Bijl2- 24-15 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3 1
Tekst van het document
Verder gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van een tweetal woningen, hetgeen een versterking van de woningmarkt in Dongen tot gevolg heeft. Dit is passend bij de gemeentelijke ambitie om plek voor iedereen te creëren met een passend woningaanbod voor alle doelgroepen en een goede duurzame woningvoorraad. Concluderend heeft de beoogde ontwikkeling een positief effect op de leefomgeving, 25 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
waardoor hiermee een bijdrage wordt geleverd aan de gemeentelijke ambitie om de gemeente te ontwikkelen tot een plek waar mensen onder meer graag willen wonen. Verder zijn in de Omgevingsvisie Dongen diverse thema’s opgenomen. Gelet op de aard van het planvoornemen is in het onderhavige geval met name het thema wonen relevant. Ten aanzien van het thema wonen is onder meer het navolgende opgenomen (in cursief): ‘In onze gemeente is het fijn wonen. De verschillende delen van onze gemeente hebben elk een eigen karakter. Door de identiteit van de verschillende kernen, is het overal anders. We willen iedere Dongenaar een fijne plek om te wonen bieden. In dit thema beschrijven we hoe we dat gaan doen met het oog op toekomstige opgaven. In onze gemeente is het fijn wonen. De verschillende delen van onze gemeente hebben elk een eigen karakter. Door de identiteit van de verschillende kernen, is het overal anders. We willen iedere Dongenaar een fijne plek om te wonen bieden. In dit thema beschrijven we hoe we dat gaan doen met het oog op toekomstige opgaven’. Hoe zien we de toekomst van wonen? •
•
•
• •
We hebben de ambitie om meer woningen te bouwen, waarbij we in ieder geval bouwen voor onze eigen behoefte. Maar onze ambitie is groter dan enkel de lokale opgave. We kijken ook naar de regionale opgave. Tot 2030 zijn de locaties al voldoende in beeld. Voor na deze periode worden de locaties verder onderzocht, zowel binnen bestaand stedelijk gebied als bij mogelijke uitbreidingslocaties. o De ambitie voor de woningbouwopgave van de regio Hart van Brabant is om een plancapaciteit (bouwplannen die in voorbereiding en realisatie zijn) te hebben die minimaal 130% bedraagt van het aantal extra woningen waaraan behoefte is. Best veel plannen gaan uiteindelijk niet door, vandaar dat je moet zorgen voor ‘overcapaciteit’. We hebben nadrukkelijk aandacht voor de toekomstbestendigheid van onze woningvoorraad. We willen als gemeente de regie pakken op het type woningen dat wordt gebouwd. We streven naar voldoende betaalbare woningen voor de juiste doelgroepen (zoals starters). We stellen voor de invulling van de woningbouwopgave een programma op. In het programma bepalen we het ‘speelveld’ waarbinnen woningbouwontwikkelingen in onze gemeente een plek kunnen krijgen. Als kader voor dit programma hanteren we de volgende leidende principes: o We koesteren onze gemeente zoals deze nu is en willen voorkomen dat we vastgroeien aan buurgemeenten.
▪ We behouden een groene buffer aan de westzijde van onze gemeente (ter hoogte van de kern Dongen) en beschermen ons buitengebied. o De Dongense sfeer moet behouden blijven. ▪ Ontwikkelingen moeten passen bij de maat en schaal van onze gemeente. ▪ Gestapelde bouw van vier à vijf lagen kan in de kern Dongen ingepast worden. In ’s Gravenmoer en Vaart past bebouwing met meer dan drie lagen niet. o Onze kernkwaliteiten op het gebied van cultuurhistorie en erfgoed, landschap en natuur (zie hoofdstuk Waarden) staan centraal. 26
Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
▪
o
o
o
o
We benutten optimaal de inbreidingsopties. We zijn immers zuinig op het buitengebied. ▪ De kernkwaliteiten vormen de leidraad voor iedere potentiële woningbouwontwikkeling, zeker ook bij uitbreiding. ▪ We kijken naar het ruimhartiger toestaan van kleinschalige nieuwe woonconcepten in het buitengebied. We bevorderen de doorstroming op de woningmarkt door sturing te geven aan woningtypen die dit bevorderen (denk hierbij aan woningen voor 1 of 2 persoons huishoudens en senioren). We hebben bij de bouw van woningen oog voor klimaat en energie. ▪ We ontwikkelen een kader voor zaken als klimaatadaptatie, circulariteit en energiegebruik. Zie ook ‘Klimaatbestendig en duurzaam bouwen’. ▪ De komende jaren zetten we vooral in op het isoleren van woningen. Op lange termijn is het aardgasvrij maken van bestaande woningen een verplichting vanuit het Klimaatakkoord. Levendigheid en voorzieningen zijn van belang. ▪ We hebben daarbij oog voor de draagkracht van de voorzieningen in de centra van onze kernen. De gemeentelijke organisatie houdt de regie op waar en hoe de woningbouwopgave ingevuld wordt. Daarbij gaat het niet alleen om woningbouw, maar ook over bijkomende zaken als energie, groen en water. ▪ De gemeentelijke organisatie stelt (aanvullende) eisen en kaders in het omgevingsplan en de marktpartijen kunnen vervolgens ontwikkelen.
