2021-019770 Bijlage 20- MER-overige-bijlagen
Tekst van het document
Tabel 4.1 Beoordelingskader van effecten van de boven- (B) en ondergrondse (O) tracédelen op natuur
Deelaspect en relevantie B/O Beoordelingskader Draadslachtoffers
B(+O)
Criterium
Sub-criterium
Wet natuurbescherming Verandering
Beoordeling Kwalitatief
aantal draadslachtoffers Gebiedsbescherming B+O
Wet
Effecten
A gebieden met
natuurbescherming/
leefgebied
bijzondere
Natuurnetwerk
Kwantitatief (ha)
natuurwaarden
Nederland Soortbescherming
B+O
Wet natuurbescherming
B leefgebied
Kwantitatief (ha)
vogels B+O
Wet natuurbescherming
C leefgebied vleermuizen
doorsnijdingen)
B+O
Wet natuurbescherming
D zoogdieren
Kwantitatief (ha)
B+O
Wet natuurbescherming Tijdelijke effecten en Natuurnetwerk
op leefgebied
Nederland
amfibieën
Kwantitatief (aantal
Kwalitatief
De effectbepaling en -beoordeling van de functie bos is opgenomen in criterium 2 van het thema ruimtegebruik (4.2.2).
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
31\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
4.2 4.2.1
Toelichting Beoordelingscriteria Criterium 1: verandering van het aantal draadslachtoffers (B(+O))
Vogels kunnen tegen de geleiders en (vooral) bliksemdraden van bovengrondse tracédelen aan vliegen en als gevolg daarvan sterven of gewond raken: de zogeheten draadslachtoffers. In hoeverre draadslachtoffers optreden hangt van een aantal factoren af. Globaal kan worden gesteld dat het aantal draadslachtoffers wordt bepaald door het aantal vliegbewegingen (afhankelijk van het type gebied) maal de kans dat een vogel in aanvaring komt met de hoogspanningsverbinding (afhankelijk van de zichtbaarheid van de verbinding en de vogelsoort). Alleen de vogelsoorten die een (verhoogde) kans hebben om tegen een hoogspanningsdraad aan te vliegen en voorkomen nabij het studiegebied zijn relevant bij de milieueffectbeoordeling. Voor aanleg van ondergrondse tracédelen in de nieuwe verbinding is dit criterium niet van toepassing. Wel kan er bij het toepassen van ondergrondse tracédelen sprake zijn van positieve effecten in het geval dat een bestaande bovengrondse verbinding wordt verwijderd waardoor eventuele draadslachtoffers in de nieuwe situatie worden voorkomen(om deze reden staat O bij dit criterium tussen haakjes). De beoordeling betreft een ecologische benadering waarin het gaat om het vergelijken van de bestaande situatie (waarin al een hoogspanningsverbinding aanwezig is) met de toekomstige situatie waarin de bestaande verbinding is vervangen door een nieuwe, gecombineerde verbinding.
Per situatie wordt een globaal effect beschreven. Hierin zijn zowel de nieuwe als bestaande te verwijderen verbindingen meegenomen, omdat het verwijderen van oude verbindingen een positief effect kan hebben op het aantal draadslachtoffers. Deze globale beschrijving wordt gebruikt bij het beschrijven van de effecten per tracé-alternatief. Vervolgens vindt de beoordeling kwalitatief plaats aan de hand van de volgende zevenpuntsschaal waarbij de kwalificatie in verandering aantal draadslachtoffers af wordt geleid uit de beschreven situatie (tabel 4.2).
Tabel 4.2 Classificatie effecten op draadslachtoffers
Waardering effecten
32\48
Omschrijving
Verandering aantal draadslachtoffers
+++
Zeer positief effect
Sterke afname aantal slachtoffers in het deelgebied
++
Positief effect
Afname aantal slachtoffers in het deelgebied
+
Licht positief effect
Lichte afname aantal draadslachtoffers in het deelgebied
0
Nauwelijks effect
Aantal slachtoffers blijft gelijk in het deelgebied
-
Licht negatief effect
Lichte toename aantal slachtoffers in het deelgebied
--
Negatief effect
Toename aantal slachtoffers in het deelgebied
---
Zeer negatief effect
Sterke toename aantal slachtoffers in het deelgebied
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
4.2.2
Criterium 2: effecten op leefgebied (B+O)
Binnen het criterium 'effecten op leefgebied' is een aantal sub-criteria onderscheiden, dat in de onderstaande paragrafen wordt toegelicht. De effecten voor deze sub-criteria worden kwantitatief in beeld gebracht waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie over de bestaande natuurwaarden. De informatie is opgenomen in een GIS-kaart. In tabel 4.1 is opgenomen welk oppervlak is meegenomen per sub-criterium van effecten op het leefgebied. Sub-criterium 2A: gebieden met bijzondere natuurwaarden (B+O) Voor de effectbepaling van gebieden met een bijzondere natuurwaarde is uitgegaan van gebieden die ook daadwerkelijk als natuurgebied zijn aangewezen, namelijk Natura 2000gebieden, Beschermde Natuurmonumenten of gebieden die behoren tot het NNN en NNB. Er is ook expliciet gekeken naar bosgebieden binnen het NNN en Natura 2000-gebieden. Het effect van een mastvoet op het beschermd gebied is permanent, dat van een kabel meestal tijdelijk. Uitgangspunt is dat het effect van de aanleg van de kabelsleuf alleen als permanent wordt beschouwd op het moment dat het bijbehorende habitat niet binnen een jaar is hersteld. Dit betekent concreet dat de effecten van de aanleg ter plaatse van beschermd grasland als tijdelijk worden beschouwd en de effecten in beschermde bosgebieden als permanent.
Voor de beoordeling van het effect van de bovengrondse en ondergrondse tracédelen op de natuurgebieden wordt de oppervlakte natuurgebied binnen de fysiek aangetaste oppervlakte bepaald(tabel 4.3). Het effect op natuurgebieden wordt per alternatief en variant bepaald door de oppervlakte natuurgebied binnen de fysiek aangetaste oppervlakte in hectares te berekenen, zowel voor de nieuwe verbinding als voor de verbinding die als onderdeel van een alternatief zal verdwijnen. Het oppervlakteverlies bepaalt het effect van de hoogspanningsgebieden op natuurgebieden. Het verschil (oppervlakte onder / boven nieuwe verbinding minus oppervlakte onder de te slopen verbinding) wordt ook bepaald ter indicatie en benoemd in de effecttabel. Wanneer er in de nieuwe situatie minder natuurgebied effect ondervindt van de verbinding dan in de referentiesituatie, leidt dit in theorie tot een positief effect. Hierbij is de oppervlaktewinst door amoveren van de huidige verbinding in bosgebied niet meegenomen in het netto-effect. De tijd dat een bos zich vormt is te groot om per direct van een positief effect te kunnen spreken.. De effecten van de alternatieven op natuurgebieden zijn als volgt beoordeeld. Wanneer er in de nieuwe situatie minder natuurgebied effect ondervindt van de verbinding dan in de referentiesituatie, leidt dit tot een positief effect.
Hierbij is er de mogelijkheid om het habitat te herstellen dat bij de aanleg van de bestaande verbinding anders is ingericht. Wanneer er in de nieuwe situatie meer natuurgebied onder/boven de verbinding ligt, leidt dit tot een negatief effect. Voor de ondergrondse delen is het negatieve effect enkel van toepassing op het moment dat het bijbehorende habitat niet binnen een jaar is hersteld. Tabel 4.3 Classificatie effecten op gebieden met bijzondere natuurwaarde
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
33\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Waardering effecten
Omschrijving
Ruimtebeslag / oppervlak in hectare
+++
Zeer positief effect
n.v.t.
++
Positief effect
Winst van > 10 ha in het deelgebied
+
Licht positief effect
Winst van 1 tot en met 10 ha in het deelgebied
0
Nauwelijks effect
Verlies of winst van 0 tot en met 1 ha in het deelgebied
-
Licht negatief effect
Verlies van 1 tot en met 10 ha in het deelgebied
--
Negatief effect
Verlies van > 10 ha in het deelgebied
---
Zeer negatief effect
n.v.t.
