CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl5a- 24-25 Tichelrijt Zuid Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 18 april 2024, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 24-25 Vaststellen Bestemmingsplan Tichelrijt Zuid19.967 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van 11.649 m2 aan bestemming 'Bedrijventerrein' (waarvan 10.009 m2 bouwvlak) binnen het plangebied van circa 16.753 m2. Naast een bestemming 'Bedrijventerrein' worden de bestemmingen 'Groen' (3.901 m2) en 'Verkeer' (1.203 m2) mogelijk gemaakt. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de

38/73

plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenoemde 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling', welke als bijlage 2 is opgenomen bij voorliggend bestemmingsplan. Het bevoegd gezag neemt op basis hiervan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing.

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1 Normstelling en beleid Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 ('Toekomstbestendig parkeren'). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit het Parapluplan Parkeren van de gemeente Dongen (Parkeernormen Dongen, 2020). Conform dit beleid wordt de bovenkant van de bandbreedte aangehouden. Voor het te hanteren kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in de rest bebouwde kom aangehouden. Gemeente Dongen heeft een matig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid conform het CBS. 4.3.2 Toetsing 4.3.2.1 Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Zandbergweg. In zuidelijke richting loopt deze dood en ontsluit het de bestemming van het Golfcentrum Dongen. In noordelijke richting sluit het aan op de rotonde met de Steenstraat/Vierbundersweg en Textielstraat.

De Steenstraat/Vierbundersweg is onderdeel van de provinciale weg N632 die in oostelijke richting naar Tilburg ontsluit. In westelijke richting sluit deze aan op de Duiventorenbaan. Vanaf de Duiventorenbaan wordt in zuidelijke richting naar Rijen ontsloten. In noordelijke richting wordt via de Westerlaan naar de overige wijken van Dongen ontsloten en is via de N629 een verbinding met de A27 aanwezig. Langzaam verkeer De Zandbergweg beschikt over een vrijliggend tweerichtingen fietspad aan westelijke zijde van de rijbaan. Ook ten zuiden van de rijbaan van de Steenstraat/Vierbundersweg ligt een vrijliggend tweerichtingen fietspad. Richting de Duiventorenbaan doet deze deels dienst als parallelweg voor de aangrenzende percelen.

39/73

4.3.2.2 Verkeersgeneratie Het perceel heeft in de huidige situatie een agrarische bestemming, waarmee het niet meer dan enkele landbouwvoertuigen per etmaal zal genereren. Voor de toekomstige situatie worden de kencijfers van het CROW gehanteerd. Daarvoor wordt worst-case volledig aangesloten bij de categorie 'bedrijf arbeidsintensief', waarbij per 100 m2 bvo een verkeersgeneratie van 10,9 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) geldt. Het is ook denkbaar dat het plangebied gedeeltelijk een kantoorfunctie krijgt. De verkeersgeneratie hiervoor ligt lager, namelijk op 8,1 mvt/etmaal per 100 m2 bvo. Voor het beoogde initiatief aan de Steenstraat wordt worst-case uitgegaan van 10.009 m2 bvo (het volledige bouwvlak), wat voor de categorie 'bedrijf arbeidsintensief' neerkomt op een verkeersgeneratie van 811 mvt/etmaal. In werkelijkheid zal deze oppervlakte bvo niet worden gehaald worden gezien de benodigde ruimte voor parkeren en overige terreininrichting. De berekening is op basis van een gemiddelde weekdag. De beoordeling op het maatgevende moment vindt plaats op een gemiddelde werkdag. Conform het CROW dient de verkeersgeneratie met de factor 1,33 te worden verhoogd, waardoor het op een gemiddelde werkdag 1.078 mvt/etmaal genereert. Naar verwachting wikkelt dit zich vooral in oostelijke en westelijke richting af op de Steenstraat/Vierbundersweg.

