2021-017349 Bijlage 2- 20210224NG T-PvE 's Gravenmoer
Tekst van het document
5.8 Daken De dakvloeren dienen ten behoeve van bouwfysische kwaliteit met nadrukkelijke voorkeur uitgevoerd te worden in steenachtige materialen: gasbeton of prefab beton. Om de eisen te behalen die zijn benoemd in hoofdstuk 1, is het zeer waarschijnlijk dat er PV-panelen worden toegepast. Daarom dient de architect rekening te houden met het dakoppervlak (m²), benodigde draagkracht voor installaties en esthetische detaillering. Ook dient het dak zodanig constructief gedimensioneerd ten behoeve van PV-panelen. De warmteweerstand van de dakconstructies (Rc) moet minimaal 6,3 m²K/W bedragen, berekend volgens de NEN 1068 “Thermische isolatie van gebouwen – Rekenmethode”. De materiaalkeuze van de dakisolatie en dakbedekking (uitgangspunt PIR isolatie en kunststof dakbedekking los gelegd met ballastlaag) dient te worden afgestemd op eventuele eisen van de verzekering en de lokale brandweer. De dakconstructies moeten worden gerealiseerd met een blijvend alzijdig afschot van minimaal 16 en maximaal 30 mm1. Als dakopstanden worden toegepast dienen deze voldoende hoog te zijn (minimaal 120 mm) en de binnen het dakoppervlak gelegen opstanden moeten minstens 30 mm hoger zijn dan de dakranden langs de gevel. Accumulatie van water (op platte daken) dient te worden voorkomen.
Ten behoeve van de bereikbaarheid van installaties op het dak, tegellooppaden en valbeveiliging conform NEN-EN 795-klasse C of D opnemen. Goten dienen eenvoudig bereikbaar te zijn voor inspectie en onderhoud. De daken moeten dusdanig worden afgewerkt dat deze weinig onderhoud vragen. Daken voorzien van noodoverstorten. Positionering noodoverstorten met minimale afstand tot looproute, en deuren en ramen, zodat de werking van de noodoverstort direct zichtbaar is, maar geen overlast veroorzaakt.
www.icsadviseurs.nl
24/45
Technisch Programma van Eisen
Randafwerkingen en goten vragen veel aandacht bij het ontwerp en de uitvoering van daken. Aansluitingen dakbedekking met gevelelementen e.d. voorzien van slabben van loodvervangend materiaal of soortgelijk. Dakaansluitingen beperken in aantal en zodanig detailleren dat de dakbedekking eenvoudig vervangen kan worden. Dakvlakken niet groter dan 200 m² (eventueel doormiddel van dakcompartimentering). Dakbedekking op platte daken dient eenvoudig te vervangen en waar mogelijk recyclebaar te zijn. De daktoegang is van een inbraakwerende kwaliteit. Hetzelfde geldt voor eventuele daklichten. Lichtkoepels op kwetsbare plekken, zowel ten aanzien van wateroverlast als inbraak en vandalisme, vermijden. Platte daken dienen met lichte kunststof dakbedekking of indien bitumineus met witte gemineraliseerde dakafwerking afgewerkt te worden. De daklichten construeren met volledige thermische onderbreking en de totale warmteweerstand moet tenminste overeenstemmen met de buitenbeglazingen (een U-waarde van maximaal 0,8 W/ m²K). Er mag in geen geval condensatie optreden tegen de onderkant van de daklichten. Lichtkoepels en lichtstraten dubbelwandig uitvoeren. Let bij een ongunstige zonnestand op verblinding. Daklichten voorzien van inbraakwerende voorzieningen. Dak dient bereikbaar te zijn middels een interne trap die bij voorkeur vast uitgevoerd is in een afsluitbare ruimte.
Daken die in het zicht vallen dienen ordentelijk te worden ingedeeld en uitgevoerd, bij voorkeur (ambitie) voorzien van sedum. Indien zonnecollectoren worden toegepast dienen deze esthetisch in het dakvlak te worden ingepast. Uiteraard is toepassen in het geveloppervlak ook een optie.
5.9 Binnenwanden en binnenwandafwerking 5.9.1 Binnenwand Bij de keuze van het type binnenwand dient onder andere in beschouwing te worden genomen: ▪ Functionaliteit. ▪ Flexibiliteit. ▪ Investeringskosten. ▪ Demontagekosten. ▪ Geluidsisolerende kwaliteiten. ▪ Schoonmaakonderhoud. ▪ Gevraagde bouwfysische eigenschappen. ▪ Veiligheidsaspecten. De keuze van het soort wand wordt verder bepaald in overleg met de gebruiker. Uitgangspunten: ▪ De gekozen niet-constructie dragende binnenwanden moeten betrekkelijk eenvoudig, en tegen een lage investering te verwijderen, of beter nog verplaatsbaar te zijn waarbij overlast van stof en afvalmaterialen worden beperkt. Scheidingswanden dienen voldoende sterk te zijn om krachten, die vanuit het specifieke gebruik van ruimten te verwachten zijn, op te nemen. ▪ Rekening houden met voldoende achterhout (tot aan het plafond) in verband met op te hangen inrichting als meubels en digiborden e.d. ▪ Bij toepassing van metal-stud wanden of stucwerk is het gewenst om op scherpe hoeken in de verkeerszones metalen hoekprofielen aan te brengen om het kapot stoten van de hoeken te voorkomen. Hoekprofiel aanbrengen tot een hoogte van minimaal 1,5 meter vanaf vloerafwerking. ▪ Bij het toepassen van metal-stud wanden te kiezen voor een dubbele beplating met als buitenplaat een vezel versterkte plaat.
www.icsadviseurs.nl
25/45
Technisch Programma van Eisen
▪ ▪
Geen elektra dozen aan twee zijden van de wand in geluidsisolerende binnenwanden plaatsen i.v.m. geluidlekken. Geen leidingen in wanden die mogelijk verplaatst moeten/kunnen worden of die aannemelijk zijn bij te dragen aan de interne flexibiliteit van het gebouw.
5.9.2 Binnenwandafwerking De binnenwandafwerking moet aansluiten bij het gebruik. Afwegingscriteria bij de keuze van een wandafwerking zijn: ▪ Onderhoudsvriendelijk, schoonmaakaspecten /reinigbaarheid. ▪ Vochtbestendigheid. ▪ Sterkte en weerstand tegen mechanische beschadigingen. ▪ Duurzaamheid. ▪ Akoestische (geluiddempende) eigenschappen. ▪ Brandwerendheid. ▪ Rustige kleur en structuur. ▪ Veiligheid. ▪ Kosten. ▪ Eisen met betrekking tot hygiëne, bijvoorbeeld de Warenwet, de Arbo-wet en de HACCP-eisen. ▪ Esthetische aspecten. ▪ Stootvastheid van lambrisering (1,5m hoogte) en uitwendige hoeken. Definitieve keuze voor wandafwerking in overleg met gebruikers te bepalen. Uitgangspunten: ▪ Natte en sanitaire ruimten (toiletten, douche- en kleedruimten) zijn voorzien van afwasbaar materiaal tot aan het bouwkundig plafond. ▪ Wandtegels toepassen achter wastafels, gootstenen, pantry’s en achter/onder handdroogautomaten, en in werkkasten achter de uitstortgootsteen. Beëindiging van tegelwerk en uitwendige hoeken worden voorzien van een metalen tegelhoekprofiel. Aansluitingen met het sanitair worden gekit. ▪ Brandblussers en –haspels worden ingebouwd in verzonken wandnissen en voorzien van een deur. ▪ Schakelaars en wandcontactdozen worden ingebouwd. ▪ Kolommen worden zoveel mogelijk naar binnen gewerkt, dus niet aan de gangzijde.
