CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl-4 25-68 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Baan 10 Dongen Motivering

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 25-68 Omgevingsplan Oude Baan 1022.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is geen noodzaak om met betrekking tot dit aspect regels op te nemen.

5.5

Water en watersystemen

5.5.1 Wettelijk kader Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Aanvullende instructieregels Voor een aantal specifieke Rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; behoud waterveiligheid kust, artikel 5.40 van het Bkl;

39/76

behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl; IJsselmeergebied, artikel 5.49 van het Bkl. Een bopa moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. 5.5.1.1 Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, de waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen en ambities van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Hiermee geeft het waterschap de koers aan voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. In dit programma is verwoord dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna.

Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Het waterschap heeft waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en een eigen verordening: de Waterschapsverordening (voorheen Keur) en de Legger. De Waterschapsverordening en de Legger zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. De Waterschapsverordening bevat regels met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Met de Omgevingswet werkt het Waterschap Brabantse Delta met het 'ja, mits'-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de Waterschapsverordening De kaart 'Weging van het waterbelang' geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In de Waterschapsverordening is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam (artikel 2.2). Dit geldt ook voor neerslag door toename van verhard oppervlak, dat al dan niet via een afvoer op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd. Dit verbod is van toepassing tenzij (artikel 2.31): het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;

40/76

de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06'. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt geborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. 5.5.1.2 Gemeentelijk kader Het Water- en Rioleringsplan Dongen geeft het beleid van de gemeente Dongen weer op het gebied van rioleringszorg (afvalwater en hemelwater) en haar gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van grondwater. In het plan komt ook het stedelijke oppervlaktewater aan de orde, omdat hemelwater, grondwater en zelfs afvalwater relaties hebben met het oppervlaktewater.

De zorgplichten zijn zodanig geformuleerd dat iedere gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid houdt om een eigen invulling te kiezen voor de lokale situatie. Dit Water- en Rioleringsplan Dongen geldt voor onbepaalde tijd en wordt indien nodig geactualiseerd. Momenteel geldt de versie 2022. Op 27 december 2023 heeft de gemeente Dongen de 'Verordening afvoer hemel- en grondwater Dongen' gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2024 is het bij een nieuw verhard oppervlak groter dan 20 m2 verplicht een hemelwatervoorziening te treffen van minimaal 60 liter per m2. Dit kunnen infiltratievoorzieningen zijn, wadi’s of andere methoden om hemelwater op te vangen. 5.5.2 Toetsing 5.5.2.1 Huidige situatie Algemeen Het plangebied omvat het terrein gelegen aan de Oude Baan. Het plangebied (totaal circa 3.407 m2) is in de huidige situatie voor circa 1.707 m2 verhard en circa 1.700 m2 onverhard. Bodem en grondwater In het bodemonderzoek zoals opgenomen als bijlage 12 is de volledige bodemopbouw in beeld gebracht. Het maaiveld ligt op 5,36 m +NAP. De deklaag bestaat uit een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei. Het eerste watervoerende pakket bestaat uit een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei.

De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Op de onderzoekslocatie in de omgeving vindt voor zover bekend geen grondwateronttrekking plaats.

41/76

Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Dongen ligt, is het plangebied op de Bodemkaart van Nederland niet gekarteerd. In de directe omgeving van de kern van Dongen zijn hoofdzakelijk zandgronden aanwezig. In de omgeving van de kern van Dongen zijn verschillende grondwatertrappen aanwezig. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is 1 - 1,5 meter onder maaiveld (figuur 5.1). De gemiddelde laagste grondwaterstand is < 2 meter onder maaiveld (figuur 5.2).

