2022-09266 Bijl4- Toelichting Watertorenstraat 10
Tekst van het document
34/74
geactualiseerd en aangescherpt. Met behulp van een strategische agenda kan het gemeentebestuur jaarlijks aandachtspunten benoemen en concrete acties uitzetten. Daarmee krijgt een redelijk statische toekomstvisie die is opgesteld met de kennis en de ideeën van nu, in de loop van de tijd een meer dynamisch karakter. Het biedt de gemeente de mogelijkheid om mee te gaan met toekomstige ontwikkelingen, zo ook de ambities die de initiatiefnemer bij het voorliggende initiatief voor ogen heeft. Meegaan met de tijd en inspelen op actuele wensen vanuit de markt vormt hierbij het speerpunt. Het college heeft voor ogen om deze strategische agenda steeds bij de perspectief- of prioriteitennota te herijken en aan te bieden aan de gemeenteraad. De raad kan uitspraken doen, die vervolgens worden vertaald in de gemeentelijke begroting. 3.5.4 Welstandsnota Gemeente Dongen (2008) De bebouwde omgeving bestaat uit verschillende woon- en werkgebieden zoals: historische dorpscentra, individuele woningen en kleinschalige woningbouwprojecten van voor de tweede wereldoorlog, naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Voor de gebiedsgerichte criteria is Dongen onderverdeeld in de deelgebieden (figuur 3.4): • Historische lintbebouwing; • Dorpswonen; • Woongebieden; • Bedrijventerreinen. Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk in het deelgebied 'historische lintbebouwing'.
In deze paragraaf wordt hier verder op ingegaan. De gronden met een agrarische bestemming vormen geen onderdeel van de Welstandsnota.
35/74
Figuur 3.4 Deelgebieden Dongen met aanduiding plangebied in geel (Bron: Gemeente Dongen) De kern Dongen is ontstaan als een agrarische nederzetting. Het dorp ontwikkelde zich in aansluiting op het oorspronkelijke bebouwingslint van de Lage Ham – Hoge Ham - Eindsestraat en de bebouwing in de omgeving van de Protestantse Kerk aan de Kerkstraat. Langs de oudere hoofdwegen en uitvalswegen zijn in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan. Veel van deze bebouwingslinten is bewaard gebleven. De linten vormen een driehoekige structuur waarbinnen het centrum is gegroeid en waar omheen de latere woonwijken zijn gerealiseerd. Vanwege het historische belang dat de Donge en het beekdal van de Donge hebben gehad voor het ontstaan en de ontwikkeling van Dongen wordt ook dit gebied bij de historische laag gerekend. Binnen de historische lintbebouwing zijn de volgende onderdelen te onderscheiden: Lage Ham (vrijstaande lintbebouwing); Hoge Ham (tussen Noorderlaan en Gasthuistraat); Hoge Ham centrum (tussen Gasthuistraat en Kanaalstraat);
36/74
Sint Josephstraat – Vennen; Rijensestraatweg; Heuvel – Heuvelstraat – Kerkstraat (oude kernen); Gerardus Majellastraat – Tramstraat; Kardinaal van Rossumstraat – Gasthuisstraat. In navolgende tekst wordt ingegaan op het welstandsaspect van de Lage Ham. Bebouwing en omgeving Lage Ham is onderdeel van een lange, oorspronkelijk agrarische, ontginningsas waaraan Dongen is ontstaan. Langs het lint is veel agrarische bebouwing terug te vinden en incidenteel staan er kleinschalige fabrieksgebouwen. Het lint is in de loop der jaren verdicht met woningen en bedrijvigheid maar het ruime groene karakter is gebleven. De bebouwing is vrijstaand met diepe voortuinen. Opvallend is het asymmetrische profiel. Langs de westzijde van de weg loopt de Donge. De kavels aan die zijde worden ontsloten door bruggetjes. De afstand van de bebouwing tot de weg kent een grote variatie. Massa en vorm Beeldbepalend is de grote boerderijbebouwing met bijgebouwen en de riante woonbebouwing uit verschillende bouwperioden en bouwstijlen. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één of twee bouwlagen met een kap. De kapvormen kennen veel variatie: zadeldaken, wolfsdaken, schilddaken en mansardedaken in langs- en haaksrichting. De verdiepingshoogte en nokhoogte van de oudere panden is vrij hoog.