▪ Kies voor een vlakke RVS plintprofiel (met uitzondering van aansluiting wandtegel – vloertegel). Deze plint wordt altijd toegepast bij de overgang van wand naar vloer, ook bij kolommen, trappen en harde ruwe muren (ter voorkoming van beschadiging door schrobzuigmachines). ▪ Bij voorkeur toepassen van een hoogwaardige, stoot en slijtvaste afwerking op de wanden in verkeersruimten tot een hoogte van 1,5m (lambrisering). Daarboven standaard afwerking. ▪ In lokalen en daar waar nodig, een onzichtbare voorziening opnemen om beschadiging van de wand door aanraking van de leuningen van de stoelen of tafels voor werkplekken te voorkomen. ▪ De wanden in alle ruimten die vrij toegankelijk zijn voor gebruikers dienen tot 1.500 mm (bij voorkeur 2.000 mm of deurhoogte) van een onderhoudsarme, niet eenvoudig te beschadigen, nat afneembare, makkelijk schoon te maken wandcoating voorzien te zijn. ▪ Spuitwerk bij voorkeur niet toepassen. Wandafwerking bij voorkeur vinyl- glasvezelbehang met sauswerk en coating, HPL, glas of baksteen. ▪ Afwerking in sportzalen: Vlakke rechte wanden, geen kolommen in oefenruimte. Wanden tot 2,5 meter boven de vloer obstakelvrij afwerken. Bedieningsmechanismen, sportinrichting (o.a. touwen, etc.) en brandslanghaspels (balvaste deuren) etc. wegwerken in koven in muur en/of afschermen.
Tot 2,5 meter boven sportvloer uitvoeren in zachte wandbekleding (textiele tapijt met een pool van gemengde vezelballetjes) conform de NEN-EN 14041+C06 en NEN-EN-ISO 6356-00.
www.icsadviseurs.nl
26/45
Technisch Programma van Eisen
-
-
-
Indien in de sportzalen geen plafond wordt toegepast dan dienen dak, staalconstructie inclusief hulpstaal, installaties (CV leidingen, stralingspanelen, ventilatiekanalen en bouwkundige voorzieningen (o.a. afdekkappen) van één en dezelfde kleur worden voorzien. Geen hoeken en scherpe materialen toepassen waarachter materiaal (ballen) kan blijven vastklemmen of beschadigen. Uitwendige hoeken en eventueel vrijstaande kolommen in toestelberging tot 2 meter boven vloer afronden. Materiaal wanden dient bestand te zijn tegen mechanische beschadigingen en niet te brokkelen of korrelen(balvast). Lichamelijk contact mag zo min mogelijk letsel (schaven, branden) tot gevolg hebben (geen bezande steensoorten, kunststofwanden). Uitgangspunt is dat 2 meter boven de vloer de wand van een tapijt wordt voorzien. Elektrische voorzieningen weggewerkt of balvast uitvoeren.
5.10 Binnendeuren en kozijnen Voor de meeste ruimten is het van belang dat vanuit de algemene ruimte kan worden waargenomen wat er binnen gebeurt. De toegangsdeuren tot deze ruimten hebben een zijlicht aan de slotzijde van de deur of een glasstrook aan de slotzijde van de deur. Alle deuren met glasopening en/of zijlichten zijn voorzien van gelaagd veiligheidsglas. Vanwege de gewenste transparantie en de noodzakelijke daglichttoetreding is de gangzone (met werkplekken) voorzien van ramen in de binnenwanden tussen aan gevel grenzende ruimten en gangzone met een minimaal glaspercentage van 30%. Deuren draaien in principe naar binnen in verblijfsruimten, en naar buiten bij toiletruimten, bergingen etc. Draairichtingen van deuren overlappen elkaar niet. Deuren zijn in verband met schadegevoeligheid en onderhoud niet voorzien van schilderwerk, maar van HPL of gelijkwaardig. Flexibele (schuif)deuren onderhoudsvriendelijk en gebruiksvriendelijk uitvoeren met knelbeveiliging en overige relevante veiligheidsvoorzieningen. Aandachtspunten: ▪ Voorkom schade door het opendraaien of stoten van deuren door toepassing van stootdoppen en drangers. Deze mogen het gebruik niet hinderen. ▪ Binnendeuren uitvoeren als massieve deur met hardkunststoffen toplaag (HPL), of in een ander gelijkwaardig stootvast materiaal met een onderhoudsvrije afwerking. Pas hardhouten kantlatten toe.
Deuren waar grote kans is op mechanische beschadiging of vervuiling door gebruik van voeten, worden voorzien van goed reinigbare schopplaten. ▪ Bij voorkeur geen opdekdeuren in de looproutes. Daar waar minder frequent deuren worden gebruikt en minder verkeer ondervindt eventueel wel opdekdeuren. ▪ Anti knel strippen op scharnierzijde toepassen.
www.icsadviseurs.nl
27/45
Technisch Programma van Eisen
5.11 Plafonds De hoogtes van ruimten dienen gerelateerd te zijn aan de omvang en de functie van de ruimten. De kwaliteit en de vormgeving van de plafonds of plafondafwerkingen dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de ruimte. Hierbij wordt de nadruk gelegd op een rustige uitstraling in onderwijsruimten. Opdrachtgever heeft de voorkeur om verlaagde (vaste of) systeemplafonds toe te passen, en installaties zoveel mogelijk boven het plafond te plaatsen en geïntegreerde armaturen toe te passen. Een rustig, vlak en licht beeld is gewenst, waarbij gekozen kan worden voor een kwalitatief hoger systeem dan standaard 60x60cm raster. Tevens dient de ruimte te voldoen aan de akoestische eisen genoemd in hoofdstuk 4.4. Ten behoeve van (de)montage van de het systeemplafond dient voldoende vrije ruimte boven dit plafond tot constructie of installaties aangehouden te worden, minimaal 100mm. Ruimte tussen systeemplafond en bouwkundig plafond is dusdanig dat installaties goed aangelegd, onderhouden en indien nodig uitgebreid kunnen worden. De volgende vrije hoogtes ten opzichte van de vloerafwerking dienen minimaal gerealiseerd te worden: ▪ De vrije hoogte in de leslokalen en leerpleinen is minimaal 2,8 m1. ▪ De vrije hoogte in kantoor- spreekruimten is minimaal 2,8m1. ▪ De vrije hoogte in de gangen, toiletruimten en berging is minimaal 2,8 m1.
▪ De vrije hoogte in de gymzaal is minimaal 5,5 m1. ▪ De vrije hoogte in de toestellenberging 3,0 m1.** ▪ De vrije hoogte in de kleed, douche, docentenruimte, EHBO is minimaal 2,8 m1. **De doorrijhoogte en vrije hoogte is minimaal 2.500 mm i.v.m. lengte van palen en de transportwagens voor landingsmatten. De minimale diepte van de toestellenberging bedraagt 4.500 mm i.v.m. de lengte van opbergkarren en het kunnen bereiken van het opgehangen materiaal aan de achtermuur.
5.12 Trappen en hellingen De bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport dienen afgestemd te zijn op het specifieke gebruik in het gebouw. Hoogteverschillen groter dan 0,21 m worden overbrugd door een trap en hellingbaan. Kleine hoogteverschillen in verkeersroutes dienen vermeden te worden. Trappen en hellingen dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de te verwachten voetgangersstromen op vlotte wijze en zonder het optreden van gevaarlijke situaties kunnen worden verwerkt. Maatgevend hierbij zijn pieksituaties (leswisselingen, openingsen sluitingstijden, et cetera). Een goede spreiding van trappen voorkomt onnodig geloop in het gebouw. Maximaal hoogteverschil per trap stijgpunt is 2.400 mm, indien hoger dan bordessen toepassen. In de keuze voor trappen speelt het voorkomen van geluidsoverlast een rol. Er wordt bij voorkeur gekozen voor prefab betonnen trappen met een structuur op het loopvlak. Trappen zijn akoestisch ontkoppeld van de constructie. Trappen en verhogingen van meer dan 0,80m1 hoog hebben een leuning c.q. valbeveiliging. Doorgaand horizontaal verkeer dient buiten het trappenhuis (op tenminste 1m¹ afstand vanaf de eerste of laatste trede) te worden gehouden.
www.icsadviseurs.nl
28/45
Technisch Programma van Eisen
Aandachtspunten: ▪ (Aan)treden stroef en slijtvast, maatvoering bij voorkeur: optreden < 175 mm1, aantreden > 220 mm1en < 280 mm1. Let tevens op de juiste maatvoering voor wel en tredevlak. ▪ Vrije breedte (tussen leuningen) bij voorkeur minimaal 1.500 mm1. ▪ Leuningen (Arbo): trapbreedte < 1,20 aan één zijde, > 1,20 m aan beide zijden, > 2,20 m beide zijden + tussenleuning. ▪ Leuningen en balustrades op een minimale hoogte van 1,0 m1 (trapleuningen 0,9 m1). ▪ Balustrades dienen goed aan bovenzijde en onderzijde reinigbaar te zijn. ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Besteed extra aandacht aan de bevestiging van de leuningen aan de muur. Treden met antislip randen. Trappen dienen goed te reinigen te zijn en evenals hellingen met zeer slijtvaste vloerafwerking te worden afgewerkt. Ter voorkoming van hakstrepen lopen de verticale delen van de trap terug en lopen de trapdelen in elkaar over door middel van ronde hoeken. Materiaalgebruik en detaillering mogen niet leiden tot vuilaftekening. Eventueel (vlakke) plinten aanbrengen tegen de muur. Eventueel afwerken met harde vloerbedekking (bijvoorbeeld Norament of ander rubber). Pas zoveel mogelijk onderhoudsvrij materiaal toe. Trederanden en leuningen dienen goed zichtbaar te zijn (contrasterend in verband met slechtzienden).
