CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-073293 Bijl1- Regels en toelichting OBP 'Bedrijventerrein De Wildert - locatie CCEP'

Besluitvormende raadsvergadering 13 april 2023, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2023-073293 Vaststellen Bestemmingsplan de Wildert - locatie CCEP26.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Bovenal blijft bij ontwikkelingen op het bedrijfsterrein de zorgplicht op grond van de Wet natuurbescherming van toepassing. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.12 Planologisch relevante leidingen en straalpaden Toetsingskader Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een bestemmingsplan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Voor zover ze geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer, zijn de volgende buisleidingen planologisch relevant: Hoogspanningsverbindingen met een spanning van 50 kV en hoger. Buisleidingen voor transport van aardgas vanaf 16 bar en een uitwendige diameter van 50 mm; Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een druk vanaf 16 bar en een uitwendige diameter van 70 mm. Buisleidingen voor het transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Volgens het Bor mogen drink-, koel-, industrie- en afvalwaterleidingen vergunningvrij worden aangelegd, mits ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening. Als gevolg hiervan hoeven deze leidingen niet in een bestemmingsplan worden vastgelegd. Niet-planologisch relevante leidingen vervullen een functie voor de aanwezige functies en hoeven evenmin bescherming c.q.

regeling in een bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische

64/637

regeling worden aangelegd. Toetsing In en nabij het plangebied zijn drie planologisch relevante leidingen aanwezig, namelijk de PRB- en rrp-l9 buisleidingen aan de noordoostzijde van het plangebied. De leidingstrook biedt ook ruimte voor de realisatie van de Deltacorridor (door middel van de rijkscoördinatieregeling.) Deze leidingen zijn in het bestemmingsplan planologisch geregeld en beschermd middels de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. Voor deze leidingen geldt een belemmeringenstrook van respectievelijk 10 en 42,5 meter waarbinnen niet gebouwd mag worden. Omdat er binnen deze zone geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden vormt dit aspect geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.

4.13 Duurzaamheid Klimaat CCEP wil in 2040 klimaatneutraal zijn in de hele keten. De ambitie is om vanaf 2024 volledig elektrisch te draaien. Bestaande bronnen van CO2-emissie, zoals de stoomboilers en LPG-heftrucks, worden vervangen door elektrische alternatieven. Ook de LPG-tankinstallatie zal verwijderd worden. De gebruikte elektriciteit zal zoveel mogelijk afkomstig zijn van duurzame bronnen, zoals bij CCEP zelf te installeren zonnecellen en zonne- of windparken in de buurt van de inrichting. Energie CCEP heeft geïnventariseerd welke daken geschikt zijn voor zonnepanelen. Naar verwachting is op deze daken ruimte voor een capaciteit van circa 1,9 MWh. Het gas-, water- en energieverbruik van CCEP wordt bijgehouden en geregistreerd. De productie wordt op een steeds duurzamere wijze uitgevoerd. De twee oude stoomketels die voor een groot gasverbruik zorgen worden eind 2023 uit bedrijf gehaald. De stoomketels worden vervangen door duurzame elektrische boilers. Het gasverbruik van de inrichting wordt daarom na 2023 fors lager. Afval De afvalstoffen worden op diverse plaatsen binnen de inrichting verzameld in afvalbakken. Waar mogelijk worden stromen gescheiden ingezameld en afgevoerd en in veel gevallen worden afvalstromen, zoals kunststof, nog gescheiden in deelstromen (PET, folie, etc.). Wanneer een afvalbak vol is, wordt deze door een medewerker geleegd.

De meeste afvalstromen worden verzameld en opgebulkt in de milieustraat binnen de inrichting. Vanaf de milieustraat worden de stoffen afgevoerd. Best beschikbare technieken De activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd moeten voldoen aan de Best Beschikbare Technieken. Voor IPPC-installaties staan de beste beschikbare technieken in BBT-conclusies. Op de activiteiten van CCEP zijn de volgende BBT-conclusies van toepassing: Op- en overslag bulkgoederen (ESB); Voedingsmiddelen en zuivel (FDM); Energie efficiëntie. Uit de toetsing aan de BBT-conclusies voor op-en overslag bulkgoederen en voor voedingsmiddelen en zuivel uitgevoerd in het kader van de revisieaanvraag milieu - volgt dat aan de BBT wordt voldaan.

65/637

In de BREF voor energie-efficiëntie worden geen concrete technieken genoemd. De inrichting valt onder de Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED) en zal voldoen aan de relevante wet-en regelgeving voor energiebesparing. De inrichting voldoet aan de uitgangspunten en eisen waardoor gesteld kan worden dat CCEP voldoet aan de beste beschikbare technieken.

66/637

Hoofdstuk 5 5.1

Financiële uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.

67/637

Hoofdstuk 6 6.1

Resultaten overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Resultaten overleg

In het kader van het bestuurlijke vooroverleg is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverlegpartners. Van de provincie en het waterschap is een reactie ontvangen. Deze worden in deze paragraaf samengevat en van een beantwoording voorzien. 1. Provincie Noord-Brabant Samenvatting overlegreactie 1. De woningen Eindsestraat 143 en 145 worden herbestemd (zijn niet meer in gebruik) voor bedrijfsgebonden kantoren, opslag ten behoeve van bedrijfsactiviteiten uit ten hoogste milieucategorie 3.2 en parkeervoorzieningen. Dit nieuwe bedrijfsperceel komt daarmee solitair te staan en los van het bestaande bedrijventerrein. De provincie vraagt zich af, als de locatie met woningen gesloopt gaat worden ten behoeve van opslag en kantoorruimte, of deze bebouwing niet op een andere plek op het bedrijventerrein en of aansluitend aan het bedrijventerrein gerealiseerd zou kunnen worden. In dat geval zou namelijk onderzocht kunnen worden of op deze locatie natuur kan worden ontwikkeld. De provincie vraagt dit nader te onderzoeken met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik. 2. Bovendien vraagt de provincie zich af hoe deze losse bedrijfspercelen onderdeel kunnen zijn van het totale bedrijventerrein. Dit zal met een koppelteken hiervan deel uit kunnen maken. Dat is nu niet het geval.