Beoordeling Zoals hiervoor reeds is aangegeven, gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komt van een tweetal woningen, hetgeen een positief effect heeft op de lokale woningmarkt binnen de gemeente Dongen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de gemeentelijke ambitie om aan iedere Dongenaar een fijne plek om te wonen te bieden. Ook is een en ander passend binnen de gemeentelijke ambitie om meer woningen te bouwen. Verder wordt met het planvoornemen een bijdrage geleverd aan de gemeentelijke ambitie dat het binnen de gemeente fijn wonen is. Immers, de beoogde ontwikkeling heeft een positief effect op de leefomgeving en de omgevingskwaliteit vanwege de sloop van overtollige bebouwing en het vervallen van de mogelijkheid om binnen de planlocatie een nietagrarisch bedrijf te exploiteren. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de beoogde ontwikkeling in passend is binnen de leidende principes die gemeente Dongen wil hanteren voor woningbouwontwikkelingen. Dit onder meer omdat met de beoogde ontwikkeling leegstand en verrommeling van een cultuurhistorisch waardevol pand wordt voorkomen, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan het behoud hiervan. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een positief effect op het behoud van de Dongense sfeer. Ook is de beoogde ontwikkeling aan de orde op een inbreidingslocatie, waardoor zuinig wordt omgegaan met het buitengebied.
Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend binnen relevante uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Dongen.
27 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
3.4.2 Bestemmingsplan “Buitengebied Dongen” Ter plaatse van de planlocatie betreft het bestemmingsplan “Buitengebied Dongen” de vigerende planologische situatie. Het bestemmingsplan “Buitengebied Dongen” is op 5 november 2009 vastgesteld en is nadien in werking getreden en onherroepelijk geworden. In het onderstaande is een relevante uitsnede opgenomen.
Figuur 10: Uitsnede vigerend bestemmingsplan "Buitengebied" (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat binnen de planlocatie in hoofdzaak een bedrijfsbestemming rust. Hierbinnen is vanwege de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 10’ een niet-agrarisch bedrijf ten behoeve van stalling en reparatie van bronneringswerktuigen toegestaan. Binnen het bestemmingsvlak geldt voor bedrijfsgebouwen een maximaal bebouwingspercentage van 50%. Deze bedrijfsgebouwen mogen een goot- en bouwhoogte van 4 meter, respectievelijk 6 meter, bereiken. Verder geldt voor bedrijfswoningen een maximale goot- en bouwhoogte van 6 meter, respectievelijk 10 meter en een maximale oppervlakte- en inhoudsmaat van 200 m2 en 750 m3. Daarnaast geldt voor bijgebouwen bij een woning een maximale oppervlaktemaat van 80 m2 en een maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 meter, respectievelijk 7 meter. Verder rust ter plaatse van een gering deel van de planlocatie, te weten het perceel 781, een woonbestemming. Hierbinnen is onder meer een gebruik ten behoeve van het wonen toegestaan. Vanwege de aanduiding ‘erf’ is het ter plaatse toegestaan om aan-, uitbouwen en bijgebouwen op te richten. De beoogde ontwikkeling is in strijd met de vigerende gebruiks- en bouwvoorschriften.