Detaillering, kleur en materiaal Langs de Lage Ham staan veel panden met oude originele gevels en detaillering zoals speklagen, lateien, daklijsten, luiken, etc. Zowel bij de oude als nieuwe bebouwing zijn gevels opgetrokken uit baksteen en hout. Daken zijn bedekt donkere dakpannen en incidenteel met riet. Toetsing Wat betreft de beoogde ontwikkeling gaat het om de functiewijziging van een agrarische bestemming naar een tuinbestemming. De gecombineerde kantoor- en woonfunctie blijft behouden. De waardevolle bebouwing van de watertoren blijft in tact en wordt door de beoogde ontwikkeling nog meer onder de aandacht gebracht. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling in zijn geheel een positieve bijdrage levert aan het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en het straatbeeld. Bovendien worden zichtlijnen richting het open landschap gewaarborgd. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de Welstandsnota. 3.5.5 Landschapsinvesteringsregeling Binnen de gemeente Dongen is het afsprakenkader van de regio Hart van Brabant van toepassing. Op 26 november 2015 is de notitie ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ vastgesteld.
In deze notitie worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkeling waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist); Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn,
37/74
maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist); Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). Toetsing In afstemming met de provincie is bepaald dat de beoogde ontwikkeling in categorie 3 valt. Dit zijn ontwikkelingen met een grote impact waarbij naast een landschappelijke inpassing een kwaliteitsverbetering van het landschap moet plaatsvinden. Het afsprakenkader geeft richting aan de minimale kwaliteitsverbetering. De kwaliteitsverbetering komt bovenop de verplichte landschappelijke inpassing. Deze kwaliteitsverbetering kan op onderstaande wijze, of een combinatie daarvan, geeffectueerd worden: 1. Fysieke bijdragen binnen het plangebied en/of de directe projectomgeving, waarbij de waarde overeenkomt met 20% van de grondwaardevermeerdering; 2. Fysieke bijdrage elders binnen de gemeente mits in overeenstemming met gemeentelijke uitvoeringsprojecten op het gebied van natuur en landschap; 3. Storting van de 20% van de grondwaardevermeerdering in een gemeentelijk fonds omgevingskwaliteit. Diverse fysieke en zichtbare verbeteringen in het landschap dragen bij aan de kwaliteitsverbetering.
Door de gemeente Dongen wordt een rekenmethodiek gehanteerd waarmee de waardevermeerdering van de gewijzigde situatie wordt berekend. Minimaal 20% van deze waardevermeerdering moet in de kwaliteitsverbetering worden geïnvesteerd. Voor de beoogde ontwikkeling aan de Watertorenstraat is in samenspraak met de gemeente een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting voor realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing opgenomen. De verplichting geldt voor de randen van het perceel. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als bijlage 1 bij de regels van voorliggend bestemmingsplan. Op grond van de rekenmethodiek van de gemeente Dongen is de benodigde waarde van de kwaliteitsverbetering berekend. Conform de normbedragen op basis van de Stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant (Stika, versie 29 april 2022) zal initiatiefnemer via aanleg van 341 m2 (0,0341 ha) aan bloemrijk grasland en 602 m2 (0,0602 ha) aan struikensingel bestaande uit eenjarig bewortelde stek aan de grenzen van het plangebied waar de aanduiding 'landschappelijke inpassing' van kracht is, een investering doen in de vorm van aanleg, onderhoud en jaarlijks beheer. De berekening is opgenomen in bijlage 2. Met de beoogde investering wordt voldaan aan de benodigde landschapsinvesteringsregeling van de gemeente Dongen.
3.5.6 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk beleid.
38/74
39/74
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject aangezien het gaat om een kleinschalige functiewijziging met beperkte bouwmogelijkheden ter ondersteuning van de bestaande functie. Hier geldt daarom geen mer-beoordelingsplicht en kan verwezen worden naar jurisprudentie ECLI:NL:RVS:2021:1967. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch
40/74
dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
4.3
Verkeer en parkeren
4.3.1 Normstelling en beleid Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit het 'Parapluplan Parkeren Dongen'. Conform dit beleid wordt de bovenkant van de bandbreedte aangehouden. Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in gebied buiten de bebouwde kom aangehouden. De gemeente heeft een matig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. 4.3.2 Toetsing Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied is gelegen in de gemeente Dongen en wordt ontsloten via de Groenstraat/Lage Ham en de Watertorenstraat. Richting het noorden sluit de Groenstraat/Lage Ham aan op de Provincialeweg.
Richting het zuiden wordt via de rotonde ontsloten op de Noorderlaan - Westerlaan (richting Oosterhout), de Beljaartlaan (richting Kaatsheuvel) en de Hoge Ham welke aansluit op de Gasthuisstraat/Monseigneur Poelsstraat en het centrum van Dongen. De Westerlaan en de Gasthuisstraat (gaat over in de Middellaan) zijn beide aangesloten op de N629 welke in verbinding staat met de A27. Het plangebied ligt net buiten de bebouwde kom. Voor wat betreft de Groenstraat, Lage Ham en de Watertorenstraat geldt een maximum snelheid van 60 km/h. De ontsluiting van het gemotoriseerde verkeer is goed. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde bushalte 'Oosteind, Provincialeweg' is op een afstand van circa 650 meter gesitueerd. Deze halte wordt bediend door buurtbussen in de richtingen 's-Gravenmoer en Oosterhout met een frequentie van één keer per uur. De dichtstbijzijnde halte ten behoeve van lijnbussen die rijden in de richtingen Tilburg en Oosterhout/Breda bevindt zich op een afstand van circa 2 kilometer.
