2021-019770 Bijlage 21- MER-Achtergronddocumenten-deel-1-Zuid-West-380-kV-Oost
Tekst van het document
De nieuwe hoogspanningsverbinding kan mogelijk hinder veroorzaken in de realisatiefase 10 zowel bij de bovengrondse als mogelijke ondergrondse tracédelen. Het gaat bijvoorbeeld om hinder ten gevolge van geluid, trillingen of tijdelijke verslechtering van de luchtkwaliteit. In het MER wordt beschreven welke werkzaamheden worden verricht bij het maken van de bovengrondse of mogelijke ondergrondse tracédelen. Vanuit deze mogelijke hinder wordt bekeken wat het maximale hindergebied / de maximale hinderafstand is bij de aanleg en het gebruik van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Binnen dit hindergebied wordt het mogelijk aantal gehinderde woningen in beeld gebracht. 10
In de gebruiksfase treden ook geluidseffecten op. Aangezien deze niet onderscheidend zijn voor de alternatieven en beperkt blijven tot de breedte van de magneetveldzone, blijven deze effecten buiten beschouwing, zie paragraaf 2.4.1
32\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
In de realisatiefase zijn de mogelijke hinderfactoren het geluid en de trillingen als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de invloeden op de luchtkwaliteit als gevolg van dieselemissies van het zware materieel en vrachtverkeer. Er zijn diverse onderzoeken verricht met betrekking tot de mogelijke hinderfactoren en er zijn op basis van deze onderzoeken hinderafstanden vastgesteld. Deze zijn opgenomen in tabel 2.8. In bijlage 4 is de totstandkoming van de hinderafstanden in detail opgenomen. De hinderafstanden zijn tot stand gekomen op basis van berekeningen 11 en/of ervaringscijfers vanuit medische wetenschap 12 en/of hinderbelevingsonderzoeken 13. Deze afstanden zijn indicatief, aangezien de exacte hinderafstanden in deze fase van ZW380 Oost niet te bepalen zijn, aangezien op dit moment niet bekend is waar de bouwwegen komen en wat het effect van eventueel aanwezige afschermende bebouwing is.
Tabel 2.8 Berekende maximale hinderafstanden voor de mogelijke hinderfactoren tijdens realisatiefase
Aspect
Indicatieve maximale hinderafstanden [meter]
1
Geluiden van de realisatiefase hoorbaar
300 (stedelijk gebied) - 740 (landelijk gebied)
2
Geluidshinder als gevolg van piekgeluiden
80 (sloop) - 130 (aanleg)
3
Gewenste afstand tussen woningen en bouwwegen
6 (sloop) - 30 (aanleg)
4
Effecten op de luchtkwaliteit in betekenende mate
125
5
Hinder als gevolg van trillingen
20 (zwaar transport) - 100 (heien)
6
Schade als gevolg van trillingen
5 (zwaar transport) - 50 (heien)
Aspect 1 betreft de langdurige activiteiten op de bouwplaats van zowel de mastvoet, opstijgpunt of kabelsleuf, waaronder de shovel- en kraanwerkzaamheden (18 dagen), en het geluid van de bemalingspomp (vijf weken). Deze geluiden zijn constant, kennen geen grote uitschieters in de vorm van piekgeluiden en vallen op afstand vaak niet op tussen de andere al aanwezige geluidsbronnen. Bovendien geldt dat het menselijk oor snel went aan relatief zachte, constante geluiden. Om die redenen wordt dit aspect in het MER verder niet meegenomen.
11
• • •
Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (HILV) Circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ 12 Gezondheidseffectscreening Stad & Milieu (2010), Handboek voor een gezonde inrichting van de woonomgeving, RIVM 13 Stichting Bouw Research, 2003
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
33\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
De piekgeluiden (aspect 2) zijn tijdens een kortere periode hoorbaar, maar kunnen hinder veroorzaken. De geluidsniveaus waarop piekgeluiden hinder kunnen veroorzaken zijn fors hoger dan de geluidsniveaus als gevolg van langdurige activiteiten. Dit geldt bijvoorbeeld voor bouw- en afbraakwerkzaamheden, in het bijzonder voor heien (gemiddeld drie maar maximaal vijf dagen, zie navolgend tekstkader). In de beoordeling wordt uit gegaan van de worstcase scenario. Om deze reden worden de geluidscontouren van heiwerkzaamheden (ten behoeve van mastlocaties en opstijgpunten) in het MER gebruikt.
Heiwerkzaamheden (B+O) Dit is de belangrijkste geluidsbron. Bij de heiwerkzaamheden worden per fundering naar verwachting circa 10 tot 16 palen geheid, dat wil zeggen in totaal 20 tot 32 palen per bipole mast. Voor de fundering van de hoekmasten worden per mast circa 30 palen geheid. De effectieve heitijd bedraagt circa 10 minuten per paal, dus circa 5,3 uur per bipole mast. In principe zullen deze werkzaamheden per bipole mast in circa drie werkdagen plaatsvinden, waarbij alleen overdag werkzaamheden plaats zullen vinden. De bronsterkte van heiwerkzaamheden bedraagt meestal tussen de 118 en 133 dB(A). Uitgaande van relatief geluidsarm, maar gangbaar materieel wordt vooralsnog uitgegaan van een bronsterkte van 129 dB(A). Bij de heiwerkzaamheden kunnen geluidspieken optreden met een bronsterkte van circa 143 dB(A).
De overige aspecten die zijn gepresenteerd, kunnen ook hinder veroorzaken: geluid van verkeer op de bouwwegen, luchtkwaliteit en trillingen (aspecten 3 tot 5). De afstanden voor deze aspecten bevinden zich binnen een marge tussen 5 en 130 meter. De hinder is in alle gevallen (zeer) tijdelijk, maximaal ongeveer zes weken, en treedt alleen op bij de woningen die op korte afstand liggen van de plaats van de werkzaamheden. Beoordeling tijdelijke hinder Voor de beoordeling van het geluid is vanwege de heiactiviteiten aansluiting gezocht bij de Circulaire Bouwlawaai. Deze circulaire beveelt voor de dagperiode (07.00-19.00 uur) een langtijdgemiddeld geluidsniveau LAr, LT aan van 60 dB(A) op de gevels van woningen. Indien de werkzaamheden maximaal 1 maand duren, wordt 65 dB(A) als maximale toetsingsnorm aanbevolen. Aangezien de heiwerkzaamheden per mast niet langer duren dan een aantal dagen is de 60 dB(A) norm gehanteerd. Voor voornoemde activiteiten is de afstand van de geluidscontouren tot de werklocatie berekend. Deze afstanden zijn vermeld in tabel 2.9.
Tabel 2.9 Contourafstanden voor de verschillende activiteiten / geluidsbronnen in de aanlegfase
Activiteit / geluidsbron
Heiwerkzaamheden
34\80
Contourafstand per geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A)
52 dB(A)
55 dB(A)
60 dB(A)
62 dB(A)
65 dB(A)
560 m
470 m
370 m
250 m
210 m
170 m
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Om de tracéalternatieven adequaat te kunnen beoordelen ten aanzien van hei- en bouwwerkzaamheden, wordt het aantal woningen 14 inzichtelijk gemaakt binnen het potentiële hindergebied van 250 meter aan weerszijden van het tracé. Hier wordt ook het aantal woningen binnen het hindergebied van 250 meter aan weerszijden van het bestaand tracé meegenomen, vanwege mogelijke sloophinder. Het gaat hier dus om een worstcase benadering. Dit gebeurt eveneens met behulp van een GIS. Wijze van beschrijving De totale aantallen woningen binnen de hinderzones van de bovengrondse- en mogelijke ondergrondse tracédelen worden alleen kwantitatief weergegeven. Er wordt geen beoordeling toegekend. De motivering hiervoor is dat het totaal aantal mogelijk gehinderde woningen feitelijk weinig zegt over de daadwerkelijke hinder die mensen kunnen ervaren. Uiteraard betekent meer woningen binnen het beschouwde gebied wel dat er meer geluidgehinderden zullen zijn. Het exacte aantal woningen is bovendien afhankelijk van eventuele afschermende bebouwing en de routes van het vrachtverkeer. Tot slot is van belang te melden dat de werkzaamheden die mogelijk tot hinder leiden zeer tijdelijk zijn.
