2023-073293 Bijl1- Regels en toelichting OBP 'Bedrijventerrein De Wildert - locatie CCEP'
Tekst van het document
bestemmingsplan
Bedrijventerrein De Wildert - locatie CCEP Dongen
DATUM IMRO IDN
13-12-2022 NL.IMRO.0766.BP2022000065-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
Bedrijventerrein De Wildert - locatie CCEP ing. J.C.C.M. van Jole
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Coca Cola Europacific Partners Nederland B.V 44001363.20180906
AUTEUR STATUS
ontwerp
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
6 Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel bestemmingsplan
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Beoogde ontwikkelingen
13
2.3
Toelichting op de juridische regeling
15
Toetsing aan beleid en visies
22
3.1
Toetsing aan Rijksbeleid
22
3.2
Toetsing aan provinciaal beleid
27
3.3
Toetsing aan gemeentelijk beleid
32
Hoofdstuk 4
Toetsing aan omgevingsaspecten
34
4.1
Toetsing aan Besluit milieueffectrapportage
34
4.2
Verkeer en parkeren
35
4.3
Cultuurhistorie en archeologie
37
4.4
Bodemkwaliteit
41
4.5
Watertoets
42
4.6
Industrielawaai
48
4.7
Wegverkeerslawaai
50
4.8
Milieuhinder en bedrijven
50
4.9
Luchtkwaliteit
52
4.10
Externe veiligheid
53
4.11
Ecologie
59
4.12
Planologisch relevante leidingen en straalpaden
64
4.13
Duurzaamheid
65
Hoofdstuk 5
Financiële uitvoerbaarheid
67
5.1
Financiële uitvoerbaarheid
67
Resultaten overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
68
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 6
3/637
6.1
Resultaten overleg
68
6.2
Zienswijzen
71
Bijlagen toelichting
73
Bijlage 1
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
75
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
97
Bijlage 3
Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem
161
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek industrielawaai
245
Bijlage 5 Toelichting op de aanpak van milieuzonering met behulp van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein'
377
Bijlage 6
Onderzoek luchtkwaliteit
383
Bijlage 7
Onderzoek externe veiligheid
425
Bijlage 8
Onderzoek stikstofdepositie
443
Bijlage 9
Toelichting op actualisatie stikstofberekeningen
539
Bijlage 10
Stikstof vergelijkingsberekening met aangepaste rijroutes
545
Bijlage 11
Stikstofberekening voor 2024 met aangepaste rijroutes
555
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
563
Artikel 1
Begrippen
563
Artikel 2
Wijze van meten
567
Bestemmingsregels
568
Artikel 3
Agrarisch
568
Artikel 4
Bedrijventerrein
569
Artikel 5
Groen
571
Artikel 6
Natuur
572
Artikel 7
Verkeer
573
Artikel 8
Leiding - Leidingstrook
574
Artikel 9
Waarde - Archeologie
576
Algemene regels
578
Artikel 10
Anti-dubbeltelregel
578
Artikel 11
Algemene bouwregels
579
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
4/637
562
Artikel 12
Algemene aanduidingsregels
580
Artikel 13
Algemene afwijkingsregels
581
Artikel 14
Algemene wijzigingsregels
582
Artikel 15
Overige regels
583
Overgangs- en slotregels
584
Artikel 16
Overgangsrecht
584
Artikel 17
Slotregel
585
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels
587
Bijlage 1
Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein'
589
Bijlage 2
Parkeernormen Dongen
615
5/637
Toelichting
6/637
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel bestemmingsplan
Coca Cola Europacific Partners Nederland B.V. (hierna: CCEP) is gevestigd op bedrijventerrein De Wildert in de gemeente Dongen. Voor de bedrijfslocatie van CCEP geldt het bestemmingsplan De Wildert uit 1980. Met dit bestemmingsplan heeft CCEP lang vooruit gekund, maar inmiddels is het als planologisch toetsingskader gedateerd. Dit zorgt in de praktijk voor uitdagingen in de verlening van omgevingsvergunningen ingeval van wijziging of uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten. Ook wordt daardoor niet voldaan aan de wettelijke verplichting om het plan digitaal te kunnen raadplegen. Zowel CCEP als de gemeente Dongen hebben daarom behoefte aan een juridisch-planologische regeling die voldoet aan huidige beleidsinzichten en wetgeving. Dit bestemmingsplan voorziet in deze juridisch-planologische regeling. Parallel aan de voorbereiding van voorliggend bestemmingsplan is een revisievergunning milieu voor de inrichting van CCEP voorbereid. Het resultaat van beide trajecten is een eensluidende regeling in zowel het ruimtelijke spoor als het milieuspoor.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied maakt deel uit van het bedrijventerrein De Wildert (figuur 1.1). Dit bedrijventerrein ligt in de gemeente Dongen ten noordwesten van Tilburg. Ten zuiden van bedrijventerrein De Wildert ligt het industrieterrein Vossenberg en ten noorden agrarisch gebied met bijbehorende bebouwing. Het terrein wordt ontsloten door de Eindsestraat die overgaat in de N632 en Dongenseweg.
7/637
Figuur 1.1. Ligging plangebied
1.3
Leeswijzer
Deze toelichting op het bestemmingsplan heeft de volgende opzet. In hoofdstuk 2 is de huidige situatie beschreven. Direct daaropvolgend is aangegeven op welke wijze de nieuwe situatie planologisch-juridisch is geregeld in voorliggend bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan vastgesteld en voorgenomen beleid van verschillende overheden. In hoofdstuk 4 is het plan getoetst aan sectorale wetgeving en aspecten. In hoofdstuk 5 en 6 wordt ingegaan op de financiële en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. In deze toelichting en in de regels van het bestemmingsplan zijn veelvuldig relatieve verwijzingen toegepast ('hyperlinks'). Hiermee is op een snelle en eenvoudige manier onderliggende informatie benaderbaar. Zo kunnen binnen de bestemmingsregels gehanteerde begrippen worden aangeklikt waarmee direct wordt gesprongen naar de betreffende begripsbepalingen. Ook kan vanuit de regels de toelichting worden geraadpleegd en kunnen omgekeerd vanuit de toelichting (vooral in paragraaf 2.3 met de juridische planbeschrijving) de regels direct worden benaderd.