Sub-criterium 2B: leefgebieden vogels (B+O) Negatieve effecten op leefgebied ontstaan door het aantasten van broedlocaties van vogels of locaties waar wordt gefoerageerd of geslapen. In dit sub-criterium wordt specifiek naar weidevogelgebieden en akkerfauna-gebieden gekeken. De selectie van de weidevogelgebieden en akkerfauna-gebieden is op basis van het fungerende beleid op 1 januari 2017 van de provincie Noord-Brabant en Zeeland. De beoordeling van aantasting van Vogelrichtlijngebieden vindt plaats in sub-criterium 2A, zodat geen overlap ontstaat met dit sub-criterium. De aanwezigheid van een bovengrondse verbinding of opstijgpunt kan van invloed zijn op de kwaliteit van het leefgebied van vogels. Door bijvoorbeeld een hoogspanningsverbinding in een weidevogelgebied of akkerfauna-gebied te realiseren, kan de kwaliteit van dit gebied dusdanig achteruit gaan dat weidevogels er niet meer of minder tot broeden komen. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de gebieden wordt ook rekening gehouden met mogelijke doorsnijding, waardoor een deel van het gebied mogelijk zijn functionaliteit verliest doordat deze te klein wordt.
Bij het amoveren van verbindingen kunnen ook positieve effecten optreden op bestaande weidevogelgebieden of en akkerfauna-gebieden, doordat gebieden na verwijdering van een hoogspanningsverbinding een barrière wordt weggenomen en geschikt(er) worden als leefgebied. De effecten voor dit sub-criterium zijn gekwantificeerd met behulp van de informatie over natuurgebieden en gebieden met een natuurfunctie die zijn opgenomen in het GIS. Het gaat hierbij om het ruimtebeslag in weidevogel- en akkerfauna-gebieden door de strook waar optische verstoring kan optreden. In onderstaand overzicht is het beoordelingskader weergegeven. Bij de afbakening van de klassengrenzen is rekening gehouden met het over het algemeen grote areaal van vogelgebieden.
34\48
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Tabel 4.4 Classificatie effecten op leefgebieden vogels
Waardering effecten
Omschrijving
Effectoppervlak in hectare
+++
Zeer positief effect
n.v.t.
++
Positief effect
Winst van > 10 ha in het deelgebied
+
Licht positief effect
Winst van 1 tot en met 10 ha in het deelgebied
0
Nauwelijks effect
Verlies of winst van 0 tot en met 1 ha in het deelgebied
-
Licht negatief effect
Verlies van 1 tot en met 10 ha in het deelgebied
--
Negatief effect
Verlies van > 10 ha in het deelgebied
---
Zeer negatief effect
n.v.t.
Sub-criterium 2C: leefgebieden vleermuizen (B+O) Naast vogels zijn vleermuizen de andere groep vliegende soorten die in potentie in aanraking kunnen komen met hoogspanningsdraden. Vleermuizen beschikken over echolocatie en zijn uitstekend in staat om objecten in de lucht, zoals hoogspanningsdraden, waar te nemen. De effectbeoordeling beperkt zich dan ook tot het verlies aan leefgebied door het verdwijnen van bomen en andere groenstructuren. Deze groenstructuren maken voor veel soorten deel uit van foerageergebieden of vliegroutes en vormen dus essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen. Voor de bepaling van het effect wordt het aantal doorsnijdingen van lijnvormige elementen met bomen (bomenrijen, singels, houtwallen) geteld. De beoordeling van de effecten wordt gedaan aan de hand van het aantal doorsnijdingen van bomenrijen en/of bosgebieden. De doorsnijding kan zowel plaatsvinden als gevolg van een bovengrondse hoogspanningsverbinding als ondergronds kabeltracé. In beide gevallen kan het nodig zijn beplanting te verwijderen als gevolg waarvan een lijnelement wordt doorbroken. Bij het bepalen van de klassengrenzen is rekening gehouden met de lengte van de nieuwe verbinding en de mogelijkheid om mitigerende maatregelen te nemen.
Tabel 4.5 Classificatie effecten op leefgebieden vleermuizen
Waardering effecten
Omschrijving
Aantal doorsnijdingen (ha)
+++
Zeer positief effect
Niet van toepassing
++
Positief effect
Niet van toepassing
+
Licht positief effect
Niet van toepassing
0
Nauwelijks effect
< 10 doorsnijdingen in het deelgebied
-
Licht negatief effect
10 tot 100 doorsnijdingen in het deelgebied
--
Negatief effect
100 - 200 doorsnijdingen in het deelgebied
---
Zeer negatief effect
> 200 doorsnijdingen in het deelgebied
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
35\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Sub-criterium 2D: leefgebieden zoogdieren (B+O) Dit sub-criterium richt zich op de effecten die optreden op soorten die voornamelijk zijn gebonden aan de bosgebieden, zoals de eekhoorn. Door het kappen van bomen op het moment dat een hoogspanningsverbinding of kabeltracé door een bosgebied wordt aangelegd, bestaat de kans dat er ook leefgebied voor deze soorten verloren gaat. De effecten op het leefgebied van zoogdieren worden kwalitatief bepaald. Dit gebeurt op basis van verspreidingsgegevens en een inschatting van de ligging van (potentieel) leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (Broekhuizen et al., 1992). Aangezien de beoordeling uitsluitend voor bos-gebonden soorten wordt uitgevoerd, worden eventuele positieve effecten als gevolg van amoveren van bestaande verbindingen (gevolgd door bosherstel) niet benoemd. Het leefgebied voor de soorten bestaat doorgaans uit bos met (vrij) oude bomen. De tijd dat een dergelijk bos zich vormt is te groot om per direct van een positief effect te kunnen spreken.
Tabel 4.6 Classificatie effecten op leefgebieden zoogdieren
Waardering effecten
4.2.3
Omschrijving
Aangetast oppervlak in hectare
+++
Zeer positief effect
Niet van toepassing
++
Positief effect
Niet van toepassing
+
Licht positief effect
Niet van toepassing
0
Nauwelijks effect
Nagenoeg geen aantasting van leefgebied in het deelgebied
-
Licht negatief effect
Aantasting van leefgebied in het deelgebied
--
Negatief effect
Grote aantasting van leefgebied in het deelgebied
---
Zeer negatief effect
Zeer grote aantasting van leefgebied in het deelgebied
Criterium 3: tijdelijke effecten (B+O)
Naast permanente effecten treden ook tijdelijke effecten op. Een deel daarvan kan worden voorkomen of beperkt door hiermee bij verdere uitwerking van het definitieve tracé rekening te houden en door waar nodig (mitigerende) maatregelen in de aanlegfase toe te passen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vogels en vleermuizen. Voor vogels is het uitgangspunt dat er niet wordt gewerkt in de broedperiode zodat verstoring niet optreedt. Voor vleermuizen wordt aangenomen dat alle werkzaamheden bij daglicht plaatsvinden en dat geen extra verlichting in de donkerperiode als vleermuizen actief zijn, wordt gebruikt. Tijdelijke effecten die wel kwalitatief worden beschreven zijn de effecten op amfibieën. De verwachting is dat er geen permanent leefgebied van amfibieën verloren gaat. Wel kan het leefgebied tijdelijk verstoord worden als gevolg van de aanleg of het slopen van het kabeltracé of de bovengrondse verbinding. Voor de amfibieën geldt dat vaak grote delen (potentieel) leefgebied tijdelijk worden doorsneden. Het op voorhand treffen van mitigerende maatregelen is dan vaak relatief complex. Bij de deelgebieden waar dit het geval is, wordt deze soortgroep meegenomen in de effectbeoordeling.
36\48
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Voor de effectbepaling wordt gebruik gemaakt van verspreidingsgegevens voor de relevante soorten op kilometerhokniveau en in GIS gezet. Voor sommige soorten worden deze verspreidingsgegevens geëxtrapoleerd voor de omliggende kilometerhokken. Dit wordt voornamelijk gedaan voor de soorten die op een grotere schaal voorkomen, zoals Rugstreeppad. Het tijdelijk effect van bronbemaling voor aanleg van de kabel op verdrogingsgevoelige natuur wordt buiten beschouwing gelaten. Dit effect doet zich alleen voor op het moment dat het kabeltracé door beschermde verdrogingsgevoelige natuurgebieden loopt. Gezien het beperkte aantal verdrogingsgevoelige natuurgebieden binnen het zoekgebied en de zorgvuldige tracering zal dit effect niet of nauwelijks optreden. Mocht op basis van de definitieve tracés alsnog blijken dat er verdrogingsgevoelige natuur wordt doorsneden door een kabel, dan wordt dit (tijdelijke) effect alsnog in het MER beschouwd.
