CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-073293 Bijl1- Regels en toelichting OBP 'Bedrijventerrein De Wildert - locatie CCEP'

Besluitvormende raadsvergadering 13 april 2023, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2023-073293 Vaststellen Bestemmingsplan de Wildert - locatie CCEP26.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

35/637

Verkeersstructuur Gemotoriseerd verkeer Het plangebied ligt aan de Eindsestraat/Dongenseweg en wordt ontsloten via deze weg. De Eindsestraat/Dongenseweg sluit westelijk aan op de Vierbundersweg/Steenstraat, een belangrijke verbindingsweg tussen Dongen en Tilburg. In oostelijke richting sluit de Eindsestraat/Dongensweg aan op de Heibloemstraat (noordelijke richting) en N260 Burgemeester Letscherweg (zuidelijke richting). Openbaar vervoer Het plangebied is ook te bereiken met het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte ligt aan de Eindsestraat (Dongen, Groenvenseweg). Deze bushalte ligt binnen loopafstand van het plangebied. Aan deze halte halteren bussen 327, 328 en 627 die rijden in de richting van Breda, Oosterhout en Tilburg. Fietsverkeer Het fietsverkeer kan het plangebied goed bereiken via het vrijgelegen fietspad, zuidelijk langs de Eindsestraat/Dongenseweg. Parkeren Parkeerbehoefte De gemeente Dongen heeft haar parkeernormen vastgesteld in de beleidsregel 'Parkeernormen Dongen' (zie bijlage 2 bij de regels). Het uitgangspunt in Dongen is de maximale parkeernorm. Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor het onderdeel werken. Voor de te hanteren parkeerkencijfers is uitgegaan van stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' en de zone 'buitengebied'.

De functie waarop het plangebied betrekking heeft is gecategoriseerd als 'bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf). In tabel 4.1 is de parkeerbehoefte berekend als na wijziging de bestemming Groen wordt omgezet in de bestemming Bedrijventerrein, waarbij een voor parkeren worstcasescenario van volledige bebouwing is aangehouden. De parkeerbehoefte van de uitbreiding ligt in dat geval tussen de 16 en 25 parkeerplaatsen. Functie Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) Totaal

Grootte uitbreiding 1.900 m2

Parkeerkencijfer (min.) per 100 m2 bvo 0,8

Parkeerkencijfer (max.) per 100 m2 bvo 1,3

15,2

24,7

Aandeel bezoekers 5%

Parkeeraanbod Op het eigen bedrijfsperceel is meer dan voldoende ruimte aanwezig om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Op het grote parkeerterrein aan de voorzijde van het perceel zijn circa 315 parkeerplaatsen aanwezig. Aan de westzijde van de bedrijfsgebouwen, nabij het portiergebouw met slagboom, bevinden zich nog eens 10 parkeerplaatsen. Deze zijn gereserveerd voor het parkeren bij het aan- en afmelden. Op basis van een expert judgement bedraagt de bezetting van het grote parkeerterrein maximaal 75%. De beschikbare parkeercapaciteit

36/637

bedraagt in deze worst case situatie circa 78 parkeerplekken. Er kan dus ruimschoots worden voorzien in de parkeerbehoefte. Verkeersgeneratie In de huidige situatie rijden er voor de aan- en afvoer van grondstoffen en producten dagelijks circa 460 vrachtwagens het terrein op en af. Dat worden er in de toekomst naar verwachting circa 350. Het betreft jaargemiddelde dagen. Dagelijks komen er circa 300 motorvoertuigen (mtv) van werknemers en bezoekers. Dit aantal neemt toe tot circa 450 mtv/etmaal. Het aantal extra motorvoertuigen na wijziging van de bestemming in de zuidwesthoek bedraagt, in een voor verkeer worstcasescenario van volledige bebouwing, 109 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling Naar verwachting zal ongeveer de helft van dit verkeer in oostelijke en voor de andere helft in westelijke richting zich verspreiden. Het totaal aantal verkeersbewegingen kan binnen de huidige infrastructuur worden opgevangen en dit leidt niet tot knelpunten op het omliggend wegennet. Verkeersveiligheid Het langzaam verkeer kan ter hoogte van de ingang van het terrein van CCEP de Eindsestraat in twee fases oversteken. Hiermee is een acceptabele verkeersveiligheid gewaarborgd. Conclusie De ontsluiting van het plangebied is goed. De nieuwe ontwikkeling leidt niet tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren.

De aspecten verkeer en parkeren staan de vaststelling van het plan dan ook niet in de weg.

4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. De gemeente Dongen heeft een eigen Cultuurhistorische Waardekaart vastgesteld op 20 februari 2014. Daarop is alle cultuurhistorische informatie op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau vermeld. Toetsing en conclusie De aanwezige cultuurhistorische waarden zijn weergegeven in figuur 4.1.