8/637
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
2.1.1 Ruimtelijke structuur en inrichting Het plangebied ligt op het zuidoostelijke deel van bedrijventerrein De Wildert. Voor dit gebied geldt nu bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Wildert', vastgesteld op 2 december 1980 (figuur 2.1). Het deel aan de noordkant valt buiten het plangebied van bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Wildert' maar is op ruimtelijkeplannen.nl wel als onderdeel daarvan aangegeven (figuur 2.2). Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarom ook in een actuele juridisch-planologische regeling voor dat deel.
Figuur 2.1. Uitsnede bestemmingsplan Bedrijventerrein De Wildert 1980
9/637
Figuur 2.2. Noordelijk deel plangebied (gearceerd); bron: ruimtelijkeplannen.nl; bewerking: Rho Adviseurs) Bedrijventerrein De Wildert is een bijzonder bedrijventerrein, omdat dit met ruim 40 ha grotendeels in beslag wordt genomen door twee grote internationale bedrijven: CCEP en Ardagh Glass die op een grote afzetmarkt (boven)regionaal dan wel (inter)nationaal - zijn georiënteerd. Het bedrijventerrein heeft een eenvoudige hoofdstructuur in de vorm van één centraal gelegen (doodlopende) ontsluitingsweg waaraan de bedrijven zijn gesitueerd. CCEP ligt aan oostzijde van deze ontsluitingsweg. De ruimtelijke structuur en de bebouwing op het bedrijventerrein zijn mede afgestemd op een nationale leidingenstrook die van noordwest naar zuidoost door het plangebied loopt. Deze leidingenstrook mag niet worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden en er mag niet op worden gebouwd. Graafwerkzaamheden die geen verband houden met de leidingenstrook en opgaande beplanting zijn evenmin toegestaan. De inrichting van het bedrijventerrein De Wildert is sterk gericht op efficiëntie ten behoeve van de gevestigde bedrijven. Het kleine aantal bedrijven en de aard en omvang ervan (grootschaligheid) hebben geleid tot een zeer functioneel terrein zonder bijzondere ruimtelijke kwaliteit.
CCEP heeft aan het noordkant, buiten het plangebied van het geldende bestemmingsplan De Wildert, al geruime tijd grond in eigendom en in gebruik voor buitenopslag (zie figuur 2.3). In dit bestemmingsplan is dit terrein wel onderdeel van bedrijventerrein De Wildert.
10/637
Figuur 2.3. Buitenopslag noordzijde van de productiegebouwen Op het bedrijfsperceel van CCEP is voldoende ruimte beschikbaar voor parkeren. Het parkeren voor personeel en bezoekers van CCEP vindt voornamelijk plaats aan de voorzijde van de bedrijfsgebouwen. CCEP beschikt over twee aaneengebouwde burgerwoningen: Eindsestraat 143 en 145 (zie bestemming Woondoeleinden (W) in figuur 2.1) . Deze woningen liggen niet op het bedrijfsterrein zelf maar in het bosperceel in de zuidoosthoek van het plangebied. Eén van de woningen staat leeg, de andere woning wordt nog bewoond. Enkele bospercelen langs de zuidrand van het plangebied zijn op provinciaal niveau aangewezen voor Natuurnetwerk Brabant.
11/637
Figuur 2.4. Huidige situatie (bron: CCEP) 2.1.2 Bedrijfsactiviteiten CCEP CCEP produceert frisdranken en niet bruisende (aseptische) dranken voor de Nederlandse markt en is bekend producent van frisdranken zoals Coca-Cola, Fanta en Sprite. De maximale productiecapaciteit van de inrichting bedraagt 850 miljoen liter per jaar. De locatie in Dongen omvat kantoren met eigen parkeerplaatsen en is de enige productielocatie in Nederland. Naast bereiding van frisdranken wordt een deel van deze dranken verwerkt in consumenten- en horecaverpakkingen die op de eigen locatie worden geproduceerd in een blaaskamer. Andere ondersteunende processen betreffen het reinigen van de productie-installaties, een laboratorium waar de producten worden getest op kwaliteit en voedselveiligheid, koelinstallaties, technische onderhoudsdienst en een milieustraat. Op verschillende locaties binnen de inrichting worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. 2.1.3 Indeling van het terrein In figuur 2.5 is de indeling van de inrichting weergegeven. De vrachtwagens met de grondstoffen en flesjes rijden aan de zuidwestkant het terrein van CCEP op en rijden naar achter. De suikerwagens worden aan de voorkant bij de bebouwing geleegd in de silo's. De bebouwing bestaat uit productie- en opslaghallen en diverse kantoren. Werknemers en bezoekers kunnen parkeren op het parkeerterrein aan de voorzijde van het terrein.
De hallen waar onder andere het eindproduct wordt gedistribueerd, bevindt zich aan de noordzijde van het terrein. Verder worden chemicaliën opgeslagen in brandwerende kasten. Aan de achterzijde van het terrein zijn de milieustraat en het gastankstation gesitueerd. In de uiterste noordoosthoek van het plangebied bevindt zich een onbebouwd stuk grond dat deels is bebost. Ter plaatse van de aanwezige buisleidingenstrook is in verband met het onderhoud en beheer door de leidingbeheerder geen beplanting aanwezig. Langs de zuidelijke en westelijke randen van het terrein liggen verschillende beboste delen die gedeeltelijk door de provincie zijn aanwezen voor Natuurnetwerk Brabant. Een gedeelte van dit Natuurnetwerk Brabant is al sinds 1990 gedeeltelijk verhard en heeft feitelijk geen natuurwaarde.