Het vigerende bestemmingsplan bevat in artikel 6.6 een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd is de bestemming “Bedrijf” na bedrijfsbeëindiging te wijzigen in een woonbestemming. Echter, nu onder meer als voorwaarde geldt dat het aantal woningen niet mag worden vergroot, kan de beoogde ontwikkeling niet met toepassing van voornoemde wijzigingsbevoegdheid planologisch mogelijk worden gemaakt. Om de beoogde 28 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
ontwikkeling mogelijk te maken, dient derhalve een bestemmingsplanherzieningprocedure doorlopen te worden. Met onderhavige toelichting wordt onderbouwd om welke reden met het planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet passend binnen de vigerende gebruiks- en bouwvoorschriften. Ook kan de beoogde ontwikkeling niet mogelijk gemaakt worden met toepassing van de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. Derhalve dient het planvoornemen mogelijk gemaakt te worden met een bestemmingsplanherziening.
29 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •
bodem; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; waterhuishouding; duurzaamheid; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een niet-agrarisch bedrijf herbestemd naar wonen met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen. Een tweetal bedrijfswoningen wordt hierbij herbestemd naar burgerwoningen en verder wordt ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie voorzien in de komst van een tweetal woningen. Gelet hierop is met de beoogde ontwikkeling sprake van een functie-/bestemmingswijziging en wordt voorzien in de toevoeging van een tweetal gevoelige functies. Gelet hierop dient inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en of geen sprake is van bodemverontreiniging.
Hiertoe is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het complete onderzoek is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief) weergegeven. ‘Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de 30 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en bouw van een woning. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit’. Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zorgt niet voor belemmeringen voor het beoogde gebruik van de locatie. 4.3 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling In het onderstaande is een relevante uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart opgenomen.
31 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Figuur 11: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant (planlocatie is indicatief aangeduid met rode omlijning)
Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie is gelegen in het cultuurhistorisch landschap: ‘Langstraat’ en de cultuurhistorische regio ‘Langstraat’. Verder bevindt de planlocatie zich binnen de structuur historische stedenbouw: ‘Lintbebouwingen Klein Dongen en Vaart’. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de planlocatie zich nabij ‘Historisch groen’ bevindt en tot slot is het relevant om op te merken dat de woning aan de Vaartweg 115 is aangemerkt als ‘Overige bouwkunst’. Het cultuurhistorisch belang van de ‘Langstraat’ wordt als volgt beschreven: ‘Het gebied is een middeleeuws veenontginningslandschap dat de sporen van de strijd tegen het water draagt. Het vertoont in het noorden sporen van dorpsverplaatsingen wegens klink in agrarisch ontgonnen veen; en wegens overstroming in en na 1421. Er zijn resten van oude turfvaarten maar ook recent gereconstrueerde veenwinningsgebieden. In het noorden ligt de Bergsche Maas, de in 1904 tot stand gekomen nieuwe monding van de Maas. Dit is een waterstaatkundig monument van nationaal belang. Door de realisatie werd het mogelijk om zowel de Beerse als de Baardwijkse Overlaat te sluiten’. Verder wordt ten aanzien van de cultuurhistorische regio ‘Langstraat’ het volgende aangegeven voor wat betreft het cultuurhistorisch belang: ‘De regio is van cultuurhistorisch belang vanwege het voor Noord-Brabant unieke slagenlandschap.
De verschillende fasen van de ontwikkeling van het landschap, de strijd tegen het water en de problemen met de bodemdaling zijn in het huidige landschap goed te herkennen. De Langstraat is één van de Belvederegebieden, gebieden die door het rijk zijn aangewezen als de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland’.
32 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en doet gelet op diens aard en omvang geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van het cultuurhistorisch landschap en de cultuurhistorische regio ‘Langstraat’. Verder is ten aanzien van de duiding historische stedenbouw: ‘Lintbebouwingen Klein Dongen en Vaart’ de navolgende beschrijving opgenomen: ‘Zuidelijke voortzetting van de lintbebouwing van 's-Gravenmoer. Zijn echter wat betreft structuur gaaf bewaard, maar het overwegend eenlaags, agrarisch bebouwingsbeeld is plaatselijk matig tot sterk gewijzigd. De percelering is deels gewijzigd of zelfs geheel uitgewist als gevolg van de ruilverkavelingen van na 1960, vandaar dat deze delen lager zijn gewaardeerd dan ’s-Gravenmoer’. De beoogde ontwikkeling heeft negatief effect op de cultuurhistorische waarde van de ‘Lintbebouwingen Klein Dongen en Vaart’. Immers, de bebouwing aan de Vaartweg blijft met het planvoornemen behouden, waardoor de beoogde ontwikkeling geen (negatief) effect heeft op het heersende straatbeeld en het bebouwingslint aldaar. Gesteld kan zelfs worden dat de beoogde ontwikkeling een positief effect heeft op de cultuurhistorische waarde van het bebouwingslint. Immers, leegstand van beeldbepalende bebouwing aan het lint wordt met het planvoornemen voorkomen nu een passende herbestemming wordt gevonden voor de planlocatie.
