CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl2- 24-15 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3 1

Besluitvormende raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 24-15 Vaststellen bestemmingsplan Gemeentenweg 321.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. 53 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Beoordeling Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: -

woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Het planinitiatief betreft de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie. Gelet hierop is in casu sprake van woningbouw, waarbij een tweetal nieuwe woningen worden gerealiseerd en twee bestaande woningen blijven behouden. Uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied daarmee geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. Deze beredenering wordt tevens ondersteund door onderstaande berekening met de NIBM-tool, waarbij is uitgegaan van een worst-

54 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

case scenario aangezien alle voertuigbewegingen zijn aangemerkt als extra verkeer. Zie onderstaande afbeelding.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

35

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

3

NO2 in μg/m

0,02

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 26: Berekening NIBM-tool

4.11.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2020).

Figuur 27: PM10 – 2020 (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

55 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Figuur 28: PM2,5 – 2020 (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 15,51 /m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8,72 μg/m³. Hierdoor wordt ruimschoots binnen de grenswaarden gebleven. Conclusie Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. 4.12 Gezondheid Het planinitiatief betreft de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van een tweetal gevoelige functies. Hierdoor dient inzicht gegeven te worden in het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie in het kader van volksgezondheid. Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen) en geitenhouderijen. 4.12.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland.

Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie 56 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen.

Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Beoordeling De gemengde veehouderij aan de Vaartweg 131 te Dongen bevindt zich op een kortste afstand van circa 192 meter van de planlocatie. Dit betreft een relatief kleinschalige veehouderij waarbinnen onder meer 500 vleesvarkens worden gehouden en 20 legkippen. Gelet hierop bevindt de planlocatie zich binnen de richtafstanden ten aanzien van endotoxine die worden gehanteerd voor zowel varkenshouderijen als pluimveehouderijen. Echter, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven betreffen de afstandsmaten van 200 meter voor varkenshouderijen en 650 meter voor pluimveehouderijen een absoluut maximum in het geval sprake is van een grootschalige varkens- of pluimveehouderij. De aan te houden minimum afstand ten aanzien van endotoxinen is afhankelijk van de bedrijfsomvang en de fijnstofemissie. Aan de hand van de fijnstofuitstoot van de veehouderij aan de Vaartweg 131 te Dongen is de minimum te hanteren afstand berekend waar overschrijdingen van de advieswaarden voor endotoxinen voorkomen. In casu bedraagt de minimale afstand 30 meter ten aanzien van de varkenshouderijtak en 8 meter ten aanzien van de pluimveehouderijtak. Nu de werkelijke afstand circa 192 meter bedraagt, wordt ruimschoots voldaan aan voornoemde minimale afstandsmaat.

Ook wanneer beide takken van voornoemde veehouderij in samenhang bezien zouden worden. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de advieswaarden voor endotoxinen niet worden overschreden, waardoor binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de berekening is weergegeven. Veehouderij adres Vaartweg 131 Vaarweg 131

Soort veehouderij Varkenshouderij Legkippen

Werkelijke afstand 192 192

PM10(kg/jaar) 76,5 1,68

Berekende minimale afstand 30 8

Figuur 29: Berekening endotoxine-aftand veehouderij Vaartweg 131 te Dongen

Conclusie Het onderdeel ‘gezondheid’ in relatie tot endotoxinen vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

57 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

4.12.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Beoordeling Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een tweetal gevoelige functies. Binnen de gemeente Dongen zijn onderstaande veehouderijen aanwezig waar in een bedrijfsmatige omvang (meer dan 50) geiten worden gehouden (tevens is de afstand tot de planlocatie weergeven): -

Klein Dongenseweg 23 (circa 1,7 km.) Gemeentenweg 51 (circa 0,85 km.) Heibloemstraat 1 (circa 3,75 km.)

Bovenstaande opsomming laat zien dat een tweetal geitenhouderijen zich binnen een straal van 1,5 kilometer tot 2 kilometer van de planlocatie bevindt. De meest dichtstbijzijnde geitenhouderijen betreffen de geitenhouderijen aan de Gemeentenweg 51 en de Klein Dongenseweg 23 op een kortste afstand van circa 850 meter, respectievelijk circa 1,7 kilometer, van de planlocatie. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderijen en het plangebied reeds meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder zijn tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderijen meerdere (burger)woningen gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat, sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Hierbij kan verwezen naar relevante jurisprudentie van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 23 februari 2022 (zaaknummer: 202002286/1/R4), op grond waarvan naar voren komt dat alleen belangen waarvoor voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat een rol kunnen spelen in de besluitvorming. Aan de hand van algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten moet vast staan dat een activiteit zodanige risico’s oplevert, dat hieraan aanvullende voorschriften moeten worden verbonden of een en ander geweigerd moet worden. Het voorzorgprincipe is naar het oordeel van de Afdeling niet gestoeld op algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid en omwonenden. Dit betekent dat het voorzorgprincipe niet in de weg staat aan de onderhavige ontwikkeling. Conclusie Het aspect ‘geitenhouderijen’ vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

58 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.14 Waterhuishouding Toetsingskader Waterbeheer en watertoets Voor alle ruimtelijke plannen zal een watertoets moeten worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau.

Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in bestaand watersysteem. Bij de berekening van de retentie wordt tabel 1 van dit document gehanteerd. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld. Europa: • Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: • Nationaal Waterplan (NW); • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW Actueel); • Waterwet. Provinciaal: 59 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

•

Regionaal Water- en Bodemprogramma 2022-2027.

Waterschapbeleid Het waterschap Brabantse Delta is onder andere verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Dongen. Het gaat hierbij om de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. [2] Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van het waterschap Brabantse Delta.

[3, 4] Het waterschap hanteert bij (nieuwe) ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Gemeentelijk beleid Het Water-en Rioleringsplan 2022 (WRP)geeft het beleid van de gemeente Dongen weer op het gebied van rioleringszorg (afvalwater en hemelwater) en haar gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van grondwater. In het plan komt ook het stedelijke oppervlaktewater aan de orde, omdat hemelwater, grondwater en zelfs afvalwater relaties hebben met het oppervlaktewater. De zorgplichten zijn zodanig geformuleerd dat iedere gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid houdt om een eigen invulling te kiezen voor de lokale situatie. Dit WRP Dongen geldt is vastgesteld in december 2021 is onbeperkt geldig.

Onderzoek Huidige situatie Algemeen - Ligging plangebied - Bebouwd/onbebouwd en verhard/onverhard oppervlak - Ligging nabij waterlichamen 60 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Bodem en grondwater [5, 6] Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Er is naar verwachting sprake van grondwatertrap variërende van VI t/m Va. In de directe omgeving van de planlocatie betreft de grondwatertrap in hoofdzaak namelijk trap VI 40 - 80 cm meer dan 120 cm, trap Va 0 - 25 cm meer dan 120 cm en trap Vb 25 - 40 cm meer dan 120 cm. Dit wil zeggen dat de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen de 140 cm en 200 cm varieert en dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert van 40-60 cm onder maaiveld. Zie onderstaande afbeeldingen.

Figuur 30: GHG (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

61 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Figuur 31: GLG (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Waterkwantiteit [1, 6, 7] Op alle watergangen en sloten binnen het plangebied, die zijn opgenomen in de legger, is de keur van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen); c. voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. -

Aanwezige watergangen beschrijven binnen en in de directe omgeving Ligt het plangebied binnen een beschermingszone van een watergang

Binnen het plangebied zijn geen A-waterlopen die zijn opgenomen in de legger van de keur van het waterschap. Tevens is geen beschermingszone van een watergang van toepassing. Wel bevindt zich zowel aan de zuid- als de noordkant van het plangebied een b-watergang. In het onderstaande is een uitsnede uit de legger van het waterschap opgenomen ter illustratie.

62 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Figuur 32: Uitsnede kaart Legger Waterschap Brabantse Delta

Veiligheid en waterkeringen [1, 7] Binnen en in de directe omgeving van de gemeente Dongen zijn geen waterkeringen gelegen. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en stelseltypen riolering Ter plaatse van de ontwikkeling is in de huidige situatie een gemengd rioolsysteem aanwezig. Toekomstige situatie Algemeen Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten binnen de gemeente Dongen worden in principe waterneutraal uitgevoerd, waarbij getracht wordt te voorkomen dat er negatieve effecten op gronden oppervlaktewater optreden. Hierbij wordt uitgegaan van een bui t=100 dat overeenkomt met een retentie van 78 mm. Verhard oppervlak wordt in principe niet aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. Onderstaande bergingseisen zijn hierbij van toepassing:

63 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Figuur 33: Bergingseis gemeentelijk waterbeleid

Bovenstaande tabel laat zien dat voor het plandeel waarbij de bestaande bedrijfswoningen met aanhorigheden worden herbestemd tot burgerwoningen per definitie geen bergingseis geldt. Dit omdat sprake is van bestaande bebouwing. Ten aanzien van de beoogde realisatie van een tweetal woningen ter plaatse van het overwegend noordoostelijke deel van het plangebied is de bergingseis hieronder verder uitgewerkt. Bijgebouwen Het bestaande bedrijfsgebouw zal worden verbouwd naar bijgebouw van 100 m² bij de nieuw te realiseren linker woning. Hiervoor geldt de bergingseis van 7 mm. Bij de rechter nieuwe woning kan een bijgebouw van 150 m² worden opgericht. Hiervoor geldt de bergingseis van 78 mm (nieuwbouw). Verharding Momenteel is het hele plangebied ter plaatse van de nieuwe woningen nagenoeg geheel verhard. Door de realisatie van tuinen bij de woning zal de verharding afnemen, uitgaande van een beoordeling ‘bestaande bebouwing’ geldt hiervoor geen bergingseis. Nieuwe woningen Voor de nieuwe woningen is een bouwvlak van ca. 23 m x 13 m opgenomen in een worst-case situatie kan dit dus voor ca. 300 m² bebouw worden. Hiervoor geldt de bergingseis van 78 mm (nieuwbouw).

