2.10 2025.05.06 Notulen Dordtse Dinsdag - Vergaderzaal 5 - concept.pdf
Tekst van het document
22
De heer Droog: Kort, maar krachtig. De voorzitter: Zijn er dan nog meer fracties die ik niet het woord heb geven? Mevrouw De Heer: Niet specifiek een woordvoering, maar namens FvD wil ik de steun uitspreken voor Beter voor Dordt, voor wat de heer Katif zoal heeft verwoord, dat daar op dat gebied niet gebouwd gaat worden. De voorzitter: Duidelijk. Ook kort, maar krachtig. Dan hebben wij, geloof ik, iedereen gehad. Dan gaan we naar de heer Burggraaf, voor een reactie op hetgeen gezegd is met betrekking tot de uitvoerbaarheid. De heer Burggraaf: Dank u wel, voorzitter. Ik heb ongeveer een zestal vragen genoteerd. Om maar eens te beginnen met het ruimtelijk beleid van de gemeente waar werd gevraagd, wanneer is op dit gebied uitgesproken dat er woningbouw mogelijk dan wel wenselijk is? Zijn we consistent in ons ruimtelijk beleid? Voorzitter, ik kan volmondig bevestigen dat dat het geval is. In 2021 heeft uw raad unaniem de Omgevingsvisie vastgesteld. En in die Omgevingsvisie zijn de gebieden weergegeven waarin het poldergebied is weergegeven en de gebieden voor de woonwijken. En deze locatie valt onder het gebied van wonen, waarvan u ook in meerdere beleidsstukken heeft weergegeven dat in dergelijke gebieden een rustige en groene woonomgeving, met lage dichtheid van bebouwing dan wenselijk is.
Dat is een Omgevingsvisie die op een groter gebied zegt, daar kan in de toekomst in die richting doorontwikkeld worden. Er ligt nu natuurlijk een bestemming die nog agrarisch is. Dat is de reden. En zoals zo’n traject ook begint, een partij meldt zich en zegt, in dit gebied willen we deze ontwikkeling doen. Terwijl wij als college naar de kaders kijken die de raad heeft meegegeven. En dan vervolgens daarbinnen de randvoorwaarden meegeven, om vervolgens de initiatiefnemer zelf het plan te laten uitwerken. En dan uiteindelijk tot een omgevingsplanwijziging, in dit geval, te komen, die uiteindelijk door u als raad vastgesteld wordt, of niet. Daarom is het ook wel goed dat dit gesprek nu plaatsvindt. Want het is natuurlijk zonde als je eenmaal heel veel werk hebt verricht en de raad zou zeggen, dat kader hebben we meegegeven, dat dit een deel is van woonontwikkeling en welke ontwikkelingen er zitten en u toch desondanks op zo'n moment zou zeggen, onze Omgevingsvisie, op een aantal punten denken we inmiddels anders over. Dat is goed dat daar het gesprek nog eens over gevoerd wordt.
Wat u dan vervolgens terugziet in die randvoorwaarden en uitgangspunten die het college heeft opgesteld, zijn er vooral geweest om invulling te geven aan die bijzondere overgang van de polder als een open gebied, een kwetsbaar gebied, wat het college zeer hoog op de agenda heeft staan, omdat u als raad dat als een heel belangrijk kader heeft meegegeven en we heel goed willen bewaken. En daarom hebben we deze randvoorwaarden ook gesteld, om te zorgen dat er een zorgvuldige, goede overgang komt van de polder naar het bebouwde kom gebied. Dat de boomgaard die er is nu, met de natuurwaarden die er zitten, dat die ook al wordt het wonen, dat daar wel in het woongebied uiteindelijk invulling aan gegeven wordt. Dat is de reden dat we hebben gezegd, als u een plan verder maakt, willen we ook echt dat nog steeds de dijkstructuur, waar je langskomt, de uitstraling heeft van dijkwoningen. Dat het een open gebied is, die uitnodigt om daar ook doorheen te lopen. Die ook verbinding maakt naar de wijk die erachter ligt. Het moet ook echt een openbaar toegankelijk gebied blijven, waar je met een wandelpad vanaf de dijk meer echt het voormalige dorp Dubbeldam in kan. En andersom, vanuit daar wordt uitgenodigd
23
eigenlijk om die kwaliteiten van het buitengebied ook te gaan opzoeken en te gaan beleven. Daarom zijn we ook heel kritisch geweest in, hoe ga je dat dan vervolgens vormgeven? Ik ben het daar wel volledig eens met wat de heer Groenewege van Partij voor de Dieren zegt, als je dan die kwaliteit eist, hoe krijgt dat dan vervolgens vorm in die ontwikkeling? Krijgt dan het groen ook echt een volwaardige invulling? Dat is de reden waarom we ook hier hebben gezegd dat we beperkte cultivering willen in het gebied en losse bouwwerken willen voorkomen. Niet de traditionele omhekte tuintjes met schuttingen, die afgehekt zijn. Maar juist een heel erg open gebied. Daar heb ik ook een voorbeeld van gezien, elders in het land, die op die manier eigenlijk de tuin heeft ingericht. Waarbij is gezegd, je hebt heel veel collectieve natuurtuin en natuurwaarde eigenlijk in dat gebied zitten, waardoor je ook een veel natuurlijkere overgang krijgt van een tuin naar het openbaar groen. En dat je dat ook kan borgen naar de toekomst toe. Dat zit ook wel degelijk hier in de toetsing verwerkt. En als het gaat over inderdaad vervolgens nieuwe toetsen daarop, die u noemde, dat zit natuurlijk allemaal meegenomen in het bestaande kader binnen het handboek Natuurinclusief bouwen, waar ook de Welstandscommissie op toetst.
En waar u ook op uw verzoek iemand in de Welstandscommissie gaat zitten met die achtergrond en expertise, die daar ook vervolgens die plannen mede op toetst. Op die wijze is dat ook in de verdere uitwerking zo meteen geborgd. De voorzitter: Dat roept een vraag op bij de heer Groenewege. De heer Groenewege: Ik ben op zich blij hoor met dit antwoord van de wethouder, want de wethouder heeft wat dat betreft wel denk ik de juiste insteek. Maar onze zorg er meer in zit, is in de formulering. Want je kan wel zeggen, kleine percelen en een grote openbare ruimte. Daar komt het in feite op neer wat er staat. Maar dat wil nog niet zeggen dat die openbare ruimte groen wordt ingericht, want die eis staat er niet expliciet in. Ziet de wethouder dat ook? De heer Burggraaf: Als daar uw zorg op zit, we hebben de overeenkomst nog niet getekend, volgens mij. Die hebben we wel getekend. Maar goed, als dat uw zorg is, dan kan ik dat echt nog wel nader duiden. Want in de gesprekken die we hebben gehad met ontwikkelende partijen zit echt juist dat aspect, omdat ik deel dit aandachtspunt wat u heeft. Die hadden wij ook echt nadrukkelijk. En in ons gesprek is dat ook nadrukkelijk aan bod gekomen.
Ik ga in ieder geval zoeken naar een manier om u daarover iets meer informatie te geven, zodat u daar ook later toetsbaar kan kijken, heeft dat dan ook uitwerking gekregen op het moment dat daar een omgevingsplanwijziging vervolgens aan komt? De voorzitter: De heer Groenewege. De heer Groenewege: Kunnen we dat noteren als een toezegging? De heer Burggraaf: Ja, dat kunt u noteren als een toezegging. Dan voor wat betreft die natuur ecologische waarde en het borgen daarvan. Uiteraard is dat ook een onderdeel dat zo meteen bij de ontwikkeling getoetst moet worden. Maar dat zijn ook de normale, zoals ik noemde al hier de steenuil, als er bepaalde beschermde soorten zijn, daar zitten gewoon de reguliere toetsen ook op van natuur ecologische waarde en hoe dat goede
24
invulling te geven op het moment dat je naar de bouwvergunning eigenlijk gaat en de toetsing daarop. Ook dat zit in het gewone proces geborgd. Dan voor wat betreft het programma. Ik wil als eerste toch wel echt benadrukken of eigenlijk vragen om het ook even in het juiste perspectief te bekijken en te kijken over hoe groot gebied je het hier nu feitelijk hebt. Het is echt een dergelijk klein plot dat je met goed fatsoen niet als een soort buurt kan benaderen. Als je even kijkt naar een mooi streven waarin u zegt, je zou buurten moeten hebben waar ook diversiteit aan woningen zijn, aan doelgroepen die daar wonen, dan is de schaal, als je alleen maar op dit stukje kijkt, echt wel heel en te beperkt. Kijk dan iets breder naar de schaal en kijk dan vervolgens naar achterliggende straten als de Lijsterbesstraat, de Acaciastraat, de Goudenregenstraat. Daar zitten echt veel betaalbare woningen in die buurt. En het klopt ook dat als u allen zegt, maar er is zoveel behoefte aan betaalbare woningen in de stad. Dat is absoluut zo. En ik kan u zeggen, dat is op alle woonvormen zo. Ik las het laatst weer, in Nederland is er een tekort aan 400.000 woningen. En dat gaat echt over alle segmenten heen. En ik hoorde het ook wel een aantal van u zeggen, kijk dan op welke locatie welke type woningen het beste past.