Nu ook de woning aan de Vaartweg 115 is aangemerkt als overige bouwkunst en dit pand met het planvoornemen blijft behouden, draagt de beoogde herbestemming bij aan het behoud van dit cultuurhistorisch waardevolle pand. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de planlocatie zich op korte afstand van de structuur ‘Historisch groen’ bevindt. Dit betreft nabij de planlocatie de laanbeplanting en de watergangbeplanting aan de Vaartweg en de Gemeenteweg. De beoogde ontwikkeling heeft gelet op diens aard en omvang geen negatief effect op voornoemde cultuurhistorisch waardevolle laanbeplanting en watergangbeplanting. Immers, dit historisch groen blijft ondanks het planvoornemen volledig behouden en bovendien heeft de beoogde ontwikkeling eveneens geen negatieve effecten hierop. Verder is het gemeentelijke beleid omtrent cultuurhistorie onder meer vastgelegd in de ‘Nota Cultureel Erfgoed Dongen’. Deze nota bevat onder meer een cultuurhistorische waardenkaart. In het onderstaande is een relevante uitsnede hiervan opgenomen .
33 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Figuur 12: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Dongen (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)
Bovenstaande uitsnede laat zien dat de planlocatie binnen ‘gebiedstype 1’ is gelegen. Ten aanzien van dit gebiedstype is het navolgende opgenomen (in cursief) : In deze gebieden gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing met eventueel het aanwezige groen en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. De belangrijkste objecten zijn reeds beschermd als gemeentelijk of rijksmonument of staan op de aandachtslijst van identiteitsbepalende objecten. Ook zijn al veel objecten in kaart gebracht in de Cultuurhistorische Waardenkaart. De monumenten en identiteitsbepalende objecten geven aanknopingspunten om de geschiedenis zichtbaar te houden maar zeker ook de objecten uit de Cultuurhistorische Waardenkaart. Er zal daarom in deze gebieden, behoudens aangewezen monumenten, geen afzonderlijke aandacht zijn voor individuele bebouwing. Voor het opstellen en actualiseren van bestemmingsplannen wordt een cultuurhistorische analyse van het gebied gemaakt. 34 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Voor uitbreidingsmogelijkheden wordt bekeken wat de invloed op de cultuurhistorische waarden is, zodat de uitbreidingsmogelijkheden zoveel mogelijk hierop afgestemd kunnen worden. Bij dit gebiedstype moeten we ook kijken wat de impact van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is op de directe omgeving van een monument en/of identiteitsbepalend object. Dit dient in het proces te worden meegenomen. Feitelijk zeggen we hiermee dat een ontwikkeling in de directe omgeving van een monument moet passen bij het monument. De cultuurhistorische analyse van bestemmingsplannen moet voldoende aanknopingspunten blijven bieden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Uitgangspunt is het behoud van kernkwaliteiten op basis van planinpassing / - aanpassing. Hiervoor wordt aandacht gevraagd binnen beleidsinstrumenten zoals het bestemmingsplan en de welstandsnota. Beoordeling In overeenstemming met de beoordeling aan de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant kan worden opgemerkt worden dat met de beoogde ontwikkeling bebouwing aan de Vaartweg behouden blijft. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling geen (negatief) effect heeft op het heersende straatbeeld en het bebouwingslint aldaar. Gesteld kan zelfs worden dat de beoogde ontwikkeling een positief effect heeft op de cultuurhistorische waarde binnen gebiedstype 1.