Tabel 4.7 Classificatie tijdelijke effecten
Waardering effecten Omschrijving
Verstoringsrisico
+++
Zeer positief effect
Niet van toepassing
++
Positief effect
Niet van toepassing
+
Licht positief effect
Niet van toepassing
0
Nauwelijks effect
Geen of weinig verstoringsrisico in het deelgebied
-
Licht negatief effect Vrij groot verstoringsrisico in het deelgebied
--
Negatief effect
---
Zeer negatief effect Zeer groot verstoringsrisico in het deelgebied
Groot verstoringsrisico in het deelgebied
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
37\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
5 Ruimtegebruik 5.1
Beoordelingskader
Bij de aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding wordt waar mogelijk rekening gehouden met de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen in een gebied, zoals: bebouwd gebied, bedrijventerreinen, glastuinbouw, landbouw, natuur, recreatieve functies en infrastructuur. De ligging van de tracéalternatieven is waar mogelijk afgestemd op deze functies. Echter, niet alle ruimtelijke functies kunnen geheel worden ontzien en de verbinding heeft mogelijk een gebruiksbeperking tot gevolg. Daar waar bijvoorbeeld de mastvoeten zijn gesitueerd is immers geen ander ruimtegebruik mogelijk. Daarom is het relevant om het ruimtebeslag op het bestaande en toekomstig ruimtegebruik in beeld te brengen. In het MER worden de effecten op twee deelaspecten onderzocht: •
Het fysieke ruimtebeslag van de nieuwe verbinding (kwantitatieve weergave, zonder beoordeling van het effect)
•
Het ruimtegebruik in de ZRO-strook op de verschillende ruimtelijke functies (kwantitatieve weergave, waarbij alleen het effect op bos wordt beoordeeld)
Tabel 5.1 geeft de verschillende deelaspecten, criteria en de effectbepaling weer.
Tabel 5.1 Criteria ter beschrijving van de effecten op ruimtegebruik
Deelaspect en relevantie B/O
Criterium
Beschrijving/beoordeling
Ruimtebeslag verbinding
B+O Fysiek ruimtebeslag in ha
Kwantitatief in hectare
Ruimtegebruik in ZRO-strook
B+O Oppervlak bos in ha
Kwantitatief in hectare
Ruimtegebruik in ZRO-strook
B
Oppervlak maatgevende functies in ZRO Kwantitatief in hectare in ha
5.2 5.2.1
Toelichting beoordelingscriteria Criterium 1: Fysiek Ruimtebeslag (B+O)
Een hoogspanningsverbinding heeft een bepaald ruimtebeslag. De locaties van de mastvoeten en opstijgpunten kunnen niet meer worden gebruikt voor andere functies. Hoe groot dit beslag is, hangt af van de lengte van het tracé, het type mast, de veldlengte en de wijze van uitvoering. Ook de opstijgpunten, daar waar de verkabelde verbinding weer bovengronds komt, leggen evenals een hoogspanningsstation, een fysiek beslag op de ruimte en zijn in dit criterium meegenomen. Een kabeltracé leidt wel tot een tijdelijk ruimtebeslag en tot een aantal ruimtelijke beperkingen na realisatie, maar leidt niet tot een permanent fysiek ruimtebeslag.
38\48
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Het ruimtebeslag is per tracéalternatief en variant inzichtelijk gemaakt door het aantal hectares ruimtebeslag te berekenen. Om de verschillen in ruimtebeslag tussen de verschillende tracéalternatieven goed inzichtelijk te maken, is de volgende informatie inzichtelijk gemaakt: •
Het aantal mastvoeten en opstijgpunten van de nieuwe verbinding
•
De lengte van de te amoveren bestaande verbinding (indien relevant) en daarmee het te verwijderen aantal mastvoeten
Wijze van beschrijven Het fysieke ruimtebeslag van de verschillende tracéalternatieven wordt berekend en kwantitatief uitgedrukt. De alternatieven worden op basis van deze kwantitatieve uitkomsten met elkaar vergeleken. 5.2.2
Criterium 2: Fysiek ruimtebeslag in bos (B+O)
Bijna alle ruimtelijke gebruiksfuncties zijn binnen de ZRO-strook van bovengrondse en ondergrondse tracédelen toegestaan. Voor opgaande beplanting (bos, houtsingel en dergelijke) geldt een beperking. Hoogopgaande beplanting is namelijk niet toegestaan in de ZRO-strook, Hetzelfde geldt voor ondergrondse kabels waar diepwortelende beplanting niet is toegestaan. Een nieuwe verbinding kan zodoende leiden tot de kap van bomen en daarmee tot een beperking voor bos. Ter plaatse van het tracé (de ZRO-strook) moet het bos anders ingericht of beheerd worden. Ter plaatse van het tracé verdwijnt het bos of wordt hoogopgaande beplanting vervangen door vegetatie met lage bomen en struiken.
Het effect op de functie bos wordt per alternatief en variant bepaald door het oppervlak bos binnen de ZRO-strook in hectares te berekenen, zowel voor de nieuwe verbinding als voor de verbinding die als onderdeel van een alternatief zal verdwijnen. Het verschil (oppervlak onder / boven nieuwe verbinding minus oppervlak onder de te slopen verbinding) bepaalt het effect van de hoogspanningsverbinding op de functie bos. 5.2.3
Criterium 3: Oppervlak maatgevende functies in ZRO (B+O)
Een hoogspanningsverbinding (zowel bovengronds als ondergrondse delen) sluit enkele ruimtelijke gebruiksfuncties uit, te weten bebouwing, bos en hoge beplantingen. Daarbij leidt een bovengrondse hoogspanningsverbinding, om de veiligheid nabij de verbinding te kunnen waarborgen en voor de bereikbaarheid van de masten, ook tot een beperking van het gebruik van de gronden binnen de ZRO-strook. De gebruiksbeperkingen binnen de ZRO-strook hebben vooral betrekking op de maximaal toelaatbare hoogte van tijdelijke of permanente objecten, zoals gebouwen, bomen en werktuigen. Voor de ondergrondse kabeltracés geldt eveneens dat binnen de ZRO-strook beperkingen gelden als het gaat om bouw- en graafwerkzaamheden. Voor het gebruik van de ruimte kan dit tot de volgende beperkingen leiden: •
Bebouwing: in principe is bebouwing onder een hoogspannningsverbinding binnen de zakelijke rechtstrook toegestaan echter met beperkingen en onder voorwaarden van TenneT (zoals hoogtebeperkingen). Bebouwing binnen de ZRO-strook van het kabeltracé is niet toegestaan
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
39\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
•
Beplanting: niet toegestaan zijn hoge bomen of opgaande beplanting in de zakelijke rechtstrook bovengronds en diepwortelende beplanting in de zakelijk rechtstrook ondergronds
•
Infrastructuur: toegestaan met inachtneming van veiligheidsafstanden, in onderling overleg met wegbeheerder, spoorbeheerder en buisleidingenbeheerder
•
Land- en tuinbouw: toegestaan met inachtneming van veiligheidsafstanden (hoogte van werktuigen), in onderling overleg met eigenaar
•
Bouwwerkzaamheden: gebruik van kranen, hoogwerkers et cetera direct onder een bovengrondse verbinding is niet toegestaan
Voor een beschrijving van het ruimtegebruik binnen de ZRO-strook van de functies bedrijventerreinen, recreatie, agrarische functies en infrastructuur, worden in de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen deze functies in beeld gebracht. Bij de huidige situatie wordt gekeken naar de gebruiksfuncties die op dit moment mogelijk zijn binnen de ZRO-strook. Het ruimtebeslag per alternatief en variant wordt bepaald door het oppervlak van de ruimtelijke functies binnen de ZRO-strook in hectares te berekenen, zowel voor de nieuwe verbinding als voor de verbinding die als onderdeel van een alternatief zal verdwijnen. Hierbij wordt alleen uitgegaan van de bovengrondse verbindingen. De functies gelegen in de ZRO-strook van een ondergronds tracédeel kennen weliswaar ook beperkingen als het gaat om het bouwen van bouwwerken, maar in de praktijk zal dit niet tot zwaarwegende beperkingen leiden. Bebouwing in de nabijheid van het kabeltracé wordt bij het traceren vrijwel altijd vermeden. Mocht dat niet mogelijk blijken dan kan een boring worden overwogen. Wijze van beschrijven Ter informatie is het ruimtebeslag voor de functies bedrijventerreinen, recreatie, agrarisch gebruik en infrastructuur berekend (op basis van de ZRO-strook). Het ruimtebeslag op deze ruimtelijke functies wordt niet beoordeeld omdat een hoogspanningsverbinding deze functies niet onmogelijk maakt.
De kwantitatieve gegevens maken het wel mogelijk om een onderlinge vergelijking van het ruimtebeslag van de alternatieven en varianten te geven.
