2021-017349 Bijlage 2- 20210224NG T-PvE 's Gravenmoer
Tekst van het document
Technisch Programma van Eisen
Technisch Programma van Eisen Nieuwbouw IKC ‘s Gravenmoer
Opdrachtgever Stichting PCPO Midden-Brabant en Stichting Bravoo
Datum 24 februari 2021
Referentienummer 2200515_20210224NG
Auteurs Niels Geerts
│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV www.icsadviseurs.nl
0/50
Inhoud 1.
Inleiding
4
1.1
Doel en inhoud
4
1.2
Aanpak van grof naar fijn
4
1.3
Ambitieniveau
5
1.3.1
Architectuur
6
1.3.2
Buitenruimte
6
1.3.3
Flexibiliteit
6
1.3.4
Duurzaamheid
7
1.3.5
Menselijke maat
8
1.3.6
Materiaalgebruik
8
1.3.7
Veiligheid
8
1.3.8
Binnenmilieu en gezondheid
9
2.
Wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen
10
3.
Terrein
11
4.
3.1
Algemeen
11
3.2
Stedenbouw en welstand
11
3.3
Grondonderzoek
11
3.4
Terreinverhardingen en -inrichting
11
3.5
Parkeren auto
12
3.6
E- en W-installaties
13
3.7
Terreinafscheiding en omheining
13
3.8
Terrein- en gevelverlichting
13
3.9
Buitenbergingen en afvalcontainers.
14
Bouwfysische uitgangspunten
15
4.1
Thermisch comfort en ruimtetemperatuur
15
4.2
Ventilatie en luchtbeweging
16
4.3
Luchtvochtigheid
16
4.4
Akoestiek en geluidshinder
16
4.4.1
Luchtgeluidsisolatie
17
4.4.2
Contactgeluidsisolatie
17
4.4.3
Nagalmtijd
18
4.4.4
Geluid van installaties
19
4.4.5
Geluidsuitbreiding naar de omgeving
19
4.4.6
Geluidsproductie uitwendige scheidingsconstructie
19
4.5
Daglicht
19
4.6
Luchtdichtheid
20
www.icsadviseurs.nl
1/50
5.
Bouwkundige werken
21
5.1
Algemeen
21
5.2
Clustering van functies
21
5.3
Kruipruimte
21
5.4
Constructie
21
5.5
Vloeren en vloerafwerking
22
5.5.1
Constructieve vloer
22
5.5.2
Vloerafwerking
22
5.6
Buitenwanden en buitenwandafwerkingen
23
5.7
Gevelopeningen en kozijnen
23
5.8
Daken
24
5.9
Binnenwanden en binnenwandafwerking
25
5.9.1
Binnenwand
25
5.9.2
Binnenwandafwerking
26
5.10 Binnendeuren en kozijnen
27
5.11 Plafonds
28
5.12 Trappen en hellingen
28
5.13 Installatieruimten, schachten en kabelgoten
29
5.14 Hang- en sluitwerk
30
5.15 Zonwering, verduistering en helderheidswering
30
5.16 Sanitair
31
5.17 Spoel- en wasvoorziening
32
5.18 Doucheruimten sportzaal
32
5.19 Werkkast
33
5.20 Glasbewassingsvoorziening
33
5.21 Bouwkundige voorzieningen
33
Elektrotechnische installaties
34
6.
6.1
Algemeen
34
6.2
Aansluiting
34
6.3
Aansluitpunten elektra
34
6.4
Regelbaarheid installaties
34
6.5
Reserve ten behoeve van uitbreiding
34
6.6
Gebouwbeheersysteem
35
6.6.1
Inzake elektrotechnische installaties:
35
6.6.2
Inzake werktuigbouwkundige installaties:
36
6.7
Bedienings- & signaleringspanelen
36
6.8
Verdeelinrichting
36
6.8.1
Krachtstroom
37
Aansluitpunten en schakelmateriaal
37
6.9
www.icsadviseurs.nl
2/50
6.10 Lichtinstallatie
6.10.1
Schakelinrichting lichtinstallatie
39
6.11 Terrein- en gevelverlichting
39
6.12 Communicatie-installatie
39
6.12.1
Beveiligingsinstallatie
6.13 Elektrische zonwering
7.