37/637

Figuur 4.1. Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Dongen Een deel van de bebouwing is aangeduid voor 'historische bouwkunst wederopbouw tot 1970'. Het beleid voor historische bouwkunst is er op gericht voor zover de objecten nog geen monumentale status hebben om nader onderzoek naar de cultuurhistorische waarden te verrichten ten behoeve van een eventuele aanwijzing als gemeentelijk monument of bescherming anderszins, bijvoorbeeld via het bestemmingsplan. Het gebouw is niet aangewezen als gemeentelijk monument en er is geen intentie om dat alsnog te doen. In het bestemmingsplan is dan ook geen regeling opgenomen die strekt tot behoud van het gebouw. Wijzigingen aan het gebouw zijn op dit moment overigens niet voorzien. Het omliggende landschap is gekenmerkt als heideontginning. De bossen binnen het plangebied en in de directe nabijheid betreffen heidebebossingen, (beboste) zandverstuivingen en dekzandrug. Een deel van dit bos aan de kant van de Eindsestraat verdwijnt, na wijziging van de bestemming Groen in de bestemming Bedrijventerrein. Daar staat tegenover dat de woonbestemming in de zuidoosthoek in dit bestemmingsplan een groenbestemming krijgt. 4.3.2 Archeologie Toetsingskader Erfgoedwet De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden.

Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van

38/637

Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt.

De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Gemeentelijk archeologiebeleid Om de gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen, is een gemeentelijk archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader opgesteld. De gemeenteraad heeft op 10 februari 2011 de archeologische beleidskaart vastgesteld. Deze kaart moet gelezen worden in relatie tot de vastgestelde Erfgoedverordening. Voor gebieden met op de AMK en IKAW een middelhoge of hoge verwachtingswaarde is het uitgangspunt dat onderzoek wordt uitgevoerd als ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd of gepland die de eventuele archeologische waarden kunnen aantasten. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. Zolang de bescherming van archeologische waarden niet in een bestemmingsplan is geregeld, geldt de Erfgoedverordening. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m2 en een diepte van 0,5 m voor de zogenaamde kruimelgevallen.

Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend. Toetsing en conclusie In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een bureau- en inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting heeft, maar dat er nog delen zijn met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. De hoogste archeologische verwachting betreft het deel van het zuidoostelijke deelgebied waar de top van het dekzand, deels onder het aanwezige stuifzand, nog geheel intact is (5.500 m2). Hier kunnen nog resten van vuursteenvindplaatsen in situ aanwezig zijn alsook resten en/of sporen uit latere perioden. Het overige deel van het zuidoostelijke deelgebied, buiten de delen waar kabels en leidingen in de ondergrond aanwezig zijn, heeft

39/637

ook nog een hoge archeologische verwachting voor resten en/of sporen uit de perioden vanaf het Neolithicum (8.925 m2). In deze delen met een hoge archeologische verwachting vormen toekomstige bodemingrepen een bedreiging voor het archeologisch bodemarchief, waardoor hier bij bodemingrepen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Voor deze delen is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Het noorden van het zuidwestelijke deelgebied heeft nog een middelhoge archeologische verwachting voor resten en/of sporen uit de perioden vanaf het Neolithicum (6.360 m2). Dit geldt ook voor het uiterste noordoosten van het plangebied (7.200 m2). Ook in deze delen met een middelhoge verwachting vormen toekomstige bodemingrepen een bedreiging voor het archeologisch bodemarchief, waardoor ook voor deze delen een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen. Voor het grootste deel van het plangebied is gebleken dat dit een lage archeologische verwachting heeft (20,8 ha.). In deze delen vormen toekomstige bodemingrepen geen bedreiging voor het archeologisch bodemarchief. Deze delen hebben dan ook geen dubbelbestemming in voorliggend bestemmingsplan. Figuur 4.2 geeft de archeologische verwachting voor het plangebied op grond van het bovenstaande weer.

40/637

Figuur 4.2. Archeologische verwachtingskaart (bron: VUhbs) Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering oplevert voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.4

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

41/637

Onderzoek en conclusie Het bestemmingsplan voorziet in het continueren van de huidige planologische rechten (bestaande toegestane gebruik en de onbenutte juridisch-planologische gebruiks- en bouwmogelijkheden) en een beperkte uitbreiding van het bedrijventerrein, na een wijziging van de bestemming. Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan uit het oogpunt van de bodemkwaliteit te verantwoorden heeft een milieuhygiënisch vooronderzoek plaatsgevonden naar de locatie van het feitelijk bestaand gebruik aan de noordkant en naar het wijzigingsgebied in de zuidwesthoek. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Op basis van de beschikbare informatie worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voorzien voor dit plan. Indien grondroerende werkzaamheden plaatsvinden zal rekening moeten worden gehouden met het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek.