41/74
Langzaam verkeer Het fietsverkeer op de Lage Ham, Groenstraat en de Watertorenstraat wordt gemengd met het overige verkeer afgewikkeld. Er zijn, in tegenstelling tot de richtlijnen wegen met een maximum snelheid van 60 km/h, geen vrijliggende fietspaden aanwezig. Wel zijn op de Groenstraat en Lage Ham fietsstroken aangeduid. Parkeren Zoals vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Dongen', zijn binnen de gemeentegrenzen de 'Parkeernormen gemeente Dongen' (01-07-2020) van kracht. Aan de hand van deze parkeernormen kan de toekomstige parkeerbehoefte van het plangebied worden berekend. Conform de gebiedsindeling uit dit parkeernormenbeleid ligt het plangebied in 'Gebied buiten bebouwde kom'. Voor de bestaande woning in de watertoren (circa 380 m2 BVO) wordt aangesloten bij de parkeernorm voor een vrijstaande woning in het buitengebied, welke maximaal 2,8 bedraagt. In deze norm is een bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaats opgenomen. De bestaande kantoorfunctie heeft een bruto vloeroppervlak van 275 m2 en heeft een maximale parkeerbehoefte van (2,75 x 2,8) 7,7 parkeerplaatsen. Hierin is een bezoekersaandeel van 5% opgenomen.
In de toekomstige situatie zal het gebruik en/of de realisatie van een praktijkruimte voor tekentherapie, een natuurlijke buitenruimte met diverse plekken met natuurlijke inrichtingselementen, een loods voor de locomotief, rails en een tuinhuis mogelijk worden gemaakt. De activiteiten die hier plaats zullen vinden vallen in de categorie aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, welke bij woningen rechtstreeks toegestaan zijn en waarvan de parkeerbehoefte onder de hoofdfunctie geschaard kan worden. De totale formele parkeerbehoefte van het plangebied bedraagt daarom (2,8 + 7,7) 10,5 parkeerplaatsen. Op eigen terrein zullen 11 parkeerplaatsen worden aangelegd, waarmee in de behoefte kan worden voorzien. Bij de beoogde ontwikkeling (met daarbij de beperkte openstelling van het terrein) is in de praktijk echter een lichte toename van het aantal verkeersbewegingen voorstelbaar. Een toename van het aantal verkeersbewegingen leidt tot een toenemende behoefte aan (fiets)parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is een specifieke ruimte aangewezen waar indien noodzakelijk uitbreiding van het parkeeraanbod kan plaatsvinden. Deze ruimte is met rode arcering weergegeven in figuur 4.1. Parkeren in de openbare ruimte / in de bermen is uitermate onwenselijk.
In de specifieke gebruiksregels (artikel 7) van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen met betrekking tot deze beperkte openstelling van het terrein, waarbij tevens is geborgd dat (fiets)parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
42/74
Figuur 4.1 Parkeeroplossing regulier en aanvullend (Bron: Houben Vastgoed B.V.) Verkeersgeneratie & verkeersafwikkeling Ter bepaling van de hoeveelheid verkeer dat door deze ontwikkeling wordt gegenereerd, zijn kencijfers van het CROW (publicatie 381, 2018) gebruikt. De omvang van de verkeersgeneratie wordt onder andere bepaald door de locatie van het plangebied. In deze situatie ligt het plangebied in buitengebied in een matig stedelijke gemeente (volgens de adressendichtheid van het CBS). In de toekomstige situatie zal het gebruik en/of de realisatie van benodigde parkeerruimte, een praktijkruimte voor tekentherapie, een natuurlijke buitenruimte met diverse plekken met natuurlijke inrichtingselementen, een loods voor de locomotief, rails en een tuinhuis mogelijk worden gemaakt. Deze activiteiten vallen in de categorie aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, welke bij woningen rechtstreeks toegestaan zijn en waarvan de verkeersgeneratie onder de hoofdfunctie geschaard kan worden. De ontwikkeling heeft als doel om voorzieningen van de watertoren uit te breiden en de activiteiten te intensiveren. In dat opzicht kan er in de praktijk een toename van het aantal verkeersbewegingen worden verwacht.
Echter zal deze toename dermate beperkt zijn dat deze zonder problemen kan worden afgewikkeld op de Watertorenstraat, zonder daarbij de maximale capaciteit van de weg te bereiken. Op de Watertorenstraat zal de eventuele beperkte toename dan ook nauwelijks merkbaar zijn en opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer.