Indien dat niet op deze wijze wordt bestemd, zal de wijziging van de woonbestemmingen naar bedrijfsbestemming namelijk getoetst moeten worden aan artikel 3.73 Iov (vestiging van een niet-agrarische functie in landelijk gebied), omdat de wijziging dan niet beschouwd kan worden als uitbreiding maar als de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel. 3. Op blz. 24 van de toelichting wordt gerefereerd aan de Regionale Agenda Werken 2013 Hart van Brabant en op blz. 29 aan Regionale Agenda Werken uit 2018. De provincie adviseert om te verwijzen naar de meest recente bedrijventerreinafspraken namelijk: Bedrijventerreinafspraken Regio Hart van Brabant 2020-2024. De afspraken belemmeren dit bestemmingsplan overigens niet. Beantwoording gemeente 1. De gronden waarop de twee woningen staan, zijn in eigendom van CCEP. Hiervan staat één woning leeg. De andere woning wordt bewoond door een voormalig medewerker van CCEP. Nadat deze bewoning is beëindigd, wil CCEP beide woningen slopen. Naar aanleiding van de reactie van de provincie Noord-Brabant heeft CCEP zich opnieuw gebogen over de toekomt van dit perceel. Ze kiest er nu voor om deze gronden een groenbestemming te geven, in aansluiting op de bestaande groenstrook langs de Eindsestraat en op het Natuurnetwerk Brabant aan weerszijden.

Ze komt daarmee tegemoet aan de overweging van de provincie en aan eerdere afspraken met de gemeente Dongen. Omdat op het bestaande bedrijfsterrein al sprake is van efficiënt ruimtegebruik en CCEP hier voor een verdere optimalisatie van haar bedrijfsproces al enkele nieuwe gebouwen wil bouwen, voor onder meer opslag en logistiek, is niettemin extra fysiek ruimtebeslag nodig, om de ambitie om in 2040 klimaatneutraal te zijn te kunnen realiseren. Met het oog hierop is voor de zuidwesthoek een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

68/637

2. Omdat dit deel nu bestemd wordt met de bestemming 'Groen is dit niet meer aan de orde. 3. De toelichting is op dit punt aangevuld. 2. Waterschap Brabantse Delta Samenvatting overlegreactie Het waterschap geeft een positief wateradvies en heeft de volgende opmerkingen: 1. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Indien de toename van verhard oppervlak minder dan 500 m2 bedraagt, geldt er een vrijstelling van de vergunningplicht op basis van de Keur. 2. In Nederland leidt klimaatverandering tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag, drogere zomers en een stijgende zeespiegel. Het gaat daarbij niet alleen om geleidelijke veranderingen: extreem weer, zoals hittegolven en forse regen- en hagelbuien, zal steeds vaker voorkomen en tot meer schade en slachtoffers leiden. Klimaatadaptief bouwen en inrichten biedt een kans om van gebieden een aantrekkelijk leef- en vestigingslocatie te maken met meer groen en ruimte voor water in de bebouwde omgeving en voor meer innovatieve bouwvormen.

Hiermee worden ook andere doelen dan klimaatadaptie gediend, zoals een gezonde en veilige leefomgeving, biodiversiteit en het verhogen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Verschillende decentrale overheden en regio's werken actief aan klimaat adaptief bouwen en inrichten. 3. Het waterschap wijst erop dat er voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater, gebods- of verbodsbepalingen kunnen gelden op basis van de Keur. Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen kan een werkzaamheid onder een Algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht. De Keur en de Algemene regels zijn onder andere te raadplegen op de website van het waterschap (www.brabantsedelta.nl). Beantwoording 1. Het principe van waterneutraal bouwen is verwoord in de waterparagraaf van het bestemmingsplan. 2. In de waterparagraaf wordt een toevoeging gedaan over klimaatadaptief bouwen en inrichten. 3. De waterparagraaf maakt melding van de Keur en Algemene regels. 3. Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) adviseert om het plan op de volgende punten aan te passen: 1.

In paragraaf 2.2 moet een afbeelding duidelijk maken welke uitbreidingen aan de orde zijn. 2. De OMWB verzoekt om paragraaf 4.1 met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan te vullen met informatie over de oppervlaktes van de uitbreiding, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de productie van afvalstoffen. 3. Voor de haalbaarheid van het voorliggende plan zal er bijvoorbeeld middels een historisch onderzoek meer inzicht moeten worden geboden in de heersende bodemkwaliteit ter plaatse van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein.

69/637

4. De OMWB bevestigt dat de geluidzone zoals vastgesteld voor het gezoneerde industrieterrein 'De Wildert' niet hoeft te worden aangepast naar aanleiding van de uitbreiding van de grenzen van het industrieterrein. Wel merkt ze op dat de woningen Eindsestraat 143 en 145 niet zonder meer onderdeel kunnen worden van het geluidgezoneerd bedrijventerrein, als ze geen eigendom zijn van CCEP. 5. De OMWB adviseert paragraaf 4.7 over wegverkeerslawaai aan te vullen met de ontbrekende gegevens [met betrekking tot de verkeersintensiteit op de Eindsestraat]. 6. In paragraaf 4.8 over bedrijven en milieuzonering ontbreekt een feitelijke toetsing van de bedrijfsactiviteiten (aan de hand van in de staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen categorieën, de daarbij horende richtafstanden en de diverse uitgevoerde onderzoeken) ten opzichte van omliggende gevoelige functies. 7. Ten aanzien van externe veiligheid merkt de OMWB op dat, vanwege de ligging van het plangebied binnen aantal invloedsgebieden van verschillende risicobronnen, het groepsrisico moet worden verantwoord. Omdat het plan vrij conserverend van karakter is, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico van de gemeente Dongen. Deze standaard verantwoording is vervolgens onderdeel van de verdere besluitvorming. 8. De OMWB verzoekt om het aanleveren van losse AERIUS-rekenbestanden.

Voor deze stikstofberekeningen moet de nieuwste AERIUS-calculator worden gebruikt. Daarbij moeten de verleende vergunningen in beeld worden gebracht en moet worden aangetoond dat de juiste referentiesituatie is genomen. Ook moet het brandstofgebruik van mobiele werktuigen worden onderbouwd. Tot slot merkt de OMWB op dat in de stikstofberekeningen het juiste aantal vrachtwagens (350) moet worden gehanteerd. Beantwoording 1. Deze afbeelding is toegevoegd als figuur 2.6. 2. In paragraaf 4.1 over de vormvrije m.e.r.-beoordeling en in de aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn naar aanleiding van de opmerkingen van de OMWB de volgende aanpassingen gedaan: a. De uitbreiding aan de zuidwestkant (circa 1.900 m²) en de juridisch-planologische regeling van het feitelijk bestaand gebruik aan de noordkant (circa 3 ha) bedragen samen ruim minder dan de drempelwaarde. b. In paragraaf 3.1.4 (natuurlijke hulpbronnen in het gebied) van de aanmeldnotitie is verantwoord dat de grondwaterontrekking als gevolg van het plan niet wijzigt of wordt uitgebreid. c. Onder 3.2.7 is aan de aanmeldnotitie een paragraaf over afvalstoffen toegevoegd. d. Onder 3.2.12 is aan de aanmeldnotitie een paragraaf over de cumulatie van effecten toegevoegd. 3.

Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan uit het oogpunt van de bodemkwaliteit te verantwoorden heeft een milieuhygiënisch vooronderzoek plaatsgevonden op de locatie van het feitelijk bestaand gebruik aan de noordkant en in het wijzigingsgebied in de zuidwesthoek. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 bij de toelichting. 4. De woningen Eindsestraat 143 en 145 zijn in eigendom van CCEP. Er is echter voor gekozen om deze woningen niet meer als zodanig te bestemmen. Deze gronden zijn bestemd voor beplantingen ten behoeve van de landschappelijke afscherming van het bedrijventerrein (in de bestemming 'Groen'), in aansluiting op de bestaande groenstrook langs de Eindsestraat en op het Natuurnetwerk Brabant aan weerszijden. 5. De ontbrekende gegevens in paragraaf 4.7 zijn ingevuld: conform het verkeersmodel, peiljaar 2020, bedraagt de verkeersintensiteit op de Eindsestraat 10.400 mvt/etmaal. Omdat als gevolg van het plan sprake is van een

70/637

toename van de verkeersomvang met minder dan 20%, is sprake van een geluidtoename van minder dan 1 dB, wat niet hoorbaar is voor het menselijk gehoor. 6. In paragraaf 4.8 over bedrijven en milieuzonering wordt allereerst geconcludeerd dat ruim wordt voldaan aan de richtafstanden en dat gezien de aard en omvang van de frisdrankenfabriek op het gebied van geluid en gevaar een aparte toetsing geldt (in de paragrafen over Industrielawaai en externe veiligheid). Vervolgens is ook beoordeeld of de feitelijke, historisch gegroeide situatie in overeenstemming is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Onder verwijzing naar de maximale niveaus voor geur en stof in de milieuvergunning, om hinder ter plaatse van de omliggende woningen te voorkomen, wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de aanwezige woningen in de omgeving. 7. Naar aanleiding van de reactie van de OMWB is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist. Hiervoor is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Het advies van de Veiligheidsregio is verwerkt in paragraaf 4.10 over externe veiligheid. 8. In bijlage 10 en 11 bij de toelichting zijn de nieuwe stikstofberekeningen opgenomen, op basis van de nieuwste AERIUS-calculator, het nieuwste inzicht ten aanzien van het brandstofgebruik van mobiele werktuigen en het juiste aantal vrachtwagens.

In bijlage 9 bij de toelichting is een toelichting op de actualisatie van de stikstofberekeningen opgenomen. Deze bijlage dient ook als toelichting op de aanvulling op de aanvraag om milieuvergunning. In deze toelichting is de referentiesituatie nader onderbouwd.

6.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro).

71/637

72/637

Bijlagen toelichting

73/637

74/637

Bijlage 1

75/637

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Opdrachtgever: Coca-Cola Europacific Partners Nederland BV Project: Bestemmingsplan Bedrijventerrein De Wildert – locatie CCEP

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Bestemmingsplan Bedrijventerrein De Wildert – locatie CCEP Coca-Cola Europacific Partners Nederland BV

Datum Ordernummer Document Revisie: A

Inhoud 1.

2.

Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1.

Doel en aanleiding ................................................................................................................... 4

1.2.

Toetsingskader ........................................................................................................................ 5

1.3.

Leeswijzer ................................................................................................................................ 5

M.e.r.-plicht ..................................................................................................................................... 6 2.1.

3.

2.1.1.

Wet ruimtelijke ordening ................................................................................................ 6

2.1.2.

Wet milieubeheer............................................................................................................ 6

2.1.3.

Het besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) .................................................................... 6

2.1.4.

Wet natuurbescherming ................................................................................................. 7

2.1.5.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ....................................................... 7

2.1.6.

Overige wet- en regelgeving............................................................................................ 8

2.2.

Toetsing aan het Besluit m.e.r................................................................................................. 8

2.3.

Betrokken instanties en de procedure .................................................................................. 10

De vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................................... 11 3.1.

Het bestemmingsplan ........................................................................................................... 11

3.1.1.

Kenmerken van het bestemmingsplan .......................................................................... 11

3.1.2.

Bedrijfsonderdelen ........................................................................................................ 12

3.1.3.

Natuurlijk milieu in het gebied (Natura 2000-gebieden) .............................................. 13

3.1.4.

Natuurlijke hulpbronnen in het gebied ......................................................................... 14

3.1.5.

Landschappen van archeologisch of natuurlijk belang ................................................. 14

3.2.

4.

Wet- en regelgeving ................................................................................................................ 6

Kenmerken van de effecten van het bestemmingsplan........................................................ 15

3.2.1.

Natuur............................................................................................................................ 15

3.2.2.

Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 15

3.2.3.

Geur ............................................................................................................................... 16

3.2.4.

Geluid ............................................................................................................................ 16

3.2.5.

Bodem ........................................................................................................................... 17

3.2.6.

Watertoets .................................................................................................................... 17

3.2.7.

Afvalstoffen ................................................................................................................... 18

3.2.8.

Milieuhinder .................................................................................................................. 18

3.2.9.

Externe Veiligheid.......................................................................................................... 19

3.2.10.

Cultuurhistorie en archeologie ...................................................................................... 19

3.2.11.

Grensoverschrijdende effecten ..................................................................................... 20

3.2.12.

Cumulatie van effecten ................................................................................................. 20

Conclusies vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 21

2

3

1. Inleiding 1.1.

Doel en aanleiding

Coca Cola Europacific Partners Nederland B.V. (hierna: CCEP) is gevestigd op bedrijventerrein De Wildert in de gemeente Dongen. Voor de bedrijfslocatie van CCEP geldt het bestemmingsplan De Wildert uit 1980. Met dit bestemmingsplan heeft CCEP lang vooruit gekund, maar inmiddels is het als planologisch toetsingskader gedateerd. Dit zorgt in de praktijk voor uitdagingen in de verlening van omgevingsvergunningen ingeval van wijziging of uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten. Ook wordt daardoor niet voldaan aan de wettelijke verplichting om het plan digitaal te kunnen raadplegen. Zowel CCEP als de gemeente Dongen hebben daarom behoefte aan een nieuwe juridisch-planologische regeling voor CCEP die voldoet aan de huidige beleidsinzichten en wetgeving. Het nieuwe bestemmingsplan Bedrijventerrein De Wildert – locatie CCEP – voorziet in deze juridisch-planologische regeling. Naast een actuele juridisch-planologische regeling van het feitelijk bestaand gebruik, ook van het deel van het bedrijfsperceel aan de noordkant (circa 3 hectare), voorziet het bestemmingsplan ook in een bevoegdheid om de bestemming ‘Groen’ aan de zuidwestkant onder voorwaarden te wijzigen in de bestemming ‘Bedrijventerrein’ (circa 1.900 m²)

Figuur 1: mogelijke uitbreiding aan de zuidwestkant (circa 1.900 m²), regeling feitelijk bestaand gebruik aan de noordkant (circa 3 ha.)