Immers, leegstand van beeldbepalende bebouwing aan het lint wordt met het planvoornemen voorkomen nu een passende herbestemming wordt gevonden voor de planlocatie. Gelet hierop doet de beoogde ontwikkeling geen afbreuk aan de ruimtelijke samenhang tussen structuren en historische bebouwing binnen gebiedstype 1. Nu historische bebouwing en de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten en structuren behouden blijven, is de beoogde ontwikkeling in voldoende mate objectiveerbaar binnen de ‘Nota Cultureel Erfgoed Dongen’. Conclusie De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de omgeving. 4.4 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o.
bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Archeologische beleidskaart Dongen Volgens de archeologische beleidsadvieskaart, zie onderstaande afbeelding, van de gemeente Dongen geldt binnen de planlocatie een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
35 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Figuur 13: Archeologische beleidsadvieskaart Dongen (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Ten aanzien van gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde is op de Archeologische beleidsadvieskaart Dongen het navolgende opgenomen (in cursief): Voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachting: - Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan; indien een ingreep dieper gaat dan 0,5 meter min maaiveld en een planoppervlak heeft van 100 m2 of meer is een aanlegvergunning verplicht. - Het college van B&W stelt de bepalingen in de aanlegvergunning vast en het principe 'de verstoorder betaalt' is onverminderd van toepassing. Onderdeel van de te volgen procedure is een door de initiatiefnemer te overleggen goedgekeurd rapport ten aanzien van het aspect archeologie en een negatief selectieadvies van B&W. Met het planvoornemen wordt de ondergrens van 100 m2 voor bodemingrepen die dieper reiken dan 0,5 meter overschreden. Dit maakt dat conform het gemeentelijk archeologiebeleid een rapport overlegd moet worden ten aanzien van het aspect archeologie en een negatief selectieadvies door het college genomen dient te worden. Derhalve is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het complete onderzoek is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies weergegeven (in cursief): ‘In het oosten van het plangebied is aan de hand van het archeologisch onderzoek een lage verwachting vastgesteld.
Wij adviseren deze lage archeologische verwachting op te nemen in het te wijzigen bestemmingsplan. Voor wat betreft de toekomstige ontwikkelingen in het oosten van het plangebied achten wij een aanvullend archeologisch onderzoek, of aanvullende maatregelen dan ook niet noodzakelijk. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten 36 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Dongen). In het westen van het plangebied blijft echter een hoge verwachting gelden. Wij adviseren om hiervoor de huidige bestemmingsplanregels te behouden (zie bijlage 9).
Conclusie Het aspect archeologie staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.5 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.
Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft Langstraat op circa 4 kilometer in overwegend noordelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
37 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Ca. 4 km.
Ca. 6,2 km.
Figuur 14: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. Bouwfase Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers).
Voor wat betreft deze verkeersbewegingen is uitgegaan van 224 lichte verkeersbewegingen per jaar, 224 middelzware verkeersbewegingen per jaar en 56 zware verkeersbewegingen per jaar. Hierbij is uitgegaan van een absoluut wost-case scenario met alle verkeersbewegingen in alle richtingen. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen. 38 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Figuur 15: Ingevoerde parameters mobiele bronnen
Hierbij dient opgemerkt te worden dat zowel ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen als ten aanzien de inzet van mobiele bronnen in de aanlegfase is uitgegaan van een ‘worst-case’ scenario. Aangezien sprake is van een relatief beperkte bouwfase vanwege de sloop van enkele bedrijfsgebouwen en de realisatie van een tweetal woningen met aanhorigheden zal een en ander in werkelijkheid, naar alle waarschijnlijkheid, minder bedragen. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook in het geval van bovenstaand ‘worst-case’ scenario de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Gebruiksfase Het planvoornemen is eveneens doorgerekend middels AERIUS voor zover het de gebruiksfase betreft. Hierbij zijn ten aanzien van de gebruiksfase de volgende aannames gedaan: - twee cv-installaties bestaande woonhuizen; - twee nieuwe woningen gasloos; - 35 verkeersbewegingen per etmaal (uitgaande van een wost-case scenario in alle richtingen). De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat eveneens de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen.
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Dit is tevens aangetoond door de AERIUS-berekeningen. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid 39 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.6 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.
Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. 40 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Het planvoornemen betreft in hoofdzaak de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de planlocatie zich conform provinciaal beleid binnen bestaand stedelijk gebied bevindt. Verder wordt de planlocatie aan min of meer alle zijden omgeven door stedelijke functies, bebouwing en intensief gebruikte gronden. Ook dient opmerkt te worden dat de planlocatie zich nabij betrekkelijk drukke doorgaande wegen betreft, te weten de Vaartweg en de Gemeentenweg.