In het drukste uur van de dag wordt circa 10% van de etmaalwaarde afgewikkeld, circa 108 mvt. Dit is in het drukste uur circa 1,8 mvt per minuut. Deze verkeerstoename kan merkbaar zijn, maar zal op de rotonde en overige kruispunten niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. 4.3.2.3 Parkeren De parkeerbehoefte dient te worden berekend met de gemeentelijke parkeernormen uit het Parapluplan Parkeren (Parkeernormen Dongen, 2020). Voor de ontwikkeling van de bedrijfsfunctie wordt aangesloten bij de gegeven parkeernormen in de categorie 'bedrijf arbeidsintensief', daarvoor geldt een maximale parkeernorm van 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo). Voor een kantoor zonder baliefunctie geldt een maximale parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Bij de exacte uitwerking van het plan dienen deze normen in acht genomen te worden. Het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein moet voldoen aan de genoemde parkeernormen. 4.3.3 Conclusie Het plangebied heeft een goede ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer en fietsers. Per openbaar vervoer is het slecht bereikbaar en voetgangers worden dan ook nauwelijks verwacht. De parkeerbehoefte dient bij verdere uitwerking van het plan te worden berekend aan de hand van de geldende parkeernormen, waarbij het parkeeraanbod op eigen terrein toereikend moet zijn.

De toekomstige verkeersgeneratie wordt berekend met CROW kencijfers en mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

40/73

ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. 4.4.2 Toetsing Binnen het plangebied wordt aan de hand van voorliggend bestemmingsplan de vestiging van bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Bedrijven in milieucategorie 3.2 hebben een grootste richtafstand van 100 meter. Binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied zijn geen milieugevoelige functies gelegen. Daarnaast is er geen sprake van oprichting van een milieugevoelige functie die bedrijven in de omgeving kan belemmeren. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. 4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

4.5.1 Normstelling en beleid Normstelling en beleid Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016-2018) De Nota Cultureel Erfgoed Dongen is vastgelegd op 10 maart 2016. De nota bundelt het huidige en nieuwe beleid omtrent cultureel erfgoed in één erfgoednota. Hierbij is de basis gelegd voor een brede, integrale basis voor behoud en versterking van cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Dongen. De gemeente Dongen maakt in de nota haar beleid en ambities op het gebied omtrent cultureel erfgoed kenbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder andere het provinciaal beleid, dat is vertaald naar gemeentelijk beleid, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Archeologische beleidsadvieskaart. Erfgoedverordening gemeente Dongen 2016 De erfgoedverordening is op 13 oktober 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Centrale beleidsregel daarin is dat het verboden is om in een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. Op het verbod zijn verstoringen uitgezonderd in een gebied: met een lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50.000 m2; met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2; waarvoor in het bestemmingsplan reeds bepalingen zijn opgenomen voor archeologische monumentenzorg.

Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in

41/73

het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) De 'Cultuurhistorische waardenkaart' (vastgesteld 26 september 2006) van de provincie Noord-Brabant vormt het kader voor het inhoudelijke cultuurhistorische beleid met behulp waarvan dat beleid getoetst en ontwikkeld kan worden. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn meerdere aanduidingen opgenomen (historische bouwkunst, historische stedenbouw, historische geografie (lijnen en vlakken), historische groenstructuren, historische zichtrelaties, archeologische monumenten en indicatieve archeologische waarden). De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is in de gemeente vertaald naar de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen (vastgesteld op 15 januari 2014). 4.5.2 Toetsing 4.5.2.1 Archeologie De in 2011 vastgestelde archeologische beleidskaart geeft de archeologische verwachtingszones weer voor de gemeente Dongen. Zoals weergegeven in figuur 4.1 heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde toegekend gekregen waar mogelijk ondiep gelegen goed geconserveerde stroomgordels met mogelijk resten uit het Neolithicum of recenter te bekennen zijn. Bij bodemingrepen met een oppervlakte >100 m2, die tevens dieper reiken dan 50cm –mv, dient nader onderzoek plaats te vinden.

De beoogde ontwikkeling gaat uit van een bebouwd oppervlak groter dan 100 m2 en een funderingsdiepte van minimaal 50 cm.

