CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-019770 Bijlage 20- MER-overige-bijlagen

Opiniërende raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2021-019770 Ontwerp Inpassingsplan 380 kV26.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

6. MER Overige bijlagen Inhoudsopgave 1. Notitie MER-beoordelingskader

4

2. Integrale effectanalyse

56

3. Samenvatting Milieueffecten

183

4. Notitie Nut en Noodzaak

382

5. Notitie Tracéontwikkeling

395

6. Notitie Aansluiting deelgebieden en stationslocaties

523

7. Notitie Nettechniek

586

8. Notitie Kosten

725

9. Projectboek 3 - Tracés in beeld

755

1

MERbeoordelingskader

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

28 februari 2017

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen Methodiek en beoordelingskader milieueffecten

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Verantwoording Titel

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Opdrachtgever

TenneT TSO B.V.

Projectleider

Esther van Rosmalen

Auteur(s)

Frank Druijff en Susanne Boon

Projectnummer

1232999

Aantal pagina's

50 (exclusief bijlagen)

Datum

28 februari 2017

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon Tauw bv BU Water & Ruimtelijke Kwaliteit Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht Telefoon +31 30 28 24 82 4

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem worden gebruikt voor het doel waarvoor het is vervaardigd met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Tauw. Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Tauw hoge prioriteit. Tauw hanteert daartoe een managementsysteem dat is gecertificeerd dan wel geaccrediteerd volgens: -

NEN-EN-ISO 9001

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

5\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

6\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Inhoud Verantwoording en colofon........................................................................................................... 5 1

Inleiding .......................................................................................................................... 9

1.1

Onderzoekscriteria ........................................................................................................... 9

1.2

Uitgangspunten voor de effectbeschrijving .................................................................... 10

1.2.1

Alternatieven op hoofdlijnen ........................................................................................... 10

1.2.2

Zoek, studie- en deelgebied ........................................................................................... 10

1.2.3

Onderscheid boven- en ondergrondse tracédelen ......................................................... 11

1.2.4

Onderscheid effecten 150 kV- en 380 kV-verkabeling................................................... 11

1.2.5

Effecten afgezet tegen de referentiesituatie .................................................................. 11

1.2.6

Maatregelen om effecten te voorkomen of te mitigeren ................................................. 11

1.2.7

Rekening houden met positieve effecten vanwege ‘opruimen’ bestaande verbindingen12

2

Leefomgevingskwaliteit .............................................................................................. 13

2.1

Beoordelingskader ......................................................................................................... 13

2.2

Toelichting beoordelingscriteria ..................................................................................... 13

2.2.1

Criterium 1: Aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding (B) ......................................................................................... 13

2.2.2

Criterium 2: Geluid, luchtkwaliteit en trillingen in de realisatiefase (B+O) ..................... 17

3

Landschap en cultuurhistorie ..................................................................................... 20

3.1

Een landschappelijke benadering .................................................................................. 20

3.1.1

Handreiking landschappelijke inpassing ........................................................................ 20

3.1.2

Landschap als proces .................................................................................................... 20

3.1.3

Landschappelijke kwaliteit, samenhang in landschap ................................................... 20

3.1.4

Lijn in het landschap ...................................................................................................... 21

3.1.5

Landschappelijk hoofdpatroon ....................................................................................... 21

3.1.6

Visuele complexiteit ....................................................................................................... 21

3.1.7

Ingrepen op hoofdlijnen ................................................................................................. 22

3.2

Beoordelingskader ......................................................................................................... 22

3.3

Effecten en beoordeling op tracéniveau ........................................................................ 23

3.3.1

Criterium 1: Beïnvloeding van het Landschappelijk Hoofdpatroon ................................ 23

3.3.2

Criterium 2: Kwaliteit tracé (B+O) .................................................................................. 24

3.4

Effecten en beoordeling op lijnniveau ............................................................................ 25

3.4.1

Criterium 3: Beïnvloeding gebiedskarakteristiek (B+O) ................................................. 25

3.4.2

Criterium 4: Beïnvloeding samenhang tussen specifieke elementen en hun context op lijnniveau (B+O) ............................................................................................................. 29

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

7\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

3.5

Effecten en beoordeling op mastniveau ......................................................................... 30

3.5.1

Criterium : Beïnvloeding van samenhang tussen specifieke elementen en hun context op mastniveau. (B+O) .................................................................................................... 30

4

Natuur ........................................................................................................................... 31

4.1

Beoordelingskader ......................................................................................................... 31

4.2

Toelichting Beoordelingscriteria ..................................................................................... 32

4.2.1

Criterium 1: verandering van het aantal draadslachtoffers (B(+O)) ............................... 32

4.2.2

Criterium 2: effecten op leefgebied (B+O) ..................................................................... 33

4.2.3

Criterium 3: tijdelijke effecten (B+O) .............................................................................. 36

5

Ruimtegebruik .............................................................................................................. 38

5.1

Beoordelingskader ......................................................................................................... 38

5.2

Toelichting beoordelingscriteria ..................................................................................... 38

5.2.1

Criterium 1: Fysiek Ruimtebeslag (B+O) ....................................................................... 38

5.2.2

Criterium 2: Fysiek ruimtebeslag in bos (B+O) .............................................................. 39

5.2.3

Criterium 3: Oppervlak maatgevende functies in ZRO (B+O) ........................................ 39

6

Bodem en water ........................................................................................................... 41

6.1

Beoordelingskader ......................................................................................................... 41

6.2

Toelichting beoordelingscriteria ..................................................................................... 42

6.2.1

Criterium 1: Aantasting van aardkundige waarden (B+O) ............................................. 42

6.2.2

Criterium 2: Sanering bodemverontreinigingen (B+O) ................................................... 43

6.2.3

Criterium 3: Verplaatsing van mobiele verontreiniging (O) ............................................ 44

7

Archeologie .................................................................................................................. 46

7.1

Beoordelingskader ......................................................................................................... 46

7.2

Toelichting beoordelingscriteria ..................................................................................... 46

7.2.1

Criterium 1: Rijksmonumenten (B+O) ............................................................................ 46

7.2.2

Criterium 2: AMK-terreinen (B+O).................................................................................. 47

7.2.3

Criterium 3: Verwachtingsgebieden (B+O) .................................................................... 48

Bijlage(n) 1 Kenmerken nieuwe hoogspanningsverbinding ZW 380kV Oost

8\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

1 Inleiding Het landelijke hoogspanningsnet dat TenneT beheert bestaat op land voornamelijk uit (wisselstroom) hoogspanningsverbindingen die op verschillende spanningsniveaus worden bedreven: 380, 220, 150 en 110 Kilovolt. Bij de milieuonderzoeken die aan de orde kunnen zijn tijdens de planvormingsfase van een nieuwe hoogspanningsverbinding kunnen voorgenoemde spanningsniveaus onderdeel uitmaken van de nieuwe verbinding. De uitvoeringsvorm van de voorgenomen activiteit kan een bovengrondse (380 kV en 220 kV, vrijwel identieke milieueffecten), deels ondergrondse (in geval van 380 kV en 220 kV, vrijwel identieke milieueffecten), of geheel ondergrondse (in geval van 150 kV en 110 kV, vrijwel identieke milieueffecten) hoogspanningsverbinding zijn. Voorliggend document bevat het beoordelingskader voor de beschrijving en de beoordeling van milieueffecten van nieuwe hoogspanningsverbindingen op land, specifiek toegepast op de geplande hoogspanningsverbinding tussen Rilland-Tilburg (ZuidWest 380 kV Oost (ZW 380kV oost).

