2021-019770 Bijlage 22- MER-Achtergronddocumenten-deel-2-Zuid-West-380-kV-Oost
Tekst van het document
---
Zeer negatief effect
(per saldo) grote verzwakking gebiedskarakteristiek
opheffende versterking en verzwakking van de gebiedskarakteristiek
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
32/335
Effecten op kaart Op de kaarten die zijn gebruikt ter verduidelijking van de effectbeschrijving op lijnniveau worden de effecten symbolisch weergegeven. Als aanduiding op de kaart worden onderstaande symbolen gebruikt, waarbij de kleur van het symbool aangeeft of het effect positief (groen symbool) of negatief (rood symbool) is. Criterium Gebiedskarakteristiek ● of ●: Complexe situaties in de nieuwe verbinding Knikken in de verbinding en opstijgpunten kunnen leiden tot een verstoring van het
▪ of ▪:
‘ritme’ van de verbinding en leiden tot grotere zichtbaarheid van de verbinding. De mate waarin het effect optreedt, hangt onder andere af van het type landschap en bijvoorbeeld de hoeveelheid knikken. Overige effecten met betrekking tot de gebiedskarakteristiek Dit zijn de positieve (groen symbool ▪ ) of negatieve (rood symbool ▪) ‘overige’ effecten op de gebiedskarakteristiek. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een geheel nieuwe verbinding dan wel een forsere verbinding in het landschap.
Het verschil in aanduiding van beide soorten effecten op de gebiedskarakteristiek is bedoeld om een beter overzicht te krijgen van welke effecten waar precies optreden. Beide soorten effecten hebben een bepaalde invloed op de gebiedskarakteristiek. Het totaal aan effecten in een sub- of deelgebied wordt zorgvuldig tegen elkaar afgewogen om te komen tot een totaalbeoordeling. Er is hier geen sprake van een onevenwichtigheid in de score, in de zin dat complexe situaties in het tracé zwaarder meewegen dan overige effecten of andersom. 2.4.3.2 Criterium 4: Beïnvloeding samenhang tussen specifieke elementen en hun context op lijnniveau Bij dit criterium gaat het om landschapselementen zoals dorps- en stadssilhouetten, vertekenmerken, bebouwingslinten of bijzondere bosjes of lanen. Wanneer door een ingreep, zoals het bouwen van een hoogspanningsverbinding, de samenhang tussen deze elementen en het landschap wordt verstoord of landschapselementen worden aangetast is sprake van een negatief effect. Er ontstaat als het ware een ruis in het landschappelijke ‘verhaal’ van de plek. Een voorbeeld van een landschapselement op lijnniveau is een bebouwingslint. Als een bebouwingslint op korte afstand wordt gepasseerd of wordt gekruist door een hoogspanningsverbinding leidt dit tot een negatief effect.
Bij dit criterium kunnen ook positieve effecten optreden, bijvoorbeeld als door het slopen van een bestaande verbinding een verbroken samenhang wordt hersteld en 'ruis' wordt weggehaald. Voor de beoordeling van de effecten op elementen in hun landschappelijke context is in alle gevallen de lokale situatie (waar, welke elementen, welke samenhang) maatgevend voor de beoordeling.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
33/335
Tabel 2.8 Wijze van beoordeling op lijnniveau, criterium beïnvloeding elementen
Waardering effecten Omschrijving
Beïnvloeding van specifieke elementen en hun landschappelijke context op lijnniveau
+++
Zeer positief effect
(Per saldo) grote versterking van samenhangen
++
Positief effect
(Per saldo) versterking van samenhangen
+
Licht positief effect
(Per saldo) enige versterking van samenhangen
0
Neutraal effect
Geen beïnvloeding van de samenhangen van elementen of elkaar per saldo opheffende beïnvloedingen van samenhangen
-
Licht negatief effect
(Per saldo) enige verzwakking van samenhangen
--
Negatief effect
(Per saldo) verzwakking van samenhangen
---
Zeer negatief effect
(Per saldo) grote verzwakking van samenhangen
Effecten op kaart Op de kaarten die zijn gebruikt ter verduidelijking van de effectbeschrijving op lijnniveau worden de effecten symbolisch weergegeven. Hiervoor worden onderstaande symbolen gebruikt, waarbij de kleur van het symbool aangeeft of het effect positief (groen symbool) of negatief (rood symbool) is. Criterium Beïnvloeding elementen ∆ of ∆: Effecten elementen Dit symbool betreft op lijnniveau de effecten op of tussen elementen. Uitgangspunt bij de beschrijving van de effecten is een beschrijving van (landschappelijke) elementen die naar hun aard en/of historie samenhangen. Een negatief effect doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een bebouwingslint op korte afstand wordt gepasseerd of wordt gekruist door een hoogspanningsverbinding.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
34/335
2.4.4
Effecten en beoordeling op mastniveau
Figuur 2.4 Beïnvloeding van samenhang tussen specifieke elementen en hun context op mastniveau.
2.4.4.1 Criterium : Beïnvloeding van samenhang tussen specifieke elementen en hun context op mastniveau. Het plaatsen van een mast of een opstijgpunt of het graven van een kabelsleuf dichtbij waardevolle bouwhistorische objecten of historisch geografisch waardevolle elementen, zoals solitaire bomen of restanten van voormalige verdedigingswerken, kan een negatief effect hebben. Uitgangspunt is dat fysieke schade niet voorkomt, doordat hier in de tracering rekening mee gehouden is waarbij er bijvoorbeeld geen mast op een monumentaal gebouw wordt geplaatst. Wel kan het voorkomen dat een mast, opstijgpunt of kabeltracé in de nabijheid van beschermde gebouwde objecten of beschermde historisch geografisch elementen wordt geplaatst. In dergelijke gevallen wordt op basis van de bekende mastposities, kabeltracés of opstijgpunten het effect op de bouwhistorisch en historisch geografische waarden beschreven. De betreffende locaties worden op kaart ingetekend op basis waarvan de effecten worden beschreven. Dit gebeurt kwalitatief waarbij aandacht wordt besteed aan de samenhang tussen elementen en hun context.
2.5
Wat wordt bij een ander thema onderzocht en wat wordt niet onderzocht
In totaal worden er voor zes verschillende milieuthema’s effecten in het MER onderzocht, namelijk:
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
35/335
•
Landschap en cultuurhistorie
• • •
Bodem en water Ecologie Leefomgeving
• •
Archeologie Ruimtegebruik
Tussen de verschillende milieuthema’s kan overlap voorkomen. In een aantal gevallen wordt eenzelfde criterium bij meerdere thema’s behandeld, maar vanuit verschillende invalshoeken. In andere gevallen kan een onderwerp onderdeel zijn van meerdere thema’s. In dat geval is bepaald bij welk thema het onderzoek wordt uitgevoerd. In onderstaande tabel staan de onderwerpen met mogelijke overlap en wordt toegelicht hoe hiermee is omgegaan. Het thema Landschap & Cultuurhistorie heeft een duidelijke relatie met de thema’s Archeologie, Ecologie en Bodem & Water. Het thema Archeologie is in dit MER geen onderdeel van het achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie. Hier is voor gekozen omdat Landschap & Cultuurhistorie over het algemeen een bovengronds thema is en Archeologie een ondergronds. Bovendien is er op Archeologie specifieke regelgeving van toepassing en wordt een specifieke onderzoeksmethodiek gehanteerd. Dit neemt niet weg dat bepaalde landschapselementen voor beide thema’s relevant zijn. De kwalitatieve beoordeling van de ruimtelijke/landschappelijke aspecten van elementen met een archeologische betekenis, worden in de effectbeoordeling van Landschap & Cultuurhistorie meegenomen. De archeologische aspecten en de effecten daarop van de nieuwe verbinding worden uiteraard wel in de effectbeoordeling van Archeologie meegenomen.