Figuur 4.1 Archeologische beleidskaart Dongen met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Dongen) Voor een gedeelte van het plangebied is door verstoring geen onderzoek nodig, dus voor het andere deel zal in principe een regulier veldonderzoek (door middel van boringen) moeten plaatsvinden. In vooriggend

42/73

bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van het handhaven van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' voor het gehele plangebied. Deze dubbelbestemming is overgenomen vanuit de geldende beheersverordening. Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport te worden overlegd waarin wordt aangetoond dat op het aspect archeologie geen belemmeringen ten aanzien van de planvorming aanwezig zijn. 4.5.2.2 Cultuurhistorie In figuur 4.2 is het plangebied weergegeven in de uitsnede van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen. In de directe omgeving zijn het Wilhelminakanaal en de Donge, de regionale waterkeringen en enkele straten aangeduid als lijnvormige elementen. Het bosperceel in de oksel van de Duiventorenbaan en de Steenstraat is een historisch groen- vlakelement. Rijksmonumenten ontbreken. Een specifieke regeling is in de geldende beheersverordening, waarin ten tijde van opstellen het bestaand gebruik werd vastgelegd.

Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Dongen met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Dongen) Bij het ontwerp en de realisatie van nieuwe bedrijvigheid zullen historische lijnelementen behouden moeten blijven en de omliggende bebouwing niet worden aangetast. Er zal op een acceptabele manier rekening gehouden moeten worden met omliggende cultuurhistorische waarden. 4.5.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het aspect cultuurhistorie. Wat betreft archeologie wordt in voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' voor het gedeelte van het plangebied wat archeologisch nog niet is vrijgegeven.

43/73

4.6

Wegverkeerslawaai

4.6.1 Normstelling en beleid De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. Bij deze paragraaf is enkel het aspect wegverkeerslawaai van belang. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. 4.6.2 Toetsing De ontwikkeling maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan daardoor achterwege worden gelaten.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel het uitstralingseffect van de verkeerstoename beoordeeld. Op basis van de berekende verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling en de verdeling daarvan over het wegennet en gegevens uit het verkeersmodel (gegevens 2030 met huidige ligging N629) is bepaald dat voor de relevante wegen geen sprake zal zijn van een verkeertoename van meer dan 25% ten

44/73

opzichte van de autonome situatie. Bij een toename van >25% is er namelijk pas een significant effect op de geluidsbelasting. Zodoende zal als gevolg van de ontwikkeling ook geen sprake zijn van een significante geluidtoename langs deze wegen. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg. 4.6.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt

45/73

kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

4.7.2 Toetsing 4.7.2.1 Algemeen Voor de toetsing wordt uitgegaan van de informatie vanuit de professionele risicokaart. Een uitsnede hiervan met daarbij de aanduiding van het plangebied is weergegeven in figuur 4.3.

46/73

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart met aanduiding plagebied (Bron: Risicokaart) 4.7.2.2 Risicovolle inrichtingen Uit de beheersverordening 'Tichelrijt' vastgesteld op 13-10-2016 blijkt dat Shell lpg-tankstation (Steenstraat 18) onder het Bevi valt vanwege de doorzet van LPG (300 m3 per jaar vergund). De maatgevende veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico zijn verkleind (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval, 2016). Bij een doorzet van < 500 (m3 per jaar) geldt voor het vulpunt een veiligheidsafstand van 25 m in plaats van 45 meter. De afstand van het plangebied tot dit tankstation is circa 230 meter en valt daarmee ruim buiten het invloedsgebied. 4.7.2.3 Buisleidingen Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich de hogedrukaardgasleiding Z-522-14 met een invloedsgebied van 45 meter. De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding is circa 180 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze leidingen. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden voor deze leiding.

47/73

4.7.2.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen Ten zuiden van het plangebied, op circa 3,3 kilometer afstand, bevindt zich het spoortraject Breda – Tilburg waarover gevaarlijke stoffen van o.a. de stofcategorie D4 worden vervoerd. Het invloedsgebied hiervan is 4 kilometer. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Verantwoording van het groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Zij gaven aan dat met betrekking tot dit aspect de standaard verantwoording van het groepsrisico 2019 voor de gemeente Dongen van toepassing is, opgenomen als bijlage 3 bij voorliggend bestemmingsplan. Voor dit plangebied zijn vooral de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de bluswatervoorziening van belang. Voor grote en langdurige incidenten is het Wilhelminakanaal een belangrijke bron voor bluswater. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten.