Hellingen minimaal 1,1 meter breed en een hoogte van niet meer dan 1 meter. Houd rekening met de steilte van de helling (minimale eis Bouwbesluit). Omdat bij grotere hoogteverschillen een helling te veel ruimte inneemt kan in dat geval beter een hefplateau geïnstalleerd worden, dat de vrije doorgang niet beperkt. Dit is echter niet gewenst in verband met de beheersbaarheid, de routing en vandalismebestendigheid, en dit dient dus in het ontwerp voorkomen te worden.
5.13 Installatieruimten, schachten en kabelgoten In het gebouw dienen de nodige technische ruimten te worden gereserveerd voor de opstelling van de installaties. Positie en plaats te bepalen vanuit het bouwkundig ontwerp. De schachten dienen zo centraal mogelijk te worden geplaatst ten opzichte van de technische ruimte en het bedieningsgebied van de installaties. Indien installaties op het dak geplaatst worden, liggen deze niet in het zicht van verblijfsruimten (op lager gelegen daken) en zijn deze niet of nauwelijks zichtbaar vanaf het maaiveld. Alle ruimten voor technische installaties en schachten: ▪ Zijn goed bereikbaar en toegankelijk zodat de te controleren onderdelen bereikbaar en te onderhouden zijn. ▪ Zijn stofvrij en akoestisch afgewerkt. ▪ Veroorzaken geen (geluids)overlast naar aansluitende ruimten of naar buiten. ▪ Bieden voldoende ruimte voor service en onderhoud. ▪ Worden zo centraal mogelijk, bij voorkeur in de bouwkundige kernen of op het dak geplaats. ▪ Zijn voorzien van werkverlichting. ▪ Voldoen aan de eisen van nutsbedrijven en eisen voor brandveiligheid (vigerend Bouwbesluit). Er dient rekening gehouden met de mogelijkheid tot een eventuele plaatsing van extra installaties in de technische ruimte in verband met uitbreiding en/of wensen van huurders/gebruikers (zie ook paragraaf 1.3.3).
De kabel- en wandgoteninfrastructuur dienen zodanig gedimensioneerd te worden dat hierin de bekabeling voor voedingen, signalen (inclusief regeltechnisch), data- en telecommunicatie kan worden ondergebracht, rekening houdend met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. Kabelgoten zijn voorzien van scheidingsschotten.
www.icsadviseurs.nl
29/45
Technisch Programma van Eisen
De horizontale en verticale kabelwegen zijn zodanig gedimensioneerd dat bekabelingen voor zwakstroom en sterkstroom in afzonderlijke compartimenten kunnen worden gelegd. Ook een apart compartiment van dataen telecommunicatie voorzien. De werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties zijn gescheiden. De kabelinfrastructuur is geschikt voor glasvezels met een buigstraal van 70 mm. De in de ruimten aanwezige kabel- en leidinggoten worden zodanig geplaatst dat een efficiënte inrichting van ruimten niet belemmerd wordt. De bekabeling wordt zoveel mogelijk in aaneengesloten kabelwegen aangelegd.
5.14 Hang- en sluitwerk Bij de keuze van het hang- en sluitwerk dient de architect gezamenlijk met de gebruikers een sluitplan op te stellen. Uitgangspunten: ▪ Hang- en sluitwerk dienen te voldoen aan NEN 3664 en NEN 5089. Het gehele gebouw moet voldoen aan de RIO (Richtlijn Inbraakbeveiliging Onderwijsinstellingen), het politiekeurmerk en CCV (Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid). ▪ Hang- en sluitwerk in de buitenschil is van minimaal inbraakwerendheidsklasse 2. Hang- en sluitwerk heeft een keurmerk. ▪ Hang- en sluitwerk dient minimaal te voldoen aan Gebruikscategorie 3 – NEN-EN 1906 (bijvoorbeeld Hoppe Paris). ▪ Hang- en sluitwerk moeten passen bij de zwaarte van de deur. ▪ ▪ ▪
Bij het toepassen van sluitwerk behoort een goed doordacht sleutelplan waarbij meerdere niveaus gehanteerd dienen te worden. Het aantal niveaus dient beperkt te worden. Geen hergebruikte sloten toepassen. Deuren in logistieke ruimten dienen op een efficiënte manier open te gaan.
5.15 Zonwering, verduistering en helderheidswering In de ruimten moet een lichtregulering aanwezig zijn om, conform NEN-EN 12464-1:2011 nl en de Arbowetgeving, rechtstreeks invallend daglicht en de luminantie van de heldere lucht te kunnen weren. Tevens wordt een zonweringssysteem geplaatst, indien noodzakelijk. Het heeft de voorkeur om in de basis passief zonlicht en warmte te weren dmv bouwkundige overstekken. Voorbeelden voor zonwering zijn: zonwerende beglazing, buitengevelzonneschermen, dakoverstekken, buitenlamellen. Zonwering is geen verduistering. In overleg met de gebruiker wordt bepaald of, en welke ruimten verduisterd moeten kunnen worden. In de basis zijn dit de ruimten zoals ook benoemd in het RF-PvE. In ruimten waar met beeldschermen gewerkt wordt of waar grote lichtcontrasten optreden, dient een goede, instelbare helderheidswering te worden geplaatst. De helderheidswering (inrichting) wordt zodanig geselecteerd dat luminantieverhoudingen (‘contrasten’ in het gezichtsveld) tussen taak (bijv. schrift), directe omgeving (bijv. tafelblad) en periferie (bijv. raam) maximaal 1:3:10 (taak: directe omgeving: periferie) bedragen. Uitgangspunten:
www.icsadviseurs.nl
30/45
Technisch Programma van Eisen
▪ ▪
Bij het ontwerpen van zonwering wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de relatie met de draairichting en functionaliteit van de te openen delen. Hierbij rekening te houden met gelijktijdig functioneren van de zonwering, alsook ventilatievoorzieningen, toegangen en vluchtwegen. De zonwering dient niet windgevoelig te zijn. Er worden bij voorkeur geen uitvalschermen toegepast.
▪
Individueel elektrisch bedienbaar per ruimten en centraal overrulebaar.
▪
Aandachtspunten: ▪ Het doel van zonwering is verblinding tegen te gaan en de warmte, opgewekt door rechtstreekse zonnestralen, buiten te houden. Om effectief te zijn moet een zonwering aan de buitenkant van een raam geplaatst worden, zodat de zonnestralen tegengehouden worden voordat ze het glas bereiken. Zonwering die aan de binnenzijde wordt geplaatst heeft ook wel zijn nut, maar doordat de ruimte tussen het glas en de zonwering toch wordt opgewarmd, is de invloed op de binnentemperatuur minder groot. Detaillering en aandacht voor relatie met lichtwering en spuiventilatie vereist dan ook grote aandacht bij de keuze voor binnenzonwering. ▪ Op de begane grond is de keuze van zonwering nader te bezien in verband met vandalisme, en mogelijk vluchtdeuren in desbetreffende gevel. Mogelijk kan de zonwering centraal worden gestuurd (op basis van de lichtinval). ▪ Plaats van de digiborden c.q. whiteboards zodanig dat er geen verblinding veroorzaakt wordt. ▪ Verblinding kan worden beperkt door extra verduisterende zonwering t.p.v. de digiborden c.q. whiteboards toe te passen. ▪ De draairichting van de te openen ramen in combinatie met zonwering.
