2021-017387 Bijl3- Bp Noorderbunder Toelichting
Tekst van het document
4.7
Geluid
4.7.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen.
62/98
4.7.2 Wegverkeerslawaai 4.7.2.1 Normstelling en beleid Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh.
Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. 4.7.2.2 Toetsing Met het planvoornemen worden geluidgevoelige functies, namelijk woningen, gerealiseerd. Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van wegen. Vanwege de ligging van deze geluidgevoelige functies is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 11. Uit het onderzoek blijkt het volgende: (Een beperkt deel van) het plangebied ligt binnen de 48 dB contouren van de Westerlaan, de Laagstraat en de Noorderlaan. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren ten gevolge van de Noorderlaan, de Laagstraat en de Westerlaan zijn niet gewenst.
Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook voor de niet gezoneerde wegen, de interne ontsluitingsstructuur, de geluidsituatie te worden beoordeeld. Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid zal bij de aanvraag omgevingsvergunning moeten plaatsvinden. Eventueel noodzakelijke fysieke aanpassingen aan bestaande wegen zijn in dit onderzoek niet meegenomen.
63/98
Voor grondgebonden en gestapelde woningen is het laten vaststellen van hogere waarden noodzakelijk, zie tabel 4.7. Tabel 4.7 Benodigde hogere waarden1
1
Worst-case situatie voor benodigde hogere waarden
In voorliggend bestemmingsplan is ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse een aanduiding 'Geluidzone – weg' opgenomen. Binnen deze geluidzone worden geluidgevoelige objecten enkel toegestaan indien wordt voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder en middels een akoestisch onderzoek bij omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangetoond dat voldaan wordt aan het gemeentelijke geluidbeleid d.d. december 2009 of opvolgend beleid. 4.7.3 Industrielawaai Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.7.4
Railverkeerslawaai
Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.7.5 Conclusie Het aspect geluid biedt geen belemmering voor de verdere uitwerking van het plan. Het laten vaststellen van hogere waarden voor woningen waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden is noodzakelijk.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de
64/98
oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
65/98
4.8.2 Toetsing Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor of het water. Ook zijn er geen risicovolle bronnen in de omgeving met een externe werking op het plangebied. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied of effectafstand van een risicovolle inrichting, zie figuur 4.13.
Figuur 4.13 Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten westen bevindt zich de A27 op een afstand van circa 2,6 kilometer. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van deze weg wordt bepaald door stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen De buisleidingen Z-521-01 en Z-521-08 bevinden zich ten westen van het plangebied. Het betreffen hogedrukaardgasleidingen met een werkdruk van 40 bar. Buisleiding Z-521-01 heeft een grootte van 6 inch en een invloedsgebied van 70 meter. Buisleiding Z-521-08 heeft een grootte van 8 inch en een invloedsgebied van 95 meter. Met een afstand van circa 500 meter tot het plangebied bevindt de beoogde ontwikkeling zich niet het invloedsgebied van beide buisleidingen. Ten noordoosten bevindt zich een buisleidingenstrook op een afstand van circa 1,14 kilometer. Hiermee bevindt de locatie zich buiten het toetsingsgebied en invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden.
66/98
4.8.3 Conclusie Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting of route waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.8 weergegeven. Tabel 4.8 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
67/98
4.9.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 300 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De bijbehorende kaart met daarop de diverse meetpunten is weergegeven in figuur 4.14.
Figuur 4.14 Kaart NSL (Bron: NSL-monitoringstool) De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreffen de Laagstraat, Westerlaan en Middellaan. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen voor de Laagstraat - de dichtstbijzijnde weg - in 2020; 17 µg/m³ voor NO2, 18,3 µg/m³ voor PM10 en 11,4 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
68/98
4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Voor het aspect externe veiligheid ten aanzien van leidingen wordt verwezen naar paragraaf 4.8. 4.10.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.11 Bodem 4.11.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.11.2 Toetsing Het bureau Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft in opdracht van de gemeente Dongen een historisch bodemonderzoek, een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een verkennend waterbodemonderzoek voor het plangebied Noorderbunder uitgevoerd.