4.5

Watertoets

Toetsingskader Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Het waterschap heeft in het kader van het wettelijk vooroverleg (zie paragraaf 6.1) bij brief van 13 april 2022 een positief advies gegeven over de waterparagraaf. De opmerkingen van het waterschap zijn opgenomen in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.

Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal

42/637

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is onder andere verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Dongen. Het gaat hierbij om de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening (de Keur en de bijbehorende legger). De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

De Keur is onder andere te raadplegen via de site van het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij (nieuwe) ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Huidige situatie Het plangebied is in de huidige situatie zo goed als volledig verhard. Langs de randen zijn beboste en onverharde terreinen aanwezig. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zandgronden. Er is ter plaatse van CCEP sprake van grondwatertrap VIII. Voor de grondwatertrap VIII geldt een gemiddelde hoogste grondwaterstand van meer dan 0,8 m beneden maaiveld en een gemiddelde laagste grondwaterstand van meer dan 1,6 m beneden maaiveld. Het maaiveld ter plaatse van CCEP ligt circa 7 m boven NAP. Waterkwantiteit Op alle watergangen en sloten die zijn opgenomen in de legger, is de Keur van het waterschap van toepassing.

Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen);

43/637

c. voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de Keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Nabij het plangebied bevinden zich enkele A en B waterlopen (figuur 4.3).

Figuur 4.3. Ligging watergangen nabij het plangebied Veiligheid en waterkeringen Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering (zie figuur 4.3). Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Het afvalwater wordt geloosd op een particuliere waterzuivering. In verband met calamiteiten is er een uitwijkmogelijkheid naar een RWZI van de gemeente Dongen. Boringsvrije zone in het kader van grondwaterbescherming Een goede kwaliteit grondwater is van essentieel belang voor CCEP. De provincie heeft de grond van CCEP en zijn omgeving de status verleend van boringsvrije zone, vanwege het grondwatergebruik van CCEP voor frisdrankproductie (zie paragraaf 3.2.3). Op grond van de provinciale milieuverordening is het in een dergelijke zone in het algemeen verboden om boorputten op te richten of grond- of funderingswerken uit te voeren op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld. Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld als gebruik wordt gemaakt van grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet of van schroefpalen. Ook

44/637

is het in een boringsvrije zone in het algemeen verboden werken of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd (zoals bodemenergiesystemen). Toekomstige situatie Algemeen Het plan voorziet in de bouw van enkele nieuwe gebouwen, onder meer voor opslag en logistiek. Deze gebouwen worden hoofdzakelijk gerealiseerd op het reeds bestaande bestemde bedrijventerrein. Om de ambitie van CCEP - om in 2040 in de hele keten klimaatneutraal te zijn - te kunnen realiseren is extra fysiek ruimtebeslag nodig. Deze ruimte is er na wijziging van de bestemming Groen in de bestemming Bedrijventerrein aan de zuidwestkant van het terrein. Waterkwantiteit Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten binnen de gemeente Dongen worden in principe waterneutraal uitgevoerd, waarbij getracht wordt te voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater optreden. Hierbij wordt uitgegaan van een bui T=100 dat overeenkomt met een retentie van 78 mm. Verhard oppervlak wordt in principe niet aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. In een rioleringsplan (of waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding of voor infiltratie en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan.

Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, zal worden ingezameld en afgevoerd naar de RWZI. Situatie Bestaande bebouwing Verbouwing zonder vergroting van verhard oppervlak Verbouwing met vergroting van verhard oppervlak Nieuwbouw

Bergingseis geen aanvullende retentie van hemelwater retentie van 7 mm hemelwater, van toepassing op het gehele verhard oppervlak retentie van 78 mm hemelwater, enkel van toepassing op het extra verhard oppervlak, bestaande verhard oppervlak 7 mm retentie van 78 mm hemelwater, van toepassing op het verharde oppervlak (tuin 80%) Tabel 4.2 Bergingseisen vanuit de gemeente Dongen De gemeente Dongen heeft strengere bergingseisen dan het waterschap Brabantse Delta. Deze eisen zijn gevisualiseerd in figuur 4.4.

45/637

Figuur 4.4. Visualisatie bergingseisen gemeente Dongen (Bron: Gemeente Dongen) De uitbreiding aan de zuidoostkant valt onder de categorie 'verbouwing met vergroting van verhard oppervlak'. De huidige aanwezige verharding (op het bedrijfsperceel van CCEP) bedraagt circa 16 hectare. Als gevolg van een uitbreiding aan de zuidwestkant na wijziging van de bestemming Groen in de bestemming Bedrijventerrein kan het verhard oppervlak toenemen. Daarom is in de wijzigingsregels opgenomen dat bij deze wijziging moet worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende hemelwaterberging. Ten zuiden van het plangebied liggen bestaande infiltratievijvers. Deze infiltratievijvers hebben voldoende