37
Werktuigbouwkundige installaties
40 41
42
7.1
Algemeen
42
7.1.1
Aansluiting
42
7.1.2
Reserve ten behoeve van uitbreiding
42
7.2
Warmteopwekking
42
7.3
Warmtedistributie en -regeling
43
7.4
Verwarmingslichamen
43
7.5
Luchtbevochtiging
43
7.6
Koelinstallatie
43
7.7
Warm- en koudwatervoorziening
44
7.8
Ventilatiesysteem
44
7.8.1
Ventilatie
44
7.8.2
Luchtbehandelingsinstallatie
45
Luchtkanalen
45
7.10 Gasinstallatie
46
7.11 Vloeistofafvoersystemen
46
7.9
7.11.1
Vuilwaterafvoer
46
Transportinstallaties
47
Bijlage 1 – scorekaart PvE-FS
48
Bijlage 2 – Demarcatie investeringskosten onderwijshuisvesting
49
www.icsadviseurs.nl
3/50
8.
Technisch Programma van Eisen
1. Inleiding 1.1 Doel en inhoud Voorliggend Technisch Programma van Eisen (T-PvE) omvat de technische uitgangspunten voor de realisatie van het nieuw te realiseren IKC ’s Gravenmoer van Stichting PCPO Midden-Brabant en Stichting Bravoo in samenwerking met kinderopvang De Toverdroom en de gemeente Dongen. Samen met het Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen (RF-PvE) dient dit document als input voor ontwerpende partijen (voornamelijk architect, constructeur, adviseur bouwfysica en adviseur installaties). Voor de installatietechnische invulling zijn vaak meerdere oplossingen mogelijk. De adviseur installaties zal aan de hand van een scenario onderzoek meerdere scenario’s presenteren om te komen tot een evenwichtige keuze. Het ontwerp dient in de basis te voldoen aan bouwbesluit (BENG) en Frisse Scholen klasse B. Alle in dit document genoemde ambities die hoger liggen dan deze eisen, worden zo goed als mogelijk verwerkt in het ontwerp, passend binnen de financiële kaders. Samen met het ontwerpteam en de opdrachtgever worden tijdens het ontwerptraject de uiteindelijke keuzes en afwegingen bepaald, met de uitgangspunten van dit document als leidraad. In bijlage 1 is een scorekaart toegevoegd met betrekking tot classificering Frisse Scholen. De minimale eis voor Frisse Scholen is klasse B voor alle onderdelen.
Voor een aantal onderdelen verschilt de classificering niet van elkaar in eigenschappen, en is de hoogste klasse (A) aangehouden in deze tabel. Waar de ambities van de school hoger liggen dan de eis (B) is Frisse Scholen klasse A aangehouden in deze tabel. Bijlage 2 betreft de demarcatie van investeringskosten per onderdeel voor gemeente of onderwijs. Het betreft de lijst die tot nu toe binnen de gemeente gehanteerd wordt, maar op korte termijn een herziene versie krijgt. Omdat deze nog niet voorhanden is, en derhalve nog niet geldig, is de huidige demarcatielijst bijgevoegd. Het ontwerpteam dient echter rekening te houden met een herziene versie.