12/637
Aan de zuidoostzijde van het terrein liggen twee aaneengebouwde woningen waarvan er slechts één is bewoond. De woningen zijn eigendom van CCEP. Tot slot bevindt zich aan de zuidwestzijde van het terrein een zend- en ontvangstinstallatie.
Figuur 2.5. Overzicht van het terrein (bron: CCEP)
2.2
Beoogde ontwikkelingen
Dit bestemmingsplan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het hele bedrijfsperceel van CCEP. Hiermee wordt ook het feitelijk bestaand gebruik van het noordelijk deel van het bedrijfsperceel, dat niet onderdeel is van het plangebied van geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Wildert' (circa 3 ha), geregeld in een actueel bestemmingsplan. De ambitie van CCEP is om in 2040 klimaatneutraal te zijn in de hele keten. De eerste belangrijke stappen in die richting worden gezet op de productielocatie in Dongen. Hier is de ambitie om vanaf 2024 volledig elektrisch te draaien. Bestaande bronnen van CO2-emissie, zoals de stoomboilers en LPG-heftrucks, worden vervangen door elektrische alternatieven. Ook de LPG-tankinstallatie zal worden verwijderd. De gebruikte elektriciteit zal afkomstig zijn van duurzame bronnen, zoals bij CCEP zelf te installeren zonnecellen en zonne- of windparken in de buurt van de inrichting zoals windpark De Spinder en zonnepark De Wildert.
13/637
CCEP wil enkele nieuwe gebouwen bouwen, voor onder meer opslag en logistiek. Deze gebouwen worden hoofdzakelijk gerealiseerd op het bestaande bedrijventerrein. Om de ambitie om in 2040 klimaatneutraal te zijn in de gehele keten te kunnen realiseren, is daarnaast extra fysiek ruimtebeslag nodig. Deze ruimte concentreert zich aan de voorzijde van het terrein, in de zuidwesthoek van het plangebied. Deze gronden met een oppervlakte van circa 1.900 m² hebben in dit bestemmingsplan de bestemming Groen maar zijn ook voorzien van een wijzigingsbevoegdheid. Het huurcontract van de woning in de zuidoosthoek, die nog in gebruik is, zal op termijn worden beëindigd. Deze en de andere woning worden gesloopt. In dit bestemmingsplan zijn deze gronden (circa 1.600 m2) bestemd voor beplantingen ten behoeve van de landschappelijke afscherming van het bedrijventerrein (in de bestemming 'Groen'), in aansluiting op de bestaande groenstrook langs de Eindsestraat en op het Natuurnetwerk Brabant aan weerszijden.
Figuur 2.6. Mogelijke uitbreiding aan de zuidwestkant (circa 1.900 m²), regeling feitelijk bestaand gebruik aan de noordkant (circa 3 ha.)
14/637
2.3
Toelichting op de juridische regeling
2.3.1 Wettelijk kader In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen. 2.3.2 Opzet van de bestemmingsregeling Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) is het volgende van belang. Verbeelding Eisen aan de verbeelding In relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. De bestemmingen worden door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'BT' voor 'Bedrijventerrein'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen die op de verbeelding herkenbaar zijn aan arceringen.
De gehanteerde bestemmingen Voor het bedrijfsperceel van CCEP is de bestemming 'Bedrijventerrein' opgenomen. Langs enkele randen rondom het bedrijfsperceel is de bestemming 'Groen' opgenomen. Groenvoorzieningen zijn overigens ook binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' mogelijk. De gronden die zijn aangewezen voor Natuurnetwerk Brabant zijn bestemd voor 'Natuur' (zie paragraaf 3.2.3). De gronden in het noordoosten van het plangebied behouden, in verband met de beperkte gebruiksmogelijkheden door de ligging van de buisleidingstraat, de geldende agrarische bestemming. De Eindsestraat inclusief voet- en fietspaden is bestemd voor 'Verkeer'. Daarnaast zijn de delen waar archeologische waarden kunnen voorkomen (zie paragraaf 4.3.2) beschermd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Tot slot is de buisleidingenstraat in het noordoosten van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven, waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven.
15/637
Hoofdstuk 3 (Algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing is. Hoofdstuk 4 (Overgangs- en slotregels) ten slotte bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van de bestemmingsregels (hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden, maar de bestemmingsregels hoeven niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling. Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels van andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Dongen en de beheersverordening voor het overige deel van het bedrijventerrein De Wildert. 2.3.3 Toelichting op de gehanteerde bestemmingen Agrarisch (Artikel 3) De bestemming Agrarisch staat de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven toe. Dit type bedrijven is ook in de begrippen verklaard.
Op de gronden is geen bouwvlak aanwezig en gelden - mede in verband met de buisleidingstraat - beperkte bouwmogelijkheden. Bedrijventerrein (Artikel 4) Algemene toelaatbaarheid De bestemming 'Bedrijventerrein' is een globale bestemming waarbinnen mogelijkheden worden geboden voor nagenoeg alle activiteiten en voorzieningen die met een bedrijventerrein samenhangen, zoals bedrijfspercelen, interne infrastructuur, energievoorzieningen en waterzuiveringen zonder dat de exacte positie daarvan wordt vastgelegd. Specifieke toelaatbaarheid Het toelaatbaar gebruik en de toelaatbare activiteiten zijn geregeld in lid 4.1 Bestemmingsomschrijving en lid 4.3 Specifieke gebruiksregels. Voor de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten wordt gebruik gemaakt van een milieuzonering en een Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein' (zie ook paragraaf 4.8). In deze staat is de milieuzonering alleen gebaseerd op de milieuaspecten geur, stof en gevaar. Het aspect geluidbelasting van de bedrijven (industrielawaai) is niet als te beoordelen milieueffect meegenomen omdat dit wordt gereguleerd via de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning voor milieu en meldingen/maatwerkvoorschriften) en het zonebeheer van het bevoegd overheidsorgaan.