Daarnaast is er een relatie tussen Landschap en Ecologie. De autonome ontwikkelingen met betrekking tot natuurontwikkeling (NNN en vastgestelde ecologische verbindingszones) worden bij de beschrijving van de huidige situatie kort genoemd voor zover ze relevant zijn voor de landschappelijke gebiedskarakteristiek. Ze komen in het Achtergrondrapport Ecologie uitgebreider aan de orde. Ten slotte is er een overlap met Bodem & Water. Aardkundige waarden worden behandeld bij Bodem & Water.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
36/335
Tabel 2.9 Overlap milieuthema’s
Onderwerp
Wordt behandeld bij
Overlap met
Toelichting
Aardkundige
Bodem & Water
Landschap &
Ondergrondse aardkundige waarden worden behandeld
waarden
Cultuurhistorie bij Bodem & Water. Bovengrondse aardkundige waarden zijn beschreven bij Landschap & Cultuurhistorie
Wierden
Landschap & Cultuurhistorie
Archeologie
De landschappelijke aspecten worden behandeld bij Landschap & Cultuurhistorie, evenals bijvoorbeeld een monumentale boerderij op een wierde. De archeologische aspecten van deze elementen komen aan bod bij Archeologie.
Nationaal Natuur
Ecologie
Ruimtegebruik Onderzoek naar NNN en Natura2000-gebieden staan
Netwerk (NNN) en
beschreven bij Ecologie. Bij Ruimtegebruik worden de
Natura 2000
huidige situatie en autonome ontwikkeling beknopt
gebieden
beschreven.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
37/335
3 Beschrijving huidige situatie en autonome ontwikkelingen 3.1
Inleiding
In het MER zetten we de effecten van de alternatieven af tegen de referentiesituatie: de huidige situatie + ‘autonome ontwikkelingen’ in de komende periode. Voor het ruimtelijk besluit voor de 380kV-verbinding ZWO kijken we 10 jaar vooruit, na de beoogde vaststelling van het Inpassingsplan. Het referentiejaar is daarom 2030. Het hoofdstuk is als volgt opgebouwd; paragraaf 3.2 beschrijft de criteria aan de hand waarvan de huidige situatie en autonome ontwikkeling in beeld is gebracht. In de derde paragraaf wordt het landschappelijke hoofdpatroon (tracéniveau) beschreven. De vierde paragraaf gaat in op de gebiedskarakteristieken en in de vijfde paragraaf wordt ingegaan op de specifieke elementen op lijn- en mastniveau. In de beschrijving van de huidige situatie en autonome ontwikkeling wordt het landschappelijk hoofdpatroon (tracéniveau) op de schaal van het gehele zoekgebied beschreven. De beschrijving van de gebiedskarakteristiek en de daarmee samenhangende elementen (lijnniveau) vindt plaats op het niveau van subgebieden (zie ook toelichting in hoofdstuk 2). Dit geldt ook voor de beschrijving van de specifieke elementen zoals die op mastniveau worden beschouwd.
3.2
Methodiek en analysecriteria
Met behulp van een aantal analysecriteria is de huidige situatie voor het thema landschap en cultuurhistorie in beeld gebracht. Op basis van deze analysecriteria is het landschap geanalyseerd en aan de hand van deze criteria is ook gekeken wat de relevante autonome ontwikkelingen zijn. De analysecriteria staan in tabel 3.1.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
38/335
Tabel 3.1 Analysecriteria Analysecriteria
Tracéniveau
Lijnniveau
Mastniveau
Landgebruik
•
Agrarisch
•
n.v.t.
•
Natuur
•
Stedelijk
•
Water
•
Reliëf
•
•
Bosgebieden
•
Houtsingelstructuren
•
Laanbeplanting
•
Parken
•
Kavelbeplanting
•
Kleine
Akkers, grasland, kassen
•
Natuurlijk groen, recreatief groen Natuurlijk water, ‘cultuurwater’
Beplanting
landschapselementen Open versus dicht
Ontginningsvorm
Monumenten
•
Open
•
Open
•
Dicht
•
Dicht
•
Half open
•
Half open
•
Heideontginningen
•
Verkavelingspatroon
•
Veenontginningen
•
Nederzettingsvorm,
concentratie van
•
Duinontginningen
occupatiepatroon
elementen
•
Polders
n.v.t.
• •
n.v.t.
•
Dichtheid /
Dijken Beschermde stads- en •
Monumentale
dorpsgezichten
objecten •
Overige cultuurhistorisch waardevolle objecten en elementen
Infrastructuur
Indien ruimtelijk bepalend:
•
Hoofdvaarwegen
•
Hoofdvaarwegen
•
Rijkswegen
•
Rijkswegen
•
Spoorwegen
•
Spoorwegen
•
Leidingstraat
•
Leidingstraat
•
Bestaande tracés
•
n.v.t.
(hoogspanning)
Bestaande tracés (hoogspanning)
Landmarks
•
Markante
•
landschappelijke overgangen
Silhouetten van
n.v.t.
dorpen of steden •
Landmarks (kerktorens, watertorens, markante gebouwen etc.)
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
39/335
3.3
Landschappelijk hoofdpatroon (tracéniveau)
Het landschappelijk hoofdpatroon van het studiegebied is te verdelen in twee gebieden: • Het Zeeuwse zeekleigebied • Het Noord - Brabantse zand- en kleigebied Het Zeeuwse kleigebied Alle tracéalternatieven beginnen in Rilland. De subgebieden Rilland en Oosterschelde vallen deels onder het Zeeuwse zeekleigebied, dat vooral bestaat uit oude en jonge zeekleipolders: het zogenaamde oud- en nieuwland. In het vroeg bewoonde oudland wisselen hogere kreekruggen en poelgebieden elkaar af. De vanaf de 13e eeuw bedijkte nieuwlandpolders kennen een veel uniformere opbouw. Beide typen zijn, ondanks naoorlogse ruilverkavelingen, nog goed herkenbaar in het landschap. Het Noord - Brabantse zand- en kleigebied Het grootste deel van het studiegebied, van Bergen op Zoom tot Tilburg, ligt in het NoordBrabantse zand- en kleigebied. Figuur 3.1 geeft het landschappelijk hoofdpatroon weer van het Brabantse zand- en kleigebied. Deze kaart is tevens te vinden in de kaartbijlage. Het zeekleigebied van westelijk Noord-Brabant is een open agrarisch gebied, opgedeeld in verschillende kleinere en grotere polders begrensd door polderdijken. Het overgangsgebied van zand naar klei heeft eveneens een open agrarisch karakter, afgewisseld met bosschages. De zandgebieden bestaan uit een half open landschap van bosgebieden afgewisseld met agrarisch gebied.
Grotere bos- en heidegebieden zijn te vinden op de Brabantse Wal, bij Breda en ten noorden van Tilburg.
De grote woonkernen in het gebied zijn gevestigd op de overgang van zand naar klei. Voorbeelden zijn Breda, Etten-Leur en Roosendaal, die samen een stedenband vormen. In het overgangs- en zeekleigebied ligt verspreid een aantal kleinere kernen. Het hoofdpatroon ten noorden van het gebied wordt gevormd door het Hollandsch Diep, de Amer en de Biesbosch. Aan het Hollandsch Diep is het industriegebied Moerdijk gelegen. Tussen Oosterhout en Geertruidenberg is de industriële zone langs het Wilhelminakanaal gelegen.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
40/335
Figuur 3.1 Landschappelijke hoofdpatroon Zand- en kleigebied
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
41/335
Het zandgebied ligt duidelijk hoger dan het kleigebied. In het westelijk deel zijn deze hoogteverschillen duidelijk zichtbaar. Hier bestaat de overgang tussen zand en klei uit een steilrand 3. Deze steilrand slingert van Ossendrecht langs Hoogerheide, Woensdrecht, Bergen op Zoom en Halsteren tot Steenbergen. De steilrand bereikt hoogten van ongeveer 20 meter boven NAP. Het gebied ten oosten van de steilrand is de Brabantse wal, een bebost gebied.