1.1

Onderzoekscriteria

Het beoordelingskader omvat de onderzoekcriteria op basis waarvan de milieueffecten van de verschillende alternatieven en eventuele varianten op een goede wijze kunnen worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Met deze criteria kunnen de alternatieven met eventuele varianten onderling evenwichtig met elkaar worden vergeleken. In tabel 1.1 zijn alle milieuthema's, bijbehorende deelaspecten en onderzoekscriteria samengevat en is aangegeven of het deelaspect van toepassing is op boven- en/of ondergrondse tracédelen.

Tabel 1.1 Overzicht van deelaspecten voor de boven- en ondergrondse tracédelen (X= altijd van toepassing, (X)=situationeel van toepassing)

Thema

Deelaspect

Criterium

Bovengronds Ondergronds

Leefomgevings- Magneetveldzone

Aantal gevoelige bestemmingen in de

x

kwaliteit

magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding Hinderfactoren realisatiefase

Geluid, luchtkwaliteit en trillingen in de

x

x

x

x

realisatiefase Landschap en

Landschappelijk hoofdpatroon Beïnvloeding landschappelijk

cultuurhistorie

hoofdpatroon Kwaliteit tracé

Kwaliteitsniveau tracé

x

x

Gebiedskarakteristiek

Beïnvloeding gebiedskarakteristiek

x

x

Landschapselementen

Beïnvloeding landschapselementen

x

x

Objecten

Beïnvloeding lokale objecten

x

x

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

9\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Thema

Deelaspect

Criterium

Bovengronds Ondergronds

Natuur

Draadslachtoffers

Verandering van aantal draadslachtoffers x

(x)

Soorten bescherming

Gebieden met bijzondere natuurwaarden

x

x

Tijdelijke effecten

Tijdelijke effecten op leefgebied amfibieën x

x

Fysiek ruimtebeslag

Fysiek ruimtebeslag

x

x

Functie bos

Beoordeling van de functie ‘bos’

x

x

Functies binnen ZRO

Oppervlak maatgevende functies in ZRO

x

x

Bodem en

Aardkundige waarden

Aantasting van aardkundige waarden

x

x

water

Bodemkwaliteit

Sanering bodemverontreinigingen

x

x

Mobiele verontreinigingen

Verplaatsing van mobiele

Effecten leefgebied:

Ruimtegebruik

•

Vogels

•

Vleermuizen

•

Zoogdieren

x

verontreinigingen Archeologie

Bekende waarden

Onbekende waarden

1.2

Rijksmonumenten

x

x

AMK terreinen

x

x

Verwachtingsgebieden

x

x

Uitgangspunten voor de effectbeschrijving

1.2.1

Alternatieven op hoofdlijnen

In deze fase van de planvorming zijn aannames gedaan ten aanzien van oppervlakte- en lengtematen en andere maatvoeringen. De tracéalternatieven zijn namelijk op hoofdlijnen uitgewerkt, er zijn in deze (m.e.r.)fase van het project geen uitgewerkte ontwerpen en mastposities beschikbaar. Dit is ook niet nodig; met de nu beschikbare informatie (en de hierop gebaseerde effectenstudies) kan uitstekend een zorgvuldige afweging tussen de alternatieven en varianten worden gemaakt. In bijlage 1 zijn de algemene uitvoeringskenmerken en maatvoeringen van de nieuwe hoogspanningsverbinding van ZW380kV Oost weergegeven ten behoeve van de effectbeoordeling in het MER. 1.2.2

Zoek, studie- en deelgebied

In het MER wordt onderscheid gemaakt tussen het zoekgebied en het studiegebied: •

Zoekgebied: Het zoekgebied is het gebied waarbinnen de alternatieven gesitueerd zijn

•

Studiegebied: Het studiegebied is het gebied waar effecten als gevolg van de voorgenomen activiteit kunnen optreden

•

Deelgebied: Het zoekgebied is verdeeld in deelgebieden. De beschrijving van de effecten van de verschillende alternatieven vindt plaats aan de hand van deze deelgebieden

10\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

1.2.3

Onderscheid boven- en ondergrondse tracédelen

Waar relevant wordt in de feitelijke effectbeschrijving (de onderbouwing van de plussen en minnen in de effectscore) onderscheid gemaakt in de effecten van bovengrondse- en ondergrondse tracédelen. 1.2.4

Onderscheid effecten 150 kV- en 380 kV-verkabeling

Ook het onderscheid tussen effecten van de 150 kV- en 380 kV-verkabeling is herleidbaar in de effectbeschrijving. Gesteld kan worden dat de methodiek zoals deze wordt toegepast op de ondergrondse 380 kV-verkabeling ook kan worden toegepast op de 150 kV-verkabeling. De klassegrenzen van de beoordelingscriteria en volgende hoofdstukken zijn gekozen om onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende alternatieven en mogelijke varianten. Daar waar het onderscheidende karakter van de klassegrenzen verdwijnt worden indien noodzakelijk de klassegrenzen aangepast. Als voorbeeld: waar het effect op archeologische verwachting nu al zeer negatief is bij een bovengronds alternatief als gevolg van het aantal mastvoeten, blijft dat effect bij een open ontgraving voor een kabel zeer negatief, ondanks de vele male grotere verstoring. Afhankelijk van het effect wordt beoordeeld of de klassegrens moet worden aangepast om het onderscheid tussen de bovengrondse en ondergrondse uitvoeringsvariant tot uitdrukking te brengen, of dat kan worden volstaan met het tekstueel en kwantitatief toelichten van het effect. Uitgangspunt blijft dat de effecten tussen bovengronds en ondergronds afzonderlijk herleidbaar zullen zijn. 1.2.5

Effecten afgezet tegen de referentiesituatie

Om de effecten van de alternatieven en varianten te beoordelen, worden ze vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de huidige situatie plus de autonome ontwikkelingen. Daarbij is de autonome ontwikkeling de situatie in 2030, die ontstaat als vastgesteld overheidsbeleid wordt uitgevoerd, maar zonder dat de nieuwe 380kV-hoogspanningsverbinding wordt aangelegd. Voor het MER ZW 380kV oost zijn voor de referentiesituatie, autonome ontwikkelingen meegenomen waarvoor op 1 december 2016 een voorontwerp, ontwerp of vastgesteld ruimtelijk besluit officieel bekend is gemaakt en op ruimtelijkeplannen.nl is gepubliceerd. Er worden dus twee situaties beschouwd in het MER: •

Referentiesituatie

•

Nieuwe situatie (plansituatie): de situatie na aanleg van de 380kV-hoogspanningsverbinding, inclusief ondergrondse kabels opstijgpunten en stations

1.2.6

Maatregelen om effecten te voorkomen of te mitigeren

Bij het beoordelen van de effecten is voor de verschillende thema’s rekening gehouden met maatregelen die, als onderdeel van het voornemen, ‘standaard’ worden genomen om effecten te voorkomen of te beperken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bemaling bij het plaatsen van de masten, daar waar nodig. Overige mitigerende maatregelen worden niet in de effectbeoordelingen meegenomen. Deze mitigerende maatregelen en het effect op de score zal in het hoofdstuk mitigerende maatregelen van het MER worden opgenomen.