Daarnaast is het relevant te vermelden dat de gronden behorende tot het plangebied in de huidige planologische situatie reeds een intensief gebruik kennen, nu ter plaatse een nietagrarisch bedrijf geëxploiteerd mag worden in combinatie met bewoning. Het plangebied wordt in de huidige situatie in hoofdzaak gekenmerkt door intensieve bebouwing en verharding. Van vermeldenswaardige beplanting, groen of anderszins is in de huidige situatie geen sprake. In het onderstaande is een aantal afbeeldingen opgenomen waarop de huidige situatie binnen de planlocatie is weergegeven.
Figuur 16: Huidige situatie planlocatie (bedrijfsbebouwing)
41 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Figuur 17: Huidige situatie planlocatie (wasplaats)
Figuur 18: Huidige situatie planlocatie (machineberging)
42 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Figuur 19: Huidige situatie planlocatie (erfverharding)
Figuur 20: Huidige situatie planlocatie (overkapping)
Gezien het intensieve gebruik van de planlocatie en de aangrenzende gronden, de ligging van de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied en nabij een tweetal drukke doorgaande wegen en de aanwezigheid van een intensief niet-agrarisch bedrijf binnen de planlocatie met intensieve bebouwing en verharding zonder vermeldenswaardige beplanting of groen, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Daarnaast ontbreekt het vanwege het niet voorkomen van vermeldenswaardige beplantingen, houtopstanden of bomen binnen de planlocatie aan een geschikt habitat. Verder gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met het verwijderen van bomen of andere 43 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
noemenswaardige beplanting of groenstructuren, waardoor zeker is gesteld dat geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Enkel worden enkele overtollige bedrijfsgebouwen gesloopt. Het voorkomen van beschermde soorten aldaar is, vanwege de aard van de bebouwing met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten. Dit omdat gedurende een veldbezoek ter plaatse gebleken is dat het in deze bebouwing ontbreekt aan kieren, openingen of anderszins, waardoor deze bouwwerken niet als geschikt verblijfsgebied of habitat voor beschermde soorten kunnen fungeren. Gelet op de omstandigheid dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met het verwijderen van bomen, andere noemenswaardige beplanting of bebouwing waarbinnen beschermde soorten zijn te verwachten en het huidige intensieve gebruik van de planlocatie en de aangrenzende gronden, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten uitgesloten. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg en er is geen sprake van een mogelijk negatief effect op soorten. Mochten er desondanks binnen de planlocatie beschermde soorten worden aangetroffen, dan geldt bovendien onverkort de algemene wettelijke zorgplicht.
Conclusie Het voorliggend initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor flora en fauna, er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).
Beoordeling Het planinitiatief betreft de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van een tweetal gevoelige functies. Derhalve dient inzichtelijk gemaakt te worden in hoeverre ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd om de geluidsbelasting binnen de planlocatie en ter plaatse van de nieuwe gevoelige functies inzichtelijk te maken. Het volledige akoestische onderzoek is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. In het onderstaande worden de conclusies weergegeven (in cursief): ‘Uit de resultaten blijkt, dat de geluidsbelasting in 2033, ter hoogte van de planlocatie voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Ter hoogte van de planlocatie, is sprake van een 44 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
overwegend “goede” milieukwaliteit voor het onderdeel wegverkeerslawaai. Geconcludeerd wordt, dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Concluderende kan worden gesteld, dat het onderdeel wegverkeerslawaai het plan voor de herbestemming van de locatie aan de Gemeentenweg 3 te Dongen niet in de weg hoeft te staan’. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.8 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan, wijzigingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Gevoelig object Het planinitiatief betreft de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van een tweetal gevoelige functies. Van de komst van een milieubelastende functie als gevolg van de beoogde ontwikkeling is geen sprake. Immers, een milieubelastende functie komt als gevolg van de onderhavige planwijziging te vervallen. Beoordeling omgevingstype De planlocatie is conform het geldende bestemmingsplan gelegen in het buitengebied van de kern Dongen, maar bevindt zich conform vigerend provinciaal beleid binnen stedelijk gebied. Het plangebied bevindt zich in een lintbebouwing langs de Vaartweg en maakt daarmee onderdeel uit van het kerkdorp Vaart dat is gelegen langs de Vaart en de Vaartweg in Dongen.