En als je het dan over de programmering hebt en zegt, we willen hier een gebied hebben wat die kwalitatieve overgang biedt tussen een bebouwde kom naar een polderlandschap met die natuurkwaliteiten, et cetera, dan is het wel kiezen. Dan kan je niet vervolgens zeggen, ik wil die open structuur en die woningen hebben en dan vervolgens ook nog eens een keer allemaal betaalbare programmering hebben. Even los van dat je het inderdaad op een gegeven moment als randvoorwaarde kan stellen, maar het uiteindelijk aan de initiatiefnemer is of ze dan tot een ontwikkeling over kunnen gaan of het ontwikkeld wordt. Maar ik kan wel voorspellen, als je op zo'n plek allebei die dingen tegelijkertijd gaat vragen, dat zal nooit met elkaar te verenigen zijn. En dan zal daar op die plek geen ontwikkeling plaatsvinden. Ik heb een aantal hier in de raad gehoord die dat om andere reden niet willen. Dat zou een manier kunnen zijn, zal ik dan maar zeggen. Maar niet als je met die kwaliteiten die we ontwikkelen, met de randvoorwaarden die hierbij genoemd zijn. En dan kom je vanzelf, dat was een andere vraag, ook rond die aantallen woningen uit in rustig groen wonen, waarbij als je er meer stapelt dat allemaal niet met elkaar te verenigen is. De voorzitter: Dank. Heeft u eerst een vraag opgeroepen. De heer Uysal had een vraag. De heer Uysal: Dank, voorzitter.
Voorzitter, heel veel partijen hebben hier aangegeven dat ze in hun maag zitten over de grondspeculatie. En het gaat GroenLinks om het principe dat als een private partij flink profiteert van een publieke beslissing, als we die bestemming wijzigen dan profiteert de ontwikkelaar daar enorm van, dat we dan ook een publieke tegenprestatie mogen verwachten, in de vorm van sociaal of meer betaalbare woningen. En ik snap niet heel goed uit de reactie van de wethouder wat daar zo bezwaarlijk is om aan de ontwikkelaar te vragen om dat inzichtelijk te maken, omdat te onderbouwen met de cijfers en dat te delen met de raad. De voorzitter: De heer Burggraaf. De heer Burggraaf: Voorzitter, dat heb ik u proberen uit te leggen. Dat als je hier eisen stelt aan een verandering van de bestemming naar bebouwing, en tegelijkertijd er allerlei kwaliteiten op die plek wil hebben, dat je dan automatisch op randvoorwaarden
25
uitkomt die dan zal betekenen dat je gaat vragen om woningen te ontwikkelen, erg weinig woningen in het gebied, waarmee je uiteindelijk nooit een haalbare businesscase kan ontwikkelen. Dan zal er geen ontwikkeling op die plek plaatsvinden. Misschien zou dat een scenario kunnen zijn op het moment dat je het heel dicht bebouwt. Maar dat matcht in totaal niet met de randvoorwaarden die u ook zelf als raad als kaders meegeeft voor een overgang van een bebouwde kom naar een open poldergebied, en het rustig en groen wonen. En ik wil daar ook echt nog eens een keer benadrukken, kijk het even op een wat grotere schaal dan alleen dit plotje. Maar kijk het even binnen de wijk, de buurt waarin zich dit bevindt. En dan zijn er echt nog heel veel andere plekken in de stad waar je wel die betaalbare woningen kan realiseren, omdat het een groter gebied is. We hebben het laatst bij Gezondheidspark onder andere met elkaar besloten, waarin je die programmering wel op 30 procent kan doen. Maar dat is niet zo dat elke locatie zich daarvoor leent. De voorzitter: Een vervolgvraag, de heer Uysal. De heer Uysal: De wethouder geeft een treffend voorbeeld aan, namelijk het Gezondheidspark. En daar hebben wij in eerste instantie als GroenLinks ook niet meteen gezegd, bouw daar 30 procent sociale huurwoningen. Dat doen we hier ook niet. Het enige wat we vragen, is om het inzichtelijk te maken.
Dat hebben we toen bij het Gezondheidspark ook gedaan. Toen kregen we inderdaad een aantal scenario's van wat dat voor financiële gevolgen heeft als je verhoogt in bepaalde segmenten, qua percentage. En dat is het enige wat we nu vragen, om uiteindelijk, als het plan er ligt, dan een juiste afweging te maken. Ik snap eigenlijk nog steeds niet zo heel goed waarom dat niet mogelijk is. De voorzitter: De heer Burggraaf. De heer Burggraaf: Voorzitter, dat heb ik proberen uit te leggen. Dat zou betekenen dat u moet zeggen dat heel veel van deze randvoorwaarden en uitgangspunten die, nogmaals, in uw eigen beleidskaders zijn meegegeven als kwaliteiten die bij zo'n ontwikkeling belangrijk zijn, daar niet mee te verenigen zijn. Dan zult u moeten zeggen, van deze kaders nemen we afscheid. En wat voor ontwikkeling krijg je daar dan vervolgens voor terug? Even los van, nogmaals, het uitgangspunt dat het natuurlijk niet aan ons is. Het is niet onze eigen grond. Wij gaan niet over wat daar uiteindelijk ontwikkeld wordt. Maar dan moet je geheel andere kaders gaan meegeven aan deze ontwikkeling. En die zullen in ieder geval niet verenigbaar zijn met, nogmaals, wat ik net zei, als ik hier dingen hoor over belangrijke natuurwaarde, groene inpassing, een goede overgang tussen het open poldergebied naar een bebouwde kom. Je kunt niet warm en koud tegelijk blazen.
De voorzitter: Een vraag van de heer Oostenrijk. De heer Oostenrijk: Voorzitter, misschien komt de wethouder er nog op, maar ik duid even op het getal vijftien. Oftewel, beoogd wordt vijftien woningen te realiseren in dat gebiedje. Ik heb al eerder aangegeven dat in mijn herinnering het destijds ging over enkele villa's, vijf, zes in die buurt. Hoe matcht deze vijftien, en ook de nevenvraag, wie heeft die vijftien, laten we zeggen, genoemd? Is dat het college zelf of is de
26
projectontwikkelaar daarmee gekomen? Maar hoe matcht die vijftien zich met de zeven randvoorwaarden die u terecht heeft gesteld? En ik heb al gezegd, daar willen we wel nadere duiding op hebben, om dat getal van vijftien niet een eigen leven te laten leiden. Het gaat om, ieder van ons hecht aan de kwaliteit. En daarmee ook moet niet het getal op een gegeven moment als een heilige richtlijn worden beschouwd. De voorzitter: De heer Burggraaf. De heer Burggraaf: Voorzitter, dit is niet een van de keiharde randvoorwaarden of uitgangspunten. Kijk, er is nu ook een participatietraject wat er doorlopen wordt. Uiteindelijk krijgt u een omgevingsplanwijziging dan voorgelegd, waarbij ook dergelijke afwegingen zitten. En die zitten op die punten die daarvoor staan. Ik weet niet zo goed in het verleden. Het zegt mij niks, de aantallen van zes of iets dergelijks. Die kennis heb ik gewoon niet. Ik wil maar zeggen, als je een aantal van die ruimtelijke randvoorwaarden stelt, dan geeft dat een begrenzing op het aantal woningen wat je kan doen. Dit is nu de stand van zaken. Maar nogmaals, er gaat nu een participatieproces ook lopen met de buurt. Er worden nog nadere onderzoeken gedaan. En dat gaat uiteindelijk tot een plan leiden, die ook weer op uw tafel komt. Want het omgevingsplan, bij een wijziging moet u er uiteindelijk over gaan en zal dat nader worden toegelicht en geduid.