Figuur 5.1 Gemiddelde hoogste grondwaterstand (Bron: Klimaateffectatlas)

Figuur 5.2 Gemiddelde laagste grondwaterstand (Bron: Klimaateffectatlas) Waterkwantiteit Op alle watergangen en sloten die zijn opgenomen op de digitale kaart 'Weging van het waterbelang' van waterschap Brabantse Delta, is de Waterschapsverordening van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 meter vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen);

42/76

voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Op basis van bovenstaande afstanden kan gesteld worden dat in of nabij geen watergangen gelegen zijn. Veiligheid en waterkeringen Binnen en in de directe omgeving van de gemeente Dongen zijn geen waterkeringen gelegen. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel. 5.5.2.2 Toekomstige situatie Algemeen Initiatiefnemer is voornemens elf woningen mogelijk te maken op de locatie aan de Oude Baan. Voor de verhouding verhard en onverhard oppervlak wordt uitgegaan van de vermelde oppervlaktes op de situatietekening zoals opgenomen in figuur 5.3 en bijlage 7 in combinatie met tabel 5.3.

43/76

Figuur 5.3 Situatietekening oppervlaktes verhard en onverhard (Bron: GEWOON architecten) Tabel 5.3 Overzichtstabel oppervlaktes binnen het plangebied (Bron: GEWOON architecten)

Voor het toekomstig verhard oppervlak kan worden uitgegaan van 2.336 m2, waarbij halfverharding is meegenomen als 50% verhard. Ten opzichte van de bestaande situatie betekent dit een toename circa 629 m2. Waterkwantiteit

44/76

Op basis van de 'Verordening afvoer hemel- en grondwater Dongen' is het bij een nieuw verhard oppervlak groter dan 20 m2 verplicht een hemelwatervoorziening te treffen van minimaal 60 liter per m2. De regel uit de verordening is tevens als beoordelingsregel voor het bouwen geborgd in artikel 19.5 van voorliggend TAM-omgevingsplan. Hemelwatervoorzieningen kunnen gerealiseerd worden via verschillende methoden, bijvoorbeeld in de vorm van infiltratievoorzieningen of wadi’s. Bij voorliggend plan aan Oude Baan 10 wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van circa 2.336 m2. De benodigde compensatie bedraagt 140,2 m3 (0,06 x 2.336 m2). In het plangebied wordt dit gecompenseerd via het realiseren van een infiltratieriool. Een infiltratieriool is een afwateringssysteem dat regenwater tijdelijk opvangt en langzaam laat infiltreren in de ondergrond. Het bestaat uit geperforeerde buizen of krattensystemen (vaak in grindbedden of zandige ondergrond) die zijn aangesloten op straatkolken of goten. De gemiddelde grondwaterstand laat dergelijke toepassingen toe en er kan aansluiting gezocht worden bij de toekomstige regenwaterstructuur. De definitieve waterbergingsvoorzieningen zullen in de (civieltechnische) uitwerkingsfase richting de bouwvergunningsaanvraag concreet uitgewerkt worden.

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering, vigerend waterschapsbeleid en het verbreed GRP Dongen is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeurs-volgorde aangehouden: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van hemelwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet-gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater wordt ingezameld en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld onder d. (in de praktijk dus vooral hemelwater) wordt hergebruikt (zo nodig na zuivering aan de bron); f. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt lokaal in het milieu teruggebracht (zo nodig na zuivering aan de bron); g. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt als stedelijk afvalwater ingezameld en naar een rwzi getransporteerd. Bij de herontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de bestaande rioolaansluitingen. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in het projectgebied.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Daarom wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals

45/76

lood, koper, zink en zacht PVC niet toegestaan. 5.5.3 Conclusie Het project past binnen de geldende instructieregels voor water. Uit de waterparagraaf blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse en dat voldaan kan worden aan het beleid van de gemeente. Er is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van het aspect water.