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

11\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

1.2.7

Rekening houden met positieve effecten vanwege ‘opruimen’ bestaande verbindingen

Naast de (veelal) negatieve effecten van de aanleg van de nieuwe verbinding, kan ook sprake zijn van positieve effecten op de plaatsen waar bestaande verbindingen worden verwijderd. Hier kan zich bijvoorbeeld begroeiing herstellen (gunstig voor planten en dieren). Ook vanuit landschappelijk oogpunt is het verdwijnen van een verbinding vaak als positief te beschouwen, zeker als er niet in de directe nabijheid een nieuwe verbinding wordt aangelegd.

12\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

2 Leefomgevingskwaliteit 2.1

Beoordelingskader

Er zijn twee beoordelingscriteria relevant voor de beoordeling van het thema leefomgeving: •

Aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding

•

Tijdelijke hinderfactoren in de realisatiefase

De twee criteria worden hieronder eerst kort toegelicht waarna in de volgende paragrafen de methodiek voor de effectbeoordeling is uitgelegd. In tabel 2.1 is een samenvatting gegeven van de relevante beoordelingscriteria en de onderzoeksmethodiek per deelaspect.

Tabel 2.1 Beoordelingscriteria en beoordelingswijze van effecten van de boven- (B) en ondergrondse (O) tracédelen op leefomgevingskwaliteit

Deelaspect en relevantie B/O Beoordelingskader

Criterium

Beoordeling

Magneetvelden

Beleidsadvies Magneetvelden

Aantal gevoelige

Kwantitatief; percelen in

(VROM, 2005)

bestemmingen in de

de magneetveldzone van

magneetveldzone van

de nieuwe bovengrondse

de nieuwe

verbinding

B

bovengrondse verbinding Tijdelijke

B+O

hinderfactoren in

Ervaringscijfers en

Geluid, luchtkwaliteit en Kwantitatief; percelen in

hinderbelevingsonderzoek

trillingen in de

de realisatiefase

2.2 2.2.1

de tijdelijke hinderzone

realisatiefase

Toelichting beoordelingscriteria Criterium 1: Aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding (B)

Het milieueffectonderzoek in dit MER richt zich op het in beeld brengen van het aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse 380 kV-verbinding. De beoordeling van de alternatieven op het aantal gevoelige bestemmingen vindt plaats op basis van één criterium: het aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuw te realiseren bovengrondse 380 kV-verbinding.

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

13\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Ter ondersteuning van de besluitvorming wordt ook informatie verschaft over woningen die zijn gelegen in de magneetveldzone van een bestaande bovengrondse 380 kV- of 150 kV-verbinding die als onderdeel van de nieuwe verbinding worden verwijderd (hoeveel woningen worden vrijgespeeld?). Het gaat dan dus om bestemmingen die na het realiseren van de nieuwe verbinding niet meer in een magneetveldzone van een huidige bovengrondse 380 kV- of 150 kV-verbinding liggen. Op basis van een representatief tracé is een indicatieve magneetveldzone berekend1. De magneetveldzone wordt met GIS op de kaart geplot en het aantal percelen (woningen en de daarbij behorende tuinen, kinderdagverblijven, scholen en crèches en de daarbij behorende buitenspeelplaatsen) wordt geteld dat geheel of gedeeltelijk binnen die zones ligt. Het gaat daarbij om gevoelige bestemmingen die in de magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding liggen en om 'vrijgespeelde bestemmingen'.

Tabel 2.2 Indicatieve magneetveldzones voor de bepaling van gevoelige bestemmingen bij de nieuwe bovengrondse verbinding 2

Type verbinding

Indicatieve magneetveldzone

Combi 380 - 150 kV

Solo

2 x 80 m 3

2x380 kV

Bundeling

2 x 90 m

Solo en bundeling

2 x 60 m

Om het effect van de alternatieven op het aantal gevoelige bestemmingen in perspectief te kunnen plaatsen wordt ook informatie over de referentiesituatie verschaft. Het gaat dan om het aantal gevoelige bestemmingen dat in de huidige situatie in een magneetveldzone ligt van relevante bovengrondse verbindingen in het gebied. Relevante verbindingen zijn in dit geval verbindingen die bij één of meer van de tracéalternatieven als onderdeel van ZW380 oost (door combinatie) worden verwijderd.

1

De indicatieve magneetveldzone voor ZW380kV is bepaald op basis van de destijds in aantocht zijnde nieuwe handreiking van het RIVM (handreiking versie 3.1 d.d. 1 oktober 2013). Per situatie is de 'worst-case' zone per situatie bepaald In versie 4.0 zijn de ervaringen van de toepassingstest verwerkt. De wijzigingen hebben met name betrekking op de weergave van de magneetveldzone. Inmiddels is versie 4.1 van 26 oktober 2015 van de Handreiking van kracht. Deze laatste wijziging heeft betrekking op het kunnen rekenen met hogere percentages van de ontwerpbelasting in die gevallen dat voorzien wordt dat de werkelijke belasting hoger zal zijn dan waarvan in eerdere versies van de Handreiking moest worden uitgegaan. Deze laatste wijziging heeft overigens geen betrekking op de situatie zoals die voor ZuidWest 380kV door TenneT wordt voorzien. 2 De breedte van de indicatieve magneetveldzone kan afwijken van de waarde zoals gehanteerd in andere hoogspanningsprojecten. De reden hiervoor is dat er verschillen zijn in de randvoorwaarden zoals het windgebied (resulterend in verschillen in fase-faseafstand) en de transportcapaciteit voor de 150 kV circuits. 3 Bundeling met bestaande hoogspanningsverbinding (waarbij de bestaande verbinding gehandhaafd blijft en de nieuwe verbinding ernaast komt te staan) 14\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Voor de effectbeschrijving worden de gevoelige bestemmingen in drie categorieën ingedeeld: •

Totaal aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding

•

Aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van een nieuwe bovengrondse verbinding waar in de referentiesituatie reeds een magneetveldzone van een huidige bovengrondse 380kV of 150kV-verbinding aanwezig is

•

Het aantal 'vrijgespeelde' gevoelige bestemmingen: die bestemmingen die na het realiseren van de nieuwe bovengrondse verbinding niet meer in een magneetveldzone van een huidige bovengrondse 380 kV- of 150 kV-verbinding liggen

Voor de beoordeling en vergelijking van de alternatieven is de in tabel 2.3 weergegeven 4-puntsschaal gehanteerd, waarbij het aantal woningen duidt op het aantal gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone van de nieuwe verbinding. Positieve bijeffecten zijn (in de vorm van vrijgespeelde woningen), buiten beschouwing gelaten in de beoordeling en daarom in deze tabel niet opgenomen. Er is maximaal een neutraal effect te behalen als er helemaal geen gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe bovengrondse verbinding terecht komen.

Tabel 2.3 Beoordeling effecten gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe verbinding

Waardering effecten

Omschrijving

Toelichting

0

Nauwelijks effect

0

-

Licht negatief effect

1 - 15 gevoelige bestemmingen

--

Negatief effect

16 - 30 gevoelige bestemmingen

---

Zeer negatief effect

> 31 gevoelige bestemmingen

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

15\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Magneetveldzone bij ondergrondse aanleg De beoordelingsmethodiek voor magneetveldzones geldt alleen voor de bovengrondse tracédelen / verbindingen. Voor de ondergrondse tracédelen wordt een gewijzigde aanpak gevolgd in het MER. Toelichting In onderzoeken naar de gezondheidseffecten van hoogspanningsverbindingen en de mens is door de Gezondheidsraad en het RIVM een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het optreden van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen geconstateerd. De Gezondheidsraad en het RIVM hebben geen aanwijzingen gevonden voor een oorzakelijk verband tussen blootstelling aan magnetische velden van hoogspanningslijnen en het ontstaan van leukemie bij kinderen. Ook is er geen biologisch mechanisme bekend dat zoiets kan verklaren. Op basis van de bevindingen van de Gezondheidsraad en het RIVM is in 2005 een beleidsadvies opgesteld dat voorschrijft dat nieuwe situaties waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen met een jaargemiddelde hoger dan 0,4 microtesla zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, vermeden moeten worden.