2.4
Wat wordt bij een ander thema onderzocht en wat wordt niet onderzocht
Een aantal milieueffecten die mogelijk kunnen ontstaan in de gebruiks- en/of realisatiefase van hoogspanningsverbindingen is niet nader onderzocht in het MER. In de volgende subparagrafen worden de verschillende effecten beschreven en wordt toegelicht waarom deze aspecten niet nader zijn onderzocht. 2.4.1
Coronageluid
Rondom geleiders van een hoogspanningsverbinding heerst een elektrisch veld. Hoe hoger de spanning op de geleiders van de hoogspanningsverbinding, des te hoger is het elektrische veld rondom de componenten en de geleiders. Door deze hoge veldsterkte kan de omringende lucht geïoniseerd worden. Als gevolg van deze ionisatie kunnen elektrische ontladingen plaatsvinden. Deze ontladingen gaan gepaard met een zoemend (en soms) knetterend geluid. Dit verschijnsel wordt corona genoemd. Er zijn condities denkbaar waaronder de intensiteit en daarmee hoorbaarheid van corona toeneemt. Wanneer er zich tijdens regen, mist of andere omstandigheden druppels op of onderaan een geleider bevinden, dan kunnen deze druppels door hun vorm het elektrische veld lokaal laten toenemen. Daarnaast kan, ongeacht de weersomstandigheden, coronageluid plaatselijk optreden ter hoogte van de isolatoren (isolatorkettingen) aan de hoogspanningsmasten. Coronageluid kan hier ontstaan wanneer de isolator(ketting) onregelmatigheden vertoont of vervuild is geraakt en het elektrische veld daardoor plaatselijk onregelmatig is verdeeld. Dit komt onder andere voor in kustgebieden, waar de isolatoren vervuild en/of aangetast kunnen worden door zeezout.
14
BAG (Basisregistraties Adressen en Gebouwen van het Kadaster) panden met een woonfunctie
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
35\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Er is voor het specifieke coronageluid in Nederland en ook internationaal geen (wettelijk) toetsingskader voorhanden. In Nederland is dat bijvoorbeeld wel het geval voor industrie-, spoorof wegverkeerslawaai. Voor het beoordelen van coronageluid is aansluiting gezocht bij internationale en nationale onderzoeken en geluidsmetingen. Daaruit kan geconcludeerd worden dat coronageluid onder droge weersomstandigheden nauwelijks hoorbaar zal zijn en daarmee ook geen hinder zal veroorzaken bij woningen op een afstand van 37 meter of meer van de verbinding. Onder natte omstandigheden zijn diverse factoren van invloed op de mate waarin coronageluid hoorbaar zal zijn. In deze worstcase situatie (een opeenstapeling van nachtperiode met regen, weinig wind en achtergrondgeluidsbronnen én geopende ramen) zal coronageluid hoorbaar kunnen zijn. Of dit ook daadwerkelijk hinder oplevert, hangt af van diverse andere factoren. Opgemerkt moet worden dat de omstandigheden met regen gedurende de nachtperiode zich in Nederland slechts gedurende 7-8 % van de tijd voordoen. De combinatie van regen gedurende de nacht met geopende ramen, weinig wind en lage achtergrondgeluidsniveaus zal zich nog minder vaak voordoen.
Op grond van bovenstaande kan worden aangenomen dat het effect van coronageluid op gezondheid en welbevinden zeer beperkt is en in vrijwel alle voorzienbare gevallen lager dan van andere geluidbronnen. Er is internationaal summier onderzoek gedaan naar de geluidsproductie van hoogspanningsverbindingen. In 1972 is door Perry een relatie gesuggereerd tussen het te verwachten aantal klachten van omwonenden en de geluidshinder van de hoogspanningsverbinding. Het onderzoek van Perry is tot dusver het enige voorhanden zijnde onderzoek dat ingaat op de klachten van geluidsbelasting door het corona-effect bij hoogspanningsmasten. Het rapport geeft aan dat boven bepaalde waarden klachten zijn te verwachten. Het bewijs voor die stelling is echter niet direct uit het rapport af te leiden. Dit onderzoek werd, bij gebrek aan een (wettelijk) toetsingskader, als toetsingskader gebruikt in het MER voor Randstad 380 Zuidring. De belangrijkste conclusie uit het betreffende onderzoek is dat bij geluidsniveaus tot ongeveer 53 dB(A) het aantal klachten (en dus de overlast) laag zal zijn. In Nederland treden klachten van hoogspanningsleidingen slechts sporadisch op, en in de 5 jaarlijkse hinderinventarisaties (door TNO en RIVM, waarvan de laatste in 2008 is uitgevoerd) worden hoogspanningsleidingen nooit als hinderbron genoemd.
In 2011 is door TNO onderzoek verricht naar de beleving van hinder door coronageluid (TNO060-UT-2011-01530 d.d. 30 augustus 2011). Dit laboratoriumonderzoek met proefpersonen heeft zich op twee facetten gericht: 1) het bepalen van de relatie tussen hinderbeleving voor verkeersgeluid en coronageluid en 2) het bepalen van de invloed van achtergrondgeluid als gevolg van wegverkeer op de beleving van coronageluid. Het onderzoek is in een proefopstelling uitgevoerd met proefpersonen die deels wel en deels niet bekend waren met coronageluid.
36\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
De proefpersonen zijn daarbij in een gesimuleerde huiskamersetting blootgesteld aan verschillende combinaties (in hoogte van het geluidsniveau) van wegverkeersgeluid en coronageluid. In het onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken: • Bij dezelfde geluidsniveaus wordt coronageluid als hinderlijker ervaren dan wegverkeersgeluid, waarbij de door de proefpersonen gerapporteerde hinder bij een bepaald niveau van coronageluid overeenkomt met de hinder door wegverkeersgeluid met een niveau dat ruim 4 dB(A) hoger is •
Achtergrondgeluid afkomstig van wegverkeer heeft geen maskerende invloed op de hinder door coronageluid; een steeds hoger achtergrondgeluidniveau in combinatie met coronageluid leidt juist tot verhoogde hinder
Voor wegverkeersgeluid wordt in de Wet geluidhinder de grenswaarde van 50 dB(A) 15 gedurende de dagperiode gehanteerd voor de situatie waarbij sprake is van een beperkt (5 %) aantal ernstig geluidgehinderden. Algemeen wordt gesteld dat verkeersgeluidsniveaus lager dan 50 dB(A) niet leiden tot een onaanvaardbaar leefklimaat. Uit het onderzoek van TNO kan vervolgens afgeleid worden dat coronageluid met een geluidsniveau lager dan 46 dB(A) (50-4 dB(A)) gedurende de dagperiode ook tot een situatie zal leiden waarbij geen sprake is van een onaanvaardbaar akoestisch leefklimaat. Dit niveau ligt circa 7 dB(A) lager dan de waarde van Perry. Voor de avond- en nachtperiode zijn deze waarden, in analogie met het beoordelingskader voor wegverkeerslawaai, respectievelijk 5 en 10 dB(A) lager. Ontwerpeisen Wintrackmasten in relatie tot corona Bij het ontwerp van een nieuwe hoogspanningsverbinding worden door TenneT specificaties gehanteerd voor de geluidsniveaus als gevolg van coronageluid (Achtergronddocument annex geluidsbeleid nieuwbouw lijnen, TAMS 53.07.13.06, TenneT TSO,mei 2007). Deze eisen zijn gedifferentieerd naar droge en natte weersomstandigheden (regen en mist). Onder droge omstandigheden is de geluideis 30 dB(A) op een afstand van 37 meter van de as van de lijn ongeacht de optredende windsnelheid (gedefinieerd als het midden tussen beide masten).
Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vakwerkmasten en de Wintrackmasten. Onder natte omstandigheden is maximaal 45 dB(A) de ontwerpnorm op dezelfde afstand van de as van de lijn. Door KEMA is in 2009 bureauonderzoek gedaan naar de te verwachten geluidsproductie van de geleiders die bij de nieuwe Wintrack masten in Randstad380 worden toegepast. Na realisatie van de Wintrackmasten in de Zuidring, is het Wintrack ontwerp op enkele punten gewijzigd, onder andere vanwege veilig werken in de masten en aanpassingen in de elektrische veldsterkte. Bovendien zijn ook nieuwe typen masten toegevoegd aan de Wintrack familie, zoals de 4-circuits 380 kV-mast. In 2013 is daarom door KEMA opnieuw een bureauonderzoek gedaan naar de te verwachten geluidproductie van de geleiders die bij het vernieuwde ontwerp en de nieuwe typen mastconfiguratie horen. 15
Geluidsniveaus in dB(A) hebben betrekking op geluidsniveaus op een bepaalde afstand tot een geluidsbron. Geluidniveaus in dB Lden hebben betrekking op de jaargemiddelde geluidsbelasting
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
37\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Uit beide onderzoeken, waarbij geluidsberekeningen verricht zijn op basis van empirische gegevens en diverse metingen, is gebleken dat voldaan kan worden aan de geluidseisen van TenneT. Uit de berekeningen van KEMA blijkt dat op 37 meter uit het hart van de lijn (bij de verschillende mastconfiguraties) het geluidsniveau onder natte weersomstandigheden in de meeste gevallen ruim onder de 45 dB(A) ligt (en in uitzonderlijke situaties 45 dB(A) is). Dit berekende geluidsniveau voldoet niet alleen aan de ontwerpspecificaties maar ligt ook onder het niveau waarvoor op basis van het TNO onderzoek gedurende de dagperiode hinder te verwachten valt. Tevens ligt dit niveau onder het geluidniveau dat door Perry is gesuggereerd. De onderzoeken van KEMA tonen ook aan dat de ontwerpspecificaties realistisch zijn. Zou men op basis van de specificaties van de geluideisen een Lden bepalen, dan komt die op 37 meter van de lijn uit op een Lden van 42 dB. Dit zou betekenen dat al op die afstand geen significante hinder te verwachten is. Dat wil - net als bij een weg of spoorweg - niet zeggen dat de lijn nooit hoorbaar is, maar dat de niveaus laag zijn of de tijdsduren beperkt. Geluidsmetingen aan een nieuwe verbinding met Wintrackmasten Inmiddels is een nieuwe verbinding aangelegd waarbij Wintrackmasten toegepast zijn (Ranstad380 Zuidring).
Kort na ingebruikname zijn op diverse momenten door DNV KEMA (met als onderaannemer Cauberg Huygen) geluidsmetingen verricht onder droge en natte weersomstandigheden. Deze eerste metingen zijn onderdeel van een meetprogramma waarbij verspreid over twee jaren in alle seizoenen geluidsmetingen verricht worden onder worstcase, namelijk natte - weersomstandigheden. De geluidsmetingen hebben zich gericht op het bepalen van de geluidsniveaus als gevolg van coronageluid, de bijdrage van achtergrondgeluid en eventuele tonale componenten in het geluid. Uit de metingen is gebleken dat in zowel natte als droge weersomstandigheden geen hoorbaar coronageluid aanwezig was. De gemeten geluidsniveaus waren onder natte weersomstandigheden ruimschoots lager dan de ontwerpeis en werden volledig bepaald door omgevingsgeluidbronnen. Onder droge weersomstandigheden waren de gemeten geluidsniveaus weliswaar hoger dan de ontwerpeis maar werden die geluidsniveaus ook volledig bepaald door omgevingsgeluidbronnen. Conclusie van de metingen was dat onder natte omstandigheden voldaan kan worden aan de maatgevende ontwerpeisen voor de Wintrackverbindingen. Klachtenanalyse corona leidt tot technische aanpassingen In Nederland zijn naar aanleiding van klachten van omwonenden in 2006 geluidsmetingen verricht aan de 380 kV-lijn Beverwijk-Oostzaan.
Deze geluidsmetingen en het aanvullend onderzoek hebben uitgewezen dat het coronageluid afkomstig van de (porseleinen) isolatorkettingen verantwoordelijk was voor de klachten. Na vervanging van de isolatorkettingen door de kunststof isolatoren die ontworpen zijn ten behoeve van gebruik aan de Wintrackmasten, zijn er geen klachten meer gemeld over coronageluid.
38\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Het coronageluid dat in het verleden voor klachten heeft gezorgd en afkomstig was van de (porseleinen) isolatorkettingen, wordt bij de nieuwe Wintrackverbindingen gereduceerd door middel van gebruik van de kunststof isolatoren. Kunststof isolatoren zijn aanzienlijk beter bestand tegen (weers)invloeden dan de conventionele (porseleinen) isolatoren. Deze innovatie zorgt ervoor dat de isolatoren minder snel vervuild raken en niet beschadigd worden als gevolg van de invloeden van bijvoorbeeld zeezout. Hiermee wordt het coronageluid significant gereduceerd. Of coronageluid daadwerkelijk hoorbaar is en dus tot geluidshinder kan leiden wordt in grote mate bepaald door het altijd aanwezige achtergrondgeluid. TNO heeft geconcludeerd dat wegverkeersgeluid in situaties waarin coronageluid en wegverkeersgeluid in min of meer gelijke mate aanwezig zijn geen maskerende invloed heeft op de beleving van coronageluid. Als het omgevingsgeluid duidelijk hoger is dan het coronageluid (meer dan 10 dB(A)) zal de hoorbaarheid en daarmee ook de hinder van coronageluid sterk afnemen. Ook factoren als het tijdstip op de dag dat coronageluid waargenomen zou kunnen worden, de geluidisolatie van de woning (ramen open of dicht) spelen een rol bij de beoordeling.
Corona onder invloed van omgevingsfactoren en weersomstandigheden Zoals beschreven neemt de intensiteit van coronageluid toe onder natte omstandigheden. De frequentie van neerslag in 2009 bij het maatgevende weerstation De Bilt (KNMI) is in dit kader nader bestudeerd. Hieruit is gebleken dat het op circa 185 dagen van het jaar 2009 niet heeft geregend. Gemiddeld was er in 2009 sprake van natte weersomstandigheden gedurende 8 % van de tijd ongeveer gelijk verdeeld over de dag en nacht. Ook over een langere periode (1971-2000) is door het KNMI vastgesteld dat de gemiddelde neerslagduur 7-8 % bedraagt. Onder droge weersomstandigheden, die gedurende meer dan de helft van de dagen van een willekeurig jaar optreden, is het geluidsniveau van alle mastconfiguraties 30 dB(A) op 37 meter afstand van de as van de lijn. Uit zowel de onderzoeken van Perry en TNO valt af te leiden dat dit niet zal leiden tot hinder of klachten. Onder natte weersomstandigheden is sprake van hogere coronageluidsniveaus (afgerond maximaal 45 dB(A) op 37 meter afstand van de as van de lijn; geldend voor alle mastconfiguraties). Het gebied waarbinnen coronageluid hoorbaar zal zijn, is daarmee groter. De omvang van dit gebied hangt af van diverse factoren waarbij vooral het achtergrondgeluidniveau onder de natte weersomstandigheden bepalend zal zijn.