Het bijbehorende onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 12. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. 4.11.2.1 Historisch bodemonderzoek Uit de beschikbare gegevens kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Van de onderzoekslocatie zijn, voor zover bekend, geen gegevens bekend van de (water)bodemkwaliteit; In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn diverse (water)bodemonderzoeken en saneringen uitgevoerd. Ten westen is een asbestverontreiniging aangetoond en gesaneerd. Ten noordwesten is een waterbodem gesaneerd. In het grondwater ten noordoosten zijn sterk verhoogde gehalten voor nikkel en kwik, aangetoond welke naar verwachting verhoogde achtergrondconcentraties betreffen. Verder zijn er met
69/98
de diverse (water)bodemonderzoek, voor zover bekend, geen bijzonderheden waargenomen; Er zijn naar verwachting circa twaalf watergangen, welke deels aaneengesloten zijn geweest, en drie wegen op de onderzoekslocatie aanwezig geweest; Op de onderzoekslocatie zijn boomgaarden aanwezig geweest, waarbij mogelijk gebruik is gemaakt van OCB; Op een deel van de onderzoekslocatie is bebouwing aanwezig geweest. Daarnaast is er een schuur aanwezig met mogelijk asbestverdachte dakbedekking en slechte afwatering en zijn er, naast de voormalige weg en voormalige watergang, tevens (voormalige) (puin)dammen op de onderzoekslocatie aanwezig; Met het locatie bezoek is de schuur met asbestverdachte dakbedekking en slechte afwatering bevestigd; De vijver is slecht toegankelijk, waardoor vooralsnog alleen een indicatief waterbodemonderzoek kan worden uitgevoerd. Op de locatie zijn naar verwachting geen overige bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest); Door de opdrachtgever is aangegeven dat er geen aanvullend onderzoek naar PFAS hoeft te worden uitgevoerd. In verband met de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling dient op basis van bovengenoemde gegevens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5740, inclusief een aanvullend onderzoek naar OCB (boomgaarden).
Hierbij vormen de voormalige watergangen, voormalige wegen, voormalige bebouwing en (voormalige) (puin)dammen aandachtspunten. Tevens dienen de waterbodems van de watergangen op de onderzoekslocatie en perceelgrenzen te worden onderzocht conform de NEN 5720, waarbij de waterbodem tevens onderzocht wordt op OCB en chroom. De waterbodem van de vijver op de onderzoekslocatie wordt indicatief onderzocht, aangezien deze onvoldoende toegankelijk is. Daarnaast dient ter plaatse van de schuur met asbestverdachte dakbedekking en een slechte afwatering een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of NEN5897 te worden uitgevoerd. Een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of NEN5897 wordt voor het overige deel van de onderzoekslocatie vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Echter kan (nog) niet worden uitgesloten dat hier puin en/of asbestverdacht (plaat)materiaal wordt aangetroffen in de bodem. 4.11.2.2 Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de onderzoekslocatie is voor de algemene kwaliteit de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging.
In zowel de boven-, ondergrond als het grondwater ten behoeve van de algemene kwaliteit zijn (na uitsplitsing) maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrond- of streefwaarden. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen, voormalige wegen en (voormalige) (puin)dammen. Naar verwachting is voorafgaand aan de dempingen eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. De wegen zijn naar verwachting volledig verwijderd en de dammen betreffen geen puindammen.
70/98
De aangetoonde verhoogde gehalten op de onderzoekslocatie betreffen (na uitsplitsing) enkel overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde meetwaarden) de interventiewaarden en de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Teeltlaagonderzoek In de teeltlaag zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor de OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. De voormalige boomgaarden hebben derhalve niet geleid tot een ernstige bodemverontreinigingen met OCB in de teeltlaag. BBK Bij een indicatieve toetsing van de geanalyseerde (meng)monsters ten behoeve van de algemene kwaliteit aan het Besluit Bodemkwaliteit (indien grond wordt afgevoerd) blijkt dat de (meng)monsters van de grond maximaal niet toepasbaar zijn. De mengmonsters van de teeltlaag hebben maximaal de klasse industrie op basis van de onderzochte OCB-parameters. 4.11.2.3 Verkennend onderzoek naar asbest Voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van de druppelzone is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese te worden verworpen, aangezien zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetroffen.
