Bijl1- 25-63 Ontwerp motivering TAM-IMRO omgevingsplan, Groenstraat 8
Tekst van het document
Motivering TAM-IMRO omgevingsplan
Gemeente xx Groenstraat 8 Dongen
Titel - straat+plaats
0
Colofon
Gemeente:
Dongen
Planlocatie:
Groenstraat 8, 5102 PA te Dongen
Datum:
26-7-2021, 18-06-2025 (aangepast)
IMRO-code:
NL.IMRO.0766.OPTI20250080-VG01
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Projectnummer:
MLe/10193.009
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding en doel............................................................................................ 4
1.2.
Procedure........................................................................................................ 4
1.3.
Leeswijzer ....................................................................................................... 4
2. Huidige en toekomstige situatie ....................................................................... 5 2.1.
Huidige situatie ................................................................................................ 5
2.2.
Toekomstige situatie ........................................................................................ 6
2.3.
Participatie ...................................................................................................... 8
2.3.1. 2.3.2.
Bestuurlijk overleg .................................................................................... 8 Participatie omgeving ................................................................................ 8
3. Beleidskader ..................................................................................................... 9 3.1.
Rijksbeleid ....................................................................................................... 9
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Provinciaal beleid ........................................................................................... 10
3.2.1. 3.2.2. 3.3.
Omgevingsvisie Noord-Brabant ................................................................ 10 Omgevingsverordening Noord-Brabant...................................................... 11
Regionaal beleid ............................................................................................ 17
3.3.1. 3.4.
Nationale omgevingsvisie (NOVI) ............................................................... 9 Ladder duurzame verstedelijking (Bkl) ........................................................ 9
Visie verblijfsaccommodatiemarkt regio Hart van Brabant ........................... 17
Gemeentelijk beleid ........................................................................................ 17
3.4.1. 3.4.2.
Omgevingsvisie Dongen 2040 .................................................................. 17 Toekomstvisie Dongen 2025 .................................................................... 18
4. Toetsing aan het omgevingsplan .................................................................... 19 5. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 20 5.1.
M.e.r.-beoordeling.......................................................................................... 20
5.2.
Waterhuishouding .......................................................................................... 20
5.2.1. 5.2.2. 5.2.3. 5.3.
Natuur .......................................................................................................... 24
5.3.1. 5.3.2. 5.4.
Waterrelevant beleid ............................................................................... 20 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ................................................. 23 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ................................................... 24 Gebiedsbescherming ............................................................................... 24 Soortenbescherming ............................................................................... 27
Archeologie, cultuurhistorie en landschap ......................................................... 28
5.4.1. 5.4.2.
Cultuurhistorie en landschap .................................................................... 28 Archeologie ............................................................................................ 30
5.5.
Bodemkwaliteit .............................................................................................. 31
5.6.
Spuitzones..................................................................................................... 32
5.7.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................ 34
5.8.
Geur ............................................................................................................. 36
5.8.1. 5.8.2. 5.9.
Belemmering bedrijvigheid....................................................................... 36 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties ....................................... 37
Luchtkwaliteit ................................................................................................ 38
5.9.1. 5.9.2.
Niet in betekenende mate ........................................................................ 38 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties ....................................... 40
5.10.
Geluid ........................................................................................................... 41
5.11.
Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren ..................................................... 42
5.12.
Omgevingsveiligheid....................................................................................... 43
5.12.1. 5.12.2. 5.13.
Beleid .................................................................................................... 43 Toetsing aan beleid ................................................................................. 45
Technische infrastructuur................................................................................ 45
5.13.1. 5.13.2. 5.13.3.
Ondergrondse leidingen........................................................................... 46 Hoogspanningslijnen ............................................................................... 46 Radarverstoringsgebied ........................................................................... 46
5.14.
Volksgezondheid ............................................................................................ 47
5.15.
Landschappelijke inpassing ............................................................................. 47
5.16.