Rekening houdend met de tijdelijke aard van de natte weersomstandigheden (8 % van de tijd) resulteert het coronageluidniveau in een (etmaal)gemiddelde geluidbelasting uitgedrukt in Lden van ongeveer 42 dB op 37 meter van de as van de lijn. Uit het hinderonderzoek van TNO is gebleken dat coronageluid circa 4 dB hinderlijker wordt ervaren dan wegverkeersgeluid. In dat kader is een vergelijking met 45 dB Lden 16 wegverkeerslawaai te maken.
16
Lden: Level day, evening, night, ofwel het tijdgewogen jaargemiddelde geluidniveau in de dag, de avond en de nachtperiode. Het jaargemiddelde geluidniveau Lden mag bij een geluidgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) niet meer bedragen dan 47 dB. Daarnaast geldt een ten hoogst toelaatbare waarde voor het jaargemiddelde geluidniveau in de nachtperiode Lnight van 41 dB
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
39\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Daarvan kan gesteld worden dat het ruim onder de voorkeursgrenswaarde 17 van 48 dB Lden ligt en dat dus het percentage geluidgehinderden als gevolg van coronageluid op 37 meter van de as van de lijn onder natte weersomstandigheden beperkt zal zijn. Onder natte weersomstandigheden is bovendien nog sprake van een forse toename van de achtergrondgeluidsniveaus; niet alleen als gevolg van wegverkeer maar ook als gevolg van bijvoorbeeld regenval en wind. Daar is in het bovenstaande nog geen rekening mee gehouden maar dit zal leiden tot een zekere maskering van het coronageluid en daarmee een verdere verlaging van de kans op hinder. Er zijn diverse factoren die de mate van hoorbaarheid en daarmee de hinderbeleving van coronageluid bepalen. Voor de beoordeling van coronageluid wordt in het MER een worstcase aanname gedaan van deze factoren: • •
Beoordeling in de nachtperiode Coronageluid dat ontstaat onder natte weersomstandigheden wordt vergeleken met ˗ Achtergrondgeluid (verkeer) onder droge weersomstandigheden ˗ Geopende ramen
Conclusie Buiten de worstcase benadering om kan geconcludeerd worden dat coronageluid onder droge weersomstandigheden nauwelijks hoorbaar zal zijn en daarmee ook geen hinder zal veroorzaken bij woningen op een afstand van 37 meter of meer van de verbinding. Onder natte omstandigheden zijn diverse factoren van invloed op de mate waarin coronageluid hoorbaar zal zijn. In deze worstcase situatie (een opeenstapeling van nachtperiode met regen, weinig wind en achtergrondgeluidsbronnen én geopende ramen) zal coronageluid hoorbaar kunnen zijn. Of dit ook daadwerkelijk hinder oplevert, hangt af van diverse andere factoren. Opgemerkt moet worden dat de omstandigheden met regen gedurende de nachtperiode zich in Nederland slechts gedurende 7-8 % van de tijd voordoen. De combinatie van regen gedurende de nacht met geopende ramen, weinig wind en lage achtergrondgeluidsniveaus zal zich nog minder vaak voordoen. Op grond van bovenstaande kan worden aangenomen dat het effect van coronageluid op gezondheid en welbevinden zeer beperkt is en in vrijwel alle voorzienbare gevallen lager dan van andere geluidbronnen.
17
40\80
De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB. Dit is in de Wet geluidhinder vastgelegd
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
2.4.2
Windeffecten (windfluiten)
Ten aanzien van het aspect geluid in de gebruiksfase bestaat geen relevant wettelijk vastgesteld toetsingskader. Hieronder wordt een beschrijving gegeven van het geluid als gevolg van het fluiten van de wind door de configuratie van een hoogspanningsverbinding. Een effect dat kan optreden bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen is het fluiten van de lijnen en masten in de wind. Dit geluid bevindt zich in het hoogfrequente gebied (hoge tonen). Een eigenschap van hoogfrequent geluid is dat dit geluid met de afstand sterker afneemt dan geluiden in een lagere frequentie. Het fluiten van de hoogspanningsverbindingen en de mast is dus steeds minder hoorbaar, hoe verder men van de lijn af staat. Ook wordt het optredende geluid gemaskeerd door andere optredende windeffecten zoals het ruisen van bewegende takken in de wind, andere ‘fluitende objecten’ et cetera. Doordat alle onderdelen van het ontwerp van de masten een ronde vormgeving krijgen, wordt windfluiten zoveel mogelijk voorkomen. Hoewel het geluid hoorbaar is, zijn er geen normen waaraan getoetst kan worden. Omdat er, anders dan de ontwerpeisen van TenneT, geen normen zijn en het geluid als gevolg van wind tussen de alternatieven onderling geen onderscheidend vermogen heeft, worden effecten van windfluiten neutraal beoordeeld en verder in dit MER buiten beschouwing gelaten. 2.4.3
Luchtkwaliteit in de gebruiksfase
Onder bepaalde omstandigheden (tijdens mist en regen, bij vervuiling of beschadiging van het geleider oppervlakte) produceren hoogspanningsverbindingen ozon. Dit is het gevolg van coronaontladingen (zie toelichting Corona in hoofdstuk 2.4.1). De gevormde ozon ontleedt (verdwijnt) snel. Bij meetonderzoek konden geen meetbare concentraties van ozon worden vastgesteld. Ook uit berekeningen blijkt dat de ozon zo snel ontleedt dat de ozonconcentratie bij hoogspanningsverbindingen niet aantoonbaar toeneemt [KEMA, 2007b]. Door de coronaontladingen worden (naast ozon) ook negatieve en positieve ionen gevormd. Deze ionen kunnen met de luchtstroming worden meegevoerd. Hierdoor zou de achtergrondconcentratie plaatselijk kunnen worden verhoogd. De ionen zouden kunnen botsen met aerosolen (fijn stof) zodat de neerslag van fijn stof zou kunnen toenemen. Er bestaan enkele hypothesen die stellen dat elektrisch geladen fijn stof een negatieve invloed kan hebben op de gezondheid van mensen. Het RIVM heeft hier onderzoek naar gedaan. In dit onderzoek is geconcludeerd dat er elektrische ontladingen ontstaan bij hoogspanningsverbindingen en dat dit leidt tot oplading van fijn stof. Dit extra geladen fijn stof wordt verspreid door de wind. Er is echter niet aannemelijk gemaakt dat er vervolgens extra neerslag plaatsvindt van fijn stof in longen, luchtwegen of op de huid.
Veel extra lading op fijnstofdeeltjes leidt wel tot extra neerslag in de luchtwegen, maar daar is zeker een tien keer hogere lading voor nodig dan bij een hoogspanningslijn kan ontstaan [RIVM, 2007]. Het RIVM heeft naar aanleiding van kritiek die de literatuurstudie uit 2007 in het maatschappelijk debat heeft gekregen in 2011 een update uitgevoerd [RIVM, 2011]. Het heeft de recente publicaties onderzocht en op de kritiek gereageerd. Ook zijn de standpunten van enkele nationale en internationale organisaties die zich met dit onderwerp bezighouden verzameld.