1.2 Aanpak van grof naar fijn De door de ontwerpende partijen op te stellen plannen zullen aan de hand van de gestelde voorwaarden worden getoetst. De gestelde voorwaarden moeten overigens worden gezien als minimumeisen, zodat de partijen in principe een vrije keuze houden ten aanzien van constructievarianten, installatiekeuzes en materiaaltoepassingen. Om de ontwerpvrijheid van partijen zo groot mogelijk te houden, leggen de functioneel technische uitgangspunten geen oplossingen op, maar geven de prestatie-eisen weer. In het ontwerpproces zullen de door de ontwerpers gekozen oplossingen goedgekeurd moeten worden door (een vertegenwoordiging van) de opdrachtgever en gebruikers. Zonder te gedetailleerd in te gaan op de technische aspecten dient het totale pakket van aspecten zorgvuldig in acht te worden genomen, waarbij voor een goede samenhang tussen de volgende aandachtspunten dient te worden gezorgd: ▪ De functionaliteit van het gebouw. ▪ De onderlinge samenhang van constructies, bouwonderdelen, materialen en installaties. ▪ De duurzaamheid en milieuvriendelijkheid van constructies en materialen. ▪ Volledig gasloos. ▪ De veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de gebruikers. ▪ Een prettig binnenklimaat. ▪ Een milieubewust energiebeheer.
www.icsadviseurs.nl
4/45
Technisch Programma van Eisen
Ontwerpende partijen, van wie een kritische houding wordt verwacht, hebben een adviserende functie ten aanzien van de realisatie van deze aandachtspunten in het gebouw. Zij dienen de opdrachtgever te wijzen op mogelijke alternatieve invullingen waarbij zij opdrachtgever informeren over de voor- en nadelen van de alternatieven teneinde een optimale afstemming te krijgen tussen ontwerp, wensen en mogelijkheden. Streven hierbij is het maximaal (technisch en financieel) haalbare te realiseren waarbij altijd teruggevallen kan worden op de voorstellen uit dit document. Ook de opdrachtgever kan wijzigingen en alternatieven aandragen. In dat geval adviseren de ontwerpende partijen opdrachtgever ook bij het maken van een keuze.
1.3 Ambitieniveau Vertrekpunt voor het ontwerpproces is de (technische) ambitie zoals deze voor een 8-tal thema’s samen met opdrachtgever is bepaald. Per thema is het beoogde kwaliteitsniveau vastgesteld op basis van een III, II of Iscore. Van de ontwerpende partijen wordt verlangd de ambities als vertrekpunt te nemen. (Let op dat deze ambitieniveaus niet verward worden met de classificering Frisse Scholen.) Onderstaande radargrafiek geeft aan hoe de ambitie van het IKC ’s Gravenmoer is verdeeld. Gemiddeld genomen wil het IKC ’s Gravenmoer een gebouw realiseren met een hogere kwaliteit dan minimaal (wettelijk) vereist. Dit vertaalt zich in specifieke eisen ten aanzien van flexibiliteit en buitenruimte alsmede ten aanzien van binnenmilieu en gezondheid (PvE Frisse Scholen, ≥ klasse B).
III = Optimaal II = Veel beter dan bouwbesluit I = Bouwbesluit (sommige elementen net iets beter dan Bouwbesluit)
www.icsadviseurs.nl
5/45
Technisch Programma van Eisen
1.3.1 Architectuur ▪ ▪
Ambitie: II Uitgangspunt is een praktisch en doelmatig ontworpen gebouw dat past bij de landelijke en dorpse omgeving. Het onderwijsgebouw komt te liggen in een groene bosrijke omgeving, en is deels aan het zicht onttrokken. Geen excentrieke vormen en constructies, maar ook geen standaard saaie blokkendoos. Voor het gebouw zijn herkenbaarheid en concurrentiepositie geen belangrijke aspecten. In het gebouw komen drie verschillende organisaties samen met één uitstraling naar buiten en met kleine onderscheidende accenten binnenin. Een gebouw met een heldere gestapelde plattegrond met een flexibele indeling en openheid en transparantie naar het middengebied. De gevel is pragmatisch maar met zijn materialisering, kleur en details toch verfijnd.