Nogmaals, het is vooral de bullets die u leest daar. De bullets, zo moet ik het zeggen, dat zijn de harde randvoorwaarden en uitgangspunten. De voorzitter: Vervolgt u uw betoog, de heer Burggraaf. En als u richting een afronding zou kunnen gaan, dan zou dat mooi zijn. De heer Burggraaf: Voorzitter, ik was in de veronderstelling dat ik hiermee alle vragen beantwoord heb. En als ik dat niet heb gedaan, dan hoor ik dat denk ik nog aan de rebound. De voorzitter: En roept dat nog vervolgvragen op? De heer Uysal. De heer Uysal: Voorzitter, we hadden om een effectanalyse gevraagd, om dat helder in kaart te brengen. De wethouder is daar wel kort op ingegaan, op de bijdrage van de heer Groenewege. Dat was op zich al een beetje afdoende. Maar ik hoor graag ook hoe de wethouder hierop reflecteert. De heer Burggraaf: De natuurlijke ecologische effectrapportage waarde, die bedoelt u? Wat ik daarvan zei is, dat is een gebruikelijk onderzoek wat je moet aanleveren op het moment dat je tot een vergunningaanvraag over kan gaan. En dan vervolgens moet je daarin kunnen aantonen dat je op een goede manier daar op een acceptabele manier invulling aan hebt gegeven. Dat is in deze fase nog te vroeg. Die onderzoeken vinden in een latere fase plaats. Het zal, nogmaals, een gebruikelijk onderdeel zijn van de toetsing, voordat je een vergunning verleent.
De voorzitter: Nog meer brandende vragen aan de wethouder? Omwille van de tijd hebben we niet heel veel tijd meer voor een tweede termijn. Ik ben wel benieuwd of er fracties zijn die hun standpunt mogelijk hebben bijgesteld naar aanleiding van dit debat, of dat er fracties zijn die een motie mogelijk willen gaan indienen? En anders hoor ik het graag wat u met dit stuk zou willen gaan doen.
27
Of dit stuk gewoon naar de raad gaat ter kennisgeving of dat dit een bespreekstuk moet worden? Wie wil daarop reageren? De heer Katif. De heer Katif: Voorzitter, het zou u niet verbazen dat wij het standpunt, zoals wij dit verwoord hebben, dat zal ook zo blijven, mits ik door de fractie teruggeroepen wordt, omdat het standpunt naar aanleiding van wat hier besproken is vooralsnog enigszins te wijzigen of bij te stellen. En wij zijn voornemens om in ieder geval met een motie te komen. Ik stel voor dat het als bespreekpunt kan. De voorzitter: Als er een motie wordt ingediend, dan wordt het stuk per definitie een bespreekstuk. De heer Roggekamp. De heer Roggekamp: Voorzitter, het zal u niks verbazen dat het voor mij gewoon ter informatie naar de raad mag. En komt er dan een motie, dan wordt hij vanzelf besproken. De voorzitter: Zijn er mensen die daar anders naar kijken? De heer Groenewege. De heer Groenewege: De wethouder probeert ons ervan te overtuigen dat er een tegenstelling is tussen open landschappelijk wonen en betaalbaar wonen. Maar daar zijn we nog niet van overtuigd. Daar overwegen we wel een motie over. Dat betekent bespreekstuk. De voorzitter: Duidelijk. Nog meer fracties die hierop willen reageren? Dan gaat het stuk in principe ter kennisname naar de raad. En als er moties worden ingediend, dan wordt het een bespreekstuk. Iedereen ermee akkoord? Ja? Oké.
De heer Katif: Voorzitter. De voorzitter: De heer Katif. De heer Katif: Die motie komt er gewoon. De voorzitter: Dan zal het een bespreekstuk worden. De heer Katif: Voor kennisgeving, dat vind ik altijd heel moeilijk. De voorzitter: Maar dan wordt het een bespreekstuk. Dat lijkt me dan duidelijk. Als er sowieso een motie komt, dan lijkt het mij dat het een bespreekstuk gaat worden. En dan stel ik voor dat we daar twee minuten de tijd voor nemen. Twee minuten? Duidelijk. Ik zie ja geknik. Twee minuten spreektijd. Helemaal goed. Dan wens ik u een hele fijne avond. Zou u uw flesjes en glazen mee naar de pantry willen nemen? En succes met het vervolg.
3. Vaststellen Dordtse Voedselvisie en -agenda 2024-2030 – Raadsvoorstel
28
Voorzitter: Mevrouw Kruger Raadsgriffier: De heer Boogaard Verslag: NotuBiz Aanwezig: Dhr. Van Dam Timmers (CDA) Mevr. Dijkstra (Gewoon Dordt) Dhr. Droog (ChristenUnie/SGP) Mevr. Van Engelen (GroenLinks) Dhr. Groenewege (Partij voor de Dieren) Mevr. De Groot (Beter voor Dordt) Dhr. Hartmeijer (SP) Mevr. De Heer (Forum voor Democratie) Dhr. De Heer (ChristenUnie/SGP) Dhr. Katif (Beter voor Dordt) Dhr. Kolkiliç (DENK) Mevr. Lammens-Oostdijk (VVD) Dhr. Van der Meer (GroenLinks) Dhr. Pauwels (Partij van de Arbeid) Mevr. Schnabel (Partij van de Arbeid) Mevr. Striebeck (VSP) Portefeuillehouder: wethouder H. van der Linden Ambtelijke ondersteuning: dhr. Roubos Overige aanwezigen: dhr. Brand, mevr. Taheij De voorzitter: Goedenavond allemaal, bij de commissie over de Dordtse Voedselvisie en agenda 2024-2030. Welkom raads- en commissieleden, en indien aanwezig, staat er op mijn blaadje, wethouder Van der Linden. Maar die zit er niet. Welkom ook aan de insprekers, mevrouw Taheij en de heer Brand, namens de werkgroep Voedsel van Dichtbij Dordrecht van het Platform Duurzaam Dordrecht. En welkom ook aan de ambtelijke ondersteuning, de heer Roubos. En ten slotte welkom aan de kijkers thuis en op de publieke tribune. Ik vergeet die nogal eens, omdat ik meer gefocust ben op hier de arena. Voor het verslag vraag ik u zich allen even kort voor te stellen. Ik begin hier aan mijn linkerhand.
De heer Boogaard: André Boogaard, commissiegriffier. Mevrouw De Groot: Megan de Groot, Beter voor Dordt. De heer Katif: Jacques Katif, Beter voor Dordt. De heer Groenewege: Pieter Groenewege, Partij voor de Dieren. De heer Hartmeijer: Raymond Hartmeijer, SP. De heer De Heer: Robert de Heer, ChristenUnie/SGP.
29
De heer Droog: André Droog, ChristenUnie/SGP. Mevrouw De Heer: Betsie de Heer, Forum voor Democratie. Mevrouw Schnabel: Marije Schnabel, Partij van de Arbeid. De heer Pauwels: Sam Pauwels, Partij van de Arbeid. Mevrouw Van Engelen: Yara van Engelen, GroenLinks. De heer Van der Meer: Frans-Bauke van der Meer, GroenLinks. Mevrouw Dijkstra: Marjanne Dijkstra, Gewoon Dordt. Mevrouw Striebeck: Bernadette Striebeck, VSP. De heer Kolkiliç: Masum Kolkiliç, DENK. De heer Van Dam Timmers: Jan van Dam Timmers, CDA Dordrecht. Mevrouw Lammens-Oostdijk: Jeannine Lammens, VVD. Mevrouw Taheij: Conny Taheij, Voedsel van Dichtbij Dordrecht. De heer Brand: Marco Brand, Voedsel van Dichtbij. De heer Roubos: Maurice Roubos, ambtelijke ondersteuning. De voorzitter: Dank u wel, allen. En dan zal ik nog even de reden van deze vergadering aan u vertellen. Het college heeft de gemeenteraad voorgesteld om de Dordtse Voedselvisie vast te stellen. En vanavond krijgt u een toelichting op het voorstel van de heer Roubos, beleidsadviseur van de gemeente. En uiteraard kunt u technische nietpolitieke vragen stellen ter verduidelijking. Maar we starten eerst met een inspraakbijdrage namens de werkgroep Voedsel van Dichtbij Dordrecht. Ik heb begrepen dat de heer Brand dit gaat doen. Graag eerst even laten uitspreken. En dan zit ik ook weer even … U kunt dan vragen stellen.
We zitten weer met een grote groep mensen aan tafel. Ik wil in eerste instantie vragen om per fractie één persoon de vragen te laten stellen en één vraag per fractie. Gaat dat snel, dan kunnen we altijd nog iets uitbreiden. Maar we hebben maar anderhalf uur. En er komt ook nog een presentatie na deze inspreker. De heer Brand, gaat uw gang.