De directe omgeving van de planlocatie laat zich typeren als een gemengde omgeving. Naast diverse woningen bevinden zich in de directe omgeving van de planlocatie en aan het bebouwingslint aan de Vaartweg uiteenlopende functies, waaronder gronden met een maatschappelijke bestemming, een horecabestemming en een sportbestemming. Verder wordt de planlocatie direct ten noordoosten omgeven door gronden met een woonbestemming aan de Gemeentenweg 9 te Dongen met daarachter, vanuit het plangebied bezien, gronden met een bedrijfsbestemming. Vanwege de ligging binnen een overwegend gemengde omgeving en nabij een tweetal drukke doorgaande wegen, laat de ligging van de planlocatie zich typeren als gelegen binnen gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden uit de VNG-publicatie met één afstandsmaat verlaagd mogen worden. Omliggende bedrijvigheid Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: 45 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Adres
Type bedrijvigheid
Milieucategorie
Gemeentenweg 13 Vaartweg 119 Vaartweg 112
Garagebedrijf Sporthal Horeca: in ten hoogste categorie 1b en een café en zalenverhuur Voormalige kerk. Is feitelijk nu een woning. Planologisch religieuze en levensbeschouwelijke evenementen en bijeenkomsten Maatschappelijk: bibliotheken, gezondheidszorg, jeugden kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven
Vaartweg 108
Vaartweg 104
2 3.1 1
Grootste richtafstand 10 meter 30 meter 0 meter
Feitelijke afstand 20 meter 30 meter 23 meter
2
10 meter
48 meter
2
10 meter
91 meter
In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan “Buitengebied” waarop de omliggende bedrijvigheid is weergegeven.
Gemeentenweg 13: garagebedrijf Vaartweg 104: maatschappelijke functie: feitelijk school
Vaartweg 119: sporthal Vaarweg 108: religieuze en levensbeschouwelijke evenementen en bijeenkomsten
Vaartweg 112: horeca
Figuur 21: Omliggende bedrijfsfuncties (planlocatie is indicatief aangegeven met een rode omlijning)
Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden van bouwvlak tot bouwvlak wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien 46 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
van alle omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, alsook dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat bijna alle omliggende bedrijvigheid, bedrijvigheid in ten hoogste milieucategorie 2 betreft. Op basis van de VNG-handreiking zijn bedrijven in milieucategorie 1 en 2 per definitie inpasbaar in een woonomgeving. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.9 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die vermeldenswaardige geurhinder tot gevolg hebben. Bovendien wordt ten aanzien van omliggende niet-agrarische bedrijvigheid voldaan aan de geldende richtafstanden, waaronder de richtafstanden ten aanzien van geur. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’.
De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig 47
Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
4.9.1 Geurgevoelige objecten Het planinitiatief betreft de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van een tweetal geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. De bestaande bedrijfswoningen betreffen in de huidige planologische situatie reeds geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Dit maakt dat inzichtelijk gemaakt dient te worden of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven worden beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 4.9.2 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant kan de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is ter plaatse overwegend sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 0-3 ouE/m3. Ter plaatse van het overwegend zuidelijke/zuidoostelijke deel van de planlocatie is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 3-7 ouE/m3.
Gelet hierop is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 22: Kaart achtergrondbelasting planlocatie (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
48 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
4.9.3 Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Er bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie geen veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De meest dichtstbijzijnde veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bevindt zich op een kortste afstand van circa 192 meter van de planlocatie. Dit betreft een gemengde intensieve veehouderij aan de Vaartweg 131 te Dongen. Binnen deze veehouderij mogen conform de vigerende milieuvergunning onder meer 500 vleesvarkens en 20 legkippen worden gehouden. Vanwege de betrekkelijk forse afstand van de planlocatie tot voornoemde veehouderij, de omstandigheid dat een en ander een betrekkelijk kleinschalige veehouderij betreft en de lage achtergrondbelasting, wordt een toetsing aan de voorgrondbelasting voor onderhavig planvoornemen niet noodzakelijk geacht en kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.9.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijbedrijven Het planvoornemen gaat, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, gepaard met de toevoeging van twee geurgevoelig object in de zin van de Wgv, waardoor de beoogde ontwikkeling in beginsel een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen tot gevolg kan hebben.