4

1.2.

Toetsingskader

Uit de toetsing van het bestemmingsplan aan het Besluit m.e.r. is gebleken dat voor dit bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-beoordeling gedaan dient te worden, zie ook paragraaf 2.2. Op basis van deze aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag te besluiten of het mogelijk maken van de activiteiten van CCEP die in dit bestemmingsplan staan omschreven al dan niet leidt tot belangrijke negatieve milieueffecten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.

1.3.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt in gegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt het beoogde plan, de activiteit, getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 3 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling.

5

2. M.e.r.-plicht 2.1.

Wet- en regelgeving

2.1.1. Wet ruimtelijke ordening Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voor het grondgebied van CCEP een bestemmingsplan van kracht. Het concept-ontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein De Wildert – locatie CCEP – heeft hierop betrekking. Door middel van gebruiks- en bouwregels die deel uitmaken van het bestemmingsplan, zijn de gebruiksmogelijkheden van de grond bepaald, alsmede de bouwmogelijkheden van opstallen en overige bouwwerken of installaties van CCEP.

2.1.2. Wet milieubeheer De Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste milieuwet. In deze wet is bepaald welk (wettelijk) gereedschap kan worden ingezet om het milieu te beschermen. Belangrijke instrumenten zijn milieuplannen, milieuprogramma’s en milieukwaliteitseisen. De wettelijke grondslag voor de milieueffectrapportage is verankerd in hoofdstuk 7 van de Wm.

2.1.3. Het besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Het besluit m.e.r. heeft tot doel om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r.. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.-toets doorlopen. Daarbij worden er drie gradaties onderscheiden, te weten:  een directe m.e.r.-plicht;  een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of  een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht Figuur 2.1 geeft schematisch de twee drempelwaarden weer die van belang zijn en waarmee wordt beoordeeld of sprake is van één van deze gradaties.

Figuur 2 - drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.

6

Onderstaand zijn deze drie vormen nader toegelicht. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij plannen en activiteiten mogelijk maken die waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze plannen en activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteiten op de C-lijst wordt overschreden geldt de directe (project-)m.e.r.-plicht. Voor plannen die dergelijke activiteiten mogelijk maken geldt een directe plan-m.e.r. plicht. De wetgever heeft ook plannen en activiteiten aangewezen waarvan de gevolgen van de activiteit op het milieu niet bij voorbaat bekend is. Deze activiteiten en plannen zijn opgenomen in de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteit op de D-lijst wordt overschreden, geldt de (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht conform de richtlijnen van bijlage III van de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling van projecten (2014/52/EU). Voor plannen die dergelijke activiteiten mogelijk maken, geldt evenwel direct een plan-m.e.r. plicht. Los hiervan dient ook een plan-m.e.r. te worden opgesteld voor plannen, indien voor de toegestane activiteiten een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming.

Voor activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst, maar wat omvang betreft onder de drempelwaarde vallen, of plannen die dergelijke activiteiten mogelijk maken, kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van de beoordelingsnotitie zal het bevoegd gezag een besluit nemen of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht kunnen worden en daarvoor alsnog een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Indien dit niet het geval is, dient de aanvrager het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij te voegen bij de ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan.

2.1.4. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat alle regels rondom de bescherming van natuurgebieden en soorten. Bescherming van natuurgebieden omvat: de Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gebieden), Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands. Volgens de Wnb is het verboden om activiteiten te verrichten zonder een vergunning of vrijstelling inzake de Wnb te hebben, als deze activiteiten een mogelijk negatief effect op Natura 2000-gebieden kunnen hebben. CCEP heeft een Wnb-vergunning aangevraagd.

2.1.5. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) De Wabo is het wettelijk kader voor de omgevingsvergunning. CCEP beschikt over een omgevingsvergunning voor deze locatie. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) behorend bij de Wabo ligt de aanwijzing van categorieën inrichtingen en vergunningplichtige inrichtingen vast. CCEP beschikt over een Wabo-vergunning milieu. Onder de Wabo is recent een revisievergunning ingezet die een productietoename van frisdranken op CCEP mogelijk maakt.

7

2.1.6. Overige wet- en regelgeving Overige wet- en regelgeving die van toepassing is op de activiteiten van CCEP betreft:  Het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor bepaalde activiteiten die binnen de inrichting plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen. Op vergunningplichtige (type C) inrichtingen en op inrichtingen met een IPPC-installatie kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.  De Richtlijn Industriële Emissies (RIE). De RIE (Richtlijn 2010/75/EU) bepaalt onder andere dat vergunningen voor de industriële inrichtingen moeten waarborgen dat er bij die inrichtingen alle passende preventieve maatregelen tegen verontreinigingen worden getroffen, met name door toepassing van beste beschikbare technieken (BBT). De RIE is van toepassing op bedrijven wiens activiteiten worden genoemd in bijlage I van de RIE.  De Waterwet. Met de invoering van de Waterwet en de in werkingtreding van het wijzigingsbesluit Activiteitenbesluit vallen veel indirecte lozingen vanuit de inrichting onder de algemene regels. Dit geldt ook voor de verschillende afvalwaterstromen van CCEP, welke allen onder de algemene regels vallen.

2.2.

Toetsing aan het Besluit m.e.r.

Toetsing aan de C-lijst van het Besluit m.e.r. Toetsing van het concept ontwerpbestemmingsplan aan Onderdeel C van het Besluit m.e.r. toont aan dat het bestemmingsplan geen activiteiten, plannen en besluiten omvat waarvoor het maken van een milieueffectrapport (plan-MER) direct verplicht is. Volgens het Besluit m.e.r. zou verder een plan-MER voor het bestemmingsplan noodzakelijk zijn indien een passende beoordeling gemaakt dient te worden in het kader van de Wet natuurbeheer. Voor bepaalde habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden vastgesteld voor stikstofdepositie, waarboven negatieve gevolgen voor de natuur niet uit te sluiten zijn. Dan moet een Passende beoordeling worden opgesteld. Binnen CCEP is echter voldoende interne saldering beschikbaar is om de totale stikstofdepositie op relevante Natura 2000-gebieden onder het niveau van 0,00 mol / ha / jaar te houden, zoals in aangetoond bij bijlage 1. Daarmee vervalt de noodzaak van een passende beoordeling en daarmee van het uitvoeren van een plan-MER. Voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D van het Besluit m.e.r., maar die beneden de drempelwaarden vallen, dient een besluit te worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft.