De heer Brand: Dank u wel, voorzitter. Geachte raadsleden, fijn dat we even dit mogen inspreken. En we willen heel graag beginnen met dat we heel blij en trots zijn dat er überhaupt deze Voedselvisie is, en tevens de Uitvoeringsagenda, om te worden vastgesteld na onze lobby, die we al de afgelopen jaren met veel energie hebben gedaan. De noodzaak om ons gedrag en het proces vanaf telen van ons eten tot het
30
consumeren aan te passen, wordt hiermee ook door de gemeente Dordrecht onderkend. En dat is een zeer belangrijke stap. Wij voelen het tot in onze diepste vezels. Onze toekomst namelijk, gezondheid en algeheel welzijn, worden hard geraakt als we blijven doen zoals we het nu doen. We putten onze bodem uit, maken zeer veel ongezonde producten, terwijl gezond vers voedsel voor velen van ons onbereikbaar is, met alle gezondheidsissues als gevolg. Dat behoeft geen verdere toelichting, lijkt ons. Naast een dak boven ons hoofd en kleding is voedsel de allerbelangrijkste basisbehoefte van iedereen. We moeten daarmee aan de slag. Het veelomvattende thema voedsel, en dat waaraan wij werken, staat nu ook in Dordrecht op de gemeentelijke agenda. En dat is belangrijk, omdat Voedsel van Dichtbij veel waarde heeft voor de stad en bijdraagt aan maatschappelijke thema's en kerntaken van de gemeente, van gezondheid en welzijn tot biodiversiteit en minder afval. Met veel enthousiasme en het gevoel van urgentie hebben we daarom meegedacht en meegewerkt aan deze eerste Dordtse Voedselvisie. Wij zijn blij met Maurice Roubos, die zich vanuit zijn rol als beleidsmedewerker met zoveel passie en energie heeft ingezet om dit document samen met ons vorm en inhoud te kunnen geven. En we merken dat hij er nu al uitvoering aan geeft. En dat wij ook daar actief bij worden betrokken.
Onze mailbox loopt vol inmiddels. Dat is heel prettig, maar ook veel werk. Dat mag ik wel even erbij zeggen. Maar hiermee toont de gemeente Dordrecht aan dat gehoor wordt gegeven aan de beweging van onderop. Dat vinden we heel belangrijk om te vermelden, want dat mag ook weleens een keer gezegd worden. Ten slotte is dit gestart als een burgerinitiatief. Het thema voedsel is nieuw voor gemeenten. Met de Voedselvisie is Dordrecht een koploper in het land. Onze werkgroep Voedsel van Dichtbij Dordrecht wil bijdragen om deze uitvoeringsagenda tot een groot succes te maken. De visie onderschrijft ook onze belangrijke rol hierin. We hebben al veel zaken in gang weten te zetten. Verbinding tussen boeren, burgers, horecaondernemers en via voedselfietstochten, wandeltochten, voedselcafés, de Week van ons Eten, een onderwijsproject met het ROC Da Vinci, activiteiten voor en met buurtkoks in de wijken, op beleidsniveau met gemeente en provincie en het Nationaal Voedselberaad. En waarom noem ik dat laatste? Het Nationaal Voedselberaad is wellicht nog niet heel erg bekend. Dat is onlangs opgericht. En dat verbindt eigenlijk alle voedselgerelateerde initiatieven in het land. En wat ik daar heel graag aan wil toevoegen en bijzonder trots op ben, is dat mijn maatje Conny Taheij daar een van de medeoprichters van is. En dat is ook weer vanuit Dordrecht geïnitieerd.
En dat wil ik graag toch eventjes apart noemen. Als we het over koplopers hebben, dan staan we echt wel vooraan. Deze Dordtse Voedselvisie, die zo wordt gepresenteerd, kan ons als maatschappelijke partner helpen en ons verder brengen. En zoals gezegd, andersom steunen wij de gemeente bij de uitvoering, daar waar mogelijk en gewenst. We weten ook dat voedsel vele beleidsterreinen raakt. Het is daarom zeer belangrijk dat de uitvoering in de gemeentelijke organisatie en het beleid wordt geborgd. Dat wordt door onze wethouder Rik van der Linden, portefeuillehouder in deze, onderschreven in de visie. Maar om de mooie ambities uit de visie waar te maken in 2030, en nu komt het, is er voor de uitvoeringsagenda wel financiële onderbouwing nodig. En die ontbreekt nu. En daarom, en dat is onze vraag aan de raad, een verzoek aan de raad, om aan het college van B&W te vragen hiervoor budget beschikbaar te stellen. Samen werken we aan een gezonde en duurzame voedselomgeving op het eiland van Dordrecht. En hier wil ik graag mee afsluiten.
31
De voorzitter: Dit was uw spreekbeurt. Dank u wel. Wie mag ik als eerste het woord geven om te vragen? De heer Hartmeijer. De heer Hartmeijer: Dank, voorzitter. De heer Brand noemt een aantal partijen waarmee samengewerkt wordt. Nu denk ik dat de overgrote meerderheid wel voedsel bij een van onze supermarktketens inslaat. Wat zijn daar de mogelijkheden in? Of zijn dat gesloten bolwerken? Wat is er vanuit het lokale mogelijk bij de supermarktketens? Een beetje open algemene vraag. De heer Brand: Ik kom zelf uit de supermarkt. Ik heb daar jaren gewerkt en ook gezien hoe zich dat heeft ontwikkeld. En uiteindelijk ook besloten dat dat wat daar gebeurt zo niet verder kan. De supermarkten zijn een van de pijlers die het systeem in stand houden, zoals het nu gaat. En dat betekent dat we van verduurzaming in de landbouw of op een andere manier naar voedsel kijken geen sprake is, omdat andere producten, de ongezondere producten in het verdienmodel beter passen. Er zijn supermarkten, die proberen daar iets in te doen. Dat zijn voornamelijk de franchisebedrijven die dat kunnen. Dat zijn de zelfstandige ondernemers die onder die winkelketenformule vallen. De winkelketens zelf doen eigenlijk zo’n beetje … Als de maatschappelijke ontwikkeling daarnaar vraagt, doen ze iets om daarin tegemoet te komen, wetende dat het altijd moet uitkomen op een positief bedrag onderaan de streep.
Dat is het belangrijkste voor de supermarkten. Degenen die het wel doen, die moeten we op handen dragen. Maar dat zijn echt enkelen. En het is heel moeilijk om in het systeem van de supermarkten bijvoorbeeld verse groentes of dat soort producten te verkopen, omdat het systeem dat niet toelaat. Daar zit een hele handelsketen tussen, maar ook het bijhouden van voorraden. Het is echt een verknoopt systeem. En dat maakt eigenlijk het zo ingewikkeld om het groot door te zetten. En ook op die manier te proberen de voedselaanpassing daar in dat systeem iets mee te doen. Er moet iets naast komen. De voorzitter: Dank u wel. De heer Van der Meer. De heer Van der Meer: Dank u wel, voorzitter. Ik heb een vraag aan de heer Brand. Hij heeft eigenlijk twee dingen genoemd in zijn betoog, twee belangen. Eén is lokale voedselproductie voor lokaal gebruik. En de ander is gezond eten. En ik wil graag het verband tussen die twee weten. Met andere woorden, hoe gezond is het eten wat op het eiland van Dordt wordt geproduceerd? De voorzitter: De heer Brand of mevrouw Taheij, wie durft het aan?
