heer Oostenrijk: Is mijnheer Noldus het met ons eens dat de VVD juist bij uitstek de partij is die zo weinig mogelijk sociale huurwoningen wil bouwen? Mevrouw Stolk: Voorzitter? De voorzitter: Dit is helemaal off-topic. Mevrouw Stolk. Mevrouw Stolk: Ja, nou wil ik toch heel eventjes de heer Oostenrijk eraan herinneren dat het CDA, ChristenUnie/SGP, VVD, Beter Voor Dordt in dit college zitten en die allemaal dit coalitieakkoord gesteund hebben om meer in te zetten op dure woningen en het middensegment. En ook de heer Oostenrijk niet ervoor gekozen heeft, en dan kunt u het allemaal buiten deze zaal roepen, ja, ik ben voor sociale huurwoningen, maar uw handtekening staat onder dit coalitieakkoord, ook het CDA was niet voor meer sociale huurwoningen.

39

De heer Oostenrijk: Voorzitter? De voorzitter: Waarvan akte. Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Dat is in die zin een pertinente onwaarheid. Kijk naar ons pleidooi voor meer, een groter percentage aan sociale huurwoningen in het Gezondheidspark. Daarmee hebben we meer ruimte gecreëerd, en ook alle pleidooien in de laatste jaren wijzen erop dat wij een groter percentage sociale huurwoningen willen realiseren. De voorzitter: Zullen we dit campagne-item even laten voor wat het is. Ik … Mijnheer Noldus, heeft u nog iets op dit moment wat u echt kwijt wilt? De heer Noldus: Nou … De voorzitter: Want anders dan wil ik graag door naar mevrouw Van Benschop. De heer Noldus: Ik wil me bij mevrouw Stolk aansluiten over de reactie en de ontsteltenis van de heer Oostenrijk, waar ik me totaal niet in herken. En als voorbeeld dan ook de reactie op de Woonvisie waar wij namens een aantal partijen ook een amendement hebben ingediend om duizend extra sociale huurwoningen te realiseren. En ik herken me totaal niet in wat u schetst. En wat mevrouw Stolk ook zegt, volgens mij zitten we ook samen in een coalitie en samen aan het roer, dus ik … Nou ja, met enige ontsteltenis hoor ik dit aan. Nou, tot zover even, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Ja, dank u wel, voorzitter.

Ja, ik twijfel heel erg of ik hier nog wat over wil zeggen maar het wordt inderdaad een beetje campagnepraatje. De voorzitter: Het hoeft niet want we kunnen op zich verder met een volgend punt dan, maar … Mevrouw Van Benschop: Nou ja, het enige wat ik eigenlijk nog wil toevoegen wat we net al aan interrupties hebben gehoord is dat ik er echt voor wil passen om iedere keer als het gaat over statushouders, het probleem van een tekort aan sociale huurwoningen bij hen neer te leggen. Het is heel vervelend dat er partijen zijn die het op een verjaardag niet meer uit kunnen leggen, maar ik kan het net zo goed niet uitleggen als die 167 statushouders er niet waren. Dus zodra we het gaan hebben over de echte discussie wil ik wel weer meedoen maar ik denk dat we het voor nu hier maar moeten laten. De heer Noldus: Voorzitter? Toch nog een vraag … De voorzitter: Mijnheer Noldus. De heer Noldus: Aan mevrouw Van Benschop want in uw vorige vraag aan mij gaf u aan dat op enig moment we elkaar wellicht zouden kunnen vinden. En ik vraag me dan toch af waar dat dan is? Want u voert afgelopen weekend protest omtrent het woningmarktbeleid en de woningen die er niet zijn. En het eerste moment dat u daar

40

invloed op kunt hebben en daarin verschil kunt maken, geeft uw partij niet thuis. Ik ben toch benieuwd op welk moment we elkaar dan hadden kunnen vinden? Mevrouw Van Benschop: Voorzitter? De voorzitter: Dit is dus de reden waarom ik dus zeg dat u via de voorzitter spreekt, omdat u anders gaat jij-bakken. Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Wij hebben inderdaad een woonprotest georganiseerd afgelopen zondag, dank voor de aandacht daarvoor. De reden dat we dat gedaan hebben is een tekort aan woningen. De reden daarvoor is niet omdat wij vinden dat we bepaalde groepen moeten uitsluiten van een urgentieverklaring of een woning op zich. En waar we elkaar kunnen vinden is als we zeggen, misschien moeten we wel die flexibele schil realiseren, zodat we namelijk snel mensen kunnen huisvesten die later kunnen doorstromen naar een reguliere woning. Maar om het te profileren en te framen alsof statushouders, alsof daar de urgentieverklaring weghalen een deel van de oplossing hebben, dan denk ik echt dat de VVD nog even heel goed moet kijken naar de stand van zaken en zich moet gaan realiseren dat er veel grotere stappen nodig zijn dan zo’n ministapje die leuk uitkomt in de campagne. De voorzitter: Mijnheer Nederhof. De heer Nederhof: Ja, een korte vraag aan mevrouw Van Benschop.