1.3.2 Buitenruimte ▪ ▪ ▪
▪
▪ ▪
▪
▪
Ambitie III. Buitenruimte wordt als een zeer belangrijk thema beschouwd, zonder dat dit een bovengemiddeld kostenniveau zal moeten overstijgen. In de buitenruimte dient het landelijke en groene karakter van de omgeving voortgezet worden zodat de uitstraling past bij het dorp en omgeving. De buitenruimte dient een samenhangend geheel te zijn met het gebouw waarbij veel aandacht is voor een groene omgeving. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat bestaande bomen geïntegreerd dienen te worden in de terreininrichting. Het buitenterrein van beide scholen dient uit te dagen tot vrij spel. In overleg met de gebruikers wordt bepaald welke prikkelende en uitdagende speelvoorzieningen (eventueel deels na realisatie) worden toegepast. Aanvullend wordt sober en doelmatig aanvullend meubilair toegepast. Voor de kinderopvang is een van de andere gebruikers afgescheiden en uitdagende buitenruimte van belang waarin kindvriendelijke materialisatie en veiligheid voorop staan. In de buitenruimte wordt minimaal een voor docenten overdekte fietsenstalling voorzien samen met een onoverdekte fietsenstalling voor leerlingen. De ambitie is een overdekte gezamenlijke fietsenstalling. De fietsenstalling dient een geheel te vormen met de groene buitenruimte. Ten behoeve van het stallen van fietsen voor docenten wordt één oplaadpunt voor elektrische fietsen opgenomen.
Deze voorziening is makkelijk uit te breiden voor eventuele toekomstige toename van gewenste oplaadpunten. Op het buitenterrein worden de onder 3.5 gestelde parkeervoorzieningen gerealiseerd.
1.3.3 Flexibiliteit ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪
▪
Ambitie III. Flexibiliteit is als belangrijkste thema beoordeeld. Voor het IKC ’s Gravenmoer wordt een toekomstige groei aan gebruikers of uitbreiding van bestaande gebruikers niet uitgesloten. Het ontwerp (constructief en inbouw) dient dermate vormgegeven te worden dat toekomstige uitbreidingsvragen gemakkelijk te faciliteren zijn. Het ontwerp dient de flexibiliteit vanuit de lokalen richting de centrale ruimte te faciliteren. Binnenwanden dienen zo ontworpen te worden dat demonteren en/ of verplaatsen mogelijk is zonder effect op de installatietechniek. Tussen de lokalen en de centrale ruimte worden flexibele openingen gerealiseerd met aandacht voor gebruiksgemak en akoestiek. Geen kostbare zware vouwwanden, maar gemakkelijk te bedienen schuifdeuren. Uit veiligheidsoogpunt, gebruiksgemak en indelingsvrijheid dienen de schuifwanden niet voor wanden langs te lopen, maar in de wanden opgenomen te worden. Aandacht voor vingerbescherming bij (schuif)deuren. De groei en of krimp van één van de twee scholen heeft een direct effect op de andere school. Het ontwerp dient in de indeling van klaslokalen het wisselen van gebruikers te faciliteren.
www.icsadviseurs.nl
6/45
Technisch Programma van Eisen
Indelingsflexibiliteit Bij zowel het ruimtelijk/constructief concept als het installatietechnisch concept zijn aanpassingen na ingebruikname zeer kostbaar en lastig. Daarom dient bij het ontwerp te worden gestreefd naar aanpasbaarheid op de lange termijn om een dynamisch en toekomstbestendig gebouw te creëren. Integreren van installaties in de constructie bijvoorbeeld kan leiden tot een verlenging van de levensduur van de installaties, hetgeen op de lange termijn leidt tot lagere vervangingskosten. De stramienmaat van het gebouw dient op het gebruik van klaslokalen en kantoren te zijn afgestemd. De toepassing van een bepaalde stramienmaat dient consequent opgezet te worden. Bij voorkeur dient de langste zijde van het lokaal evenwijdig aan de gevel geplaatst te worden. Uitgangspunt is een vaste stramienmaat van 1,80m1 (of een afgeleide hiervan). De draagconstructie dient zodanig gekozen te worden dat deze de functionaliteit en herindeling niet belemmert, Dit komt de flexibiliteit en multifunctioneel gebruik ten goede. Constructief vaste elementen in de opbouw van het gebouw zijn de constructieve trappen, de lift, de schachten en sanitaire groepen. Deze elementen dienen zoveel mogelijk geconcentreerd te worden teneinde de herindeling en flexibiliteit te vergroten.