De heer Brand: Het is niet onverwacht, deze vraag. Natuurlijk, we hebben een fors probleem op het eiland. Onderzoek heeft blijkbaar ook uitgewezen dat met het telen, zoals we dat doen aan de andere kant van de dijk, want daar zit voornamelijk het boerenland, dat daar het probleem nauwelijks speelt of niet speelt. Het gaat voornamelijk om wat meer in de kant van het water zit en de fabrieken, en vooral ook uit de moestuinen. De gecontroleerde teelt heeft daar nauwelijks last van, voor zover begrepen. Ik heb daar niet echt harde bewijzen voor zelf. Maar lokaal voedsel en gezondheid, dat is de vraag. We hebben het natuurlijk over een voetafdruk, die we doen in CO2. Daarover hebben we het alleen al. Wij hebben hier op het eiland, misschien weet
32
iemand dat, ook een bloemkoolteler. En wij hebben daar met verbazing naar gekeken. Die man verbouwt 400.000 bloemkolen per jaar en niet 1 wordt er in Dordrecht gegeten. Die gaan allemaal naar Duitsland. Het systeem waar we het net over hebben, maakt dat dat zo werkt. En als wij in onze supermarkt in Dordrecht kijken op de bordjes, waar komt het vandaan, dan is het Spanje of Bretagne of dat soort gebieden. Daar zit iets zo scheefs in, dat als we het over gezondheid hebben, dan begint het daar al mee. En daarnaast is het ook nog zo dat het gezonde voedsel door mensen met bijvoorbeeld weinig budget moeilijk bereikbaar is. En verwerkt voedsel of bewerkt voedsel is veel eenvoudiger. Je kan zo een zak patat kopen en daar de hele week je kinderen van voeden, maar dat is net zo duur als 1 bloemkool in onze supermarkten. Daar zit iets scheefs. Lokaal voedsel kan daarbij helpen. We hebben ook boeren hier op het eiland, die rekenen andere prijzen als in supermarkten. Alleen dat weet niemand. Je gaat niet naar die boeren toe. En het is ook, je moet er wel moeite voor doen, dat is ook nog een dingetje. Daar moeten we ook oplossingen voor bedenken. En die zijn er, maar daar moeten we het nog eens een keer over hebben. De voorzitter: Dank u wel. De heer Groenewege. De heer Groenewege: De heer Brand is heel positief over de Voedselvisie. Dat is mooi.
Tegelijkertijd zie ik dat in de Startnotitie een doelstelling stond, in Dordrecht stimuleren we de productie en verkoop van lokale natuurinclusieve voeding. En die komt in de Voedselvisie uiteindelijk helemaal niet meer terug. Wat vindt u daarvan? De heer Brand: Ik vind het niet fijn. Dat is eerlijk waar. Maar we moeten ook erkennen dat het is zo breed, we moeten ons ergens op richten. We hebben in overleg met de beleidsambtenaar ook gezorgd dat we een selectie maken uit de punten waar we een visie mee konden neerzetten, wat gemeentebreed gedragen kan worden en waar we alle partijen ook voor kunnen aanzetten, die het juist met elkaar moeten doen. En deze is dan daardoor uitgevallen. De voorzitter: Kleine aanvullende vraag. De heer Groenewege: Een korte vervolgvraag. Begrijp ik dan goed dat besloten is tot het schrappen van die doelstelling, in overleg tussen de organisaties en de gemeente? De heer Brand: Wij hebben gezamenlijk aan de basis gestaan van deze Voedselvisie. Het antwoord is ja. De voorzitter: Mevrouw Lammens. Mevrouw Lammens-Oostdijk: Ik zie hier ook staan, wat lokaal voedsel doet voor een gezonde en leefbare gemeente. Mijn vraag is, lokaal is in Dordrecht toch een probleem, kunnen we het lokaal niet groter maken? Want als je zegt, alleen lokaal eten is … Je moet afwisselend eten. Maar als er PFAS in zit. Af en toe eten is niet erg, maar niet iedere dag.
Of hoe kunnen we lokaal gewoon groter maken? Wordt het niet gewoon heel Nederland lokaal of Europa? Je kan niet alleen maar van het eiland van Dordt eten. Dat gaat helaas niet.
33
De heer Brand: Dat is een juiste constatering. En wij hebben onze werkgroep Voedsel van Dichtbij Dordrecht genoemd, omdat wij hier in Dordrecht de mensen met dit thema willen aanjagen. En lokaal voedsel betekent niet alleen maar van het eiland van Dordt, maar zo hebben we het wel genoemd. Want je kan ook niet een volledig menu vanaf het eiland van Dordt halen. Want we hebben wel veel akkerbouw. We hebben één of twee zuivelboeren, als ik het goed heb, die ook niet in de stad mogen afzetten, want die moeten dat weer aanbieden aan de fabriek. Of je moet het gaan halen, dan mag het wel. Het is een beetje een kromme situatie, maar zo werkt het wel. En we hebben geen of nauwelijks vlees en dat soort producten. We hebben geen totaal menu op het Dordtse eiland, maar Hoeksche Waard, Alblasserwaard, gezamenlijk wel. Die kunnen het wel samen oplossen. Dat is ook lokaal. Als je het over landelijke politiek hebt, die praten over Noordwest-Europa als lokaal. Dat is eigenlijk het antwoord op de vraag. Mevrouw Taheij: Mag ik iets toevoegen? De voorzitter: U wilt nog een kleine toevoeging geven? Mevrouw Taheij: Heel kort. Omdat voedsel zo’n groot thema is, we noemen het vaak als lokaal voedsel, en dan gaat het niet alleen om het verbouwen ervan, maar ook alles wat voedsel doet en wat ook in de Voedselvisie naar voren komt. Voedsel verbindt, zeggen we altijd heel mooi.
Het brengt mensen bij elkaar. Daarom noemen we het ook lokaal voedsel. En wat dat doet voor een gezonde en leefbare gemeente, los van de productie. Mevrouw Lammens-Oostdijk: Ik denk dat in Dordrecht het woord lokaal gewoon niet fijn is. Dat je gewoon een ander woord eigenlijk zou moeten gebruiken. Een groter woord. Want lokaal, dan denk je echt, het komt van het eiland van Dordrecht. En dat willen de mensen gewoon niet. De voorzitter: Mevrouw Taheij. Mevrouw Taheij: Wij weten dat mensen zich zorgen maken. Daarover gaan we ook altijd in gesprek. De productie van de boeren, daar is eigenlijk weinig discussie over. Die gaat ook allemaal van het eiland af. En wij krijgen ook weer voedsel uit het hele land, en heel Europa en heel de wereld. Wij weten ook niet wat daarin zit, in al die producten. We hebben eigenlijk geen idee meer. Maar als het gaat ook over lokaal voedsel en het verbouwen in de wijken, kan je dat ook doen los van PFAS, bijvoorbeeld met moestuinbakken en gezonde aarde of goede aarde. Er zijn allerlei mogelijkheden. En eigenlijk zouden we helemaal opnieuw moeten beginnen, als we echt volledig duurzaam gezond willen eten, zonder nare stoffen. Stoppen met pesticiden is ook zoiets moois. Er is nog heel veel te doen. Daarom zijn we zo blij dat dit thema op de agenda staat. De voorzitter: De heer Van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Dank u, voorzitter.
Dank ook voor de insprekers. Ik had een vraag die een beetje aansluit bij de vraag van mevrouw Lammens. Want de definitie van lokaal doet er wel toe, omdat er in de actiepunten heel veel actiepunten staan die gaan over lokaal. Ik las er minstens acht. Dat doet er wel toe hoe dat dan geïnterpreteerd
34
wordt, want het hangt wel af van wat je dan uiteindelijk aan aanbestedingen doet en hoe we deze visie aannemen. Dan moet er toch ergens in de visie ook een duiding staan van wat we dan met elkaar, denk ik, bedoelen met lokaal. En dat is mij nu niet meer zo duidelijk. Graag een toelichting daarop van, wat vindt de visie uiteindelijk in jullie ogen? En ook met hoe dit er nu staat, is dit in jullie ogen, want jullie zijn inspreker, een realistische visie ten opzichte van dat het ook uitgevoerd kan worden? Mevrouw Taheij: Volgens mij hebben wij nu niet die punten zo concreet voor ogen om daar inhoudelijk op in te gaan. Maar weet dat lokaal, nogmaals, voor een bordje eten heb je ook de producten uit de Hoeksche Waard en de Alblasserwaard nodig, of zelfs uit Brabant. Maar het bekt gewoon lekker, lokaal voedsel. Een beetje marketing. Mevrouw Lammens-Oostdijk: Helaas niet in Dordt. Was het maar waar dat dat wel zo was. De voorzitter: Mevrouw Lammens. De heer Van Dam Timmers: Dat bekt natuurlijk wel lekker, maar het gaat er uiteindelijk om. We stellen beleid vast en een visie. En dan ben ik benieuwd, wat is de uitvoering daarvan, voordat in ieder geval onze fractie het er soms mee eens is? Vandaar deze vraag. Maar dat is misschien een vraag om zo meteen nog even te bespreken. De voorzitter: Ik wilde net zeggen, die komt misschien nog bij de presentatie van de heer Roubos aan de orde.