Op basis van de onderzoeksresultaten van de Gezondheidsraad en het RIVM, en het in het verlengde hiervan vastgestelde beleid, is er in het MER voor magneetvelden van bovengrondse verbindingen in relatie tot de mens een milieueffect beschreven. Vanwege het ontbreken van gedegen onderzoek waarin door de Gezondheidsraad en het RIVM een relevant effect van magneetvelden van ondergrondse hoogspanningsverbindingen, opstijgpunten en hoogspanningsstations op de gezondheid van de mens is aangetoond, en het ontbreken van beleid met betrekking tot magneetvelden zoals dat voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen wel van toepassing is, kan niet onderbouwd worden dat er een milieueffect aan de orde is waarbij er sprake zou zijn van een invloed van magneetvelden van ondergrondse hoogspanningsverbindingen, opstijgpunten of hoogspanningsstations op de gezondheid van de mens. In het MER wordt daarom geen milieueffect van het magneetveld van ondergrondse hoogspanningsverbindingen, opstijgpunten en hoogspanningsstations onderzocht of beoordeeld. Echter, vanwege maatschappelijke onrust over magneetvelden van hoogspanningsverbindingen wordt het door mensen in de omgeving van het tracé over het algemeen op prijs gesteld inzage te hebben in de ligging van de 0,4 microteslazone van nieuwe ondergrondse delen en de magneetveldcontour van nieuwe hoogspanningsstations en opstijgpunten.

Daarnaast kan deze informatie een rol spelen bij het bepalen van het voorkeurstracé door het bevoegd gezag.

16\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Ondanks dat er geen sprake is van een aangetoond milieueffect, wordt er voor gekozen om in het MER tegemoet te komen aan de onrust rondom magneetvelden, en het voorzien van alle relevante informatie ten behoeve van de besluitvorming, door inzage te geven in het aantal woningen, crèches, kinderopvangplaatsen en scholen binnen de 0,4 microteslazone van nieuwe ondergrondse delen, de magneetveldcontour van opstijgpunten en de magneetveldcontour van nieuwe of als gevolg van de voorgenomen activiteit gewijzigde hoogspanningsstations. Deze informatie wordt opgenomen in een apart hoofdstuk 'Omgeving' dat wordt toegevoegd aan het MER. 2.2.2

Criterium 2: Geluid, luchtkwaliteit en trillingen in de realisatiefase (B+O)

De nieuwe hoogspanningsverbinding kan mogelijk hinder veroorzaken in de realisatiefase 4 zowel bij de bovengrondse als mogelijke ondergrondse tracédelen. Het gaat bijvoorbeeld om hinder ten gevolge van geluid, trillingen of tijdelijke verslechtering van de luchtkwaliteit. In het MER wordt beschreven welke werkzaamheden worden verricht bij het maken van de bovengrondse of mogelijke ondergrondse tracédelen. Vanuit deze mogelijke hinder wordt bekeken wat het maximale hindergebied / de maximale hinderafstand is bij de aanleg en het gebruik van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Binnen dit hindergebied wordt het mogelijk aantal gehinderde personen in beeld gebracht. In de realisatiefase zijn de mogelijke hinderfactoren het geluid en de trillingen als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de invloeden op de luchtkwaliteit als gevolg van dieselemissies van het zware materieel en vrachtverkeer. Er zijn diverse onderzoeken verricht met betrekking tot de mogelijke hinderfactoren en er zijn op basis van deze onderzoeken hinderafstanden vastgesteld. Deze zijn opgenomen in tabel 2.4. De hinderafstanden zijn tot stand gekomen op basis van berekeningen5 en/of ervaringscijfers vanuit medische wetenschap6 en/of hinderbelevingsonderzoeken7.

Deze afstanden zijn indicatief, aangezien de exacte hinderafstanden in deze fase van ZW380 oost niet te bepalen zijn, aangezien op dit moment niet bekend is waar de bouwwegen komen en wat het effect van eventueel aanwezige afschermende bebouwing is.

4

In de gebruiksfase treden ook geluidseffecten op. Aangezien deze niet onderscheidend zijn voor de alternatieven en beperkt blijven tot de breedte van de magneetveldzone, blijven deze effecten buiten beschouwing, zie paragraaf 5.3 5

Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (HILV) Circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ 6 Gezondheidseffectscreening Stad & Milieu (2010), Handboek voor een gezonde inrichting van de woonomgeving, RIVM 7 Stichting Bouw Reserach, 2003 • • •

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

17\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Tabel 2.4 Berekende maximale hinderafstanden voor de mogelijke hinderfactoren tijdens realisatiefase

Aspect

Indicatieve maximale hinderafstanden [meter]

1

Geluiden van de realisatiefase hoorbaar

300 (stedelijk gebied) - 740 (landelijk gebied)

2

Geluidshinder als gevolg van piekgeluiden

80 (sloop) - 130 (aanleg)

3

Gewenste afstand tussen woningen en bouwwegen

6 (sloop) - 30 (aanleg)

4

Effecten op de luchtkwaliteit in betekenende mate

100

5

Hinder als gevolg van trillingen

20 (zwaar transport) - 100 (heien)

6

Schade als gevolg van trillingen

5 (zwaar transport) - 50 (heien)

Aspect 1 betreft de langdurige activiteiten op de bouwplaats van zowel de mastvoet, opstijgpunt of kabelsleuf, waaronder de shovel- en kraanwerkzaamheden (18 dagen), en het geluid van de bemalingspomp (vijf weken). Deze geluiden zijn constant, kennen geen grote uitschieters in de vorm van piekgeluiden en vallen op afstand vaak niet op tussen de andere al aanwezige geluidsbronnen. Bovendien geldt dat het menselijk oor snel went aan relatief zachte, constante geluiden. Om die redenen wordt dit aspect in het MER verder niet meegenomen. De piekgeluiden (aspect 2) zijn tijdens een kortere periode hoorbaar, maar kunnen hinder veroorzaken. De geluidsniveaus waarop piekgeluiden hinder kunnen veroorzaken zijn fors hoger dan de geluidsniveaus als gevolg van langdurige activiteiten. Dit geldt bijvoorbeeld voor bouw- en afbraakwerkzaamheden, in het bijzonder voor heien (maximaal vijf dagen, zie navolgend tekstkader). In de beoordeling wordt uit gegaan van een worstcase scenario. Om deze reden worden de geluidscontouren van heiwerkzaamheden (ten behoeve van mastlocaties en opstijgpunten) onderzocht en in het MER gebruikt. Heiwerkzaamheden (B+O) Dit is de belangrijkste geluidsbron. Bij de heiwerkzaamheden worden per poer naar verwachting circa 10 tot 16 palen geheid, dat wil zeggen in totaal 20 tot 32 palen per bipole mast.