Brabantse wal
Figuur 3.2 Hoogteverschillen Brabantse Wal (www.ahn.nl)
Het Noord-Brabantse zeekleigebied bestaat uit jonge zeekleipolders. Op de overgang van de Brabantse zand- naar de kleigronden zijn verschillende kleinere veenontginningen gelegen. Het zandlandschap bestaat uit kampontginningen (met plaatselijk essen), heide- en bosontginningen en het turfwinningslandschap (het inmiddels afgegraven veen was hier gelegen op zand, dit in tegenstelling tot het veenontginningenlandschap dat op klei is gelegen). Het gebied wordt doorsneden door verschillende rijkswegen. De A4, A27, A17 en A16 zijn noord-zuid gericht. De A58 en A59 doorkruisen het gebied van west naar oost. Door het gebied lopen meerdere spoorwegen: de Hogesnelheidslijn (HSL), Spoorlijn Antwerpen - Lage Zwaluwe (gebundeld aan de A16), Roosendaal - Breda - Eindhoven en Tilburg - Nijmegen.
3
Een steilrand is in de geomorfologie een abrupt hoogteverschil, wat kan variëren van enkele meters tot vele meters
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
42/335
De belangrijkste watergangen zijn de Mark en het Wilhelminakanaal (Markkanaal en Amertak). De Mark (in het westelijk deel Dintel genoemd) loopt van Dintelmond aan het Volkerak naar Breda. Van Breda naar Oosterhout is het Markkanaal gelegen (deels ook Roosendaalse Vliet genoemd). Het Wilhelminakanaal loopt van de Bergsche Maas via Oosterhout richting Tilburg en verder. De buisleidingstraat Rotterdam-Antwerpen is zichtbaar in het gebied als gevolg van de bebouwingsvrije zone die via de Brabantse Wal richting Oud Gastel loopt. De bestaande 380kV-hoogspanningsverbinding loopt vanuit Zeeland via de Oesterdam langs Bergen op Zoom en vanaf Halsteren in een rechte lijn door open agrarisch gebied richting het noordoosten (zie ook figuur 3.1 en 3.3). Ter plaatse van Oud Halsteren buigt de verbinding af en loopt parallel aan de A17 richting het noorden. Van dit punt loopt de verbinding eveneens parallel op met de 150kV-verbinding uit Roosendaal. Beide buigen bij Zevenbergen af en lopen gebundeld door het open zeekleilandschap richting Geertruidenberg. De hoogspanningsverbindingen met een bovenregionale functie vormen op een andere manier onderdeel van het landschappelijk hoofdpatroon dan de snelwegen.
Waar de snelwegen grotendeels plat (tweedimensionaal) zijn, gaan de hoogspanningsverbindingen de hoogte in en vormen op een driedimensionale manier onderdeel van het landschappelijk hoofdpatroon. De 150kV-verbinding loopt vanuit Zeeland over de beboste Brabantse Wal en parallel aan de buisleidingstraat en de A58 richting het noorden en buigt vervolgens af richting het hoogspanningsstation nabij Roosendaal (zie ook figuur 3.1 en 3.3). Vanaf dit hoogspanningsstation loopt eveneens een 150kV-hoogspanningsverbinding richting Breda en vervolgens, via de bebouwde kom van Breda, naar Geertruidenberg. Vanaf Geertruidenberg loopt in een rechte lijn door het open landschap een 150kV- en 380kV-verbinding richting Tilburg. In het open gebied ten oosten van Dongen kent de 380kV-verbinding een aantal knikken. De 150kV loopt in een rechte lijn naar de noordrand van Tilburg (station Tilburg West) en loopt vandaar richting het oosten.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
43/335
Figuur 3.3 Het landschappelijk hoofdpatroon in verschillende lagen: Geomorfologie Vereenvoudigde geomorfologische kaart met duidelijke samenhang tussen de verstedelijking en de overgang tussen het lagere kleigebied (blauw) en het hogere zandgebied (grijs). Brabantse Stedenrij De Brabantse stedenrij, zichtbaar op basis van bevolkingsdichtheden per gemeente. De bevolkingsdichtheid loopt op van wit/grijs naar donkerrood (bron: www.wikipedia.nl). Autosnelwegen en spoorlijnen Autosnelwegen (paars) en spoorlijnen zijn noord-zuid georiënteerd (haaks op de klei-zand overgang) of west-oost (min of meer parallel aan de klei-zand overgang). Hoogspanningsverbindingen Het bestaande hoogspanningsnet (380kV (rood) en 150kV (blauw) heeft een duidelijke samenhang met de kleizand overgang.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
44/335
Samenvatting bepalende structuren landschappelijk hoofdpatroon • • •
Brabantse Wal Oosterschelde Schelde-Rijnkanaal
• • •
Hollands Diep – Amer - Maas Brabantse Stedenrij (zand-klei) Mark
• •
Wilhelminakanaal In beperkte mate en plaatselijk: infrabundels door Brabant (snelwegen, spoorlijnen, hoogspanningsverbindingen)
Autonome ontwikkelingen Rond de verschillende kernen in Noord-Brabant vinden kleinere en grotere stedelijke uitbreidingen plaats die als autonoom aangemerkt kunnen worden, zie het achtergrondrapport Ruimtegebruik voor een overzicht van de relevante autonome ontwikkelingen, waarmee in het onderzoek rekening is gehouden. Hiermee wijzigt het landgebruik in de stadsranden wat enige invloed heeft op de mate van openheid.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
45/335
3.4
Gebiedskarakteristiek (lijnniveau)
In deze paragraaf worden per deelgebied de gebiedskarakteristieken aan de hand van de subgebieden beschreven. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 is er op lijnniveau voor gekozen de deelgebieden onder te verdelen in meerdere landschappelijke eenheden, verder te noemen subgebieden. Voor de herleidbaarheid is het subgebied genoemd naar een gemeente of een centraal gelegen woonkern in het subgebied. Voor de beschrijving is met name gebruik gemaakt van de analysecriteria uit tabel 3.1. Figuur 3.4 bevat een overzicht van de drie deelgebieden met bijbehorende subgebieden. Deze kaart is tevens te vinden in de kaartbijlage. De subgebieden vallen grotendeels in de volgende deelgebieden: Deelgebied 1 – Rilland-Roosendaal • • •
Oosterschelde (open water) Rilland (jonge zeekleipolder) Brabantse Wal (heideontginningslandschap)
• • •
Wouw (kampenlandschap) Halsteren (zandgronden) Moerstraten (turfwinningslandschap)
Deelgebied 2 – Roosendaal-Standdaarbuiten •
Oudenbosch (kampenlandschap)
•
Oud-Gastel (jonge zeekleipolders)
Deelgebied 3 – Standdaarbuiten-Tilburg • • •
Etten-Leur (veenontginnings- en kampenlandschap) Zevenbergen (jonge zeekleipolders) Breda (veenontginnings- en heideontginningslandschap)
• • •
’s-Gravenmoer (veenontginningslandschap) Dongen (turfwinningslandschap) De Dorst (heideontginningslandschap)
•
Tilburg (heideontginnings- en kampenlandschap)
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
46/335
Figuur 3.4 Subgebieden binnen het studiegebied
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
47/335
3.4.1
Huidige situatie deelgebied 1 – Rilland-Roosendaal
Onder deelgebied 1 vallen de subgebieden Rilland, Brabantse Wal, Wouw, Halsteren en Moerstraten. Nu volgt een beschrijving van de huidige situatie en autonome ontwikkelingen per deelgebied. Figuur 3.5 bevat een overzicht van de subgebieden en belangrijkste toponiemen in deelgebied 1. Deze kaart is tevens te vinden in de kaartbijlage.