Is er iemand die nog een vraag aan de heer Brand of mevrouw Taheij wil stellen? Dan wil ik u beiden bedanken voor het inspreken en beantwoorden van de vragen. En u mag hier blijven zitten, maar dan mag u niks meer zeggen. U kunt ook op de tribune gaan zitten en niks meer zeggen, maar is misschien iets comfortabeler. Wat u wil. Blijf lekker zitten. Dan wil ik nu het woord geven aan de heer Roubos. Die gaat met een presentatie komen. En aan de hand van de presentatie kunt u ook weer volop vragen stellen. De heer Roubos: Super. De presentatie komt op het scherm ook? Er komt een mannetje voor. De voorzitter: Een mannetje. De heer Roubos: Een mannetje. De voorzitter: Daar komt onze Clark, denk ik, voor. De heer Beemer, mannetje. De heer Hartmeijer. De heer Hartmeijer: Even gewoon procedure, vragen tussendoor of aan het eind of per blokje? Is het per blokje? De heer Roubos: Toevallig wilde ik daar zelf al met de introductie op ingaan, maar zelf geef ik de voorkeur liever aan vragen op het einde. Of er moet echt iets heel dringends zijn dat je denkt, wat ik nu hoor daar moet ik wat van vinden of moet ik wat over vragen, dan helemaal prima. Het mannetje is geweest. We kunnen aan de slag. Goedenavond allemaal, fijn dat we hier vanavond eigenlijk met elkaar zitten en het over een thema
35
hebben waar ik, denk ik, nu een goede anderhalf jaar mee bezig ben. Ik hoop dat u ook tijdens de vrije dagen, die u heeft gehad, de gelegenheid heeft gehad om het stuk door te kunnen nemen. Dat zou toch wel heel erg fijn zijn. Vanuit de griffie is mij gevraagd ook om een korte toelichting te geven op de visie. En ook daarbij op het raadsvoorstel. Omdat de inhoud eigenlijk wel redelijk goed beschreven staat, vind ik zelf, in het stuk, heb ik ervoor gekozen om wat meer een samenvatting te geven van het traject en een beetje de, ik noem het maar even, de visie achter de visie, of de stappen die eigenlijk daarin doorlopen zijn. Maar ik denk dat het goed is dat ik me eerst even kort voorstel. Ik ben Maurice Roubos, sinds eind 2023 beleidsadviseur milieu bij de gemeente Dordrecht. En eigenlijk doordat ik hier net kwam te werken, is de Voedselvisie bij mij terechtgekomen. Vandaar. En dat heb ik met heel veel plezier gedaan. En dat doe ik eigenlijk nog steeds. Ik had al even aangegeven, de presentatie heb ik een beetje compact gehouden. En het liefst ook vragen na afloop, mits dat er echt dringende dingen zijn. Waar komen we vandaan? Het is al volgens mij heel even genoemd, zowel het politiek akkoord als de Startnotitie.
Eigenlijk toen ik hier kwam te werken, was ook voor mij de grote vraag, wat houdt het in, zo'n Voedselvisie? Wat is daar nu al over beschreven? Het politiek akkoord waarin stond, we stellen een Voedselvisie op waar in ieder geval duurzaamheid, lokale en regionale productie en distributie, ondernemerschap, gezondheid en het tegengaan van verspilling een plaats krijgen. En uiteraard de Startnotitie, die is nog door mijn voorganger opgesteld, met daarin vijf deeldoelstellingen, volgens mij ook concept doelstellingen toentertijd. Die zijn aan uw raad voorgelegd. En die heeft u volgens mij medio september, oktober, september ook vastgesteld. En eigenlijk deze basis was voor mij het beginpunt om echt aan de slag te gaan met deze Voedselvisie. En dan eigenlijk denk ik wel een beetje de hamvraag, wat is eigenlijk zo’n Voedselvisie? En eigenlijk kwam ik er al vrij snel achter. En gelukkig waren er, ondanks dat er net werd gezegd, dat we pioniers zijn, op dat vlak misschien nog niet helemaal, want er zijn echt wel al een aantal gemeenten die, zij het in een andere vorm, sommigen noemen het een voedselstrategie, andere een visie, een agenda of wat dan ook. Maar uiteindelijk komt het wel op hetzelfde neer, gemeentes die bezig zijn met het thema voedsel. Onder andere gemeente Wageningen, Groningen, Ede en ook Almere.
En voor mij kwam werd het altijd gepresenteerd als, het is een strategisch plan met richtlijnen en doelen over voedselproductie en consumptie. En inderdaad een visie op het onderwerp voedsel vanuit een brede context. Denkend aan bijvoorbeeld, je kan het vanuit gezondheid bekijken, je kan het vanuit economisch perspectief bekijken, ruimtelijk kan je er ook nog naar kijken. En dat werd ook wel heel erg snel duidelijk in de gesprekken die ik heb gevoerd met de gemeente Wageningen en gemeente Almere. Die eigenlijk ook zeiden, probeer zeker ook te kijken naar de capaciteit die je hebt. Ik ben zelf de enige voedselambtenaar van de gemeente Dordrecht. Waarin ook echt met letterlijke woorden werd gezegd, maak het behapbaar, ga niet te groot beginnen en probeer een beetje feeling te krijgen met een thema als voedsel. En dat werd al even in het begin aangekaart, dat betekent ook keuzes maken, omdat je dan eigenlijk daarmee een beetje ook de concreetheid weet te behouden in het stuk uiteindelijk. Eigenlijk met die volgende stap zijn we de verkenning ingegaan. Ik had het al even genoemd, de Startnotitie, met de vijf conceptdoelen.
Dat is altijd wel lastig wanneer je iets overgedragen krijgt, dat je dan toch nog even kritisch kijkt naar bepaalde doelstellingen dat ik denk, ik wil niet zeggen dat we ze niet zouden willen nastreven, maar zijn ze altijd even realistisch vanuit de rol, als we kijken vanuit gemeenten? We zijn
36
toch een kleine spin in een groot web, die grotendeels landelijke zeker, hoe heet het, de distributie en verkoop van voedsel, dat dat gewoon iets is waar wij als gemeente niet direct veel invloed op kunnen hebben. En daarnaast ook natuurlijk de situatie waarin er geen apart budget is vrijgemaakt voor de Voedselvisie, waarin we eigenlijk niet meer in de modus gingen staan van, wat kunnen we dan wel? Waar kunnen we eventueel wel nog wat aan bijdragen? Ook hierin het laaghangend fruit. Kijken, waar liggen kansen? En dat was eigenlijk voor mij ook even de twee sporen die ik daarin gestart was om te kijken, wat vinden wij als gemeente belangrijk, wat doen wij als gemeente ook al en wat kunnen we ook doen? Dan was het ook vaak kijken naar lopende projecten, bestaand beleid al, waarin thema's als voedsel wel genoemd worden, maar niet een duidelijke link of verbinding met elkaar hadden. En ook inderdaad de gesprekken met de verschillende initiatieven en organisaties hier uit de stad, werd al even genoemd. Voor mij was het ook, dit is iets wat vanuit de stad is gekomen. Om hier invulling en vorm aan te geven, moeten we het ook in de stad weer ophalen om daadwerkelijk tot een brede Voedselvisie te komen, die door de initiatieven wordt gesteund.
En daarin was vooral de centrale vraag altijd, waar is er behoefte aan, wat is er al en wat ontbreekt er? Uiteindelijk zijn we aan de slag gegaan met de concept doelstellingen uit de Startnotitie. En daarom hebben we eigenlijk geprobeerd een soort samenvoeging te creëren tussen al die verschillende concept doelstellingen, en die samen te brengen in deze drie hoofddoelen, die uiteindelijk ook in de Voedselvisie terug zijn gekomen. Daarin inderdaad hebben we soms wat keuzes moeten maken of wat kritischer moeten kijken, ook op basis van wat we in de organisatie hebben opgehaald en in de stad van, waar kunnen we op aanhaken, waar moeten we nu echt onze focus op gaan leggen? En dat heeft geresulteerd uiteindelijk in deze drie hoofddoelen. Ik denk toch dat dit een verkeerde presentatie nog is, als ik zo kijk. Dit is nog een oudere versie, volgens mij. Ik wilde zeggen, ik zit even te kijken. De voorzitter: Ik vind dat u dit heel kalm zo aangeeft.