40\48
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
6 Bodem en water 6.1
Beoordelingskader
Voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding treden de effecten voor het thema Bodem en Water hoofdzakelijk op ter plaatse van de mastvoeten en de hoogspanningsstations. Daar waar de verbinding ondergronds gaat treden de effecten op over de volledige lengte van de open ontgraving, bij de opstijgpunten en bij de hoogspanningsstations. In tabel 6.1 zijn de deelaspecten zoals die binnen het thema worden beoordeeld opgenomen en deze worden vervolgens in paragraaf 6.2 toegelicht.
Tabel 6.1 Beoordelingscriteria en beoordelingswijze van effecten van de boven- (B) en ondergrondse (O) tracés op bodem en water
Deelaspect en relevantie B/O Beoordelingskader Aardkundige waarden B+O
Beoordelingscriterium
Beoordeling
Aardkundige waarden Aardkundige waarden kunnen Kwantitatief o.b.v. zijn beschermd op
blijvend (permanent) negatief
oppervlakte aantasting
grond van de
worden aangetast
aardkundige waarden (m )
Wet
Het saneren van
Kwantitatief o.b.v.
bodembescherming
bodemverontreinigingen leidt
oppervlakte aantasting
tot een blijvend (permanent)
bestaande en potentiële
positief milieueffect
verontreinigingen (m )
Wet
Als gevolg van bemaling
Kwantitatief o.b.v.
bodembescherming
kunnen mobiele
verplaatsing in meters
verontreinigingen zich
binnen invloedsgebied
2
Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant Bodemkwaliteit
Mobiele verontreinigingen
B+O
O
2
verplaatsen
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
41\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
6.2 6.2.1
Toelichting beoordelingscriteria Criterium 1: Aantasting van aardkundige waarden (B+O)
Graafwerkzaamheden kunnen (potentiële) aardkundige waarden blijvend aantasten. Aardkundige waarden zijn die onderdelen van het landschap die ons iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van een gebied. De aardkundig waardevolle gebieden, zoals deze door de provincie Noord-Brabant zijn aangewezen, worden in GIS ingetekend. Per tracéalternatief wordt geanalyseerd welk oppervlak van een begrensd aardkundig waardevol gebied door de verwachtte vergraving wordt aantast, rekening houdend met de trefkans. In de beoordelingsmethodiek is de aaneengesloten lengte van de aantasting meegenomen. Voor de bovengrondse tracés betekent dit dat wanneer de aantasting kleiner is dan 350 m, de aantasting van de aardkundige waarde waarschijnlijk kan worden voorkomen door een goede plaatsing van de mastvoeten. Dit wordt kwalitatief toegelicht. Dergelijke mitigatie bij een ondergronds tracédeel is niet mogelijk. Het vergraven van gebieden met aardkundige waarden wordt in principe aangemerkt als een negatief milieueffect, afhankelijk van het totaal vergraven oppervlak in een aardkundig waardevol gebied. De classificatie van oppervlaktes (ha) naar waardering is weergegeven in tabel 6.2 en is gebaseerd op expert judgement waarbij het uitgangspunt is om op basis van een deskundig oordeel onderscheid te kunnen maken tussen de alternatieven.
Uitgangspunt is dat één mastvoet de structuur van een aardkundig waardevol gebied als geheel nauwelijks aantast en het effect neutraal is. De ondergrondse tracédelen en meerdere mastvoeten in een aardkundig waardevol gebied beïnvloeden een groter oppervlak. Het negatieve effect neemt hierbij toe. De classificatie van de oppervlaktes is voor de navolgbaarheid voor elk deelgebied gelijk. Omdat de vergelijking van de alternatieven binnen de deelgebieden plaatsvindt maakt dit voor de effectvergelijking van alternatieven onderling geen verschil. De verschillende aardkundige waarden zijn in de beoordelingsmethodiek als gelijkwaardig aangemerkt. Het MER nuanceert de kwantitatieve effectbeoordeling, door de daadwerkelijke kwaliteit van het aardkundig waardevol gebied daar waar relevant toe te lichten. In sommige situaties is bijvoorbeeld een groot gebied als aardkundig waardevol aangemerkt, terwijl alleen kleine oppervlaktes binnen dit gebied echt waardevol zijn. Mitigatie van het effect kan in dergelijke situaties worden bereikt door een zorgvuldige mastplaatsing.
42\48
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Tabel 6.2 Classificatie van effecten van vergraving van aardkundige waarden
Waardering effecten
Omschrijving
Oppervlak
+++
Zeer positief effect
n.v.t.
++
Positief effect
n.v.t.
+
Licht positief effect
n.v.t.
0
Niet of nauwelijks effect
0 ha - 0,1 ha
-
Licht negatief effect
0,2 ha - 5 ha
--
Negatief effect
5,1 ha - 20 ha
---
Zeer negatief effect
> 20 ha
6.2.2
Criterium 2: Sanering bodemverontreinigingen (B+O)
In het studiegebied zijn potentiële en/of bestaande bodemverontreinigingen aanwezig. Bestaande verontreinigingen zijn door onderzoek aangetoond. Bij potentiële verontreinigingen bestaat er een vermoeden dat er een verontreiniging is maar hier is (nog) geen onderzoek naar gedaan om dit te verifiëren. Bodemverontreinigingen ter plaatse van vergravingen worden indien nodig gesaneerd. Dit wordt beoordeeld als een blijvend positief effect. Mobiele verontreinigingen in bodem en grondwater worden niet beïnvloed door de aanwezigheid van een kabel of een mastfundering. Het effect van bronbemaling op mobiele verontreinigingen tijdens de uitvoeringswerkzaamheden en de beoordeling hiervan is in paragraaf 6.2.3 toegelicht. De resultaten van de effectbeoordeling geven een inschatting van de milieuwinst, maar de daadwerkelijke milieuwinst blijkt pas tijdens de uitvoeringsfase. Als de graafwerkzaamheden een (potentiële) verontreiniging raken, dan wordt aan de hand van bodemonderzoek bepaald welke maatregelen nodig zijn (geen actie nodig, monitoren, gedeeltelijk saneren of volledig saneren). Daarom is het mogelijk dat het positieve effect van een sanering in de praktijk minder vaak zal voorkomen. De bodemverontreinigingen bekend bij de provincie worden in GIS op kaart gezet.
Per tracé wordt het oppervlak doorkruiste bestaande en potentiële verontreinigingen bepaald op basis van het vergravingsoppervlak. De data bekend bij de provincie zijn afkomstig van het landsdekkend beeld bodemverontreinigingen (LDB) en bevatten puntlocaties van verontreinigingen en potentiele verontreinigingen. Echter is het detailniveau per gebied verschillend. Om voor alle gebieden een gelijkwaardig beeld te geven, blijven eventuele gedetailleerde (lokale) gegevens bekend bij de gemeenten, buiten beschouwing. De gehanteerde methodiek gaat uit van de mogelijkheid een deelsanering uit te voeren ter plaatse van de mast. Uiteraard dienen hier in de praktijk en ten behoeve van de vergunningverlening locatie specifieke afspraken over gemaakt te worden met de bevoegde instanties.
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
43\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Voor de beoordeling van de effecten zijn de klassengrenzen vastgesteld (tabel 6.3). De klassengrenzen zijn bepaald door rekening te houden met de reikwijdte van alle onderzoeksresultaten in alle deelgebieden en de mate van het effect. Het ruimtebeslag van de ondergrondse tracédelen is het vergravingsoppervlak van de sleuf en opstijgpunten en van de bovengrondse tracés het vergravingsoppervlak voor de mastvoeten.
Tabel 6.3 Classificatie effecten bestaande en potentiële verontreinigingen
Waardering effecten
6.2.3
Omschrijving
Ruimtebeslag
+++
Zeer positief effect
> 20 ha
++
Positief effect
5 ha - 20 ha
+
Licht positief effect
1 ha - 5 ha
0
Niet of nauwelijks effect
0 ha - 1 ha
-
Licht negatief effect
n.v.t.
--
Negatief effect
n.v.t.
---
Zeer negatief effect
n.v.t.
Criterium 3: Verplaatsing van mobiele verontreiniging (O)
Als gevolg van de tijdelijke bronbemaling kunnen binnen de invloedstraal aanwezige mobiele verontreinigingen verplaatsen. Dit effect wordt alleen beoordeeld bij de ondergrondse tracédelen omdat het hydrologisch invloedgebied en daarmee de hydrologische effecten ter plaatse van de graafwerkzaamheden en bemaling van een mastvoet verwaarloosbaar klein zijn. Voor de ondergrondse tracédelen is het te vergraven oppervlak veel groter. Hiermee neemt ook het hydrologisch invloedsgebied toe, waardoor het effect van bronbemaling wel van belang is. De verlaging en het verhang van de waterspiegel ten opzichte van de verontreiniging zijn maatgevend voor het verplaatsen/verspreiden van deze verontreinigingen. Verontreinigingen die bekend zijn bij de provincie vormen de input voor de berekeningen. Hierin wordt ook de hydrologische-invloedstraal van de tijdelijke bronbemaling meegenomen en wordt gebruik gemaakt van een analytische rekenmethode en de representatieve bodemschematisaties van de kabeltracés. De beoordeling van de effecten is geclassificeerd op de berekende verplaatsing van de verontreiniging binnen het invloedsgebied (tabel 6.4).