Figuur 3.5 Subgebieden in deelgebied 1
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
48/335
3.4.1.1 Oosterschelde (open water) De openheid bepaalt rond de Oosterschelde de gebiedskarakteristiek. Het landschap varieert met de stand van het water. Bij laagwater ontstaat op verschillende delen een landschap van droogvallende zandplaten. Aan de oevers, achter de zeedijk, zijn op verschillende plaatsen natuur (vogel)gebieden met schorren en slikken aanwezig. De Oosterschelde kent meer recreatievaart en heeft een minder ‘infrastructureel’ karakter dan de Westerschelde. Aan de oostzijde is de Oesterdam gelegen en de Schelde-Rijnverbinding met de Kreekraksluizen. De dam vormt een bepalende structuur die de openheid in het oosten begrenst. Parallel aan de dam loopt de goed zichtbare 380kV-hoogspanningsverbinding door het Markiezaat. Toen in 1984 door aanleg van de Markiezaatskade een deel van de Oosterschelde werd afgesneden is het Markiezaatsmeer ontstaan. Dit meer heeft zich ontwikkeld tot zoetwatermoeras met vochtig bos, grasland, ruigtes en struwelen langs de oevers. Het Markiezaatsmeer staat bekend als rijk vogelgebied en is om die reden aangewezen als Natura2000-gebied.
Bergen op Zoom
Markiezaatsmeer Figuur 3.6 Zicht op het Markiezaatsmeer vanuit Bergen op Zoom
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Oosterschelde Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Oosterschelde weergegeven. • Weinig karakterverschillen • • •
Zeer open Aan noord en zuidzijde markante begrenzing door kust, duidelijke oriëntatie west-oost Schelde-Rijnverbinding met dijken vormt bepalende structuur die de openheid in het oosten
•
begrenst, horizon plaatselijk bepaald door windturbines Bestaande forse hoogspanningsverbinding met grote invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Oosterschelde • Geen
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
49/335
3.4.1.2 Rilland (jonge zeekleipolders) Dit subgebied is maakt onderdeel uit van de jonge zeekleipolders. De nieuwere polders van na 1800 zijn globaal gelegen rondom het dorp Rilland en kennen weinig karakterverschillen. Het gebied kent een regelmatige en rechthoekige verkaveling. De wegen en dijken zijn recht en houden geen verband met de oorspronkelijk landschapsvormen (kreken en poelen). De beplante dijken geven geleding aan de openheid van het landschap en verdelen het in grote eenheden. Het gebied vormt, samen met de Brabantse Wal, de markante begrenzing tussen de polders van Zeeland en de hogere zandgronden van Brabant. De enige nederzetting in dit gebied is Rilland; een dorp met een rationeel verkavelingspatroon en een harde dorpsrand grotendeels gebouwd in de 20e eeuw. Daarnaast is een bedrijventerrein aanwezig (De Poort) en ten noorden van de snelweg een modern kassengebied. De polders worden, naast de grootschalige infrastructuur (snelwegen en knooppunt, spoorlijn en provinciale weg in oost-west richting) doorsneden door de noord-zuid gelegen ScheldeRijnverbinding en het bijhorende Bathse Spuikanaal. Aan de noordzijde van polders bevinden zich in het kanaal de Kreekraksluizen en een buitendijks gelegen groen- en recreatiegebied. In het gebied liggen globaal in oost-westrichting een 150kV en een 380kVhoogspanningsverbinding.
Bij het kanaal sluit tevens een noord-zuid gesitueerde 380kVverbinding aan. Langs het kanaal staat aan beide zijden een rij windturbines. Het gebied heeft een sterk rationeel en moderne karakteristiek (zie figuur 3.7). De zichtbaarheid van de verschillende grote infrastructurele lijnen is groot. Vanaf verschillende plekken in het gebied is het havengebied van Antwerpen zichtbaar.
Eerste weg
Figuur 3.7 Het jonge zeekleipoldergebied in subgebied Rilland kent een sterk open en rationeel karakter. Aan de horizon zijn de parallel aan elkaar lopende 150kV- en 380kV-verbinding zichtbaar. (De pijl geeft de zichtrichting aan).
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Rilland Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Rilland weergegeven. • Weinig karakterverschillen
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
50/335
•
Zeer vlak, plaatselijk markante hoogteverschillen door dijken, zeer open, rationeel karakter,
•
aan oostzijde markante begrenzing door Brabantse Wal Overwegend akkerland, weinig bebouwing, Schelde-Rijnverbinding vormt bepalende structuur, bundel van infrastructuur die deels ruimtelijk bepalend is, Zuidelijke horizon sterk
•
bepaald door grootschalige industrie (havengebied van Antwerpen) en windturbines, hierdoor gedeeltelijk een industrieel karakter Enkele bestaande kleine en forse hoogspanningsverbindingen met beperkte tot grotere bestaande invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Rilland • •
Dorpssilhouet Woensdrecht Inundatievlakte Bathstelling met elementen
3.4.1.3 Brabantse Wal (heideontginningslandschap) De Brabantse Wal bestaat uit een hoge zandrug die aan de westkant door de zee is afgekalfd, waardoor tussen het westelijke gelegen zeekleigebied en het zandgebied van de Brabantse Wal circa twintig meter hoogteverschil is ontstaan. De Brabantse Wal ligt op de grens van de provincies Noord-Brabant en Zeeland en loopt globaal van Steenbergen tot aan Woensdrecht. Het hoogste punt op de Brabantse Wal is de Hoogenberg bij Putte (+39,1 m NAP). In het noordelijk deel van de Brabantse Wal (omgeving Halsteren - Kladde) is het hoogteverschil met het polderlandschap klein. Het centrale deel van het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van bosgebieden, heideterreinen en verspreid liggende kleine landbouwenclaves. Aan de randen, op de overgang naar de lager gelegen gebieden, liggen de dorpen met oude kampontginningen en plaatselijk essen. Bij Woensdrecht liggen direct ten westen van de Brabantse Wal de oudste poldertjes, die nog hun oorspronkelijke kleinschalige opstrekkende verkaveling hebben. De Brabantse Wal is vanuit Zeeland al vanaf grote afstand zichtbaar. Gezien vanuit Zeeland rijst het gebied als het ware op uit de verder vlakke zeekleipolders (zie figuur 3.8). Vanaf de Brabantse Wal is Zeeland goed zichtbaar. Het zicht naar het zuidoosten wordt deels bepaald door de Antwerpse havens (zie afbeelding 3.9).
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
51/335
Figuur 3.8 Zicht vanuit poldergebied (nabij Woensdrecht) op de Brabantse Wal
Figuur 3.9 Zicht van de rand van de Brabantse Wal (Woensdrecht) op het Antwerpse havengebied
Een groot deel van het zuidelijke deel van de Brabantse wal is bebost en kent daardoor weinig karakterverschillen. Dit aaneengesloten bos- en natuurgebied loopt vanaf de grens met België tot aan Halsteren. Het van oorsprong heidegebied is in de 20e eeuw ontgonnen en bebost. De bossen kennen een sterk rationeel verkavelingspatroon (dennenakkers). Verspreid over het gebied liggen nog enkele kleinere en grotere heidevelden (onder andere natuurgebied De Zoom en Kalmhoutse heide). Tussen Steenbergen en Bergen op Zoom bestaat sinds de Tachtigjarige Oorlog de West-Brabantse Waterlinie. Ter verdediging van de twee vestingsteden en de vaarroute tussen Holland en Zeeland konden grote delen van West-Brabant onder water worden gezet. Op de hogere delen in het landschap werden aarden forten gebouwd. Nog bestaande forten ten noorden van Bergen op Zoom zijn Fort de Roovere, Fort Pinssen en Fort Moermont. Het gebied wordt doorsneden door verschillende infrastructurele lijnen. Van zuid naar noord loopt de N289 en in het verlengde daarvan liggen de A58 en de spoorlijn Bergen op Zoom Roosendaal. Daarnaast wordt het bosgebied doorsneden door de buisleidingstraat, een brede
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
52/335
open zone die loopt vanaf het kleigebied over de Brabantse Wal richting Roosendaal (zie figuur 3.10). In deze zone liggen buisleidingen; daarnaast loopt langs deze zone een bestaande hoogspanningsverbinding.