Installaties en installatieruimten dienen zodanig ontworpen te worden dat incidentele wijzigingen van de ruimten zonder ingrijpende wijzigingen van de basisinstallatie kunnen plaatsvinden. Hierdoor wordt de indeelbaarheid van het gebouw bevorderd. De basisinstallatie dient hierin geen belemmerende factor te zijn.
1.3.4 Duurzaamheid ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪
Ambitie II. Het ontwerp dient gasloos en Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) te zijn waarbij Frisse Scholen Klasse B gehaald wordt. Indien duurzaamheid zichtbaar gemaakt kan worden in het gebouw voor de gebruikers is dit een pluspunt. Vanuit BENG en Frisse Scholen Klasse B wordt (een gedeelte van) het dak of de dakvlakken benut voor het realiseren van zonnepanelen. Lage daken voorzien van sedum (onderhoudsarm), zicht vanuit lokalen verdieping op sedum daken, hoge daken voorzien van pv panelen. Sedum onderhoudsvriendelijk uitvoeren en rekening houden met druppelinstallatie indien dat door adviseurs aangeraden wordt. Het spoelen van toiletten (en eventueel andere toepassingen) met opgevangen hemelwater is een pre. Geen toepassing van BREEAM, GPR of WELL certificeringen. Duurzaamheid Vanuit de wetgeving is een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG)-gebouw de ondergrens voor nieuwbouw. De verplichting van BENG betekent dat er op een andere manier naar de energieprestatie van gebouwen gekeken moet worden. In tegenstelling tot de voormalige EPC-eis, waarbij de eindscore van een pakket van maatregelen leidend is, gelden bij BENG verschillende eisen waar je gelijktijdig aan moet voldoen. Samengebundeld komen de wettelijke BENG eisen aan de volgende waardes: BENG De maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar (scholen: 190 kWh/m²/jr.).
Het maximale primair fossiel energiegebruik in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar (scholen: 70 kWh/m²/jr.). Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (scholen: 40%). Om aan de wettelijk vereiste BENG-eisen te kunnen voldoen zijn diverse (combinaties van) maatregelen mogelijk, zowel in bouwfysische als installatietechnische zin. Laatste jaren is de ontwikkeling van de verschillende duurzaamheidsmaatregelen in een stroomversnelling gekomen. Innovatieve technieken van vandaag zijn morgen alweer achterhaald. De keuze voor de meest passende maatregelen dient daarom tijdens het ontwerpproces in de vorm van een variantenstudie gemaakt te worden, zodat geanticipeerd kan worden op de meest actuele stand van zaken.
www.icsadviseurs.nl
7/45
Technisch Programma van Eisen
1.3.5 Menselijke maat ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
Ambitie II. De menselijke maat wordt als belangrijk beschouwd met een sterke nadruk op akoestiek. Het onderwijsgebouw dient ruimtelijk en overzichtelijk te zijn met een vrije hoogte van lokalen van ten minste 2,80m1, veel bergruimte en praktisch en strategisch geplaatste ondersteunende functies. Het ontwerp dient te voorzien in een verbondenheid tussen de bouwlagen met aandacht voor de functionaliteit. In het gebouw worden zichtlijnen gecreëerd door het toepassen van een combinatie van glas met flexibele openingen waarbij aandacht is voor gebruiksgemak en onderhoud. Voor de inrichting en indeling van het gebouw zijn toekomstbestendigheid en inclusiviteit twee belangrijke uitgangspunten. Het gebouw en terrein zijn integraal toegankelijk conform de wettelijke eisen, waarbij verkeersruimten en verticale transportmiddelen voldoende capaciteit hebben om piekmomenten te kunnen opvangen. Als aanvulling op de ruimtelijke kwaliteit en overzicht in het gebouw, is er een goede bewegwijzering en markering van ruimten en routes. Hierbij wordt enkel met accenten onderscheid gemaakt tussen de verschillende gebruiksgebieden binnen het gebouw. Het onderwijsgebouw is voor de leerling een veilige plek, rustig en beschermend.
