CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

20211021-02 Vragenhalfuur D66- Bijlage 1 Rapport Omgevingsdiensten in beeld

Besluitvormende raadsvergadering 21 oktober 2021, gemeente DongenBij agendapunt: Vragenhalfuurtje - wordt schriftelijk afgehandeld20.666 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

en BRZO/RIE4.

(DCMR Milieudienst Rijnmond), met een gemiddelde van circa 25 per jaar. In totaal worden er in Nederland 635

ongeveer 12.000 vergunningplichtige bedrijven. Hierbij

N= 21 (van 7 diensten zijn geen data bekend

bedrijven aan een actualiteitstoets onderworpen hoeven

1 dienst is geen data bekend omtrent het

moet aangetekend worden dat niet alle vergunningplichtige

Figuur 20. Percentage actualisatietoetsen per jaar ten opzichte van vergunningplichtige inrichtingen (C +IPPC+BRZO, N = 21)

29

OD - Noorzeekanaalgebied

18.93% RUD - Zuid Limburg

16.69%

15.76% OD - Veluwe IJssel

DCMR - Rijnmond

15.32%

11.54%

7.69% OD - De Vallei

OD - Groningen

7.46% OD - Regio Utrecht

10.91%

6.87% OD - Zuid Holland Zuid

OD - West-Holland

6.67% OD - Noord-Holland-Noord

10.10%

5.30% OD - Regio Arnhem

OD - Rivierenland

4.94%

2.80% RUD Zeeland

OD - Regio Nijmegen

2,78% OD - Twente

4,22%

2.70% FUMO

1,55%

0.78% OD - IJsselland

RUD - Drenthe

0,71%

OD - IJmond

aantal vergunningplichtige inrichtingen

OD - Midden Holland

omtrent het aantal actualiteitstoetsen en van

te worden.

OD - OMWB

27.47%

actualiteitstoetsen uitgevoerd op het bedrijvenbestand van

66,53%

N = 24

OD - Noorzeekanaalgebied

DCMR - Rijnmond

49,28% RUD Utrecht

45,93% RUD Zeeland

FUMO

41,04% RUD - Zuid Limburg

41,24% OD - Rivierenland

37,49% OD - Veluwe IJssel

40,22%

34,38% OD - Noord-Holland-Noord

OD - De Vallei

33,33% OD - Brabant Noord

38,22%

33,23%

OD - Haaglanden

32,37%

OD - West-Holland

31,59% OD - Zuid Holland Zuid

OD - Groningen

29,79% OD - Achterhoek

27,60% OD - Midden Holland

26,91% OD - Twente

23,63%

21,92% OD - IJmond

OD - Regio Utrecht

21,04% OD - Noord-Veluwe

16,91% RUD - Limburg-Noord

14,36% OD - OMWB

OD - IJsselland

9,62%

inrichtingen (exclusief type A)

43,23%

over het aantal inspecties t.o.v. het aantal

50,22%

Van 5 OD’s zijn geen data beschikbaar

Figuur 21. Percentage inspecties per jaar ten opzichte van aantal inrichtingen (exclusief type A, N = 24).

Van vijf omgevingsdiensten zijn geen data beschikbaar over

het aantal inspecties ten opzichte van het aantal inrichtingen (exclusief type A).

Het percentage inspecties ten opzichte van het totaal aantal

Van vier omgevingsdiensten zijn geen data beschikbaar

(Omgevingsdienst IJsselland) tot 67% (DCMR Milieudienst

inrichtingen (exclusief type A).

over de inzet van bestuursrecht ten opzichte van het aantal

bedrijven, de inspectiefrequentie, varieert van ongeveer 10%

Het aantal bestuursrechtelijke maatregelen/acties

Rijnmond), met een gemiddelde van circa 30%. Hierbij

(bestuursrechtelijke boete, Last onder Dwangsom, sluiting

dient aangetekend te worden dat hier het totaal aantal

etc.) varieert van 0,1 % (Omgevingsdienst Midden- en West-

uitgevoerd inspecties is gebruikt. Voor met name IPPC- en

Brabant) van het totaal aantal inrichtingen tot 3,1% (RUD

BRZO-bedrijven zullen jaarlijks meerdere inspecties per

Zeeland) per jaar.

bedrijf worden uitgevoerd. Het aantal inspecties varieert

3,15%

mede doordat de wijze van registreren per omgevingsdienst separate inspectie meetellen en er zijn omgevingsdiensten

N = 25

het betreffende bedrijf weer voldoet aan de eisen. In de

de inzet van bestuursrecht t.o.v. het aantal

OD - Brabant Noord

DCMR - Rijnmond

RUD Zeeland

OD - Noorzeekanaalgebied

OD - Veluwe IJssel

OD - Noord-Veluwe

OD - Rivierenland

0,73%

OD - Midden Holland

1,29%

0,64%

RUD Utrecht

OD - Haaglanden

0,56%

OD - De Vallei

1,29%

0,52%

OD - OFGV

OD - Groningen

0,50%

OD - West-Holland

OD - Regio Nijmegen

0,49%

RUD - Zuid Limburg

0,92%

0,46%

RUD - Limburg-Noord

OD - Zuid Holland Zuid

0,38%

OD - Regio Utrecht

0,88%

0,35%

OD - Noord-Holland-Noord

FUMO

0,33%

0,71%

0,28%

0,67%

0,20%

0,18% OD - IJmond

OD - Twente

0,13%

is meestal niet in detail geleverd.

1,11%

inrichtingen (exclusief type A)

vragenlijst is wel om deze uitsplitsing gevraagd, maar deze

OD - OMWB

2,20%

Van 4 OD’s zijn geen data beschikbaar over

die één inspectie pas tellen als de kwestie is opgelost en

2,41%

wisselt. Er zijn omgevingsdiensten die elke inspectie als

Figuur 22. Percentage inzet bestuursrecht per jaar ten opzichte van aantal inrichtingen (exclusief type A, N = 25)

30

4,66%

N = 26 Van 3 OD’s zijn geen data beschikbaar

OD - Brabant Noord

0,27% OD - Veluwe IJssel

FUMO

0,27% OD - Noord-Holland-Noord

OD - Noord-Veluwe

0,27% OD - Haaglanden

0,72%

0,26% OD - IJsselland

DCMR - Rijnmond

0,22% RUD Utrecht

0,70%

0,19% OD - Regio Arnhem

OD - Regio Nijmegen

0,15% OD - Twente

0,48%

0,14% OD - Noorzeekanaalgebied

OD - Regio Utrecht

0,09% OD - OFGV

0,36%

0,08% OD - West-Holland

OD - Groningen

0,07% RUD Zeeland

0,35%

0,06% OD - De Vallei

OD - IJmond

0,06% OD - OMWB

0,33%

0,05% OD - Midden Holland

OD - Achterhoek

0,02%

0,01% OD - Rivierenland

RUD - Limburg-Noord

0,01% OD - Zuid Holland Zuid

1,77%

inrichtingen (exclusief type A)

2,10%

over de inzet van strafrecht t.o.v. het aantal

Figuur 23. Percentage inzet strafrecht per jaar ten opzichte van aantal inrichtingen (exclusief type A, N = 26)

Van drie omgevingsdiensten zijn geen data beschikbaar

Bij één omgevingsdienst zijn geen data beschikbaar over

inrichtingen (exclusief type A).

niet herleidbaar is over hoeveel fte BOA’s de dienst beschikt.

over de inzet van bestuursrecht ten opzichte van het aantal

de inzet van strafrecht. Voor één omgevingsdienst geldt dat

Het aantal strafrechtelijke maatregelen/acties (opmaken

Het aantal keer dat een strafrechtelijke maatregel/actie is

proces verbaal en andere strafrechtelijke sancties) is bij

ondernomen verschilt van 0% (RUD Zuid-Limburg) tot 72%

nagenoeg alle omgevingsdiensten minder dan 1% van het

per fte (Omgevingsdienst Regio Nijmegen).

aantal inrichtingen, met twee uitzonderingen van 2,1 %

72,0

(FUMO) en 4,7% (Omgevingsdienst Brabant Noord) per jaar. N = 27

OD - Regio Nijmegen

46,0

24,0 OD - Twente

OD - Brabant Noord

23,5 OD - Regio Utrecht

46,0

22,2 DCMR - Rijnmond

OD - Haaglanden

19,0 FUMO

7,7 OD - Groningen

17,1

7,2 OD - Veluwe IJssel

OD - Achterhoek

7,0 OD - Regio Arnhem

16,5

6,5 OD - Noord-Holland-Noord

31

OD - ZOB

5,7 OD - Noorzeekanaalgebied

Figuur 24. Aantal keer inzet strafrecht per BOA-fte (N = 27).