Grote lawaaimakers (zogenoemde Wgh-inrichtingen) kunnen op het terrein worden gevestigd, mits daarvoor voldoende geluidruimte binnen de geluidzone aanwezig is. De maximale milieucategorie is 4.2. Voor de toegepaste zonering wordt verwezen naar paragraaf 4.8. Bedrijven of bedrijfsactiviteiten uit hogere categorieën dan rechtstreeks toegestaan, zijn alleen mogelijk na toepassing van
16/637
de in lid 4.4.1 opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Deze bedrijven of bedrijfsactiviteiten moeten dan wel naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met bedrijfsactiviteiten uit een categorie die rechtstreeks is toegestaan. Omdat CCEP onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) valt (zie paragraaf 4.10) is voor het bouwvlak de aanduiding 'risicovolle inrichting' opgenomen. Buiten deze aanduiding zijn geen risicovolle inrichtingen toegestaan. De maximale productiecapaciteit is in lid 4.3 vastgelegd op 850.000 m3 (850 miljoen liter) per jaar, overeenkomstig de (revisie)vergunning milieu die parallel aan dit bestemmingsplan is voorbereid (zie paragraaf 1.1 en ook paragraaf 4.1 met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling). Verder zijn voorzieningen toegestaan die gebruikelijk zijn op een bedrijventerrein, zoals parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenvoorzieningen, watervoorzieningen en nutsvoorzieningen. Bedrijfswoningen Deze zijn niet mogelijk gemaakt aangezien deze beperkingen opleggen aan de bedrijfsuitoefening van bedrijven. Bedrijfswoningen worden in het kader van milieuwetgeving namelijk aangemerkt als milieugevoelige functies. Bovendien zijn deze uit oogpunt van zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik niet gewenst. Opslag Opslag is gebruikelijk op een bedrijventerrein en is dus mogelijk.
Er gelden geen beperkingen voor wat betreft de locatie en de hoogte. In de praktijk worden de pallets met frisdrank niet meer dan 3 hoog gestapeld (zie figuur 2.3 in paragraaf 2.1.1). Groen (Artikel 5) De belangrijkste functie van deze bestemming is het vastleggen van de groenstroken langs de randen van het bedrijfsperceel. De bestemming Groen is een globale bestemming waarbinnen onder andere ook voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en voet- en fietspaden zijn toegestaan. De enige gebouwen die in het bestemmingsplan - rechtstreeks - mogelijk worden gemaakt zijn gebouwen voor nutsvoorzieningen tot een oppervlakte van 15 m² en een bouwhoogte van 3 m. Voor het overige mogen op deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' zijn burgemeester en wethouders bevoegd om de bestemming Groen te wijzigen in Bedrijventerrein, mits wordt aangetoond dat de uitbreiding van het bedrijventerrein uitvoerbaar is en vanuit bedrijfseconomisch perspectief noodzakelijk. De bouwhoogte van gebouwen in dit gebied mag na wijziging ten hoogste 10 meter bedragen. Natuur (Artikel 6) De functie van deze bestemming is het vastleggen van het Natuurnetwerk Brabant en de gronden waar natuurcompensatie wordt gerealiseerd. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Om de te behouden natuurwaarden te borgen is een vergunningstelsel opgenomen
17/637
voor verschillende werken of werkzaamheden zoals rooien of kappen van de beplanting, het uitvoeren van grondbewerkingen etc. De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Verkeer (Artikel 7) De bestemming Verkeer geldt voor de binnen het plangebied gelegen Eindsestraat aan de zuidkant en de ontsluitingsweg op het bedrijventerrein zelf. Binnen deze bestemming is het daarbij passende gebruik toegestaan zoals parkeren, groen- en waterpartijen en nutsvoorzieningen. Dubbelbestemming Leiding - Leidingstrook (Artikel 8) Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de in paragraaf 2.1 genoemde buisleidingenstraat van nationaal belang (zie paragraaf 4.12). De afweging of nieuwe functies en bebouwing binnen de bebouwings- en toetsingsafstanden van deze leidingen aanvaardbaar zijn, vindt plaats in het kader van de milieuwetgeving die daarvoor geldt. De breedte van de dubbelbestemming is opgebouwd uit het werkelijke ruimtebeslag (de breedte van de leiding) en de bijbehorende belaste stroken (belemmeringenstroken). Ten behoeve van deze dubbelbestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ten behoeve van de samenvallende bestemmingen dient het bouwen steeds aan het leidingenbelang te worden getoetst.
Dit geldt ook voor het uitvoeren van werkzaamheden die geen direct verband houden met het bouwen en die de grond roeren, zoals het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen. Deze werkzaamheden zijn alleen mogelijk met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voorheen aanlegvergunning genoemd), die alleen kan worden verleend na advies van de betrokken leidingbeheerder en als het leidingbelang niet wordt geschaad. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie (Artikel 9) Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid en een archeologisch onderzoek is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen voor delen van het plangebied (zie paragraaf 4.3.2). De bestemming valt samen met andere bestemmingen en heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. De regeling is gebaseerd op de standaardregels die de gemeente Dongen hiervoor heeft opgesteld. Voordat er ten behoeve van een samenvallende bestemming (bijvoorbeeld 'Bedrijventerrein') een activiteit mag worden uitgevoerd die de bodem roert, moet worden nagegaan of daardoor geen onevenredige schade aan de archeologische waarden wordt toegebracht.
Om deze afweging mogelijk te maken is het bouwen afhankelijk gemaakt van een omgevingsvergunning en is voor andere werkzaamheden dan bouwen (bijvoorbeeld graven) ook een omgevingsvergunning nodig. Deze wordt niet verleend indien daardoor in onevenredige mate schade aan de archeologische waarde wordt of kan worden toegebracht. Onder bepaalde voorwaarden is geen omgevingsvergunning noodzakelijk. 2.3.4 Toelichting op de algemene regels De algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen.