46/637

capaciteit om het extra hemelwater afkomstig van CCEP op te vangen en te infiltreren. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in en rondom het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Daarom wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet toegestaan. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering, vigerend waterschapsbeleid en het verbreed GRP Dongen is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van hemelwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet-gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d.

huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater wordt ingezameld en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld onder d. (in de praktijk dus vooral hemelwater) wordt hergebruikt (zo nodig na zuivering aan de bron); f. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt lokaal in het milieu teruggebracht (zo nodig na zuivering aan de bron); g. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt als stedelijk afvalwater ingezameld en naar een rwzi getransporteerd. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap mag worden gebouwd, geplant of opgeslagen. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Er wordt in dit plan niet voorzien in het graven van een nieuwe watergang of andere watervoorzieningen op eigen terrein. De bepalingen van de Keur zijn daarmee niet relevant voor dit bestemmingsplan. Vanwege de aanleg van verhard oppervlak binnen beschermd gebied is wel een watervergunning noodzakelijk.

Klimaatadaptief bouwen en inrichten

47/637

In Nederland leidt klimaatverandering tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag, drogere zomers en een stijgende zeespiegel. Het gaat daarbij niet alleen om geleidelijke veranderingen: extreem weer, zoals hittegolven en forse regen- en hagelbuien, zal steeds vaker voorkomen en tot meer schade en slachtoffers leiden. Klimaatadaptief bouwen en inrichten biedt een kans om van gebieden een aantrekkelijke leef- en vestigingslocatie te maken met meer groen en ruimte voor water in de bebouwde omgeving en voor meer innovatieve bouwvormen. Hiermee worden ook andere doelen dan klimaatadaptatie gediend, zoals een gezonde en veilige leefomgeving, biodiversiteit en het verhogen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Conclusie Als de wijzigingsbevoegheid voor het gebied in de zuidwesthoek wordt toegepast en de mate van verharding als gevolg daarvan bekend is, wordt de eventueel noodzakelijke hemelwaterberging nader uitgewerkt in overleg met de gemeente Dongen en het waterschap Brabantse Delta. Mede gelet op de bestaande infiltratievijvers met voldoende capaciteit voor de opvang van extra hemelwater afkomstig van CCEP, wordt verwacht dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.6

Industrielawaai

Toetsingskader Een geluidzone wordt vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die 'in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Dergelijke bedrijven worden in de volksmond ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd. In dat kader is op 5 januari 1990 voor industrieterrein De Wildert een geluidzone vastgesteld. Op grond van de wet behoort tot de geluidzone het gebied tussen het industrieterrein zelf en de buitengrens van de zone. Het industrieterrein zelf maakt dus geen deel uit van de geluidzone. Volgens de Wet geluidhinder mag de geluidbelasting van alle bedrijven op een gezoneerd industrieterrein, buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Tevens dient rekening te worden gehouden met de in het verleden vastgestelde MTG's (Maximaal Toegestane Geluidbelasting) en hogere waarden ter plaatse van geluidgevoelige functies binnen de geluidzone. Toetsing In het kader van dit bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar geluid in de omgeving ten gevolge van de bedrijven gelegen op gezoneerd industrieterrein 'De Wildert' (zie bijlage 4). Er wordt voorgesteld dat de grens van het gezoneerde industrieterrein zal worden aangepast, teneinde alle activiteiten bij CCEP volledig binnen de grenzen van het gezoneerde industrieterrein te laten vallen (zie figuur 4.5).

48/637

Figuur 4.5. Huidige (blauwe lijn) en geprojecteerde grens (oranje raster) van gezoneerd industrieterrein 'De Wildert' ter plaatse van CCEP Ten behoeve van het onderzoek is het actuele zoneoverdrachtsmodel door de zonebeheerder (OMWB) verstrekt. Dit model is aangevuld met de actuele geluidemissie door CCEP, waarvoor een omgevingsvergunningaanvraag is ingediend. Tevens is een realistische geluidreservering opgenomen voor de terreindelen van CCEP die buiten de actuele zonegrens vallen en terreindelen waar thans aanvullende activiteiten worden voorzien. Uit de rekenresultaten volgt dat na genoemde aanpassing ter hoogte van de zonebewakingsposities nog steeds ruimschoots wordt voldaan aan de maximale geluidbelasting van 50 dB(A)-etmaalwaarde. De geluidzone zoals vastgesteld voor het gezoneerde industrieterrein 'De Wildert' behoeft derhalve niet te worden aangepast naar

49/637

aanleiding van de uitbreiding van de grenzen van het gezoneerd industrieterrein. De geluidbelasting ter hoogte van alle MTG-posities voldoet tevens aan de gestelde MTG-waarden op basis van de uitgangspunten. Conclusie Op grond van het voorgaande kan worden gesteld dat voorgestelde aanpassing van het gezoneerde industrieterrein vanuit akoestisch oogpunt haalbaar is. Het aspect industrielawaai vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.7