Duurzaamheid en circulariteit .......................................................................... 48
6. Financiële haalbaarheid .................................................................................. 50 7. Ontwerpprocedure ......................................................................................... 51 8. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties .......................................... 52 9. Bijlagen .......................................................................................................... 53
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel voor het opstellen van een TAM-IMRO omgevingsplan aan bod. Er wordt ingegaan op het geldend planologisch regime en de procedure wordt beschreven. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Het agrarische bedrijf aan de Groenstraat 8 te Dongen is beëindigd en initiatiefnemer wenst de recreatieve nevenactiviteit als hoofdactiviteit op de locatie voort te zetten. Door de jaren heen is de nevenactiviteit dusdanig uitgebreid dat is besloten om te stoppen met de agrarische bedrijfsvoering. Hierdoor is er geen sprake meer van een nevenactiviteit naast een agrarische bedrijfsvoering en dient een TAM-IMRO omgevingsplan te worden aangevraagd om de recreatieve activiteiten als hoofdactiviteit te mogen uitoefenen. Er is ambtelijk aangegeven dat de gemeente bereid is om mee te werken aan onderhavig initiatief. Het doel is om vorenstaande planologisch mogelijk te maken. 1.2. Procedure Voor het gewenste initiatief wordt een wijziging van het Omgevingsplan voorbereid. Een wijziging van het Omgevingsplan wordt voorbereid op het moment dat bijvoorbeeld gelijktijdig met het initiatief een aanpassing van de regels nodig is voor de verkleining van bouw- of gebruiksregels. Dit kan namelijk niet met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa).
Het wijzigen van het Omgevingsplan valt onder de werking van artikel 16.30, lid 1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Dit houdt in dat het ontwerpomgevingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Nadat het ontwerpomgevingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het omgevingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het omgevingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het omgevingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het omgevingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.3. Leeswijzer In deze motivering is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het geldende beleid uiteengezet waarbij gemotiveerd wordt op welke wijze de ontwikkeling past binnen de geldende kaders en visie/doelen voor het gebied. Daarna wordt in hoofdstuk 4 het voorgenomen plan getoetst aan het geldende omgevingsplan en worden de strijdigheden met het omgevingsplan in beeld gebracht. In hoofdstuk 5 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. Hiermee wordt de evenwichtige toedeling van functies aan locaties getoetst. Hoofdstuk 6 bevat de financiële haalbaarheid van het initiatief waarna in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de planologische afweging van het initiatief.
4 van 54
2. Huidige en toekomstige situatie In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Huidige situatie De planlocatie ligt in het buitengebied, ten westen van de kern van Dongen. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich zowel burgerwoningen als enkele agrarische bedrijven. De Groenstraat ligt in het buitengebied van Dongen en vormt tevens de gemeentegrens met Oosterhout. De Groenstraat verbindt de Heistraat en de Lage Ham met elkaar. De agrarische functies in de omgeving zijn de laatste jaren aanzienlijk afgenomen.
Afbeelding 1: Ligging planlocatie
Het agrarisch bedrijf is inmiddels gestaakt en binnen de planlocatie bevinden zich nu nog een bedrijfswoning en een voormalig agrarisch bijgebouw. In de bedrijfsschuur zijn de sanitaire voorzieningen en fietsenstalling gerealiseerd en is tevens een mantelzorgwoning aanwezig waar de (schoon-) moeder van de initiatiefnemers woont. Deze mantelzorgwoning is vergunningsvrij gerealiseerd. Daarnaast is sprake van een orangerie en is er ruimte voor 25 kampeerplaatsen als nevenactiviteit bij het (voormalige) agrarische bedrijf. Voor de 25 kampeerplaatsen is een vergunning verleend. Dit betreft de planologische uitgangssituatie. De vergunning is toegevoegd als separate bijlage. De camping staat bekend als een mooi begroeide landelijke comfortcamping en is op Zoover beoordeeld als “fenomenaal” en behoort daarmee tot de top 25 van Nederland. De luxe charmecamping staat zelfs in de top 10 van schoonste campings van Nederland bij Zoover. Onderstaande afbeelding weergeeft een plattegrond van de bestaande comfortcamping.
5 van 54
Afbeelding 2: Plattegrondtekening comfortcamping bestaande situatie
2.2. Toekomstige situatie Aangezien het agrarische bedrijf reeds gestaakt is, dient de nevenactiviteit in de vorm van een camping op een andere wijze ondergebracht te worden. De aanvrager is daarom voornemens om een TAMIMRO omgevingsplan op te stellen zodat de bestaande camping als hoofdactiviteit voortgezet kan worden. Eén van de kinderen heeft aangegeven op termijn de bedrijfsvoering voort te willen zetten. Om in de toekomst een financieel gezond en rendabel bedrijf te kunnen exploiteren zijn er verdere investeringen noodzakelijk. Het bestaande voormalige agrarische bijgebouw (bedrijfsloods) zal gedeeltelijk worden gebruikt als: - Sanitairgebouw en fietsenstalling (reeds bestaande situatie); - Gedeeltelijk als mantelzorgwoning (reeds bestaande situatie); - Opslag t.b.v. recreatiebedrijf (reeds bestaande situatie); - Bóven de bestaande mantelzorgwoning zal 1 vakantie-appartement worden gecreëerd.