18/637
Anti-dubbeltelbepaling (Artikel 10) Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Algemene bouwregels (Artikel 11) De algemene bouwregels omvatten bouwregels die aanvullend op de regels van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Lid 11.1 bevat een algemene regeling voor een geringe overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. De overschrijding van de bouwgrenzen dient wel beperkt te zijn. Lid 11.2 betreft uitsluitend een bouwbepaling en geen gebruiksbepaling. Met deze bepaling wordt voorkomen, dat bestaande bouwwerken, die wat betreft afstandsmaten of andere maten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, onder het overgangsrecht komen te vallen. Algemene aanduidingsregels (Artikel 12) In dit artikel staan de zogenoemde gebiedsaanduidingen beschreven die in meerdere bestemmingen vallen en daarom niet zijn opgenomen in de artikelen van de betreffende (enkel)bestemmingen. In dit plan gaat het om de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie' en 'overige zone - gezoneerd industrieterrein'.
Algemene afwijkingsregels (Artikel 13) Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsregels (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen. Algemene wijzigingsregels (Artikel 14) In lid 14.1 is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die in lid 13.1, vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als bij nader inzien: open water dat als zodanig is bestemd een andere vorm moet krijgen; een bruggetje dat anders moet worden geconstrueerd of een stukje moet opschuiven; een fietspad iets anders moet aansluiten op een kruising; een bestemming moet worden aangepast om een betere entree mogelijk te maken. Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad.
Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig gaat het daarbij om centimeters in
19/637
plaats van meters. Overige regels (Artikel 15) Parkeren Dit artikel bevat drie verschillende onderwerpen. In lid 15.1 zijn de regels opgenomen voor het aspect 'parkeren' overeenkomstig de beleidsregel "Parkeernormen Dongen" (zie Bijlage 2 van de regels van dit bestemmingsplan). De regeling is zo vormgegeven dat bij (bouw)activiteiten wordt getoetst of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van deze beleidsregels. Deze toetsing vindt plaats bij de omgevingsvergunning. Omdat een omgevingsvergunning ook betrekking kan hebben op het afwijken van het bestemmingsplan, vindt deze toetsing daar ook plaats. In dat geval wordt ook het gebruik getoetst, niet alleen het bouwen. Echter gebruiksveranderingen die bij recht zijn toegestaan volgens het bestemmingsplan vallen hier niet onder (zie uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zaaknr. 201800074/1/R6). Laden en lossen In deze nota is geen beleid opgenomen ten aanzien van het laden en/of lossen van goederen. Er bestaat echter wel behoefte aan een regeling voor laden en lossen, omdat ook deze bepaling uit de bouwverordening is vervallen. Daarom is in lid 15.2 een bepaling opgenomen dat voor een bouwwerk, waarbij de verwachting bestaat dat er behoefte zal zijn aan ruimte voor laden en/of lossen van goederen, de omgevingsvergunning slechts zal worden verleend wanneer wordt voorzien in die behoefte.
In het artikel is voor zowel parkeren als voor laden en lossen een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Werking wettelijke regeling Lid 15.3 betreft "Werking wettelijke regeling". In een aantal gevallen wordt in de regels van bestemmingsplannen verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en / of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.
2.3.5 Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen Overgangsrecht (Artikel 16) In artikel 16 van de regels is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 16.2 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 16.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Slotregel (Artikel 17) De titel of de naam van het bestemmingsplan is vastgelegd in artikel 17 van de regels.
20/637
21/637
Hoofdstuk 3 3.1
Toetsing aan beleid en visies
Toetsing aan Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk wil het Rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen.
Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. Het Rijk wil ervoor zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft de aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-winsituaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
22/637
Toetsing In de NOVI is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het bestemmingsplan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Het Barro en het Rarro bevatten inhoudelijke regels van de Rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen. Toetsing Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart) en Erfgoed (Unesco). Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende onderwerpen uit het Barro en Rarro relevant: 1. Militaire luchtvaartterreinen; 2. Voorkeurstracés buisleidingen. 1. Militaire luchtvaartterreinen Het zuidwesten van het plangebied ligt binnen het obstakelgebied rondom vliegbasis Gilze-Rijen (zie figuur 3.1).
Figuur 3.1. Kaart 4 Rarro - militaire luchtvaartterreinen (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Artikel 2.6.4.lid 4 van het Barro bepaalt: 'De maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in een obstakelbeheergebied is in
23/637
overeenstemming met artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens.' Uit het Besluit militaire luchthavens volgt dat (artikel 16 lid 2): 'De maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond, die op 1 november 2006 niet in het obstakelbeheergebied aanwezig waren, is, in verband met de veiligheid van het landen van luchtvaartuigen met behulp van een instrument landingssysteem, in overeenstemming met de blijkens een in de Staatscourant bekend gemaakte mededeling van Onze Minister van kracht zijnde versie van de ICAO EUR DOC 015. De eerste volzin is niet van toepassing indien: a. de bouwvergunning voor het object vóór 1 november 2006 is verleend, of b. de bouw van het object in het op 1 november 2006 geldende bestemmingsplan is voorzien.' De maximum toegestane bouwhoogte binnen het plangebied bedraagt evenals die in het geldende bestemmingsplan 20 meter. Het bestemmingsplan laat geen bouwwerken toe die leiden tot obstakels voor het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen. Voorkeurstracés buisleidingen Het noordoosten van het plangebied ligt binnen het zoekgebied buisleidingen (zie figuur 3.2) en het tracé door Hoeksche Waard en Noord-Brabant voor aardgas, bulkchemicaliën, CO2, kabels/leidingen, olie (zie figuur 3.3).