Toetsing aan de D-lijst van het Besluit m.e.r. Toetsing aan bijlage D van het Besluit m.e.r. toont aan voor dat bestemmingsplan de volgende categorieën relevant kunnen zijn:

8

Relevante m.e.r. categorie Tekst categorie Drempelwaarde

: : :

Toetsing

:

Relevante m.e.r. categorie Tekst categorie

: :

Drempelwaarde

:

Toetsing

:

Relevante m.e.r. categorie Tekst categorie

: :

Drempelwaarde

:

Toetsing

:

D 11.3 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Naast een actuele juridisch-planologische regeling van het feitelijk bestaand gebruik, ook van het deel van het bedrijfsperceel aan de noordkant (circa 3 hectare), voorziet het bestemmingsplan ook in een bevoegdheid om de bestemming ‘Groen‘ aan de zuidwestkant onder voorwaarden te wijzigen in de bestemming ‘Bedrijventerrein’ (circa 1.900 m²). Daarmee ligt dit voornemen ruimschoots onder de drempelwaarde van categorie D11.3, te weten van 75 ha of meer en is een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde.

D 15.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. In de huidige situatie is een grondwateronttrekking vergund tot een maximum van 1,375 miljoen m3 water per jaar, tegen een feitelijke onttrekking van 0,63 miljoen m3 per jaar (2018). Deze vergunde ruimte zal binnen het nieuwe bestemmingsplan niet wijzigen of worden uitgebreid, waardoor categorie D 15.2 niet van toepassing is. D 38.2 De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een siroopfabriek. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 20 miljoen liter per jaar of meer. In de huidige situatie is de productie van 850 miljoen liter Coca-Cola en frisdranken vergund, tegen een feitelijke productie van 495 miljoen liter per jaar (2018). Deze vergunde ruimte zal binnen het nieuwe bestemmingsplan niet worden uitgebreid: in de gebruiksregels van voorliggend bestemmingsplan is maximale productiecapaciteit van de risicovolle inrichting (i.e. CCEP) bepaald op 850.000 m³ (850 miljoen liter) per jaar, overeenkomstig de (revisie)vergunning milieu (die parallel aan dit bestemmingsplan is voorbereid). De vergunde ruimte zal binnen het nieuwe bestemmingsplan niet worden uitgebreid.

Wel maakt het bestemmingsplan wijzigingen in de productie van frisdranken (siroop) mogelijk. Deze potentiële wijzigingen liggen vooralsnog onder het 9

niveau van 20 miljoen liter per jaar, waarmee een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Op basis van bovenstaande toetsing wordt geconcludeerd dat op basis van de m.e.r. categorieën D 11.3 en D 15.2 een vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing is. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit dient met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te worden gelegd.

2.3.

Betrokken instanties en de procedure

De gemeenteraad van Dongen zal het besluit nemen over de vaststelling van het bestemmingsplan, en is daardoor ook het bevoegd gezag voor het nemen van het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

10

3. De vormvrije m.e.r.-beoordeling 3.1.

Het bestemmingsplan

3.1.1. Kenmerken van het bestemmingsplan De CCEP is gevestigd op het gezoneerde industrieterrein De Wildert, waarvoor een bestemmingsplan uit 1980 geldt. De Wildert ligt aan de Dongenseweg/Eindsestraat in het buitengebied tussen Dongen en Tilburg. Het bedrijfsgebied ligt in de gemeente Dongen ten noordwesten van Tilburg. Ten zuiden van het bedrijventerrein De Wildert ligt het industrieterrein Vossenberg en ten noorden agrarisch gebied met bijbehorende bebouwing. De bedrijfslocatie wordt ontsloten door de Eindsestraat die overgaat in de N632 en Dongenseweg. Een overzicht is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3 – Overzicht van het terrein

CCEP produceert frisdranken en niet bruisende (aseptische) dranken voor de Nederlandse markt en is bekend producent van frisdranken zoals Coca-Cola, Fanta en Sprite. De maximale productiecapaciteit van de inrichting bedraagt 850 miljoen liter per jaar. De locatie in Dongen omvat kantoren met eigen parkeerplaatsen en is de enige productielocatie in Nederland. Naast bereiding van frisdranken wordt een deel van deze dranken verwerkt in consumenten- en horecaverpakkingen die op de eigen locatie worden geproduceerd in een blaaskamer. Andere ondersteunende processen betreffen het reinigen van de productie-installaties, een laboratorium waar de producten worden getest op kwaliteit en voedselveiligheid, koelinstallaties, technische onderhoudsdienst en een milieustraat. Op verschillende locaties binnen de inrichting worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. 11

Dit bestemmingsplan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het hele bedrijfsperceel van CCEP. Hiermee wordt ook het feitelijk bestaand gebruik van het noordelijk deel van het bedrijfsperceel, dat niet onderdeel is van het plangebied van geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Wildert' (circa 3 ha), geregeld in een actueel bestemmingsplan. De ambitie van CCEP is om in 2040 klimaatneutraal te zijn in de hele keten. De eerste belangrijke stappen in die richting worden gezet op de productielocatie in Dongen. Hier is de ambitie om vanaf 2024 volledig elektrisch te draaien. Bestaande bronnen van CO2-emissie, zoals de stoomboilers en LPG-heftrucks, worden vervangen door elektrische alternatieven. Ook de LPG-tankinstallatie zal worden verwijderd. De gebruikte elektriciteit zal afkomstig zijn van duurzame bronnen, zoals bij CCEP zelf te installeren zonnecellen en zonne- of windparken in de buurt van de inrichting zoals windpark De Spinder en zonnepark De Wildert. CCEP wil enkele nieuwe gebouwen bouwen, voor onder meer opslag en logistiek. Deze gebouwen worden hoofdzakelijk gerealiseerd op het bestaande bedrijventerrein. Om de ambitie om in 2040 klimaatneutraal te zijn in de gehele keten te kunnen realiseren, is daarnaast extra fysiek ruimtebeslag nodig. Deze ruimte concentreert zich aan de voorzijde van het terrein, in de zuidwesthoek van het plangebied.

Deze gronden met een oppervlakte van circa 1.900 m² hebben in dit bestemmingsplan een groenbestemming, maar zijn voorzien van een wijzigingsbevoegdheid.. Voor het bedrijfsperceel van CCEP is de bestemming 'Bedrijventerrein' opgenomen. Langs enkele randen rondom het bedrijfsperceel is de bestemming 'Groen' opgenomen. Groenvoorzieningen overigens zijn ook binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' mogelijk. De gronden die zijn aangewezen voor Brabants Natuurnetwerk zijn bestemd voor 'Natuur'. De gronden in het noordoosten van het plangebied hebben de bestemming ‘Agrarisch’ toebedeeld gekregen. De Eindsestraat, inclusief voeten fietspaden, is bestemd voor 'Verkeer'. Daarnaast zijn de delen waar archeologische waarden kunnen voorkomen beschermd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Daarnaast is de buisleidingenstraat in het noordoosten van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. Hiermee voldoet het plan aan de regels uit Barro en Rarro. Voor de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten wordt gebruik gemaakt van een milieuzonering en een Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein', met als maximale milieucategorie 4.2. In deze staat is de milieuzonering gebaseerd op de milieuaspecten geur, stof en gevaar.