6 van 54
De aanvrager wenst, zoals weergegeven in Afbeelding 4, 4 tot 5 chalets te plaatsen op het perceel, welke verhuurd gaan worden aan verblijfsgasten. De definitieve plaats van de chalets is in onderstaande afbeelding weergeven.
Afbeelding 3: Beoogde locatie chalets
Het aantal kampeerplaatsen zal worden uitgebreid tot 35 kampeerplaatsen. Indien er toekomstig 5 chalets worden geplaatst dan is er nog sprake van maximaal 30 kampeerplaatsen. Thans wordt de camping geëxploiteerd in het zomerseizoen, in de periode van 15 maart tot 31 oktober. Gelet op het feit dat het ‘winterkamperen’ de laatste tijd een flinke toevlucht maakt en het feit dat men graag jaarrond een financieel gezond bedrijf wil voeren, wil men de camping, het geplande recreatieappartement en de chalets tevens gedurende het winterseizoen open kunnen houden. Om parkeerproblemen te voorkomen is aan de zuidwestelijke zijde van de planlocatie een parkeerplaats aangelegd. Hiertoe zal de bestaande uitrit/inrit worden gebruikt. Deze inrit is in het verleden altijd als toegang naar de tuin en kleine dierenweide gebruikt. De inrit is 2 jaar geleden verhard middels betonklinkers. De bestaande orangerie en de mantelzorgwoning blijven bestaan met de beoogde ontwikkeling. In Afbeelding 4 wordt de gewenste situatie geïllustreerd. Bovengenoemde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast in de omgeving. Afbeelding 4 weergeeft de inrichtingsschets van de beoogde ontwikkeling. Deze inrichtingsschets is als een landschappelijk inpassingsplan met een omschrijving van de erfbeplanting op schaal opgenomen in Bijlage 1.
Dit landschappelijke inpassingsplan sluit aan bij de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling vinden geen sloopwerkzaamheden plaats.
7 van 54
Afbeelding 4: Inrichtingsschets Groenstraat 8 te Dongen
2.3. Participatie Voorafgaand aan het indienen van onderhavige motivering is overleg gevoerd met de gemeente Dongen. Onderhavig initiatief is in eerste instantie beknopt beschreven waarna de gemeente een positief standpunt heeft ingenomen op onderhavige ontwikkeling. Het participatietraject is vervolgens verder behandeld met meerdere belanghebbenden.
2.3.1. Bestuurlijk overleg
Er is overleg gevoerd over de beoogde ontwikkeling met de gebruikelijke overlegpartners (onder andere de OMWB en het waterschap Brabantse Delta). Naar aanleiding van deze overleggen is het plan enkele keren aangepast en is er een concreet en milieuhygiënisch en planologisch inpasbaar project tot stand gekomen.
2.3.2. Participatie omgeving
In de Omgevingswet is opgenomen dat participatie een belangrijk onderdeel is van projecten in de fysieke woon- en leefomgeving. De gemeente Dongen vindt het belangrijk dat inwoners optimaal betrokken worden bij plannen en projecten. Het is namelijk de taak van de gemeente om bij initiatieven te beoordelen hoe de omgeving is betrokken. Door participatie wordt ervoor gezorgd dat alle belangen, meningen, kennis en creativiteit direct op tafel komen. Door bezwaren, maar juist ook goede ideeën met elkaar te bespreken, kan het initiatief beter worden gemaakt en is er meer kans op betrokkenheid. De beoogde ontwikkeling betreft het uitbreiden van de van de recreatieve neventak op de planlocatie. Hierbij zal het agrarisch bedrijf planologisch beëindigd worden en wordt de recreatieve functie de hoofdfunctie van de planlocatie. De invloed en impact van de ontwikkeling op de omgeving is gering. In het kader van participatie is echter wel een omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden. De omgevingsdialoog is toegevoegd als separate bijlage. Hierin zijn de reacties van omwonenden weergeven. De reacties hebben niet geleid tot aanpassingen van het plan.