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
41\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Al deze informatie tezamen geeft geen aanleiding de conclusies uit 2007, dat het niet aannemelijk is dat bovengrondse hoogspanningslijnen de schadelijke gezondheidseffecten van fijn stof beïnvloeden, te herzien. Hoogspanningsverbindingen emitteren geen fijn stof (zijn geen bron) en leiden niet tot het aantrekken van fijn stof. Het verspreidingsgedrag van fijn stof wordt vooral door de wind bepaald. Een hoogspanningslijn is volgens Het RIVM niet in staat om fijn stof 'tegen te houden'. Dus het is onwaarschijnlijk dat fijn stof zich tussen de aan te leggen hoogspanningslijn en andere infrastructuur, zoals de A58 - Goes-Roosendaal zal ophopen. Uit onderzoek blijkt dat er geen epidemiologische aanwijzingen zijn dat er meer hart- en luchtwegaandoeningen, longkanker of huidkanker voorkomen bij mensen die wonen of verblijven in de omgeving van hoogspanningsverbindingen [KEMA, 2007b]. Op grond van het bovenstaande is geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat hoogspanningsverbindingen aantoonbare schadelijke effecten hebben op de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit wordt daarom, voor wat betreft permanente effecten, in dit MER verder buiten beschouwing gelaten. 2.4.4
Veiligheid
Veiligheid in de realisatiefase: bouwverkeer en bouwplaats In de aanleg- en sloopfase kan bouwverkeer een invloed hebben op de verkeersveiligheid. In de fase van het MER is de exacte plaats van de bouwwegen nog niet bekend. In de voorbereidende fase van de aanleg en sloop van hoogspanningsverbindingen wordt een veiligheids- en gezondheidsplan opgesteld om de gezondheid en veiligheid op de bouwplaats te waarborgen. Verkeersveiligheid ten aanzien van de aan- en afvoerbewegingen wordt hierin meegenomen. Specifieke arbeidsplaats gerelateerde veiligheidsaspecten zijn geen onderdeel van het MER. Door TenneT zijn ‘Veiligheidsvoorschriften voor werken in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen beheerd door TenneT TSO B.V’ gepubliceerd [TenneT, 2007]. Veiligheid in de gebruiksfase Bij hoogspanningsverbindingen kunnen onder speciale omstandigheden situaties optreden zoals lijndansen, draadbreuk, omvallende masten, ijsafslag en ongevallen door de verkeersbewegingen ten gevolge van onderhoud. Onderstaand wordt informatie verschaft over deze specifieke omstandigheden en wordt aangegeven waarom deze effecten niet nader onderzocht worden in dit MER.
42\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Lijndansen of draadbreuk Bij neerslag rond het vriespunt (natte sneeuw of ijzel) kan in korte tijd ijsaangroei ontstaan op de bovengrondse hoogspanningsverbindingen. De draden hebben normaal gesproken een doorsnee van twee tot vier centimeter. Door de ijsaangroei kan de doorsnee toenemen tot meer dan tien centimeter. De draad wordt hierdoor zwaarder en kan breken. De harde wind kan er bovendien voor zorgen dat de ijszetting de vorm krijgt van een vleugelprofiel. Een vleugelprofiel zorgt ervoor dat een voorwerp gaat draaien. Een goed voorbeeld daarvan is een propeller van een windturbine. Die is zo vormgegeven dat deze gaat draaien als de wind er tegenaan komt. Een hoogspanningslijn moet juist zo stil mogelijk hangen. Door het vleugelprofiel komen de draden gemakkelijk in beweging en kunnen ze elkaar raken. Hierdoor ontstaat kortsluiting. Dit fenomeen staat bekend als lijndansen. Lijndansen en draadbreuk treden maar heel zelden op. Op het moment dat een draad breekt, valt direct de hoogspanning van de draad. Dit is vergelijkbaar met het hebben van kortsluiting thuis. Direct na kortsluiting valt de stroom weg op in ieder geval dát deel waar de kortsluiting optreedt. Dit betekent dat wanneer een draad op de grond valt, er geen hoogspanning op deze draad staat.
Effecten op lijndansen en draadbreuk wordt vanwege het zeldzame voorkomen in dit MER en omdat er geen verschil is tussen de bovengrondse alternatieven verder buiten beschouwing gelaten. Omvallen masten Voor zover bekend zijn er in Nederland nooit ongelukken voorgevallen met 380 kV-masten. Wel zijn er in juli 2010 bij de buurtschap Vethuizen in de Achterhoek tijdens noodweer zes hoogspanningsmasten van een 150 kV-verbinding omgewaaid. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze masten door zeer extreme (weers)omstandigheden zijn omgevallen. Verder is er in de gemeente Beek (Limburg) een 150 kV-mast omgevallen. De oorzaak hiervan is onduidelijk maar is mogelijk het gevolg van een brand in de directe nabijheid van de mast en de daaropvolgende herstelwerkzaamheden. Deze gevallen betreffen uitzonderingen. Het netwerk van TenneT is robuust gebouwd en berekend op extreme weersomstandigheden. Toch moet er volgens meteorologen in de toekomst rekening gehouden worden met extremer wordende weersomstandigheden vanwege klimaatverandering. TenneT is, onder meer via de brancheorganisatie, actief betrokken bij klimatologische verandering en het onderzoek naar de wijze waarop het netwerk hierop moet worden voorbereid. Bij nieuwe verbindingen wordt verder altijd gebruik gemaakt van de nieuwste criteria die worden gesteld aan het bouwen van verbindingen.
Hiermee wordt dit veiligheidsaspect in het kader van dit MER buiten beschouwing gelaten.
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
43\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
IJsafslag Ongeveer 1 à 2 keer per winter komen bij TenneT klachten binnen over ijs dat van de hoogspanningslijn is gevallen en schade heeft veroorzaakt. De aangetoonde schade wordt door TenneT vergoed. Er zijn geen gevallen bekend van letselschade door ijsafslag. Om bovengenoemde reden en omdat er voor dit effect geen verschil is tussen de bovengrondse alternatieven worden de effecten op veiligheid als gevolg van ijsafslag in dit MER verder buiten beschouwing gelaten. Verkeersbewegingen door onderhoud Het aantal verkeersbewegingen dat het onderhoud van de hoogspanningsverbindingen met zich mee brengt, is zo laag dat dit geen invloed heeft op de verkeersveiligheid op de wegen rondom de hoogspanningslijn. Derhalve wordt verkeersveiligheid tijdens de gebruiksfase buiten beschouwing gelaten in dit MER. Veiligheid in relatie tot externe factoren (incidenten) Enkele voorbeelden van externe factoren die de veiligheid kunnen beïnvloeden zijn vliegende objecten (zoals vliegtuigen, afgedwaalde parachutisten en luchtballonnen) en hoge objecten op passerende voertuigen (zoals kranen op schepen of vrachtwagens). Veiligheid in relatie tot externe factoren is alleen aan de orde bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen.
Voor iedereen die werkzaamheden uitvoert in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen is door TenneT een document opgesteld (Uw veiligheid en de ongestoorde werking van de bovengrondse hoogspanningsverbinding, februari 2017). Bij ondergrondse delen worden afspraken gemaakt met de grondeigenaar in de Zakelijk Rechtovereenkomst. Ook ligt de kabel voldoende diep in de bodem zodat deze niet geraakt wordt tijdens bijvoorbeeld het ploegen van de grond. De veiligheid in verband met het vliegveld Woensdrecht is een aandachtspunt omdat verschillende tracéalternatieven dit vliegveld op enige afstand passeren. Bij het ontwerpen van de tracéalternatieven is rekening gehouden met basisuitgangspunten en wettelijke randvoorwaarden (zoals hoogtebeperkingen) rondom Woensdrecht. Alle tracéalternatieven voldoen hieraan. Tussen de verschillende tracéalternatieven is op het MER-detailniveau geen verschil. Daarom zijn de effecten op vliegveiligheid verder niet onderzocht in het MER. Bij de verdere uitwerking van het voorkeurstracé zal TenneT in samenwerking met Defensie (bevoegd gezag voor Woensdrecht) er voor zorg dragen dat de nieuwe verbinding voldoet aan de vereisten als gevolg van de nabijheid van het vliegveld. Ook kunnen zeer extreme weersomstandigheden de veiligheid beïnvloeden. Tussen de verschillende bovengrondse alternatieven is wat betreft weersinvloeden geen verschil.