Over de contactzone (maaiveld) kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (vegetatie > 20 mm) op het maaiveld. 4.11.2.4 Verkennend waterbodemonderzoek Op basis van de resultaten van de verkennende waterbodemonderzoeken blijkt dat in de watergangen geen slib aanwezig is. In de vijver is een sliblaag aanwezig van circa 5 cm. Als hypothese werd uitgegaan van een verspreidbare waterbodem voor de watergangen. Op basis van resultaten kan de hypothese worden aangenomen, aangezien de vaste waterbodem ter plaatse van de watergangen G01 t/m G10 en G11 t/m G20) voor T1 en T3 is geclassificeerd als 'altijd toepasbaar' en voor T5 als 'altijd verspreidbaar'. Voor het slib uit de vijver was geen hypothese gesteld in verband met het indicatief onderzoek. Rekening houdend hiermee, geldt ook voor het slib uit de vijver (G21 t/m G26) indicatief de klasse 'altijd toepasbaar' (T1 & T3) en 'verspreidbaar' (T5). 4.11.3 Conclusie en advies Met de uitgevoerde (water)bodemonderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de onderzoekslocatie gelegen aan de Noorderlaan te Dongen in voldoende mate onderzocht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling.
Wel dient rekening te worden gehouden met de onderstaande aanbevelingen en aandachtspunten. Geadviseerd wordt om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering en de sloop van de schuur met asbestverdachte dakbedekking, ter plaatse nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om
71/98
zintuiglijk (fractie > 20 mm) een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone (maaiveld). Ter plaatse van de voormalige bebouwing op de onderzoekslocatie zijn diverse boringen gestaakt en verplaatst in verband met een ondoordringbare laag. Er dient derhalve met de voorgenomen herontwikkelingen rekening te worden gehouden met een eventueel nog aanwezige fundering in de grond. In verband met de aangetoonde gehalten voor minerale olie in de bovengrond (niet toepasbaar) en de OCB-parameters in de teeltlaag (klasse industrie) zijn mogelijk aanvullende werkzaamheden gewenst (afvoeren), aangezien de voorgenomen herontwikkeling woningbouw betreft. Onderstaand is in tabel 4.9 weergegeven welke delen van de onderzoekslocatie het betreft. De overige geanalyseerde (meng)monsters zijn altijd toepasbaar (BBK). Tabel 4.9 Overzicht niet toepasbare grond en grond met klasse industrie BBK Boringen Niet toepasbaar B26, PB30, B31, B32, B37, B38B, PB39B, B40B, B41 Industrie PB03, B04B, B06B, B07B, PB09, B11, B13, B15
Traject 0,0 - 0,5 m-mv 0,0 - 0,3 m-mv
Bij het ontgraven van grond/slib zijn de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Indien grond/slib van de locatie dient te worden afgevoerd, worden mogelijk aanvullende keuring(en) verlangd en kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.
4.12 Water 4.12.1 Normstelling en beleid Waterbeheer en watertoets Voor alle ruimtelijke plannen zal een watertoets moeten worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in bestaand watersysteem. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:
72/98
Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is onder andere verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Dongen. Het gaat hierbij om de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is.
Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij (nieuwe) ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Gemeentelijk beleid Het Water- en Rioleringsplan Dongen geeft het beleid van de gemeente Dongen weer op het gebied van rioleringszorg (afvalwater en hemelwater) en haar gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van grondwater. In het plan komt ook het stedelijke oppervlaktewater aan de orde, omdat hemelwater, grondwater en zelfs afvalwater relaties hebben met het oppervlaktewater. De zorgplichten zijn zodanig geformuleerd dat iedere gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid houdt om een eigen invulling te kiezen voor de lokale situatie.
Dit Water- en Rioleringsplan Dongen geldt voor onbepaalde tijd en wordt indien nodig geactualiseerd. Momenteel geldt de versie 2022.
73/98
4.12.2 Toetsing 4.12.2.1 Huidige situatie Het plangebied omvat het terrein gelegen aan de Noorderlaan. Het gebied is in de huidige situatie volledig onverhard. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld (bijlage 13) en in het kader van het vooroverleg afgestemd met het Waterschap Brabantse Delta. Doel van deze rapportage is het adviseren in een hydrologisch neutrale inrichting waarbij voorzien wordt in voldoende retentie waardoor de waterhuishoudkundige situatie van het gebied en omliggende percelen niet nadelig wordt beïnvloed. Uitgangspunt is het verkavelingsplan zoals opgenomen in paragraaf 2.2. Hoogteligging terrein Het plangebied is landkundig ingemeten. Aanvullend zijn de watergangen en stuwen door ingemeten. Het bestaande onbebouwde perceel heeft een maaiveldniveau van variërend van ca. +2.50m NAP tot +3.60m NAP, aflopend van zuid naar noord. De Noorderlaan heeft een maaiveldniveau van +3.50m NAP. De niveaus van de bestaande wijken ten zuiden van de Noorderlaan liggen hoger. De nieuwe planhoogtes worden afgestemd op bestaand omliggend gebied. In figuur 4.15 zijn de beoogde bouwpeilen opgenomen.