Figuur 3.10 De open buisleidingstraat door het dichte rationeel verkavelde bosgebied van de Brabantse Wal
Het subgebied Brabantse Wal wordt grotendeels bepaald door de overgangszone van klei naar zand. Op deze overgangszone is landgoed Mattemburgh gelegen. Landgoed Mattemburgh is een ruim 400 hectare groot landgoed met monumentale gebouwen en een van de gaafste bewaarde stijltuinen van Nederland in Engelse Landschapsstijl: met kronkelende paden, slingervijvers, doorkijkjes en klassieke standbeelden. Belangrijk onderdeel van het landgoed is de Orangerie met Franse tuin. Naast de tuin bevindt zich op het landgoed ook een groot areaal oud bos. Op de Brabantse Wal liggen meerdere bosgebieden, waaronder Landgoed Zoomland. Direct ten noorden van landgoed Mattemburgh is een vista of opening zichtbaar. Hier is een duidelijke visuele samenhang aanwezig tussen het besloten bosgebied op de Brabantse Wal en het open landschap aan de voet van de wal en het Markiezaatsmeer. Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Brabantse Wal Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Brabantse Wal weergegeven. • • •
Weinig karakterverschillen Vlak, halfopen tot besloten, organisch karakter Afwisselend akkerland en weiland met boselementen en bossen
•
Bestaande kleine hoogspanningsverbinding met beperkte tot grotere bestaande invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Brabantse Wal • Landgoed Mattemburgh en de vista op het Markiezaatsmeer
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
53/335
3.4.1.4 Wouw (kampenlandschap) Het kampenlandschap ten westen van Roosendaal en nabij Oud Gastel is onder meer ontstaan door jarenlange lokale ophogingen met potstalmest op de akkers (essen). Hierdoor kent het landschap, in samenhang met onderliggend reliëf, een zwakgolvend karakter. Het gebied kent geen duidelijke karakter verschillen. Het gebied vertoont een onregelmatige verkaveling met gras en akkerland en wegenpatroon (kronkelige wegen soms begeleid met laanbeplanting) met verspreid gelegen bebouwing (hoeves), hooggelegen bouwlanden en grasland in de lagere delen met enkele bosjes in de beekdalen (beekdalbos). Het landgebruik is voornamelijk akkerbouw met verspreid liggend fruitboomgaarden. Het landschap kent een open karakter met daarin enkele beken, waaronder de Rissebeek. Nabij Roosendaal wordt het landschap meer bepaald door stedelijke elementen. Het gebied wordt doorsneden door de A58, de buisleidingstraat en de spoorlijn Bergen op Zoom - Roosendaal. De oostrand van het subgebied wordt begrensd door de A17. Door het gebied lopen twee hoogspanningsverbindingen (380kV en 150kV), een verbinding die grotendeels parallel loopt aan de A17 en een verbinding die het gebied in oost - west richting in een rechte lijn doorsnijdt (zie figuur 3.11).
Spellesstraat
Kruislandseweg
Figuur 3.11 Het kampontginningslandschap kent een grote mate van openheid. Op de bovenste foto is het beekdal van Het Loopje zichtbaar, met op de achtergrond het silhouet van de kern van Wouw. De onderste foto geeft een beeld van de bestaande hoogspanningsverbinding door het open landschap
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
54/335
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Wouw Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Wouw weergegeven. • Weinig karakterverschillen • •
Vlak, open tot halfopen, vrij rationeel karakter Afwisselend akker- en grasland, veel bos- en beplantingselementen, bij Roosendaal verstedelijkingskenmerken en bepalende infrastructuur
• •
Vrij veel (agrarische)bebouwing, horizon bij Roosendaal bepaald door stedelijke elementen Bestaande kleine hoogspanningsverbinding met beperkte invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Wouw • Geen 3.4.1.5 Halsteren (zandgronden) Het subgebied Halsteren ligt op de Brabantse zandgronden en kent duidelijke karakterverschillen. Het gebied wordt gekenmerkt door verschillende dorpskernen waarvan Halsteren het grootste ruimtebeslag heeft. Daarnaast komen in het gebied de kernen Kladde, Lepelstraat en Oude- en Nieuwe Molen voor. De randen van de kernen hebben veelal een groen karakter met hier en daar zicht op de bebouwing. Het gebied tussen de kernen heeft een half open agrarisch karakter en wordt doorsneden door kronkelige wegen begeleid met begroeiing, woonbebouwing en boerderijen. Aan de oostzijde van het gebied is een markante overgang aanwezig naar de Brabantse Wal. De N286 doorsnijdt het gebied van west naar oost. Tussen Lepelstraat en Steenbergen bevindt zich een grootschalig glastuinbouwgebied. Globaal op de overgang van kleinaar zandgrond loopt de bestaande 380kV-verbinding. Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Halsteren Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Halsteren weergegeven. • Duidelijke karakterverschillen • •
Deels zeer vlak, markant reliëf bij overgang naar Brabantse Wal, deels zeer open, zuidoostelijk gedeelte besloten, aan oostzijde markante begrenzing door Brabantse Wal Overwegend akkerland, boselementen in zuidoostelijk gedeelte, Overwegend rationeel karakter, organisch karakter in zuidoostelijk gedeelte weinig bebouwing, ScheldeRijnverbinding vormt bepalende structuur. Zuidelijke horizon sterk bepaald door industrie en windturbines, hierdoor gedeeltelijk industrieel karakter
•
Bestaande forse hoogspanningsverbinding met beperkte invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Halsteren •
Bebouwingslint Kladde
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
55/335
3.4.1.6 Moerstraten (turfwinningslandschap) Het afgraven van veen op zandgrond heeft plaatsgevonden vanaf de 13e eeuw tot aan de 18e eeuw. Brabant was één van de eerste gebieden in Noordwest Europa waar op grote schaal en met een bedrijfsmatige aanpak turf werd gewonnen. De veenafgravingen werden spoedig gevolgd door landbouwontginningen. Dit heeft zich vertaald in een landschap van rechtlijnige patronen van (water)wegen. Het gebied ten noorden van Moerstraten is een turfwinningslandschap (ten noordoosten van Bergen op Zoom). Het landschap is door het rechthoekige verkavelingspatroon duidelijk te onderscheiden van de meer blokverkavelde omgeving (kampontginningslandschap).Verder heeft het gebied een gedeeltelijk ‘nat’ karakter wat zich uit in een fijnmazig slotenpatroon en een landgebruik dat voornamelijk bestaat uit grasland (Het Laag). In het gebied is een tweetal grotere landgoederen met bos gelegen: Dassenberg en Het Oudland (figuur 3.12). De zuidzijde van het gebied wordt begrensd door een hoogspanningverbinding (380kV-verbinding). Het landgoed Dassenberg (1800-1900) kent een afwisseling van bossen, natte beemdgronden en waterpartijen. De kern bestaat uit landgoedbebouwing (kapel, pachthoeven, landhuis en dienstwoningen). Nabij de kern van het landgoed kent het gebied een parkaanleg met zowel kenmerken van Engelse Landschapsstijl als formele stijl.
Het landgoed wordt doorsneden door een wegenstelsel van lanen en zandpaden. Verder van het huis liggen kleine productiebossen (loofhout en naaldhout) met verspreid liggende percelen bouwland en grasland. Het gebied wordt gekenmerkt door een sterke onderlinge samenhang en een zekere mate van gaafheid. Het Oudland is een veenontginning uit de periode 1400-1500, met een reeks van kleine, oude landgoederen, kleinschalig ingedeeld cultuurlandschap met afwisselend bouwland, grasland en bosjes met hakhout, een kleinschalige perceelstructuur, greppels, ontwateringssloten, houtwallen en houtkanten. Het grondgebruik en indeling is sinds 1800-1900 weinig veranderd.
