CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl1- 25-63 Ontwerp motivering TAM-IMRO omgevingsplan, Groenstraat 8

Commissie Fysieke leefomgeving 23 oktober 2025, gemeente DongenBij agendapunt: INGETROKKEN Raadsvoorstel 25-63 Vaststellen omgevingsplan Groenstraat 8 Dongen19.313 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Rondom de planlocatie zijn een A-, en B-watergang gelegen, zie Afbeelding 8.

Afbeelding 8: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta

22 van 54

Gemeente In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het noodzakelijk om het aspect water bij ruimtelijke plannen vroegtijdig te betrekken in het planologische proces. Daarom heeft de gemeente Dongen een standaard waterparagraaf opgesteld.

Waterbeheer en watertoets

Voor alle ruimtelijke plannen zal een watertoets moeten worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde infiltreren, retentie binnen de planlocatie, retentie buiten de planlocatie of berging in bestaand watersysteem. Bij de berekening van de retentie wordt onderstaande tabel gehanteerd. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf Tabel 1: Bergingseisen vanuit de gemeente Dongen

Er is sprake van een verbouwing met vergroting van het verhard oppervlak. Binnen de planlocatie is totaal 2.235m2 verhard oppervlak in de huidige situatie. Met de beoogde ontwikkeling worden enkel 5 chalets van ieder 75m2 (in totaal 375m2) gerealiseerd. Voor de bestaande verharding hoeft in principe geen retentie te worden gerealiseerd. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt dit wel meegenomen met een schijf van 7mm. De parkeerplaats zal bestaan uit waterdoorlatende halverharding. In totaal dient er dus: 2.235 m2 x 0,007 m3 = 15,6m3 375 m2 x 0,060 m3 = 22,5m3 15,6 m3 + 29,25 m3 = 38,1m3 water te kunnen worden opgevangen. Op de planlocatie is een vijver aanwezig van circa 250m2. De GHG ter plaatse bedraagt respectievelijk 60 tot 100 centimeter. De vijver is circa 60 centimeter diep over de gehele 250m2. Indien over een oppervlakte van 100m2 de vijver een diepte zou hebben van 60 centimeter, kan er 0,6m x 100m2 = 60m3 water worden opgevangen. De vijver heeft dus ruim voldoende capaciteit om 45m3 water op te vangen. Er wordt dus aangesloten bij het gemeentelijk waterbeleid.

5.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geïnfiltreerd in de bodem en/of geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen infiltreren in de bodem of worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

23 van 54

5.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde waterhuishoudkundige situatie zal het huishoudelijke afvalwater afkomstig van de chalets, van de sanitaire voorzieningen en afkomstig van de bestaande bedrijfswoning geloosd worden op het gemeentelijk riool. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Ter plaatse van de watergangen worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing, mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de beoogde erfverharding voor de inrit naar de nieuwe parkeerplaats is reeds een duiker aanwezig, zie Afbeelding 8. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening.

De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat bij een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie zal er geen toename in het totale verharde oppervlak met meer dan 500 m² plaatsvinden. De bedrijfswoning blijft als zodanig in gebruik en het vakantieappartement wordt intern in de bedrijfsbebouwing gerealiseerd. De wens is om op langere termijn 5 chalets te realiseren. Ieder chalet zal 75m2 groot worden. In totaal wordt er dus 375m2 aan verharding gerealiseerd. De parkeerplaats zal van waterdoorlatende halfverharding worden gerealiseerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 5.3. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

5.3.1. Gebiedsbescherming

De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de Wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Langstraat, Biesbosch, Loonseen Drunense Duinen & Leemkuilen en Ulvenhoutse Bos. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.