De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende / adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied is bereikbaar via De Slof. Er kan via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Ook kunnen de aanwezige personen op deze manier via meerdere wegen van de bron af vluchten. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. De opkomsttijd is minder dan 12 minuten. Hiermee wordt voldaan aan de norm gesteld in het dekkings- en spreidingplan van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Voor industriefuncties is de opkomsttijd 12 minuten. Op korte afstand zijn bluswaterpunten, hydranten van 60 m3/h aanwezig. Een goede afstemming met de bluswateradviseur van de brandweer MWB is noodzakelijk om er zorg voor te dragen dat wordt voldaan aan een bluswaterpunt bijvoorbeeld geboorde put van 120 m3/h. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het plangebied wordt een nieuwe bedrijfslocatie mogelijk gemaakt. De aanwezige werkzame personen zullen over het algemeen dan ook zelfredzaam zijn. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar.

De zelfredzaamheid kan worden verbeterd door extra bouwkundige en organisatorische maatregelen te treffen: 1. Voor toxische scenario’s is het nieuwe gebouw een uitstekende schuilplaats mits tijdig de ventilatiesystemen worden afgezet en de ramen en deuren worden gesloten. Bij het brandpaneel dient een hoofdschakelaar te zitten om de mechanische ventilatie uit te kunnen zetten. 2. De luchtdichtheidseisen van het Bouwbesluit maken het mogelijk de schuilplaats circa 4 uur te gebruiken. 3. Een goede interne noodprocedure op te laten stellen en de beide scenario’s zoals genoemd jaarlijks te beoefenen.

48/73

4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Kabels en leidingen

4.8.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.8.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Voor de onderbouwing van leidingen in relatie tot het aspect externe veiligheid wordt verwezen naar paragraaf 4.7.

4.9

Bodem

4.9.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.9.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 4. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Het veldwerk is uitgevoerd in maart 2023.

Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling, behoudens sporen baksteen ter plaatse van boring 102 in het traject van 60-140 cm-mv, geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen. De aangetroffen minimale bijmengingen met baksteen zijn aangetroffen ter plaatse van een van de boringen ter plaatse van de gedempte sloot. De bodemopbouw ter plaatse is niet afwijkend ten opzichte van de boringen ter plaatse van de overige locatie. Figuur 4.4 toont een situatieschets met de betreffende boringen en peilbuizen.

49/73

Figuur 4.4 Situatieschets met boringen en peilbuizen (Bron: Wematech) Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond en ondergrond niet verontreinigd zijn. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Ter plaatse van peilbuis 07 is het grondwater tevens licht verontreinigd met zink en ter plaatse van peilbuis tevens licht verontreinigd met koper. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond en ondergrond indicatief voldoen aan de klasse achtergrondwaarde. De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren.

Algemeen Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat bij ongewijzigd gebruik binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Advies

50/73

De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om tot eigendomsoverdracht over te gaan. De verkregen resultaten vormen tevens geen belemmering voor de realisatie van de toekomstige plannen ter plaatse. 4.9.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. 4.10.2 Toetsing Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 811 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 5 %. In de nibm-tool (versie 2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,84 µg/m³ en van fijnstof van 0,15 µg/m³ (figuur 4.5). Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk.

51/73

Figuur 4.5 Resultaten NIBM-tool 2022 (Bron: InfoMil) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Vierbundersweg is de maatgevende weg. Uit de tool (figuur 4.6 en bijbehorende tabellen 4.3 t/m 4.5) blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 4.6 Maatgevend toetspunt directe omgeving plangebied (Bron: Centraal Instrument Monitoring

52/73

Luchtkwaliteit) Tabel 4.5 Concentraties NO2

Tabel 4.6 Concentraties PM10

Tabel 4.7 Concentraties PM2,5

53/73

4.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Water 4.11.1 Normstelling en beleid Waterbeheer en watertoets Voor alle ruimtelijke plannen dient een watertoets te worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde; infiltreren, retentie binnen het projectgebied, retentie buiten het projectgebied of berging in bestaand watersysteem. Bij de berekening van de retentie worden de actuele eisen van de gemeente Dongen gehanteerd. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder, in dit geval het waterschap Brabantse Delta, tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.

Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet

54/73

Provinciaal Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is onder andere verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Dongen. Het gaat hierbij om de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

De Keur is onder andere te raadplegen via de site van het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij (nieuwe) ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Gemeentelijk beleid Water- en Rioleringsplan Dongen Het Water- en Rioleringsplan Dongen geeft het beleid van de gemeente Dongen weer op het gebied van rioleringszorg (afvalwater en hemelwater) en haar gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van grondwater. In het plan komt ook het stedelijke oppervlaktewater aan de orde, omdat hemelwater, grondwater en zelfs afvalwater relaties hebben met het oppervlaktewater. De zorgplichten zijn zodanig geformuleerd dat iedere gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid houdt om een eigen invulling te kiezen voor de lokale situatie. Dit Water- en Rioleringsplan Dongen geldt voor onbepaalde tijd en wordt indien nodig geactualiseerd.

Momenteel geldt de versie 2022. Verordening afvoer hemel- en grondwater Dongen In raadsvergadering van 14 december 2023 heeft de gemeenteraad van Dongen de 'Verordening afvoer hemelen grondwater Dongen' vastgesteld. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere hittestress, wateroverlast en droogte toe. Dit vraagt om maatregelen waarbij niet alleen de gemeente de verantwoordelijkheid draagt, maar ook inwoners en bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen. Enerzijds wordt gestreefd naar invoering van een subsidieregeling die inwoners en bedrijven zal stimuleren om in

55/73

bestaande situaties zelf maatregelen te treffen. Anderzijds is het nodig dat in nieuwbouwsituaties regels ervoor gaan zorgen dat regenwater in eerste instantie wordt opgevangen op eigen terrein en grondwater niet meer vanzelfsprekend wordt afgevoerd op de riolering. In het de raad vastgestelde Water- en Rioleringsplan Dongen 2022 (WRP) is vastgelegd hoe de gemeente omgaat met de wettelijke zorgplichten voor het afval-, hemel- en grondwater. Conform Artikel 3. ‘Verbod op lozen van hemelwater op de openbare riolering’ uit de hemelwaterverordening is het verboden om zonder hemelwatervoorziening vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater van meer dan 20 m2 te lozen op de riolering of openbaar terrein; dit moet op het eigen perceel worden verwerkt.

De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen waarbij het volgende geldt: De minimaal te realiseren hemelwatervoorziening moet tenminste 60 mm (60 liter) per m2 verhard oppervlak, recht van boven bemeten, kunnen verwerken; Wanneer nieuw verhard oppervlak aansluit op bestaand verhard oppervlak op het zelfde perceel, dient men voor het bestaand verhard oppervlak 7 mm per m2 retentie toe te voegen aan de hemelwatervoorziening; Voor het oppervlak aan groen dak in m2, recht van boven bemeten, wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist; De maximale leeglooptijd voor een infiltratievoorziening is 48 uur; Indien infiltratie (aantoonbaar) niet mogelijk is, bedraagt de afvoer naar openbaar water of gemeentelijk afwateringsstelsel maximaal 2l/s/ha; Bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel niet afnemen; Het hemelwater mag niet verontreinigd raken voordat het de hemelwatervoorziening bereikt; Om verstopping van de afvoer te voorkomen dient de afvoer minimaal een diameter van 40 mm te bedragen; De hemelwatervoorziening wordt voorzien van een overstort waarbij het overtollige water oppervlakkig afstroomt naar openbaar water of gemeentelijk afwateringstelsel; 4.11.2 Toetsing In het kader van de beoogde

ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 5. Hierna wordt ingegaan op de uitgangspunten ten aanzien van de waterhuishouding. 4.11.2.1 Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; De wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 12.565 m2. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m2 verhard oppervlak; Wateropgave 754 m3; De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 48 uur; Afvoer naar openbaar water of gemeentelijk afwateringsstelsel maximaal 2l/s/ha;

56/73

Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; GHG 4,0 m +NAP; Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. 4.11.2.2 Hemelwater Algemeen Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt. Compensatie Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van een "groene" regenwaterbuffer of te wel een wadi aan de zuid- en wetszijde van het plan. Een bovengrondse voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort is een dergelijk alternatief indicatief uitgewerkt en weergegeven in figuur 4.7. Bij de uitwerking van het systeem is uitgegaan van de onderstaande kenmerken: Diepte: 0,75 m; Talud: 1:2; Breedte: 8,00 m Waterhoogte: 0,70 m.