Figuur 4.15 Hoogteligging plangebied (Bron: Gemeente Dongen) Oppervlaktewater Binnen het plangebied zijn diverse categorie-A en categorie-B watergangen aanwezig (figuur 4.16). De watergangen zijn ingemeten en opgenomen in bijlage 2 van het waterhuishoudkundig plan. In figuur 4.9 zijn categorie-B watergangen weergegeven in de kleur roze en A-watergangen in de kleur blauw. De binnen het plangebied gelegen watergangen zijn onderling verbonden (deels middels duikers) en wateren in noordwestelijke richting af. Het plangebied is in de bestaande situatie volledig onverhard, waardoor hemelwater infiltreert en of via de bestaande watergangen afvoert. In het plangebied is ook een stuw gelegen, in de figuur aangegeven met oranje symbool. Het betreft een handmatig regelbare schotbalkstuw met een doorlaatbreedte van 1.10m en een minimale kruinhoogte van +1.83m NAP (ten tijde van inmeten bovenkant stuw ingesteld op +2.12m NAP).
74/98
Figuur 4.16 Leggerkaart (Bron: Waterschap Brabantse Delta) Grondwatermonitoring Conform de uitgevoerde (water)bodemonderzoeken zoals opgenomen in bijlage 12 wordt gesteld dat op basis van het ondergrondmodel Regis II de bodem tot 2,5 m -mv is opgebouwd door holocene afzettingen en daaronder tot minstens 10 m -mv uit de formatie van Sterksel (eerste zandige eenheid). Dit betekent dat de bodem bestaat uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei. Door deze opbouw ligt de verwachte doorlatendheid van de bodem tussen de 25 en 50 meter per dag, wat betekent dat de doorlatendheid zéér goed is. De verwachte grondwaterstand ligt tussen de 1,2 en 2,0 meter beneden maaiveld. De gegevens voortkomend uit de boringen 02-02-2022 tonen tevens een gemeten grondwaterpeil van 1.00 tot 1.50 meter beneden maaiveld. Het grondwater in het watervoerend pakket stroomt in noordelijke richting. De grondwaterstroming van het ondiepe freatische grondwater wordt sterk beïnvloed door omgevingsfactoren zoals de ligging van sloten, drainage, bemalingen, onttrekkingen, dempingen en dergelijke. In voorliggend plan blijven de locaties van bestaande watergangen zoveel als mogelijk gehandhaafd. De locaties met relevante peilbuizen rondom het plangebied zijn in bijlage 4 van het waterhuishoudkundig plan weergegeven.
Op basis van de beschikbare meetreeksen over de jaren 2012-2021 is per peilbuis de GHG bepaald. Het gemiddelde van de berekende waarden in het plangebied resulteert in een te verwachten GHG van +2.40m NAP. Tezamen met de in het veld waargenomen grondwaterniveaus en hetgeen gesteld in de beschikbare rapportages wordt de GHG gesteld op +2.20 tot +2.40m NAP. Bodemopbouw en doorlatendheid Op basis van de beschikbare rapporten bestaat de bodemopbouw van de eerste 3 meter voornamelijk uit zandlagen. De k-waarde geeft de doorlatendheid van de bodem weer. Aangenomen wordt dat infiltratie in de
75/98
bodem bij een K-waarde groter dan 0,8 m/dag in veel gevallen goed is te noemen. In middel fijn tot grof zand is een k-waarde tussen 1 en 10 te verwachten. Grof zand heeft een k-waarde tussen 10-50 m/dag. In zandige klei met enige poriën en scheuren is een k-waarde tussen 0,5-2,0 meter/dag te verwachten. De resultaten van doorlatendheidsproeven tonen aan dat de doorlatendheid van de bodem hier zeer goed is. Normaliter is de doorlatendheid van dergelijke bodems meer dan 5 m/dag. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plangebied geschikt is voor infiltratie van hemelwater. Veiligheid en waterkeringen Binnen en in de directe omgeving van de gemeente Dongen zijn geen waterkeringen gelegen. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Wel past Dongen het meerlaagsveiligheidsprincipe toe die ook het waterschap hanteert. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Het plangebied zelf zal uitsluitend gerioleerd worden met een vuilwaterstelsel (DWA). 4.12.2.2 Toekomstige situatie Algemeen Gemeente Dongen is voornemens in het plangebied Noorderbunder maximaal 300 wooneenheden mogelijk te maken en het plangebied hydrologisch neutraal te ontwikkelen. Hierbij wordt er ingezet op oppervlakkige afvoer van hemelwater.