5.16 Sanitair Verspreid door het hele gebouw dienen voldoende sanitaire voorzieningen en ruimten te worden aangebracht met een nette en degelijke uitvoering en uitstraling. Daarnaast moeten de materialen gemakkelijk te reinigen zijn. Er wordt een gelijke verdeling nagestreefd van 1/3e damestoiletten, 1/3e herentoiletten, en 1/3e genderneutrale toiletten. Uitgangspunten: ▪ Closetcombinaties: porseleinen hangende closetpot van een waterbesparend diepspoeltype inbouwreservoir met drukknop bediening gesitueerd in afsluitbare cabines, waarin tevens een wc-rolhouder is aangebracht. Spoelhoeveelheid per spoeling 6 liter. ▪ Sanitair t.b.v. kinderen aanpassen in hoogte, uitvoering, omvang e.d. met gebruikers. ▪ Voorruimten: alle toiletten (met uitzondering van mindervalidetoilet) zijn voorzien van een voorportaal al dan niet voorzien van een wastafel. De wastafelcombinaties bestaan uit een wastafel en koudwaterkraan met een vaste bovenuitloop, drukknop, en automatische spoelstop. Per toiletgroep komt er minimaal één wastafel met kraan of één kraan per twee toiletten. De spiegels worden boven de wasbakken en bij voorkeur in de wand aangebracht ter voorkoming van randvergoring. Zeepautomaten worden boven de wastafelcombinatie aangebracht ter voorkoming van het lekken van zeep op de grond. Afvoeren van wastafels en fonteintjes worden in de wand opgenomen.
Schrobputjes komen in de directe nabijheid van de wastafels en blowers t.b.v. drogen van de handen, ivm vochtophoping op de vloer. ▪ Mindervalidentoilet: De toiletten voor mensen met een functiebeperking dienen centraal te zijn gelegen en goed bereikbaar te zijn. Dit toilet mag ook een onderdeel zijn van de toiletgroep, maar heeft dan wel een eigen wastafel. Specificaties conform hetgeen weergegeven in het “Handboek voor Toegankelijkheid”. Minimale vloerafmetingen 2.200 bij 1.650 mm (exclusief inbouwreservoir en/of schacht). Per verdieping is tenminste één mindervalidentoilet aanwezig.
www.icsadviseurs.nl
31/45
Technisch Programma van Eisen
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
De toiletruimten zo diep maken dat men zittend de deuren niet kan beschrijven en er voldoende ruimte is voor enige bewegingsvrijheid (bij voorkeur 1,1 à 1,2 m1 diep). Het sanitair wordt op de waterleiding (afsluitbaar middels een stopkraan en in geluidsarme uitvoering) en op de afvoeren aangesloten (water-, lucht- en stankdicht). Wasbakken en toiletpotten worden goed op de wand aangesloten en worden gekit. Toiletpotten en wastafels zijn gemaakt van vuilafstotend materiaal. De toiletbril met doorlopende stang (zonder deksel) is aan de boven- en onderzijde glad. Afvalemmers, toiletrolhouders en toiletborstels worden op minimaal 20 cm boven de grond geplaatst. Het sanitair wordt meegenomen in het ventilatiesysteem en wordt behandeld als retourlucht dus afzuigen en uitblazen, niet recirculeren. Uitgangspunt is elektrische handendrogers. In de toiletruimten worden schrobputten inclusief stankafsluiter gerealiseerd op een positie uit de looproute, onder de handendrogers. Hierbij kan overwogen worden een langwerpige drain toe te passen.
5.17 Spoel- en wasvoorziening Waar vanuit het gebruik van het gebouw gewenst is, dienen sanitaire voorzieningen (wastafels, wastroggen of spoelbakken en aansluitingen voor wasmachines/-drogers) aanwezig te zijn die wassen en spoelen mogelijk maken. Was- en spoelvoorzieningen worden toegepast in: ▪ In ruimten met toiletvoorzieningen. ▪ In onderwijsruimten waar dit als gevolg van het in deze ruimte gegeven onderwijs noodzakelijk is. ▪ In alle keukens en pantry’s. ▪ In schoonmaakruimten. ▪ In ruimten waar dit op aangeven van de gebruiker gewenst is. Op het schoolplein nabij de entree en in het zicht wordt een water tappunt gerealiseerd. Uit te voeren met drukknop en afsluitbaar vanuit binnenin het gebouw. Watervoorziening(en) dienen getroffen te worden bij de onderstaande ruimte t.b.v. wasmachine(s): ▪ Kinderopvang (toegankelijk voor gezamenlijk gebruik). Aandachtspunten: ▪ Uitgangspunt voor het kwaliteitsniveau van de was- en spoelvoorziening is uitvoering in porselein en bij voorkeur/wens met een automatische bediening in verband met verminderd waterverbruik. ▪ Afvoer van water, en de bezinkings- en ontstoppingspunten, en toepassen van stankafsluiters.
5.18 Doucheruimten sportzaal Doucheruimtes voorzien van een douchecombinatie, bestaande uit een inbouwdouchekraan met drukknopregeling; looptijd 30 seconden en een vooraf ingesteld debiet van minimaal 6 liter en maximaal 8 liter per minuut. De leidingen worden weggewerkt in de wand. Tevens is de douche voorzien van minimaal een cabine met een zeephouder en een dubbele handdoekhaak. In verband met het voorkomen van legionella dient de installatie adviseur een beheersplan op te stellen en dient een spoelinstallatie gerealiseerd te worden.
www.icsadviseurs.nl
32/45
Technisch Programma van Eisen
5.19 Werkkast De werkkasten zijn voorzien van een uitstortgootsteen met stootrand en opklapbaar emmerrooster, warm- en koudwater aansluiting, zwenkkraan, haken voor stofzuigerslangen, een stevig schap voor schoonmaakmiddelen en materialen en een geaarde dubbele wandcontactdoos. De vloer is voorzien van een schrobput met stankafsluiter en voorzien van waterdicht materiaal. De muren zijn voorzien van een gladde coating tot aan het plafond. De werkkast is bij voorkeur geplaatst naast het sanitair, en in nabijheid van de lift indien niet op elke verdieping een werkkast aanwezig is. De minimum oppervlakte is 4 m² fno en heeft een naar buiten openslaande deur (met slot) aan de lange zijde. Goede ventilatie is noodzakelijk.
5.20 Glasbewassingsvoorziening Glasbewassing moet op een efficiënte en veilige manier plaats kunnen vinden. Tijdens het ontwerpproces wordt ernaar gestreefd het toepassen van een installatie ten behoeve van glasbewassing te vermijden. Andere oplossing is bijvoorbeeld het plaatsen van een strook verharding rondom de gevellijn van het gebouw, ten behoeve van een trap of hoogwerker. Deze verharding komt op een afstand van één meter van de gevel en is 1,50 m1 breed. Bij overschrijding van de toegestane hoogte voor ramenwassen vanaf de ladder, is het treffen van een voorziening ten behoeve van een afzonderlijke glasbewassingsinstallatie conform de daarvoor geldende normeringen, wet- en regelgeving, waaronder Arbo, verplicht. Wanneer de toegestane hoogte wordt overschreden, verdient het de voorkeur het terrein geschikt te maken voor de toegang van een hoogwerker middels het aanbrengen van een verharding rondom het gebouw.
5.21 Bouwkundige voorzieningen Ten behoeve van de technische installaties worden onderstaande bouwkundige voorzieningen getroffen: ▪ Benodigde opstortingen in technische ruimten. ▪ Benodigde sparingen in vloeren en wanden ten behoeve van leidingen en kanalen. ▪ Benodigde schachten, leidingschachten en ruimten voor verdeelkasten. ▪ Bouwkundige voorzieningen die een flexibele werkplekopstelling in alle ruimten mogelijk maken zonder dat de werkplekvoorzieningen, zoals elektra, spraak- en databekabelingen hinderlijk dan wel zichtbaar aanwezig zijn. ▪ Bouwkundige voorzieningen aan gevel (binnenspouwblad), plafonds, vloeren of binnenwanden voor de bevestiging van vaste inrichtingsonderdelen, rails, vensterbanken, verduistering, binnenzonwering, schoolborden, projectieschermen, afbeeldingen of apparatuur, gordijnen, verduistering en dergelijke. Reken op een belasting van maximaal 50 kg.
www.icsadviseurs.nl
33/45
Technisch Programma van Eisen
6. Elektrotechnische installaties 6.1 Algemeen In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per installatieonderdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening moet worden gehouden. Deze punten zullen in overleg met de in te schakelen adviseur voor de technische installaties en de architect nader worden uitgewerkt.