8 van 54
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het initiatief toegelicht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid
3.1.1. Nationale omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: - Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; - Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; - Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het ontwikkelen van een toekomstbestendig landelijk gebied en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. Uit de toetsing in hoofdstuk 3 van motivering blijkt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de kenmerken en uitgangspunten van het gebied. Uit de toetsing in hoofdstuk 5 van deze motivering blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op de waarden in de omgeving. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling de belangen van de NOVI ook goed afgewogen zijn.
3.1.2. Ladder duurzame verstedelijking (Bkl)
In onderhavige motivering is onderzoek gedaan voor de invulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking voor de beoogde ontwikkeling. Op basis van art 5.129g Bkl en in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is het noodzakelijk om de behoefte aan te tonen van een ontwikkeling op een locatie waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaatsvindt. Ook indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient gemotiveerd te worden waarom er niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit behoefte-onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
9 van 54
In artikel 5.129g onder 1 is opgenomen dat de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen dient te worden indien er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening, of een andere stedelijke voorzieningen en die voldoende substantieel is. Onderhavige ontwikkeling betreft een uitbreiding van een comfortcamping. Aanvrager is voornemens om van de recreatieve activiteit de hoofdactiviteit te maken. Gepaard met deze ontwikkeling zullen er 10 kampeerplaatsen extra worden gerealiseerd waarvan er mogelijk 5 worden vervangen door een chalet. Hierdoor neemt het aantal kampeerplaatsen na realisatie van de chalets maximaal met 5 toe. Ook wordt er een vakantie-appartement gerealiseerd boven de bestaande mantelzorgwoning.
Conclusie De Ladder duurzame verstedelijking heeft betrekking op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling omdat er maar een beperkt nieuw ruimtebeslag ten opzichte van het geldende planologische regime wordt gerealiseerd. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat toepassing van de ladder niet noodzakelijk is. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan.
10 van 54
Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie van Noord-Brabant.
3.2.2. Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Omgevingsverordening (Ov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Ov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Ov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een omgevingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Landelijk gebied, ‘Beperkingen veehouderij’, ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperking grootschalige logistiek’, zie Afbeelding 5.
Afbeelding 5: Uitsnede kaart werkingsgebieden Omgevingsverordening (Ov)
Afdeling 5.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het landelijk gebied. Met het initiatief wordt een niet-agrarische functie (recreatie) gerealiseerd. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 5.78 voor het vestigen van een niet-agrarische activiteit in landelijk gebied. Daarnaast wordt voor het vestigen van een vrijetijdsvoorziening getoetst aan artikel 5.79 van de Ov. Verder bevat artikel 5.66 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het initiatief wordt geen dierenverblijf opgericht. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van
11 van 54
toepassing. In artikel 5.65 zijn de afwijkende regels ten aanzien van de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ opgenomen. Deze regels beperken de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Het artikel is derhalve niet van toepassing op het initiatief. De planlocatie is gelegen op circa 750 meter van het werkingsgebied Natuur Netwerk Brabant (NNB). De concrete ambities voor het NNB staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Aangezien de planlocatie op grote afstand van NNB is gelegen heeft de ontwikkeling geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 5.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Ov nader uitgewerkt in de artikelen 5.8 t/m 5.10. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 5.11). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8) Conform artikel 5.8 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 5.129g, onder 2 van het Bkl (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. In de beoogde situatie is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik doordat de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag. Er wordt slechts gebruik gemaakt van bestaande bebouwing ten behoeve van een nieuwe functie(s). Enkel de te plaatsen chalets zijn aan te merken als nieuwe bebouwing. De beoogde chalets worden gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak en dus binnen het bestaande ruimtebeslag. Ook de extra kampeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het bouwperceel, verder vindt geen toename in bebouwing plaats. Middels onderhavige motivering zijn de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling. De chalets en extra kampeerplaatsen worden binnen het bouwperceel gerealiseerd.
Eerder in deze motivering is toegelicht dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Verder vindt er met de beoogde ontwikkeling geen splitsing van het bouwperceel plaats. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk,
12 van 54
energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 5.10) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In de beoogde situatie wordt meerwaarde gecreëerd doordat bestaande bebouwing wordt gebuikt ten behoeve van een nieuwe functie.