5.6

Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 5.6.1 Verkeer Gemotoriseerd verkeer De bereikbaarheid van de toekomstige woningen per gemotoriseerd verkeer is goed. Ontsluiting vindt plaats via de Oude Baan, Julianastraat en Kanaalstraat. Via deze wegen is ontsluiting in de richtingen van onder meer Oosterhout, Rijen en Tilburg mogelijk. Tussen de Oude Baan en Wilhelminastraat is een verkeersknip aanwezig. Openbaar vervoer Aan de Tramstraat, op circa 2 minuten loopafstand van het projectgebied, bevindt zich een bushalte waar bussen in de richtingen van Rijen, 's Gravenmoer en Waalwijk halteren (buslijn 231). Aan de Middellaan, op circa 10 minuten loopafstand, is een bushalte aanwezig waar bussen in de richtingen van onder meer Tilburg, Breda en Oosterhout halteren. Ook de bereikbaarheid van het projectgebied per OV is dus goed. Langzaam verkeer Het fietsverkeer op de wegen rondom het plangebied maakt gebruik van de openbare erftoegangsweg (onder andere op de Oude Baan, Julianastraat en Kanaalstraat) en de gearceerde fietsstroken (onder andere op de Wilhelminastraat en Tramstraat). Er zijn geen vrijliggende fietspaden aanwezig. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend met kencijfers van het CROW (publicatie 744).

De projectlocatie valt onder stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' en 'schil centrum' In de huidige planologische situatie is binnen het plangebied reeds een vrijstaande woning toegestaan. Hiermee heeft het plangebied planologisch gezien al een verkeersaantrekkende werking van circa 8,4 mvt/etmaal (maximale generatie op basis van categorie 'koop, huis, vrijstaand'). In de beoogde situatie vervalt de huidige planologische verkeersgeneratie en wordt deze vervangen door de verkeersgeneratie die mogelijk gemaakt wordt met de beoogde woningbouwontwikkeling. Het programma van deze ontwikkeling is zoals beschreven in paragraaf 2.2 gebaseerd op twee vrijstaande woningen en negen levensloopbestendige geschakelde woningen. Ten aanzien van de verkeersgeneratie wordt (worst-case) uitgegaan van de volgende indeling in de CROW-categorieën: Twee woningen in categorie 'koop, huis, vrijstaand'; Negen woningen in de categorie 'koop, huis, tussen/hoek';

46/76

De verkeersgeneratie voor de toekomstige situatie is weergegeven in tabel 5.4. Tabel 5.4 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Aantal Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tussen/hoek Totaal

2 9 11

Kencijfers CROW Weekdag (max.) 8,4 16,8 7,3 65,7 82,5

Werkdag 18,6 72,9 91,5

Voor het beoogde woonprogramma betekent dit een verkeersgeneratie van 82,5 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,11 voor woonfuncties. Op een gemiddelde werkdag genereert de ontwikkeling 91,5 mvt/etmaal. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in een spitsuur maatgevend, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. In een gemiddeld spitsuur betekent dit een verkeersgeneratie van 9,1 mvt. Deze verkeersgeneratie is dusdanig beperkt dat het zal opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. 5.6.2 Parkeren Conform het plan zullen twee vrijstaande en negen geschakelde woningen gerealiseerd worden. Bij het bepalen van de parkeernorm dient rekening te worden gehouden met de stedelijkheidsgraad van het gebied. Volgens de kaart die is opgesteld door de gemeente behoort het projectgebied tot 'Schil Dongen'. Voor wat betreft de twee vrijstaande woningen wordt conform het 'Parapluplan Parkeren Dongen' aangesloten bij de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Voor wat betreft de grondgebonden woningen wordt aangesloten bij de categorie 'koop, huis, tussen/hoek'. De parkeerbehoefte (inclusief aandeel bezoekersparken) is als volgt bepaald: Vrijstaande woningen: 2 x 2,3 = 4,6 parkeerplaatsen Geschakelde woningen: 9 x 2,1 = 18,9 parkeerplaatsen.