1.3.6 Materiaalgebruik ▪ ▪
▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Ambitie II. De uitstraling van het gebouw is rustig, functioneel en robuust waarbij onderhoudsvriendelijke materialen en detaillering worden toegepast in combinatie met rustig ogende oppervlakten en overgangen. Voor deze rustige uitstraling worden geïntegreerde armaturen en installaties toegepast. Het materiaalgebruik dient onderhoudsvriendelijk te zijn met een lage milieubelasting waar mogelijk. De ambitie is het toepassen van gerecycled materiaal en te recyclen materiaal daar waar dit mogelijk is zonder kwaliteitsvermindering. Ontwerp en gekozen materialen zo uitvoeren dat het gebouw onderhoudsvriendelijk is en lage exploitatie- en vervangkosten heeft. Geen schilderwerk deuren, wel fineer. Vlak uitgevoerd systeemplafond op T-ligger systeem. Standaard vloerafwerking van marmoleum met ambitie voor een product met een hogere slijtvastheid. Afwerking wand tot 1,5 hoogwaardig, boven 1,5 m basis. Voor het buitenterrein worden veel natuurlijke materialen gebruikt met een warme uitstraling.
1.3.7 Veiligheid ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪
Ambitie II. Voor het terrein wordt gebruik gemaakt van een kindvriendelijke afscheiding (hoog 1,0 á 1,2 meter) met aanvullende veiligheidsmaatregelen dat past bij de uitgangspunten voor de buitenruimte en uitstraling van het buitenterrein en het gebouw. Ten behoeve van het buitenterrein van het kinderdagverblijf wordt een kleine spijlmaat toegepast. De afscheiding roept geen bezwaar op bij omwonenden. Intern camera toezicht in het gebouwdeel met kinderdagverblijf. Extern camera toezicht daar waar noodzakelijk in overleg met gebruikers. In het sleutelplan is gedifferentieerde toegang op meerdere niveaus mogelijk. De ambitie is een buiten schooltijd toegankelijk schoolterrein. Aandachtspunten zijn het voorkomen van vandalisme en de benodigde investeringskosten t.b.v. de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen. Te bepalen in overleg met opdrachtgever.
www.icsadviseurs.nl
8/45
Technisch Programma van Eisen
1.3.8 Binnenmilieu en gezondheid ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Ambitie II+. Het thema binnenmilieu en gezondheid wordt als derde belangrijkste onderwerp beoordeeld met de nadruk op het binnenklimaat. Luchtverversing minimaal Frisse Scholen klasse B, met te openen delen gelegen boven 1,80m hoogte. Individueel regelbare verwarming door middel van lage temperatuur in vloer, plafond, of d.m.v. lucht. Geen toepassing van radiatoren. Actieve koeling (installatie), in combinatie met passieve koeling (in bouwkundig ontwerp). Hierbij wordt gekozen voor degelijke technieken waar eerdere ervaring mee opgedaan is. Akoestisch (contact en luchtgeluid isolatie, nagalmtijd) zeer goed, eis Frisse Scholen klasse B. Vanwege de open structuur van het gebouw en het multifunctionele gebruik van de ruimtes wordt waar mogelijk voldaan aan de ambitie Frisse Scholen klasse A. Voornamelijk van belang: nagalm in de centrale leerpleinen, geluidsisolatie tussen lokalen onderling en naar leerpleinen.