OD - De Vallei

4,0 OD - IJmond

1,7 RUD Zeeland

2,8

1,6 OD - Rivierenland

OD - OMWB

1,3 OD - Midden Holland

2,0

1,2 RUD Utrecht

OD - West-Holland

0,6

0,1 OD - Zuid Holland Zuid

RUD - Limburg-Noord

0,0 RUD - Zuid Limburg

13,3

dienst beschikt

OD - IJsselland

42,0

herleidbaar is over hoeveel FTE BOA’s de

45,0

inzet van strafrecht. Voor 1 OD geldt dat niet

OD - Noord-Veluwe

Bij 1 OD is geen data beschikbaar over de

3622 2700

N = 27 Bij 1 OD is geen data beschikbaar over de inzet van strafrecht. Voor 1 OD geldt dat niet herleidbaar is over hoeveel FTE BOA’s de

50

63

63

74

80

82

94

FUMO

OD - Haaglanden

RUD - Zuid Limburg

OD - Twente

OD - De Vallei

OD - IJsselland

RUD Zeeland

onderzoek naar het melden van ongewone voorvallen. In

de toekomst kunnen de verschillende onderzoeksresultaten

met elkaar worden vergeleken en verbetermogelijkheden in

de meldingssystematiek voor ongewone voorvallen worden verkend.

32

334

439

OD - Noorzeekanaalgebied

43 OD - West-Holland

of meldingsbereidheid van bedrijven. De ILT doet periodiek

DCMR - Rijnmond

40 RUD Utrecht

maken met de wijze en/of zorgvuldigheid van registratie en/

OD - OMWB

35 RUD - Limburg-Noord

op dit moment niet te achterhalen, maar mogelijk heeft dit te

OD - Groningen

32 OD - Regio Utrecht

per jaar. Een verklaring voor dit grote verschil in aantallen is

201

28 OD - Achterhoek

vingsdiensten vermeldt minder dan 100 ongewone voorvallen

OD - Brabant Noord

27 OD - Regio Nijmegen

dienst Noordzeekanaalgebied). Het merendeel van de omge-

200

22 OD - Noord-Veluwe

van 5 meldingen (ODMH) tot meer dan 3.600 (Omgevings-

OD - Regio Arnhem

19 OD - OFGV

Het absolute aantal meldingen ‘ongewoon voorval’ varieert

144

13 OD - IJmond

het aantal meldingen ‘ongewoon voorval’.

OD - Zuid Holland Zuid

12 OD - Veluwe IJssel

Van twee omgevingsdiensten zijn geen data bekend over

131

10 OD - Rivierenland

Figuur 25. Aantal meldingen ongewoon voorval (N = 27)

OD - ZOB

5 OD - Midden Holland

dienst beschikt

7%

34% Controlefrequentie Controlefrequentie o.b.v. risico-analyse

38%

Risicogericht toezicht Niet bekend

21%

Figuur 26. Verhouding tussen planning op basis van controlefrequenties of risicogericht (N =29)

De planning van de inspecties gebeurt voor 34% op basis van de controlefrequentie, 38% op basis van

risicogericht toezicht, 21% op basis van een combinatie van controlefrequentie en risico-analyse en bij 7% is het niet

bekend. Regionale risicoanalyses worden vaak uitgevoerd, maar dat dat leidt nog niet altijd tot een risicogerichte programmering.

33

7. Enkele analyses en observaties over de ‘foto’s’

• dit onderzoek richt zich op de taken die

omgevingsdiensten uitvoeren. Per dienst en per

deelnemer verschilt het deel van de totale VTH-taken die door de omgevingsdienst worden uitgevoerd en

Deze paragraaf bevat een aantal observaties van SPPS/TG

wat is ‘achtergebleven’ bij gemeenten en provincies.

over de uitgevoerde analyses.

Gemeentelijke BRIKS-taken zijn soms wel en soms niet bij omgevingsdiensten ondergebracht. Hetzelfde geldt voor

Algemene observaties

vergunningverlening en toezicht en handhaving van de

De opgeleverde data en de daarop uitgevoerde analyses

Natuurbeschermingswet door provincies

laten zien dat er grote verschillen bestaan tussen de

• het aantal beoordelingen van de actualiteit van een

inrichting laat een grote spreiding zien, maar ook het aantal

• de historische ontwikkeling van de omgevingsdiensten en

van bestuurs- en strafrecht verschilt.

• ten slotte zijn er verschillen in het beleid van de

omgevingsdiensten. Het budget per inwoner en per

vergunning varieert per omgevingsdienst;

inspecties per inrichting en de opgelegde sancties op grond

regionale keuzes;

Naar ons idee zijn de verschillen tussen omgevingsdiensten

deelnemers. De inspectiefrequenties, het gebruik van

te verklaren door de volgende factoren:

bestuursrechtelijke sancties en de inzet van strafrecht

• de regio waarin een omgevingsdienst opereert bepaalt

variëren sterk per omgevingsdienst. Het in kaart brengen

deels de opgave waarvoor de omgevingsdienst gesteld

van dergelijke verschillen in beleid was geen onderdeel

staat. Een industriële regio stelt andere eisen aan de

van dit onderzoek.

uitvoering dan een agrarische of een grootstedelijke

regio. Dit verklaart ten dele de verschillen in kosten per

In de periode dat dit onderzoek werd uitgevoerd, kwam

kwaliteitscriteria door hoger (en duurder) opgeleid

onderwerpen dragen de omgevingsdiensten bij de

ook het klimaatrapport van UN/IPCC5 uit. Op allerlei

inrichting en kosten per inwoner, het voldoen aan hogere

uitvoering van hun VTH-taken bij aan het realiseren

personeel en/of door meer prioriteit te geven aan

van klimaatdoelstellingen. SPPS/TG is ervan overtuigd

maatschappelijke opgaven;

dat met de grote invloed die de omgevingsdiensten

• het overall takenpakket per omgevingsdienst verschilt.

bij hun taakuitvoering kunnen hebben op de prestaties

Er zijn omgevingsdiensten die vrijwel alleen het

van bedrijven, er meer haalbaar is binnen de vigerende

BTP uitvoeren en omgevingsdiensten die tot bijna 80% aanvullende taken, zoals BRIKS4-taken, voor

wetgeving. Hiervoor is wel een verschuiving in accenten

gemeenten, adviestaken en taken op grond van de

in de uitvoering van de VTH-taken nodig op basis van een

Natuurbeschermingswet uitvoeren. Dit verklaart deels de

landelijk uniforme aanpak.

verschillen in budget en het budget per inwoner;

• het aantal inrichtingen en de complexiteit hiervan

Gemeenten en provincies zijn verplicht het BTP volledig

verschillen sterk per omgevingsdienst. De zes BRZO-

over te dragen aan de omgevingsdiensten. Bij 7 van de

omgevingsdiensten hebben een ander takenpakket dan

29 omgevingsdiensten hebben deelnemers het BTP nog

de overige omgevingsdiensten. Dat verklaart deels de

niet volledig overgedragen. Het betreft in alle gevallen

verschillen in kosten per inrichting, maar ook het aantal

gemeenten.

uitgevoerde inspecties. Zo wordt een BRZO-bedrijf ten minste éénmaal per jaar geïnspecteerd waarbij

Een groot deel van de inzet lijkt nu gebruikt te worden

categorie B-bedrijf wordt éénmaal in de vijf of tien jaar

capaciteit door een andere prioritering centraal te stellen op

een inspectie meerdere dagen in beslag neemt; een

voor de type B-bedrijven. Er ontstaat wellicht ruimte in de

geïnspecteerd;

4

basis van een meer risicogerichte programmering.

monumentenvergunning. Daarnaast vallen ook sloop- en gebruiksmeldingen

BRIKS-taken zijn Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen. Het begrip

op grond van het Bouwbesluit onder BRIKS-activiteiten.

omvat echter alle activiteiten, genoemd in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wabo, uitgezonderd milieuactiviteiten. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om

5

een afwijking van het bestemmingsplan, een aanlegvergunning of een

34

Klimaatverandering 2021: de fysieke wetenschappelijke basis, 7 augustus 2021.

Deel B. Onderzoek VTH 2021

35

8. Inleiding onderzoek VTH 2021

9. Onderzoeksaanpak

Artikel 5.6 van de Wabo verplicht het stelselverantwoordelijk

SPPS/TG heeft het onderzoek uitgevoerd op basis van de

kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken (in 2017

Adviescommissie VTH zijn gedaan, waarin een relatie is

departement tot een tweejaarlijks onderzoek naar de

aanbevelingen die in eerdere VTH-onderzoeken en door

en 2019), zowel voor de basistaken als voor de plus- en

gelegd met de wettelijke verplichtingen. De belangrijkste

achterblijvende milieutaken. Het laatste onderzoek vond

overeenkomsten en verschillen tussen de drie rapporten

plaats in 2019 en daarom is in 2021 een nieuw onderzoek

zijn - gegroepeerd naar de wettelijke basis - door SPPS/

uitgevoerd.