Figuur 3.12 Het landschap tussen Dassenberg en Het Oudland
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
56/335
Het gebied ten oosten van Steenbergen, op de overgang van zand naar klei, wordt deels bepaald door een stelsel van kreken en natuurlijke waterlopen, de Cruijslandse Kreken. Dit deel van subgebied Moerstraten kenmerkt zich als een open, kleinschalige polder met een aantal waterlopen die vroeger deel uitmaakten van verschillende inundatie- en verdedigingssystemen van de Zuiderwaterlinie. Van die verdedigingswerken is bijvoorbeeld Fort de Roovere momenteel nog goed zichtbaar in het landschap. Dit gebied heeft een historie van overstromingen, oorlogen, inundaties en inpolderingen die hun sporen in het landschap hebben achtergelaten. De Cruijslandse Kreken zijn ontstaan door de St. Elisabethsvloed in 1421. Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Moerstraten Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Moerstraten weergegeven. • Weinig karakterverschillen • • •
Vlak, open tot halfopen, rationeel karakter Overwegend grasland, grote boselementen Weinig bebouwing
• •
Landgoederen met bos en beplanting, maar geen “klassiek landgoedkarakter” Bestaande forse hoogspanningsverbinding met beperkte tot grotere invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Moerstraten • Cruijslandse Kreken, voormalig inundatievlakte Zuiderwaterlinie met Fort de Roovere • •
Landgoed Dassenberg met elementen (bebouwing, lanen, waterlopen, beplantingselementen) Veenontginning Oudland/kleine landgoederen met elementen (bebouwing, lanen, waterlopen, beplantingselementen)
3.4.2
Autonome ontwikkelingen deelgebied 1 – Rilland-Roosendaal
In deelgebied 1 is sprake van de volgende autonome ontwikkelingen: • • • • •
In Landgoed Mattemburgh is een verbreding van de bouw- en gebruiksmogelijkheden beschreven in een bestemmingsplan. Ten zuiden van Bergen op Zoom is de ontwikkeling van nieuwbouwwijk de Markiezaten – Borgvliet vastgelegd in een bestemmingsplan. Ten westen van Bergen op Zoom wordt de Theodorushaven verder ontwikkeld, inclusief een containerterminal. Een deel van die ontwikkeling valt binnen deelgebied 1. Bij Halsteren wordt bedrijventerrein de Oude Molen ontwikkeld. Ten noorden van Roosendaal is de uitbreiding van glastuinbouw bestemd, samen met een deel voor waterberging; locatie Damsigt.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
57/335
Figuur 3.13 Autonome ontwikkelingen in deelgebied 1
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
58/335
Referentiesituatie De huidige situatie vormt samen met de autonome ontwikkelingen de referentiesituatie op basis waarvan de effectbeoordeling wordt gedaan. Figuur 3.13 laat de autonome ontwikkelingen in deelgebied 1 op kaart zien. Hieronder volgt een opsomming van de autonome ontwikkelingen die relevant zijn voor de referentiesituatie in het zoekgebied: De uitbreiding van het glastuinbouwgebied ten noorden van Roosendaal heeft invloed op de gebiedskarakteristiek. Het landschap ter plaatse zal meer besloten worden dan het overwegend open omringende agrarische landschap.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
59/335
3.4.3
Huidige situatie deelgebied 2 – Roosendaal-Standdaarbuiten
Onder deelgebied 2 vallen de subgebieden Oud-Gastel en Oudenbosch. Nu volgt een beschrijving van de huidige situatie en autonome ontwikkelingen per deelgebied. Figuur 3.14 bevat een overzicht van de subgebieden en belangrijkste toponiemen in deelgebied 2. Deze kaart is tevens te vinden in de kaartbijlage.
Figuur 3.14 Analysekaart deelgebied 2 op lijnniveau
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
60/335
3.4.3.1 Oudenbosch (kampenlandschap) Tussen de kern Oud Gastel en Oudenbosch ligt een open tot halfopen akkerbouw- en weidegebied met een onregelmatig blokverkavelingspatroon (zie figuur 3.15). Plaatselijk komen boselementen voor. De wegen zijn kronkelig en worden begeleid met bebouwing en erfbeplanting. Hier en daar zijn kassen- en tuinbouwcomplexen gelegen. De Mark met aansluitende bebouwing vormt een bepalende structuur.
Figuur 3.15 Het kampontginningslandschap tussen Oud Gastel en Oudenbosch
Het gebied wordt doorsneden door de A17, de buisleidingstraat, twee 150kVhoogspanningsverbindingen en een spoorlijn. De provinciale weg N264 bepaalt mede het zicht op de bebouwingsrand van Oud Gastel; de rand met Oudenbosch bestaat uit woonwijken en bedrijventerreinen omgeven door opgaande beplanting. Het beeld van Oudenbosch wordt bepaald door de Basiliek van Oudenbosch (verte-kenmerk).
Oud Gastel
Lange dreef
Figuur 3.16 Het landschap tussen Dassenberg en Het Oudland
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
61/335
Ten oosten van Oud Gastel is het landschap kleinschaliger. Door dit kampenlandschap slingeren verschillende wegen, die als bebouwingslinten de buurtschappen Oud Gastel en Stoof vormen (zie figuur 3.16). Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Oudenbosch Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Oudenbosch weergegeven. • • •
Weinig karakterverschillen Vlak, open tot halfopen, rationeel karakter Afwisselend akker- en weideland, plaatselijk boselementen, Mark als bepalende structuur,
• •
oostelijk van Oud Gastel overwegend grasland Vrij veel agrarische bebouwing, plaatselijk windturbines Basiliek van Oudenbosch als vertekenmerk
•
Bestaande kleine hoogspanningsverbinding met beperkte invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Oudenbosch • •
Dorpssilhouet Oudenbosch en basiliek als vertekenmerk Bebouwingslinten ten oosten van Oud Gastel (beïnvloed door bestaande lijn)
3.4.3.2 Oud-Gastel (kampenlandschap) Het landschap ten westen van Oud Gastel (jonge zeekleipolders) betreft een open polder landschap met plaatselijk een afwijkend karakter. Kenmerkend voor het gebied zijn de kreekrestanten. Verspreid in het gebied ligt agrarische bebouwing. Het dorp Kruisland vormt, samen met Oud Gastel de enige kern in dit gebied. Tussen Kruisland en Oud Gastel wordt het landschap doorsneden door de bepalende structuur van het Mark Vlietkanaal. Ten noorden van Oud Gastel ligt aan de rivier de Dintel het markante dijkdorp Stampersgat. Door het gebied loopt ongeveer noord-zuid de Nieuwe Roosendaalse Vliet. Ten oosten van deze buurtschappen doorsnijdt de A17 het landschap. Door het gehele subgebied loopt de bestaande en goed zichtbare 380kV-hoogspanningsverbinding. De karakteristiek wordt hier vooral bepaald door het kanaal, de langsgelegen Gastelse dijk, de daaraan gelegen boerderijen en beplantingsstructuren en recent gebouwde windturbines. De rand van Oud Gastel wordt gevormd door losstaande (moderne) woningen. De noordrand van het dorp wordt gevormd door een oud bebouwingslint. Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Oud Gastel Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Oud Gastel weergegeven. •
Plaatselijk afwijkend karakter
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
62/335
•
Vlak, deels open, deels halfopen, rationeel karakter, diverse markant kronkelende grotere
•
waterlopen, Mark-Vlietkanaal als bepalende structuur, oostelijk van Oud Gastel halfopen tot besloten Overwegend akkerland, boselementen
• •
Weinig bebouwing, markant silhouet van Kruisland, markant (silhouet van) langgerekt dijkdorp Stampersgat, oostelijk van Oud Gastel boederijlinten Grotendeels bestaande forse hoogspanningsverbinding met beperkte tot grotere invloed op de gebiedskarakteristiek, plaatselijk meerdere bestaande hoogspanningsverbindingen met grotere invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Oud Gastel • Silhouet Oud Gastel • Silhouet Stampersgat
3.4.4
Autonome ontwikkelingen deelgebied 2 – Roosendaal-Standdaarbuiten
In deelgebied 2 is sprake van de volgende autonome ontwikkelingen: •
Delen van het bedrijventerrein Borchwerf in de gemeentes Halderberge en Roosendaal worden nog ontwikkeld.