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader De Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de geluidsituatie in beeld gebracht te worden. De geluidniveaus op de gevels van de nieuwe en bestaande geluidgevoelige functies worden getoetst aan de geluidnormen. Onderzoek en conclusie Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. In paragraaf 4.2. is aangegeven dat in de toekomstige situatie het aantal vrachtwagens dat de locatie bezoekt afneemt met circa 100 en het aantal lichte voertuigen toeneemt met circa 150 mvt/etmaal. De wijziging van de bestemming in de zuidwesthoek leidt worst case tot 109 extra mvt/etmaal. Conform het verkeersmodel, peiljaar 2020, bedraagt de verkeersintensiteit op de Eindsestraat 10.400 mvt/etmaal. Bij een toename van de verkeersomvang met minder dan 20% is sprake van een geluidtoename van minder dan 1 dB, wat niet hoorbaar is voor het menselijk gehoor. Bovendien ligt parallel en op heel korte afstand van de Eindsestraat-Dongenseweg de Burgemeester Letschertweg (provinciale weg N260) die voor de geluidbelasting en de beleving van geluidhinder bepalend is. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.8

Milieuhinder en bedrijven

Toetsingskader Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Beleid Om in het bestemmingsplan de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van een milieuzonering. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De Staat van Bedrijfsactiviteiten (verder: SvB) is gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009).

50/637

In de SvB zijn richtafstanden opgenomen ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' kunnen kleinere richtafstanden worden aangehouden. In het plangebied wordt gebruik gemaakt van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein' (hierna: SvB-gezoneerd industrieterrein) deze is toegespitst op de milieuzonering van gezoneerde industrieterreinen. Op dergelijke industrieterreinen wordt de geluidbelasting van de bedrijven gereguleerd via de Wet geluidhinder met bijbehorend zonebeheer en aanverwante wetgeving (Wet milieubeheer en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Vanwege de status als gezoneerd industrieterrein en de regulering van het geluidaspect via de Wet geluidhinder, heeft de milieuzonering met behulp van de SvB 'gezoneerd industrieterrein' geen betrekking op het aspect geluid, maar alleen op de aspecten geur, stof en gevaar. De SvB 'gezoneerd industrieterrein' is gebaseerd op de richtafstandenlijst uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering, met uitzondering van het aspect geluid. Voor een nadere toelichting op de aanpak van de milieuzonering met behulp van de SvB-gezoneerd industrieterrein wordt verwezen naar bijlage 5.

Toetsing In het bestemmingsplan is een milieuzonering opgenomen waarbij, afhankelijk van de afstand tot aan (burger)woningen in de omgeving, bedrijven uit maximaal 4.1 tot en met maximaal categorie 4.2. Hierbij is uitgegaan van omgevingstype 'gemengd gebied ' voor woningen in de omgeving. Dit is vanwege de ligging van deze woningen binnen de geluidzone van het huidige gezoneerd industrieterrein De Wildert en de ligging van deze woningen deels langs drukke hoofdontsluitingswegen. Er is daarmee sprake van een verhoogde milieubelasting voor geluid. Er wordt met de milieuzonering in dit bestemmingsplan voldaan aan de bijbehorende richtafstanden. Hiermee wordt zorg gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de aanwezige woningen in de omgeving. CCEP is een frisdrankenfabriek en is als volgt in de SvB-gezoneerd industrieterrein ingeschaald:

Figuur 4.6. Fragment uit de SvB-gezoneerd industrieterrein. (SBI staat voor Standaard bedrijfsindeling, zie ook bijlage 5.) Naast geluid, dat niet in de tabel is meegenomen, is het meest maatgevende milieuaspect gevaar. Ook geur blijkt een relevant milieuaspect. Voor deze milieuaspecten gelden voor een omgevingstype 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied' richtafstanden van respectievelijk 50 en 10 meter. Voor een omgevingstype 'gemengd gebied' zijn de richtafstanden 30 en 0 meter. Daarmee is CCEP aan te merken als een bedrijf uit milieucategorie 3.1. De dichtstbijzijnde woning van derden is de Heibloemstraat 14 en ligt op een afstand van 70 meter tot de dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming. Er wordt daarmee ruim voldaan aan de hiervoor vermelde richtafstanden. Gezien de aard en omvang van de frisdrankenfabriek geldt op het gebied van geluid en gevaar een aparte toetsing. Zie hiervoor de paragrafen 4.6 Industrielawaai en 4.10 Externe veiligheid.