TG geïnterpreteerd en geduid (zie Bijlagenrapport 1, bijlage

Het ministerie van IenW heeft SPPS/TG opdracht gegeven

2). Daarbij is zoveel mogelijk een relatie gelegd tussen de

dit onderzoek uit te voeren, door informatie uit verschillende

aanbevelingen in genoemde rapporten en de in deel A

rapportages te combineren en gebruik te maken van de

verzamelde data. Voor de leesbaarheid van dit rapport zijn

data die in dit onderzoek zijn verzameld.

de aanbevelingen kernachtig weergegeven. Indien over het

Dit hoofdstuk bevat de analyse die is uitgevoerd op basis

onderwerp geen kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, is

van de aanbevelingen die in eerdere onderzoeken naar de

dat wel vermeld maar is daar verder geen duiding gegeven.

kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken (in 2017 en

2019 door Berenschot) en door de Adviescommissie VTH

De volgende onderwerpen komen naar voren, zoals

verplichtingen.

betrekking tot:

zijn gedaan, waarin een relatie is gelegd met de wettelijke

opgenomen in het Bor, AmvB en ministeriële regeling, met • het VTH-stelsel;

• VTH-uitvoeringsbeleid (eenheid regionale uitvoering); • verordening kwaliteit;

• goede kwaliteit uitvoering;

• basistakenpakket en BRZO;

• voldoende financiële middelen voor uitvoering • informatie-uitwisseling.

Daarnaast is een aantal thema’s in de rapporten genoemd: • horizontale borging;

• geharmoniseerd uitvoerings- en handhavingsbeleid; • beleids- en uitvoeringscyclus; • Interbestuurlijk Toezicht (IBT); • capaciteit strafrecht;

• andere rollen voor verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden.

36

10. Resultaten VTH-onderzoek 2021 in vergelijking met eerdere onderzoeken

Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). De meeste

artikelen zijn opnieuw opgenomen in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de ministeriële regeling.

De Wabo artikel 5.3 regelt dat een omgevingsdienst is ingesteld als openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, juncto artikel 52, eerste lid, van de Wet

10.1 Stelsel De uitwerking van het huidige VTH-stelsel is in 2016

gemeenschappelijke regelingen (Wgr) door Gedeputeerde

opgenomen in paragraaf 5.2 van de Wet algemene

Staten en burgemeester en wethouders van de betrokken

bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en is in 2017 verder

gemeenten, en juncto artikel 74, eerste lid, van die wet,

uitgewerkt in het Besluit Omgevingsrecht (Bor) en in de

indien waterschappen mede een omgevingsdienst instellen.

Onderzoek Berenschot 2017

Adviescommissie VTH 2021

De wettelijke verankering in de Wabo/Bor heeft in korte tijd

Duidelijk is dat niet alle omgevingsdiensten een zodanige

geleid tot een robuuste uitvoeringspraktijk die een blijvende

kritische massa of robuustheid hebben dat ze in staat zijn de

impuls heeft gegeven aan de uitvoeringskwaliteit van de VTH-

VTH-opgave in de regio te vervullen op de manier waarop die

taken.

was bedoeld bij de totstandkoming van het stelsel. Ook is de

Op onderdelen is er discussie over de interpretatie van de

huidige opzet niet in lijn met de bedoeling van het advies van

wettelijke vereisten, maar dat neemt niet weg dat het stelsel als

de commissie-Mans om de milieuwethandhaving te verbeteren.

zodanig ‘staat’ en niet meer fundamenteel ter discussie wordt gesteld.

SPPS/TG onderzoek 2021 De bovenstaande vergelijking van de conclusies uit de drie onderzoeken illustreert de noodzaak tot het verzamelen

Onderzoek Berenschot 2019

van data over de omgevingsdiensten. Deze conclusies

Het stelsel staat en heeft zich in de afgelopen jaren in

uit de eerdere onderzoeken zijn veelal kwalitatief van

een rustig tempo verder doorontwikkeld. De kwaliteit van

aard, waardoor een goede onderbouwing en verificatie

uitvoering van de VTH-taken heeft daarmee verder aan kracht

van de conclusies niet mogelijk zijn. Bovendien is het

gewonnen. Er zijn nog steeds regio’s waar de samenwerking,

opvallend dat, na twee redelijk positieve beoordelingen, de

en daarmee de kwaliteit van de uitvoering, aan kracht kan

Adviescommissie VTH afwijkt van de beelden uit 2017 en

winnen.

2019. Wellicht dat er naar mening van de Adviescommissie te weinig voortgang is geboekt of is er een groot verschil

Tegelijkertijd wordt duidelijker dat het stelsel niet aan alle

in verwachtingen tussen de bereikte resultaten van de

verwachtingen kan voldoen.

omgevingsdiensten en de beoordeling van deze resultaten door de Adviescommissie VTH.

De kwaliteits- en procescriteria hebben een belangrijke rol gespeeld in de inrichting van het landsdekkend stelsel van 29

De data die zijn verzameld laten een grote spreiding zien

omgevingsdiensten, ingericht conform de kwaliteitscriteria en

tussen omgevingsdiensten. Omgevingsdiensten verschillen

werkend langs de procescriteria.

in omvang doordat het aantal en de complexiteit van de

inrichtingen variëren, maar ook door de controlefrequenties, de inzet van sancties op grond van bestuurs- en strafrecht en de inspanningen om vergunningen te actualiseren. De grote spreiding in de werkwijze van omgevingsdiensten is mogelijk van invloed op het level playing field voor

bedrijven en verschilt mogelijkerwijs in de bescherming van de burger en de leefomgeving.

37

golden er al procescriteria voor het handhavingsbeleid

10.2 VTH uitvoeringsbeleid De Amvb VTH (§ 7.2. Procescriteria) schrijft voor dat de

op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de

beleids- en uitvoeringscyclus opgesteld moet worden

Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Waar voorheen

en stelt inhoudelijke eisen aan de diverse schakels ervan.

kon worden volstaan met een handhavingskader en

Het vereist verschillende beleidstukken van de bevoegde

handhavingsstrategie, vereist de wet nu Wabo-breed

gezagen: VTH-beleid, uitvoeringsprogramma’s en periodieke

uitvoeringsbeleid, oftewel VTH-beleid, dat regionaal

rapportages. Voor de inwerkingtreding van de Wabo/Bor

afgestemd moet zijn op schaal van de omgevingsdienst.

Onderzoek Berenschot 2017

Adviescommissie VTH 2021

De omgevingsdiensten hebben sluitende begrotingen, maar

De commissie concludeert dat het BTP, zoals opgenomen

weinig weerstandsvermogen. Dat laatste is een bewuste keuze

onder Omgevingswet, niet wezenlijk afwijkt van het op dit

van gemeenten en provincies. De omslag van input- naar

moment geldende BTP. Wel is een gevolg voor het werk van

outputfinanciering is in volle gang, hetgeen de transparantie

omgevingsdiensten te verwachten: de uit te voeren taken

van het stelsel verder zal vergroten, mits dit zorgvuldig wordt

worden complexer en omdat meer activiteiten met algemene

ingevoerd. Wij kwalificeren de omgevingsdiensten dan ook als

regels worden gereguleerd, zullen minder vergunningen

voldoende financieel gezond.

worden afgegeven. De beoordeling van meldingen en toezicht en handhaving van algemene regels zullen daarentegen toenemen. De positie van de omgevingsdienst in termen van

Onderzoek Berenschot 2019

het BTP verandert hiermee niet, het werk wel.

Voor de beleids- en uitvoeringscyclus geldt dat deze is ingericht op decentraal niveau. Echter, ook landelijk is er sprake

De milieunormering in omgevingsplannen en een

van een beleids- en uitvoeringscyclus, namelijk die van wet-

uitvoeringstoets op de normering is een belangrijke stap in het

en regel-geving - waarmee rijksbeleid wordt ingevuld - en

opstellen van omgevingsplannen. De ‘uitvoering’ moet hierbij

decentrale uitvoering. Deze cyclus is niet stelselmatig belegd.

een gelijkwaardige partner voor ‘het beleid’ zijn. Het gaat

Zo blijkt het inbrengen van nieuwe taken in het stelsel zeer

hierbij om de aansluiting tussen beleid en uitvoering. Voor het

lastig en is het niet vanzelfsprekend dat ervaringen uit de

level playing field tussen bedrijven is het noodzakelijk dat de

uitvoering worden teruggeleid naar wet- en regelgeving door

toegestane activiteiten en normen voor activiteiten regionaal

een gebrek aan lerend vermogen in het stelsel.

worden afgestemd of zelfs regionaal eensluidend worden vastgelegd.