Bent u het eens dan wat de antwoorden zijn van het college betreffende de flexschil? Is dat de oplossing in uw ogen ook voor de oplossing van … De voorzitter: Is dat de oplossing voor mevrouw Van Benschop? Mevrouw Van Benschop: Voorzitter? De voorzitter: Mevrouw Van Benschop. Mevrouw Van Benschop: Dat is inderdaad wat ons betreft, wij zijn hartstikke blij met die beantwoording. Ik zie daar in ieder geval een visie voor de korte termijn. En wat ons betreft, als we op die manier kunnen bijdragen aan een vermindering van de druk op die sociale woningmarkt voor de korte termijn. Want daar wil ik wel op benadrukken, dat staat ook in die antwoorden, het zijn tijdelijke woningen, het is niet de bedoeling dat mensen daar jaren in zitten. Als we op die manier een deel van de oplossing hebben om dus die vermindering van die druk toe te passen, dan zijn wij helemaal voor. Dus wij zijn inderdaad heel tevreden met de beantwoording van die vragen. De voorzitter: Is er nog iemand die het woord wil want anders ga ik de wethouder het woord geven. O, mijnheer Struijk. De heer Struijk: Voorzitter, mag ik even … De voorzitter: Een dappere poging, gaat uw gang.

41

De heer Struijk: Dank u wel. Nou, dan wil ik toch nog even een poging doen. Dat de situatie op de woningmarkt beroerd is, zodanig dat je eigenlijk niet meer van een markt kan spreken, dat weten we allemaal. Onze gemeente krijgt jaarlijks een aantal statushouders toegewezen, daar kun je van alles van vinden. Het is in ieder geval heel pijnlijk voor mensen die al lang op zoek zijn, maar we hebben het gewoon te accepteren. En het getuigt bovendien van humaniteit. Er zijn zaken waar een gemeente niet over gaat, hooguit kun je proberen invloed uit te oefenen, proberen de landelijke overheid op andere gedachten te brengen, dat is gebeurd. Dan blijven eigenlijk alleen nog maar de vragen over, welke woningen de voorkeur hebben, reguliere sociale huurwoningen of het gebruik van de flexibele schil? Maar dat laatste is alleen een tijdelijke oplossing. En wij zouden de vraag stellen, en ik heb hem ook al schriftelijk gesteld maar het antwoord blijkt er niet te zijn, hoeveel van die flexwoningen hebben we nu? En niet onbelangrijk, wat is de kwaliteit daarvan? En ik heb het net ook al gezegd, ik zal het een keer herhalen, het lijkt ons in ieder geval ook niet raadzaam om heel veel statushouders bij elkaar te huisvesten in een blok flexibele woningen.

Dat bemoeilijkt de integratie en het wekt ook de suggestie dat het gaat over een groep met minder rechten op een reguliere woning en daar moeten we ook voor waken. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Ik zag in de achterhoede, eerst mijnheer Gündogdu. De heer Gündogdu: Voorzitter, dank u wel. Nou, deze discussie geeft überhaupt aan dat we nog de nodige werk te verrichten hebben richting de verkiezingen. Dus dat wordt nog een hele bijzondere, als het gaat om de Woonvisie en de vertaling daarvan. Maar ik heb een concrete, ik heb een tweetal concrete vragen aan het college, die ik ook met deze commissie wil delen. Ik lees in de brief die is gestuurd namens een aantal regio’s richting de minister, dat de verdubbeling van de opgave ook concreet betekent dat zowel de ambtelijke capaciteit als de zorgverlening, nou ja, behoorlijk oploopt. En ik ben benieuwd, ja, indien dit het geval is en in Dordt dan wel de Drechtsteden, om welk budget dat gaat en wanneer wij als raad daarover zijn geïnformeerd? Dat is mijn eerste vraag. En mijn tweede vraag is, dat de minister zegt, we hebben een solidariteitsbasis voor de verdeling. En er is ook diverse gemeenten tegemoet gekomen door geld beschikbaar te stellen, in 2020 50 miljoen en ook in 2021 50 miljoen.