De heer Roubos: Even kijken hoor. Deze klopt wel. Hij klopt wel. Sorry, dan is het bij mij inderdaad. Wat ik zelf ook altijd heb, weer terugkomend op het stukje vanuit de terugkoppeling die ik heb gekregen van gemeente Wageningen en Almere, waarom 2030? Waarom gaan we nu maar vijf jaar, of toen eigenlijk ... Er staat ook 2024. Maar goed, ik ben er vanaf dat moment al mee aan de slag gegaan. Dan kunnen we altijd nog discussiëren, is het ’24, ’25? Maar goed, we hebben nu even gezegd, tot aan 2030 om ook een klein beetje voor ons een aanloop te maken op dit thema, iets wat gewoon voor ons ontzettend nieuw is, waarin we ook de concreetheid weten te behouden van de doelen die in de agenda staan. En inderdaad daarin ook wat minder rekening hoeven te houden met de onzekerheden over de lange termijn. Ik heb hier een paar voorbeelden bijvoorbeeld ook genoemd. Toen ik hier net begon te werken, hadden we nog een ander kabinet zitten waar een staatssecretaris, ik meen de heer Van Ooijen, toentertijd nog het idee had om een fastfoodwet en alles in te voeren. En nu, nog geen anderhalf jaar later, is dat idee denk ik nog heel ver. Dat zijn zaken waarvan je denkt, soms is het goed inderdaad om een verre blik vooruit te hebben, maar in dit geval, zeker omdat je met zo'n nieuw thema bezig gaat, hebben wij daarin de keuze gemaakt, hou het kort.
En dan kunnen we altijd in 2030 kijken, welke lessen hebben we hieruit geleerd, waar gaan we
37
op verder en willen we eventueel zelfs nog hier wat meer op gaan doen? Een aantal voorbeelden ook. Het werd al even genoemd door de insprekers ook van, ik ben al, we zijn, of we, ik ... Het is een beetje lastig als je de enige bent die eraan werkt. Maar wij als gemeente in elk geval zijn wel al aan de gang gegaan. De voorzitter: In samenwerking met … De heer Roubos: In samenwerking met ook inderdaad. De voorzitter: Precies. De heer Roubos: Met een aantal verschillende acties ook. En ik heb er hier een paar opgesomd waarvan ik denk, dat zijn dan even wat concrete dingen die ikzelf ook gewoon mooi vind. Zoals gesprekken met de provincie, die nu zelf met hun eigen Voedselvisie aan de gang gaan. Afgelopen week heb ik nog gekeken naar vernieuwing van het onderwijsaanbod van Weizigt over de smaaklessen, ook in samenspraak met de GGD. Dordtse agrariërs is ook samengebracht, of proberen we nu samen te brengen met het project, Op bezoek bij de boer. Ook gedaan door Weizigt. Dat was bij om een goed voorbeeld te geven van, men weet vaak niet eens wat anderen doen. Het project Op bezoek bij de boer werd altijd georganiseerd bij boeren in de Hoeksche Waard, vanuit Weizigt. En in mijn gesprekken met de Dordtse agrariërs, met LTO, onder andere, werd juist gezegd, wij zouden heel graag scholen hier willen ontvangen. Wij willen heel graag laten zien wat wij hier op dit eiland produceren.
En de desbetreffende projectleider wist helemaal niet dat die behoefte er was. En dat is dan iets waarvan ik denk, dat moet je samen zien te brengen. Dat is hopelijk de meerwaarde die ik hierin ook probeer te brengen. Hetzelfde is ook voor het Nationaal Programma Dordt West en de landelijke tak van JOGG. Daar zijn we nu aan het kijken, ook in het kader van de Kinderraad, die ook kijkt naar gezond voedsel om te kijken, kunnen we daar misschien ook in lijn nog een leuk project mee starten, zij het in de vorm van … Die staat volgens mij ook al als een van de acties om te komen tot een voedselomgevingsscore. En hoe gaan we daar eventueel invulling aan geven? En daarnaast ook als laatste voedselverspilling en de horeca hier zo, in samenwerking met het programma of het team van klimaatneutraal 2040. Eigenlijk de algehele conclusie die ik hier zelf uittrok, en ook die ik in de verkenning heel erg heb gemerkt, is dat er veel versnipperde initiatieven zijn in de stad, maar veel behoefte ook is aan een centraal aanspreekpunt, een aanjager en een verbinder. En ik hoop zelf dat de gemeente, mij als persoon, daar zo goed mogelijk invulling aan probeert te geven. Ook gelijk een korte vooruitblik, mits u zegt, we gaan inderdaad deze Voedselvisie en -agenda vaststellen.
Ik heb hier ook weleens in het gesprek met de insprekers het over gehad van, dan hebben we nu uiteindelijk die lijst met al die acties, en blijft het daar dan bij? Zelf ben ik van mening van nee. We moeten eigenlijk altijd openblijven voor opdoemende initiatieven of mensen die zeggen, ik noem wat, laatst ook met de Stadslandbouwkas, daar heb ik zelf ook vanaf de zijlijn nadrukkelijk bij gekeken van, kan er iets vanuit ruimtelijk perspectief, maar ook in het kader van voedsel, toch wat meer meegedacht worden met dit soort initiatieven? Dan ben ik ook iemand die echt bereid is om daar een stapje extra voor te zetten. En ook scherp zijn op nieuwe kansen. Ik noemde het al even, we merken ook toch dat er nu zowel vanuit de provincie als landelijk echt wel een omschakeling plaatsvindt. In april heeft er dit jaar nog een provinciaal voedselfeest plaatsgevonden, ook als startschot van
38
de provinciale Voedselvisie. Daarin zien we echt wel een paar leuke en interessante kansen ook opdoen. En ook het netwerk wat ik nu vanuit de provincie probeer op te bouwen, die mij ook proberen te ondersteunen in de acties die we hier eventueel gaan doen. Dan merk je toch dat je gelukkig als gemeente er niet alleen maar voor hoeft te staan. En ook vorige week nog, op 24 april heeft er in de commissie Leefstijlpreventie van VWS een heel interessant debat plaatsgevonden, voor de mensen die geïnteresseerd zijn, zou ik het ook zeker nog terugkijken, over het reguleren van de voedselomgeving op basis van gezondheid, van bureau Berenschot. En daarin heeft de staatssecretaris als reactie al aangegeven, om eventueel later in het jaar van 2026 met een wetsvoorstel te komen om te kijken, kunnen wij gemeentes meer instrumenten geven om eventuele ongezonde voedselaanbieders te weren? En dat is denk ik zo'n stukje van, het liefst hadden we dat misschien al zelf willen doen, maar dat instrumentarium hebben wij nu niet tot onze beschikking. En dan ben je afhankelijk van wat er landelijk gebeurt. En dat is even de korte presentatie. Zijn er nog vragen? De voorzitter: Dank u wel. De heer Hartmeijer. De heer Hartmeijer: Dank, voorzitter. Het commissiedebat in Den Haag zal ik inderdaad terugkijken. Dat klinkt heel interessant. Maar ik heb een aantal vragen.
Zal ik er gewoon twee doen? De voorzitter: Graag. De heer Hartmeijer: Want ik heb er uiteindelijk vijf. Dat is wat veel. De voorzitter: Begin maar met twee. En misschien weet verder niemand een vraag en kunt u de andere drie ook nog stellen. De heer Hartmeijer: Mijn vraag is eigenlijk, op een gegeven moment staat er bij hoofddoel 1 in de visie, we willen ondernemers stimuleren gezondere alternatieven aan te bieden. En dan wordt er als voorbeeld genoemd, een gezonder kindermenu. Maar hoe stimuleer je een horecaonderneming om te kiezen voor een gezonde menukaart, als die daar geen zin in heeft? De heer Roubos: Bijvoorbeeld, het stimuleren van een gezonder kindermenu, dat is echt iets wat vanuit JOGG komt, Jongeren op Gezond Gewicht, die dat meer onder de aandacht proberen te brengen. Daarin ben je ook een beetje afhankelijk van, hoe ga je daar samen als gemeente en als organisatie invulling aan geven? Dit is iets wat JOGG al zelf doet. Maar hoe kan je bijvoorbeeld, ook in het kader met de ondernemersvereniging, waar horecaondernemers ook bij zitten, kan je die misschien daar extra op stimuleren, informeren van wat er mogelijk is. En dat is misschien heel vervelend, maar dan komen we ook weer een stukje op het budget stukje. Je kan vooral informeren en stimuleren, maar echt projecten of dat soort dingen, dat is altijd wat lastiger.
En uw tweede vraag? De heer Hartmeijer: Dank, voorzitter. Op een gegeven moment wordt er ook gesteld, we gaan een verkenning doen naar het voedselaanbod in bepaalde wijken, om zodoende een overzicht te krijgen. Maar wat is daar dan de bedoeling mee? Als je die verkenning hebt gedaan, wat is dan je volgende doel eigenlijk?