Met het VTH-stelsel komt de beleids- en uitvoeringscyclus voor een deel bij verschillende organisaties te liggen. Voor de kwaliteit van de uitvoering is het van belang dat deze cycli

SPPS/TG-onderzoek 2021 De werking van de beleidscyclus van omgevingsdiensten en

goed op elkaar ingrijpen. Dit wordt bemoeilijkt door een

opdrachtgevers was geen onderdeel van het kwantitatief

grote focus op efficiency in relatie tot kostenbesparing bij

onderzoek (deel A).

omgevingsdiensten en door gebrek aan sturing op collectief opdracht-geverschap. Daar is ruimte voor optimalisatie. Wij zien spanning tussen de collectieve uitvoering van VTHtaken versus de regelmatig individuele invulling van het opdrachtgever- en eigenaarschap van de omgevingsdiensten. Dit leidt in wisselende mate tot gefragmenteerde opdrachten aan de omgevingsdiensten en afwijkende verwachtingen van de dienstverlening van de diensten, benodigde budgetten etc. Omgevingsdiensten en deelnemers in de GR ervaren een spanning tussen onafhankelijkheid en betrokkenheid. Wij zien die spanning niet. Het gaat er juist om de balans tussen deze twee principes te bewaren. De kern ligt in het optimaliseren van de aansluiting tussen de beleids- en uitvoeringscyclus.

38

10.3 Verordening kwaliteit en informeren gemeenteraden en Provinciale Staten Volgens de Wabo/het Bor moeten gemeenteraden en Provinciale Staten regels stellen aan de kwaliteit van

een omgevingsdienst en moet dit worden vastgelegd in een verordening. Gemeenteraden en Provinciale Staten moeten worden geïnformeerd over het uitvoerings- en handhavingsbeleid, het uitvoeringsprogramma en de

rapportage (artikelen 7.2, 7.3 en 7.7). Overigens moeten

gemeenten en provincies ook voldoen aan de kwaliteitseisen voor het uitvoeren van de zogenaamde achtergebleven taken.

Onderzoek Berenschot 2017

SPPS/TG-onderzoek 2021 Uit de eerdere onderzoeken blijkt dat de informatieplicht

De kwaliteit van het stelsel dient op het niveau van gemeenten

richting Provinciale Staten en gemeenteraden niet tot de

en provincies geborgd te worden door de reguliere horizontale

gewenste borging leidt. Het in dit rapport voorgestelde

verantwoording. Het VTH-beleid heeft echter in de regel een

instrument van wederzijdse visitatie, als doorontwikkeling

lage prioriteit bij gemeenteraden en Provinciale Staten. Het

op de collegiale toets, is in de ogen van SPPS/TG een

interbestuurlijke toezicht staat op afstand en vult het hiaat niet.

goede methode om kwaliteit te borgen en continue

Beide vormen van toezicht spelen daarmee geen wezenlijke rol

kwaliteitsverbetering te stimuleren (zie hoofdstuk 15).

in de kwaliteitsborging.

Dit werkt twee kanten op: zowel richting de staten en de gemeenteraden als richting de stelselverantwoordelijk bewindspersoon.

Onderzoek Berenschot 2019

Uit de aangeleverde gegevens blijkt dat bij 3 van

Borging door horizontale verantwoording is weliswaar een

de 29 omgevingsdiensten niet alle deelnemers de

gegeven maar blijft een zwakke plek in het stelsel. In geval

verordening hebben vastgesteld. 7 omgevingsdiensten

van incidenten krijgt de uitvoering van de VTH-taken veel

hebben de kwaliteitscriteria 2.1 laten vaststellen en 17

aandacht, maar structureel heeft dit dossier weinig prioriteit.

omgevingsdiensten hebben de kwaliteitscriteria 2.2 laten

Hoewel er diverse initiatieven zijn die hier verandering in

vaststellen. Van de resterende 5 omgevingsdiensten is deze

moeten brengen, zal de horizontale verantwoording - zo

informatie niet bekend.

is onze verwachting - een relatief zwak instrument blijven. Naast versteviging van horizontale verantwoording is er ruimte voor optimalisatie door alternatieve instrumenten voor kwaliteitsborging te ontwikkelen, zoals de recentelijk geïntroduceerde collegiale toets.

Adviescommissie VTH 2021 Het interbestuurlijk toezicht op een behoorlijke en rechtmatige uitvoering van medebewindstaken zoals VTH is over de gehele linie zwak ontwikkeld; de meest in het oog springende lacune is het geheel ontbreken van (extern) toezicht op het functioneren van de omgevingsdiensten: het toezichtsgat. Het interbestuurlijk toezicht functioneert onvoldoende om de noodzakelijke checks en balances te garanderen.

39

10.4 Basistakenpakket en BRZO Artikel 5.3 van de Wabo stelt dat bij algemene maatregel

van bestuur taken aangewezen worden die in ieder geval in het verband van een omgevingsdienst worden uitgevoerd. Taken met betrekking tot categorieën inrichtingen:

a. Waarvoor ingevolge artikel 8.40 van de Wet milieubeheer regels zijn gesteld in verband met de beheersing van

gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken

b. Op basis van artikel 7.1 Wabo, derde lid, zijn in bijlage V zes omgevingsdiensten aangewezen die de basistaken, zoals opgenomen in bijlage IV, zullen uitoefenen ten

aanzien van Brzo-inrichtingen en inrichtingen waarin zich een RIE 4-installatie bevindt.

Onderzoek Berenschot 2017

SPPS/TG-onderzoek 2021 Uit de cijfers blijkt dat, met uitzondering van zeven

De discussie over de doormandatering van de BRZO–taken

omgevingsdiensten, alle deelnemers het BTP aan de

is illustratief voor de doorontwikkeling van het stelsel. De

omgevingsdiensten hebben overgedragen. De BRZO-

huidige situatie is vanuit het bottom-up proces ontstaan, maar

taken zijn in alle gevallen overgedragen aan de zes BRZO-

is volgens het ministerie niet wenselijk en na inwerkingtreding

omgevingsdiensten.

van de AMvB VTH in strijd met de wet.

Gemiddeld bestaat de begroting van de

omgevingsdiensten voor iets meer dan 50% uit de

uitvoering van het BTP. De spreiding is echter groot en

Onderzoek Berenschot 2019

varieert van circa 20% tot meer dan 90%. Dit kan ten dele worden verklaard uit de ontstaansgeschiedenis van de

betreffende omgevingsdienst, maar ook uit het bestuurlijk

Adviescommissie VTH 2021

vertrouwen dat in de omgevingsdienst bij de oprichting is

Voor bedrijven die onder de BRZO-omgevingsdiensten

gesteld en de mate waarin gemeenten uit eigen wil voor de

vallen, acht de commissie het wenselijk dat er, om het gelijke

omgevingsdienstconstructie hebben kunnen kiezen.

speelveld te bewaren, op landelijk niveau afspraken worden gemaakt over de beoordeling van deze activiteiten

40

10.5 Voldoende financiële middelen voor uitvoering en kennisontwikkeling In het Bor artikel 7.5 staat dat voor de uitvoering van de

uitvoeringsprogramma’s voldoende financiële en personele

middelen beschikbaar moeten zijn en dat deze middelen zo nodig worden aangevuld of de uitvoeringsprogramma’s zo nodig worden aangepast.

Artikel 7.5. Borging van middelen

Adviescommissie VTH 2021

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, eerste en tweede

Ook nu al vragen bedrijven om een overheid die niet alleen

lid, dragen er zorg voor dat:

per activiteit een beoordeling geeft, maar ook de keten als totaal beschouwt. De huidige wijze van financieren van de

a. de voor het bereiken van de krachtens die leden gestelde

omgevingsdiensten is hier onvoldoende op toegesneden.

doelen en de voor het uitvoeren van de daarin bedoelde activiteiten benodigde en beschikbare financiële en

Voor het vergroten van de robuustheid van de

personele middelen inzichtelijk worden gemaakt en in de

omgevingsdiensten vindt de commissie dat de bewindspersoon

begroting van de desbetreffende rechtspersonen en van de

een landelijke norm voor de financiering moet ontwikkelen, op

omgevingsdienst worden gewaarborgd;

basis van het aantal en de complexiteit van de inrichtingen dat de omgevingsdienst bedient.

b. de wijze van berekening van de benodigde financiële en personele middelen, bedoeld onder a, inzichtelijk wordt

Er moet een ondergrens worden vastgesteld voor de omvang

gemaakt;

van een omgevingsdienst (kwalitatieve en kwantitatieve capaciteit) op basis van het aantal inrichtingen met

c. v oor de uitvoering van de uitvoeringsprogramma’s,

milieubelastende activiteiten (per categorie). Om deze norm te

bedoeld in artikel 7.3, eerste en derde lid, voldoende

kunnen vaststellen is een kort aanvullend onderzoek nodig.

financiële en personele middelen beschikbaar zijn en dat deze middelen zo nodig worden aangevuld of de uitvoeringsprogramma’s zo nodig worden aangepast.