Door deze ontwikkeling wordt de aanvrager in staat gesteld zijn gestaakte agrarische bedrijf om te zetten naar een recreatiebedrijf, zodat geen leegstand van agrarische bedrijfsbebouwing plaats zal vinden. Ten slotte wordt de beoogde ontwikkeling gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. Kwaliteitsverbetering (artikel 5.11) Een omgevingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het omgevingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Dongen zijn de ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ van toepassing.
13 van 54
Afbeelding 6: Uitsnede tabel 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant'
De beoogde ontwikkeling is een TAM-IMRO omgevingsplan en is dus buitenplans. De ontwikkeling vindt plaats binnen het bouwvlak maar leidt wel tot een wijziging van de hoofdfunctie van het bedrijf (agrarisch naar recreatie). De ingreep heeft weinig tot geen inbreuk op het landschap. Feitelijk is er sprake van het voorzetten van de bestaande nevenactiviteit en zullen er slechts 10 kampeerplaatsen of 5 kampeerplaatsen en 5 chalets en één vakantieappartement worden gerealiseerd. De ontwikkeling kan derhalve worden aangemerkt als een categorie 2-ontwikkeling, waarbij landschappelijke inpassing een vereiste is. De grondwaarde van de planlocatie zal niet aanzienlijk toenemen ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Met het landschappelijke inpassingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het betrokken gebied en de naaste omgeving. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het TAM-IMRO omgevingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 5.11 van de Ov. Niet-agrarische activiteit (Artikel 5.78) Lid 1: Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een
niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12;
De beoogde ontwikkeling van het landelijke gebied betreft een gemengde plattelandseconomie met in hoofdzaak een agrarische economie met daarbij passende functies. Er is naast land- en tuinbouw in een gemengde plattelandseconomie ruimte voor de ontwikkeling van nietagrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Met de beoogde ontwikkeling wordt bebouwing van een vrijkomend agrarisch bedrijf hergebruikt voor een nieuwe functie. Hierdoor wordt leegstand en verloedering van het buitengebied voorkomen. Waardoor het initiatief bijdraagt aan de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie. De beoogde ontwikkeling betreft het ‘hergebruiken’ van
14 van 54
bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (circa 5.500 m²) ten behoeve van de nieuwe recreatieve functie. In de omgeving van de planlocatie zijn reeds meerdere agrarische bedrijven gestopt en hiervoor in de plaats zijn woningen en bedrijven met een niet-agrarische functie teruggekomen. De recreatieve functie is beter passend in de omgeving dan een agrarisch bedrijf, wat meer geluid-, geur-, en stofhinder met zich brengt. Dat de functie past binnen de omgeving blijkt tevens uit de toetsing aan de gemeentelijke omgevingsvisie, zie paragraaf 3.3.1 van deze motivering. De vestiging van een camping is niet wenselijk binnen de kern danwel op een bedrijventerrein. Het landelijk gebied is daarmee de ideale locatie voor de vestiging van de beoogde bedrijvigheid.
b. aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en
De bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt ingezet ten behoeve van de recreatieve functie. Hierdoor wordt verval en leegstand van deze bebouwing in de toekomst voorkomen. Er is geen sprake van overtollige bebouwing.
c. dit geen betrekking heeft op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. het toelaten van een nieuwe lawaaisport ; en 3. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking
De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op één van bovenstaande functies.
Lid 2: Het omgevingsplan regelt: a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan en welke omvang;
In de beoogde situatie gaat het om de verhuur van verblijfsrecreatieve eenheden in de vorm van: - kampeerplaatsen (maximaal 35 stuks, met dien verstande dat bij realisatie per chalet (maximaal 5 toegestaan) één staanplaats komt te vervallen): - vakantieappartement (1) in het bestaande bedrijfsgebouw: - vrijstaande chalets (maximaal 5 stuks, met dien verstande dat per chalet één kampeerplaats komt te vervallen). Dit wordt geborgd in de regels van het TAM-IMRO omgevingsplan.
b. dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in Artikel 5.12; In de toetsing bij lid 1 is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting als bedoeld in artikel 5.12. Met de beoogde ontwikkeling wordt de uitbreiding vastgelegd tot maximaal 35 kampeerplaatsen en één vakantieappartement. Deze ontwikkeling is passend binnen de ontwikkelingsrichting. Onderhavige ontwikkeling biedt geen verdere doorgroeimogelijkheden in het aantal kampeerplaatsen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling ook passend zal blijven in de binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
c. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten;
De publieksaantrekkende werking is nader toegelicht in paragraaf 5.11 van deze motivering. De ontwikkeling leidt niet tot een onevenredige publieksaantrekkende werking.
d. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en
Er zal geen buitenopslag plaatsvinden op de planlocatie. Opslag ten behoeve van de recreatieve functie zal plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing.
e. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a
Aanvrager wenst in de toekomst geen grootschalige recreatieve functie te exploiteren en het is dus niet de bedoeling om de recreatiefunctie in de toekomst nog uit te breiden. Indien onderhavige locatie niet meer zou volstaan dan zal de aanvrager uitwijken naar een andere locatie.