51/637

Naast een toets aan de richtafstanden uit het VNG-publicatie is beoordeeld of de feitelijke, historisch gegroeide situatie in overeenstemming is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Zo zijn er op het gebied van geur en stof maximale niveaus opgenomen in de milieuvergunning om hinder ter plaatse van de omliggende woningen te voorkomen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de aanwezige woningen in de omgeving. Conclusie De opgenomen milieuzonering van het bestemmingsplan is afgestemd op de gevoelige functies in de omgeving. De bestaande situatie van het bedrijf CCEP past binnen deze milieuzonering. Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3. weergegeven. Tabel 4.3. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

52/637

Toetsing Ten behoeve van de revisieaanvraag milieu is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat ter hoogte van de beschouwde posities de jaargemiddelde concentratie PM10 in het jaar 2021 inclusief de bijdrage van CCEP maximaal 19µg/mg/m³ bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/mg/m³. Aan het maximaal aantal overschrijdingsdagen wordt eveneens ruimschoots voldaan. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt ter hoogte van de beoordelingsposities maximaal 12 µg/mg/m³ en voldoet hiermee aan de grenswaarde van 25 µg/mg/m³. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt ter hoogte van de beschouwde beoordelingsposities in het jaar 2021 maximaal 17 µg/mg/m3. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/mg/m3. Ook ten aanzien van het maximaal aantal overschrijdingen van de uurgemiddelde concentratie wordt voldaan aan de grenswaarde. Ter plaatse van het plangebied kan voor de overige in de Wet milieubeheer opgenomen stoffen zonder verder onderzoek worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de genoemde grenswaarden. Aldus gelden er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen beperkingen. Het aantal extra motorvoertuigen na wijziging van de bestemming in de zuidwesthoek bedraagt, in een voor verkeer worstcasescenario van volledige bebouwing, 109 mvt/etmaal.

Uitgaande van eenzelfde verhouding tussen vrachtwagens en personenwagens als op het bestaand bedrijfsterrein (44% respectievelijk 56% in jaar 2024) draagt deze toename in niet betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Conclusie De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van zowel het plangebied als nabijgelegen woningen.

4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij nieuwe (ruimtelijke plannen) dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar dat een onbeschermd persoon die onafgebroken

53/637

(dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) op dezelfde plaats verblijft, komt te overlijden als gevolg van een ongeval met een potentieel gevaarlijke bron. Groepsrisico Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In principe moet de populatiedichtheid worden geïnventariseerd voor het gehele gebied waarbinnen dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Dit gebied wordt begrensd met de 1% letaliteitscontour. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Op grond van het Bevi kan er rondom een industrieterrein een Veiligheidscontour worden vastgesteld.

Deze veiligheidscontour geeft de grens aan tot waar de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van de risicovolle bedrijven mag uitbreiden. Binnen de veiligheidscontour wordt niet meer getoetst aan de individuele grenswaarden voor het plaatsgebonden risico. Binnen de veiligheidscontour zijn (beperkt) kwetsbare objecten niet toegestaan als die geen functionele binding met het terrein hebben. Besluit externe veiligheid transportroutes en Regeling Basisnet Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-contour als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt gesteld dat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ruimtelijke ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Het Bevb is van toepassing op de aanwezige ondergrondse aardgasleidingen en op de aanwezige ondergrondse leidingen voor toxische stoffen. Verantwoording van het GR is uitsluitend noodzakelijk wanneer

54/637

er mensen verblijven binnen het invloedsgebied van een leiding. Bij toename onder de 10% en als de waarde van 0,1*oriëntatiewaarde niet wordt overschreden is berekening/verantwoording van het GR ook niet nodig. Toetsing Nabij het plangebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig. In figuur 4.7 zijn de nabijgelegen risicobronnen weergegeven.

Figuur 4.7. Omliggende risicobronnen Risicovolle inrichtingen In het plangebied en de omgeving bevinden zich verschillende risicorelevante bronnen. Binnen de inrichting is een opslaglocatie voor gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslag) en een opslagtank met LPG aanwezig. Deze LPG-tankinstallatie zal verwijderd worden en is daarom niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Omdat de installatie wel is vergund, valt ze onder overgangsrecht en is ze wel in de risicoanalyse meegenomen. De inrichting valt onder het Bevi. In bijlage 7 is de risicoanalyse voor de inrichting weergegeven. De externe veiligheidssituatie buiten het plangebied ziet er per risicobron als volgt uit: Tabel 4.4 Risicobronnen omgeving plangebied

55/637

Risicobron

Ardagh Glass Dongen B.V (Eindsestraat 133): geen Bevi, wel risicorelevant in verband met de opslag en verlading van lpg Propaantank Heibloemstraat 5 (J.A.M. De Bie), geen Bevi (info: professionele risicokaart)3 Versteijnen's Internationaal Transportbedrijf B.V. (Zeusstraat 3 in Tilburg): Brzo-inrichting PGS15) en daardoor ook Bevi-inrichting

Plangebied binnen PR Overschrijding 10-6 contour oriëntatiewaarde groepsrisico? (indien relevant) Nee Nee