24 van 54

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Langstraat, dat op een afstand van circa 5,9 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een berekening gemaakt voor de gebruiksfase en bouwfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 3 en Bijlage 11. In Bijlage 4 en Bijlage 12 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiks- en bouwfase van het plan niet groter zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Bovendien zullen de emissies van het bestaande agrarische bedrijf komen te vervallen. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

In de huidige situatie is de recreatieve activiteit de nevenactiviteit op de planlocatie. Aanvrager is voornemens om van de recreatieve activiteit de hoofdactiviteit te maken. Gepaard met deze ontwikkeling zullen er 10 kampeerplaatsen extra worden gerealiseerd waarvan er mogelijk 5 worden vervangen door een chalet. Hierdoor neemt het aantal kampeerplaatsen na realisatie van de chalets maximaal met 5 toe. Door de uitbreiding zal mogelijk het gebruik van stookinstallaties, kooktoestellen of barbecues toenemen. De chalets zijn echter 0 op de meter woningen en hebben geen gasaansluiting. Hoewel er meer verblijfsplaatsen gerealiseerd worden, vindt er geen planologische verslechtering plaats ten opzichte van barbecues of kooktoestellen. In de huidige planologische situatie is het niet verboden om op de planlocatie te barbecueën of te koken op een kooktoestel. Dit wijzigt niet. De chalets worden volledig elektrisch verwarmd. Daarnaast is zoals eerder benoemd, de planlocatie gelegen op 5,9 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied. Met de bouwfase vinden geen sloopwerkzaamheden plaats. Het plaatsen van de chalets gebeurt zonder emissie van stikstof. Ook het verbouwen van de chalets vindt plaats met enkel elektrisch handgereedschap, zie onderstaand. De riolering/elektra voor de chalets is voor het grootste deel reeds bestaand.

Wanneer de chalets geplaatst zijn, moeten deze enkel nog aangesloten worden. Er zal voor ieder chalet met een elektrische graafmachine een sleuf (van circa 20 meter) worden gegraven om de vervolgens de leidingen/kabels (met elektrisch handgereedschap) aan te sluiten op de bestaande riolering/elektra.

25 van 54

Afbeelding 9: Plaatsen chalets

De gemeente Dongen zal worden geïnformeerd wanneer de chalets geplaatst worden zodat de gemeente kan controleren of de chalets daadwerkelijk met een elektrische vrachtwagen geplaatst worden. Het vakantieappartement is weergeven in onderstaande afbeelding. In de huidige situatie is de vloer en het dak al geïsoleerd. Er moeten enkel nog werkzaamheden plaatsvinden met elektrisch handgereedschap om de beoogde situatie als vakantieappartement te kunnen realiseren. Ook voor het vakantieappartement vindt er dus geen productie van stikstof plaats in de bouwfase. De exacte werkzaamheden zijn opgenomen als separate bijlage. Hieruit blijkt dat er geen stikstofemissie plaatsvindt.

Afbeelding 10: Huidige situatie vakantieappartement

26 van 54

Hoewel alle werkzaamheden zullen plaatsvinden zonder het gebruik van mobiele werktuigen die gebruik maken van diesel is voor de beoogde ontwikkeling toch een berekening gemaakt van de bouwfase in AERIUS. Hierin is een representatief aantal uren ingevuld die mobiele werktuigen nodig zouden hebben om de bouwfase te realiseren. Uit deze berekening blijkt dat, ook als mobiele werktuigen die op diesel lopen worden ingezet, er geen sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Langstraat leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.

5.3.2. Soortenbescherming

De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Groenstraat 8 te Dongen, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren chalets, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.

Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten.

27 van 54

Door middel van een ecologische quickscan is onderzocht of het aantreffen van beschermde soorten/natuurwaarden op de planlocatie aan de orde is. De ecologische quickscan is uitgevoerd door Brabant Eco Ecologische dienstverlening (rapportnummer 2023_BE-0492). Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde fauna niet worden uitgesloten, echter worden beschermde diersoorten niet verstoord aangezien met de beoogde ontwikkeling de mogelijk huidige biotopen worden behouden. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Uiteraard blijft de zorgplicht voor beschermde soorten/natuurwaarden van toepassing. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het verstoren beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Een ontheffing voor het vellen van houtopstanden is derhalve niet noodzakelijk voor onderhavige ontwikkeling. 5.4.

Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen/projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

5.4.1. Cultuurhistorie en landschap

Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie onderstaande Afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.