In totaal zijn daarmee (4,6 + 18,9) 23,5 parkeerplaatsen benodigd. Conform het parapluplan van de gemeente Dongen gelden bij woningen verschillende uitgangspunten voor parkeervoorzieningen: een dubbele inrit van minimaal 4,5 meter diep telt als 1,7 parkeervak; een enkele inrit van minimaal 5 meter diep telt als 0,8 parkeervak. Binnen het planvoornemen zijn op basis van deze uitgangspunten rekentechnisch (9 x 1,7 = 15,3) + (2 x 0,8 = 1,6) 16,9 parkeervakken op de kavels van de woningen aanwezig. Daarmee zijn er nog (23,5 - 16,9) 6,6 (afgerond 7) parkeervakken benodigd zijn in het openbaar gebied binnen het plangebied. Daar er conform het stedenbouwkundig plan in figuur 2.8 nu 7 parkeerplaatsen voorzien zijn in het openbaar gebied wordt binnen de grenzen van het plangebied voldaan aan de parkeerbehoefte van de beoogde woningen. De uitwerking van het parkeren is opgenomen als bijlage 8 bij voorliggend TAM-omgevingsplan. 5.6.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de planrealisatie.

47/76

5.7

Ecologie: gebiedsbescherming

5.7.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedsel-kwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet significant zal aantasten. De Natura 2000-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele Natura 2000-vergunningplicht Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een wijziging van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

Houtopstanden (bos) Mocht de beoogde ontwikkeling gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.

48/76

5.7.2 Toetsing Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft Langstraat op een afstand van circa 6,5 kilometer. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op circa 1 kilometer ten zuiden van het plangebied. De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Nederland is weergegeven in figuur 5.4.

Figuur 5.4 Het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas leefomgeving) Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd. De memo stikstofdepositie is opgenomen als bijlage 9. De berekeningen voor de realisatie- en gebruiksfase (2025) zijn opgenomen als bijlage 10. Uit de berekeningen (AERIUS versie 2025.0.1) blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is op basis van dit aspect uitvoerbaar. Verder gaat dit project niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour, waarvoor een verbod en herplantplicht geldt.

49/76

5.7.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden met zich meebrengt.

5.8

Ecologie: soortenbescherming

5.8.1 Wettelijk kader Indien een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd mogelijk gevolgen heeft voor verblijfs- of groeiplaatsen van beschermde dieren of planten, dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De flora- en fauna-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele flora- en fauna-vergunningplicht, aan de hand van een quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Of een flora- en faun-activiteit vergunbaar is wordt beoordeeld in de daarvoor geldende procedure bij GS als bevoegd gezag. 5.8.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is weergegeven als bijlage 11. Deze quickscan is in 2023 uitgevoerd onder de oude Wet natuurbescherming (Wnb) en in 2025 naar aanleiding van afstemming met Omgevingsdienst op onderdelen geactualiseerd.

De inmiddels doorgevoerde wetswijziging naar de Omgevingswet heeft echter geen invloed op de quickscan, waardoor resultaten voor voorliggend TAM-omgevingsplan nog steeds bruikbaar zijn. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting van deze quickscan. Binnen de soortenbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd. In het plangebied bevinden zich mogelijke nestplaatsen van vogels. Het is aan te raden om te werken buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart - 15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de soortenbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo'n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Nader onderzoek of een ontheffing soortenbescherming is niet noodzakelijk gebleken.

Binnen het plangebied ontbreken geschikte verblijfplaatsmogelijkheden voor beschermde soorten. De in het plangebied te verwachten

50/76

soorten genieten lichte bescherming onder de soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing. Het planvoornemen zelf heeft verder geen negatieve invloed op de mogelijk aanwezige soorten. Pas bij de uitvoer van de voorgenomen werkzaamheden is het noodzakelijk dat bekend is wat de exacte functie van beschermde soorten is en dient indien noodzakelijk een ontheffing te zijn verleend. 5.8.3 Conclusie Het aspect soortenbescherming ecologie vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

5.9

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.9.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de

51/76

gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9.2 Toetsing Wegen De locatie ligt vanuit overgangsrecht binnen het geluidaandachtsgebied van de omliggende gemeentewegen (30 km-wegen) zolang er nog geen basisgeluidemissie is vastgesteld (BGE). De toekomstige grens voor wegen waarvoor een BGE moet worden gesteld is bepaald op 2.500 mvt/etmaal. Op het moment dat BGE’s zijn vastgesteld moeten de geluidaandachtsgebieden worden bepaald op basis van de gegevens van de BGE’s. De gemeentewegen Oude Baan (doodlopend) en Julianastraat zijn bedoeld voor bestemmingsverkeer met naar verwachting een intensiteit die ver beneden de 2.500 mvt/etmaal zal liggen. Het geluid van omliggende drukkere wegen (onder andere Wilhelminastraat en Tramstraat) wordt afgeschermd door bestaande bebouwing. Daarnaast wordt in omgevingsplan een woonfunctie binnen het projectgebied reeds mogelijk maakt.