Voor de fundering van de hoekmasten worden per mast circa 30 palen geheid. De effectieve heitijd bedraagt circa 10 minuten per paal, dus circa 5,3 uur per bipole mast. In principe zullen deze werkzaamheden per bipole mast in circa drie werkdagen plaatsvinden, waarbij alleen overdag werkzaamheden plaats zullen vinden. De bronsterkte van heiwerkzaamheden bedraagt meestal tussen de 118 en 133 dB(A). Uitgaande van relatief geluidsarm, maar gangbaar materieel wordt vooralsnog uitgegaan van een bronsterkte van 129 dB(A). Bij de heiwerkzaamheden kunnen geluidspieken optreden met een bronsterkte van circa 143 dB(A).

De overige aspecten die zijn gepresenteerd, kunnen ook hinder veroorzaken: geluid van verkeer op de bouwwegen, luchtkwaliteit en trillingen (aspecten 3 tot 5). De afstanden voor deze aspecten zijn in alle gevallen kleiner dan 150 meter en bevinden zich binnen een marge tussen 5 en 130 meter. De hinder is in alle gevallen (zeer) tijdelijk, maximaal ongeveer zes weken, en treedt alleen op bij de woningen die op korte afstand liggen van de plaats van de werkzaamheden.

18\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Beoordeling tijdelijke hinder Voor de beoordeling van het geluid is vanwege de heiactiviteiten aansluiting gezocht bij de Circulaire Bouwlawaai. Deze circulaire beveelt voor de dagperiode (07.00-19.00 uur) een langtijdgemiddeld geluidsniveau LAr, LT aan van 60 dB(A) op de gevels van woningen. Indien de werkzaamheden maximaal 1 maand duren, wordt 65 dB(A) als maximale toetsingsnorm aanbevolen. Aangezien de heiwerkzaamheden per mast niet langer duren dan een aantal dagen is de 60 dB(A) norm gehanteerd. Voor de avond- en nachtperiode zijn in de Circulaire Bouwlawaai geen normen aanbevolen. Er wordt in de Circulaire vanuit gegaan dat dan in principe niet wordt gewerkt. De aard van deze geluiden laat zich het best vergelijken met de aard van industrielawaai. Daarom is in het onderzoek aansluiting gezocht bij de normstelling voor dit type geluid. Voor voornoemde activiteiten is de afstand van de geluidscontouren vanaf de werklocatie berekend. Deze afstanden zijn vermeld in tabel 2.5.

Tabel 2.5 Contourafstanden voor de verschillende activiteiten / geluidsbronnen in de aanlegfase

Activiteit / geluidsbron

Contourafstand per geluidsbelasting (etmaalwaarde)

heiwerkzaamheden

50 dB(A)

52 dB(A)

55 dB(A)

60 dB(A)

62 dB(A)

65 dB(A)

560 m

470 m

370 m

250 m

210 m

170 m

Om de tracéalternatieven adequaat te kunnen beoordelen ten aanzien van hei- en bouwwerkzaamheden, wordt het aantal woningen8 inzichtelijk gemaakt binnen het potentiële hindergebied van 250 meter aan weerszijden van het tracé. Hier wordt ook het aantal woningen binnen het hindergebied van 250 meter aan weerzijden van het bestaand tracé meegenomen, vanwege mogelijke sloophinder. Het gaat hier dus om een worstcase benadering. Dit gebeurt eveneens met behulp van een GIS. Wijze van beschrijving De totale aantallen woningen binnen de hinderzones van de bovengrondse- en mogelijke ondergrondse tracédelen worden alleen kwantitatief weergegeven. Er wordt geen beoordeling toegekend. De motivering hiervoor is dat het totaal aantal mogelijk gehinderde woningen feitelijk weinig zegt over de daadwerkelijke hinder die mensen kunnen ervaren. Het exacte aantal woningen is bovendien afhankelijk van eventuele afschermende bebouwing en de routes van het vrachtverkeer. Tot slot is van belang te melden dat de werkzaamheden die mogelijk tot hinder leiden zeer tijdelijk zijn.

8

BAG panden met een woonfunctie MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

19\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

3 Landschap en cultuurhistorie 3.1

Een landschappelijke benadering

Een nieuwe hoogspanningsverbinding is een fors nieuw element in het landschap en zal invloed hebben op de aanwezige samenhangen en daarmee op de ruimtelijke kwaliteit. Om deze effecten te kunnen beoordelen is een methodiek ontwikkeld voor het eenduidig beschrijven van landschappelijke kwaliteit én die van de hoogspanningsverbinding op verschillende schaalniveaus. Deze benaderingswijze wordt gehanteerd bij de beschrijving van de referentiesituatie én vormt de basis waarmee de effecten in beeld gebracht en beoordeeld kunnen worden. 3.1.1

Handreiking landschappelijke inpassing

De handreiking landschappelijke inpassing gaat uit van een ruimtelijk-functionele benadering om het hoogspanningsnet in het landschap in te passen. Belangrijk daarbij is dat de eigen schoonheid (de eigen ruimtelijke kwaliteit) van het hoogspanningsnet goed aansluit bij de specifieke, karakteristieke eigenschappen van een landschap. Dat betekent het streven naar een goede balans tussen: •

De eigen specifieke functionele eigenschappen en de daarbij passende ruimtelijke verschijningsvorm van het hoogspanningsnet en

•

De specifieke eigenschappen van de omgeving, het landschap in zijn volledige ruimtelijke, functionele, ecologische en cultuurhistorische context

De aanleg van het hoogspanningsnet is een drieledige ontwerpopgave. Ten eerste gaat het om het ontwerp van de verschillende onderdelen van het net zelf: de hoogspanningsverbindingen, de ondergrondse kabels, schakelstations, opstijgpunten et cetera. Daarnaast is het belangrijk om deze elementen op de juiste manier in het landschap te plaatsen. Tot slot ligt er een belangrijke ontwerpopgave in mogelijke aanpassingen van de omgeving, het landschap. 3.1.2

Landschap als proces

Het actuele landschap is een complex geheel van samenhangen in ruimte en tijd. Het landschap dat we buiten waarnemen moeten we beschouwen als een fase in een langdurig en continu ontwikkelingsproces. De mens gebruikt het landschap, vormt het landschap en geeft er betekenis aan. 3.1.3

Landschappelijke kwaliteit, samenhang in landschap

De samenhangen tussen functie, vorm en betekenis van de verschillende landschapselementen zijn de basis voor de herkenbaarheid van een plek, voor de beleving van schoonheid en het gevoel zich ergens thuis te voelen. Eigenschappen en kwaliteiten van het landschap liggen verankerd in een stelsel van samenhangen tussen de verschillende landschapselementen. Deze samenhangen zijn de basis voor de specifieke eigenschappen van een bepaald landschap. Ze geven elk landschap haar eigen, unieke karakter.