28 van 54

Afbeelding 11: kaart aardkundige en cultuurhistorische waarden Ov, planlocatie weergeven met roze plusteken

Naast de kaart uit de Ov is er ook nog gekeken naar de cultuurhistorische waardenkaart. Op deze kaart heeft de planlocatie de aanduiding ‘Baronie’. De Baronie betreft een onderdeel van het dekzandplateau dat door meerdere beken doorsneden wordt. In de ontwikkelingsstrategie van de Baronie is omschreven dat het van belang is om de cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder te ontwikkelen, te beschermen en toeristisch-recreatief te ontsluiten. Met de beoogde ontwikkeling worden de bestaande cultuurhistorische waarde niet geschaad. Doordat de recreatieve activiteit van het bedrijf nu ook de hoofdactiviteit wordt, zal de planlocatie ook recreatief ontsloten worden.

Afbeelding 12: Uitsnede CHW-kaart (planlocatie aangegeven middels blauwe cirkel)

29 van 54

Afbeelding 13: Uitsnede CHW-kaart Dongen (planlocatie aangegeven met rood kader)

Zoals te zien in bovenstaande afbeelding heeft het grootste gedeelte van de planlocatie geen aanduiding op de CHW-kaart van de gemeente Dongen. Een klein gedeelte van de planlocatie (aan de wegzijde) ligt binnen ‘gebiedstype 1’. In de gebieden, aangeduid met ‘gebiedstype 1’ gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing met eventueel het aanwezige groen en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten. De belangrijkste objecten zijn reeds beschermd als gemeentelijk of rijksmonument of staan op de aandachtslijst van identiteitsbepalende objecten. Binnen de planlocatie zijn dergelijke identiteitsbepalende objecten niet gelegen. De beoogde ontwikkeling betreft het veranderen van de hoofdactiviteit op een bedrijf dat tot op heden is bestemd als ‘agrarisch’. Binnen de planlocatie zijn geen identiteitsbepalende objecten gelegen. De beoogde ontwikkeling doet ook geen afbreuk aan identiteitsbepalende objecten in de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt een landschappelijke inpassing gerealiseerd waardoor het aanwezige groen versterkt wordt. De beoogde ontwikkeling sluit daarom aan bij de gemeentelijke CHW-kaart.

5.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. De archeologische beleidskaart is vastgesteld door de gemeenteraad op 10 februari 2011 en moet gelezen worden in relatie tot de vastgestelde Erfgoedverordening. Ter plaatse van de planlocatie is de archeologische verwachtingswaarde middelhoog, zie Afbeelding 14.

30 van 54

Afbeelding 14: Archeologische Beleidsadvieskaart Gemeente Dongen, planlocatie zwart omkaderd

In het (tijdelijk) omgevingsplan is opgenomen dat het verboden is om werkzaamheden uit te voeren dieper dan 50 cm ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en over een oppervlak groter dan 100m2. Met het plaatsen van de chalets worden geen grondwerkzaamheden onder 30 centimeter (en ook niet onder de 50 centimeter) uitgevoerd. Voor het realiseren van de chalets wordt de grond tot 30 centimeter afgegraven en wordt er een verharding gerealiseerd. Hier worden de chalets bovenop geplaatst. De beoogde ontwikkeling leidt daarom niet tot belemmeringen voor het aspect archeologie. Onverminderd vorenstaande geldt voor de wettelijke meldingsplicht toevalsvondsten conform art. 5.10 van de Erfgoedwet. 5.5. Bodemkwaliteit Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art.

5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

31 van 54

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Het vakantieappartement wordt gerealiseerd in een bestaand gebouw waar al een verblijf van 2 uur of langer plaatsvindt. De kans is daarom klein dat er onaanvaardbare risico’s zullen zijn voor de toekomstige gebruikers van de bodem. Voor de gemeente Dongen is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar middels de bodemkwaliteitskaart Midden- en West-Brabant. Op de ontgravingkaarten boven- en ondergrond zijn de kwaliteitsklasse van de bodem aangegeven op het moment dat deze wordt ontgraven voor hergebruik elders. Voor het tot stand komen van deze kaart zijn de gemiddeld gemeten gehalten van de zones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit.

Ter plaatse van de planlocatie wordt op basis van deze bodemkwaliteitskaart de volgende bodemkwaliteit verwacht: - Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) : Klasse AW2000; - Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) : Klasse AW2000.