Veehouderijen in de directe omgeving van de planlocatie betreffen in hoofdzaak: -
-
Vaartweg 131 te Dongen: gemengde veehouderij: 500 varkens (met geuremissiefactor), 20 legkippen (met geuremissiefactor), 3 paarden (zonder geuremissiefactor) en 10 fokstieren en overig rundvee (zonder geuremissiefactor): afstand circa 192 meter; Vaartweg 99 te Dongen: paardenhouderij: 13 paarden (zonder geuremissiefactor): afstand circa 53 meter.
In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de omliggende veehouderijen zijn aangeduid. Hierbij dient opgemerkt te worden dat actieve veehouderijen zijn aangeduid met een groene stip. De rode stippen betreffen veehouderijen die reeds zijn beëindigd.
49 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Vaartweg 99: paardenhouderij
Vaartweg 131: gemengde (intensieve) veehouderij
Figuur 23: Veehouderijen in nabijheid van plangebied (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte stip)
Voor wat betreft de veehouderij in de omgeving waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, is alleen een vaste afstandsmaat van toepassing is. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom geldt een vaste afstandsmaat van 100 meter. Verder dient op grond van artikel 3 van de Wgv de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal 50 meter te bedragen aangezien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Hier wordt in casu niet volledig aan voldaan. Ten aanzien van de omliggende veehouderij waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden, te weten de veehouderij aan de Vaartweg 131 te Dongen, dient opgemerkt te worden dat hiervoor geen vaste afstandsmaten van toepassing zijn. Leidend voor beide veehouderijen is of de beoogde ontwikkeling een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg heeft. Hier is in casu geen sprake van. Dit omdat er reeds bestaande geurgevoelige objecten op kortere afstand van de nabijgelegen veehouderijen zijn gelegen die maatgevend zijn voor diens ontwikkelingsmogelijkheden. De komst van een tweetal geurgevoelige objecten heeft dan ook met zekerheid geen nadelige gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen aan de Vaartweg 99 en de Vaartweg 131 te Dongen.
Conclusie Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat omliggende veehouderijen als gevolg van het planvoornemen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Ook is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
50 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron.
Immers, met het planvoornemen wordt de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen planologisch mogelijk gemaakt, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van een tweetal gevoelige functies. De bestaande bedrijfswoningen betreffen reeds gevoelige functies. Hierdoor dient inzicht gegeven te worden in het aspect externe veiligheid. De planlocatie is, zoals weergegeven in de eerste afbeelding in de onderhavige paragraaf, niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, transportroutes, leidingen of andere risicobronnen. Risicobronnen bevinden zich in casu, zoals weergegeven in de tweede afbeelding in de onderhavige paragraaf, op enorme afstand van de planlocatie. Zo bevindt zich onder meer op een kortste afstand van circa 1,6 kilometer in overwegend noordoostelijke richting een hoogspanningslijn (380 kV) met bijbehorende magneetveldzone. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten de magneetveldzone van voornoemde leiding.
Verder bevindt zich op een kortste afstand van circa 1,3 kilometer in overwegend zuidwestelijke richting een aantal gasleidingen met bijbehorende risicocontour. Ook ten aanzien van deze gasleidingen geldt dat de planlocatie zich ruim buiten het brandaandachtsgebied en de PR-contour bevindt.
51 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Figuur 24: Uitsnede risicokaart.nl directe omgeving (planlocatie is indicatief aangeduid met een blauwe stip)
Figuur 25: Uitsnede risicokaart.nl grotere schaal (planlocatie is indicatief aangeduid met een blauwe stip)
52 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen
Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid In artikel 7 van het Bevt is bepaald dat een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen moet worden verantwoord indien een plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de risicokaart volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarbij wordt de planlocatie, evenals in de bestaande situatie, in de beoogde situatie in beginsel enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen).
Daarbij is voldoende ruimte om te schuilen in geval van een toxisch scenario én mag worden aangenomen dat de bebouwing voldoet aan het Bouwbesluit. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden. 4.11 Luchtkwaliteit 4.11.1 Effect op de luchtkwaliteit (NIBM) Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.