Figuur 4.7 Indicatieve uitwerking bovengroondse voorziening in vorm van wadi's

57/73

(Bron: Econsultancy) Wanneer een bovengrondse voorziening wordt aangelegd met een diepte van 0,75 meter, een talud van 1 op 2 en breedte van 8 meter kan, met inachtneming van een waking van 0,05 meter (waterhoogte 0,70 m), ca. 655 m3 water worden geborgen. De beschikbare bergingscapaciteit is berekend met behulp van de formule van de afgeknotte piramide. Bij een breedte van 8 meter is aan de westzijde nog 2 meter ruimte aanwezig. Aan de zuidzijde blijft een ruimte beschikbaar van 4 meter. Hemelwater zal, indien mogelijk, zichtbaar worden afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Wanneer bekend is welke bedrijvigheid zich zal vestigen op het terrein, kan eventueel ook bekeken worden of er mogelijkheden zijn voor waterberging binnen de uitgeefbare percelen bijvoorbeeld door toepassing van groen- en/of waterretentiedaken of ondergrondse systemen zoals infiltratiekratten, Rockflow® of waterberging in of onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering (Aquaflow®, Bufferklinker®, Aquaparker® of lava). Door (aanvullend) water te bergen binnen de uitgeefbare percelen kan het ruimtebeslag van de bovengrondse voorziening worden verkleind. Lediging De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening.

De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer het volledig gevuld is. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw en textuur worden vooralsnog geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Bij de verdere planvorming en uitwerking zal de infiltratiecapaciteit van de bodem nader worden onderzocht om zodoende zoveel mogelijk hemelwater ter plaatse te laten infiltreren. Indien blijkt dat infiltratie niet tot de mogelijkheden behoort zal hemelwater vertraagd worden afgevoerd op de B-watergang die is gelegen langs de Steenstraat-Vierbundersweg. De vertraagde afvoer mag niet meer bedragen dan 2 l/s/ha. Calamiteit Het systeem is dusdanig robuust dat 60 mm neerslag geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan overtollig water overstorten op de B-watergang die is gelegen langs de SteenstraatVierbundersweg. De mogelijkheden en wijze van overstort zal in overleg met het waterschap nader besproken moeten worden. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen.

Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.

58/73

4.11.2.3 Waterschapsverordening Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht: Toename verhard oppervlak; Lozen van hemelwater op het oppervlaktewater; Tijdelijke grondwateronttrekkingen; Tijdelijke lozingen van bemalingswater. 4.11.2.4 Riolering Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie via de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting worden in overleg met de gemeente nader besproken. Voor de aansluiting zal een vergunning aangevraagd worden. 4.11.3 Conclusie Ten gevolge van de planontwikkeling is sprake van toename in verharding. Er wordt invulling gegeven aan de bergingseis van de gemeente Dongen. Uitgangspunt is dat het hemelwater geborgen en geïnfiltreerd moet worden op eigen terrein.

Op basis hiervan heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan geeft het waterschap een positief wateradvies.

4.12 Ecologie 4.12.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden;

59/73

b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b.

soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten.

60/73

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.

4.12.2 Toetsing 4.12.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 De ligging van het plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen is weergegeven in figuur 4.8. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Langstraat’ en is gelegen op een afstand van circa 8 kilometer vanaf het plangebied. Dit is tevens een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats.