•
Ten oosten van de kern van Oud Gastel zijn gronden aan de Vierschaarstraat aangeduid voor de functie glastuinbouw.
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
63/335
Figuur 3.17 Autonome ontwikkelingen in deelgebied 2
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
64/335
Referentiesituatie De huidige situatie vormt samen met de autonome ontwikkelingen de referentiesituatie op basis waarvan de effectbeoordeling wordt gedaan. Figuur 3.17 laat de autonome ontwikkelingen in deelgebied 2 op kaart zien. Hieronder volgt een opsomming van de autonome ontwikkelingen die relevant zijn voor de referentiesituatie in het zoekgebied: De uitbreiding van het glastuinbouwgebied ten oosten van Oud Gastel heeft invloed op de gebiedskarakteristiek. Het landschap ter plaatse zal meer besloten worden dan het omringende overwegend open agrarische landschap. 3.4.5
Huidige situatie deelgebied 3 – Standdaarbuiten-Tilburg
Onder deelgebied 3 vallen de subgebieden Etten-Leur, Zevenbergen, Breda, ’s-Gravenmoer, Dongen, De Dorst en Tilburg. Nu volgt een beschrijving van de huidige situatie en autonome ontwikkelingen per deelgebied. Figuur 3.18 bevat een overzicht van de subgebieden en belangrijkste toponiemen in deelgebied 3. Deze kaart is tevens te vinden in de kaartbijlage.
Figuur 3.18 Analysekaart deelgebied 3 op lijnniveau
3.4.5.1 Etten-Leur (veenontginnings- en kampenlandschap) Dit subgebied heeft een open (ten zuiden Zwarteberg) tot besloten karakter (ten westen van Breda) dat daardoor duidelijke karakterverschillen kent. In het gebied wordt het beeld mede bepaald door broekbosjes die in de lengterichting van de percelen zijn gelegen. Het gebied kent een kleinschalige verkaveling met een fijnmazig slotenpatroon met plaatselijk markante rijen knotbomen. Het voornaamste grondgebruik is grasland met ten zuidwesten van Zwarteberg afwisselend akkers en grasland. In het gebied komen verschillende gegraven veenputten voor
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
65/335
waarin de natuur zich heeft kunnen ontwikkelen (waaronder de gebieden De Berk, Strijpen en Weimeren). Tussen Breda en Terheijden wordt het gebied gekenmerkt door een groter broekbosgebied ‘Lange bunders en Slangwijk’. In het subgebied zijn meerdere, landschappelijk zeer waardevolle, gebieden gelegen zoals Weimeren, Rooskensdonk, Haagsche Beemden, Lange Bunders en Slangwijk. Deze gebieden hebben een halfopen karakter met opstrekkende hakhoutpercelen. Door het gebied lopen verschillende waterlopen en turfvaarten (onder andere de Mark, Halsche Vliet en Laaksche Vaart). De Halsche Vliet loopt slingerend in noord-zuidrichting door het gebied. Langs de Halsche Vliet ligt een oude dijk, de Haagse dijk, waarlangs diverse wielen 4 zijn gelegen. Het gebied heeft weinig bebouwing en wordt begrensd door verschillende beplante polderdijken. In het kampenlandschap van de Haagsche Beemden, langs de noordelijke stadsrand van Breda, is meer bebouwing en infrastructuur aanwezig. Hier is ook een kassencomplex gelegen. De Haagse Beemden is een kampenlandschap en wordt gekenmerkt door verschillende kronkelige wegen met aanliggende bebouwing en begroeiing en enkele kassen.
Zwartenberg
Figuur 3.19 De windmolens ten noorden van Etten-Leur - ten zuiden van Zwartenberg - zijn goed zichtbaar in het landschap.
Het gebied wordt doorsneden door de goed zichtbare infrastructurele bundel van de A16 en de naastgelegen spoorverbindingen. Daarnaast wordt het gebied in oost-westrichting doorsneden door een 150kV-hoogspanningsverbinding die het gebied in een rechte lijn doorsnijdt. Ter plaatse van de wijk Haagsche Beemden is de invloed van de verbinding op de gebiedskarakteristiek groot. Ten noorden van Etten–Leur ligt een windpark met vijf rijen van 5 windmolens (nabij de Laaksche Vaart). De molens zijn goed zichtbaar in dit half open landschap (zie figuur 3.19). In het gehele subgebied gebied is de bebouwingsrand van Etten-Leur en Breda goed zichtbaar (zie figuur 3.20). In het subgebied ligt aan de A16 de zuiveringsinstallatie van Brabantse Delta. 4
Ook wel kolk, betreft oppervlaktewater ontstaan als gevolg van een dijkdoorbraak waarbij het kolkende water net achter de dijk een diepe put heeft geslagen
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
66/335
Zevenbergseweg
Figuur 3.20 De randen van het gebied worden enerzijds bepaald door de verschillende beplante dijken (boven) en door de massieve stadsrand van Etten-Leur (onderste foto) anderzijds.
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Etten-Leur Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Etten-Leur weergegeven. • •
Duidelijke karakterverschillen Vlak, halfopen tot besloten, organisch karakter, ten zuiden en zuidwesten van Zwarteberg zeer open, rationeel karakter, ten westen van Breda, open tot halfopen, rationeel karakter
•
Overwegend weideland/hooiland/ecologisch grasland, veel boselementen en struweel, natuurlijk karakter, plaatselijk markante knotbomenrijen, ten noorden van Breda groot jong bosgebied, ten zuiden en zuidwesten van Zwarteberg overwegend afwisselend akker- en
•
weideland, ruilverkavelingsboerderijen en door bomenrijen bepaalde horizon, ten westen van Breda akkerland met plaatselijk beplantingselementen, Mark als bepalende structuur Nagenoeg geen bebouwing, ten zuiden en zuidwesten van Zwarteberg
• •
ruilverkavelingsboerderijen, in oosten beperkte verstedelijkingskenmerken A16 nadrukkelijk aanwezig, plaatselijk windturbines Bestaande hoogspanningsverbinding met een beperkte tot grote invloed op de gebiedskarakteristiek, ter plaatse van de woonwijk Haagse Beemden echter zeer grote invloed op de gebiedskarakteristiek
Elementen op lijnniveau in subgebied Etten-Leur • Geen
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
67/335
3.4.5.2 Zevenbergen (jonge zeekleipolders) Subgebied Zevenbergen bestaat uit (zee)kleipolderlandschap. Dit landschap dat vanaf het einde van de middeleeuwen geleidelijk is ingedijkt, bestaat voornamelijk uit agrarisch gebied. Het landschap kent een grote mate van openheid. Dorpen, dijken, agrarische bebouwing en infrastructurele lijnen zijn in dit landschap goed zichtbaar. Het open landschap wordt doorsneden door verschillende kronkelige dijken, begeleid met beplanting, die vaak zuidwest-noordoost georiënteerd zijn. Daarnaast bevinden zich in het gebied verschillende rivieren en kanalen zoals Roode Vaart, Amertak, Mark en de Dinkel en zijn kreekrestanten aanwezig. De kreekrestanten zijn voor een deel overblijfselen van kreken in het slikken- en schorrenlandschap van vóór de inpoldering. De waterlopen worden hier en daar begeleid door beplanting of kleine bosschages. Ten noorden van de Amer en subgebied Zevenbergen is natura2000-gebied de Biesbosch gelegen. Het landschap is over het algemeen rationeel verkaveld en kent, op enkele kleinere gebieden na, weinig karakterverschillen. Het gebied is grotendeels in gebruik als akkergebied, hier en daar afgewisseld met weiland en een enkele boomgaard. Ten westen van Hooge Zwaluwe ligt een slotenrijk graslandgebied. Tussen Steenbergen en Halsteren ligt een groot glastuinbouwgebied.