15 van 54
Lid 3 Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;
Het gaat om een bestaand bedrijf met een bestaand bouwperceel, bestaande gebouwen en een bestaande activiteit. Deze bestaande activiteit is weliswaar op dit moment enkel als nevenactiviteit toegestaan. Deze nevenactiviteit zal worden ontplooid en worden verbreed tot volwaardige bedrijvigheid. Gezien het feit dat de locatie met bijbehorende bouwwerken in eigendom is van de aanvrager is vestiging op een locatie elders financieel niet haalbaar. Gezien de toekomstige recreatieve activiteiten is het tevens niet wenselijk om deze te exploiteren op een bedrijventerrein. Daarnaast is een bedrijventerrein ook niet geschikt voor het vestigen van een recreatieve verblijfsfunctie gezien de (grootschalige) milieubelastende bedrijven die op een dergelijk terrein aanwezig zijn. Alle gebouwen die in de huidige situatie aanwezig zijn blijven ook in de beoogde situatie aanwezig ten behoeve van de recreatieve functie, er worden slechts nog extra kampeerplaatsen en enkele chalets extra gerealiseerd. Gezien de kleinschaligheid (1 vakantieappartement en 35 kampeerplaatsen, waarvan op eventueel 4 à 5 plaatsen chalets worden gerealiseerd) van de beoogde ontwikkeling is deze passend binnen de gemengde functionele structuur van de omgeving. b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200
m²;
Niet van toepassing. c.
een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.
Niet van toepassing, de bebouwing heeft geen omvang van 1 hectare (circa 5.500 m² aan bebouwing).
Lid 4: Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.75 Mestbewerking , als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving.
Middels onderhavige motivering wordt aangetoond dat de uitbreiding van de bestaande nietagrarische activiteit vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving.
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied. Vrijetijdsvoorziening (Artikel 5.79) In artikel 5.79 van de Ov zijn aanvullende regels opgenomen voor het realiseren van een vrije-tijds voorziening. Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing, omdat er geen sprake is van meer dan 1 hectare bebouwing of bovenlokale effecten danwel een bovenlokale publieksaantrekkende werking. Ook lid 4 is niet van toepassing omdat de ontwikkeling geen betrekking heeft op een watergebonden vrijetijdsvoorziening. Lid 3 is wel van toepassing, omdat sprake is van de plaatsing van chalets en een uitbreiding in kampeerplaatsen. Conform artikel 5.79 lid 3 van de Ov dienen de volgende aspecten te worden betrokken in dit bestemmingsplan:
Lid 3: Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van verblijfsrecreatie mogelijk maakt, waaronder de bouw van een recreatiewoning , borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; Het terrein en de verblijfsplaatsen (de gehele planlocatie) zal bedrijfsmatig worden beheerd.
b. b. permanente bewoning is uitgesloten.
16 van 54
Middels de regels in het TAM-IMRO omgevingsplan kan permanente bewoning worden uitgesloten in de recreatieve verblijfsplaatsen. Uit bovenstaande toetsing blijkt dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor de vestiging van de vrije-tijds voorziening. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3. Regionaal beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de ‘Visie verblijfsaccommodatiemarkt regio Hart van Brabant’.
3.3.1. Visie verblijfsaccommodatiemarkt regio Hart van Brabant De Regio Hart van Brabant beschikt over een breed en gevarieerd leisureaanbod. De regio heeft de ambitie deze sterke sector verder uit te bouwen. Momenteel heeft de regio Hart van Brabant behoefte aan een visie op de verblijfsaccommodatiemarkt. In paragraaf 1.2 van de visie zijn de kernbevindingen weergeven. Hier is onder andere in benoemd dat De regio Hart van Brabant een veelzijdige regio is, bestaande uit diverse kenmerken en typen leisure. Vanuit deze leisuretypen is een vraaggerichte regio indeling tot stand gekomen. Er is bijvoorbeeld een beperkte marktruimte voor nieuwe hotelkamers tot en met 2026. Voor vakantiewoningen- en parken is de gemiddelde bezetting redelijk maar wel onder de norm. Voor overige verblijfstypen is de marktpotentie wisselend. Specifiek voor kampeeraanbod is het onderstaande opgenomen in de visie.