Afbeelding 15: Uitsnede bodemkwaliteit ontgravingskaart boven- en ondergrond (Midden- & West-Brabant)

Voor de beoogde ontwikkeling is tevens een bodemonderzoek toegevoegd. Het bodemonderzoek is uitgevoerd door Lankelma geo- milieu en funderingstechniek (rapportnummer 2103205). Middels dit bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen bestemmingswijziging op deze locatie. Met betrekking tot het aspect bodem zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Er is geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. 5.6. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een evenwichtige toedeling

32 van 54

van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste (overdrachts)maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen, zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De planlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien.

Er is geen voornemen om gewassen te gaan telen die horizontaal bespoten dienen te worden bij de eigenaren danwel de pachters van de gronden. Binnen de planlocatie worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. De wintergroene landschappelijke inpassing wordt juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het TAM-IMRO omgevingsplan. De te realiseren heg is inmiddels al gerealiseerd en is 5 meter breed. Hiermee wordt een groot gedeelte van de (dan wel niet de volledige) drift van de (al dan niet) toe te passen gewasbeschermingsmiddelen op omliggende percelen geweerd. De omliggende gronden worden enkel gebruikt voor het telen van maïs en gras. Er is geen voornemen om dit te wijzigen. GGD portaal omgevingsadvies Conform het GGD portaal wordt er bij het telen van gewassen/fruit regelmatig gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Deze kunnen mogelijk een effect hebben op de gezondheid van omwonenden. De GGD adviseert uit voorzorg om in nieuwe situaties zoveel als mogelijk afstand te houden tussen landbouwgrond waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige bestemmingen. De afstanden kunnen ingevuld worden met teeltvrije zones of spuitvrije zones die een (extra) veiligheidsmarge bieden. Vanuit jurisprudentie wordt veelal een afstand van minimaal 50 meter aangehouden tussen veld en gevoelige bestemmingen.

Maatregelen die kunnen worden getroffen volgens het portaal betreffen: - Bouw op afstand van akkerbouw/kwekerijen; neem bovenstaande adviesafstanden hierbij mee. Binnen 50 meter van de planlocatie ligt geen akkerbouwbedrijf of kwekerij. -

Voor bestaande situaties is het afdwingen van een afstand niet goed mogelijk. Het belangrijkste is hier een goede communicatie tussen teler en bezorgde omwonenden, eventueel gefaciliteerd door organisaties als de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) en de Koninklijke Algemene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) waar de teler lid van is. De gronden worden slechts gebruikt voor de teelt van gras en maïs. Er is geen voornemen om gewassen te gaan telen die horizontaal bespoten dienen te worden bij de eigenaren danwel de pachters van de gronden. Dit is nagevraagd. Er is ook communicatie geweest met omwonenden. De ontwikkeling betreft het uitbreiden van een camping en heeft geen invloed op de spuitzones ten opzichte van omwonenden. Ook hebben omwonenden geen effect op de spuitzones van bestaande percelen. Er heerst in de omgeving geen bezorgdheid met betrekking tot spuitzones. Gezien voorafgaande kan er geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft de spuitzones, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gegarandeerd kan worden binnen de planlocatie.

33 van 54

5.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). In de omgeving van de planlocatie bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische functies. Er ligt landbouwgrond in de omgeving en meerdere woonbestemmingen. Op circa 180 meter van de planlocatie ligt de kern van Dongen en met de beoogde ontwikkeling wordt er een bedrijf met een recreatieve hoofdtak toegevoegd. Vooraan in de straat ligt een groot tuincentrum. Binnen 100 meter afstand ligt een herdenk- vergader- trouwlocatie, een orthodontist en een bed & breakfast. Daarnaast is de planlocatie gelegen binnen een bebouwingsconcentratie. Op basis van vorenstaande lijkt de planlocatie in een gemengd gebied te liggen. Worstcasescenario wordt voor onderhavige ontwikkeling echter aangesloten bij rustig buitengebied.