43/74
4.3.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Onderscheid wordt gemaakt in afstandstappen van 0, 10, 30, 50, 100, 200, etc. meter. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.
Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4.4.2 Toetsing en conclusie Het plangebied is gelegen binnen lintbebouwing in het buitengebied waarmee de omgeving getypeerd kan worden als 'rustig buitengebied'. In de directe omgeving van het plangebied is autodemontagebedrijf Van den Mosselaar Holding B.V. gevestigd (Watertorenstraat 6). In opdracht van de huidige eigenaar van de watertoren is in een eerder stadium onderzoek naar de mogelijkheden tot bewoning van de watertoren uitgevoerd. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt in het rapport met kenmerk '151682, Oranjewoud april 2005' (bijlage 3) het volgende geconcludeerd. 4. Geluid. Akoestisch onderzoek met kenmerk '151682, Oranjewoud juni 2005 revisie 00' (bijlage 4) heeft uitgewezen dat de gevelbelasting op de watertoren 45 dB(A) bedraagt. Van belang is dat er sprake is van een woning. De woning wordt gerealiseerd in een watertoren met een hoge isolatiewaarde.
Hoewel de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden, heeft de gemeente Dongen de eigenaar van de watertoren verzocht de karakteristieke geluidwering en het binnenniveau te toetsen aan de eisen gesteld in het Bouwbesluit. Inmiddels zijn bij de renovatie de in het rapport vermelde materialen gebruikt, waardoor voldaan wordt aan de gestelde eisen.
44/74
5. Geur en stof. Gezien de specifieke omstandigheden (aanwezige bebouwing, minimale gebruik van de weg en ligging van de watertoren) en gezien het feit dat ten behoeve van de milieuaspecten geur en stof in de milieuvergunning geen voorschriften noodzakelijk worden geacht, wordt deze situatie toelaatbaar geacht voor een woning. 6. Gevaar. Het vastgelegde beschermingsniveau, conform CPR 15, in de vigerende milieuvergunning van het autodemontagebedrijf én de afstand van circa 150 meter van de opslagen ten opzichte van de watertoren bieden voldoende waarborg om geen hinder te verwachten. De bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende milieubelasting van autodemontagebedrijf Van den Mosselaar heeft een minimale impact op de leefomgeving in en in de directe omgeving van de watertoren. De komst van een woning en de kantoorfunctie leidt niet tot wezenlijke beperkingen voor autodemontagebedrijf Van den Mosselaar. De onderzoeken van Oranjewoud zijn ter beoordeling voorgelegd aan de milieudienst van de gemeente Dongen. Per brief van 20 juni 2005 heeft de gemeente aangegeven dat voor een woon- en kantoorfunctie in de watertoren wordt voldaan aan de wettelijke eisen betreffende de aspecten stof, gevaar, geur en geluid. De bedrijfsvoering van autodemontagebedrijf Van den Mosselaar betekende derhalve geen belemmering voor realisatie van de woning en de kantoorfunctie.
De woning is daarnaast geen gevoelig object ten opzichte van de eigen inrichting. De woning hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de wettelijke milieunormen en de richtafstanden uit de VNG-brochure ten opzichte van de eigen inrichting. In de toekomstige situatie zal het gebruik en/of de realisatie van benodigde parkeerruimte, een praktijkruimte voor tekentherapie, een natuurlijke buitenruimte met diverse plekken met natuurlijke inrichtingselementen, een loods voor de locomotief, rails en een tuinhuis mogelijk worden gemaakt. Dit zijn minder gevoeligere functies dan een woning. Derhalve kan geconcludeerd worden dat ook voor de buitenruimte sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. 4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1 Archeologie Normstelling en beleid Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016-2018) De Nota Cultureel Erfgoed Dongen is vastgelegd op 10 maart 2016. De nota bundelt het huidige en nieuwe beleid omtrent cultureel erfgoed in één erfgoednota. Hierbij is de basis gelegd voor een brede, integrale basis voor behoud en versterking van cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Dongen. De gemeente Dongen maakt in de nota haar beleid en ambities op het gebied omtrent cultureel erfgoed
45/74
kenbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder andere het provinciaal beleid, dat is vertaald naar gemeentelijk beleid, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Archeologische beleidsadvieskaart. Erfgoedverordening gemeente Dongen 2016 De erfgoedverordening is op 13 oktober 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Centrale beleidsregel daarin is dat het verboden is om in een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. Op het verbod zijn verstoringen uitgezonderd in een gebied: met een lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50.000 m2; met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2; waarvoor in het bestemmingsplan reeds bepalingen zijn opgenomen voor archeologische monumentenzorg. Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Toetsing De gemeenteraad heeft op 10 februari 2011 de archeologische beleidskaart vastgesteld (figuur 4.1). Deze kaart moet gelezen worden in relatie tot de vastgestelde Erfgoedverordening.