6.2 Aansluiting Het gebouw wordt voorzien van de benodigde nutsaansluitingen. In een vroeg stadium moeten er bindende afspraken worden gemaakt met de nutsbedrijven over de aanvraag, capaciteit, plaats van de aansluitingen en kosten. Met de energiedistributiebedrijven dienen afspraken gemaakt te worden over de plaats en grootte van de ruimten voor het inrichten van voedings- en meetinstallaties. Dakdelen dienen zoveel mogelijk geschikt te zijn om, bij realisatie of later, zonnepanelen op te kunnen situeren. Minimaal dienen de voorbereidende installatie- en contructievoorzieningen in het ontwerp te worden meegenomen. Bij toepassen van zonnepanelen dienen deze een opbrengstgarantie te hebben van minimaal 80% over 25 jaar (90% over 10 jaar). Ze dienen een postitieve vermogensopbrengst te hebben. Onderzocht moet worden of het mogelijk is op de locatie energie op te slaan.
6.3 Aansluitpunten elektra Het aantal aansluitpunten voor energievoeding in het gebouw dient van zodanige omvang te zijn dat alle vast geïnstalleerde elektronische installaties en machines van stroom met de juiste spanning voorzien worden. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik. Daarnaast dient geïnventariseerd te worden wat de vraag is van de apparatuur in de onderwijs specifieke ruimten. Ook deze energiebehoefte dient meegenomen te worden in het ontwerp. Uitgangspunt is dat veelvuldig gebruik gemaakt gaat worden van laptops, hiervoor zijn voldoende oplaadpunten benodigd in alle ruimten. Houd hierbij rekening met voorzieningen in eventuele vaste inrichting. Laadkasten worden toegepast voor het opladen van laptops. Te plaatsen in aparte af te sluiten ruimte of inbouwkast in overleg met de gebruikers. Ten behoeve van laadkasten benodigde aansluitingen realiseren.
6.4 Regelbaarheid installaties De regeltechnische installaties dienen een eenvoudig en gebruiksvriendelijk gebruik van de installaties mogelijk te maken. De sturing is grotendeels centraal (GBS) met een lokale na-regeling.
6.5 Reserve ten behoeve van uitbreiding De nieuwe installaties dienen bij de gevraagde uitbreiding (zie paragraaf 1.3.3) eenvoudig op de bestaande installaties te kunnen worden aangesloten. Houd met name in de omvang van installatieruimten, meterkasten en schachten rekening met enige overmaat.
www.icsadviseurs.nl
34/45
Technisch Programma van Eisen
6.6 Gebouwbeheersysteem Het gebouw dient te worden voorzien van een uitgebreid Gebouwbeheersysteem (GBS). Dit systeem is gebruikersvriendelijk, eenduidig, logisch en dient gebruikt te kunnen worden door personeel van het IKC ‘s Gravenmoer. Alle regelapparatuur dient geschikt te zijn voor aansluiting op een GBS. Gebouwbeheersysteem voor alle installaties in DDC-techniek. Bediening GBS middels computer via inter-/intranettoepassing. Signalering én bediening vanaf een nader te bepalen plaats middels een bedieningstableau. Het GBS dient te kunnen worden beheerd en bediend op afstand. Overleg met opdrachtgever bepaalt de feitelijke schakelinrichting, de definitieve omvang van de regelinstallaties en de functionaliteit van het GBS. De GBS dient de meeste systemen en installaties aan te sturen en bepaalt de kwaliteit van het binnenklimaat grotendeels. Uitgangspunten: Het Gebouwbeheersysteem heeft de volgende supervisiefuncties: ▪ Bedienen: via het GBS moeten de installaties bediend kunnen worden. Bovendien moeten de setpoints en parameters van de regelingen veranderd kunnen worden. De regeling en besturing dienen volautomatisch te verlopen met een mogelijkheid tot handbediening. De bediening dient zich te beperken tot ingrepen op de normale bedrijfstoestanden en dient te geschieden vanuit een nader te bepalen centrale plaats.
▪ Monitoren: via het Gebouwbeheersysteem moeten de actuele waarden van installatiegegevens (temperaturen en dergelijke) in tekst en dynamische beelden op het scherm gepresenteerd kunnen worden. Tevens heeft het GBS de mogelijkheid tot externe monitoring. ▪ Bewaken: het Gebouwbeheersysteem moet een systeembewakingsfunctie bezitten, waarmee snel storingen en bedrijfsalarmen kunnen worden gesignaleerd (optisch en akoestisch) en kunnen worden gerapporteerd (naar een printer bij een balie, via het internet, en tevens een telefonische melding naar de onderhoudsdienst). In het ontwerpproces dient met opdrachtgever/gebruikers besproken te worden welke componenten exact worden meegenomen in het GBS. Met het Gebouwbeheersysteem worden verder onder andere de volgende beheerfuncties uitgevoerd: ▪ Onderhoudsbeheer. ▪ Energiebeheer (overige beheerfuncties vallen onder de verantwoordelijkheid van de gebruikers). Aandachtspunten: ▪ Het Gebouwbeheersysteem is zodanig ontworpen, dat updates mogelijk zijn door aanpassing van de software en niet door vervanging van de hardware. ▪ Buiten bedrijfstijd zijn gebouwdelen en/of compartimenten apart regelbaar voor verschoven werktijden, vergaderingen, overwerk, gebruik personeelskamer voor docenten en dergelijke; overwerkschakeling voor verwarming/koeling en ventilatie voor separate eenheden, zoals de vergaderruimten, personeelsruimten en dergelijke.
▪ De pompen, ventilatoren en andere energie gebruikende toestellen, kunnen bestuurd worden door tijdschakelklokken uit het GBS. ▪ Het uitlezen van het energieverbruik, opbrengst zonnepanelen en water verbruik.
6.6.1 Inzake elektrotechnische installaties: Middels het GBS tenminste mogelijk: ▪ Veegschakelaar voor alle geschakelde verlichting. ▪ In- en uitschakelen van schemerschakeling ten behoeve van terrein- en gevelverlichting. ▪ Schakelen van waak- en veiligheidsverlichting.
www.icsadviseurs.nl
35/45
Technisch Programma van Eisen
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Schakelen van de krachtstroom (indien van toepassing). Schakelen van de liftinstallatie en pieklastbewaking lift. Opnemen van energie registrerende apparatuur. Toegangscontrole/beveiliging. Energieopwekking (noodstroomvoorziening, indien van toepassing). Signaleren van de nooddeuren bij de buitengevel. Melding mindervalidentoilet. Inbraaksignalering/brandsignalering. Signaleren en sturen van temperatuur in serverruimte. Ophalen en neerlaten van de (buiten)zonwering. Voorbereiding voor het gescheiden telefonisch kunnen doormelden van storingen, inbraak- en brandmeldingen.
6.6.2 Inzake werktuigbouwkundige installaties: Middels het GBS tenminste mogelijk: ▪ Regelen van warmte technische installatie: warmteopwekking (CV), distributie, afgifte (in combinatie met DDC regelapparatuur). ▪ Regelen van koude technische installatie (indien van toepassing). ▪ Dag- en nachtregeling, weekendregeling, gebouwtijdenregeling, vakantieregeling en weersafhankelijke regeling door middel van binnen- en buitenthermostaten. ▪ Sturen van boilervoeding, tapwaterpompen. ▪ Sturen/regelen van mechanische ventilatie/luchtbehandelingsinstallatie. ▪ Storingssignalering van de diverse werktuigbouwkundige installaties.
6.7 Bedienings- & signaleringspanelen Op de begane grond een centraal bedienings- en signaleringspaneel aanbrengen voor de centrale signalering en bediening van onder andere verlichting, centrale verwarming, luchtbehandeling, mechanische ventilatie, overbrugging buitenverlichting, (verzamel)storingsmeldingen, signalering mindervaliden, automatische deuren, slagbomen, et cetera. Neem ook vier reserveposities op. Alle meldingen voorzien van een akoestisch signaal, dat met een afsteldrukker kan worden uitgeschakeld. Naast een centraal paneel ook decentrale bedieningspanelen op nemen met nader te bepalen functies. Op het centrale paneel worden alle algemene ruimten geschakeld en gesignaleerd en tevens worden alle storingen van de andere panelen op dit paneel zichtbaar gemaakt.