Figuur 3.2. Kaart 13 Voorkeurstracés buisleidingen - zoekgebied (www.ruimtelijkeplannen.nl)
24/637
Figuur 3.3. Kaart 13 Voorkeurstracés buisleidingen - tracé (www.ruimtelijkeplannen.nl) Artikel 2.9.2 Barro geeft de aanwijzing voor voorkeurstracés. De breedte van het voorkeurstracé bedraagt ten hoogste 70 meter. Op grond van artikel 2.9.3 Barro kan de gemeenteraad het voorkeurstracé in een bestemmingsplan nader uitwerken, op een wijze dat het tracé voor de buisleidingenstrook: a. gelegen blijft binnen het zoekgebied, bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid; b. aansluit op het voorkeurstracé onderscheidenlijk het tracé voor een buisleidingenstrook in de naastliggende gemeenten; c. een breedte heeft die gelijk is aan de breedte die het voorkeurstracé over het grootste deel van dat tracé heeft. Artikel 2.9.4 lid 1 Barro bepaalt dat: 'Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen het voorkeurstracé laat, ten opzichte van het op het moment van aanwijzing van dat voorkeurstracé geldende bestemmingsplan, geen nieuwe activiteiten toe die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang.' De genoemde buisleidingenstraat is in dit bestemmingsplan nader uitgewerkt en voorzien van een beschermende dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. Hiermee voldoet het plan aan de regels uit Barro en Rarro. Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de rijksregels uit Barro en Rarro.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
25/637
a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c. de uitkomsten van het overleg met officiële instanties; d. de uitkomsten van het verrichte onderzoek; e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Op al deze punten wordt in voorliggende toelichting ingegaan. Verder is in het Bro vastgelegd dat voor stedelijke ontwikkelingen de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gehanteerd (een nadere onderbouwing in het bestemmingsplan). Op 1 juli 2017 is de duurzaamheidsladder (artikel 3.1.6. lid 2 Bro) aangepast. Deze luidt nu als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Toetsing (aan ladder voor duurzame verstedelijking) Wel of geen stedelijke ontwikkeling De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 500 m² bedrijventerrein kan worden gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor de gronden met de bestemming Groen in de zuidwesthoek is een wijzigingsbevoegdheid met een oppervlakte van circa 1.900 m² opgenomen naar Bedrijventerrein. In dit plan is dus sprake van een stedelijke ontwikkeling. Bestaand stedelijk gebied In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. De beoogde uitbreiding heeft nu een groenbestemming, is onderdeel van het bedrijventerrein en geldt daarmee als stedelijk gebied. Daarom is hierna de behoefte beschreven en gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in die behoefte kan worden voorzien. Beschrijving behoefte Het betreft in dit geval de concrete uitbreidingsbehoefte van een bestaand bedrijf, om de ambitie om in 2040 klimaatneutraal te zijn in de gehele keten te kunnen realiseren.
Dit is niet mogelijk op het huidige bedrijfsperceel. Dit is in de huidige situatie geheel in gebruik. Daarom is een kleinschalige uitbreiding beoogd. Daarbij wordt - na wijziging van de bestemming in een wijzigingsplan - gebruikt gemaakt van een bosperceel dat in eigendom is van het bedrijf en feitelijk ook deel uitmaakt van het complex. Er wordt dus geen grote uitbreiding gezocht buiten het terrein.
26/637
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de uitbreiding van het bedrijventerrein past binnen de kaders van het rijksbeleid.
3.2
Toetsing aan provinciaal beleid
3.2.1 Inleiding Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening (hierna: Iov) relevant. In de omgevingsvisie geeft de provincie aan welke doelen de provincie nastreeft, wat voor beleid de provincie voert, hoe de provincie stuurt om haar doelen te realiseren en welke instrumenten zij daarbij inzet (paragraaf 3.2.2). De Iov is een van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen te realiseren. De verordening is op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten vastgesteld en wordt regelmatig geactualiseerd. Op 15 april 2022 is de geconsolideerde versie gepubliceerd (paragraaf 3.2.3). Paragraaf 3.2.4 gaat in op de regionale bedrijventerreinenafspraken. 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: 1. Werken aan de Brabantse energietransitie; 2. Werken aan een klimaatproof Brabant; 3. Werken aan de slimme netwerkstad; 4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie.
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing In het bestemmingsplan wordt het bestaande gebruik en het planologisch toegestane gebruik vastgelegd. Daarnaast is met een wijzigingsbevoegdheid beperkte uitbreiding van het bedrijventerrein voorzien binnen het bestaande stedelijke gebied. Gelijktijdig werkt CCEP aan het energieneutraal maken van de activiteiten. Hiermee is het plan in lijn met de uitgangspunten uit de omgevingsvisie. 3.2.3 Interim Omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening (Iov). De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke
27/637
wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie. Omdat de Iov beleidsneutraal is en vooral bedoeld is om bestaande regelingen samen te voegen, heeft er ook (nog) geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald thema gecontinueerd moet worden. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening.
Bij de samenvoeging zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: een gebruikersvriendelijke verordening met een duidelijke opbouw en een vereenvoudiging van de regels; geen dubbele regelgeving dus er worden geen regels gesteld voor aspecten die al op nationaal niveau zijn geregeld; regels ondersteunen de uitvoering en nieuwe manier van werken uit de omgevingsvisie en brengen partners als gemeenten, waterschappen, ondernemers en bewoners zoveel mogelijk in positie om eigen verantwoordelijkheid te nemen; regels bieden waar mogelijk ruimte voor eigen invulling en afweging, bijvoorbeeld door meer te werken met doelvoorschriften en open normen; een ja, mits benadering en het positief formuleren van voorwaarden. In de Verordening wordt met name ingegaan op het thema zorgvuldig ruimtegebruik ten aanzien van ontwikkelingen van bedrijventerreinen. Die ontwikkeling is belangrijk om ruimte te bieden aan bedrijven die vanwege hun bedrijfsvoering effect hebben op hun omgeving en daardoor overlast kunnen geven op hindergevoelige functies als wonen of zorgfuncties. Een bestemmingsplan moet inzicht bieden in de effecten op de omgeving maar zorgt ook dat een bedrijventerrein deze opvangfunctie blijvend kan vervullen. Toetsing Voor het plangebied zijn de volgende aspecten uit de verordening relevant: 1.
milieubeschermingsgebied, natuur en wegen / grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; 2. stedelijke ontwikkelingen en erfgoed; 3. natuur en stiltegebieden. Ad. 1 milieubeschermingsgebied, natuur en wegenmilieubeschermingsgebied, natuur en wegen Op kaart 1 en 5 bij de Iov is het plangebied aangeduid voor 'boringsvrije zone - maximale boordiepte 30 meter', 'waterwinning voor menselijke consumptie' en 'grondwaterlichaam', zie figuur 3.4.