Omliggende woningen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een camping aangemerkt als een milieucategorie 3.1 bedrijf (kampeerterrein, vakantiecentra, e.d.). Voor dergelijke bedrijven geldt dat de grootste richtafstand 50 meter bedraagt. Uitgangspunt is dat de bestaande vergunde rechten gerespecteerd blijven. De afstand dient daarom gemeten te worden tussen de bouwvlakken. In onderstaande tabel staat per aspect de richtafstand beschreven. Tabel 2: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering Kampeerterreinen, Richtafstand vakantiecentra, e.d. (met keuken) Geur 30 meter Stof 0 meter Geluid 50 meter

Geluid

Het bouwvlak van de planlocatie en omliggende woningen liggen op een kleinere afstand van elkaar dan 50 meter. Omdat niet voldaan kan worden aan de richtafstanden dient volgens de publicatie te worden gekeken naar stap 2. Om te kunnen toetsen aan stap 2 is het noodzakelijk dat er een akoestisch onderzoek uitgevoerd wordt voor de beoogde situatie. Als separate bijlage is een akoestisch onderzoek toegevoegd. Het akoestisch rapport incl. de berekeningen zijn uitgevoerd door F. Bouwmans

34 van 54

Ingenieursburo (rapportnummer 20230904-03). Op basis van het akoestisch onderzoek blijkt dat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ruimschoots kan worden voldaan aan de maximale richtwaarden in stap 2. Echter kan niet worden voldaan aan het maximale geluidniveau zoals opgenomen in stap 2. Indien stap 2 niet toereikend is kan worden aangesloten bij stap 3. Het bedrijf dient hier maatregelen te treffen om te voldoen aan de maximale grenswaarden in stap 3. In het akoestisch onderzoek zijn 3 maatregelen doorgerekend. Maatregel 1 betreft het sluiten van de noordelijke parkeerplaats in de avond- en nachtperiode (van 19:00 tot 07:00). Met deze maatregel wordt nog niet voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 maar wordt wel voldaan aan de richtwaarden uit stap 3. Maatregel 2 betreft maatregel 1 in combinatie met het plaatsen van een geluidswal van 1,8 meter hoog. Dit leidt er niet toe leidt dat voldaan kan worden aan de maximale richtwaarden uit stap 2. Aan de richtwaarden uit stap 3 wordt wel voldaan met het uitvoeren van maatregel 2. Maatregel 3 betreft het opsplitsen van de noordelijke parkeerplaats in m04a en m04b, zoals in onderstaande afbeelding. Bij maatregel 3 vinden er op route m04a geen bewegingen plaats in de avond- en nachtperiode (19:00 tot 07:00) en op route m04b geen bewegingen in de nachtperiode (23:00 tot 07:00).

Hieruit blijkt dat in de avond- en nachtperiode nog steeds niet voldaan kan worden aan de richtwaarden uit stap 2. In de avond- en nachtperiode wordt wel voldaan aan de richtwaarden uit stap 3.

Afbeelding 16: Parkeerplaats m04a en m04b

Indien de parkeerplaats m04a dus niet gebruikt wordt in de avond- en nachtperiode en de parkeerplaats m04b niet in de nachtperiode, wordt dus voldaan aan de maximale richtwaarden zoals opgenomen in stap 3. Aanvrager zal de noordelijke parkeerplaats in de nachtperiode (23:00 tot 07:00) standaard sluiten. De parkeerplaatsen binnen m04b kunnen in de avondperiode (19:00 tot 23:00) nog gebruikt worden. De overige parkeerplaatsen binnen m04a zullen vanaf 19:00 gesloten worden. Aan bezoekers zal bij binnenkomst worden vermeld wanneer de parkeerplaatsen gesloten zijn. Bezoekers kunnen dan gebruik maken van de zuidelijke parkeerplaats. Op deze manier kan worden voldaan aan stap 3 en kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect geluid geborgd worden. Uit de berekening blijkt wel dat in de dagperiode niet kan worden voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 van 70 dB(A). De vrachtwagen veroorzaakt bij de woning Groenstraat 7 een maximaal geluidniveau van 71 dB(A). Dit betekent een zeer geringe overschrijding van slechts 1 dB van de richtwaarde uit stap 3. Een verschil van 1 dB is niet hoorbaar. Opgemerkt wordt dat in de oude situatie, toen er nog sprake was van een agrarisch bedrijf, veelvuldig vrachtwagens het bedrijf bezochten en jarenlang gelijke of hogere maximale geluidniveaus veroorzaakten.