Verder zijn voorzieningen toegestaan die gebruikelijk zijn op een bedrijventerrein, zoals parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, opslag, groenvoorzieningen, watervoorzieningen en nutsvoorzieningen. De maximum toegestane bouwhoogte binnen het plangebied bedraagt 20 m. Het bestemmingsplan laat verder geen bouwwerken toe die leiden tot obstakels voor het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen.

3.1.2. Bedrijfsonderdelen Op de CCEP-locatie bevinden zich de volgende bedrijfsonderdelen: 1. Productielijnen voor mousserende en niet-mousserende (a-septische) frisdranken; 2. een concentraatopslag; 3. een flessenblazer; 4. binnenopslagfaciliteiten voor flessen:  lege en gevulde ampullen; 12

2. 3. 4. 5. 6.

 automatisch (in geel);  regulier (in oranje); buitenopslag op pallets, met laad- en losactiviteiten voor vrachtwagens; Opslagvoorzieningen voor gevaarlijke stoffen en niet-gevaarlijke stoffen; een oude waterzuivering, die niet meer in werking is; een onttrekkingsput voor diep grondwater; overige faciliteiten, waaronder kantoren en een parkeergelegenheid.

De volgende maximale niveaus zijn in de vigerende milieuvergunning vastgesteld:  maximaal 180 m3 afvalwater te lozen op het riool met nadere kwaliteitseisen;  ten minste 8 uur buffercapaciteit voor geproduceerd afvalwater;  het door CCEP gegenereerde geluidniveau ter plaatse van woningen van derden mag overdag niet meer dan 70 dB(A) zijn; ’s avonds niet meer dan 65 dB(A) en ’s nachts niet meer dan 60 dB(A);  +stofconcentratie: de naar buiten afgezogen lucht mag niet meer dan 10 mg/m3 lucht bedragen;  er mag geen sprake zijn van geurhinder;  een productiecapaciteit van 850.000 m3 (850 miljoen liter) per jaar; Ook is er een onttrekkingsvergunning door de Provincie Noord-Brabant verleend voor het onttrekken van (diep) grondwater van maximaal 400 m3 per uur met een maximum van 1.375.000 m3 per jaar. Tabel 1 - Relevante cijfers over de productie op de CCEP-locatie in Dongen

Onderwerp Productiecapaciteit Aantal productielijnen GrondwaterOnttrekking

Huidig (op dit moment benut) 495 miljoen liter (2018)

Reeds vergund (= referentiesituatie) 850 miljoen liter per jaar

9 (2018)

Niet relevant

626.000 m3 (2018)

1.375.000 m3 per jaar

3.1.3. Natuurlijk milieu in het gebied (Natura 2000-gebieden) Natura 2000 is de verzamelnaam voor het netwerk van Europese natuurgebieden. Natura 2000gebieden vallen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en zijn in nationale wetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, ligt op ongeveer 5 km afstand, ten noordoosten van het bedrijfsterrein. Voor het bestemmingsplan is het van belang dat kan worden aangetoond dat dit plan ontwikkelingen mogelijk maakt die geen significante effecten hebben op de instandhouding van de relevante stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar wordt daarbij beschouwd, wat inhoudt dat de met het bestemmingsplan toegestane ontwikkelingen niet tot meer stikstofdepositie mogen leiden dan die van de huidige, vergunde situatie. Coca-Cola Europacific Partners Nederland B.V. heeft daartoe in 2021 een aanvraag ingediend voor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming voor haar activiteiten aan de Eindsestraat 137 te Dongen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Omgevingsdienst Noord-Brabant een verzoek 13

om aanvullende gegevens gedaan op basis van het aangeleverde stikstofonderzoek (Den Haan, rapportAH.2021.0101.00.R001 d.d. 15 februari 2020). Naar aanleiding hiervan zijn op 28 januari 2022 nieuwe AERIUS-berekeningen uitgevoerd met de meest recente versie van de AERIUS-calculator, waarbij gerekend is met de stikstofemissies als gevolg van de vracht- en personenwagenbewegingen op het terrein, de emissies van de twee gasgestookte stoominstallaties en de op het terrein rijdende heftrucks. Daarbij is van belang dat als gevolg van het bestemmingsplan en een toename van het aantal vrachtwagen met 10% verwacht wordt, dat in 2024 de gasgestookte stoomketels en CV-boilers vervangen zullen worden door elektrische apparaten en de heftrucks eveneens elektrisch zullen gaan rijden. Daaruit volgt dat met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen een stikstoftoename op relevante Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben van minder dan 0,00 mol/ha/jaar en dus niet zullen leiden tot negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Zie bijlage 1 voor de AERIUS-berekeningen.

3.1.4. Natuurlijke hulpbronnen in het gebied In het plangebied zijn verschillende hulpbronnen aanwezig, zoals wind en het oppervlakte- en grondwater. De activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt zullen geen effect hebben op het oppervlaktewater, daar er geen sprake is van lozing van proceswater. Er zal een rioleringsplan worden opgesteld, waarin zal worden nagegaan of hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding of voor infiltratie en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, zal worden ingezameld en afgevoerd naar de externe RWZI. De provincie heeft verder de grond van CCEP en zijn omgeving de status verleend van boringsvrije zone, vanwege de grondwateronttrekkingen door CCEP voor frisdrankproductie. In de huidige situatie is een grondwateronttrekking vergund tot een maximum van 1,375 miljoen m³ water per jaar, tegen een feitelijke onttrekking van 0,63 miljoen m³ per jaar (2018). Deze vergunde ruimte zal binnen het nieuwe bestemmingsplan niet wijzigen of worden uitgebreid. Als gevolg van het bestemmingsplan worden er dan ook geen effecten verwacht op de aanwezige natuurlijke hulpbronnen.