44\48
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Tabel 6.4 Classificate effecten verplaatsing van mobiele verontreinigingen
Waardering effecten Omschrijving
Toelichting
+++
Zeer negatief effect
Verplaatsing (>6m) binnen invloedsgebied (= 5cm verlagingscontour)
++
Negatief effect
Verplaatsing (<6m) binnen invloedsgebied (= 5cm verlagingscontour)
+
Licht negatief effect
Verplaatsing (<3m) binnen invloedsgebied (= 5cm verlagingscontour)
0
Nihil of neutraal effect Geen (<1m) verplaatsing binnen invloedsgebied (= 5cm
-
Licht positief effect
n.v.t.
--
Positief effect
n.v.t
---
Zeer positief effect
n.v.t.
verlagingscontour)
Het criterium “Verplaatsing van mobiele verontreiniging” is opgenomen als beoordelingscriterium in het beoordelingskader (Tauw, 2016). Dit criterium kan worden toegepast wanneer er een keuze is gemaakt in de wijze waarop het tracé wordt gerealiseerd, inclusief de bijbehorende bemalingsmethode en –duur. Deze zijn namelijk sterk van invloed op het te verwachten effect. Daarbij geldt dat wanneer sprake is van mobiele verontreinigingen binnen de invloedsfeer van de bemaling, (verplichte) mitigerende maatregelen de effecten sterk reduceren dan wel te niet doen. Het effect zal daarmee dusdanig beperkt zijn dat het criterium geen significante invloed heeft op de tracékeuze. Wanneer een keuze is gemaakt voor een tracé worden in het bemalingsadvies de effecten van de bemaling op de omgeving (inclusief mobiele verontreinigingen) in detail in beeld gebracht.
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
45\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
7 Archeologie 7.1
Beoordelingskader
Het totaal van archeologische waarden dat zich in de bodem bevindt, wordt aangeduid als het archeologisch bodemarchief. Het bodemarchief bestaat uit bekende en onbekende waarden. In het MER worden zowel het effect op de bekende als onbekende waarden beoordeeld.
Tabel 7.1 Beoordelingskader van effecten van de boven- (B) en ondergrondse (O) tracés op archeologie
Deelaspect
Beoordelingskader en relevantie B/O
Criterium
Bekende waarden
Archeologische monumentenkaart B+O Archeologische
Beoordeling 2
kwantitatief (m )
rijksmonumenten
Onbekende waarden
2
Archeologische Monumentenkaart B+O AMK-terreinen
Kwantitatief (m )
Gemeentelijke
Kwantitatief (ha)
B+O Verwachtingsgebieden
verwachtingswaarden-kaart ARCHIS
7.2 7.2.1
Toelichting beoordelingscriteria Criterium 1: Rijksmonumenten (B+O)
Bij de aanleg van de mastvoeten dan wel kabel zullen bodemingrepen plaatsvinden. Dit kan de archeologische waarden in een rijksmonument aantasten. In principe is de waarde van archeologische resten in een rijksmonument al vastgesteld aan de hand van waarderend onderzoek. Voor een bodemingreep in een rijksmonument is een monumentenvergunning noodzakelijk. Het veiligstellen van de archeologische resten zal waarschijnlijk een voorwaarde zijn bij de verlening van een monumentenvergunning. Het aantasten van archeologische waarden en in dit geval rijksmonumenten wordt altijd aangemerkt als een negatief milieueffect. Dit geldt voor vergravingen voor mastvoeten, opstijgpunten en de aanleg van het kabeltracé. De rijksmonumenten zijn de meest waardevolle vindplaatsen in Nederland en hebben het strengste beschermingsregime. Ook een kleine bodemingreep in een rijksmonument wordt daarom als een negatief effect gezien. Daarbij geldt dat hoe groter de doorsnijding is, hoe meer archeologische resten aangetast worden. Een groter oppervlak doorsnijding zorgt dus voor een negatiever effect (rekening houdend met de klassengrenzen). Voor de beoordeling van de effecten zijn klassengrenzen bepaald. De klassengrenzen zijn bepaald door rekening te houden met de reikwijdte van alle onderzoeksresultaten in alle deelgebieden en de mate van het effect.
46\48
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Tabel 7.2 Beoordeling criterium rijksmonumenten (ten opzichte van de referentiesituatie)
Waardering effecten
Omschrijving
Klassengrenzen
+++
Zeer positief effect
n.v.t.
++
Positief effect
n.v.t.
+
Licht positief effect
n.v.t.
0
Nauwelijks effect
<1m
-
Licht negatief effect
1 - 100 m
--
Negatief effect
100 - 1.000 m
---
Zeer negatief effect
> 1.000 m
7.2.2
2 2 2
2
Criterium 2: AMK-terreinen (B+O)
De AMK-terreinen zijn de bekende vindplaatsen van archeologische resten in Nederland. Bij de aanleg van de mastvoeten, opstijgpunten en het graven van een kabelsleuf vindt bodemverstoring plaats. Dit kan de archeologische waarden in een AMK-terrein aantasten. In principe is de waarde van archeologische resten in een AMK-terrein al vastgesteld aan de hand van waarderend onderzoek. Het vergraven van een AMK-terrein is altijd een negatief effect. Daarbij geldt dat hoe groter het vergravingsoppervlak binnen een AMK-terrein is, hoe meer archeologische resten aangetast worden. Een groter oppervlak doorsnijding zorgt dus voor een negatiever effect (rekening houdend met de klassengrenzen). Een bodemingreep in een AMK-terrein wordt per definitie als negatiever beschouwd dan in een gebied met middelhoge of hoge archeologische verwachting. Voor de beoordeling van de effecten zijn klassengrenzen bepaald. De klassengrenzen zijn bepaald door rekening te houden met de reikwijdte van alle onderzoeksresultaten in alle deelgebieden en de mate van het effect.
Tabel 7.3 Beoordeling criterium AMK-terreinen (ten opzichte van de referentiesituatie)
Waardering effecten
Omschrijving
Klassengrenzen
+++
Zeer positief effect
n.v.t.
++
Positief effect
n.v.t.
+
Licht positief effect
n.v.t.
0
Nauwelijks effect
<1m
-
Licht negatief effect
1 - 1.000 m
--
Negatief effect
1.000 - 10.000 m
---
Zeer negatief effect
> 10.000 m
2 2 2
2
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
47\48
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
7.2.3
Criterium 3: Verwachtingsgebieden (B+O)
Bij de aanleg van de mastvoeten, opstijgpunten dan wel ondergrondse tracédelen zullen bodemingrepen plaatsvinden. Dit kan de eventueel aanwezige archeologische waarden in een gebied met bepaalde verwachtingen aantasten. De archeologische verwachting wordt ook wel aangeduid als de kans op het aantreffen van archeologische resten. De archeologische verwachtingen worden onderverdeeld in de categorieën zeer laag, laag, middelhoog en hoog. De feitelijke aanwezigheid van deze waarden moet nog worden vastgesteld door middel van archeologisch onderzoek, echter dit onderzoek gebeurt alleen voor het uiteindelijk gekozen tracé. De oppervlaktes van ‘zeer laag’ en ‘laag’ verwachtingsgebied zijn buiten de effectbeoordeling gelaten. De reden is dat hier nauwelijks tot geen archeologische waarden worden verwacht en veelal geen archeologische verplichting (de verplichting om voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek uit te voeren) geldt. Het vergraven van gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachting door een tracédeel wordt altijd aangemerkt als een negatief milieueffect. Voor de beoordeling van de effecten zijn klassengrenzen bepaald. De klassengrenzen zijn bepaald door rekening te houden met de reikwijdte van alle onderzoeksresultaten in alle deelgebieden en de mate van het effect.
Het kruisen van een verwachtingsgebied hoeft niet per definitie een effect te hebben op archeologische waarden, omdat er nog sprake is van een verwachting op archeologische resten. De classificatie van het criterium archeologisch waardevolle gebieden is weergegeven in tabel 7.4.
Tabel 7.4 Beoordeling criterium verwachtingsgebieden (ten opzichte van de referentiesituatie)
48\48
Waardering effecten
Omschrijving
Klassengrenzen
+++
Zeer positief effect
n.v.t.