Gericht invullen van mogelijkheden voor nieuwe kampeeraanbod De marktpotentie voor campings is aanwezig, maar beperkt. Er zijn kansen voor de goede concepten passend bij trends en ontwikkelingen. Deze zien wij zowel in het stedelijk gebied (stadscampings) als in het buitengebied (recreëren in het buitengebied op een ‘reguliere’- of minicamping). mogelijkheden tot nieuw kampeeraanbod liggen vooral in de regio’s die vallen binnen het recreëren in het buitengebied. Hier is relatief veel (fysieke) ruimte om campings te openen, zowel ‘reguliere’ als minicampings. Belangrijk is dat bij opening (of uitbreiding) van campings rekening wordt gehouden met bepaalde trends. Dit betreffen onder andere duurzaamheid, juist basic of juist luxe. De standplaatsen van de camping op de planlocatie betreft een basic locatie. Er is een sanitair gebouw, parkeergelegenheid voor fietsen en auto’s, een orangerie, en grasveld. Dit maakt ook dat de camping erg duurzaam is. Er zijn vaste klanten die jaarlijks komen genieten van de rust die de projectlocatie te bieden heeft. Gelijktijdig wordt aan de voorzijde ook ingespeeld op een luxer gedeelte met de plaatsing van de chalets. Deze chalets worden duurzaam geplaatst en zullen geen emissie van broeikasgassen hebben. Er valt te concluderen dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de visie verblijfsaccommodatiemarkt van de regio Hart van Brabant. 3.4.
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie ‘Omgevingsvisie Dongen 2040’ en de ‘toekomstvisie Dongen 2025’.
3.4.1. Omgevingsvisie Dongen 2040
Op 25 mei 2023 is door de gemeenteraad van Dongen de ‘Omgevingsvisie Dongen’ vastgesteld. In de omgevingsvisie laten de gemeente zien waar de gemeente Dongen voor staat en waar de gemeente naar toe wil in de toekomst. De combinatie van ‘thema’s’, ‘waarden’ en ‘ambities’ bepaalt de mogelijkheden voor nieuwe initiatieven in onze verschillende gebieden. De omgevingsvisie van Dongen deelt de gemeente op in 5 gebieden zijnde ‘Kern Dongen’, ‘‘s Gravenmoer, Klein-Dongen en Vaart’, ‘Historische linten’, ‘Bedrijventerreinen’ en ‘Buitengebied’. De planlocatie is gelegen in het buitengebied.
17 van 54
De omgevingsvisie is opgedeeld in thema’s. Eén van de thema’s is de ‘Recreatie en toerisme’. Onder recreatie wordt verstaan ‘alle mogelijkheden voor eigen inwoners om hun vrije tijd te besteden’. Een kenmerk van het thema recreatie en toerisme is dat ontwikkelingen snel gaan. De sector groeit en is sterk afhankelijk van de ruimte die mensen hebben om geld uit te geven aan leuke dingen. De vraag naar duurzame vormen van recreatie en toerisme en ‘groene vakanties’ neemt toe. Hier past de beoogde ontwikkeling perfect binnen. Ook COVID-19 heeft nog altijd invloed op de manier van recreëren. Er wordt gezocht naar meer vormen van recreatie en toerisme in eigen land en in de eigen regio. Conform de omgevingsvisie is verblijfsrecreatie in het buitengebied is welkom, zolang landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet worden aangetast en rust, groen en ruimte behouden en versterkt worden. Door het voorzetten van de recreatieve functie als hoofdactiviteit zal een doelmatige en winstgevende bedrijfsvoering op de locatie uitgevoerd kunnen worden. Door de beoogde ontwikkeling te combineren met een zorgvuldige landschappelijke inpassing wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Er worden geen waarden aangetast met de beoogde ontwikkeling. Het beoogde initiatief past dus binnen de ambitie van de Omgevingsvisie Dongen.