En wij zijn dan vooral benieuwd hoeveel van die gelden is bij ons in de regio dan wel stad terechtgekomen en wat we daar concreet mee hebben gedaan? Want dan kunnen we zeg maar ook die discussie wat, nou ja, vereenvoudigen denken wij. Dus concreet deze twee vragen, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer Bosuguy. De heer Bosuguy: Voorzitter, heel kort, wij zijn tevreden over de antwoorden van het college. De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer Kleinpaste. De heer Kleinpaste: Ja, voorzitter, nog maar heel kort in ieder geval, het laatste wat we moeten willen doen in de politiek is volgens mij groepen tegen elkaar opzetten die allemaal heel erg hard op zoek zijn naar een huis in een veel te krappe woningmarkt. En dat die woningmarkt te krap is, weten we natuurlijk met zijn allen heel goed. Dus ik ben groot voorstander om werk te maken van die flexibele schil. Waar alle doelgroepen in

42

thuis moeten komen, dus ook niet alleen maar de statushouders, dat lijkt me inderdaad geen goede zaak om daar een soort compound van statushouders van te maken. Iedereen moet daarvoor in aanmerking kunnen komen en verder ook werk blijven maken om de doorstroming daarna snel en goed tot stand te brengen want dat is hard nodig. De voorzitter: Mijnheer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Ja, voorzitter, CDA-fractie die deelt de reactie van het college op de vragen van de VVD. Wij vinden dat we ons niet willen en kunnen onttrekken aan onze verantwoordelijkheid, zeker voor deze specifieke doelgroep. Dat neemt niet weg dat we wel het probleem erkennen van de druk op de woningmarkt. In dit geval op, nou, noem het maar even sociale huurwoningen. Dus wat dat betreft is het zoeken naar concrete vormen die dan nu aangeduid worden als dus de flexibele schil, is urgent. En wat ons betreft moeten we daarbij niet zoeken naar ingewikkelde situaties, want het omvormen van kantoorgebouwen, dat lijkt ons niet de meest wenselijke manier. Er zijn nog voldoende lege plekken die niet op korte termijn bebouwd gaan worden in onze gemeente, waarbij je dus op niet al te grote schaal dit soort tussenwoningen of tijdelijke woningen kunt neerzetten. En dan inderdaad niet specifiek, want daar willen we echt vanaf, voor statushouders.

Maar dan heb je het over de brede groep van al die mensen die met spoed een woning nodig hebben, en daar gaat het om. De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer Nederhof. De heer Nederhof: Ja, prima, de beantwoordingen vind ik ook natuurlijk, heb ik net al verteld, heel duidelijk. Maar ik heb net ook al gezegd, kijk, wij komen gewoon woningen tekort, iedereen roept het, elke dag staat het in de krant, het hele land. Ik heb eigenlijk eerst een vraag nog aan mevrouw Van Benschop, bent u het nou eens dat extra woonruimte moet komen, extra woonruimte, op korte termijn? En we kunnen niet wachten tot er iets gebouwd of getransformeerd wordt want dan hebben we er zo, nou, dan hebben we veel te lange tijd met problemen. Dus wat ik net al, we hebben het in Beter Voor Dordt over gehad, we hebben die situatie meer gehad met asielzoekers en noem maar op. Aan de Handelskade lag er een mooie boot, en die mensen waren daar heel happy. En dan komt er daardoor, het is dus een extra woonruimte creëer je daar op het water. Nou, we weten hoe moeilijk het is op het water een boot te krijgen. Dan waren we hier om kwart voor zeven al over. Maar dus een oplossing die snel ingevuld kan worden. Dus een extra ... Of zegt u, nee, die flexibele schil moet komen uit woningen die vrijkomen en zo, dat gaat maanden overheen.

Dus, en wat ik ook zei, op een ponton met tiny houses, verzin wat jongens, we hebben water enorm veel. Mevrouw Stolk: Voorzitter? De heer Nederhof: Is dat een oplossing of vindt u dat te ver gezocht? De voorzitter: Mijnheer Nederhof is een interruptie aan het doen in feite op mevrouw Van Benschop dus die geef ik eerst … Mevrouw Stolk: Ja, ik weet het maar …

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/344/documents/13468