++
Positief effect
n.v.t.
+
Licht positief effect
n.v.t.
0
Nauwelijks effect
< 1 ha
-
Licht negatief effect
1 - 15 ha
--
Negatief effect
16 - 50 ha
---
Zeer negatief effect
> 50 ha
MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Bijlage 1
1
Kenmerken nieuwe hoogspanningsverbinding ZW 380kV Oost
In deze bijlage zijn de algemene uitvoeringskenmerken en maatvoeringen van de nieuwe hoogspanningsverbinding van ZW 380kV Oost weergegeven ten behoeve van de effectbepaling en -beoordeling in het MER.
Tabel b1.1 Uitvoeringskenmerken en maatvoeringen hoogspanningsverbinding 9
10
Element
Type
Maatvoering
Bovengrondse verbinding
Optimale veldlengte
400 meter
Veldlengte verlaagde masten
240 meter
Gemiddelde afstand tussen twee
20 meter
pylonen
ZRO
Magneetveldzone
Werkstrook
Ontgravingsvlak
9
Hoogte masten solo 380kV
51 - 63 meter
Hoogte masten combi 380/150kV
55 - 67 meter
Hoogte verlaagde masten
Maximaal 45 meter
Funderingsbreedte
2 x 25 meter
Ruimtebeslag mastvoet
50 x 20 meter
Bovengronds solo 380kV
45 meter
Bovengronds combi 380/150kV
60 meter
Ondergronds solo 380kV
25 meter
Ondergronds combi 380/150kV
33 meter
Ondergronds solo 150kV
17 meter
Bovengronds solo 380kV
2 x 80 meter
Bovengronds combi 380/150kV
2 x 90 meter
Bovengronds solo/combi 2x380kV
2 x 60 meter
Ondergronds solo 2x380kV
2 x 35 meter
Ondergronds combi 2x380/2x150kV
2 x 30 meter
Ondergronds solo 2x150kV
2 x 20 meter
Mastvoet
60 x 70 meter
Ondergronds solo 380kV
40 meter
Ondergronds combi 380/150kV
65 meter
Ondergronds solo 150kV
25 meter
Amovering masten
50 x 50 meter
Mastvoet
50 x 20 meter
Het uitgangspunt is type Wintrack, tenzij er op plaatsen in het tracé een technische noodzaak is om andere type masten te gebruiken voor de hoogspanningsverbinding 10 Ten behoeve van de effectbepaling worden indicatieve afmetingen gehanteerd. Na de keuze van het VKA wordt het tracé verder uitgewerkt en worden de specifieke afstanden bekend
Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL
Element
Ruimtebeslag opstijgpunt
Type
9
10
Maatvoering
Ondergronds solo 380kV
15 meter
Ondergronds combi 380/150kV
23 meter
Ondergronds solo 150kV
9 meter
Solo 380kV
65 x 35 meter
Combi 380/150kV
46 x 85 meter
Solo 150kV (portaal)
45 x 15 meter
Solo 15kV (mast) Ondergrondse aanleg
50 x 25 meter 11
Circa 800 meter
3
Circa 1000 meter
Maximale lengte boring 380kV Maximale lengte boring 150kV
Figuur b1.1 Principeschets van de aanleg van een bovengrondse verbinding ten behoeve van de effectbeoordeling
11
Afhankelijk van benodigde kabelcapaciteit en locatiespecifieke omstandigheden zoals bodemgesteldheid
Integrale Effectenanalyse
Zuid-West 380 kV Oost Rilland-Tilburg Integrale Effectenanalyse Leefomgevingskwaliteit
Nettechniek
Archeologie
Landschap
Integrale effectenanalyse
Ruimtegebruik
Natuur
Kosten
Bodem & water
Samenvatting Het project Zuid-West 380 kV Oost
Doel Integrale effectenanalyse
TenneT, beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, wil
Deze Integrale effectenanalyse geeft een beschrijving van
een nieuwe 380 kV- hoogspanningsverbinding tussen Rilland
de tracéalternatieven en varianten en locaties voor het
en Tilburg aanleggen. Deze hoogspanningsverbinding maakt
hoogspanningsstation bij Tilburg. Ook worden de effecten
deel uit van het grotere traject Borssele – Tilburg
hiervan toegelicht. Aan deze Integrale effectenanalyse liggen
(hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV).
de volgende documenten ten grondslag:
De verbinding is nodig om energie vanuit Zeeland af te voeren
•
Notitie Tracéontwikkeling
naar de landelijke ring en knelpunten in het hoogspannings
•
Notitie Nut & Noodzaak
netwerk op te lossen. Bij Tilburg wordt als onderdeel van de
•
Notitie Samenvatting milieueffecten
verbinding een nieuw hoogspanningsstation gebouwd.
•
Notitie Nettechniek
•
Notitie Kosten
•
Notitie Aansluitingen deelgebieden en stationslocaties
Veel keuzemogelijkheden
Contextbeschrijving
In het proces om tot een keuze voor een tracé voor de is een aantal mogelijke tracéalternatieven en varianten
Ministers kiezen Voorgenomen Voorkeursalternatief (VVKA)
ontwikkeld. Als het nodig is om een knelpunt op te lossen,
In de periode april tot en met mei 2017 krijgen de samen
kan maximaal 10 kilometer van het totale tracé (van circa 70 km)
werkende overheden de mogelijkheid om op basis van alle
ondergronds worden aangelegd.
informatie een advies uit te brengen voor een VVKA aan
Ten slotte zijn voor het nieuw te bouwen hoogspanningsstation
de ministers van Economische Zaken (EZ) en Infrastructuur
bij Tilburg verschillende locaties bekeken.
en Milieu (IenM). De minister van EZ vraagt hen daarbij te
Om een afwogen keuze te kunnen maken tussen de verschil
toetsen op lokale gevolgen, maar ook om een integraal advies
lende tracéalternatieven en varianten en de verschillende
over alle alternatieven en varianten te geven. Op basis van
mogelijk locaties van het hoogspanningsstation bij Tilburg zijn
deze Integrale effectenanalyse en het advies vanuit de
de effecten op de thema’s milieu, nettechniek en kosten
samenwerkende overheden, kiezen de ministers van EZ
inzichtelijk gemaakt. De effecten zijn zo veel mogelijk
en IenM een VVKA. Dit VVKA wordt vervolgens nader
kwantitatief bepaald en vervolgens vertaald naar een
uitgewerkt.
hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost te komen,
kwalitatieve score met een 7-puntsschaal, variërend van zeer negatief (- - -) tot zeer positief (+++).
Leefomgevingskwaliteit
Nettechniek
Archeologie
Landschap
Integrale effectenanalyse
Natuur
€ Ruimtegebruik
Kosten
Bodem & water
Overzichtskaart tracéalternatieven en varianten Zuid-West 380 kV Oost Drimmelen
Moerdijk
Geertruidenberg
d !
Hooge Zwaluwe
Waalwijk
Made
Zevenbergen Oosterhout
Terheijden
Oosteind De Moer Dongen
Standdaarbuiten
d ! d !
Steenbergen
Oud Gastel Kruisland
d !
Oudenbosch
Breda
d !
Etten-Leur
Tilburg
Lepelstraat Tholen Halsteren
Roosendaal Wouw
Bergen op Zoom
Zuid • West 380 kV - Oost Schematische weergave Tracé-alternatieven Rilland - Tilburg
Legenda Alternatief Paars Alternatief Blauw Alternatief Geel Alternatief Rood
Woensdrecht d d ! !
Variant Paars Variant Blauw Variant Geel Variant Rood Deelgebiedsgrenzen
Stations 380 kV d ! d !
0
380 kV Locatieopties Tilburg 380 kV 2
4
6
8
10 Km.
Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleend. © TenneT TSO B.V.