20\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

De landschappelijke kwaliteit wordt voor een belangrijk deel bepaald door onderling sterk samenhangende schaalniveaus. Bij het ontwerp- en inpassingsvraagstuk van het hoogspanningsnet worden drie schaalniveaus onderscheiden. Bij het traceren van hoogspanningsverbindingen staat het lijnniveau centraal, het aansluiten op het regionale landschap. Een schaalniveau hoger is de gehele verbinding, het tracéniveau, dat aansluit op het bovenregionale en nationale landschap. Een schaalniveau lager is het mastniveau dat aansluit op het lokale landschap. 3.1.4

Lijn in het landschap

Hoogspanningsverbindingen zijn infrastructurele voorzieningen van regionale, nationale en internationale betekenis. Ze verbinden energiecentrales en schakel- en transformatorstations op grote afstand van elkaar en vormen samen een nationaal en internationaal netwerk. Ze hebben over het algemeen geen direct functionele samenhang met het lokale landschap. Men zou kunnen zeggen dat ze het landschap ‘passeren’. Het ontwerpen van hoogspanningsverbindingen is primair het zoeken naar de juiste plaats en vormgeving van de verbinding in het landschap op een wijze die leidt tot een vanzelfsprekende en ontspannen nieuwe verhouding tussen verbinding en landschap. 3.1.5

Landschappelijk hoofdpatroon

Het meest voor de hand liggende tracé voor een hoogspanningsverbinding is de rechte lijn; dit is immers de kortste verbinding tussen twee punten. Het gestrekte tracé is dan ook de meest geëigende verschijningsvorm van de hoogspanningsverbinding. Waar dat niet mogelijk is en richtingsveranderingen of verschillen in masthoogte onvermijdelijk zijn, moet bij voorkeur een samenhang worden gezocht met het Landschappelijk hoofdpatroonn. Het landschappelijk hoofdpatroon, bestaat uit het geheel van regionale en bovenregionale landschapselementen zoals rivieren, grote infrastructuur, dorpen en steden en gebiedstypen in hun onderlinge samenhang. Het is van een vergelijkbaar schaalniveau als de hoogspanningsverbinding zelf. 3.1.6

Visuele complexiteit

Rechte lijnen met allemaal dezelfde masten, in een rustig ritme, zonder afwijkingen in richting of hoogte zullen snel naar de achtergrond van de waarneming verschuiven. Het zorgvuldig lokaliseren van de noodzakelijke afwijkingen zal bijdragen aan de juiste plaats van de hoogspanningsverbinding in samenhang met de andere landschapselementen van vergelijkbaar niveau en het verminderen van de invloed van de verbinding op het landschap. Het ontwerpen van een rechte verbinding is, met name in gebieden met veel verspreid liggende bebouwing, een bijna onmogelijke opgave. Er zijn in het landschap allerlei aanleidingen die noodzaken tot het afwijken van de rechte lijn, van het gekozen masttype en tot het afwijken van de optimale hoogte van de masten. Dergelijke afwijkingen zullen de visuele complexiteit van de verbinding verhogen en daarmee de impact op het landschapsbeeld vergroten Het beperken van de visuele complexiteit (“less is more”) is een centraal ontwerpuitgangspunt bij het traceren van hoogspanningsverbindingen. De lage visuele complexiteit van elementen met eenvoudige vormen, steeds op dezelfde plaats in het blikveld, zorgt ervoor dat de waarneming van die elementen naar de achtergrond verdwijnen en het beeld niet meer verstoort.

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

21\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

3.1.7

Ingrepen op hoofdlijnen

De nieuwe hoogspanningsverbinding bestaat over het algemeen uit de volgende onderdelen: •

Bovengrondse verbinding (masten en geleiders)

•

Ondergrondse delen van de verbinding inclusief opstijgpunten

•

Hoogspanningsstation en andere installaties

•

Het slopen van bestaande hoogspanningsverbindingen

3.2

Beoordelingskader

Voortbouwend op de omschrijving van landschappelijke kwaliteit is het beoordelingskader ook opgebouwd uit drie onderlinge niveaus •

Tracéniveau

•

Lijnniveau

•

Mastniveau

Op het tracéniveau gaat het om het effect van de verbinding op het Landschappelijk Hoofdpatroon en om de kwaliteit van de verbinding als bovenregionaal landschapselement. Op het lijnniveau gaat het om het effect van de verbinding op het karakter van het landschap (en de cultuurhistorische elementen daarin) en op specifieke elementen en hun samenhangen op het schaalniveau van de lijn. Op het mastniveau gaat het om het effect van de verbinding op specifieke elementen en hun samenhangen op het schaalniveau van de mast.

Tabel 3.1 Criteria voor de beoordeling van effecten van bovengrondse tracés- (B) met ondergrondse (O) tracédelen op landschappelijke en cultuurhistorische aspecten

Schaalniveau Relevantie Beoordelingscriterium

Beoordeling

Tracéniveau

Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving

B+O

Beïnvloeding landschappelijk hoofdpatroon

Lijnniveau

B+O

Kwaliteit tracé

Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving

B+O

Beïnvloeding gebiedskarakteristiek

Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving

B+O

Beïnvloeding samenhang tussen

Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving

specifieke elementen en hun context op lijnniveau. Mastniveau

B+O

Beïnvloeding van samenhang tussen

Kwalitatief o.b.v. effectbeschrijving

specifieke elementen en hun context op mastniveau.

De beoordelingscriteria zijn allemaal van toepassing op zowel de boven- als ondergrondse tracédelen.

22\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

3.3

Effecten en beoordeling op tracéniveau

•

Beïnvloeding Landschappelijk Hoofdpatroon

•

Kwaliteit tracé

3.3.1

Criterium 1: Beïnvloeding van het Landschappelijk Hoofdpatroon

Op tracéniveau worden de effecten van de verbinding op het landschappelijk hoofdpatroon bepaald.De mate waarin de hoogspanningsverbinding invloed heeft op structuren op een hoog schaalniveau bepaalt het effect. Zo kent een hoogspanningsverbinding die de landschappelijke structuren op hoog niveau volgt, minder snel invloed op het landschappelijke hoofdpatroon dan wanneer de hoogspanningsverbinding deze structuren doorkruist. Het landschappelijk hoofdpatroon wordt onder andere bepaald door de verhouding tussen bijvoorbeeld massa en ruimte of stedelijke gebieden versus open agrarische gebieden of door de afwisseling tussen land en water, zoals bij de zeearmen in Zeeland. Ook bestaande grote infrastructuur kan deel uitmaken van het landschappelijk hoofdpatroon. Als een nieuwe hoogspanningsverbinding aansluit bij het bestaande hoofdpatroon is het effect gunstiger dan wanneer de verbinding geen logische samenhang met het hoofdpatroon heeft of dit zelfs verstoort. Wijze van beoordelen van de effecten Om het effect op het landschappelijk hoofdpatroon vast te stellen wordt de hoogspanningsverbinding beoordeeld op de samenhang van het tracé met het landschappelijk hoofdpatroon. Met samenhang gaat het niet zo zeer om strikte bundeling, maar om het ‘volgen’ van de hoofdpatroon-richting. Op het moment dat deze samenhang ontbreekt of wordt verstoord leidt dit tot een negatief effect.