28/637
Figuur 3.4. Uitsnede kaart 1 Interim Omgevingsverordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Artikel 2.18 van de Iov bevat regels voor activiteiten in de bodem Boringsvrije zone. Het verrichten van werkzaamheden in de bodem is toegestaan tot een boordiepte van 30 m. Voor deze activiteiten is reeds vergunning. Hiermee is het plan in lijn met artikel 2.18. Artikel 2.1 van de iov bevat een zorgplicht voor waterwinning. Dit houdt in dat degene die binnen de Waterwinning voor menselijke consumptie een activiteit verricht, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater verplicht is: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, voor zover deze niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De zorgplicht heeft geen directe raakvlakken met het bestemmingsplan, maar is wel van belang voor de uitvoering van de activiteiten van CCEP. Artikel 2.20 bevat een verbod om boven, in of onder een diep grondwaterlichaam de onconventionele koolwaterstoffen te winnen. Dit verbod heeft directe raakvlakken met het bestemmingsplan. ad.
2 Stedelijke ontwikkelingen en erfgoed Op kaart 3 bij de Iov is het plangebied - met uitzondering van het Natuur Netwerk Brabant aangeduid als 'Concentratiegebied voor verstedelijking' (zie figuur 3.5). Voor dit gebied wordt ingezet op bevordering van ruimtelijke kwaliteit. Uitgangspunt in de verordening is dat de bescherming van de ruimtelijke kwaliteit in het geldende bestemmingsplan al is gewaarborgd. Als geldende ontwikkelrechten worden overgenomen in een
29/637
nieuw bestemmingsplan, bijvoorbeeld in het kader van een wettelijk verplichte actualisering, is het wel nodig dat recente inzichten over ruimtelijke kwaliteit worden meegewogen.
Figuur 3.5. Uitsnede kaart 3 Interim Omgevingsverordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Over het thema zorgvuldig ruimtegebruik wordt opgemerkt dat hieraan op verschillende wijzen invulling wordt gegeven. Inzet is een toekomstbestendig ruimtelijk toetsingskader (lees: bestemmingsplan). In verband hiermee is zo veel als mogelijk aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen. Uit oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik worden in het onderhavige bestemmingsplan nieuwe bedrijfswoningen niet langer mogelijk gemaakt, zodat deze geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van de bedrijven. Het bedrijventerrein is landschappelijk goed ingepast. Vanaf de N260 is het bedrijventerrein bijna niet zichtbaar door de aanwezigheid van groenstroken en bospercelen. Deze stroken en percelen zijn in dit bestemmingsplan als zodanig bestemd (met enige aanpassingen, zie hierna). Aan de noordzijde grenst het bedrijventerrein aan het landelijk gebied van Dongen. In het zuiden van het plangebied ligt Natuurnetwerk Brabant (zie ook figuur 3.6). Deze gronden hebben in dit bestemmingsplan een natuurbestemming. ad. 3 Natuur en stiltegebieden Op kaart 4 van de Iov zijn enkele delen van het plangebied aangeduid voor Natuur Netwerk Brabant (zie figuur 3.6). Een deel hiervan is daadwerkelijk in gebruik als bos, een groot deel is echter al sinds 1990 gedeeltelijk verhard en heeft feitelijk geen natuurwaarde.
30/637
Figuur 3.6. Uitsnede kaart 4 Interim Omgevingsverordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Artikel 3.15 bevat het beschermingsregime voor Natuurnetwerk Brabant: Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Lid 2 Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Lid 3 Als de inrichting en beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een bestemmingsplan vast overeenkomstig het eerste lid. Nieuwe ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden (artikel 3.17 iov): a. nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig Artikel 3.18; b. het nee, tenzij-principe, overeenkomstig Artikel 3.19; c. de saldo-benadering, overeenkomstig Artikel 3.20; d.
een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig Artikel 3.21.
31/637
Het voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in uitbreiding van het bedrijfsperceel op gronden met de aanduiding Natuurnetwerk Brabant. De regels ten aanzien van Natuurnetwerk Brabant hebben daarom geen raakvlakken met dit bestemmingsplan. 3.2.4 Bedrijventerreinafspraken Regio Hart van Brabant 2020-2024 In de notitie 'Bedrijventerreinenafspraken Regio Hart van Brabant 2020-2024' is het regionaal afsprakenkader met betrekking tot (de ontwikkeling van) bedrijventerreinen opgenomen. Dit afsprakenkader is tot stand gekomen door een tweetal bestuurlijke rondes langs de acht regiogemeenten, de gemeenten Haaren en Heusden en de provincie Noord-Brabant. Het afsprakenkader gaat uit van vraaggericht ontwikkelen, en beschrijft de werkwijze waarop in de regio afspraken worden gemaakt over het accommoderen van de vraag naar bedrijventerreinen (via het stoplichtenmodel). Daarvoor heeft de provincie een nieuwe kwantitatieve en kwalitatieve behoefteprognose laten opstellen op basis waarvan de regio met een nieuwe voorstel voor een set afspraken kon komen. De regionale afspraken over de bedrijventerreinprogrammering vormen geen belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen.
3.3
Toetsing aan gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Dongen 2020 De Structuurvisie Dongen 2020 bevat het integrale ruimtelijke beleid op hoofdlijnen voor de gehele gemeente tot 2020. De ambitie die in de visie is vastgelegd is het met open vizier en met zoveel mogelijk inwoners van Dongen nadenken over het creëren, het in stand houden en het versterken van een aantrekkelijke en functionele woon-, werk- en leefomgeving. Centraal staat dat iedereen zoveel mogelijk kan deelnemen aan het wonen, werken en leven in de gemeente en dat de eigenheid van Dongen wordt gewaarborgd. Aan die ambitie zijn drie belangrijke hoofdopgaven gekoppeld. Het gaat om: 1. goed wonen, werken en leven voor iedereen; 2. (cultuur)historisch Dongen; 3. versterken groenblauwe raamwerk. Toetsing Voor verschillende thema's zijn visies geformuleerd. Relevant voor dit bestemmingsplan is het thema 'Goede economie en voldoende voorzieningen'. Zie uitsnede structuurvisiekaart in figuur 3.7. Op dit thema wordt hierna ingegaan.