3.4.2. Toekomstvisie Dongen 2025
Dongen is een gemeente met drie kernen en drie gezichten. Van rustiek landelijk, naar de statigheid van een kerkdorp, naar een groter dorp met een goed aanbod aan winkels en voorzieningen. In Dongen is het vrijwilligersleven bloeiend. Sport, kunst, cultuur en educatie is allemaal te vinden in Dongen. Een gemeente die bruist, met veel evenementen en activiteiten. Mensen kennen elkaar en zijn bereid om dingen voor elkaar te doen en om met elkaar ergens de schouders onder te zetten. Daarbij is het een gemeente waar unieke, toonaangevende bedrijven zijn gevestigd. De toekomstvisie van de gemeente Dongen moet antwoord geven op de vraag: ‘Hoe houden we Dongen in de toekomst die gemeente waar het prettig wonen, werken en leven is?’ De toekomstvisie 2025 uitgewerkt aan de hand van vijf pijlers. Dat zijn de belangrijkste opgaven waar de gemeente en de gemeenschap de komende jaren voor staat: - Dongen als woon- en leefgemeente: Dongen Leeft! - Zorg om en voor inwoners: Dongen Zorgt! - Veiligheid: Veilig Dongen! - Economie en werkgelegenheid: Dongen Onderneemt! - Dienstverlening: Dongen Dient! Kijkend naar bovenstaande pijlers is het onderdeel economie en werkgelegenheid de pijler die het meeste aansluit bij onderhavige ontwikkeling. Dongen is een landelijke gemeente, en bevindt zich in een regio met veel recreatie. Van oudsher is Dongen niet echt een verblijfs- of recreatiegemeente.
Maar de laatste jaren zijn er de nodige ontwikkelingen op dat gebied geweest. Tegelijkertijd neemt in de regio, met de ontwikkelingen bij de Efteling en de Beekse Bergen, het langdurig verblijf in de regio toe. Zowel op het gebied van recreatie als verblijf zijn binnen Dongen meer ontwikkelingen realiseerbaar. Er is ruimte om het aantal bedden in de gemeente te vergroten. Het is goed om aansluiting te zoeken bij Hart van Brabant, waar beleidsmatig en projectmatig vorm gegeven wordt aan recreatie en leisure. Op basis van de toekomstvisie van de gemeente Dongen blijkt dus dat op het gebied van recreatie en verblijf ontwikkelingen realiseerbaar zijn binnen de gemeente. Eerder deze motivering is al beleidsmatig aangesloten bij het Hart van Brabant. De beoogde ontwikkeling is daarom passend binnen de toekomstvisie 2025 van de gemeente Dongen.
18 van 54
4. Toetsing aan het omgevingsplan Het omgevingsplan van de gemeente Dongen bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat. In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan dit omgevingsplan en worden de strijdigheden beschreven. De planlocatie aan de Groenstraat 8 is gelegen binnen het ‘Omgevingsplan gemeente Dongen’. De van toepassing zijnde regels en verbeelding zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, vastgesteld op 5 november 2009. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn van toepassing op de planlocatie: - Enkelbestemming: Agrarisch; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie - 2; - Bouwvlak; - Gebiedsaanduiding: Reconstructiewetzone – extensiveringsgebied; - Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone – ontheffingsgebied 2.1; - Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone – wijzigingsgebied 2.
Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’ gemeente Dongen
In het vigerende bestemmingsplan is geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Om de beoogde ontwikkeling (exploiteren van een recreatieve functie als hoofdfunctie) mogelijk te maken dient een TAM-IMRO omgevingsplan te worden opgesteld
19 van 54
5. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1. M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen. Het gaat hierbij enkel om plannen die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Voor dergelijke plannen moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Indien een plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de plannen/projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze plannen/projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien het plan is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. In Bijlage 2 is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgenomen waarin alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er gelet op de kenmerken van de ontwikkeling, de locatie en de kenmerken van de potentiële effecten geen aanleiding is tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het college wordt verzocht om op basis van bovenstaande en hetgeen in Bijlage 2 een besluit te nemen op de m.e.r.-beoordeling. 5.2. Waterhuishouding In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
5.2.1. Waterrelevant beleid
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
20 van 54
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt de planlocatie niet in een gebied waarvoor instructieregels zijn opgenomen. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem.
Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes;
21 van 54
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Water als drager voor een vitale regio Evenwicht in het water- en bodemsysteem We werken samen We werken duurzaam We werken veerkrachtig en vernieuwend We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft per 1 april 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.