6.8 Verdeelinrichting De centrale elektrotechnische voorzieningen moeten zodanig worden opgeleverd dat zij geschikt zijn voor het storingsvrij, veilig en doelmatig voeden, schakelen en bedienen van alle in het gebouw aanwezige elektrische apparatuur, inclusief de bedrijfsinstallaties en de gebruikersapparatuur. Uitgangspunten ▪ Het totaal beschikbare gelijktijdig vermogen op een reservecapaciteit van 20% moet recht evenredig voor alle gebruikers zijn gedimensioneerd. De licht- en krachtinstallatie moet worden gescheiden op de daarvoor bestemde groepen van de hoofdverdeelinrichting.
www.icsadviseurs.nl
36/45
Technisch Programma van Eisen
▪
Voor het bepalen van de capaciteit van de nominale stroom van de hoofdverdeelinrichting dient rekening te worden gehouden met de hierna omschreven, maximaal gelijktijdig optredende belasting. De gelijktijdig optredende belastingen dienen gecontroleerd te worden op basis van ervaringen. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Verlichting Kracht Werktuigkundige installatie Elektrotechnische gebouwapparatuur Wandcontactdozen algemeen Wandcontactdozen werkplekken
100% van het voor verlichting geïnstalleerde vermogen. 30% van het geïnstalleerde vermogen. 100% van het geïnstalleerde vermogen. 100% van het geïnstalleerde vermogen. 30% van het geïnstalleerde vermogen. 50% van het geïnstalleerde vermogen.
6.8.1 Krachtstroom De stroomvoorziening 400 V (krachtstroom) dient in voldoende mate aanwezig te zijn voor de permanent aan te sluiten gebouwgebonden installaties. De krachtinstallatie te voeden vanaf afzonderlijke verdeelkasten, welke rechtstreeks op de verdeelinrichting zijn aangesloten.
6.9 Aansluitpunten en schakelmateriaal Het gebouw moet worden voorzien van voldoende, veilig, uniform, gebruiksvriendelijk schakelmateriaal en aansluitpunten. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik. De exacte bepaling van locatie, aantal, capaciteit en type wandcontactdozen en aansluitpunten dat per ruimte benodigd is, moet in samenspraak met de gebruikers, opdrachtgever en ontwerpende adviseurs (dit geldt ook voor maatwerkmeubilair) worden bepaald. Aandachtspunten: ▪ Eén tweevoudige wandcontactdoos naast of nabij de toegangsdeur van iedere ruimte. ▪ Eenvoudige uitbreidbaarheid van het aantal aansluitpunten is een vereiste. ▪ In verkeersruimten dienen tweevoudige contactdozen 230V te worden opgenomen per 15m gang/circulatieruimte, bij voorkeur net boven plinthoogte. ▪ Bij trappenhuizen een tweevoudige contactdoos 230V per verdieping. ▪ Alle wandcontactdozen (data en 230V), schakelaars voor sterkstroominstallatie en vaste aansluitingen van machines/apparatuur zijn voorzien van groepenaanduiding. Alle wcd’s ten behoeve van spraak en data voorzien van een patchnummer. Deze aanduidingen onuitwisbaar aanbrengen op slagvast materiaal. ▪ Vaste krachtstroomaansluitingen (400V). Aantal en positie nader te bepalen met opdrachtgever.
▪ Rekening houdend met de gewenste flexibiliteit van niet dragende tussenwanden.
6.10 Lichtinstallatie De kunstlichtinstallatie, uit te voeren in LED, in het gebouw dient zodanig te zijn dat in elke ruimte bij elk daglichtniveau een verlichtingssituatie te realiseren is, die een optimum vormt uit oogpunt van gebruik en energiezuinigheid. De verlichting dient tenminste te voldoen aan het gestelde in de NEN-EN 12464-1:2003 (Licht en verlichting – Werkplekverlichting, deel 1: Werkplekken binnen). Hierbij is rekening gehouden met een goede gelijkmatigheid en beperkte luminantieverschillen ter vermindering van de oogbelasting. Er moet sprake zijn van zo min mogelijk helderheidsverschillen, verblinding, spiegeling en reflectie (zorgvuldig gemotiveerde
www.icsadviseurs.nl
37/45
Technisch Programma van Eisen
keuze van richting en soort licht en type armatuur). Om een goede algemene verlichting te bereiken, dient het werkvlak gelijkmatig te worden verlicht. De gelijkmatigheidsindex van het taakgebied dient minimaal 0,7 en de gelijkmatigheid van de directe omgeving minimaal 0,5 te bedragen. De behoudfactor dient conform de NEN-EN 12464-1 minimaal 0,8 te bedragen. De lichtbronnen dienen een kleurtemperatuur tussen 3.000 en 4000 K (warmwit) te bezitten en een kleurweergave index Ra van minimaal 80. ▪ ▪ ▪
De verlichtingssterkte door kunstlicht is op werkvlakniveau in leslokalen minimaal 500 lux. De verlichtingssterkte door kunstlicht is op werkvlakniveau in kantoorruimte, de personeelsruimte, conciërgeruimte e.d. minimaal 500 lux. De verlichtingssterkte door kunstlicht in niet bestemd voor langduur verblijf (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) is minimaal 250 lux.
Voor bewegingsonderwijs wordt NEN-EN 12193, NN 351005 ‘Verlichting’, ofwel klasse 3 gehanteerd. Deze norm geeft de gebruikswaarde aan. In verband met veroudering en vervuiling van de verlichting, dient uitgegaan te worden van een aanvangswaarde van minimaal 1,25 maal de gemiddelde gebruikswaarde bij hoogfrequente verlichting. De lichtbronnen dienen een kleurtemperatuur tussen 3.000 en 4000 K (warmwit) te bezitten en een kleurweergave index Ra van minimaal 80. De verlichtingsarmaturen dienen te worden voorzien van lamellen zodat kans op verblinding wordt geminimaliseerd, tevens dienen de armaturen balvast te zijn. De gemiddelde verlichting niveaus bedragen minimaal met een gelijkmatigheidsindex van min. 0,7 (Emin: Egem 0,7): ▪ ▪ ▪
Sanitaire ruimte, verkeersruimte, kleed en doucheruimte is minimaal 300 lux Sportzalen 150-350 lux vanaf vloerniveau** Docent en EHBO ruimte is minimaal 400 lux.
Met het oog op een zuinig energiegebruik hebben binnenwanden en plafonds, met name de grotere oppervlakken, een goede diffuse reflectie (70 á 80%); zij zijn derhalve licht van kleur. Grote verschillen in helderheid leiden tot vermoeidheid en zijn dan ook ongewenst uit het oogpunt van arbeidsomstandigheden. Uitgangspunten ▪ Het toepassen van LED-verlichting met een kleurweergave-index (Ra) groter dan 90. ▪ De armaturen dienen eenvoudig aangebracht, gereinigd, onderhouden, verwijderd en verplaatst te kunnen worden, zonder het plafond te beschadigen. ▪ De armaturen voor de werkplekken mogen geen hinder veroorzaken bij beeldschermgebruik. In alle leslokalen en overige werkruimten dient rekening te worden gehouden met het gebruik van beeldschermen. ▪ Individuele instelbaarheid per zone, dimbare aanwezigheidsschakeling, algemene veegschakeling bij toegangsdeur (gekoppeld aan GBS). ▪ Armatuur in sportzalen dienen minimaal aan de volgende eisen te voldoen: ─ Kleurweergave RA van minimaal 80; ─ Een L80 bij 25C (70% van de lichtstroom na 50.000h); ─ Cos phi van minimaal 0,9; ─ Kleurtolerantie (MacAdam) van 3; ─ Armatuur in sportzalen balproef getest bijvoorbeeld: UNN-BH-SR. De gegeven luxwaarden dienen gerealiseerd te worden op 0,75 m boven de vloer en 0,4 m vanaf de wanden. De verlichtingssterkte op vloerniveau is niet minder dan 10 lux. Oriëntatieverlichting is 10 – 200 lux.
Indien, ten behoeve van werkzaamheden voor een bepaald deel van de ruimte, een hogere
www.icsadviseurs.nl
38/45
Technisch Programma van Eisen
verlichtingssterkte wordt vereist, de algemene verlichting aanvullen met een plaatselijk aan te brengen verlichting. Bedienings-, instel- en onderhoudspunten zijn voldoende verlicht.