www.icsadviseurs.nl
9/45
Technisch Programma van Eisen
2. Wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen Onverkort hetgeen in dit T-PvE is gesteld, dient een gebouw te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving, waaronder het vigerend Bouwbesluit en de daarin voorgeschreven NEN-normen, de gemeentelijke bouwverordening en het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast wordt ook voldaan aan de criteria die gesteld zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit en eisen samenhangend met veiligheid. Ook dient voldaan te worden aan het Programma van Eisen Frisse Scholen (PvE-FS). In de bijlage staat per thema/aspect het vereiste niveau nader opgesomd. Het gemiddelde niveau is minimaal klasse B. Tevens wordt het IKC ‘s Gravenmoer een Rookvrij gebouw en terrein. Alle bedrijven, scholen en instellingen die levensmiddelen produceren, bewerken, transporteren en/of opslaan, zijn verplicht een HACCP-systeem in te voeren en te onderhouden. In het daaronder liggende HACCP-plan wordt de gebruiker gedwongen alle hygiënerichtlijnen uit te werken en na te streven. De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor het schrijven van dit onderliggende HACCP-plan. Indien in het onderliggende document onverhoopt kwaliteiten van een lager niveau dan de geldende wettelijke eisen en/of richtlijnen worden beschreven, prevaleren de wettelijke eisen en/of richtlijnen, waaronder het PvE-FS.
Wanneer in het vervolg van deze rapportage wordt verwezen naar wetgeving, NENnormen of andere richtlijnen, is altijd de meest actuele versie van de betreffende wet, norm of richtlijn bedoeld, inclusief alle op deze wet, norm of richtlijn betrekking hebbende verwijzingsbladen en/of correctiebladen. Het voorschrijven van deze regels ontneemt adviseurs nimmer de plicht om opdrachtgever te wijzen op andere, nieuwe en/of verbeterde wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen welke betrekking hebben op onderhavige opgave voor zover zij daar kennis van hebben of verondersteld mag worden dat zij daar kennis van hebben.
www.icsadviseurs.nl
10/45
Technisch Programma van Eisen
3. Terrein 3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de eisen omschreven die door de gebruikers gesteld worden aan het terrein en de inrichting van het terrein. Het volledig afwerken en inrichten van het terrein valt binnen het ontwerp, zoals verhardingen, buitenverlichting, terreinafscheidingen, fietsenstallingen (minimaal voor docenten en medewerkers overdekt), parkeerplaatsen, buitenbergingen, opstelplaats containers, elektrotechnische & werktuigkundige voorzieningen (zoals riolering, drainage, verlichting), groenvoorziening & onverhard schoolplein, verhard schoolplein, ontsluitingen, banken, hekwerk, et cetera. Uitgangspunt is een terrein dat bouwrijp wordt geleverd. Bij voorkeur wordt het terrein circulair ingericht. Op het terrein wordt hemelwater opgevangen en hergebruikt.
3.2 Stedenbouw en welstand Voor het terrein-, gebouw- en installatieontwerp dient vroegtijdig met de afdeling Ruimtelijke Ordening te worden overlegd om zodoende hun eisen als ook de noodzaak tot een Ruimtelijke Ordeningsprocedure af te stemmen. Aandachtspunten: ▪ Erfdienstbaarheden. ▪ Onderzoek in het kader van de Flora- en Faunawet. ▪ Onderzoek naar de waterhuishouding tijdens en na de bouw. ▪ Een archeologisch bodemonderzoek. ▪ Geluid als gevolg van omliggende wegen en overige infrastructuur. ▪ Geluid als gevolg van de locatie van het verblijfsgebied en de omringende bebouwing.
3.3 Grondonderzoek Ten behoeve van het funderingsontwerp worden door de constructeur voor rekening van de opdrachtgever voldoende sonderingen alsmede een verkennend en eventueel aanvullend bodemonderzoek en een funderingsadvies uitgevoerd door ter zake gespecialiseerde onderzoeksbureaus. Onderzocht wordt: ▪ Het draagvermogen van de bodem. ▪ De samenstelling van de bodem. ▪ De verontreiniging van de grond. ▪ De grondwaterstand ten opzichte van NAP. Bestaande grondonderzoeken kunnen worden toegepast mits zij voldoen aan de huidige eisen. Aan de hand van de resultaten van het fundering technisch bodemonderzoek worden de funderingsconstructies bepaald. Bij de bouw dient gestreefd te worden naar een gesloten grondbalans, waardoor aan-/afvoer van grond naar/van de bouwkavel wordt voorkomen.