Uitgangspunt is dat het nieuwe systeem zonder hemelwaterriolering functioneert. Compensatie verhard oppervlak Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten binnen de gemeente Dongen worden in principe waterneutraal uitgevoerd, waarbij wordt voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater optreden. Hierbij wordt uitgegaan van een bui t=100 dat overeenkomt met een retentie van 78 mm. Verhard oppervlak wordt niet aangesloten op de riolering, want er wordt geen hemelwaterriool aangelegd. Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. In het waterhuishoudkundig plan zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding of voor infiltratie en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan. De bergingseisen van de gemeente Dongen zijn weergegeven in tabel 4.10 en gevisualiseerd in figuur 4.17. Tabel 4.10 Bergingseisen vanuit de gemeente Dongen Situatie Bergingseis Bestaande bebouwing geen aanvullende retentie van hemelwater Verbouwing zonder vergroting retentie van 7mm hemelwater, van toepassing op het gehele van verhard oppervlak verhard oppervlak Verbouwing met vergroting van retentie van 78mm hemelwater, enkel van toepassing op het verhard oppervlak extra verhard oppervlak, bestaande verhard oppervlak 7 mm Nieuwbouw retentie van 78mm hemelwater, van toepassing op het verharde oppervlak (tuin 80%)
76/98
Figuur 4.17 Visualisatie bergingseisen gemeente Dongen (Bron: Gemeente Dongen) In tabel 4.11 volgt een overzicht van de verharde oppervlakken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Voor uitgeefbaar gebied is gerekend met 80% verhard. Voor rijbanen en trottoirs met 100% verhard. Voor groene parkeervakken en struinpaden van halfverharding is gerekend met 50% verhard. Hemelwater op laatstgenoemde oppervlakken zullen grotendeels infiltreren. Tabel 4.11 Verdeling verhard oppervlak ten gevolge van de ontwikkeling Type verharding Hoeveelheid (m2)
77/98
Uitgeefbaar 80% Openbare verharding (rijbanen en trottoirs) 100% Openbare verharding (parkeervakken en struinpaden) 50% Vervallen verharding 100% Totaal:
28.596 14.510 2.270 230 45.146 m2
Compensatie gedempte sloten Ten gevolge van de nieuwe inrichting van het plangebied zijn er ook wijzigingen aan de bestaande watergangen. Qua slootafstand blijft de maatgevende slootafstand gehandhaafd. De vervallen bergingscapaciteit ten gevolge van het dempen van delen van bestaande watergangen bedraagt 75 m3. Dit dient te worden gecompenseerd in het plangebied. Gewenste drooglegging Voor de bepaling van de gewenste planhoogtes en bouwpeilen zijn drooglegging, ontwateringsdiepte en opbolling van belang. Het bouwpeil is reeds bepaald. Onderstaande waarden worden gehanteerd: Voor openbare wegen minimaal 0.75m; Voor tuinen minimaal 0.50m; Voor bomen minimaal 0.70-0.90m; Voor bebouwing minimaal 1.00m; Bouwpeil en terreinhoogtes Op basis van de in het veld waargenomen grondwaterniveaus, hetgeen gesteld in de beschikbare rapportages en de peilbuisgegevens wordt de GHG gesteld op +2.20 tot +2.40m NAP. De voorgestelde bouwpeilen van +3.60 en +3.45m NAP voldoen hiermee aan de gewenste drooglegging. Ook de aansluiting op de Noorderlaan kan met deze peilen goed worden gemaakt. Het terrein dient opgehoogd te worden met een voldoende waterdoorlatend grondpakket. Slootafstanden De slootafstand in de bestaande situatie is gelijk aan de slootafstand in de toekomstige situatie. Deze slootafstand is van belang voor de optredende opbolling van de grondwaterstand en ontwateringsdiepte.