39
De heer Roubos: Dat slaat denk ik ook wel op dat stukje wat ik al noemde, over het reguleren ook van zo’n voedselomgeving, of het weren bijvoorbeeld van ongezonde aanbieders. Eerst moet je denk ik ook een beeld krijgen van, hoe zit een bepaalde wijk in elkaar? En ik denk dat bijvoorbeeld zoiets als dat Nationaal Programma Dordt West kan daar echt een mooie kans in zijn. Dat je echt gaat kijken van, we zien hier in bepaalde wijken sociaal maatschappelijke problemen, zij het ook op gezondheid. Kunnen we dat ergens aan herleiden? Is dat bijvoorbeeld op basis van een voedselaanbod in een wijk die een beetje scheef is? Dan kan dat misschien nog wel interessant zijn om daar ooit eens vervolgstappen op te gaan nemen. De voorzitter: Wie wil er een vervolgvraag. Mevrouw Van Engelen. Mevrouw Van Engelen: Was u het vergeten, voorzitter? Voorzitter, mevrouw Kruger. Ik had ook een vraagje betreft de horeca. Ik hoor ook in uw antwoord, zonder budget kunnen we niet zoveel, behalve informeren. Maar ik vroeg me af, hoe wordt het ontvangen door de horeca? Bijvoorbeeld, de doelstelling om voedselverspilling tegen te gaan, gezonder eten stimuleren. Staan zij daarvoor open of vinden ze het vooral bemoeienis vanuit de overheid? De heer Roubos: Het was denk ik heel moeilijk om alle horecaondernemers hier zo in de stad te spreken.
Ik heb wel geprobeerd in elk geval vanuit het netwerk, wat door het platform ook werd aangedragen, om die horecaondernemers aan te schrijven en daar het gesprek mee over aan te gaan. En te vragen wat hun blik daarop is. En ook hier intern gekeken met collega's van afvalverwerking, wat wordt er eigenlijk al gedaan? Is dit iets wat we ook zien inderdaad in de afvalcijfers? Het is gewoon een feit denk ik, wat ik al zeg, zonder budget is daarin gewoon minder mogelijk. Maar ze zijn daar zeker wel toe bereid. Alleen ze lopen daar vaak ook tegen hele praktische zaken aan. Volgens mij, even uit mijn hoofd gezegd, werd er bijvoorbeeld is gezegd van, we krijgen een grote vuilcontainer en daar moet alles in. Als het gaat om scheiden en dat soort dingen, daar is dan weinig flexibiliteit in. Dat probeer ik ook bij een collega. Daar zitten ook allerlei wetten en regelgeving aan, die daar ook beperkingen aan opleggen, wat overigens mijn expertise nu even te buiten gaat. Details kan ik daar even verder niet op ingaan.
Maar daar probeer je wel te kijken van, wat zijn dan wel de mogelijkheden? En om even een voorbeeld te noemen, in een van de voorbeelden die ik ook had opgesomd in de lopende acties en projecten, daar zijn we nu, ook kijkend met de collega's van klimaatneutraal, die wel budget hebben om te kijken, kunnen we elkaars doelen daarin niet aanvullen? Jullie richten je op klimaatneutraal. Ik wil graag iets rondom voedsel en voedselverspilling. En kunnen we dan toch nog iets van een project met de horecaondernemers gaan starten. De voorzitter: Mevrouw Lammens. Mevrouw Lammens-Oostdijk: Dank u wel, voorzitter. Ik heb hier al een paar keer het woord budget horen noemen. En ik zit hier zo door te spitten, maar ik kom uit op 0,1 fte, bij ambtelijke inzet, voor 8.000 euro. Is dat het enige budget wat jullie nodig hebben of wat vragen jullie eigenlijk aan ons voor budget?
40
De heer Roubos: Laat ik het zo zeggen, ik vraag denk ik niks. Ik denk alleen dat dat een belangrijk punt is om te laten zien van dat de acties die nu in de actieagenda zitten budgetneutraal zijn of aanhaken op lopende projecten. En het liefst zou je wat meer willen doen op bepaalde thema's, maar dat je daar soms ook beperkingen op hebt. Mevrouw Lammens-Oostdijk: Dan is het wel handig als we weten over hoeveel geld we het hebben. Want jullie zeggen, we hebben te weinig geld, maar hoeveel geld hebben jullie nodig? Is dat een ton? Is dat 50.000 euro? Is dat 10.000 euro? De heer Roubos: Ik denk dat het even de vraag is, aan wie stelt u de vraag? Mevrouw Lammens-Oostdijk: Ik hoor u heel de tijd over budget. Ik zou gewoon willen weten wat het budget is wat u nodig heeft. De heer Roubos: Het budget, ik denk twee belangrijke punten. Er is denk ik geen budget. En de visie die nu voor u ligt, die kan gerealiseerd worden met het budget wat er nu is. En dat is welgeteld 0 euro. En daar zit alleen ambtelijke inzet, oftewel uren van mij in. De voorzitter: De heer Groenewege. De heer Groenewege: Even kijken. Ik had twee vragen, als ik die mag doen? De ene gaat ook over definities. We hadden het al over de definitie van lokaal, maar er wordt in de visie best wel veel ingezet op gezonder en duurzamer eten.
Maar wat mij opvalt, is dat gezond en duurzaam eigenlijk niet gedefinieerd wordt, waardoor het vrij diffuus blijft van, op welke aspecten van gezond eten ga je dan in? Ga je dan in op minder vet eten, meer groente eten, meer water drinken? Je kan allerlei dingen bedenken. Waarom is er niet voor gekozen om dat wat meer te concretiseren? Dat is vraag één. De heer Roubos: Dat stukje gezondheid, moet ik ook eerlijk zijn, daar lopen we zelf vaak ook tegenaan, omdat ook, noem maar een voorbeeld, is een gezond eetpatroon bijvoorbeeld volgen conform de schijf van vijf van het Voedingscentrum? Daar zijn natuurlijk ook nog niet zo heel lang geleden volgens mij wat wetenschappelijke kritische punten bij gezet, bijvoorbeeld ook omdat daar vlees en volgens mij zuivelconsumptie bij zit. Terwijl er toch wel vaak ook geluiden zijn die zeggen, dat zou eigenlijk geen onderdeel meer moeten zijn van ons dagelijks voedselpatroon. Er is ook daar een discussie. En dan misschien ook aanhakend over definities over lokaal, regionaal. Het is denk ik net aan wie je de vraag stelt wat je als gezond of ook regionaal of lokaal voedsel definieert. Dat is dan denk ik wel een leuke ook rondom de boeren. Daar werd tegen mij gezegd, lokaal is voor ons binnen een straal van 400 tot 500 kilometer. Terwijl voor misschien mij is lokaal wat direct in deze regio beschikbaar is.
En misschien de buurman hier naast mij die zegt, alles wat hier naast mij groeit, dat is echt lokaal. Om even heel gechargeerd te zeggen. Het is denk ik niet de bedoeling geweest om geen duidelijke definitie te geven van zowel lokaal, regionaal als iets als gezondheid. Maar dat je hem juist wat breder wil houden, bewust ook. De voorzitter: Dat was de tweede vraag?
41
De heer Groenewege: Nee. De voorzitter: U heeft nu nog een tweede vraag. Sorry. De heer Groenewege: Die gaat over het budget, net als de vraag van mevrouw Lammens. Want voor deze Voedselvisie is er dan 0 budget, maar eigenlijk een beetje ambtelijke ondersteuning à 8.000 euro per jaar. Mevrouw Lammens vroeg, wat zou je nodig hebben? In Groningen trekken ze, zie ik, 270.000 euro per jaar uit voor hun Voedselvisie. Dat is nogal een contrast. Maar zijn er misschien nog mogelijkheden qua subsidies, want die kwam ik niet tegen in de visie, om die binnen te halen? De heer Roubos: Dat is eigenlijk wel echt vers van de pers, om het maar even zo te zeggen. Er zijn eigenlijk helemaal geen subsidies die rondom het thema voedsel of de voedselprojecten ondersteunen. Tot twee dagen geleden. Toen heeft de provincie bekendgemaakt dat er inderdaad een subsidieregeling gaat komen voor de projecten die gezond voedsel stimuleren en voedselverspilling tegengaan. Maar goed, dat is volgens mij bij elkaar 5 ton, of wat dan ook. We proberen daar natuurlijk gebruik van te maken. En dat is ook alleen voor een specifiek project. Dat is bijvoorbeeld denk ik niet bruikbaar, dat is even mijn eerste inschatting, voor de visie als geheel. Dan moet ik daar echt met iets heel concreets komen. En dan mag ik het ook alleen daarvoor spenderen.