32/637
Figuur 3.7. Uitsnede structuurvisiekaart Dongen Goede economie en voldoende voorzieningen Zuinig ruimtegebruik bestaand bedrijventerrein Op de bestaande bedrijventerreinen ligt het accent op beheer en onderhoud. Bij een aantal private kavels kan door middel van revitalisering nog een kwaliteitsslag worden gemaakt. Door de relatief beperkte uitbreidingsruimte voor bedrijventerreinen binnen de gemeentegrenzen van Dongen wordt op de bestaande bedrijventerreinen gezocht naar mogelijkheden voor zuinig ruimtegebruik. Dit kan worden bewerkstelligd door intensivering van het ruimtegebruik, bijvoorbeeld door het toestaan van grotere bouwhoogtes en een groter bebouwingspercentage op de bedrijfspercelen en / of door bijvoorbeeld efficiënt oplossen van parkeren. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een actueel planologisch kader voor het bedrijfsperceel van CCEP. Het huidige bestemmingsplan is verouderd en stemt niet overeen met de feitelijke situatie. In voorliggend bestemmingsplan is een bedrijfsbestemming opgenomen waarbinnen plannen voor de toekomst op het bestaande terrein kunnen worden uitgevoerd. Er is aangesloten bij het geldende bebouwingspercentage. Daarnaast is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een kleinschalige uitbreiding aan de zuidwestzijde van terrein binnen het bestaand stedelijk weefsel.
Hiermee is sprake van een toekomstbestendig planologisch kader waarbinnen de ambities van CCEP gerealiseerd kunnen worden. Het bestemmingsplan is hiermee in lijn met de structuurvisie.
33/637
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan omgevingsaspecten
Toetsing aan Besluit milieueffectrapportage
4.1.1 Toetsingskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig (bijlage C en D), project-m.e.r-plichtig (bijlage C) of m.e.r-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Concreet voor deze situatie zijn voor dit plan de volgende m.e.r.-categorieën (en bijbehorende drempelwaarden) in bijlage D relevant: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer (D 11.3); de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar (D 15.2); de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een siroopfabriek, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 20 miljoen liter per jaar of meer (D 38.2). Inmiddels is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije'm.e.r.-beoordeling. 4.1.2 Toetsing Op basis van een toetsing aan het Besluit m.e.r. wordt geconcludeerd dat op basis van de m.e.r.
categorieën D 11.3, D 15.2 en D 38.2 een vorm vrije m.e.r.-beoordeling van toepassing is: De uitbreiding aan de zuidwestkant (circa 1.900 m²) en de juridisch-planologische regeling van het feitelijk
34/637
bestaand gebruik aan de noordkant (circa 3 ha) bedragen samen ruim minder dan de drempelwaarde. In de huidige situatie is een grondwateronttrekking vergund tot een maximum van 1,375 miljoen m³ water per jaar, tegen een feitelijke onttrekking van 0,63 miljoen m³ per jaar (2018). Deze vergunde ruimte zal binnen het nieuwe bestemmingsplan niet wijzigen of worden uitgebreid, waardoor categorie D 15.2 niet van toepassing is. In de huidige situatie is de productie van 850.000 m3 (850 miljoen liter) liter Coca-Cola en frisdranken vergund, tegen een feitelijke productie van 495 miljoen liter per jaar (2018). Deze vergunde ruimte zal binnen het nieuwe bestemmingsplan niet worden uitgebreid: in de gebruiksregels van voorliggend bestemmingsplan is maximale productiecapaciteit van de risicovolle inrichting (i.e. CCEP) bepaald op 850.000 m3 per jaar, overeenkomstig de (revisie)vergunning milieu (die parallel aan dit bestemmingsplan is voorbereid). De vergunde ruimte zal binnen het nieuwe bestemmingsplan niet worden uitgebreid. Wel maakt het bestemmingsplan wijzigingen in de productie van frisdranken (siroop) mogelijk. Deze potentiële wijzigingen liggen vooralsnog onder het niveau van 20 miljoen liter per jaar, waarmee een vorm vrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Op basis van bovenstaande toetsing wordt geconcludeerd dat op basis van de m.e.r.
categorieën D 11.3 en D 15.2 een vorm vrije m.e.r.-beoordeling van toepassing is. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit dient met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te worden gelegd. De aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 1. Er zijn geen ontwikkelingen geïdentificeerd die in de nabijheid van het plangebied spelen en die kunnen leiden tot een mogelijke cumulatie van milieueffecten als gevolg van het bestemmingsplan. 4.1.3 Conclusie Op PM DATUM is door het college besloten dat geen MER nodig is.
4.2
Verkeer en parkeren
Inleiding en uitgangspunten Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Kleinschalige uitbreiding van het bedrijventerrein kan leiden tot veranderingen op het gebied van verkeer en parkeren. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerskundige gevolgen hiervan. Voor de beoogde uitbreiding wordt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie berekende op basis van de beleidsregel 'Parkeernormen Dongen' behorende bij het parapluplan en kencijfers CROW publicatie 381. Voor het te hanteren kencijfer wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk'. Het plangebied valt volgens de beleidsregel 'Parkeernormen Dongen' (zie bijlage 2 van de regels) in het 'gebied buiten bebouwde kom' dat in de kencijfers van het CROW wordt vertaald naar 'buitengebied'. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt getoetst aan de wegencategorisering en de daarin bepaalde grenswaarde voor de verkeersintensiteit per wegcategorie en door middel van een expert judgement.