Mede daarom worden de effecten op veiligheid als gevolg van weersomstandigheden niet beschreven bij de alternatieven.
44\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Buisleidingen De tracéalternatieven in het MER liggen op enkele locaties dicht bij ondergrondse buisleidingen, waaronder buisleidingen met gevaarlijke inhoud. Voor de alternatieven die zijn onderzocht in het MER zijn de exacte mastlocaties nog niet bekend, waardoor het in de deze fase niet mogelijk is om het exacte veiligheidseffect (kans op, en gevolg van een calamiteit, dat wil zeggen het omvallen van een mast op een buisleiding) te bepalen. Bij de tracering van de alternatieven en varianten is zoveel als mogelijk rekening gehouden met het plaatsen van de verbinding op veilige afstand van deze buisleidingen. Daar waar dit niet mogelijk is, is bekeken of er risico's ontstaan met betrekking tot externe veiligheid. De veiligheid van de tracéalternatieven met betrekking tot buisleidingen met gevaarlijke inhoud is daarom verder niet in het MER onderzocht. Voor de afweging tussen de tracéalternatieven in het MER heeft dit geen invloed. Wanneer echter het voorkeurstracé bekend is (en de exacte mastlocaties bekend zijn), zal TenneT in samenwerking met de betreffende leidingbeheerders (bijvoorbeeld LsNed, Zebra, Air liquide, Shell en Gasunie) risicoanalyses van het groepsgebonden risico (GR) en persoonsgebonden risico (PR) uitvoeren om de veiligheid van het tracé en naastgelegen (gas)leidingen te garanderen.
In het kader van het voorkeurstracé (in het inpassingsplan) zullen voor eventuele veiligheidsknelpunten rondom aardgasleidingen technische maatregelen worden genomen indien de veiligheidnormen worden overschreden. Blusrisico’s bij woningen In opdracht van VROM heeft Nibra in 2005 een onderzoek verricht naar mogelijke extra risico’s voor woningen gebouwd in de buurt van hoogspanningsverbindingen ten gevolge van beperkte blusmogelijkheden door de brandweer. De onderzoeksresultaten zijn verwerkt in het rapport ‘Woningen binnen de gevarenzone van hoogspanningsverbindingen: blusrisico’s’ (Nibra, 27 juni 2005). Hoge spanningsniveaus houden risico’s in voor brandweerpersoneel in geval van brandbluswerkzaamheden nabij een hoogspanningslijn. De extra risico’s van het niet inzetten door de brandweer is voor bewoners zeer gering omdat 96,7 procent zichzelf redt of door anderen wordt gered. Per jaar en voor geheel Nederland is nauwelijks sprake van slachtoffers (0,3 slachtoffers) (Nibra, 2005). Indien er een protocol en inzetvoorwaarden beschikbaar zijn, zal de brandweer op dezelfde wijze inzetten als bij een gewone woningbrand. In dat geval lopen bewoners, noch bezittingen nauwelijks extra risico’s vanwege het feit dat de woning zich binnen de gevarenzone bevindt van een hoogspanningsverbinding (Nibra, 2005).
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
45\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Invloed op risicovolle industrie Bij risicovolle industrie kan worden gedacht aan chemische en petrochemische bedrijven, vuurwerkopslagplaatsen en dergelijke. Bedrijven van categorie 4 en 5 volgens de publicatie van Vereniging van Nederlandse Gemeenten vallen onder Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Binnen dit Besluit worden onder andere regels gesteld met betrekking tot omliggende bedrijven of activiteiten. Daarnaast zijn er de internationale normen IEC61000-6-1 en IEC61000-6-2 die van toepassing zijn. Bij de tracering zijn de afstanden die volgen uit deze normen in acht genomen. 2.4.5
Invloed van risicoperceptie op de gezondheid van omwonenden
In 2003 heeft RIVM in opdracht van VROM een peiling verricht naar de omvang en ernst van verstoring van de leefomgeving in Nederland. De resultaten zijn verwerkt in het RIVM-rapport 815120001/2004 ‘Hinder door milieufactoren en de beoordeling van de leefomgeving in Nederland. Inventarisatie verstoringen 2003’. Ten aanzien van risicobeleving is daarbij de bezorgdheid over eigen veiligheid in de leefomgeving onderzocht. Aan de geïnterviewde personen is gevraagd welke situatie lijkt op hun persoonlijke woonsituatie. Drie procent van de 2000 geïnterviewde personen heeft aangegeven dat het ‘wonen bij een hoogspanningsleiding’ lijkt op de eigen woonsituatie. Uit de peiling is gebleken dat achttien procent van deze personen matig bezorgd is over de veiligheid met betrekking tot de eigen woonsituatie. Vijftien procent geeft aan erg bezorgd te zijn. De resultaten van deze peiling zijn vergeleken met de resultaten van hetzelfde onderzoek dat in 1998 is verricht. Het percentage matig bezorgden is in 2003 met vier procent gedaald in vergelijking met de 1998. Het percentage erg bezorgden is daarentegen met vier procent gestegen ten opzichte van 1998. In het onderzoek wordt niet ingegaan op de achtergronden van de risicobeleving en de mogelijke oorzaken van verschuivingen in 2003 ten opzichte van 1998. Recenter onderzoek is niet beschikbaar.
46\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
3 Beschrijving huidige situatie en autonome ontwikkelingen 3.1
Inleiding
In het MER worden de effecten van de alternatieven en tracévarianten vergeleken met de referentiesituatie. Dit is de huidige situatie inclusief de ‘autonome ontwikkelingen’ dat wil zeggen de situatie zoals die in 2030 is als vastgesteld overheidsbeleid wordt uitgevoerd, maar zonder dat de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt aangelegd. Dit betekent dat de autonome ontwikkelingen zijn meegenomen in het MER voor de 10 jaar na de beoogde vaststelling van het rijksinpassingsplan. Het referentiejaar is daarom 2030. Voor de autonome ontwikkeling zijn de ontwikkelingen meegenomen die uiterlijk 1 december 2016 zijn vastgelegd in (ontwerp) ruimtelijke plannen en voldoende concreet zijn. Relevant voor het thema Leefomgevingskwaliteit zijn de reeds aanwezige hoogspanningsverbindingen in het studiegebied in relatie tot de ligging in de nabijheid van woonomgevingen. Daarnaast zijn voor de tijdelijke effecten van geluid in de realisatiefase de aanwezige geluidsbronnen in het studiegebied van belang voor de bepaling van de referentiesituatie. De referentiesituatie voor het thema Leefomgevingskwaliteit wordt bepaald door het studiegebied van het betreffende deelgebied te beschouwen, zodat de referentiesituatie gelijk is voor alle alternatieven.
De realisatiefase van de nieuwe 380 kV-verbinding is tijdelijk van aard en omvat de aanlegactiviteiten van de nieuwe verbinding en sloopwerkzaamheden aan de bestaande verbindingen. In de autonome ontwikkeling zijn er geen werkzaamheden binnen het zoekgebied aan de orde die een relatie hebben met de voorgenomen ontwikkeling. Voor het criterium hinder in de realisatiefase is de referentiesituatie gelijk aan de huidige situatie. In de volgende paragrafen zijn daarom alleen de huidige situatie en autonome ontwikkeling van het criterium magnetische velden beschreven.
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
47\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
3.2
Deelgebied 1
Er loopt een 150 kV-verbinding vanuit de richting van Zeeland over Rilland en Woensdrecht richting het noorden van Roosendaal, richting Geertruidenberg. Vanuit de omgeving van Kapelle loopt er ook een 380 kV-verbinding over Rilland naar het noorden van Bergen op Zoom, langs de A58 richting Roosendaal ten zuiden van Oud Gastel en verder naar het noorden in de richting van Moerdijk. Figuur 3.1 geeft de bestaande verbindingen weer binnen deelgebied 1 en de gevoelige bestemmingen binnen de indicatieve magneetveldzone van deze verbindingen.