Plangebied binnen invloedsgebied

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Ja

Plaatsgebonden risico (PR) Ardagh Glass Dongen B.V.: De PR 10-6-contour komt nauwelijks buiten de eigen inrichtingsgrens. Hierbinnen zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig of geprojecteerd. Er wordt daarom voldaan aan de grenswaarde en de richtwaarde ten aanzien van het PR. CCEP: Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar ligt binnen de inrichtingsgrens. Er wordt dan ook voldaan aan de grenswaarde en richtwaarde voor het PR. Propaantank Heibloemstraat 5 (J.A.M. De Bie): Er wordt in de huidige situatie voldaan aan de veiligheidsafstand van maximaal 25 m (Activiteitenbesluit). Tevens is geen bedrijfsbestemming geprojecteerd binnen de 'worst case'-veiligheidsafstand van 25 m. Overige inrichtingen: Aangezien voor risicorelevante inrichtingen buiten het plangebied (Versteijnen's Internationaal Transportbedrijf B.V.) de PR 10-6-contouren niet in het plangebied liggen, heeft de planontwikkeling geen gevolgen. Groepsrisico (GR) Ardagh Glass Dongen B.V : Het groepsrisico is in de huidige situatie ruimschoots onder de oriëntatiewaarde gelegen (figuur 4.8). De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen toename van de personendichtheid. Hierdoor zal het groepsrisico niet relevant toenemen. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico.

56/637

Figuur 4.8. Huidige groepsrisico Ardagh Glass (rood: Ardagh Glass, groen: oriëntatiewaarde CCEP: Het maximaal aantal slachtoffers bedraagt minder dan 10. Het aantal slachtoffers is kleiner dan tien. De inrichting veroorzaakt daarom geen groepsrisico. Propaantank (Heibloemstraat 5): er geldt formeel geen invloedsgebied en daarmee tevens geen groepsrisico; Versteijnen's Internationaal Transportbedrijf B.V.: Het huidige groepsrisico is gelegen onder de oriëntatiewaarde. Gelet op de grote afstand tot aan het bedrijf (circa 1.800 m), de grootte van het invloedsgebied (3.350 m) en de aard van de ontwikkeling (geen toename van de personendichtheid) wordt niet verwacht dat de planontwikkeling noemenswaardige gevolgen zal hebben voor de hoogte van het groepsrisico. Vervoer van gevaarlijke stoffen Op grond van informatie uit de provinciale risicokaart blijkt dat in het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water plaatsvindt. Wel is sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (buisleidingenstrook). Plaatsgebonden risico (PR) De buisleidingenstrook kent conform de Structuurvisie Buisleidingen van het Rijk een breedte van 70 m. Daarbuiten zijn geen belemmeringenzones (of PR 10-6 contouren) gelegen. In de buisleidingenstrook zijn in de huidige situatie reeds verschillende buisleidingen aanwezig.

Dit betreffen 2 naftaleidingen en een ruwe olieleiding. In de volgende tabel is de relevante informatie aangegeven.

57/637

Figuur 4.9. Overzicht aanwezige leidingen in de buisleidingenstrook Groepsrisico (GR) Bekend is dat voor K1-leidingen met lichte brandstoffen geen sprake is van een groepsrisico bij dichtheden kleiner dan 255 personen per hectare buiten de PR 10-6-contour. In de huidige situatie zijn de dichtheden kleiner dan 255 personen per hectare. Aangezien er in de toekomstige situatie geen sprake is van een relevante toename van de personendichtheid in het plangebied zal de personendichtheid kleiner dan 255 personen per hectare blijven. Er is dan ook geen sprake van een groepsrisico. Naast de buisleidingenstrook is ten westen van het plangebied een hogedruk aardgasleiding (Z-522-06) gelegen. De leiding heeft geen PR 10-6-contour. De aardgasleiding heeft een invloedsgebied van 70 meter aan weerszijden van de leiding. Binnen het invloedsgebied is geen nieuwe bebouwing voorzien. Er vinden geen ontwikkelingen plaats waardoor sprake is van een toename van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van verschillende risicobronnen is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist. Hiervoor is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Het advies van de Veiligheidsregio is verwerkt in deze paragraaf.