SPPS/TG-onderzoek 2021 De financiering per omgevingsdienst verschilt sterk. De

bijdrage per inwoner varieert van € 6 tot € 41 en per inrichting

Onderzoek Berenschot 2017

van € 261 tot € 2.683. Uiteraard verschilt het werkpakket

De omgevingsdiensten hebben sluitende begrotingen, maar

per regio, maar verschillen ontstaan ook door verschillen in

weinig weerstandsvermogen. Dat laatste is een bewuste

inspectiefrequentie (10-67% inspecties ten opzichte van het

keuze van gemeenten en provincies. De omslag van input-

aantal inrichtingen) en actualisatie van vergunningen.

naar outputfinanciering is in volle gang. Wij kwalificeren de

SPPS heeft vooronderzoek gedaan naar een mogelijke

omgevingsdiensten dan ook als voldoende financieel gezond.

nieuwe financieringssystematiek die aansluit bij de

aanbevelingen van de Adviescommissie VTH. Een voorstel voor een landelijk uniformere financieringssystematiek is

Onderzoek Berenschot 2019

uitgewerkt in hoofdstuk 13.

Er wordt echter ook geconstateerd dat bij medewerkers

Daarnaast is in hoofdstuk 14 van dit rapport een voorstel

van omgevingsdiensten competenties als bestuurlijke

opgenomen voor de definitie van een bepaalde ‘ondergrens’

sensitiviteit en redeneren vanuit maatschappelijke opgaven,

voor de omvang van een omgevingsdienst.

ondervertegenwoordigd zijn. Omgevingsdiensten willen/kunnen hiervoor niet altijd budget ter beschikking stellen. In aanvulling hierop constateren wij dat er geen mechanisme is voor het accommoderen van nieuwe ontwikkelingen.

41

Uit de aangeleverde data blijkt, voor wat betreft de

investeringen in kennis en ontwikkeling, het volgende. Aantal

% loonsom

omgevingsdiensten A. kennisontwikkeling

Vast bedrag per

Vast budget

Geen budget/onduidelijk

7 OD’s, varieert van €

10 OD’s, varieert van

1 OD geen en 2

1.000 tot € 2.700

€ 49.000 en € 407.000,

onduidelijk

medewerker 9 OD’s, circa 2%

gemiddeld € 212.000 per OD Totaal kennisontwikkeling

€ 3,8 miljoen, variërend van € 0 tot € 407.000 totaal per omgevingsdienst

Per medewerker

€ 850

gemiddeld Aantal

Structureel budget

Incidenteel budget

Geen budget

Onduidelijk

B. Innovatie en

10 OD’s, varieert van €

3 OD’s, varieert van €

13 OD’s

3 OD’s

ontwikkeling

103.000 tot € 825.000

400.000 tot € 2,5 miljoen

omgevingsdiensten

Een conclusie die op basis van deze cijfers getrokken kan

worden is dat er een groot verschil is tussen de beschikbare budgetten voor kennis en ontwikkeling. Ook hier geldt dat dit met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd moet

worden. Zo is het denkbaar dat een omgevingsdienst een intern opleidingsprogramma heeft vanuit het principe

‘meester-gezel’ of dat er bijvoorbeeld veel ruimte is voor zelfstudie. Voorgesteld wordt de achtergrond van deze verschillen nader te onderzoeken.

42

10.6 Informatie uitwisseling De verplichting tot het delen van informatie is in de wet

verankerd (Wabo, artikel 5:8, Bor artikel 7.8). Er is op landelijk niveau niet voorgeschreven hóe aan deze verplichting

N=9 31%

voldaan moet worden. In het Bestuurlijk omgevingsberaad is echter de afspraak gemaakt dat alle omgevingsdiensten aangesloten moet zijn bij Inspectieview.

Het permanent delen van toezichtsinformatie per inrichting tussen alle betrokken instanties, is een noodzakelijke voorwaarde voor het opbouwen van een adequate

informatiepositie en daarmee voor een effectieve en

N=20 69%

efficiënte uitoefening van toezicht en handhaving en

samenwerking tussen de bestuurs- en strafrechtketen.

Onderzoek Berenschot 2017 Het permanent delen van toezichtsinformatie per inrichting tussen alle betrokken instanties is een noodzakelijke

Ja

voorwaarde voor het opbouwen van een adequate

Nee, gepland

Figuur 27. Aantal en percentage bij Inspectieview aangesloten omgevingsdiensten

informatiepositie en daarmee voor een effectieve en efficiënte uitoefening van toezicht en handhaving en samenwerking tussen de bestuurs- en strafrechtketen. Het heeft de aandacht van de OD’s; slechts 2 OD’s zijn er niet

SPPS/TG-onderzoek 2021 Van alle omgevingsdiensten is 69% aangesloten bij

actief mee bezig.

Inspectieview (zie figuur 28). 31% van de diensten

(negen omgevingsdiensten) is nog niet aangesloten op

Inspectieview, maar heeft dit wel gepland. Het delen van

Onderzoek Berenschot 2019

inspectieresultaten is een onderdeel van het uitwisselen van informatie. Maar er is meer nodig, hetgeen de komende

jaren meer aandacht zal moeten krijgen. Een datastrategie

Adviescommissie VTH 2021

met het oog op informatie-uitwisseling zou daarbij kunnen

De commissie concludeert dat de informatie-uitwisseling

helpen. Een voorbeeld is het eenduidig definiëren van data

niet op het vereiste niveau is om bij te dragen aan de

en het digitaal ontsluiten daarvan. Er zijn door verschillende

kwaliteit van VTH. Ook de afstemming tussen strafrecht-

stakeholders diverse initiatieven gestart op dit vlak (IPO-

en bestuursrechtketen komt hierdoor in de knel. Dat er,

project Altijd Actuele Digitale Vergunning (AADV), IenW-

jaren na de vastlegging van een wettelijke verplichting tot

project Beter Ontsluiten van Milieuvergunningen).

informatiedelen, nog steeds omgevingsdiensten zijn die niet kunnen aantonen hoe zij daaraan gevolg geven, is niet acceptabel. Alle omgevingsdiensten, maar ook de waterschappen, politie en de ILT, dienen aangesloten te zijn op Inspectieview Milieu.

43

10.7 Uniform uitvoerings-en handhavingsbeleid/ toepassen Landelijke Handhavingsstrategie

10.8 Beleids- en uitvoeringscyclus

Bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst

Onderzoek Berenschot 2017

één uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid voor de

omgevingsdienst om inbreng te vragen bij het formuleren van

moeten conform artikel 7.2 van het Bor ‘zorgdragen’ voor

Verbind de beleids- en de uitvoeringcycli door de

omgevingsdienst. Een omgevingsdienst dient, zeker waar

beleidsdoelen, uitwerken van het beleid etc.

het toezicht en handhaving betreft, te functioneren in

relatieve onafhankelijkheid, op afstand van de uiteindelijk bevoegde bestuursorganen.

Onderzoek Berenschot 2019 Op basis van hun ervaringen geven we provincies, gemeenten en omgevingsdiensten in overweging:

Onderzoek Berenschot 2017

• Samen het optimum te zoeken tussen verbinding en onafhankelijkheid • Gezamenlijk afspraken maken over de wijze waarop de

Onderzoek Berenschot 2019

beleids- en uitvoerings-cyclus worden verbonden, met

Omgevingsdiensten en de deelnemers in de GR ervaren een

daarbij aandacht voor de informatiepositie van het Rijk

spanning tussen onafhankelijkheid en betrokkenheid. Wij zien die spanning niet. Het gaat er juist om de balans tussen deze twee principes te bewaren. De kern ligt in het optimaliseren

Adviescommissie VTH 2021

van de aansluiting tussen de beleids- en uitvoeringscyclus.

De ‘uitvoering’ moet gelijkwaardige partner voor ‘het beleid’ zijn. Het gaat hierbij om de aansluiting tussen beleid en uitvoering. Voor het level playing field tussen bedrijven is het

Adviescommissie VTH 2021

noodzakelijk dat de toegestane activiteiten en normen voor

Eén uitvoerings- en handhavingsbeleid, en één

activiteiten regionaal worden afgestemd of zelfs regionaal

uitvoeringsprogramma per regio.

eensluidend worden vastgelegd.

De directeur van de omgevingsdienst bereidt voor de gehele regio één risicoanalyse en uitvoerings- en handhavingsbeleid

SPPS/TG-onderzoek 2021 Over dit onderwerp zijn geen kwantitatieve gegevens

voor. De directeur maakt tot slot jaarlijks een onderzoek van de

beschikbaar. Dit kan in de data-uitvraag van 2022 aan de

uitvoering, als input voor het nieuwe jaarprogramma.

orde komen.

Op die manier wordt de cyclus van uitvoering en onderzoek (§ 7.2 van het Bor), op regionaal niveau doorlopen.

SPPS/TG-onderzoek 2021 De mate waarin er sprake is van één uitvoerings-en

handhavingsbeleid per regio is niet uit de aangeleverde

cijfers te herleiden en kan in het onderzoek 2023 mogelijk aan de orde komen. Uit de cijfers blijkt wel dat voor wat betreft handhaving, de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) op één omgevingsdienst na, wordt gevolgd (één andere omgevingsdienst is niet duidelijk). Bijna alle omgevingsdiensten beschikken over een regionale

risicoanalyse (26 van de 29), maar die wordt niet bij alle omgevingsdiensten in de uitvoering toegepast.