6.10.1 Schakelinrichting lichtinstallatie Lokalen worden beweging geschakeld met daglichtregeling, maar zijn ook door middel van een veegschakelaar (GBS, centraal bedieningspaneel) centraal in- en uit te schakelen. Verkeersruimten dienen door middel van een veegschakelaar (GBS, centraal bedieningspaneel) centraal in- en uit te schakelen zijn. Toiletten, berg- en kantoorruimten voorzien van een bewegingsmelder. Voor het terrein wordt de verlichting vanaf een centrale plaats geschakeld (GBS, centraal bedieningspaneel). In ruimten groter dan 30 m² dient de mogelijkheid te bestaan om slechts een deel van de verlichting te schakelen. De terreinverlichting dient te worden in- en uitgeschakeld middels een schemerschakeling en een klok voorzien van een automatische zomer-/wintertijd omschakeling. De buitenverlichting moet worden vrijgegeven op het GBS. Op een centraal punt dient een overbruggingsschakelaar voorzien te worden. Het uitgangspunt van de gymzaal inclusief nevenruimten is dat deze separaat (hand)geschakeld zijn. Vanuit het GBS dient het centraal in- en uit te schakelen te zijn.
Aandachtspunten: ▪ Bergingen en sanitaire ruimten voorzien van aan- of afwezigheidsdetectie. Centraal overrulebaar. Aanwezigheids-afwezigheidsdetectie. ▪ Leslokalen, kantoren en verkeersruimten zijn individueel handgeschakeld maar ook centraal overrulebaar (veegschakelaar). ▪ Daglichtregeling dient nader onderzocht te worden, dan ook de combinatie met het inschakelen van de comfort-stand klimaatinstallatie nagaan. In samenspraak met opdrachtgever dient overwogen te worden om de verlichting in werkruimten met daglichttoetreding in de raamzone afzonderlijk te schakelen.
6.11 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproute naar de toegangen aangelicht worden. Armaturen (LED) zijn spatwaterdicht, slagvast en molestbestendig. Hiertoe aan de gevel van het gebouw, nabij alle toegangen en op plaatsen waar 'hangplekken' kunnen ontstaan, weer- en vandaalbestendige armaturen plaatsen in een eenvoudige uitvoering. Daar waar sociale controle mogelijk is beveiligingsverlichting aanbrengen. Als er geen sociale controle is, schrikverlichting aanbrengen. Ook bij de parkeerplaatsen en de fietsenstalling(en) is verlichting aangebracht. Houdt verder rekening met lichtvervuiling en bescherming van biodiversiteit. Bouwkundig ontwerp zo realiseren dat hangplekken vermeden worden.
6.12 Communicatie-installatie Onderzocht dient te worden op welke wijze de verschillende communicatie-installaties zo efficiënt mogelijk kunnen worden gecombineerd. In het gebouw moeten de volgende communicatie-installaties worden gerealiseerd: ▪ Ontruimings- en brandmeldinstallatie (zie onder). ▪ Geluidsinstallatie: waar dit vanuit het gebruik gewenst is dient het gebouw voorzien te worden van loze leidingen ten behoeve van het aanbrengen van een geluidsversterkingsinstallatie. De geluidsinstallatie is niet opgenomen in dit PvE, wordt geleverd door de gebruikers en is mogelijk mobiel.
www.icsadviseurs.nl
39/45
Technisch Programma van Eisen
▪ ▪
▪
▪ ▪
▪
Telefoonsysteem: is gekoppeld aan het computernetwerk systeem, er hoeven geen aparte telefoonlijnen te worden gelegd. UTP bekabeling dienen volgens de CAT eisen te worden aangelegd, minimaal CAT 6. Datanetwerk: ten behoeve van een data (en telefooninstallatie) moet (per gebruiker) een bekabelingssysteem (horizontale bekabeling) worden aanbracht bestaande uit een gecertificeerd passief datanetwerk (connectoren, bekabeling, patchkasten). Bekabeling aanbrengen in kabelgoten, rekening houdend met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. De bekabeling vormt een netwerk dat een flexibele ruimte-indeling mogelijk maakt. Centrale patchkasten en servers worden geplaatst in een aparte ruimte die eventueel gekoeld moet worden. Deze ruimtes moeten voorzien zijn van diverse spanningsgroepen om belasting en uitval te voorkomen. De specifieke eisen zullen door de ICT leverancier(s) van opdrachtgever worden aangegeven. Door het gehele gebouw worden verbindingen tussen patchkasten en serverruimte met glasvezelkabel aangelegd. Vanuit patchkasten zal de bekabeling naar wandpoorten aangelegd worden door middel van UTP, minimaal CAT 6. In de lokalen wordt 1 UTP aansluiting aangelegd boven het plafond t.b.v. wifi, 2 UTP aansluitingen bij de docentenwerkplek, en 1 UTP aansluiting op de plek achter het digibord. Door het gehele gebouw dient een dekkend wifinetwerk aanwezig te zijn.
In de wandelgangen, bibliotheek en leerpleinen moeten ook voldoende aansluitingen aanwezig zijn voor wifi, beamer, digibord, pc en reserve aansluitingen. Een en ander conform opgave opdrachtgever. In overleg met de gebruikers wordt bepaald of de lockers en drankautomaten worden aangesloten op het netwerk. De definitieve keuze voor het type datanetwerk zal, in verband met toekomstige ontwikkelingen, pas in een laat stadium in overleg met de opdrachtgever worden gemaakt. Actieve componenten zoals pc’s, servers, netwerkapparatuur, access points maken geen onderdeel uit van het passieve netwerk en behoren bij inrichting. De specifieke eisen zullen door ICT leverancier van opdrachtgever worden aangegeven.
6.12.1 Beveiligingsinstallatie In het gebouw moeten de volgende beveiligingsinstallaties worden gerealiseerd: ▪ Het gebouw moet worden voorzien van een bliksemafleiderinstallatie conform NEN-EN-IEC 62305 en de NPR 1014, tenzij uit de berekening door het goedgekeurde beveiligingsbureau blijkt dat dit geen noodzaak is. Dit laatste is afhankelijk van de objecteigenschappen zoals oppervlakte, hoogte, constructie, situering en lokale inslagfrequentie. ▪ Inbraakbeveiligingssysteem: het gebouw is voorzien van een eenvoudig elektronisch inbraaksignaleringssysteem. ▪ Specificaties van de installatie op advies van ontwerpende partijen in overleg met de opdrachtgever vast te stellen en uit te werken. Het ontwerp van de inbraakbeveiliging dient te worden afgestemd op de resultaten van een beveiligingsonderzoek en eisen van de verzekeringsmaatschappij. Afhankelijk van het bouwkundige ontwerp worden op strategische plekken op de buitengevel camera’s opgehangen. Aantal en positie in overleg met opdrachtgever. In de basis moet het ruimtelijk ontwerp zorgdragen voor een sociaal veilige omgeving, en dient het camera toezicht als additioneel en preventief middel ter inbraakpreventie en tegen vandalisme. De beelden moeten in het systeem door de beheerder gemakkelijk voor minimaal 4 weken (6 weken gewenst ivm duur zomervakantie) terug te kijken zijn.
▪ Brandmeldinstallatie: conform Bouwbesluit (=niet-automatisch zonder doormelding, dat betekent alleen met handmelders en zonder certificering) en in overleg met de opdrachtgever dient de noodzakelijkheid en uitvoering van een brandmeldinstallatie met ontruimingsalarminstallatie te worden bepaald. Deze installatie moet voldoen aan de NEN 2535, NEN 2575, onderhoudsnorm NEN 2654-2, en het Bouwbesluit. De installatie dient gecertificeerd te worden.
www.icsadviseurs.nl
40/45
Technisch Programma van Eisen
6.13 Elektrische zonwering Er wordt elektrische zonwering toegepast voor de zuid-, oost- en westgevels daar waar bouwkundige voorzieningen geen (voldoende) zonwering geven. In het ontwerp worden de installatieonderdelen ten behoeve van elektrische zonwering opgenomen. De zonwering zelf, inclusief buismotor, behoort tot het bouwkundig deel van dit Technisch Programma van Eisen. Uitgangspunten: ▪ Primair wordt de installatie ontworpen op “centrale bediening” middels het GBS. Installaties dienen per windrichting of gevel schakelbaar te zijn. ▪ De zonwering is elektrisch bedienbaar per ruimte en centraal overrulebaar.
www.icsadviseurs.nl
41/45
Technisch Programma van Eisen
7. Werktuigbouwkundige installaties 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per installatieonderdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening moet worden gehouden. Deze punten zullen in overleg met de in te schakelen adviseur voor de technische installaties en de architect nader worden uitgewerkt. Installaties worden voornamelijk in het gebouw of op hoge daken geplaatst, uit het zicht. Installaties die vanuit de buitenzijde van het gebouw zichtbaar zijn, moeten afgestemd worden met de architect/opdrachtgever. Dit om de beeldkwaliteit van het gebouw niet te verstoren.