Voor gebieden met op de AMK en IKAW een middelhoge of hoge verwachtingswaarde is het uitgangspunt dat onderzoek wordt uitgevoerd als ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd of gepland die de eventuele archeologische waarden kunnen aantasten. Bodemingrepen zijn hier in principe niet toegestaan. Indien een ingreep dieper gaat dan 0,5 meter minus het bestaande maaiveld en een planoppervlak heeft van 100 m² (vrijstellingsgrens uit de Monumentenwet) of meer is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Omdat het aspect archeologie ook is geregeld in het geldende bestemmingsplan 'Dongen Buitengebied' (zie paragraaf 1.3) is de regeling daarin leidend. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied (gedeeltelijk) een archeologische dubbelbestemming.
46/74
Figuur 4.1 Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Dongen (Bron: gemeente Dongen) In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is - voor het gebied waar aanvullende grondroerende werkzaamheden plaatsvinden - een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 5. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft voor de periode Laat-Neolithicum – Midden-Neolithicum en Late Middeleeuwen Nieuwe tijd en geen verwachting voor de periode Laat-Neolithicum – Middeleeuwen. In het grootste deel van het plangebied is een dun pakket laagglaciaal dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) op laatpleniglaciale nat-eolische zanden (Formatie van Boxtel) aangetroffen. In het uiterste westen van het plangebied zijn holocene beekopvullingen van de Donge aangetroffen. Op de zanden is een matig dik antropogeen eerddek aanwezig, dat na de ontginning van het gebied in de Late Middeleeuwen is aangebracht. In het plangebied zijn geen
47/74
aanwijzingen voor de (voormalige) aanwezigheid van podzolbodems waargenomen. In meerdere boringen is een AC-horizont waargenomen en komen roestvlekken binnen 50 cm -mv voor. De bodem kan worden geclassificeerd als een beekeerdgrond. Dit bodemtype is kenmerkend voor gebieden met hoge grondwaterstanden. Door de aanwezigheid van dit bodemtype en de afwezigheid van podzolbodems kan worden geconcludeerd dat het gebied gedurende het Holoceen altijd nat is geweest. De archeologische verwachting, voor de periode Laat-Paleolithicum – Midden-Neolithicum kan daarom worden bijgesteld van hoog naar laag. De verwachting voor latere perioden (geen of lage verwachting) blijft hetzelfde. Bodemroerende werkzaamheden in het plangebied vormen daarom geen bedreiging voor archeologisch erfgoed. Er wordt geadviseerd om bij de ophanden zijnde bestemmingsplanwijziging geen dubbelbestemming 'waarde - archeologie' op het plangebied te leggen. Dit betekent dat toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden zonder verder archeologisch onderzoek kunnen worden uitgevoerd. Met het gegeven selectieadvies, geen dubbelbestemming 'waarde-archeologie' op het plangebied te leggen, kan worden ingestemd.
Monumentenhuis Brabant adviseert dat het omschreven gebied wordt vrijgegeven voor de voorziene planontwikkeling en (bouw)vergunning wordt verleend door de Gemeente Dongen onder voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. 4.5.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016-2018) De Nota Cultureel Erfgoed Dongen is vastgesteld op 10 maart 2016. De nota bundelt het huidige en nieuwe beleid omtrent cultureel erfgoed in één erfgoednota. Hierbij is de basis gelegd voor een brede, integrale basis voor behoud en versterking van cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Dongen. De gemeente Dongen maakt in de nota haar beleid en ambities op het gebied omtrent cultureel erfgoed kenbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder ander het provinciaal beleid, dat is vertaald naar gemeentelijk beleid, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Archeologische beleidsadvieskaart. Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) De 'Cultuurhistorische waardenkaart' (vastgesteld 26 september 2006) van de provincie Noord-Brabant vormt het kader voor het inhoudelijke cultuurhistorische beleid met behulp waarvan dat beleid getoetst en ontwikkeld kan worden.
Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn meerdere aanduidingen opgenomen (historische bouwkunst, historische stedenbouw, historische geografie (lijnen en vlakken), historische groenstructuren, historische zichtrelaties, archeologische monumenten en indicatieve archeologische waarden). De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is in de gemeente vertaald naar de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen (vastgesteld op 15 januari 2014). Toetsing In figuur 4.2 is het projectgebied weergegeven in de uitsnede van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen. Uit deze waardenkaart blijkt dat het projectgebied niet aangeduid is als een bepaald
48/74
gebiedstype. Op korte afstand van het plangebied bevinden zich echter wel gebiedstype 1, een waterweg en historische bebossing / park. Voor wat betreft gebiedstype 1 gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing met eventueel het aanwezige groen en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. De belangrijkste objecten zijn reeds beschermd als gemeentelijk of rijksmonument of staan op de aandachtslijst van identiteitsbepalende objecten.
Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Dongen met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Dongen, 2014) In de Nota Cultureel Erfgoed van de gemeente Dongen wordt de Watertorenstraat in combinatie met de Donge aangeduid als identiteitsbepalende weg en waterloop. Voor wat betreft de Watertorenstraat komt dit vooral tot
49/74
uiting in de keienverharding, zandbermen en populieren. De beoogde ontwikkeling past binnen het uitgangspunt van de gemeente om het huidige karakter van het (verlengde van het) bebouwingslint Lage Ham te versterken. De waardevolle bebouwing van de watertoren en de identiteit van de Watertorenstraat en het riviertje de Donge blijft in tact en worden door de beoogde ontwikkeling nog meer onder de aandacht gebracht. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling in zijn geheel een positieve bijdrage levert aan het behoud van cultuurhistorische elementen. 4.5.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitwerking van het initiatief.
4.6
Geluid
4.6.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.6.2 Wegverkeerslawaai Normstelling en beleid Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.
Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de
50/74
geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. Toetsing Zoals beschreven in paragraaf 4.4 heeft akoestisch onderzoek uit een eerder stadium reeds aangegeven dat de gevelbelasting op de watertoren 45 dB(A) bedraagt. De woning wordt gerealiseerd in een watertoren met een hoge isolatiewaarde. Hoewel de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden, heeft de gemeente Dongen de eigenaar van de watertoren verzocht de karakteristieke geluidwering en het binnenniveau te toetsen aan de eisen gesteld in het Bouwbesluit. Inmiddels zijn bij de renovatie de in het rapport vermelde materialen gebruikt, waardoor voldaan wordt aan de gestelde eisen. De toekomstige ontwikkeling van het perceel maakt ten aanzien van de huidige vergunde situatie geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan daardoor achterwege worden gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel het uitstralingseffect van de verkeerstoename beoordeeld.
Op basis van de berekende verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling en de verdeling daarvan over het wegennet en gegevens uit het verkeersmodel (gegevens 2030 met huidige ligging N260 en N632) is bepaald dat voor de relevante wegen geen sprake zal zijn van een verkeertoename van meer dan 25% ten opzichte van de autonome situatie. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is beperkt en zal op het omliggende wegennet niet leiden te knelpunten. Bij een toename van >25% is er namelijk pas een significant effect op de geluidsbelasting. Zodoende zal als gevolg van de ontwikkeling ook geen sprake zijn van een significante geluidtoename langs deze wegen. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg. 4.6.3 Industrielawaai Het plangebied ligt buiten gezoneerd industrieterrein en er staat geen windturbine in de buurt. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.6.4 Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.6.5 Conclusie Het aspect geluid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
51/74
Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.7.2 Toetsing en conclusie Zoals eerder vermeld bieden het vastgelegde beschermingsniveau, conform CPR 15, in de vigerende milieuvergunning van autodemontagebedrijf Van den Mosselaar én de afstand van circa 150 meter van de opslagen ten opzichte van de watertoren voldoende waarborg om geen hinder te verwachten. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de buisleidingenstrook met kenmerk "PRB, RRP en A-531", maar bevindt zich wel binnen het aandachtsgebied van de uitbredingszone (tracé-reservering) van deze gasleiding. Hierdoor is de 'Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019' van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant zoals weergegeven als bijlage 6 aan de orde. Hierin is tevens het standaardadvies van de brandweer in opgenomen. Verder vinden er in en in de nabijheid van het perceel met de watertoren geen dergelijke relevante activiteiten (vervoer of bedrijvigheid) plaats. Derhalve wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
52/74
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij een ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij een ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
53/74
4.8.2 Toetsing en conclusie In opdracht van de huidige eigenaar van de watertoren is in een eerder stadium onderzoek naar de mogelijkheden tot bewoning van de watertoren uitgevoerd. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt wat betreft het aspect luchtkwaliteit in het rapport met kenmerk '151682, Oranjewoud april 2005' geconcludeerd dat als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve gevolgen in de omgeving te verwachten zijn. Ter plaatse van de watertoren zelf wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden zoals genoemd in het Blk. In 2010 is echter sprake van een beperkte overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde voor fijn stof. De gemeente achtte deze overschrijding aanvaardbaar vanwege de volgende redenen. Er wordt aan alle overige grenswaarden zoals genoemd in het Blk voldaan. De overschrijding is beperkt (maximaal 2 maal per jaar). Bovendien is in 2015 geen sprake meer van een overschrijding. De overschrijding wordt met name veroorzaakt door de hoge achtergrondconcentratie in de gemeente en in de regio. Deze achtergrondconcentratie in de gemeente zorgt op zichzelf reeds voor een overschrijding van de grenswaarde, zonder enige bijdrage van plaatselijk verkeer. Dit betekent dat langs elke weg in Dongen waar in enige mate verkeer overheen rijdt, sprake is van een overschrijding van de grenswaarde.