Tabel 3.2 Beoordeling criterium beïnvloeding landschappelijk hoofdpatroon (ten opzichte van de referentiesituatie)

Waardering effecten

Omschrijving

Toelichting

+++

Zeer positief effect

Grote versterking van het landschappelijk hoofdpatroon

++

Positief effect

Versterking van het landschappelijk hoofdpatroon

+

Licht positief effect

Enige versterking van het landschappelijk hoofdpatroon

0

Nauwelijks effect

Geen beïnvloeding van het landschappelijk hoofdpatroon

-

Licht negatief effect

Enige verzwakking van het landschappelijk hoofdpatroon

--

Negatief effect

Verzwakking van het landschappelijk hoofdpatroon

---

Zeer negatief effect

Grote verzwakking van het landschappelijk hoofdpatroon

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

23\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

3.3.2

Criterium 2: Kwaliteit tracé (B+O)

De kwaliteit van de boven- en ondergrondse tracédelen is te definiëren als de herkenbaarheid van de verbinding als bovenregionaal infrastructuurelement. Het tracé heeft een hoge kwaliteit als de verbinding autonoom is. Dit is het geval als een verbinding herkenbaar is als bovenregionale infrastructuur en slechts van richting verandert als gevolg van de corridor of, over langere afstand, bundelt met een element van bovenregionaal schaalniveau. Gebrek aan kwaliteit kan ontstaan doordat de verbinding reageert op lokale verschijnselen en verschillende uitvoeringswijzen, zoals het gebruik van verschillende opeenvolgende masttypen - bijvoorbeeld tracédelen met portaalmasten. Het kwaliteitsniveau van de tracés wordt kwalitatief beschreven aan de hand van projecties op de kaart en gekoppeld aan de scoringsmethodiek (tabel 3.3). Omdat de verbinding als element is beoordeeld, is er voor dit criterium geen sprake van een referentiesituatie. Positieve scores zijn niet van toepassing. Positieve effecten van het combineren van een nieuwe verbinding met een bestaande verbinding zijn op tracéniveau beoordeeld bij het criterium landschappelijk hoofdpatroon en op lijnniveau bij het criterium gebiedskarakteristiek.

Tabel 3.3 Beoordeling criterium kwaliteit tracé

Waardering effecten

Omschrijving

Toelichting

+++

Zeer positief effect

n.v.t.

++

Positief effect

n.v.t.

+

Licht positief effect

n.v.t.

0

Nauwelijks effect

Tracé is goed herkenbaar als bovenregionale infrastructuur en reageert niet op lokale verschijnselen

-

Licht negatief effect Tracé is matig herkenbaar als bovenregionale infrastructuur en reageert weinig op lokale verschijnselen

--

Negatief effect

Tracé is slecht herkenbaar als bovenregionale infrastructuur en reageert vrij veel op lokale verschijnselen

---

Zeer negatief effect

Tracé is niet herkenbaar als bovenregionale infrastructuur en reageert veel op lokale verschijnselen

Effecten op kaart Effecten zullen naast een beschrijving ook worden weergegeven in kaartbeelden. Daarbij zal aandacht kunnen zijn voor een schematische weergave van de traceringsprincipes en uitvoeringswijzen, bijvoorbeeld door de opeenvolging van de onderbrekingen door ondergrondse delen, en de verschillende masttypes en bundelingswijzen aan te geven.

24\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

3.4

Effecten en beoordeling op lijnniveau

Op lijnniveau zijn de volgende twee beoordelingscriteria van belang: •

Beïnvloeding gebiedskarakteristiek

•

Beïnvloeding samenhang tussen specifieke elementen en hun context op lijnniveau

3.4.1

Criterium 3: Beïnvloeding gebiedskarakteristiek (B+O)

Het gaat hierbij om de invloed van de hoogspanningsverbindingen (nieuw en bestaand, afzonderlijk en in samenhang) op de gebiedskarakteristiek. Hoogspanningsverbindingen en opstijgpunten hebben een groter (negatief) effect op de gebiedskarakteristiek op het moment dat de verbindingen nadrukkelijk in het landschapsbeeld aanwezig zijn en/of een sterk contrast vormen met het landschappelijke karakter. De hoogspanningsverbinding zal bijvoorbeeld minder contrasteren met een industrieel landschap, dan met een natuurlandschap. Het effect van de verbinding is bijvoorbeeld afhankelijk van de openheid van het landschap, van de afwijkingen in richting en complexe situaties in de lijn of opstijgpunten. Daarnaast speelt de forsheid van de bundel mee in het effect van bovengrondse tracédelen. Subgebieden De gebiedskarakteristieken worden beschreven en beoordeeld aan de hand van subgebieden. Dit zijn geografische eenheden met een dusdanige eigen gebiedskarakteristiek dat ze zich onderscheiden van de omgeving. Gebieden met een herkenbaar, eigen karakter. Een indeling in subgebieden kan tot gevolg hebben dat effecten grensoverschrijdend kunnen zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld positieve effecten als gevolg van de sloop van een bestaande verbinding (deels) in het ene subgebied optreden en de effecten van de nieuwe verbinding in een ander subgebied.

Daarnaast hebben subgebieden vaak een verschillende oppervlakte. In de totaalbeoordeling wordt hier rekening mee gehouden. Visuele complexiteit Bij de beoordeling van de zichtbaarheid speelt de visuele complexiteit van de verbindingen een belangrijke rol. Deze wordt onder meer bepaald door het ritme van de masten, de zichtbaarheid ('opvallendheid') van de afwijkingen daarin zoals knikken, verschillende technische constructies zoals kruisingen en opstijgpunten, ongelijke veldlengtes of verschillen in hoogte van de masten. Ook speelt het lijnperspectief van de verbinding in relatie tot andere elementen in het landschap een rol. In die gevallen waarbij de nieuwe verbinding naast een bestaande verbinding wordt gebouwd is ook van belang in hoeverre de beide verbindingen parallel of uit elkaar lopen (het zogenaamde ‘geren’). Specifieke situaties Door hun hoogte kunnen hoogspanningsverbindingen bijvoorbeeld ‘verte-kenmerken’ verstoren. Verte-kenmerken zijn markante hoge elementen in het landschap (landmarks) zoals kerktorens, die op grote afstand waarneembaar zijn. Dit effect is sterk afhankelijk van de waarnemingspositie. Onder de geleiders van de hoogspanningsverbinding dient voldoende vrije ruimte gelaten te worden en op een kabelbed mag geen diepwortelende beplanting aanwezig zijn.

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

25\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Daardoor kan het voorkomen dat waardevolle beplantingsstructuren (zoals karakteristieke bomenrijen op dijken, of lanen van een landgoed) moeten worden onderbroken. Daardoor kan een hoogspanningsverbinding de landschappelijke karakteristiek extra verstoren of aantasten. Bundelen Voor de aanwezigheid van een bovengrondse verbinding en het mogelijk contrast met de gebiedskarakteristiek speelt een rol hoe “fors” de verbinding of de bundel is, dan wel hoeveel “forser” hij is dan een bestaande verbinding of een bundel. In 380kV projecten kunnen een groot aantal verschillende combinaties voorkomen van: •

Bestaande 150kV-verbindingen uitgevoerd met vakwerkmasten

•

Bestaande 380kV-verbindingen uitgevoerd met vakwerkmasten

Deze worden soms geamoveerd, gebundeld of gecombineerd met: •

Nieuwe verbindingen uitgevoerd met Wintrack 2-circuits masten

•

Nieuwe verbindingen uitgevoerd met Wintrack 2-circuits 380kV + 2-circuits 150kV-masten

•

Nieuwe verbindingen uitgevoerd met Wintrack 4-circuits 380kV-masten

In het landschap worden nieuwe verbindingen: •

Gebundeld met bestaande verbindingen

•

Gesitueerd op enige afstand van de bestaande verbindingen

•

Gesitueerd in gebied waar nog geen verbinding aanwezig is

Ten behoeve van een zorgvuldige effectbepaling wordt een overzicht opgesteld van de verschillende verbindingen en combinaties van verbindingen.