44

10.9 Interbestuurlijk toezicht (IBT)

10.10 Strafrechtelijke handhaving De afspraken die door de bestuursorganen onderling en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke

Onderzoek Berenschot 2017

handhaving zijn gemaakt, over de samenwerking bij en de

Het interbestuurlijk toezicht wordt conform de wettelijke

afstemming van de werkzaamheden, zijn vastgelegd in het

kaders op dit gebied terughoudend ingevuld en is sterk

Bor, artikel 7.2, lid 7a.

administratief van karakter.

Onderzoek Berenschot 2019

Onderzoek Berenschot 2017

• Breng de wijze waarop IBT gestalte krijgt in de provincies in kaart, analyseer het en trek daaruit lessen voor andere provincies

Onderzoek Berenschot 2019

• Ondersteun gemeenten via de coördinatierol bij het uitvoeren van de VTH-taken • eem bij de uitvoering van IBT ook de gevolgen mee voor de

Adviescommissie VTH 2021

GR (bijvoorbeeld t.a.v. het inbrengen van taken)

De commissie vindt het wenselijk de capaciteit te vergroten voor opsporing, vervolging en berechting, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Adviescommissie VTH 2021

Zorgdragen voor BOA’s bij alle omgevingsdiensten en het

Inrichten Rijkstoezicht op omgevingsdiensten. De commissie

opleiden en trainen van de BOA’s van de omgevingsdiensten

vindt het wenselijk dat dit gedaan wordt door de ILT. Als

in het herkennen en verwerken van signalen van

het IBT zo is ingericht, heeft de bewindspersoon meer

milieucriminaliteit.

mogelijkheden om binnen het stelsel bij te sturen als lokaal en regionaal bestuur zijn wettelijke taak veronachtzaamd.

SPPS/TG-onderzoek 2021 Het aantal BOA’s per omgevingsdienst verschilt sterk,

zowel in absolute zin en als in percentage van de formatie.

SPPS/TG-onderzoek 2021 Over dit onderwerp zijn geen kwantitatieve gegevens

Omgevingsdiensten met minder dan drie BOA’s voldoen

beschikbaar. Het vraagstuk van IBT kan in het onderzoek van

mogelijk niet aan de kwaliteitscriteria.

2023 (over 2022) aan de orde komen.

45

10.11 Andere rollen voor verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden Onderzoek Berenschot 2017

SPPS/TG-onderzoek 2021 De door de Adviescommissie VTH voorgestelde stresstest is opgenomen hoofdstuk 15 dat een voorstel bevat omtrent visitatie.

Onderzoek Berenschot 2019

Voor wat betreft de rol van omgevingsdiensten voor het

Naast versteviging van horizontale verantwoording is er

uitvoeren van de uitvoeringstoets omgevingsplannen

ruimte voor optimalisatie door alternatieve instrumenten

blijkt dat slechts vijf omgevingsdiensten voor meer

voor kwaliteitsborging te ontwikkelen, zoals de recent

dan 60% alleen het BTP uitvoeren. De resterende 24

geïntroduceerde collegiale toets.

omgevingsdiensten voeren al voor een aanzienlijk deel andere activiteiten uit dan uit het BTP. Dit geeft een

goede basis voor de door de Adviescommissie gewenste

Adviescommissie VTH 2021

betrokkenheid van de omgevingsdiensten bij onder andere

Inrichten Rijkstoezicht op omgevingsdiensten. De

de totstandkoming van omgevingsplannen.

commissie stelt voor het Rijkstoezicht uit te breiden tot de omgevingsdiensten. Dit staat weliswaar haaks op een van de uitgangspunten van de Wet revitalisering generiek toezicht: het nabijheidsprincipe, maar op dit principe zijn al andere Uitzonderingen gemaakt, bijvoorbeeld voor de woningcorporaties. V.w.b. het wettelijke tweejaarlijkse onderzoek adviseert de commissie dat dit onderzoek de vorm dient te krijgen van een tweejaarlijkse stresstest van de omgevingsdiensten, uit te voeren door de ILT. De centrale vraag van de stresstest dient te zijn: is de omgevingsdienst in staat opgedragen taken naar behoren uit te voeren, gelet op de kwaliteit van de bemensing, de werkwijzen, het feitelijk optreden en de uitkomsten daarvan? Ook wordt geadviseerd het instrument van visitatie in te zetten. Advisering en uitvoeringstoets door omgevingsdiensten over omgevingsplannen. De commissie is van oordeel dat de omgevingsdienst een inhoudelijk advies moet geven over de milieunormering in omgevingsplannen en een uitvoeringstoets op de normering zou moeten uitvoeren.

46

11. Analyse onderscheid inrichtingen/ MBA

12. Benodigde data 2022 De verzameling van data over de omgevingsdiensten

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet

laat zien dat er behoefte is aan meer uniformiteit in de

wordt het begrip ‘inrichting’ vervangen door het

registratie van data. Wij stellen voor dat het ministerie van

begrip ‘milieubelastende activiteiten’ (MBA).

IenW het initiatief neemt om met Omgevingsdienst NL,

IPO en VNG tot eensluidende definities te komen, zodat

In de vragenlijst die bij de omgevingsdiensten is

gegevens vergeleken en opgeteld kunnen worden. Om

uitgezet, zijn hiertoe twee vragen opgenomen:

een consistent beeld te krijgen, stellen wij voor om de

• Zijn de inrichtingen in uw omgevingsdienst al

vragenlijst die voor dit onderzoek is gebruikt de komende

vertaald naar MBA uit de Omgevingswet?

jaren, in aangepaste vorm, te herhalen. De verzamelde

• Zo ja, hoeveel MBA zijn in uw werkgebied

date zijn van de omgevingsdiensten zelf en kunnen door

geïdentificeerd?

de Omgevingsdienst NL worden beheerd, zodat ook

andere analyses kunnen worden uitgevoerd. Een en ander

In figuur 28 zijn de resultaten samengevat.

is uitgewerkt in een voorstel voor de gegevenslijst (zie Bijlagenrapport 2, bijlage 1).

7%

17%

31%

45% Ja

Deels

Nee

Omzetting loopt

Figuur 28. Verdeling over de omgevingsdiensten die Inrichtingen hebben vertaald naar MBA (N = 29)

Het blijkt dat 45% van de omgevingsdiensten nog geen

start heeft gemaakt met het in kaart brengen van het aantal

MBA dan wel het omzetten van inrichtingen naar MBA. Bijna 40% van de omgevingsdiensten heeft het wel gedaan of is ermee bezig. Dat zegt nog niet dat de omgevingsdiensten onvoldoende zijn voorbereid op de overgang naar het

werken met de Omgevingswet. De omzetting van ‘inrichting’ naar ‘milieubelastende activiteiten’ kan ook ingebouwd

worden in het reguliere werk – het verlenen en ambtshalve aanpassen van vergunningen, maatwerkvoorschriften en

uitvoeren van toezicht. De vraag of de voorbereiding loopt

(en bijvoorbeeld een dergelijke werkwijze wordt gevolgd) is niet gesteld in het onderzoek.

47

Deel C. Voorbereidende onderzoeken

48

13. Advies over normfinanciering

voor omgevingsdiensten, zoals aanbevolen door de

13.1 Inleiding

integraal opgenomen Bijlagenrapport 1 (bijlage X).

Adviescommissie VTH. Deze voorbereidende verkenning is

Eén van de aanbevelingen van de Adviescommissie VTH heeft betrekking op het uitvoeren van een onderzoek

13.2 Advies

gewijzigd naar een meer landelijke normfinanciering. Dit

gemaakt tussen budgetteren (de inkomstenkant),

of de financiering van omgevingsdiensten kan worden

SPPS/TG heeft bij de uitgevoerde verkenning een onderscheid

hoofdstuk bevat het door het ministerie van IenW aan SPPS/

programmeren (wat gebeurt er met dat geld) en afrekenen. Uit de verkenning is gebleken dat de financiering van

TG gevraagde advies over landelijke normfinanciering van

omgevingsdiensten een ontwikkeling doormaakt die in de

omgevingsdiensten.

onderstaande tabel is samengevat. Conclusie is dat de wijze

Om tot dit advies te komen is een voorbereidende verkenning

van financiering van de omgevingsdiensten langzaam maar

uitgevoerd naar de bestaande vormen van financiering en

zeker beweegt van fase 1 naar fase 4.

de mogelijkheden om te komen tot een normfinanciering Fase 1 Budget

Fase 2

Fase 3

Fase 4

Start OD

Professionalisering

Risicogericht

Opgave gericht

Input op basis van historie

Regionale kengetallen

Regionale kengetallen

Regionale kengetallen en

deelnemers Programmering

Vraaggestuurd, historie

programma’s Inzet gericht op

Risicogericht programma,

Inzet gericht op

realisatie kengetallen

differentiatie inzet per

maatschappelijke doelen

per deelnemer, focus op

branche/bedrijf

wettelijke taken Afrekenen

Kosten

Uren/producten per

Uren per deelnemer

deelnemer

Uren voor de regio als geheel

SPPS/TG concludeert dat bovenstaande ontwikkeling om

een andere financieringsaanpak vraagt die bestaat uit drie onderdelen:

A. De financiering van de omgevingsdienst in onderdelen opbouwen volgens een vast, landelijk uniform en herleidbaar stramien

A. Financiering OD

borging voor financiering van de omgevingsdiensten

budget voor een omgevingsdienst een landelijk uniforme

B. Vaststellen van een landelijke minimumnorm als minimale

SPPS/TG heeft in deze verkenning voor het bepalen van een

C. Een Rijksbijdrage voor het uitvoeren van overkoepelende

systematiek uitgewerkt. Deze systematiek ziet er op

taken die van belang zijn voor het stelsel

hoofdlijnen als volgt uit.