De huidige situatie is akoestisch gezien beduidend gunstiger dan de oude situatie. De zeer geringe overschrijding van 1 dB wordt dan ook toelaatbaar geacht.

35 van 54

Geur en stof

Beide aspecten komen later in onderhavige notitie aan bod. Voor het aspect stof wordt voldaan aan de richtafstand. Voor het aspect geur bedraagt de richtafstand 30 meter. Binnen 30 meter van de omliggende woningen ligt enkel de parkeerplaats van de planlocatie. De parkeerfunctie leidt niet tot een onevenredige geurbelasting op omliggende woningen. Daarbij is de camping (incl. de benodigde parkeergelegenheid) al vergund (echter slechts voor 25 plaatsen). Met onderhavige ontwikkeling komt de camping niet dichterbij omliggende woningen te liggen. Later in onderhavige toelichting wordt dieper ingegaan op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect geur.

Omliggende bedrijven

Daarnaast mogen omliggende bedrijven ook geen hinder ondervinden of beperkt worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden door de aanwezigheid van een recreatieve functie. Er zijn enkele agrarische bedrijven in de omgeving gelegen. Voor omliggende agrarische bedrijven is het aspect geur een belangrijk item als het gaat om beperkingen. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is de (bedrijfs)woning gelegen aan Groenstraat 8 te Dongen een geurgevoelig object. Aangezien er geen veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor binnen 50 meter van de planlocatie liggen en aangezien andere woningen dichter bij veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor zijn gelegen, betreft de woning aan de Groenstraat 8 nooit de maatgevende woning voor de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen voor het aspect geur. Daarnaast betreft het woon- en leefklimaat zeer goed conform Afbeelding 18. Dit kan worden gezien als een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De trouwlocatie Vlaamsche Spijcker aan de Groenstraat 9 is naar verluid bezig met het toevoegen van een kleinschalige horecavoorziening. Conform de Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten betreft deze ontwikkeling met SBI-code 561, een categorie 1 ontwikkeling waarbij een richtafstand geldt van minimaal 10 meter.

De afstand tussen het bouwvlak van de Vlaamsche Spijcker aan de Groenstraat 9 en het bouwvlak aan de Groenstraat 8 bedraagt circa 18 meter. Hiermee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de richtafstanden zoals deze gelden conform de Bedrijven en Milieuzonering van de VNG en de naastgelegen bedrijven elkaar niet belemmeren in het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten of uitbreidingsmogelijkheden. 5.8. Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd?

5.8.1. Belemmering bedrijvigheid

Op grond van de regels uit het omgevingsplan is en blijft de vrijkomende agrarische bedrijfswoning een geurgevoelig gebouw dat onderdeel uitmaakt van een veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Op grond van artikel 5.110 het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de afstand tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en de gevel van zo’n object, wanneer gelegen binnen de bebouwde komt, ten minste 100 meter bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Hetzelfde geldt voor de beoogde recreatieve nevenfuncties. Op grond van de regels uit het omgevingsplan, gelden de vaste afstanden namelijk ook voor objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd:

36 van 54

-

op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven, en in samenhang met de sloop van de dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunde activiteiten.

De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom. Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie zijn geen veehouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Hogedijk 54 te Oosteind. Dit betreft een rundveehouderij. Deze rundveehouderij ligt op 180 meter van de dichtstbijzijnde verblijfsplaatsen. Hiermee wordt dus voldaan aan de gestelde vaste afstanden in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

5.8.2. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNGhandreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Hogedijk 54 te Oosteind. Dit betreft een rundveehouderij. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 100 meter. De rundveehouderij ligt op een afstand van circa 180 meter ten opzichte van de planlocatie. De veehouderij aan de Laagstraat 30 te Dongen is beëindigd. In de omgeving van de planlocatie zijn geen intensieve veehouderijen gelegen, zoals varkens- of pluimveehouderijen. Voor deze bedrijfstypes geldt een richtafstand van 200 meter. Binnen 200 meter van de planlocatie zijn geen intensieve veehouderijen gelegen. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving.