De Veiligheidsregio Midden- en West Brabant geeft aan dat de regels voor de aanwezige pijpleidingen goed staan beschreven in de bestemmingsregels voor de leidingstrook. De belangrijkste veranderingen voor de externe veiligheid in het bestemmingsplan betreffen: het opheffen van het LPG-tankstation op het terrein van CCEP en het (in de toekomst) opheffen van de stoomboiler. Dit betekent dat in ieder geval twee risicobronnen op deze locatie verdwijnen. Hiermee zal de veiligheidssituatie volgens het advies verbeteren. Wel is opgemerkt dat op het terrein nog twee woningen aanwezig zijn (niet zijnde bedrijfswoningen). Aangezien dit als een kwetsbaar object (risico-ontvanger) kan worden beschouwd is het advies om deze woonfunctie niet te continueren. Dit advies is overgenomen in dit bestemmingsplan waarin de woonbestemming is gewijzigd in een groenbestemming. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

58/637

Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende / adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied wordt ontsloten via de Eindsestraat/Dongenseweg en op de N260. De N260 is een doorgaande weg waarmee het plangebied direct aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Ook heeft het terrein een ingang vanaf de Heibloemstraat die gebruikt kan worden in geval van een calamiteit. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via deze wegen van de bronnen af worden gevlucht. Zelfredzaamheid De aanwezige personen in een frisdrankfabriek zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Incidenteel kunnen kinderen, ouderen of gehandicapten aanwezig zijn.

Deze personen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Het voor het groepsrisico maatgevende scenario is een zogenoemde BLEVE. De effecten van een koude en warme BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking. Het slachtofferbeeld wordt voornamelijk bepaald door de hittestraling en niet door de overdruk. Gebouwen kunnen bescherming bieden tegen de hittestraling, maar moeten dan wel bestand zijn tegen de overdruk. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Snel reageren is bevorderlijk. Om dekking te zoeken is een schuilplaats binnengaan een goed handelingsperspectief. Wanneer gebouwen ontbranden of instorten is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Wanneer gebouwen wel bestand zijn tegen de hittestraling, dienen personen binnen te blijven. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.

Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

4.11 Ecologie Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten, de bescherming van het Natuurnetwerk Brabant en handhaving van de oppervlakte houtopstanden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of

59/637

krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) zijn aangewezen in de provinciale Interim omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

60/637

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied) worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op circa 5 km afstand (figuur 4.10).

61/637

Figuur 4.10. Ligging Natura2000-gebied (bron: AERIUS Calculator Ten behoeve van de revisievergunning is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit is onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Deze AERIUS-berekening is aangepast naar aanleiding van gemaakte opmerkingen in het verzoek om aanvulling van gegevens in het kader van de aanvraag om een natuurvergunning (zie bijlage 9, 10 en 11). Uit de berekeningen blijkt dat in de beoogde situatie (2024) er een bijdrage van 0,01/ha/jr is op het gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout. De projectbijdrage op dit gebied bedraagt echter - 0,05 mol/ha/jr. Binnen het plangebied liggen aan twee zijden delen van het Natuurnetwerk Brabant (zie figuur 4.11). Het bestemmingsplan voorziet niet in een ontwikkeling binnen het Natuurnetwerk Brabant en leidt dus niet tot aantasting hiervan. De betreffende gronden zijn bestemd tot 'Natuur'. Een deel hiervan is daadwerkelijk in gebruik als bos, een groot deel is echter al sinds 1990 gedeeltelijk verhard en heeft feitelijk geen natuurwaarde.

62/637

Figuur 4.11. Ligging Natuurnetwerk Brabant Soortenbescherming De aanwezigheid van beschermde soorten is door middel van een bureau- en veldonderzoek in beeld gebracht. Figuur 4.12 geeft een overzicht van de biotopen waar beschermde soorten aanwezig kunnen zijn.

Figuur 4.12. Biotopen waar diersoorten in verwacht worden en relevante waarnemingen (bron: Habitus, 2021)

63/637

Het bosje in het noordoosten van het plangebied biedt naast geschikt broedbiotoop voor vogels ook geschikt biotoop voor de boommarter, eekhoorn, steenmarter en bruine eikenpage. Verder is er ook een dassenburcht aanwezig. Naast das kan ook boommarter een verblijfplaats hebben in deze burcht. Eekhoorn kan verblijfplaatsen hebben in bomen en boomholtes. In de boomholtes kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Er is een oud nest van zwarte kraai aangetroffen, waar boomvalk en ransuil op kunnen broeden. Een roestplaats van ransuil kan aanwezig zijn in de naaldbomen. Buizerd, boomvalk, havik, ransuil en sperwer kunnen broeden op de horst. Een deel van de oostgevel van de fabriek en een bijgebouw zijn geschikt voor vleermuizen. Roekennesten zijn aanwezig in de bomen op het zuidoosten van het terrein. De rugstreeppad kan zich vestigen binnen het gehele plangebied als er tijdens de werkzaamheden geschikt biotoop ontstaat. In de ingetekende biotopen (figuur 4.12) kunnen diverse vogels aanwezig zijn en een nest hebben. In bomen en bosschages gaat het bijvoorbeeld om houtduif, ekster, grote bonte specht, koolmees en zwarte kraai. De locatie van de dassenburcht in de noordoosthoek ligt in de bestemming Agrarisch (niet in de bestemming Bedrijventerrein), de roekennesten vallen binnen de bestemming 'Natuur'. Hiermee biedt het bestemmingsplan voldoende bescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12501823/1