Vanwege deze overwegingen wordt een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Er kan zonder meer worden voldaan aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB voor gemeentewegen. Spoorwegen Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. Industrieterreinen Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 5.9.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk. De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid van (spoor)wegen en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.10 Geluid door activiteiten 5.10.1 Wettelijk kader In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.5.

52/76

Tabel 5.5 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

Tabel 5.3 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit tabel 5.3 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens tabel 5.4. Voor activiteiten buiten het plangebied (zie ook paragraaf 5.4) gelden vanuit het omgevingsplan de regels van de Bruidsschat. 5.10.2 Toetsing In de omgeving is er sprake van verschillende bedrijven die enige mate van geluidemissie hebben, zie ook paragraaf 5.4.2. De inschatting is dat alle bedrijven ter plaatse van de nieuwe woningen kunnen voldoen aan de regels van de Bruidsschat en daar mee ook sprake is van een aanvaardbare situatie. Daarbij zijn er in de directe omgeving rondom het projectgebied meerdere bestaande woningen die dichterbij de geluidsbron liggen dan de nieuwe woningen. Het is mogelijk dat meerdere bedrijven akoestisch van invloed zijn op de woningen. Hiermee is rekening gehouden bij de bepaling van het gezamenlijk geluid door voor alle woningen uit te gaan van 3 x 50 dB(A) = 55 dB(A). Dit betekent een verzwaring in de eisen voor de geluidwering van 3 dB omdat de maximale waarde voor wegverkeerslawaai Lden = 55 dB bedraagt.

Gezien de afschermende werking van de bestaande bebouwing aan de Wilhelminastraat, Oude Baan en Julianastraat kan op voorhand gesteld worden dat geluidshinder door activiteiten binnen het plangebied niet aannemelijk is en dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. 5.10.3 Conclusie Het geluid van omliggende bedrijven is kwalitatief in beeld gebracht. In de berekening van het gezamenlijk geluid is worst-case uitgegaan van een maximale bijdrage van 55 dB(A). Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

53/76

5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Wettelijk kader Als een wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.

5.11.2 Toetsing De beoogde functies binnen het plangebied worden niet gezien als activiteiten waarvoor conform artikel 5.50 uit het Bkl een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. Tevens is de gemeente Dongen niet binnen een aandachtsgebied gelegen die gemonitord wordt voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Er is geen belemmering voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit binnen het projectgebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (hierna: CIMLK) geraadpleegd. De dichtstbijzijnde toetspunten bevinden zich aan de Tramstraat op circa 90 meter van het plangebied. In navolgende tabel 5.6 zijn de maximale meetresultaten weergegeven. Tabel 5.6 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm (Bron: CIMLK) Stof Toetsing van Omgevingswaarde stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

54/76

jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Maximale waarden toetspunt CIMLK (2022) 14,4

40 µg/m³

15,7

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

8,6

Uit de tabel blijkt dat ter plaatse van het plangebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functies aan het plangebied toe te delen. 5.11.3 Conclusie Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.12 Geur 5.12.1 Wettelijk kader Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld.

Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).

55/76

5.12.2 Toetsing De ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het plangebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. Er zijn geen rwzi of agrarische bedrijven gelegen nabij de nieuwe woningen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het relevant om de achtergrondbelasting geur van veehouderijen te beschouwen. Dit kan aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (figuur 5.5). Uit onderstaande afbeelding blijkt dat dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'Zeer goed' (< 3 ouE/m³) wordt beschouwd. Zeker aangezien in een concentratiegebied, waarin het projectgebied zich bevindt, hogere waarden acceptabel zijn.