Hemelwater afkomstig van de nieuwe daken en erfverharding wordt middels (dak)goten, kolken en afschot vanaf de erfverharding afgevoerd naar een aan te leggen infiltratievoorziening, waar dit nietverontreinigd hemelwater in de bodem kan infiltreren. Een en ander zal in een verdere planvorming, te weten op het moment van een omgevingsvergunning voor bouwen, voorzien worden van een nadere uitwerking. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. In casu wordt met het beoogde bouwplan rekening gehouden met het vorenstaande. Conclusie De ontwikkeling is passend binnen het vigerende beleid omtrent het aspect water. 64 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Uit deze wijziging blijkt dat de omvang van een project niet het enige criterium is om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het planinitiatief betreft de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf met sloop van overtollige bedrijfsgebouwen en de herbestemming naar wonen, waarbij wordt voorzien in de herbestemming een tweetal bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de komst van een tweetal woningen ter plaatse van de overwegend noordoostelijke zijde van de planlocatie.

Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van een tweetal woningen. Hierbij worden de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. 65 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.- beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. 4.16 Duurzaamheid Onderhavig planvoornemen betreft onder meer de komst van een tweetal woningen ter plaatse van het overwegend noordoostelijke deel van de planlocatie. Met de beoogde bouwwerkzaamheden staan de volgende duurzame uitgangspunten centraal: -

Aardgasloos bouwen; Compact volume > zo min mogelijk energieverlies via gevels en daken; FSC gecertificeerd hout toepassen, zowel voor de constructie als gevelbekleding; Grote gevelpuien worden voorzien van buitenzonwering om opwarming in de zomer tegen te gaan, en zodoende geen airco nodig te hebben (voorkomen broeikasgassen); Mogelijkheid tot warmtepomp op bodemwarmte onderzoeken > laag temperatuur vloerverwarming en in de zomer vloerkoeling; Mogelijkheid tot WTW unit onderzoeken > warmte uit de af te voeren lucht wordt gebruikt om verse koude lucht op te warmen voor hij binnenkomt; In de tuin zo min mogelijk harde bestrating toepassen.

66 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Daarbij dienen de volgende bestemmingsplannen als basis voor het onderhavige plan en worden deze eveneens van toepassing verklaard in de regels: - ‘Buitengebied’ (vastgesteld op 5 november 2009); - ‘Parapluplan Parkeren Dongen’ (vastgesteld 2 juli 2020).

67 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een wijzigingsplan, bestemmingsplan of verlenen van een Omgevingsvergunning voor een bouwplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij:  het kostenverhaal anderszins verzekerd is;  er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is;  er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meer hoofdgebouwen. De beoogde ontwikkeling kan worden bestempeld als een 'bouwplan' op grond van artikel 6.2.1 Bro. Omdat er een anterieure overeenkomst is afgesloten met de initiatiefnemer, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden.

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is Verder fungeert de initiatiefnemer als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en de gemeente Dongendraagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Dongen en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Dongen en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

68 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg onder meer aangeboden bij het Waterschap Brabantse Delta. Bij schrijven van 9 november 2023 heeft het waterschap een positief wateradvies gegeven. Het waterschap heeft in haar advies onder meer aangegeven dat aan de zuidrand van het plangebied en aan de noordrand van het plangebied wel B-wateren liggen, welke in de legger van het waterschap zijn opgenomen. Daarom wordt verzocht om deze te vermelden in de waterparagraaf. Verder wordt verzocht om in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van diverse uitlogende bouwmaterialen. De vooroverlegreactie van het waterschap is naar behoren verwerkt.

De waterparagraaf is aangevuld met een uitsnede van de legger en er is aanvullend een passage opgenomen ten aanzien van het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen. 7.2 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd, waarbij directe omwonenden zijn geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid zijn gesteld om hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Geen van de omwonenden heeft bezwaren geuit ten aanzien van het planvoornemen. Het plan is dan ook niet gewijzigd ten opzichte van de eerste opzet. De complete resultaten van de gevoerde omgevingsdialoog zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen. 7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. Gedurende de periode van tervisielegging zijn géén zienswijzen ingediend.

69 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

BIJLAGEN 1. Verkennend bodemonderzoek; 2. Archeologisch vooronderzoek; 3. AERIUS-berekening aanlegfase; 4. AERIUS-berekening gebruiksfase; 5. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai; 6. Resultaten omgevingsdialoog.

70 Toelichting bestemmingsplan Gemeentenweg 3, Dongen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13775958/1