Hogedijk 54, Oosteind

Laagstraat 30, Dongen

Hogedijk 82, Oosteind

Afbeelding 17: Uitsnede kaart Veehouderijen – Kaartbank Brabant

Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het aspect geur nader te beschouwen, wordt gebruik gemaakt van de Achtergrond geurbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant opgenomen met als peildatum juni 2023 en de kaart kan daartoe als recentelijk en accuraat

37 van 54

worden beschouwd. Uit Afbeelding 18 blijkt dat ter plaatse van de planlocatie de kwaliteit van de leefomgeving zeer goed is, waardoor in de beoogde situatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd zal zijn. Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Afbeelding 18: Uitsnede kaart Achtergrond geurbelastingkaart ODZOB, planlocatie zwart omcirkeld

Conclusie

Gezien hetgeen hierboven beschreven, is aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse van de planlocatie. Daarnaast is aangetoond dat omgekeerd de het recreatieve bedrijf niet belemmerend is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de in de nabijheid gelegen veehouderijen. 5.9. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

5.9.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst

38 van 54

te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Een plan of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoogde recreatieve functie dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Informatiepunt Leefomgeving een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde recreatiefunctie te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW.

Voor het vakantieappartement en de mogelijke 5 chalets wordt aangesloten bij de norm voor een chalet. Voor een chalet in het buitengebied wordt een verkeersgeneratie van minimaal 2,6 en maximaal 2,8 per bungalow voorgeschreven. Voor een camping (kampeerterrein) wordt in het buitengebied een verkeersgeneratie van 0,4 per kampeerplaats voorgeschreven. Er worden in de beoogde situatie 10 kampeerplaatsen meer gerealiseerd dan in de bestaande situatie. 5 van deze kampeerplaatsen zullen in de toekomst in gebruik genomen worden voor chalets, derhalve zijn de verkeersbewegingen ten behoeve van 5 chalets meegenomen als worstcase scenario. Dit resulteert in een worstcase scenario in een weekdaggemiddelde van 19 verkeersbewegingen van en naar de locatie aan de Groenstraat 8 te Dongen ((6 vakantieappartementen/chalets * 2,8) + (5 kampeerplaatsen * 0,4)). Het aandeel bezoekers (licht verkeer) bij een vakantiepark/camping is door de CROW geschat op 89% en voor het overige aandeel van 11% (ten behoeve van leveringen etc.) is uitgegaan van zwaar vrachtverkeer. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande planologische situatie zware verkeersbewegingen van en naar een agrarisch bedrijf plaats die in de beoogde situatie komen te vervallen.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

19

Aandeel vrachtverkeer

11,0%

NO2 in μg/m3

0,03

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 19: Uitsnede NIBM-tool

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

39 van 54

5.9.2. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een omgevingswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze omgevingswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een omgevingswaarde van 40 μg/m3. Indien aan deze omgevingswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,67 μg/m3, voor PM2,5 8,279 μg/m3 en voor NO2 12,11 μg/m3, zie Afbeelding 20, Afbeelding 21 en Afbeelding 22. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Afbeelding 20: Uitsnede GCN-kaart PM10, planlocatie aangegeven met rode stip

Afbeelding 21: Uitsnede GCN-kaart PM2,5, planlocatie aangegeven met rode stip

40 van 54

Afbeelding 22: Uitsnede GCN-kaart NO2, planlocatie aangegeven met rode stip

5.10. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van de planlocatie zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de planlocatie. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. De recreatieve verblijfsvoorzieningen hoeven niet betrokken te worden in de besluitvorming, (zie 3.21 Bkl). Omgekeerd heeft de recreatieve functie een geluidsuitstraling op de omgeving. In paragraaf 5.7 van deze toelichting is reeds getoetst aan de richtafstand uit de VNG-handleiding. Het aspect geluid is hierin voor een camping maatgevend.