´
A:\p_zw380\producten\ZW380-Oost\Communicatie\161124_Schematische_weergave_Tracés\ 160309_p_zw380_oost_schematische_Weergave_Tracés
B2
B2-vKr
G2
G2-vWe
G2-vSta
B3
B3-vLi
B3-vBo
B3-vHu
B3-vLi-vBo
B3-vLi-vHu
G3
G3-vSta
G3-vLi
G3-vBo
G3-vHu
G3-vSta-vLi
G3-vSta-vBo
G3-vSta-vHu
G3-vLi-vBo
G3-vLi-vHu
G3-vSta-vLi-vBo
G3-vSta-vLi-vHu
P3-vBi-vHu
R3
R3-vOo
R3-vOo/o
--
-
--
--
0
-
--
-- --- --
0
-
--
--
--
--
--
--
--
--
--
--
-
--
--
--
--
-
--
-- --- --- --- --- --
-
--
-
++
++
+
+
+
++
+
+
+
0
0
0
+
+
+
+
+++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++
Tracéniveau landschappelijk hoofdpatroon
+
+
+
+
+
+
+
+
0
0
+
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
+
+
+
+
+
0
0
0
Kwaliteit tracé
0
-
--
--
--
--
0
-
0
-
-
-
0
0
0
--
--
-
-
-
-
-
-
--
-
-
--
--
-
-
--
-
-
--
-
-
--
--
--
--
-
0
-
0
0
--
--
--
Landschap en Cultuurhistorie
Natuur
Boden en Water
Archeologie
Nettechniek
Kosten
B1-vKr
B1-vStb
B1-vMa
P3-vBi-vBo
R1
--
++
P3-vHu
P1-vWo-vBe
--- --- --
++
P3-vBi
P1-vBe
-
++
P3
P1-vWo
-
++
R2
P1
-
++
P2-vOu
G1
-
++
P2-vWe
B1-vMa-vKr
--- ---
Aantal vrij te spelen gevoelige bestemmingen
P2
B1
Aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone
G1-vMa
Specifiek
Leefomgevings kwaliteit
B1-vMa-vStb
Onderwerp
Integrale effectenbeoordeling
Lijnniveau Gebiedskarakteristiek
-
0
-
--
-
-
-
0
-
0
-
+
-
-
-
--
--
-
-
-
--
--
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
--
--
-
Elementen lijnniveau
+
+
0
0
0
0
+
+
-
+
-
+
-
0
-
0
0
0
0
0
--
-
0
0
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
+
+
0
+
0
0
-
0
Effect op draadslachtoffers
---
0
--- --- --
--
--
0
-
-
-
-
--
-
--
--
--
--
--
-- --- --
--
-- ---
0
--- --- --
--
-- --- -- --- --- --- --- --- --- ---
-
--
-
--
-
--- --- ---
Effect op leefgebieden: gebieden met bijzondere waarden
---
+
--- ---
+
- - - ++
--
-
+
++
--
0
-
-
-
-
-
-
0
-
--- --- --- -- --- -- --- --- --- --- -- --- --- -- --- -- --- --
--
--
-
---
+
--- --- ---
Effect op leefgebieden: leefgebied vogels
+++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++
+
+++
+
+++
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
+++ +++ +++ +++ +++ +++
--- --- ---
+
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
--
-
--
-
-
Effect op leefgebieden: leefgebied vleermuizen
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
0
0
0
0
0
0
0
0
0
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Effect op leefgebieden: leefgebied zoogdieren in onbeschermd bosgebied
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
0
0
0
0
0
0
0
-
0
0
0
-
-
-
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
-
0
-
-
0
0
0
0 --
Tijdelijke effecten
-
0
0
-
0
-
-
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
0
0
--
--
Aantasting aardkundige waarden
0
0
-
0
-
0
0
0
-
-
-
-
-
0
-
0
0
0
-
-
-
0
0
0
0
0
0
0
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
0
0
0
0
0
-
-
-
Bodemkwaliteit (sanering van bodemverontreinigingen)
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Rijksmonumenten
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
AMK-terreinen
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
--
0
0
0
0
0
--
0
-
0
-
-
0
0
-
-
0
-
-
0
0
0
-
-
0
0
-
0
-
0
0
0
0
0
Verwachtingsgebieden
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
0
-
-
-
0
-
0
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Effecten op leveringszekerheid
-
--
0
0
--
--
-
--
++
+
+
0
++
--
0
+
+
0
0
0
-
++
+
+
+
-
+
-
+
+
+
+
-
+
+
-
+
-
+
-
-
0
--
0
--
++
++
0
Technische complexiteit beheer en onderhoudsfase/situatie
--
--
--
--
--
--
--
--
+
0
0
-
+
-
-
+
+
+
+
+
-
+
-
-
-
--
-
--
0
0
0
0
-
0
0
-
0
-
0
-
--
-
--
-
--
+
+
0
Technische complexiteit aanleg
-- --- --
-- --- --- -- ---
-
--
-
--
-
--- ---
+
+
+
+
-- --- --
-
-
--
--
--
--
-
-
-
--
--
-
--
--
--
--
--
-
-- --- -- --- ---
+
+
+
Raakvlakken externe infrastructuur
++
++
++
++
++
++
++
++
--
-
-
-
--
--
+
0
0
-
-
--
+
+
--
--
--
--
--
--
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
--- --- --- --- ---
+
+
+
150 kV-stations
--
--
--
--
--
--
--
--
++
++
++
++
++
++
++
+
+
+
++
++
++
+
+
+
+
+
+
+
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
+
+
+
+
+
0
0
0
Investeringskosten
0
--
0
0
--- ---
+
- - +++
0
+++
0
+++ - - - +++
+
0
0
+
--
-
0
++
++
0
0
0
0
0
0
0
-
-
0
--
-
-
-
--
-
--
0
---
-
0
+++ +++
+
Afkortingen deelgebied 1 B1 Blauw G1 Geel P1 Paars R1 Rood vMa Variant Markiezaat vStb Variant Steenbergen vKr Variant Kruisland vWo Variant Brabantse Wal – Woensdrecht vBe Variant Brabantse Wal – Bergen op Zoom
Afkortingen deelgebied 2 Blauw B2 G2 Geel P2 Paars Rood R2 vKr/vStb Variant Kruisland/Steenbergen vOu Variant Oud Gastel vWe Variant Westzijde A17 vSta Variant Standdaarbuiten vWe variant Westzijde A17
Er is ook een excel-bestand 'Tabel Integrale effectbeoordeling' beschikbaar, waarin (indien gewenst) selecties kunnen worden gemaakt.
Afkortingen deelgebied 3 Blauw B3 G3 Geel P3 Paars R3 Rood vLi Variant Linie van den Hout vBo Variant Bosroute vHu Variant Huis ter Heide vSt Variant Standdaarbuiten vBi Variant Biesbosch/Hooge Zwaluwe vOo Variant Oosterheide vOo/o Variant Oosterheide ondergronds
+++ Zeer positief effect ++
Positief effect
+
Licht positief effect
0
Niet of nauwelijks effect
-
Licht negatief effect
--
Negatief effect
---
Zeer negatief effect
Overzicht deelgebied 1
waarbij de ondergrondse varianten neutraal scoren. Alternatief
bij alle tracéalternatieven en varianten uitdagingen en zal er
Milieu
Blauw, Blauw variant Kruisland en Blauw variant Steenbergen
regelmatig moeten worden afgeweken van de standaard
Het totaal aantal gevoelige bestemmingen in de
hebben de meeste draadslachtoffers vanwege de bovengrondse
aanlegmethodes. Voor de tracés die de Brabantse Wal passeren
magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding
verbinding door het Markiezaat en de nieuwe doorsnijding
geldt dat er relatief veel bestaande infrastructuur
loopt uiteen van een aantal van 2 bij Blauw variant Steenbergen
door het noordelijk deel van het deelgebied.
(buisleidingen, een spoorlijn, vlieg- en radarfunnel) in de
en Blauw variant Markiezaat – Steenbergen tot 42 bij Geel en
Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de alternatieven en
nabijheid is, de tracéalternatieven en varianten door het
Geel variant Markiezaat. De meeste gevoelige bestemmingen
varianten op het gebied van bijzondere natuurwaarden.
Markiezaatsmeer hebben vrijwel geen bestaande infrastructuur
(17) worden vrijgespeeld in de blauwe en gele tracé
Voor een aantal varianten komt meer gebied voor
in de nabijheid. Bij de blauwe en gele alternatieven en varianten
alternatieven en varianten.
natuurontwikkeling beschikbaar door het verwijderen van de
wordt een complexe aanpassing van het 150 kV-station Bergen
Een aantal varianten hebben een licht positief effect op het
huidige 150 kV-verbinding die onder meer over de Brabantse
op Zoom voorzien.
landschappelijk hoofdpatroon. Dit komt door het versterken
Wal loopt. Bij Alternatief Blauw en Geel, en diverse varianten
van de Brabantse Wal als structurerend element op dit hoogste
van Blauw wordt juist veel natuurgebied doorsneden.
schaalniveau. De bestaande 150 kV-verbinding wordt
Kosten Het verschil tussen de hoogste en de laagste kosten betreft
verwijderd zonder dat hier een nieuwe bovengrondse
Nettechniek
ongeveer 180 miljoen euro.
verbinding terug komt.
Alle tracéalternatieven en varianten zijn technisch maakbaar.