61/73

Figuur 4.8 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS Calculator) Voor de uitbreiding van bedrijventerrein Tichelrijt Zuid is de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend. In de memo stikstofdepositie, opgenomen als bijlage 6, wordt ingegaan op de uitgangspunten, de berekeningswijze en de conclusie. Uit de berekeningen met AERIUS-calculator (versie 2023.0.1) blijkt dat in zowel de aanlegfase (bijlage 7) als de gebruiksfase (bijlage 8) de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Natuurnetwerk Nederland Direct ten zuidwesten van het plangebied is het Natuurnetwerk Brabant gelegen (figuur 4.9). Dit natuurnetwerk is tevens een ecologische verbindingszone tussen de natuurgebieden Dorst en de Rekken. Het betreft een houtwal en enkele poelen.

Doordat het Natuurnetwerk niet aangetast wordt met de werkzaamheden en volledig behouden blijft en omdat in het zuidwestelijke deel van het plangebied het Natuurnetwerk aangevuld wordt met inheemse boom- en struikvormers, enkele poelen en kruidenrijk grasland zijn negatieve effecten op het Natuurnetwerk niet te verwachten maar treedt naar verwachting een versterkend effect op. Daarnaast worden voor de uitvoer van de plannen geen bomen geveld.

62/73

Figuur 4.9 Ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebied (Bron: Atlas Leefomgeving) Indien zoals inzichtelijk gemaakt in de Gebiedsvisie Tichelrijt Zuid in de toekomst over wordt gegaan op de uitbreiding van de bedrijvenstrook richting het oosten, is het parallel door laten lopen van het Natuurnetwerk Brabant een voorstelbare gedachte. Een schetsmatige visie voor het door laten lopen van dit Natuurnetwerk is weergegeven in figuur 4.10. Hierover zullen bestuurlijke afspraken tussen gemeenten Dongen, gemeente Gilze-Rijen en het Waterschap Brabantse Delta gemaakt gaan worden. De gemeente Dongen neemt hiertoe het initiatief.

63/73

Figuur 4.10 Schetsmatige visie door laten lopen Natuurnetwerk 4.12.2.2 Soortenbescherming In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een quickscan soortenbescherming Wet natuurbescherming uitgevoerd, opgenomen als bijlage 9. Conform deze quickscan wordt gesteld dat binnen de soortenbescherming alle bewoonde vogelnesten zijn beschermd. Direct ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich in het Natuurnetwerk mogelijk nestplaatsen. Het is aan te raden om de werkzaamheden in ieder geval te starten buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart -15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Tevens is het raadzaam om geen (nachtelijke) verlichting op de houtwal te richten omdat naast vogels ook andere dieren zoals vleermuizen en kleine zoogdieren gebruik kunnen maken van de natuur daar. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de soortenbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo'n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Nader onderzoek of een ontheffing soortenbescherming is niet noodzakelijk gebleken. De in het plangebied, bestaande uit akkerlandschap, te verwachten soorten genieten lichte bescherming onder de

64/73

soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing. 4.12.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Funnel, IHCS en ILS 4.13.1 Normstelling en beleid In de buurt van luchthavens gelden allerhande beperkingen, onder andere vanwege navigatie en communicatieapparatuur. Obstakelvrije vlakken (IHCS, Inner Horizontal en Conical Surface) en funnels Rondom een luchthaven zijn obstakelvrije vlakken gedefinieerd om het luchtverkeer op een veilige wijze te kunnen accommoderen. Deze vlakken zijn vastgelegd in Annex 14 van het Verdrag van Chicago en zijn geborgd via de Wet luchtvaart en de regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen (RVGLT). Binnen deze obstakelvrije vlakken gelden beperkingen ten aanzien van het oprichten van hoge obstakels (in het algemeen vanaf luchthavenpeil). Toetsingsvlakken van navigatie en communicatieapparatuur Op en rondom een luchthaven staan diverse apparaten opgesteld voor de communicatie met vliegtuig en apparatuur ten behoeve van de navigatie van de vliegtuigen. Om een storingsvrije werking van de apparatuur te waarborgen zijn vlakken gedefinieerd waaronder op een veilige wijze bebouwing kan plaatsvinden zonder dat de werkingen negatief wordt beïnvloed. Laagvliegroutes: AMvB Ruimte In de AMvB Ruimte zijn militaire laagvliegroutes opgenomen, evenals laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13908999/1