Type product

Budgettering

Programmering

A. Vraaggestuurde producten

Planning in uren en producten

Afdoen aanvragen en actualisatieprogramma vergunningen en advies vooraf programmeren

B. Toezicht en handhaving

Kengetallen en landelijke minimum standaard

Regionaal toezicht programma op basis van risicoanalyse

C. Programma

Landelijke prioriteiten en regionale risicoanalyse

Programma op basis van maatschappelijke opgaven

D. Kennis en ontwikkeling

Via inwonerbijdrage of naar rato bijdrage deelnemers

Regionaal programma

E. Bedrijfsvoering

Basisfinanciering en/of opslag tarief naar rato

Dienstverlening

bijdrage deelnemers

49

De bovenstaande opbouw bestaat uit een combinatie van

onderfinanciering. Dat geldt met name voor toezicht en

inwoneraantal. De kern van deze systematiek is dat er een

moeten gelden voor het bepalen van de budgetten. De basis

uren en producten, kengetallen en een bijdrage op basis van

handhaving waarvoor een landelijke minimumnorm zou

scherp onderscheid, en derhalve veel minder afhankelijkheid,

is een regionaal toezichtsprogramma dat is opgesteld op basis

ontstaat tussen:

van een regionale risicoanalyse. Het is tevens essentieel dat de

• Budgetteren en programmeren

kennisontwikkeling en innovatie voldoende zijn geborgd.

• ‘Uitvoering van de taken’ en bedrijfsvoering (inclusief kennisopbouw)

C. Rijksbijdrage Een bijdrage van het Rijk voor meer overkoepelende en

De bovenstaande opbouw van de financiering betekent

nieuwe taken ligt volgens SPPS/TG voor de hand, zonder

overigens niet dat elke regio dezelfde bedragen per

daarbij in te grijpen in de diverse verantwoordelijkheden

bedrijf of inwoner hanteert, maar dat harmonisatie van de

binnen het stelsel. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling

financieringssystematiek nodig is. SPPS/TG beveelt aan deze

dat de begrotingen met een Rijksbijdrage sluitend worden

systematiek als uitgangspunt te kiezen voor het overleg met

gemaakt, dat is immers een verantwoordelijkheid van

de stakeholders over het onderwerp normfinanciering.

provincies en gemeenten. Het is te overwegen om de

SPPS/TG constateert tevens dat er voor de financiering van

Omgevingsdienst NL voor een gedeelte direct te financieren.

de omgevingsdiensten veelal gebruik wordt gemaakt van

de zogenaamde product- en dienstencatalogus (PDC). Deze

Op deze wijze ontstaat naar onze mening een robuust en

hetgeen in onze ogen efficiënter kan, bijvoorbeeld met één

VTH-onderzoek 2021 komen meer gegevens beschikbaar om

PDC’s zijn in elke omgevingsdienst zelfstandig ontwikkeld,

inzichtelijk financieringssysteem. Met de resultaten van het

PDC-format.

deze systematiek verder te toetsen en nader uit te werken.

B. Landelijke minimumnorm als minimale borging voor financiering van de omgevingsdiensten Om een minimaal uitvoeringsniveau te ‘borgen’ zorgt een landelijke minimumnorm ervoor dat omgevingsdiensten niet meer te maken kunnen krijgen met structurele

50

14. Advies over ondergrens

14.2 Omvang en taken van een omgevingsdienst

14.1 Inleiding

moeten zijn is vaker gesteld, maar deze is niet eenvoudig

De vraag wat de ondergrens voor een omgevingsdienst zou

Een van de aanbevelingen van de Adviescommissie VTH

en eenduidig te beantwoorden. SPPS/TG heeft op mede op

heeft betrekking op het vaststellen van een ondergrens voor

basis van de verzamelde data van de omgevingsdiensten (Zie

de omvang van een omgevingsdienst. Deze aanbeveling is

deel A, hoofdstuk 6 en verder) verschillende analyses gedaan.

als volgt geformuleerd.

Bijvoorbeeld op basis van het aantal en de zwaarte van

inrichtingen in combinatie met aantallen fte en kengetallen

Een ‘kritische massa’ is vereist voor omgevingsdiensten: een

voor inrichtingen. Het valt op dat de spreiding tussen de

zodanige omvang dat de organisatie in voldoende mate

omgevingsdiensten groot is. Uit de analyse van SPPS/TG

beschikt over de gespecialiseerde technische en juridische

blijkt dat er geen simpele formule is om een maat voor de

kennis die een effectieve en rechtmatige toepassing en

ondergrens van omgevingsdiensten op te stellen. De vraag

handhaving van het omgevingsrecht mogelijk maakt en de

is niet zozeer of er een absolute ondergrens in aantallen

omgevingsdienst in staat stelt sparringpartner te zijn voor

inrichtingen of fte moet zijn, maar of de omgevingsdiensten

complexe vraagstukken en advisering over de toepassing

voldoende gekwalificeerd zijn om deze taken op het vereiste

van de Omgevingswet. Er zijn nu omgevingsdiensten

inhoudelijke niveau uit te kunnen voeren.

die alleen kunnen functioneren doordat een andere

Dit onderzoek is gericht op het verzamelen en analyseren

omgevingsdienst basistaken voor hen uitvoert of die hun

van feitelijke informatie en niet op het beoordelen van de

schaal vooral te danken hebben aan plustaken. Dat vindt

inhoudelijke kwaliteit van de uitvoering. De omvang en

de commissie ongewenst. De basis moet zijn dat elke

de aanwezigheid van voldoende inhoudelijke kennis zijn

omgevingsdienst het basistakenpakket nu en in de toekomst

uiteraard belangrijke voorwaarden om inhoudelijke kwaliteit

zelf kan uitvoeren en alleen in uitzonderlijke gevallen

te kunnen leveren.

kennis elders haalt. Bovendien moet de omgevingsdienst

In de oorspronkelijke opzet voor omgevingsdiensten

voldoende robuust zijn om gebiedsgericht specialistische

was het voornemen om het werkgebied van een

kennis te kunnen opbouwen.

omgevingsdienst te laten samenvallen met het werkgebied

De commissie adviseert daarom een ondergrens vast

van een of meerdere veiligheidsregio’s. De bestaande

te stellen voor de omvang van een omgevingsdienst

praktijk kent verschillende varianten van afwijkende

(kwalitatieve en kwantitatieve capaciteit) op basis van het

situaties, die tijdelijk zijn geformaliseerd op het niveau van

aantal inrichtingen met milieubelastende activiteiten (per

de Ministeriële regeling omgevingsrecht. In de Memorie

categorie). Om deze norm te kunnen vaststellen, is een kort

van Toelichting staat het volgende daarover vermeld:

aanvullend onderzoek nodig. Dit moet onverwijld worden

‘Congruentie van schaal en werkgebied komt de afstemming

uitgevoerd. Een analyse op dit niveau vergt inzicht per

tussen de VTH-taken van de omgevingsdiensten de taken

dienst in de aantallen en categorieën bedrijven, de daarbij

van de veiligheidsregio ten goede.’ Dit is ook zo verwoord

benodigde uren voor VTH-taken en de nu feitelijk geleverde

in de Wabo (art. 5.3). In een aantal regio’s is gekozen voor

inspanning.

de vorming van meer omgevingsdiensten binnen het

werkgebied van één veiligheidsregio. Uit de verzamelde

De commissie is van mening dat onverwijld een kort

data blijkt deze omgevingsdiensten relatief klein zijn

onderzoek moet worden uitgevoerd om een norm op

en/of een klein deel van het budget besteden aan het

basis van het aantal inrichtingen (per categorie) te kunnen

basistakenpakket.

vaststellen. Hoofdstuk 14 bevat het door het ministerie van IenW aan SPPS/TG gevraagde advies over deze

ondergrens. Onderstaand wordt in de paragrafen een aantal uitgangspunten behandeld die de basis zouden kunnen vormen voor een mogelijke ondergrens.