3.1.5. Landschappen van archeologisch of natuurlijk belang De gemeente Dongen heeft op 20 februari 2014 een Cultuurhistorische Waardekaart vastgesteld, waarop alle cultuurhistorische informatie op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau is vermeld. Op basis daarvan is één gebouw van CCEP aan te merken als 'historische bouwkunst wederopbouw tot 1970'. Het gebouw heeft echter niet de status van een gemeentelijk monument en er is geen intentie om dat alsnog te doen. In het bestemmingsplan is dan ook geen regeling opgenomen die strekt tot behoud van het gebouw. Overigens, zijn wijzigingen aan het gebouw niet voorzien. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is verder een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting heeft, met uitzondering van het zuidoostelijke deelgebied waar nog resten van vuursteenvindplaatsen of sporen uit latere perioden aanwezig kunnen zijn. Het bestemmingsplan geeft aan dit gebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', waarmee aanvullend archeologisch onderzoek verplicht is voordat eventuele bodemingrepen kunnen plaatsvinden.

14

3.2.

Kenmerken van de effecten van het bestemmingsplan

3.2.1. Natuur Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is stikstofdepositie veruit het belangrijkste onderwerp. Zowel de emissies van stikstofhoudende stoffen (NOx) als de resulterende stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn beschouwd in bijlage 1. Daarvoor is de emissie van NOx als gevolg van het gebruik van aardgas met een rookgasdebiet van 8,87 Nm3 per m3 aardgas berekend op een emissie van 4.222,1 kg NOx per jaar. Daarmee zijn op 28 januari 2022 de AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Hierin zijn ook extra rekenpunten ingevoerd op de dichtstbij gelegen buitenlandse Natura 2000-gebieden. Zoals in paragraaf 3.1.3 is aangegeven, blijkt hieruit dat de projectbijdrage als gevolg van het bestemmingsplan in geen van de omliggende Natura 2000gebieden leiden tot een depositie >0,00 mol/ha/jaar en dus niet leiden tot negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Soortenbescherming De aanwezigheid van beschermde soorten is door middel van een bureau- en veldonderzoek in beeld gebracht. Het bosje in het noordoosten van het plangebied biedt naast geschikt broedbiotoop voor vogels ook geschikt biotoop voor de boommarter, eekhoorn, steenmarter en bruine eikenpage. Verder is er ook een dassenburcht aanwezig. Naast das kan ook boommarter een verblijfplaats hebben in deze burcht.

Eekhoorn kan verblijfplaatsen hebben in bomen en boomholtes. In de boomholtes kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Er is een oud nest van zwarte kraai aangetroffen, waar boomvalk en ransuil op kunnen broeden. Een roestplaats van ransuil kan aanwezig zijn in de naaldbomen. Buizerd, boomvalk, havik, ransuil en sperwer kunnen broeden op de horst. Een deel van de oostgevel van de fabriek en een bijgebouw zijn geschikt voor vleermuizen. Roekennesten zijn aanwezig in de bomen op het zuidoosten van het terrein. De rugstreeppad kan zich vestigen binnen het gehele plangebied als er tijdens de werkzaamheden geschikt biotoop ontstaat. In de ingetekende biotopen kunnen diverse vogels aanwezig zijn en een nest hebben. In bomen en bosschages gaat het bijvoorbeeld om houtduif, ekster, grote bonte specht, koolmees en zwarte kraai. De locatie van de dassenburcht in de noordoosthoek ligt in de bestemming Agrarisch (niet in de bestemming Bedrijventerrein), de roekennesten vallen binnen de bestemming 'Natuur'. Hiermee biedt het bestemmingsplan voldoende bescherming. Bovenal blijft bij ontwikkelingen op het bedrijfsterrein de zorgplicht op grond van de Wet natuurbescherming van toepassing.

3.2.2. Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt in het bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Uit de resultaten van het onderzoek dat is uitgevoerd blijkt dat ter hoogte van de beschouwde posities de jaargemiddelde concentratie PM10 in het jaar 2021, inclusief de bijdrage van CCEP, maximaal 19µg/mg/m³ bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/mg/m3. Aan het maximaal aantal overschrijdingsdagen wordt eveneens ruimschoots 15

voldaan. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt ter hoogte van de beoordelingsposities maximaal 12 µg/mg/m3 en voldoet hiermee aan de grenswaarde van 25 µg/mg/m3. De jaargemiddelde concentratie NO2 ter hoogte van de beschouwde beoordelingsposities in het jaar 2021 maximaal 17 µg/mg/m³ bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/mg/m³. Ook ten aanzien van het maximaal aantal overschrijdingen van de uurgemiddelde concentratie wordt voldaan aan de grenswaarde. Voor de overige in de Wet milieubeheer opgenomen stoffen kan zonder verder onderzoek worden geconcludeerd dat ook daarvoor wordt voldaan aan de genoemde grenswaarden. Het aantal extra motorvoertuigen na wijziging van de bestemming in de zuidwesthoek bedraagt, in een voor verkeer worstcasescenario van volledige bebouwing, 109 mvt/etmaal. Uitgaande van eenzelfde verhouding tussen vrachtwagens en personenwagens als op het bestaand bedrijfsterrein (44% respectievelijk 56% in jaar 2024) draagt deze toename in niet betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse Hiermee mag worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het bestemmingsplan niet belemmert en dat uit oogpunt van luchtkwaliteit er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu, ter plaatse van zowel het plangebied als bij de nabijgelegen woningen.

3.2.3. Geur Er worden geen geurdragende stoffen gebruikt, geproduceerd of uitgestoten binnen de inrichting. Zodoende is er ten gevolge van de voorgenomen activiteiten geen effect met betrekking tot het aspect geur.

3.2.4. Geluid Geluidszones worden vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die 'in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In dat kader is op 5 januari 1990 voor industrieterrein De Wildert een geluidzone vastgesteld. Tot de geluidzone behoort het gebied tussen het industrieterrein en de buitengrens van de geluidzone. Volgens de Wet geluidhinder mag de geluidbelasting van alle bedrijven op een gezoneerd industrieterrein buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Tevens dient rekening te worden gehouden met de in het verleden vastgestelde MTG's (Maximaal Toegestane Geluidbelasting) en hogere waarden ter plaatse van geluidgevoelige functies binnen de geluidzone. In het kader van dit bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar geluid in de omgeving ten gevolge van de bedrijven gelegen op gezoneerd industrieterrein "De Wildert". Op basis daarvan is in het bestemmingsplan opgenomen dat de grens van het gezoneerde industrieterrein zal worden aangepast, zodat alle activiteiten van Coca Cola Europacific Partners (CCEP) volledig binnen de grenzen van het gezoneerde industrieterrein vallen. 16

Het actuele zoneoverdrachtsmodel is door de zonebeheerder (OMWB) ter beschikking gesteld en dit model is aangevuld met de actuele geluidemissie door CCEP waarvoor een omgevingsvergunningaanvraag is ingediend. Tevens is daarin een realistische geluidreservering opgenomen voor de terreindelen van CCEP die buiten de actuele zonegrens vallen en terreindelen waar thans aanvullende activiteiten worden voorzien. De rekenresultaten met dit model laten zien dat na de voorstelde aanpassingen van het gezoneerde industrieterrein nog steeds ruimschoots wordt voldaan aan de maximale geluidbelasting van 50 dB(A)-etmaalwaarde ter plaatse van de zonebewakingsposities. De geluidzone van het gezoneerde industrieterrein "De Wildert" behoeft daarmee niet te worden aangepast als gevolg van de uitbreiding van de grenzen van het industrieterrein. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de in het Bestemmingsplan voorgestelde aanpassing van het gezoneerde industrieterrein vanuit akoestisch oogpunt inderdaad haalbaar is. Het aspect industrielawaai vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. In de toekomstige situatie neemt het aantal vrachtwagens dat de locatie bezoekt af met circa 100 en het aantal lichte voertuigen toe met circa 150 mvt/etmaal.