26\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Figuur 3.1 Voorbeelden van lijncombinaties en mate van forsheid tov een bestaande situatie (links met groen grondvlak een bestaande situatie, rechts met oranje grondvlak een nieuwe situatie)

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

27\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Het effect van de tracés op de gebiedskarakteristiek wordt kwalitatief beschreven en gevisualiseerd aan de hand van projecties op de kaart, dwarsprofielen, perspectieftekeningen en fotomontages gekoppeld aan de scoringsmethodiek (tabel 3.4). De specifieke landschappelijke en cultuurhistorische karakteristieken van een gebied zijn uiteindelijk bepalend voor het vaststellen van het effect.

Tabel 3.4 Wijze van beoordeling op lijnniveau, criterium gebiedskarakteristiek

Waardering effecten

Omschrijving

Beïnvloeding van de gebiedskarakteristiek

+++

Zeer positief effect

(per saldo) grote versterking gebiedskarakteristiek

++

Positief effect

(per saldo) versterking gebiedskarakteristiek

+

Licht positief effect

(per saldo) enige versterking gebiedskarakteristiek

0

Nauwelijks effect

Geen beïnvloeding van de gebiedskarakteristiek of elkaar per saldo

-

Licht negatief effect

(per saldo) enige verzwakking gebiedskarakteristiek

--

Negatief effect

(per saldo) verzwakking gebiedskarakteristiek

---

Zeer negatief effect

(per saldo) grote verzwakking gebiedskarakteristiek

opheffende versterking en verzwakking van de gebiedskarakteristiek

Effecten op kaart Op de kaarten die worden gebruikt ter verduidelijking van de effectbeschrijving op lijnniveau worden de effecten symbolisch weergegeven. Hiervoor worden onderstaande symbolen gebruikt, waarbij de kleur van het symbool aangeeft of het effect positief (groen symbool) of negatief (rood symbool) is. Criterium Gebiedskarakteristiek ● of ●: Knikken in de nieuwe verbinding Knikken in de verbinding kunnen leiden tot een verstoring van het ‘ritme’ van de verbinding en leiden tot grotere zichtbaarheid van de verbinding. De mate waarin het effect optreedt, hangt onder andere af van het type landschap en bijvoorbeeld de

▪ of ▪:

hoeveelheid knikken. Overige effecten met betrekking tot de gebiedskarakteristiek Dit zijn de positieve (groen symbool ▪ ) of negatieve (rood symbool ▪) ‘overige’ effecten op de gebiedskarakteristiek. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een geheel nieuwe verbinding dan wel een forsere verbinding in het landschap.

28\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

3.4.2

Criterium 4: Beïnvloeding samenhang tussen specifieke elementen en hun context op lijnniveau (B+O)

Bij dit criterium gaat het om landschapselementen zoals dorps- en stadssilhouetten, vertekenmerken, bebouwingslinten of bijzondere bosjes of lanen. Wanneer door een ingreep, zoals het bouwen van een hoogspanningsverbinding, de samenhang tussen deze elementen en het landschap wordt verstoord of landschapselementen worden aangetast is sprake van een negatief effect. Er ontstaat als het ware een ruis in het landschappelijke ‘verhaal’ van de plek. Een voorbeeld van een landschapselement op lijnniveau is een bebouwingslint. Als een bebouwingslint op korte afstand wordt gepasseerd of wordt gekruist door een hoogspanningsverbinding leidt dit tot een negatief effect. Bij dit criterium kunnen ook positieve effecten optreden, bijvoorbeeld als door het slopen van een bestaande verbinding een verbroken samenhang wordt hersteld en 'ruis' wordt weggehaald. Voor de beoordeling van de effecten op elementen in hun landschappelijke context is in alle gevallen de lokale situatie (waar, welke elementen, welke samenhang) maatgevend voor de beoordeling.

Tabel 3.5 Wijze van beoordeling op lijnniveau, criterium beïnvloeding elementen

Waardering effecten

Omschrijving

Beïnvloeding van specifieke elementen en hun landschappelijke context op lijnniveau

+++

Zeer positief effect

(Per saldo) grote versterking van samenhangen

++

Positief effect

(Per saldo) versterking van samenhangen

+

Licht positief effect

(Per saldo) enige versterking van samenhangen

0

Nauwelijks effect

Geen beïnvloeding van de samenhangen van elementen of elkaar

-

Licht negatief effect

(Per saldo) enige verzwakking van samenhangen

--

Negatief effect

(Per saldo) verzwakking van samenhangen

---

Zeer negatief effect

(Per saldo) grote verzwakking van samenhangen

per saldo opheffende beïnvloedingen van samenhangen

Effecten op kaart Op de kaarten die worden gebruikt ter verduidelijking van de effectbeschrijving op lijnniveau worden de effecten symbolisch weergegeven. Hiervoor worden onderstaande symbolen gebruikt, waarbij de kleur van het symbool aangeeft of het effect positief (groen symbool) of negatief (rood symbool) is.

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

29\48

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

Criterium Beïnvloeding elementen ∆ of ∆: Effecten elementen Dit symbool betreft op lijnniveau de effecten op of tussen elementen. Uitgangspunt bij de beschrijving van de effecten is een beschrijving van (landschappelijke) elementen die naar hun aard en/of historie samenhangen. Een negatief effect doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een bebouwingslint op korte afstand wordt gepasseerd of wordt gekruist door een hoogspanningsverbinding.

3.5 3.5.1

Effecten en beoordeling op mastniveau Criterium : Beïnvloeding van samenhang tussen specifieke elementen en hun context op mastniveau. (B+O)

Het plaatsen van een mast of een opstijgpunt of het graven van een kabelsleuf dichtbij waardevolle bouwhistorische objecten of historisch geografisch waardevolle elementen, zoals solitaire bomen of restanten van voormalige verdedigingswerken, kan een negatief effect hebben. Uitgangspunt is dat fysieke schade wordt voorkomen, doordat hier in de tracering rekening mee gehouden is waarbij er bijvoorbeeld geen mast op een monumentaal gebouw wordt geplaatst. Wel kan het voorkomen dat een mast, opstijgpunt of kabeltracé in de nabijheid van beschermde gebouwde objecten of beschermde historisch geografische elementen wordt geplaatst. In dergelijke gevallen wordt op basis van de bekende mastposities, kabeltracés of opstijgpunten het effect op de bouwhistorisch en historisch geografische waarden beschreven. De betreffende locaties worden op kaart ingetekend op basis waarvan de effecten worden beschreven. Dit gebeurt kwalitatief waarbij zowel aandacht wordt besteed aan de samenhang tussen elementen en hun context als aan de fysieke beïnvloeding van het specifieke element of object.

30\48

MER-beoordelingskader bovengrondse en gedeeltelijk ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Kenmerk R001-1232999FDD-evp-V06-NL

4 Natuur 4.1

Beoordelingskader

De tracés doorkruisen verschillende natuur- en leefgebieden van vogels, zoogdieren en amfibieën. Het effect op deze dieren kan direct zijn door bijvoorbeeld het verhogen van het aantal draadslachtoffers, of indirect door aantasting van het leefgebied door vergravingen of het kappen van bomen. Bij het verwijderen van bestaande verbindingen kunnen deze effecten ook positief zijn. De criteria voor het thema natuur zijn gebaseerd op de wetgeving zoals vanaf 1 januari 2017 van toepassing: Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De deelaspecten, beoordelingskaders en criteria zijn weergegeven in tabel 4.1. Paragraaf 4.2 beschrijft hoe de effectbeoordeling verder wordt opgebouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11012010/1