Opbolling grondwater in relatie tot planhoogtes Uitgangspunt is een toekomstig gemiddeld maaiveldniveau van ca. +3.40m NAP. Dit om een goede aansluiting te creëren met aangrenzend gebied en tevens te voldoen aan de gewenste drooglegging en ontwateringsdiepten. Voor het maatgevende bestaande waterpeil in de sloten wordt uitgegaan van +2.10m NAP. Op basis de goed doorlatende ondergrond, het niet wijzigen van de slootafstanden en ophogen van het plangebied treedt in de toekomstige situatie een zeer geringe opbolling op. Geconcludeerd wordt dat met de voorgestelde bouwpeilen wordt voldaan aan de gewenste drooglegging. Randvoorwaarden ontwikkeling Gemeente Dongen is voornemens het plangebied hydrologisch neutraal te ontwikkelen. Hierbij wordt er ingezet op oppervlakkige afvoer van hemelwater. Uitgangspunt is dat het nieuwe systeem zonder hemelwaterriolering
78/98
functioneert. Er worden geen vijvers, kratten of andere voorzieningen voorzien. Retentie dient gevonden te worden in maaiveldverlagingen met de mogelijkheid voor kwalitatief hoogwaardige groeninrichting. Het gebied werkt als het ware als een spons waarbij water zoveel als mogelijk wordt vastgehouden en vertraagd wordt afgevoerd en geïnfiltreerd. Door toepassen van maaiveldverlagingen ruim boven de GHG te realiseren kan dit gebied voorzien worden van hoogwaardig groen en staat er incidenteel een schil water op het maaiveld. Systeemvoorstel Het voorgestelde systeem bestaat uit bestaande sloten, nieuwe sloten, verlaagd groen, duikers, stuwen en slokkop-constructies. Zie bijlage 6 van het waterhuishoudkundig plan voor de schetsmatige uitwerking van het voorstel. Hierna volgt een beknopte toelichting. Op een aantal plaatsen worden ter plaatse van bestaande sloten dammen met duikers voorzien en een deel van de bestaande sloot dient vergraven te worden. Verder blijft het bestaande watersysteem zoveel als mogelijk ongewijzigd. De invloed op de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt hiermee beperkt. De nieuwe inrichting dient qua hoogtepeilen zodanig te worden aangelegd dat het hemelwater van de bouwvelden en openbare verharding oppervlakkig naar de dichtstbijzijnde verlaging in het maaiveld wordt getransporteerd.
Verlagingen worden uitgevoerd met een flauw talud van minimaal 1:3 in verband met beheer en een maximale diepte van 0.50 m. Het maaiveldniveau van deze verlagingen wordt ruimschoots boven de GHG gesitueerd om maximale infiltratie mogelijk te maken. De maaiveldverlagingen samen hebben een bergend vermogen van 1.915 m3. Op deze manier kan er voorzien worden in een hoogwaardige groeninrichting en staat er slechts incidenteel (en voor een korte periode) water op het maaiveld. Per maaiveldverlaging dient een slokkop te worden voorzien met een uitstroom naar een nabij gelegen nieuwe of bestaande sloot. Het niveau van de slokkop is zodanig dat er ten hoogste en tijdelijk 30 cm water in het groen staat. Dit uitsluiteind in geval van een extreme neerslaggebeurtenis. In het plangebied worden nieuwe sloten voorzien als hoofdtransportroute richting het bestaande watersysteem. Om rechtstreekse interactie te voorkomen en tevens te voorzien in bergingscapaciteit worden er stuwen aangebracht. De nieuwe sloten voorzien in een aanvullende waterberging van 400 m3 (bergende schil tussen de GHG en het overstortniveau van de stuw). De maaiveldverlagingen in combinatie met de voorgestelde sloten geeft een totaal bergend vermogen van 2.315 m3. Omgerekend wordt er voorzien in netto 51 mm berging.