7.1.1 Aansluiting Het gebouw wordt voorzien van de benodigde nutsaansluitingen. In een vroeg stadium moeten er bindende afspraken worden gemaakt met de nutsbedrijven over de aanvraag, capaciteit, plaats van de aansluitingen en kosten, alsmede extra voorwaarden en eisen met betrekking tot hemelwaterafvoer, de riolering, aansluiting op bijvoorbeeld stadsverwarming en de waterhuishouding. Met de energiedistributiebedrijven dienen afspraken gemaakt te worden over de plaats en grootte van de ruimten voor het inrichten van voedings- en meetinstallaties. Adviseur installaties is verantwoordelijk voor de afstemming met de nutsbedrijven. Overwogen moet worden of het (financieel) haalbaar is om een gescheiden aan- en afvoersysteem van zowel drinkwater als hemelwater toe te passen. Drinkwater is hierbij geschikt voor consumptiedoeleinden en (relatief zuiver) hemelwater voor laagwaardige doeleinden zoals toiletspoeling en schoonmaken.
7.1.2 Reserve ten behoeve van uitbreiding De uitbreiding zoals aangegeven in paragraaf 1.3.3. dient eenvoudig op de bestaande installaties te kunnen worden aangesloten. Derhalve dient bij het ontwerp rekening te worden gehouden met het kunnen bijplaatsen van installaties t.b.v. verwarming, koeling en ventilatie en voldoende schachtruimte voor uitbreiding van luchtkanalen, aanpasbaarheid van de diverse regelingsinstallaties.
7.2 Warmteopwekking De gehele verwarmingsinstallatie ontwerpen en uitvoeren conform NEN 3028, NEN 5066 (uitgave 1992 met correctieblad C1, uitgave 1993) de publicaties ISSO 4 en ISSO 5 en de voorwaarden van de nutsbedrijven. Uitgaan van dynamische berekening ten behoeve van het bepalen van de verwarmingscapaciteiten daarbij rekening houden met de vereiste (hoge) ventilatiecapaciteit van sommige ruimten. Uitgangspunten: ▪ Het gebouw dient gasloos te zijn. ▪ Opwekkingseenheden toepassen met een zo hoog mogelijk rendement en een zo laag mogelijke uitstoot van schadelijke gassen. ▪ De totale dekking van de warmte-opwekkingsinstallatie dient circa 110% van het maximaal benodigd vermogen te bedragen. ▪ Indien luchtwarmtepompen wordt toegepast dient deze minimaal te voldoen aan COP ≥ 4,0 berekend conform NEN-EN14511
www.icsadviseurs.nl
42/45
Technisch Programma van Eisen
Wat betreft dimensionering van de verwarmingsinstallatie dient een overcapaciteit van 20% gerealiseerd te worden. Aandachtspunten: ▪ Plaatsing van installaties bij voorkeur op dakverdieping of in dakopbouw. Uit het zicht. ▪ Plaatsing van installaties dusdanig dat geen geluidsoverlast waarneembaar is in verblijfsruimten als ook op het buitenterrein.
7.3 Warmtedistributie en -regeling De warmteopwekking, -distributie en –afgifte dient bestuurd te worden door een regeling die zorg draagt voor een efficiënte benutting van energie en een comfortabel binnenklimaat. Er dient een groepsindeling van het warmtedistributiestelsel (in regelblokken) te worden toegepast die aansluit bij de indeling van het gebouw in gebouwdelen en de gebruikstijden. Deze regelblokken en besturing verlopen volautomatisch en dienen centraal, eenduidig en logisch bedienbaar te zijn (en buiten het bereik van het publiek). Per verblijfsruimte heeft de gebruiker een mogelijkheid tot (beperkte) handbediening en naregeling en moet de gebruiker een overwerktimer/-periode in kunnen schakelen. De bediening dient zich te beperken tot ingrepen op de normale bedrijfstoestanden en is geregeld vanuit een nader te bepalen (centrale) plaats. De regeling moet verder voorzien in een dag- en nachtregeling, weersafhankelijke voor- en naregeling, schooltijdenregeling, weekendregeling en jaarklokprogramma's.
7.4 Verwarmingslichamen Voor het vormgeven van de warmtedistributie wordt vanuit het ontwerpteam in overleg met opdrachtgever een afweging gemaakt tussen lucht, vloer en plafondverwarming. Radiatoren worden niet toegepast. Bij vloerverwarming dient, in overleg met de gebruiker, bepaald te worden of er ‘boorzones’ gedefinieerd moeten worden om een bepaalde indelingsflexibiliteit naar de toekomst te behouden.
7.5
Luchtbevochtiging
Indien nodig, wanneer dat blijkt uit de berekeningen, zal in overleg met de opdrachtgever luchtbevochtiging worden toegepast. Bij voorkeur een dergelijke installatie voorkomen.
7.6 Koelinstallatie De koudeopwekking voor het onderwijsgebouw dient te geschieden met een opwekkingsinstallatie met een zo hoog mogelijk rendement tegen een acceptabele investering. De wijze waarop koeling wordt gerealiseerd is afhankelijk van het verkozen scenario voor een duurzame installatie. De mate van benodigde koeling dient te worden aangetoond door een temperatuur overschrijdingsberekening en in overleg met opdrachtgever te worden bepaald. Alle temperaturen van afgifte systemen, distributie, etc. zullen wel op het temperatuurregime van een Laagtemperatuursysteem gebaseerd dienen te worden zodat, mocht in de toekomst hiervoor gekozen worden, er enkel een aanpassing aan de opwekking doorgevoerd dient te worden. Voor het dimensioneren van de installatie dienen de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 4 te worden aangehouden.
www.icsadviseurs.nl
43/45
Technisch Programma van Eisen
Aandachtspunten: Ter verlaging van de hoeveelheid koeling gelden onder andere de volgende aanbevelingen: ▪ Geen toepassing van losse airco’s. ▪ Beperk zo mogelijk de interne warmte. ▪ Benut het accumulerend vermogen van het gebouw. ▪ Pas mechanische ventilatie toe. ▪ Pas nachtventilatie toe. ▪ Pas effectieve zonwering toe. ▪ Koeling regelbaar per verblijfsruimte. Specifiek dient aandacht gegeven te worden aan de koeling van ruimten waar veel ICT-apparatuur staat opgesteld zoals de serverruimte (eventuele toepassing van topkoeling).
7.7 Warm- en koudwatervoorziening Uitgangspunten: ▪ Breng waterleidingen zoveel mogelijk buiten het zicht, maar wel goed bereikbaar aan. ▪ De warmwatertappunten moeten een constante waterstroom geven passend bij de functie van de aangesloten sanitaire apparaten. ▪ Het hele waterleidingsysteem dient zodanig te zijn ontworpen dat met behulp van leidingafsluiters gebouwsecties afgesloten kunnen worden zonder dat dit consequenties heeft voor de brandslanghaspels. Voor het onderhoud, vervangen van kranen/sanitaire toestellen, worden stopkranen voorzien. ▪ Leidingwerken en aansluitpunten zo ontwerpen dat stilstaand water vermeden wordt, in verband met legionella beheersing. ▪ Ter voorkoming van verbranding aan heet water dient de temperatuur van het uitstromende water in alle ruimten geblokkeerd te zijn middels een thermostaatkraan op maximaal 38°C. Circulerende leidingnetten per bouwdeel alleen toepassen bij warm-tapwater met een temperatuur hoger dan 60ºC. ▪ Appendages die waterslag in de installatie kunnen veroorzaken, mogen niet worden toegepast. ▪ Beperk het energieverbruik van boilers door deze te koppelen aan het GBS systeem. Gebruik (bij voorkeur) decentrale boilers die centraal schakelbaar zijn. ▪ In doucheruimtes wordt t.b.v. legionella preventie een spoelsysteem toegepast.