Figuur 5.5 Achtergrondbelasting in omgevings van projectgebied (Bron: ODZOB) Naast veehouderijen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. Gelet op de aard en omvang van activiteiten in relatie tot de afstand tot het plangebied is geurhinder van overige activiteiten niet te verwachten. Ten noordwesten van het plangebied bevinden zich een horeca- en detailhandelsbestemming op een afstand van minimaal 20 meter tot de beoogde woningen. Geurhinder is niet te verwachten, mede doordat er momenteel op korte afstand reeds woningen gelegen zijn. 5.12.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geurbron mogelijk. De geursituatie is ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geur en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

56/76

5.13 Omgevingsveiligheid 5.13.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 5.13.2 Toetsing Conform de risicokaart (figuur 5.6) blijkt dat in (de nabije omgeving) van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Bovendien worden met de beoogde ontwikkeling geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.

57/76

Figuur 5.6 Risicokaart met plangebied rood omcirkeld (Bron: Atlas leefomgeving) Ten zuiden van het plangebied, aan de De Zool 15, is het bedrijf Chr. Vermeer gelegen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Het plangebied is niet in de PR-contour van het bedrijf gelegen. Het aandachtsgebied bedraagt 961 meter. Met een afstand van circa 830 meter is de ontwikkeling in het aandachtsgebied gelegen. Vanwege de grote afstand tot de risicovolle inrichting, de beperkte omvang van de ontwikkeling en het grote invloedsgebied van het bedrijf zal het plan niet leiden tot een significante toename van het groepsrisico. Hierna wordt beknopt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Oude Baan.

Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Dongen. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren

58/76

te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 5.13.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het aandachtsgebied van risicovolle activiteiten. Door de afstand en grote invloedsgebied zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een significant effect op het groepsrisico. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het project is niet in strijd met instructieregels voor omgevingsveiligheid en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.14 Trillingen 5.14.1 Wettelijk kader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 5.14.2 Toetsing Het plangebied ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in. De maximale waarden uit de Bruidsschat zullen niet worden overschreden. 5.14.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect trillingen verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

5.15 Bodem 5.15.1 Wettelijk kader Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke

59/76

leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling.

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 5.15.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Bijhorende rapportage is opgenomen als bijlage 12. Dit onderzoek is in 2022 uitgevoerd onder de oude Wet bodembescherming (Wbb) en Besluit bodemkwaliteit (Bbk). De inmiddels doorgevoerde wetswijziging naar de Omgevingswet heeft echter geen invloed op het onderzoek, waardoor resultaten voor voorliggend TAM-omgevingsplan nog steeds bruikbaar zijn. In onderstaande paragrafen 5.15.2.1 en 5.15.2.2 wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. 5.15.2.1 Verkennend bodemonderzoek Zintuiglijk zijn aan de zuidzijde van de locatie in de bovengrond sporen tot plaatselijk uiterste bijmengingen aangetroffen met puin. Uit de analyseresultaten blijkt dat de uiterst puinhoudende bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met minerale olie, zink en PAK. Verder blijkt dat de ondergrond licht verontreinigd is met lood, zink, PAK en PCB.

In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond met barium, cadmium en kobalt. Het grondwater blijkt niet verontreinigd te zijn met cyanide. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. In de grond zijn geen verontreinigingen aangetoond met bestrijdingsmiddelen. Gesteld kan worden dat de historische aanwezigheid van een boomgaard niet heeft geleid tot een bodemverontreiniging met

60/76

bestrijdingsmiddelen. 5.15.2.2 Verkennend asbestonderzoek Zintuiglijk is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de grond in de inspectiegaten AG09 en AG12 is wel asbestverdacht materiaal waargenomen. Het materiaal in AG09 betreft plaatmateriaal en bevat 2-5% hechtgebonden chrysotiel. Het materiaal in AG12 betreft golfplaatmateriaal en bevat 10-15% hechtgebonden chrysotiel. In de grond is een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 20 mg/kg d.s. Het aangetoonde asbest betreft voornamelijk hechtgebonden chrysotiel en voor een klein deel uit crocidoliet. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Druppelzone zuidwestelijke schuur met asbestverdachte dakbedekking In de grond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Uit de analyseresultaten blijkt dat de toplaag ter plaatse van de druppelzone licht is verontreinigd met PCB. Het aangetroffen gehalte is dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

5.15.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit. Uit bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor de vervolgfunctie.