Het betreft geen locatiespecifiek probleem in Dongen dat met een andere ruimtelijke inrichting kan worden opgelost. Aanvullende ruimtelijke maatregelen om de concentratie van fijn stof ter plaatse van de beoogde ontwikkeling terug te dringen, zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk. Bovendien wordt de woning gerealiseerd in een reeds bestaand gebouw (i.c. de watertoren). De problematiek van de luchtverontreiniging door fijn stof wordt door de minister in (inter)nationaal verband aangepakt. Het Rijk heeft een plan van aanpak opgesteld om de luchtkwaliteit te verbeteren. Bovendien heeft het kabinet nog aanvullende maatregelen aangekondigd om de luchtkwaliteit te verbeteren. De ontwikkelingen die in deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk worden gemaakt, staan de uitvoering van deze maatregelen door het Rijk niet in de weg. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling van de buitenruimte van watertoren zullen de verkeersintensiteiten niet significant toenemen. Hierdoor kan zonder berekeningen worden geconcludeerd dat naar verwachting de realisatie van de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot een toename van een (eventueel bestaande) overschrijding van de normen. Daarmee wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit.
4.9
Kabels en leidingen
4.9.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
54/74
4.9.2 Toetsing en conclusie In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. In en langs de randen van het plangebied liggen wel diverse niet planologisch relevante leidingen (rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen). Deze kabels en leidingen zullen, indien noodzakelijk, in overleg met de leidingbeheerders worden verlegd. In de nabijheid van de watertoren (op ruim 85 meter afstand) is een bovengrondse 50 kV-hoogspanningsverbinding aanwezig. Voor een onbelemmerde bedrijfsvoering dient hier een strook van 40 meter (2x20 meter) breed te worden aangehouden (zakelijk rechtstrook), gemeten vanuit het hart van de bovengrondse leiding. De beoogde ontwikkeling vindt niet plaats in deze zakelijk rechtstrook. Derhalve vormt de bovengrondse hoogspanningsverbinding geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Bodem 4.10.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.10.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de aanleg van een natuurvriendelijke tuin met een aantal aan de watertoren ondergeschikte bijbehorende bijgebouwen. De bestaande bestemming 'Kantoor' met bijbehorende woonfunctie op het perceel DGN01 - N - 389 blijft in tact. Voor het perceel DGN01 - N - 1184 wordt de bestemming gewijzigd van 'Agrarisch' naar 'Tuin', waarbij geen gevoeligere functies worden toegestaan ten opzichte van de bestaande situatie. Daarnaast is er geen sprake van een bodembedreigende activiteit. Er heeft op deze gronden niet eerder bebouwing gestaan en er is in het verleden geen sprake geweest van bodembedreigende activiteiten op de locatie.
Er wordt bewust niet bemest om de grond op natuurlijke wijze te verschralen. Formeel gezien is sprake van een functie- en bestemmingswijziging, maar aangezien geen diepe aanvullende grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, er geen gevoeliger gebruik dan nu is toegestaan mogelijk wordt gemaakt en er in principe geen personen langdurig op de locatie met de bestemming 'Tuin' aanwezig zullen zijn is een nadere bodemtoets in het kader van deze ruimtelijke procedure niet noodzakelijk. 4.10.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
55/74
4.11 Water 4.11.1 Normstelling en beleid Waterbeheer en watertoets Voor alle ruimtelijke plannen dient een watertoets te worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde; infiltreren, retentie binnen het projectgebied, retentie buiten het projectgebied of berging in bestaand watersysteem. Bij de berekening van de retentie worden de eisen zoals gevisualiseerd in figuur 4.4 uit deze paragraaf gehanteerd. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder, in dit geval het waterschap Brabantse Delta, tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is onder andere verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Dongen. Het gaat hierbij om de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer - waaronder grondwater - heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de
56/74
legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij (nieuwe) ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Gemeentelijk beleid Het verbreed GRP Dongen geeft het beleid van de gemeente Dongen weer op het gebied van rioleringszorg (afvalwater en hemelwater) en haar gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van grondwater.