Figuur 3.1 Gevoelige bestemmingen referentiesituatie deelgebied 1
48\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
In deelgebied 1 liggen in de huidige situatie 38 woonbestemmingen geheel of gedeeltelijk binnen de indicatieve magneetveldzone van de bestaande verbindingen. Er liggen geen scholen, crèches of kinderopvangplaatsen binnen deze zone. Autonome ontwikkeling Binnen de indicatieve magneetveldzone van de bestaande verbindingen in deelgebied 1 zijn geen bestemmingsplannen waarbinnen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt. Een aantal bestemmingsplannen maakt het bouwen van nieuwe woningen in het buitengebied niet onmogelijk. Dit is echter zo weinig concreet dat daarmee geen rekening is gehouden. Is een hoogspanningsverbinding eenmaal bestemd of gerealiseerd dan zijn gemeenten verantwoordelijk voor de toepassing van het beleidsadvies en dus voor de afweging of een gevoelige bestemming nabij een hoogspanningsverbinding wordt toegestaan.
3.3
Deelgebied 2
Er loopt een 150 kV-verbinding vanuit Roosendaal in oostelijke richting Etten-Leur. Vanuit de richting van Oud Gastel lopen een 150 kV en een 380 kV-verbinding langs Standaarbuiten richting Moerdijk. Figuur 3.2 geeft de bestaande verbindingen weer binnen deelgebied 2 en de gevoelige bestemmingen binnen de indicatieve magneetveldzone van deze verbindingen.
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
49\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Figuur 3.2 Gevoelige bestemmingen referentiesituatie deelgebied 2
In deelgebied 2 liggen in de huidige situatie 46 woonbestemmingen geheel of gedeeltelijk binnen de indicatieve magneetveldzone van de bestaande verbindingen. Er liggen geen scholen, crèches of kinderopvangplaatsen binnen deze zone.
50\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Autonome ontwikkeling Binnen de indicatieve magneetveldzone van de bestaande verbindingen in deelgebied 2 zijn geen bestemmingsplannen waarbinnen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt. Een aantal bestemmingsplannen maakt het bouwen van nieuwe woningen in het buitengebied niet onmogelijk. Dit is echter zo weinig concreet dat daarmee geen rekening is gehouden. Is een hoogspanningsverbinding eenmaal bestemd of gerealiseerd dan zijn gemeenten verantwoordelijk voor de toepassing van het beleidsadvies en dus voor de afweging of een gevoelige bestemming nabij een hoogspanningsverbinding.
3.4
Deelgebied 3
Er loopt een 150 kV-verbinding vanuit Roosendaal in oostelijke richting via Etten-Leur naar Breda en verder naar het noorden naar Geertruidenberg. Vanuit de richting van Oud Gastel lopen 150 kV en een 380 kV-verbinding langs Moerdijk naar Geertruidenberg. Tussen Geertruidenberg en Tilburg bevindt zich een 380 kV-verbinding die om de bebouwing van ‘s-Gravenmoer loopt en vervolgens afbuigt naar het zuiden. Ten zuiden van deze 380 kV-verbinding bevindt zich een 150 kV-verbinding die vanuit Geertruidenberg ten noorden van Oosterhout en Dongen naar het zuiden loopt richting Tilburg. Figuur 3.3 geeft de bestaande verbindingen weer binnen deelgebied 3 en de gevoelige bestemmingen binnen de indicatieve magneetveldzone van deze verbindingen.
Figuur 3.3 Gevoelige bestemmingen referentiesituatie deelgebied 3
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
51\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
In de huidige situatie liggen bijna 1.000 woonbestemmingen geheel of gedeeltelijk binnen de indicatieve magneetveldzone van alle bestaande hoogspanningsverbindingen binnen deelgebied 3. Van deze gevoelige bestemmingen ligt een groot deel in Breda-Noord, binnen de magneetveldzone van de bestaande 150 kV-verbinding. Hier ligt ook een school deels in de magneetveldzone. In figuur 3.4 is een luchtfoto weergegeven van Breda-Noord, waar de doorsnijding van de bestaande 150kV is te zien.
Figuur 3.4 Doorsnijding bestaande 150 kV-verbinding door Breda-Noord
52\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Autonome ontwikkeling Binnen de indicatieve magneetveldzone van de bestaande verbindingen in deelgebied 3 zijn enkele bestemmingsplannen waarbinnen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt. De bestemmingsplannen liggen vaak slechts ten dele in de magneetveldzone van de bestaande verbinding. De invulling van de bestemmingsplannen is niet altijd bekend waardoor kwantificeren van het aantal gevoelige bestemmingen niet mogelijk. Dit heeft geen invloed op de beoordeling van de alternatieven. Dit is echter zo weinig concreet dat daarmee geen rekening is gehouden. Is een hoogspanningsverbinding eenmaal bestemd of gerealiseerd dan zijn gemeenten verantwoordelijk voor de toepassing van het beleidsadvies en dus voor de afweging of een gevoelige bestemming nabij een hoogspanningsverbinding.
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
53\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
4 Effecten deelgebied 1 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de verschillende tracéalternatieven in deelgebied 1 voor de relevante beoordelingscriteria voor het thema Leefomgevingskwaliteit gepresenteerd. Dit gebeurt per criterium.
4.2
Criterium 1: Magneetveldzone nieuwe verbinding
In hoofdstuk 2 is toegelicht dat voor het beschrijven en beoordelen van effecten die samenhangen met magneetveldzones alle gevoelige bestemmingen in beeld worden gebracht. Dat wil zeggen dat zowel gekeken wordt naar gevoelige bestemmingen die in de huidige situatie al in de magneetveldzone van een bestaande verbinding liggen én gevoelige bestemmingen die door de aanleg van de nieuwe verbinding in de indicatieve magneetveldzone hiervan komen te liggen. In tabel 4.1 zijn de aantallen per alternatief weergegeven.
Tabel 4.1 Effectentabel criterium magneetveldzone in deelgebied 1
Blauw
Blauw variant
Blauw variant
Blauw variant
Blauw variant
Blauw varian
Markiezaat
Steenbergen
Kruisland
Markiezaat -
Markiezaat -
Steenbergen
Kruisland
Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve magneetveldzone van de nieuwe
40
40
2
12
2
12
14
14
0
2
0
2
---
---
-
-
-
-
bovengrondse verbinding Waarvan reeds in bestaande magneetveldzone Beoordeling
Geel
Geel variant Markiezaat
Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve magneetveldzone van de nieuwe
42
42
17
17
---
---
bovengrondse verbinding Waarvan reeds in bestaande magneetveldzone Beoordeling
54\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Paars
Paars variant
Paars variant
Paars variant
Brabantse
Brabantse
Brabantse
Wal -
Wal - Bergen
Wal -
Woensdrecht
op Zoom
Woensdrecht - Bergen op Zoom
Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve magneetveldzone van de nieuwe
27
20
19
12
8
5
4
1
--
--
--
-
bovengrondse verbinding Waarvan reeds in bestaande magneetveldzone Beoordeling
Rood Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve
27
magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding Waarvan reeds in bestaande magneetveldzone Beoordeling
8 --
Bij Blauw en Blauw variant Markiezaat is sprake van een aanzienlijke toename van het aantal gevoelige bestemmingen ten opzichte van de referentiesituatie. Een belangrijk deel hiervan ligt ten zuiden van Lepelstraat. Bij Blauw variant Steenbergen en Blauw variant Kruisland loopt de nieuwe bovengrondse verbinding ten noorden van Lepelstraat, wat resulteert in een lager aantal gevoelige bestemmingen dan de varianten met een tracering ten zuiden van Lepelstraat. Ten opzichte van Blauw variant Steenbergen raakt Blauw variant Kruisland meer gevoelige bestemmingen doordat deze afbuigt richting de bestaande verbinding en later weer naar het noorden loopt. Bij Geel en Geel variant Markiezaat is het aantal gevoelige bestemmingen ten zuiden van Lepelstraat enigszins lager dan bij Blauw maar liggen diverse gevoelige bestemmingen tussen Halsteren, Moerstraten en Visberg verspreid binnen de indicatieve magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding. Bij Paars en de varianten is sprake van verspreid gelegen gevoelige bestemmingen. Doordat er bij de varianten op Paars stukken ondergrondse verbindingen worden toegepast worden bij deze varianten minder gevoelige bestemmingen geraakt dan bij het bovengrondse tracé.