Het verschil in kosten ontstaat door het moeten bouwen van
Alle varianten hebben een (licht) negatief effect op het
Wel is het ene tracéalternatief of variant technisch complexer
technische complexe oplossingen rondom Markiezaatsmeer,
criterium kwaliteit tracé, omdat ze meer knikken, richtings
dan een ander, waardoor de aanleg van sommige
Zoommeer en het 150 kV-station Bergen op Zoom.
veranderingen en ondergrondse tracédelen bevatten dan de
tracéalternatieven en varianten lastiger is dan andere.
tracéalternatieven.
Op het gebied van leveringszekerheid dragen de blauwe en
Overzicht deelgebied 2
Alleen Paars – variant Woensdrecht - Bergen op Zoom heeft
gele tracéalternatieven en varianten die het Markiezaatsmeer
Milieu
een licht positief effect op de beïnvloeding van de
passeren minder bij dan de paarse en rode tracéalternatieven en
Het totaal aantal gevoelige bestemmingen in de
gebiedskarakteristiek op lijnniveau. Dit komt omdat er bij deze
varianten die over de Brabantse Wal gaan. Dit komt met name
magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding
variant over een zeer grote afstand geen bovengrondse
door de bundeling met de bestaande 380 kV-verbinding
loopt uiteen van 0 bij Blauw variant Kruisland en Paars variant
hoogspanningsverbinding meer aanwezig zal zijn door het te
waardoor bij een calamiteit mogelijk zowel de nieuwe 380 kV
Oud Gastel tot 32 bij Paars. Het aantal vrij te spelen gevoelige
verkabelen gedeelte tussen Woensdrecht en Bergen op Zoom.
verbinding als de bestaande 380 kV verbinding waarmee wordt
bestemmingen loopt uiteen van 0 tot 12, waarbij de gele
Bij het criterium beïnvloeding van samenhang tussen elementen
gebundeld uit bedrijf kunnen raken. Daarnaast wordt er in de
alternatieven en varianten neutraal scoren.
op lijnniveau treden veel positieve effecten treden op als gevolg
tracéalternatieven en varianten die over het Markiezaat lopen
De tracéalternatieven Blauw en Blauw variant Kruisland hebben
van het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding. De
380 kV- kabel toegepast, wat de leveringszekerheid relatief
een neutraal effect op de kwaliteit van het tracé. Alle andere
negatieve effecten komen voort uit de verstoring van de zichtas
gezien vermindert. Ten slotte is bij de tracéalternatieven en
tracéalternatieven en varianten hebben een (licht) negatief
vanuit het bosgebied op de Wal richting de Oosterschelde.
varianten over het Markiezaat het uitvoeren van onderhoud en
effect, omdat ze meer knikken, richtingsveranderingen en
De effectscores op het criterium draadslachtoffers loopt uiteen
het verhelpen van storingen relatief lastiger. Bij de bouw zijn er
ondergrondse tracédelen bevatten.
Bij de beïnvloeding van de gebiedskarakteristiek op lijnniveau
380 kV-kabel nodig. De bouw van het blauwe tracéalternatief
negatieve beoordeling komt veelal voort uit
scoren alle tracéalternatieven (licht) negatief door de forsere
en bijbehorende blauwe varianten en Paars variant Oud Gastel
richtingsveranderingen die het gevolg zijn van lokale
bundeling in het (open) landschap.
is relatief technisch lastig uitvoerbaar vanwege een complexe
verschijnselen, waardoor de verbinding matig herkenbaar is als
Bij het criterium beïnvloeding van samenhang tussen elementen
380/150 kV-kabelboring onder een leidingstraat door. De
bovenregionale infrastructuur.
op lijnniveau scoort alleen Paars variant Oud Gastel negatief
bouw van Paarse variant Westzijde A17 en het tracéalternatief
Alle tracéalternatieven en varianten scoren voor beïnvloeding
omdat Oud Gastel hier wordt ingesloten door
Rood is relatief lastig omdat deze nabij een bestaande
van de gebiedskarakteristiek op lijnniveau meestal licht negatief
hoogspanningsverbindingen.
hoogspanningsverbinding worden gebouwd. De
door de forsere bundeling in het open landschap. Bij alternatief
In alle gevallen is sprake van een toename van het aantal
tracéalternatieven en varianten hebben allen in meer of
Rood en Rood variant Oosterheide zorgt een groot deel van het
draadslachtoffers. Vanwege de lange nieuwe doorsnijding ten
mindere mate veel externe infrastructuur in de nabijheid
tracé tot een nieuwe doorsnijding van het landschap.
westen en noorden van Oud Gastel scoort Paars variant Oud
(buisleidingen, snelwegen of een waterweg).
In vrijwel alle gevallen is sprake van een toename van het aantal
Gastel zeer negatief.
draadslachtoffers. Alternatief Blauw variant Huis ter Heide
Voor alternatief Blauw en Paars variant Oud Gastel wordt
Kosten
scoort als enige neutraal doordat deze bestaande tracés volgt en
ongeveer evenveel nationaal natuurnetwerk (NNN) aangetast
Het verschil tussen de hoogste en de laagste investeringskosten
ondergronds door Huis ter Heide loopt. Lange nieuwe
als dat er gebied beschikbaar komt door het verwijderen van
betreft ongeveer 40 miljoen euro, onder meer door een langer
doorsnijdingen door het landschap wegen mee in de zeer
hoogspanningsleidingen. Dit leidt tot een neutraal effect op
380/150 kV kabeltracé en het verwijderen van een 150 kV-
negatieve effectscores bij de rode tracés en een groot aantal van
leefgebieden met bijzondere waarden. Bij de overige
verbinding.
de blauwe en gele varianten.
alternatieven en varianten is de score licht negatief.
Veel alternatieven en tracévarianten lopen door de NNN-
Blauw variant Kruisland/Steenbergen en Paars variant Oud
Overzicht deelgebied 3
gebieden wat een negatief effect heeft op de leefgebieden.
Gastel hebben een negatief effect op archeologie omdat zij een
Milieu
Paars variant Biesbosch Hooge Zwaluwe – Huis ter Heide loopt
AMK-terrein raken. Paars en Paars variant Oud Gastel
Het totaal aantal gevoelige bestemmingen in de
ondergronds door natuurgebied Huis ter Heide en kent een
doorsnijden middelhoge en hoge archeologische
magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding
licht positief effect. Hier komt door het verwijderen van een
verwachtingsgebieden.
loopt uiteen van 8 bij Rood variant Oosterheide/ondergronds
hoogspanningsleiding meer gebied beschikbaar wat zich tot
tot 36 bij Paars en Paars variant Biesbosch/Hooge Zwaluwe.
natuur kan ontwikkelen dan dat er verloren gaat door aanleg
Nettechniek
Het aantallen vrij te spelen gevoelige bestemmingen loopt
van het nieuwe tracé.
Alle tracéalternatieven en varianten zijn technisch maakbaar.
uiteen van 86 tot 469, deze laatste bij alle gele alternatieven en
De effectscores voor leefgebieden vogels lopen sterk uiteen.
Wel is het ene tracéalternatief of variant technisch complexer
varianten met de variant Bosroute.
Bij tracéalternatief Blauw en bijbehorende varianten is er geen
dan de andere, waardoor de aanleg van sommige
Alternatief Paars en bijbehorende varianten bundelen
sprake van oppervlakteverlies door de aanleg van het tracé maar
tracéalternatieven en varianten lastiger is dan andere.
grotendeels met de bestaande 380 kV-verbinding, waardoor
door het amoveren van het 150 kV-tracé komt er wel circa 36
Tracéalternatief Rood draagt relatief het meeste bij aan
die als onderdeel van het landschappelijk hoofdpatroon wordt
hectare gebied beschikbaar voor weidevogels. Bij Rood en
leveringszekerheid vanwege de afstand tot andere
versterkt.
bijbehorende varianten is er bijna 50 hectare ruimtebeslag op
380 kV-verbindingen en doordat er geen 380 kV-kabel nodig is.
Er zijn grote verschillen in beoordelingen van de
natuurgebieden ten noordwesten van Breda die in het NNN die
Bij het blauwe tracéalternatief en de blauwe varianten is wel
tracéalternatieven en varianten op kwaliteit tracé. Een
zijn aangewezen als weidevogelgebied.
betreft ongeveer 100 miljoen euro. Kostenverhogende aspecten
Quirijnstok en Loven
Enkele alternatieven en varianten doorsnijden AMK-terreinnen
van Paars variant Huis ter Heide zijn de complexe tracédelen
Gezien de ruimtelijke belemmeringen in samenhang met de