De wijziging van de bestemming in de zuidwesthoek leidt worst case tot 109 extra mvt/etmaal. Conform het verkeersmodel, peiljaar 2020, bedraagt de verkeersintensiteit op de Eindsestraat 10400 mvt/etmaal. Bij een toename van de verkeersomvang met minder dan 20% is sprake van een geluidtoename van minder dan 1 dB, wat niet hoorbaar is voor het menselijk gehoor. Bovendien ligt parallel en op heel korte afstand van de Eindsestraat-Dongenseweg de Burgemeester Letschertweg (provinciale weg N260) die voor de geluidbelasting en de beleving van geluidhinder bepalend is. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

3.2.5. Bodem Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Daarbij is van belang dat voor nagenoeg de gehele CCEP-locatie een saneringsactiviteit geldt, die dient te worden geïmplementeerd voordat met de bouwwerkzaamheden kan worden aangevangen. Conform wet- en regelgeving zal er eerst een bodemonderzoek worden uitgevoerd alvorens nieuwe bouwwerkzaamheden op het terrein van CCEP worden gestart. Dit onderzoek zal als doel hebben de huidige nul-situatie in beeld brengen om zodoende een referentiekader vast te stellen voor mogelijke verdere onderzoeken en saneringsmaatregelen voordat tot bouwactiviteiten kan worden overgegaan. Het bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die leiden tot bodemverontreiniging, aangezien de activiteiten conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming zullen worden uitgevoerd. Hiermee zal een verwaarloosbaar bodemrisico worden gerealiseerd voor alle nieuwe bodembedreigende activiteiten in het kader van dit bestemmingsplan.

3.2.6. Watertoets

17

De watertoets is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Hierbij is van belang dat op alle watergangen en sloten die zijn opgenomen in de legger de keur van het waterschap Brabantse Delta van toepassing is. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Verder is het plangebied aangesloten op een gemengd rioolstelsel. De huidige aanwezige verharding bedraagt circa 16 hectare. Als gevolg van een uitbreiding aan de zuidwestkant na wijziging van de bestemming Groen in de bestemming Bedrijventerrein kan het verhard oppervlak toenemen. Daarom is in de wijzigingsregels opgenomen dat bij deze wijziging moet worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende hemelwaterberging. Ten zuiden van het plangebied liggen reeds bestaande infiltratievijvers. Deze infiltratievijvers hebben voldoende capaciteit om het extra hemelwater afkomstig van CCEP op te vangen en te infiltreren. Verder zullen ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem duurzame, nietuitloogbare materialen gebruikt worden, zowel tijdens de bouw- als de gebruiksfase.

Verder zal conform de Leidraad Riolering, vigerend waterschapsbeleid en het verbreed GRP Dongen voor nieuwbouw een gescheiden rioleringsstelsel worden aangelegd, zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

3.2.7. Afvalstoffen De afvalstoffen worden op diverse plaatsen binnen de inrichting verzameld in afvalbakken en zullen wat hoeveelheid en samenstelling niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk worden stromen gescheiden ingezameld en afgevoerd en in veel gevallen worden deze afvalstromen, zoals kunststof, nog gescheiden in deelstromen (PET, folie, etc.). Wanneer een afvalbak vol is, wordt deze door een medewerker geleegd. De meeste afvalstromen worden verzameld en opgeslagen in de afgesloten milieustraat binnen de inrichting. Vanaf de milieustraat worden de afvalstoffen afgevoerd naar erkende afvalverwerkers.

3.2.8. Milieuhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat in de omgeving van CCEP voor de nabij gelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd, en dat voor nabijgelegen bedrijven rekening gehouden wordt met de hun bedrijfsvoering en milieuruimte. In het bestemmingsplan is een milieuzonering opgenomen waarbij, afhankelijk van de afstand tot aan (burger)woningen in de omgeving, bedrijven van maximaal 4.1 tot en met maximaal categorie 4.2. worden toegestaan. Hierbij is uitgegaan van omgevingstype 'gemengd gebied ' voor woningen in de omgeving. Dit is vanwege de ligging van deze woningen binnen de geluidzone van het huidige industrieterrein de Wildert en de ligging van deze woningen deels langs drukke hoofdontsluitingswegen. Er is daarmee sprake van een verhoogde milieubelasting voor geluid.

18

Er wordt met de opgenomen milieuzonering voldaan aan de bijbehorende richtafstanden. Hiermee wordt zorg gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de aanwezige woningen in de omgeving. De opgenomen milieuzonering van het bestemmingsplan is daarmee afgestemd op de gevoelige functies in de omgeving, waarbij CCEP binnen deze milieuzonering past. Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

3.2.9. Externe Veiligheid Voor dit bestemmingsplan dient ten aanzien van externe veiligheid gekeken te worden naar activiteiten die gevolgen hebben voor de externe veiligheid en naar risico’s rond vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor gevaarlijke stoffen is zowel het plaatsgebonden risico (PR) als het groepsrisico (GR) van belang. In het plangebied en de omgeving bevinden zich verschillende risicorelevante bronnen. Binnen de inrichting is een opslaglocatie voor gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslag) en een opslagtank met LPG aanwezig. Hiermee valt de inrichting onder het Bevi. Het hiervoor berekende plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar ligt binnen de inrichtingsgrens. Er wordt daarmee dan ook voldaan aan de grenswaarde en richtwaarde. De buisleidingenstrook heeft een breedte van 70 m, waarin twee naftaleidingen en een ruwe olieleiding zijn gelegen. Voor K1-leidingen met lichte brandstoffen is geen sprake is van een groepsrisico bij dichtheden kleiner dan 255 personen per hectare buiten de PR 10-6-contour. In de huidige situatie zijn de dichtheden inderdaad kleiner dan 255 en voor de toekomst zijn geen relevante toenames van de personendichtheid in het plangebied voorzien. Er is dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar groepsrisico.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12501823/1