5.16 Cultureel erfgoed 5.16.1 Wettelijk kader Erfgoedwet en Omgevingswet De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze

61/76

beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ontwikkelingen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is in de gemeente doorvertaald naar de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen (vastgesteld op 15 januari 2014). 5.16.2 Toetsing 5.16.2.1 Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Dongen (figuur 5.7) ligt het plangebied in een hoge archeologische verwachtingszone. Dit betekent dat de kans aannemelijk is dat er een archeologische waarde in de bodem zit. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm.

Figuur 5.7 Archeologische beleidskaart gemeente Dongen (Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) Bureau- en booronderzoek Onderzoek Vanwege de hoge archeologische verwachtingszone met bijbehorende regeling is voor het plangebied een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het bijbehorend rapport is opgenomen als bijlage 13. Dit onderzoek is uitgevoerd conform vereisten zoals voortgevloeid uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). De inmiddels doorgevoerde wetswijziging naar de Omgevingswet heeft echter geen invloed op het onderzoek, waardoor resultaten voor voorliggend TAM-omgevingsplan nog steeds bruikbaar zijn. Hierna volgt een beknopte samenvatting van het onderzoek.

62/76

Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum, een hoge verwachting voor het Neolithicum, een onbekende verwachting voor de Bronstijd tot en met de eerste helft van de Late Middeleeuwen en een lage verwachting voor de tweede helft van de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Het zuidwestelijke deel heeft een hoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Het overige deel heeft een lage verwachting. Het gebied is droog genoeg geweest voor podzolisatie en dus voor bewoning, er heeft veenvorming plaatsgevonden, er heeft zandwinning plaatsgevonden en een deel van het plangebied is vergraven of opgehoogd, al dan niet in relatie tot historische bebouwing uit de 19e eeuw. Voor het zuidwestelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd om hier een dubbelbestemming 'waarde – archeologie' op te leggen, waarbij een onderzoeksplicht geldt bij bodemroerende werkzaamheden beneden 100 cm -mv. Bij toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden dieper dan 100 cm -mv moet eerst verder onderzoek worden uitgevoerd. Voor het noordelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd om hier geen dubbelbestemming op te leggen. Toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden kunnen zonder verder archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Beoordeling Het uitgevoerde archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek is ter beoordeling voorgelegd aan Monumentenhuis Brabant. De beoordeling is opgenomen als bijlage 14. Met het gegeven selectieadvies, een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' te leggen op het zuidwestelijk deel van het plangebied met een verplichting tot vervolgonderzoek bij werkzaamheden beneden 100 cm -mv, kon worden ingestemd. Ook met het advies om op gronden in het noordelijk en zuidoostelijk deel van het plangebied geen dubbelbestemming te leggen wordt ingestemd. Monumentenhuis Brabant adviseert dat het noordelijk en zuidoostelijk deel van het plangebied worden vrijgegeven voor de voorziene planontwikkeling en (bouw)vergunning wordt verleend door de Gemeente Dongen onder voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Afstemming over plangrens In afstemming met de gemeente Dongen is gedurende het planproces bepaald dat het pad tussen Wilhelminastraat geen onderdeel meer uitmaakt van het plangebied. Een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' is daarmee binnen het plangebied niet meer van toepassing en kan gesteld worden dat het plangebied volledig archeologisch kan worden vrijgegeven. 5.16.2.2 Cultuurhistorie In figuur 5.8 is het plangebied weergegeven in de uitsnede van deze waardenkaart.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16151492/1