Dit betekent niet dat bij een bui van meer dan 51 mm direct wordt overgestort op het bestaande watersysteem. Dit aangezien het plangebied beschikt over veel infiltratiecapaciteit. Te weten een oppervlak van 6.385 m2, ruim boven de GHG. Verspreid over de locatie ligt de doorlatendheid van de bovengrond (0,0 - 1,0 m -mv) tussen de 0,73 en 2,89 m/dag. In het meest ongunstige geval infiltreert er in deze situatie ca. 200 m3/uur. In het meest gunstige geval 768 m3/uur. Uitgaande van een gemiddelde infiltreert er 485 m3/uur. Binnen een uur infiltreert er 10 mm. Dit op basis van de gemeten k-waarden en de maaiveldniveaus ten opzichte van de grondwaterstand. Vervolg In een vervolgstap dient op basis van het schetsmatige systeemvoorstel een detailuitwerking opgesteld te
79/98
worden met een hoogteplan. In deze uitwerking verdient het straatprofiel, hoogteverloop en de locatie van de goten extra aandacht. De openbare inrichting voorziet in 51 mm berging. Inclusief de infiltratiecapaciteit kan er gedurende een uur 60 mm worden geborgen. Wanneer men vasthoudt aan de uitgangspunten en randvoorwaarden dan kan dit restant aan benodigde berging (78-60 = 18 mm) eventueel worden gevonden op de uitgeefbare grond. In deze studie is uitsluitend gekeken naar openbare ruimte. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Daarom wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet toegestaan. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering, vigerend waterschapsbeleid en het Water- en Rioleringsplan Dongen is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen; b. verontreiniging van hemelwater wordt voorkomen; c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden; d. huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater wordt ingezameld en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld onder d. (in de praktijk dus vooral hemelwater) wordt hergebruikt (zo nodig na zuivering aan de bron); f. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt lokaal in het milieu teruggebracht (zo nodig na zuivering aan de bron); g. ander afvalwater dan bedoeld onder d. wordt als stedelijk afvalwater ingezameld en naar een rwzi getransporteerd. Voor de beoogde ontwikkeling zal een nieuw DWA-riool aangelegd worden. Het hemelwater afgekoppeld. Zo stroomt het hemelwater wat op straat valt naar de aanwezige kolken of goten. Van de kolken en lijngoten stroomt het water oppervlakkig af naar verlaagd maaiveld. Voor de beoogde ontwikkeling zal een nieuw VWA-riool aangelegd worden. Waar mogelijk is het hemelwater afgekoppeld. Zo stroomt het hemelwater wat op straat valt naar de aanwezige kolken of lijngoten. Van de kolken en lijngoten stroomt het water via geperforeerde buizen in de in doek ingepakte AquaBase-fundering. Deze fundering bestaat uit steentjes met nagenoeg dezelfde grootte.
Op die manier zit er circa 30% holle ruimte tussen de steentjes. Hier kan het water instromen om vervolgens langzaam de bodem in te zakken. Afstemming Waterschap Brabantse Delta
80/98
Het systeemvoorstel uit het waterhuishoudkundig plan is gebaseerd op de woningbehoefte en -differentiatie en verhouding uitgeefbaar en openbare ruimte en groen zoals weergegeven in paragraaf 2.2. Aan de hand van deze aanpak is het (voorontwerp)bestemmingsplan afgestemd met het Waterschap Brabantse Delta, is de omgevingsdialoog gevoerd en zijn studies verricht. In het waterhuishoudkundig plan zijn de vragen vanuit het Waterschap beantwoord zoals, bergingseis, berekening, bodemgesteldheid, waterberging/retentie en ruimtelijk inpasbaarheid ervan in relatie tot beschikbaar openbaar groen en rekening houdend GHG en bouwpeil/afwerkhoogte. Daarmee kan gesteld worden dat deze aanpak in grote mate het definitieve plan verbeeld en als basis dient voor toekomstige bouwaanvragen. Het Waterschap blijft betrokken bij de nadere uitwerking van het aspect water. 4.12.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de haalbaarheid en procedure van het voorliggend bestemmingsplan. In een vervolgstap dient op basis van het schetsmatige systeemvoorstel een detailuitwerking opgesteld te worden met een hoogteplan. In deze uitwerking verdient het straatprofiel, hoogteverloop en de locatie van de goten extra aandacht.
4.13 Ecologie 4.13.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.
Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
81/98
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied
82/98
opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 4.13.2 Toetsing Het plan aan de Noorderlaan te Dongen zou kunnen samengaan met effecten op beschermde gebieden, planten en dieren. Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeerde diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In opdracht van gemeente Dongen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.