Het wegenpatroon is op de dijken na doorgaans rechtlijnig. Een aantal wegen en dijken wordt begeleid door beplanting. De verspreid liggende agrarische bebouwing is vaak omgeven door windsingels. In het gebied liggen verschillende nederzettingen, ontstaan als kerkdorp of dijkdorp. Door diverse uitbreidingen is deze vorm vaak minder herkenbaar. In sommige dorpen is de oorspronkelijke vorm nog wel herkenbaar. Hooge en Lage Zwaluwe zijn voorbeelden van nog gave lintbebouwde dijkdorpen. Deze kernen zijn beschermd als stads- en dorpsgezicht. De nieuw aangebouwde wijken hebben een vrij harde bebouwingsrand. Langs de bebouwingslinten is de overgang tussen kern en landelijk gebied meer ‘korrelig’ van karakter. Buiten de nederzettingen komt er weinig bebouwing voor. Het gebied ten oosten van subgebied Zevenbergen, ter hoogte van Geertruidenberg, wordt gekenmerkt door verschillende hoogspanningsverbindingen die bij elkaar komen. De verschillende rijks- en provinciale wegen en spoorwegen met bijhorende kunstwerken zijn in het open landschap goed zichtbaar. Ook de grotere industriegebieden (zoals bij Stampersgat, Moerdijk en Zevenbergen) geven een markant silhouet en bepalen hier de gebiedskarakteristiek. Door het gebied lopen twee hoogspanningsverbindingen (150kV-verbinding en 380kV-verbinding) in grote rechtstanden parallel aan elkaar.
Nabij de kern van Hooge Zwaluwe kruisen de twee lijnen elkaar. Op enkele plaatsen in het gebied zijn kleine windparken (een aantal windturbines in lijnopstelling) aanwezig, zoals ten zuiden van Zevenbergen (4 lijnen van 5 windmolens).
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
68/335
Figuur 3.21 Zicht op het open agrarische landschap en op een beplante binnendijk met agrarische bebouwing daarlangs
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Zevenbergen Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Zevenbergen weergegeven. • Overwegend weinig karakterverschillen, enkele kleinere gebieden met wat afwijkend karakter •
Vlak, open tot halfopen, rationeel karakter, Roode Vaart en Amertak als bepalende structuren, Ten noorden van Zevenbergen meer besloten door boselementen, ten westen van Hooge Zwaluwe meer organisch karakter
• •
Overwegend akkerland, boselementen, ten westen van Hooge Zwaluwe slotenrijk grasland, plaatselijk beplante dijken Weinig bebouwing, kernen en industrie spelen nauwelijks een rol in de gebiedskarakteristiek,
•
ten westen van Geertruidenberg bepalende industriële elementen en markant silhouet centrale, grotere infrastructuur overwegend weinig bepalend Bestaande bundel van kleine en forse hoogspanningsverbindingen met een beperkte tot
•
grotere invloed op de gebiedskarakteristiek Enkele windmolens in lijnopstelling ten zuiden van Zevenbergen (4 lijnen van 5 windmolens)
Elementen op lijnniveau in subgebied Zevenbergen • Dorpssilhouet Hooge Zwaluwe (beïnvloed door bestaande lijn)
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
69/335
3.4.5.3 Breda (veenontginning- en heideontginningslandschap) Het subgebied, met duidelijke karakterverschillen, beslaat het veengebied De Moeren (zie figuur 3.22) en De Vucht en het overgangsgebied naar de zandgronden van De Dorst. De Moeren en De Vucht zijn open weidegebieden met weinig bebouwing. De stadsrand van Breda bepaalt hier naast de openheid voor een belangrijk deel de karakteristiek. Het gebied wordt in het zuiden begrensd door de stadsrand, in het westen door de rivier de Mark en het Markkanaal in het noorden door het bosgebied en militair oefengebied de Veghelse Heide en in het oosten door de overgangszone met lintbebouwing rond Teteringen met daarachter het bosgebied De Dorst. Opvallend zijn de bosrijke gebieden rond De Moeren, waaronder delen van de voormalige verdedigingswerken van de Zuidwaterlinie. Het gaat hier om Linie van de Munnikenhof, Linie van den Hout en de Schans Spinola. De Linie van den Hout betreft een vervallen stelsel van aarden wallen en grachten. In de loop der tijd zijn de wallen beplant met eiken. Recent zijn delen van die eiken weer gekapt om de zigzagvorm van de linie te benadrukken. De Binnenpolder vormde vroeger het inundatiegebied van de Zuiderwaterlinie. Het gebied wordt in de referentiesituatie van noord naar zuid doorsneden door de 150kV-verbinding tussen Breda en Geertruidenberg.
De overgang van de nattere veengronden ten noorden van Breda naar de wat hogere dekzandrug van Teteringen en Oosterhout wordt gevormd door een half open landschap met laan- en erfbeplanting en houtwallen. De bebouwing is langs de doorgaande wegen gelegen.
De Moeren
Middenweg
Figuur 3.22 Open ‘veenontginningsgebied’ De Moeren nabij Breda
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Breda Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek van subgebied Breda weergegeven. • Duidelijke karakterverschillen • Vlak, open, organisch karakter, ten noorden van Teteringen, halfopen tot besloten, rationeel karakter
MER hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost – Achtergronddocument Landschap & Cultuurhistorie
70/335
•
Overwegend weideland/hooiland/ecologisch grasland, rationeel karakter, ten noorden van Teteringen afwisselend akker- en weideland met veel beplantingselementen, beperkte verstedelijkingskenmerken (stadsrandgebied), horizon bepaald door bos en beplanting, in noorden grote boselementen
• •
Weinig bebouwing in westen, ten noorden van Teteringen verspreide agrarische bebouwing Westelijk in subgebied bestaande hoogspanningsverbinding met een beperkte tot soms grote invloed op de gebiedskarakteristiek, ten noorden van Teteringen geen bestaande hoogspanningsverbinding
Elementen op lijnniveau in subgebied Breda • •
Inundatievlakte Zuiderwaterlinie met elementen, Linie van de Munnikenhof, Linie van den Hout en Schans Spinola. Bebouwingslint ten noorden van Teteringen
3.4.5.4 ’s-Gravenmoer (veenontginningslandschap) Ten noorden van Dongen en ten westen van Kaatsheuvel ligt een (laag)veenontginningsgebied op de overgang naar de heideontginningen. Delen van het oorspronkelijke landschap zijn hier nog intact. Rond ’s Gravenmoer is nog een karakteristiek heggenlandschap aanwezig (zie figuur 3.23). De kern ‘s Gravenmoer kent een aantal dorpsuitbreidingen buiten het oorspronkelijke bebouwingslint. Het landschap wordt aan de westzijde begrensd door de Donge,een kronkelig bedijkt riviertje omgeven door begroeiing. Het overige deel van het subgebied tussen de A27 en de Donge heeft een open karakter. Dit van oorsprong moerasgebied, dat lange tijd gebruikt is als hooiland en voor de turfwinning is begin 18e eeuw ingepolderd. Restanten van het slagenlandschap zijn nabij Oosteind nog herkenbaar in het landschap. Het dorpslint van Oosteind is nog duidelijk als bebouwingslint en ontginningsas herkenbaar in het landschap. De 150kVverbinding kruist in rechte lijn Oosteind. De bebouwing en beplanting liggen in een lint langs de doorgaande wegen. De kern ’s Gravenmoer, ten oosten van de Donge ligt relatief verscholen in het groen, hier zijn nog restanten van het heggenlandschap aanwezig. De 380kV-verbinding tussen Geertruidenberg en Eindhoven is markant aanwezig in het open landschap. De industriële bebouwing nabij Geertruidenberg geeft een markant silhouet.