51

14.3 Kwaliteitscriteria Naast het oorspronkelijke uitgangspunt van de wetgever

14.4 Voldoende budget voor uitvoering van taken (het werkprogramma)

omgevingsdiensten voldoen aan de kwaliteitscriteria van het

is de volgende stap de vraag of een dienst voldoende

voor congruentie met de veiligheidsregio’s, moeten

Als een omgevingsdienst voldoet aan de kwaliteitscriteria

Bor die zijn uitgewerkt in de IPO-/VNG-kwaliteitscriteria 2.2

gefinancierd wordt voor uitvoering van de basis- en de

plustaken die de deelnemers hebben belegd bij de dienst.

uit 2019. Deze criteria geven minimum eisen voor opleiding

Ons advies over financiering van de omgevingsdiensten met

en ervaring van medewerkers en een minimumniveau

minimumnormen voor de kengetallen, geeft inzicht in de

van het aantal gekwalificeerde medewerkers per taak.

vraag of een omgevingsdienst robuust gefinancierd wordt.

Afhankelijk van de taken die een omgevingsdienst uitvoert,

De spreiding in financiering van het basistakenpakket per

moet er een aantal gekwalificeerde medewerkers in

inrichting is groot. Het vaststellen van een minimumnorm

dienst zijn. Dit aspect wordt thans nader uitgewerkt in het

voor de uitvoering op bijvoorbeeld het gemiddelde niveau,

uitvoeringsprogramma VTH. De vraag of deze medewerkers

zal bij een aantal diensten leiden tot een groei van budget

ook ingehuurd kunnen zijn of formeel werkzaam kunnen

en dus omvang van het aantal fte.

zijn bij een andere overheidsorganisatie, laten wij hier buiten

Waar de basistaken nog niet zijn overgedragen, zal

beschouwing. Dit is echter wel relevant voor de vraag of er

overdracht van deze taken leiden tot groei van de diensten

sprake kan zijn van een robuuste taakuitvoering.

en deze meer robuust maken. Dat geldt ook voor de inbreng

Uit een analyse van de data blijkt dat alle

en de financiering van plustaken, zoals de uitvoering van

omgevingsdiensten een behoorlijk aantal toezichthouders

gemeentelijke BRIKS-taken en provinciale taken op het

in dienst heeft en het is aannemelijk dat voor deze taak de

gebied van de uitvoering van de Natuurbeschermingswet.

diensten kunnen voldoen aan de kwaliteitscriteria.

Een aantal diensten heeft een inrichtingenbestand met een

beperkt aantal vergunningplichtige inrichtingen. De diensten

14.5 Omgevingsdiensten en de regio

aan de kritische omvang van de kwaliteitscriteria te voldoen.

van de fysieke leefomgeving en moet deze rol met gezag

zullen daarom voor vergunningverlening moeite hebben om

De omgevingsdienst behartigt het belang van de kwaliteit

Dit kan ook aan de orde zijn bij relatief grotere diensten

kunnen waarmaken bij bedrijven en opdrachtgevers.

Een omgevingsdienst moet passen bij de bestuurlijke

die bijvoorbeeld veel plustaken en voor een gering deel het

verhoudingen en de dynamiek van economische en

basistakenpakket uitvoeren.

planologische ontwikkelingen in een regio en met

Ook voor juristen in het primaire proces zijn er diensten

autoriteit op kunnen komen voor de belangen van

die niet aan de kwaliteitscriteria voldoen. In dit onderzoek

een schone, gezonde en veilige leefomgeving. In een

hebben we niet kunnen nagaan of er voor de verschillende

omgeving waar deze kwaliteit onder druk staat, verdient

inhoudelijke disciplines, zoals lucht, geluid en externe

de omgevingsdienst een stevigere positie dan in regio’s

veiligheid, kan worden voldaan aan de kwaliteitscriteria.

waar de belangen meer in balans zijn. Een omgevingsdienst

Toetsing aan de kwaliteitscriteria is een vereiste, maar

die uitsluitend is toegerust op de uitvoering van het

leidt niet direct tot een getalsmatige omvang voor een

basistakenpakket, kan niet automatisch ook een rol spelen in

omgevingsdienst. Dit hangt af van de taken die een

alle maatschappelijke (milieu-)opgaven in de regio.

omgevingsdienst uitvoert en zal per taak moeten worden

Een aantal voorbeelden van dergelijke regionale kenmerken:

getoetst. Voor een goede uitvoering van deze taak is

• De aanwezigheid van chemische clusters

samenvoeging van omgevingsdiensten, verregaande

• De aanwezigheid van mainports, zoals nationale

samenwerking of het beleggen van deze taak bij een aantal

luchthaven (Schiphol) en haven (Rotterdam)

gespecialiseerde diensten, een overweging.

• Een grote dichtheid intensieve veehouderij • Een matige luchtkwaliteit

• Een grote ruimtelijke dynamiek • Grote natuurgebieden

52

14.6 Advies SPPS/TG adviseert het ministerie van IenW om in

samenspraak met eigenaren van omgevingsdiensten een nadere analyse uit te voeren op basis van de hierboven

behandelde uitganspunten. De omgevingsdiensten zouden per provincie een zelfevaluatie (bijvoorbeeld met behulp

van de zelfevaluatie tool), kunnen uitvoeren naar het al dan niet voldoen aan de kwaliteitscriteria aan de hand van het uitvoeringsprogramma.

Diensten die niet voldoen en niet congruent zijn aan

de gebiedsindeling van een veiligheidsregio, zouden

bij voorkeur samen moeten gaan, dan wel bestuurlijk

geborgde afspraken moeten maken over samenwerken of specialisaties waarmee wel aan de eisen kan worden voldaan.

Omgevingsdiensten die wel congruent zijn met een

veiligheidsregio en die niet voldoen aan de kwaliteitscriteria, zouden zich verder kunnen ontwikkelen door de inbreng van meer plustaken of door taken, waarvoor niet aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan, te laten uitvoeren door diensten die wel voldoen.

De uitkomst van deze aanpak kan zijn dat er een beperkt aantal gespecialiseerde diensten ontstaat die specifieke taken uitvoeren en diensten die meer algemene taken

uitvoeren, maar deze wel in de nabijheid van gemeenten

uitoefenen. Daarbij kan gedacht worden aan specialisaties op het gebied van agrarische bedrijven, afvalverwerking, havens etc.

Een kanttekening hierbij is dat een te grote focus op

een rekenkundige benadering van de kwaliteitscriteria, voorbijgaat aan de achterliggende gedachte dat

omgevingsdiensten gezaghebbend moeten kunnen

optreden naar bedrijven en opdrachtgevers. Hiervoor zijn

geen specifieke indicatoren beschikbaar maar het kan wel

onderdeel zijn van de door SPPS/TG voorgestelde visitatie voor omgevingsdiensten.

53

15. Verkenning visitatiemodel

15.2 Resultaat analyse andere visitatiesystemen en advies Uit deze analyse is gebleken dat er, naast veel

15.1 Inleiding Het eindrapport van de Adviescommissie VTH doet de

overeenkomsten, enkele verschillen tussen de gehanteerde

algemene aanbeveling om de uitvoering van de VTH-taken

visitatiemethodieken bestaan, met name met betrekking tot

beter te borgen. De commissie spreekt de voorkeur uit voor

de mate van diepgang, openbaarheid, verantwoording en

de introductie van een ‘stresstest’ voor omgevingsdiensten

wettelijke verankering van de visitaties.

die onder regie van de ILT uitgevoerd zou moeten gaan

Een belangrijk overeenkomstig kenmerk is dat de visitaties

worden. Als onderdeel van de informatie ten behoeve van

bij deze organisaties zijn gericht op het verbeteren

de stresstest, is voorgesteld om onderlinge visitatie in te

van de organisatie door middel van reflectie op het

voeren zodat omgevingsdiensten van elkaar kunnen leren.

functioneren volgens een vooraf vastgestelde en bestuurlijk

In het VTH-onderzoek van 2017 en 2019 is dit ook als

geaccordeerde aanpak. Alle betrokkenen zijn zonder

aanbeveling opgenomen.

uitzondering positief over visitatie als onderdeel van een continue verbetercyclus.

In het licht van deze aanbevelingen zijn de

omgevingsdiensten in 2017 gestart met het uitvoeren van

SPPS adviseert om een visitatiemethodiek te introduceren,

het merendeel van de omgevingsdiensten. De rapportages

afspraken over frequentie, diepgang, openbaarheid en

collegiale toetsen. Deze zijn in 2018 en 2019 uitgevoerd bij

gericht op continue verbetering, met duidelijke vastgelegde

van de individuele omgevingsdiensten zijn vertrouwelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10744483/1