Het bijbehorende onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 15. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. 4.13.2.1 Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Langstraat' op 5,4 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Het Natura 2000-gebied 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' ligt op iets ruimere afstand, namelijk op 9,2 kilometer ten oosten van het plangebied. De gebieden zijn weergegeven in figuur 4.18.
83/98
Figuur 4.18 Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (Bron: AERIUS Calculator) De uiteindelijke werkzaamheden binnen het plangebied behelzen de realisatie van maximaal 300 woningen. In het kader van de aanleg- en de gebruiksfase zijn met het programma AERIUS Calculator (2022) berekeningen uitgevoerd om de gevolgen voor stikstofdepositie in beeld te brengen en te toetsen of eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. Een beknopte memo inclusief bijbehorende rekenbladen hieromtrent is opgenomen als bijlage 14. AERIUS Calculator geeft aan dat er voor zowel de aanlegfase als de verschilberekening van de gebruiksfase geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op grond van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. Interim omgevingsverordening Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant ligt op ca. 980 meter ten zuidwesten van het plangebied (figuur 4.19). Dit heeft als beheertypen N16.03 Droog bos met productie. De wezenlijke kenmerken en waarden en de daarbij behorende functies worden niet (tijdelijk) aangetast als gevolg van de werkzaamheden door de ruime afstand tot het plangebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.
De Brabantse Interim Omgevingsverordening wordt niet overtreden.
84/98
Figuur 4.19 Natuurnetwerk Brabant en ecologische verbindingszones in de omgeving van het plangebied (Bron: Provincie Noord-Brabant) Houtopstanden Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom van Dongen. Echter worden er geen bomen gekapt. In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden. 4.13.2.2 Soortenbescherming Soorten Vogelrichtlijn Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing en bomen zijn in het plangebied afwezig. Bij de ontwikkelingen zullen er geen negatieve effecten optreden op potentiële nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten. De verbodsbepalingen Art. 3.1 lid 2 van de Wnb worden niet overtreden. Nader veldonderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk. Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten: tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord.
Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Soorten Habitatrichtlijn Negatief effect op vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van vleermuizen is uitgesloten, Geschikte bebouwing en bomen ontbreken. Essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied, vliegroutes) is eveneens afwezig, in de omgeving zijn ruim voldoende alternatieven voorhanden. Aanwezigheid van
85/98
verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van overige habitatrichtlijnsoorten zijn in het plangebied eveneens uit te sluiten, geschikt habitat ontbreekt. Nader (veld)onderzoek is niet nodig. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig. Nationaal beschermde soorten Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van wezel, steenmarter en bunzing. Nader onderzoek is nodig. Indien wezel, bunzing en/of steenmarter aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal zes maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten welke vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Noord-Brabant. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.
Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Nader onderzoek marterachtigen Op basis van resultaten uit de quickscan flora en fauna is nader onderzoek naar de wezel, steenmarter en bunzing uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 16. Onderstaande tabel toont de onderzochte en/of aangetroffen beschermde soorten en bijbehorende vervolgstappen. Hierin is weergegeven dat tijdens het onderzoek essentieel leefgebied van de steenmarter is vastgesteld. De Wet natuurbescherming kan hierdoor worden overtreden. Tabel 4.11 Onderzochte en/of aangetroffen beschermde soorten en bijbehorende vervolgstappen
Ten behoeve van de voorgenomen plannen zullen maatregelen genomen moeten worden om negatieve
86/98
effecten ten aanzien van de steenmarter te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een activiteitenplan en ter goedkeurig worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. Het voorbereidingstraject voor deze ontheffingsaanvraag voor de steenmarter is op 14 oktober 2022 opgestart. Het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken, het bouwen en/of slopen en het uitvoeren van een werk binnen het plangebied is enkel toegestaan nadat maatregelen en/of benodigde ontheffingen of vergunningen zijn uitgevoerd en/of verkregen. 4.13.3 Conclusie Het voorbereidingstraject voor de aanvraag ontheffing voor de steenmarter is vanaf 14 oktober 2022 opgestart. Het voorbereidingstraject voor deze ontheffingsaanvraag voor de steenmarter is op 14 oktober 2022 opgestart. Het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken, het bouwen en/of slopen en het uitvoeren van een werk binnen het plangebied is enkel toegestaan nadat maatregelen en/of benodigde ontheffingen of vergunningen zijn uitgevoerd en/of verkregen. Met in acht name van deze voorwaarde in het kader van de Wet natuurbescherming vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.