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
55\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Voor Rood is het tracé voor deelgebied 1 vrijwel identiek aan Paars. Voor deelgebied 1 kan geconcludeerd worden dat Blauw variant Steenbergen, Blauw variant Kruisland, Blauw variant Markiezaat - Steenbergen, Blauw variant Markiezaat - Kruisland en Paars variant Woensdrecht – Bergen op Zoom “beperkt negatief (-)” scoren voor het criterium 'aantal gevoelige bestemmingen' van de nieuwe verbinding. In absolute aantallen hebben Blauw variant Steenbergen en Blauw variant Markiezaat - Steenbergen het minst negatieve effect op het aantal gevoelige bestemmingen.
4.3
Criterium 2: Magneetveldzone vrijgespeelde bestemmingen
In tabel 4.2 is het aantal vrijgespeelde bestemmingen per alternatief en tracévariant opgenomen. Het betreft gevoelige bestemmingen die geheel of gedeeltelijk liggen in de magneetveldzone van een bestaande verbinding waarvan de masten en kabels afgebroken worden (vanwege het combineren met de nieuwe hoogspanningsverbinding) en die buiten de indicatieve magneetveldzone van de nieuwe verbinding liggen. Tabel 4.2 Effectentabel criterium magneetveldzone vrijgespeelde bestemmingen in deelgebied 1 Blauw
Vrijgespeelde gevoelige bestemmingen Beoordeling
Blauw variant
Blauw variant
Blauw variant
Blauw variant
Blauw varian
Markiezaat
Steenbergen
Kruisland
Markiezaat -
Markiezaat -
Steenbergen
Kruisland
17
17
17
17
17
17
++
++
++
++
++
++
Paars variant
Paars variant
Paars variant
Brabantse
Brabantse
Brabantse
Wal -
Wal - Bergen
Wal -
Woensdrecht
op Zoom
Woensdrecht
Geel
Geel variant Markiezaat
Vrijgespeelde gevoelige bestemmingen Beoordeling
17
17
++
++
Paars
- Bergen op Zoom Vrijgespeelde gevoelige bestemmingen Beoordeling
56\80
9
12
13
16
+
+
+
++
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Rood Vrijgespeelde gevoelige bestemmingen Beoordeling
9 +
Blauw en Geel en alle bijbehorende tracévarianten resulteren in hetzelfde aantal vrijgespeelde bestemmingen. Het betreft hier gevoelige bestemmingen die verspreid langs de te verwijderen bestaande verbinding Rilland - Woensdrecht - Bergen op Zoom - Roosendaal liggen. Bij Paars, de tracévarianten hierop en Rood is ook sprake van het verwijderen van een bestaande verbinding. Hier worden echter minder gevoelige bestemmingen vrijgespeeld dan bij Blauw en Geel omdat de nieuwe verbinding voor een belangrijk deel de tracering van deze bestaande verbinding volgt. Voor deelgebied 1 kan geconcludeerd worden dat Blauw variant Steenbergen, Blauw variant Kruisland, Blauw variant Markiezaat - Steenbergen, Blauw variant Markiezaat – Kruisland, Geel, Geel variant Markiezaat en Paars variant Woensdrecht – Bergen op Zoom licht positief (+) scoren op het criterium 'aantal vrijgespeelde bestemmingen'. In absolute aantallen hebben Blauw en Geel en alle tracévarianten hierop het meest positieve effect op het aantal vrijgespeelde gevoelige bestemmingen (17 stuks).
4.4
Criterium 3: Hinder in de realisatiefase
Het criterium hinder in de realisatiefase ziet op de effecten die kunnen optreden vanwege bouwen aanlegwerkzaamheden, inclusief bouwverkeer. Het betreft mogelijke hinder ten gevolge van geluid, trillingen of veranderingen in de luchtkwaliteit. In hoofdstuk 2 is gemotiveerd dat voor dit MER een zone van 250 meter ter weerszijden van het tracé is aangehouden als gebied waar tijdelijk sprake kan zijn van hinder. Het is overigens mogelijk dat een woning in zowel het invloedsgebied van het amoveren van een bestaande verbinding als in het invloedsgebied van de aanleg van een nieuwe verbinding ligt. Deze woning is dan in beide regels meegenomen. In tabel 4.3 wordt het aantal woningen (woonpercelen) binnen deze (globale) hinderzone aangegeven.
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
57\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Tabel 4.3 Effectentabel criterium hinder in de realisatiefase in deelgebied 1 Blauw
Blauw variant
Blauw variant
Blauw variant
Blauw variant
Blauw varian
Markiezaat
Steenbergen
Kruisland
Markiezaat –
Markiezaat -
Steenbergen
Kruisland
Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. aanleg van
217
217
88
147
88
147
120
120
120
120
120
120
Paars variant
Paars variant
Paars variant
Brabantse
Brabantse
Brabantse
Wal -
Wal - Bergen
Wal -
Woensdrecht
op Zoom
Woensdrecht
nieuwe verbinding Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. amoveren van bestaande verbinding
Geel
Geel variant Markiezaat
Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. aanleg van
148
148
120
120
nieuwe verbinding Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. amoveren van bestaande verbinding Paars
- Bergen op Zoom Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. aanleg van
45
39
45
39
35
73
43
81
nieuwe verbinding Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. amoveren van bestaande verbinding
58\80
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
Rood Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. aanleg van
38
nieuwe verbinding Aantal woningen met hinder in realisatiefase a.g.v. amoveren
38
van bestaande verbinding
Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg - Achtergronddocument Leefomgevingskwaliteit
59\80
Kenmerk R008-1232999EMR-nda-V02-NL
5 Effecten deelgebied 2 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de verschillende tracéalternatieven in deelgebied 2 voor de relevante beoordelingscriteria voor het thema leefomgevingskwaliteit gepresenteerd. Dit gebeurt per criterium.
5.2
Criterium 1: Magneetveldzone nieuwe verbinding
In hoofdstuk 2 is toegelicht dat voor het beschrijven en beoordelen van effecten die samenhangen met magneetveldzones alle gevoelige bestemmingen in beeld worden gebracht. Dat wil zeggen dat zowel gekeken wordt naar gevoelige bestemmingen die in de huidige situatie al in de magneetveldzone van een bestaande verbinding liggen én gevoelige bestemmingen die door de aanleg van de nieuwe verbinding in de indicatieve magneetveldzone hiervan komen te liggen. In tabel 5.1 zijn de aantallen per alternatief weergegeven. Tabel 5.1 Effectentabel criterium magneetveldzone in deelgebied 2 Blauw
Blauw variant Kruisland/ Steenbergen
Aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve magneetveldzone van de nieuwe
20
0
12
0
--
0
bovengrondse verbinding Waarvan reeds in bestaande magneetveldzone Beoordeling
Geel
Geel variant
Geel variant
Westzijde
Standdaar-
A17