In het plan komt ook het stedelijke oppervlaktewater aan de orde, omdat hemelwater, grondwater en zelfs afvalwater relaties hebben met het oppervlaktewater. De zorgplichten zijn zodanig geformuleerd dat iedere gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid houdt om een eigen invulling te kiezen voor de lokale situatie. Dit verbreed GRP Dongen geldt voor de periode 2016 tot 2020 en is vastgesteld in december 2015. 4.11.2 Toetsing Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de Watertorenstraat, ten noorden van de kern Dongen. De betreffende percelen worden kadastraal aangeduid als DGN01 - N - 389 en DGN01 - N - 1184 en hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 6.670 m2. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse van het plangebied uit zandgronden. In de directe omgeving van het plangebied staat een peilbuis. Metingen hiervan geven aan dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand 1,7 meter onder maaiveld gelegen is. Het maaiveld ter plaatse ligt op circa 6 meter boven NAP. In figuur 4.3 zijn de verschillende grondwatertrappen in en nabij de kern Dongen in beeld gebracht.
57/74
Figuur 4.3 Grondwaterstanden omgeving kern Dongen (Bron: Bodemkaart van Nederland, 2018) Waterkwantiteit Op alle watergangen en sloten die zijn opgenomen in de legger, is de keur van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen); c. voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Voor het plangebied geldt dat aan de noord- en zuidzijde van het plangebied waterlopen in de categorie B aanwezig zijn (figuur 4.4). Hiervoor geldt dat bovenstaande, net als in de bestaande situatie, van toepassing is. Aan de andere zijde van de Watertorenstraat ligt een waterloop in de categorie A.
De afstand tot aan deze waterloop is groter dan 5 meter, waardoor er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het onderhoud.
58/74
Figuur 4.4 Leggerkaart Waterschap (Bron: Waterschap Brabantse Delta) Veiligheid en waterkeringen Binnen en in de directe omgeving van de gemeente Dongen zijn geen waterkeringen gelegen. Het projectgebied is dan ook niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen In de toekomstige situatie zal het gebruik en/of de realisatie van benodigde parkeerruimte, een praktijkruimte voor tekentherapie, een natuurlijke buitenruimte met diverse plekken met natuurlijke inrichtingselementen, een loods voor de locomotief, rails en een tuinhuis mogelijk worden gemaakt. Waterkwantiteit Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten binnen de gemeente Dongen worden in principe waterneutraal uitgevoerd, waarbij getracht wordt te voorkomen dat er negatieve effecten op het grond- en oppervlaktewater optreden. Hierbij wordt uitgegaan van een bui t=100 dat overeenkomt met een retentie van 78 mm. Verhard oppervlak wordt in principe niet aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. De gemeente Dongen heeft strengere bergingseisen dan het waterschap Brabantse Delta. Deze eisen zijn gevisualiseerd in figuur 4.5.
59/74
Figuur 4.5 Visualisatie bergingseisen gemeente Dongen (Bron: Gemeente Dongen) Het totale plangebied heeft zoals eerder aangegeven een oppervlakte van 6.670 m2. Hiervan is in de bestaande situatie circa 450 m2 (watertoren, tijdelijke unit en bijbehorende verharding) verhard, wat overeenkomt met circa 6,7%. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt een gedeelte van de verharding verwijderd. De aangehouden oppervlaktes voor de toekomstige situatie zijn opgenomen in tabel 4.2.
60/74
Tabel 4.2 Aangehouden oppervlaktes verharding toekomstige situatie Element Verhard oppervlak (m2) Watertoren 120 Toekomstige bijgebouwen (worst-case) 350 Toekomstige overige verharding zoals parkeerplaatsen en 150 paden (worst-case) Totaal 620 Op basis van de normen van de gemeente Dongen dient voor de beoogde ontwikkeling rekening te worden gehouden met ((120 x 0,007) + (350 + 150 = 500 x 0,078)) 39,8 m3 aan watercompensatie. De benodigde berging moet in principe worden opgevangen binnen het plangebied. In de visie in bijlage 1 is reeds opgenomen dat het regenwater niet afgevoerd wordt op het riool maar volledig op eigen terrein zal worden opgevangen en worden geïnfiltreerd. Hiertoe zal een retentievijver met gedeeltelijke wadi worden gerealiseerd die in de winter een hoger waterpeil zal hebben dan in de zomer. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Daarom wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet toegestaan.
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering, vigerend waterschapsbeleid en het verbreed GRP Dongen is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van hemelwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet-gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater wordt ingezameld en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld onder d. (in de praktijk dus vooral hemelwater) wordt hergebruikt (zo nodig na zuivering aan de bron); f. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt lokaal in het milieu teruggebracht (zo nodig na zuivering aan de bron); g. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt als stedelijk afvalwater ingezameld en naar een rwzi getransporteerd.
61/74
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 4.11.3 Conclusie Ten gevolge van de planontwikkeling is sprake van een beperkte toename in verharding. Er wordt rekening gehouden met de bergingseis van de gemeente Dongen. Aangezien de benodigde compensatie beperkt is, is deze eenvoudig op eigen terrein te realiseren. Op basis hiervan wordt verwacht dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.12 Ecologie 4.12.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.
Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).