Zoals reeds beschreven is zal de parkeerplaats worden gebruikt conform maatregel 3 in het akoestisch onderzoek waardoor er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het akoestisch rapport incl. de berekeningen zijn uitgevoerd door F. Bouwmans Ingenieursburo (rapportnummer 20230904-03). Uit de berekening blijkt wel dat in de dagperiode niet kan worden voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 van 70 dB(A). De vrachtwagen veroorzaakt bij de woning Groenstraat 7 een maximaal geluidniveau van 71 dB(A). Dit betekent een zeer geringe overschrijding van slechts 1 dB van de richtwaarde uit stap 3. Een verschil van 1 dB is niet hoorbaar. Opgemerkt wordt dat in de oude situatie, toen er nog sprake was van een agrarisch bedrijf, veelvuldig vrachtwagens het bedrijf bezochten en jarenlang gelijke of hogere maximale geluidniveaus veroorzaakten. De huidige situatie is akoestisch gezien beduidend gunstiger dan de oude situatie. De zeer geringe overschrijding van 1 dB wordt dan ook toelaatbaar geacht. Verder dient er ook te worden gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse van de bestaande woning. Volgens de kaart ‘Geluid in Nederland’ van Atlas leefomgeving is de geluidsbelasting ter plaatse van de woning aan de Groenstraat 8 (46 – 60 Lcum) wat wordt gecategoriseerd als goed.

Het gedeelte van de Groenstraat waar de woning binnen de planlocatie aan ligt is niet meegenomen in de kaart. Als een inschatting wordt gemaakt (door de geluidsbelasting van de Hogedijk) door te trekken, zal de woning naar alle waarschijnlijkheid in de categorie redelijk komen

41 van 54

te liggen. Er is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse van de woning aan de Groenstraat 8.

Afbeelding 23: Kaart geluid atlas leefomgeving

Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 5.11. Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Groenstraat. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. De weg wordt ontsloten door onder andere de N629. Deze ontsluitingsroute beschikt over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen in de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. De zware verkeersbewegingen van en naar de agrarische bestemming zullen komen te vervallen. De doorstroming van de verkeersbewegingen van en naar de locatie zal niet belemmerd worden, doordat de toename in lichte verkeersbewegingen gepaard gaat met de afname in zware verkeersbewegingen van het reeds beëindigde agrarische bedrijf. Hoewel niet met zekerheid valt te stellen dat er meer vervoersbewegingen wegvallen door de beëindiging van het agrarisch bedrijf, kan wel worden geconcludeerd dat de Groenstraat kan voorzien in de ontsluiting van de beoogde vervoersbewegingen.

De weg beschikt over voldoende capaciteit om de eventuele toename te ontsluiten. Er is nooit sprake van file. Het is doorgaans zelfs erg rustig op de weg. De nieuwe inrit zal bovendien zorgen voor een goede afwikkeling van de verkeersbewegingen. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de gemeentelijke parkeernormen. Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een bungalowpark (vakantiewoningencomplex) in het buitengebied geldt een parkeernorm van maximaal 2,2 parkeerplaatsen per bungalow. Voor een camping geldt in

42 van 54

het buitengebied een parkeernorm van maximaal 1,3 parkeerplaats per standplaats. In de beoogde situatie worden in totaal maximaal 35 kampeerplaatsen en één vakantieappartement, dan wel 30 kampeerplaatsen, 5 chalets en één vakantieappartement gerealiseerd. Er dienen derhalve in totaal 53 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden ten behoeve van de recreatieve functie ((30*1,3)+(6*2,2)). Inclusief 2 parkeerplaatsen bij de woning dienen er dus 55 parkeerplaatsen te zijn. Binnen de planlocatie is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Per parkeerplaats dient er minimaal 15m2 aan ruimte te zijn per auto. Dit is de ruimte om de auto binnen te parkeren inclusief de ruimte om te manoeuvreren. In totaal is er ruim 950m2 aan parkeerplaatsen, zie onderstaande afbeeldingen. Per auto is dit dus ruim 950m2 : 55 = 17,3m2 per auto. Er is dus ruim voldoende parkeergelegenheid. Daarnaast kunnen bezoekers hun camper ook op de kampeerplaatsen (niet parkeerplaatsen) parkeren.

Afbeelding 24: maatvoering parkeerplaatsen

De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 5.12. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag het TAM-IMRO omgevingsplan vaststellen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. Met de beoogde ontwikkeling worden extra verblijfsplaatsen ((beperkt) kwetsbare gebouwen) gerealiseerd.

5.12.1. Beleid

Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde

43 van 54

plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16020382/1