3.4 Terreinverhardingen en -inrichting Het terrein dient te worden ingericht met verhardingen, een kiss en ride zone, vaste terreininventaris, riolering, straatkolken, leidingwerk, waterberging (bijvoorbeeld wadi, infiltratiebak) et cetera.
www.icsadviseurs.nl
11/45
Technisch Programma van Eisen
Indeling van het terrein en vaste terreininrichting dienen aan te sluiten bij de gebruiksindeling van het gebouw en de wensen van de gebruiker. Hierbij valt te denken aan onder andere fietsenstalling, zitmeubilair, afvalbakken. Aandachtspunten: ▪ Veiligheid en ontsluiting met betrekking tot het verkeer, ambitie zoveel mogelijk scheiden van verkeersstromen. ▪ Afstand tussen verblijfsgebied en fietsenstalling tot bestaande woningen dient minimaal 30 meter te bedragen. ▪ Bezonning, voorkom dat de buitenruimte voor het overgrote deel gedurende de pauzes in de schaduw ligt, maar maak ook plekken of voorzieningen die zorgen voor schaduw in de zomer of bescherming tegen regen. ▪ De te bestraten delen van het terrein dienen een zodanige afwerking te hebben, dat een duurzaam adequate afvoer van hemelwater naar het rioleringsstelsel gegarandeerd is; ▪ Op plaatsen waar vrachtverkeer komt in verband met bevoorrading of afval lediging dient de ondergrond en verharding hierop berekend te zijn; ▪ Houd rekening met de noodzakelijke vrije toegangs- en doorgangsroutes en opstelplaatsen voor brandweerauto’s, ambulances, taxi’s en vrachtauto’s ten behoeve van het lossen en laden van materiaal en materieel; ▪ Indien de glasbewassing geschiedt door middel van een hoogwerker, dient rondom het pand, minimaal één meter vanaf de gevel een deel van minimaal 1,5 meter bestraat te zijn.
Let hierbij op de ondergrond en de verharding ervan. ▪ Aanrijroutes van fietsen en auto’s dienen zo veel mogelijk te worden gescheiden. ▪ De fietsenstalling afgescheiden van het ‘verblijfsgebied’ en waar mogelijk zoveel mogelijk uit het zicht. Wel dient het zichtbaar voor de school te zijn i.v.m. veiligheid. ▪ Fietsenstalling voor personeel overdekt uitvoeren met ambitie deze te combineren met de fietsenstalling voor leerlingen. ▪ De te realiseren fietsenstalling voor leerlingen dient plaats te hebben voor minimaal 75% van het voorziene aantal leerlingen van beide basisscholen. Uitgangspunt is het plaatsen van fietsnietjes (h.o.h. afstand circa 3 a 4m) zodat ook fietsen met kratten te plaatsen zijn. Rekening te houden met een gedeeltelijk grotere h.o.h. afstand van fietsen onderling. ▪ Verharding dient in beginsel tot aan de muur gelegd te worden.
3.5 Parkeren auto Bij het gebouw dienen (in overleg met gemeente) een aantal parkeervoorzieningen (zie ruimtelijk functioneel PvE) op het terrein zelf gerealiseerd te worden, van minimaal 11 stuks + 1 mindervalideparkeerplaats conform de normering. Dit aantal kan wijzigen als gevolg van gemeentelijke bepalingen. De afstand tussen parkeerplaats en ingang is bij voorkeur maximaal 25 meter. Er wordt conform wet- en regelgeving een minimaal aantal oplaadpunten voor elektrische voertuigen gerealiseerd op het terrein. Dit betekent minimaal 1 oplaadpunt, en per 5 parkeerplaatsen de leidingdoorvoeren (voorzieningen) om oplaadpunten aan te kunnen leggen (totaal 1 stuk). In de totale stroomvoorziening dient rekening gehouden te worden met meerdere in de toekomst aan te leggen oplaadpunten, aantal in overleg met opdrachtgever. Er wordt tijdens de ontwerpfase onderzocht in hoeverre parkeerplaatsen van de school, als ook de oplaadpunten voor auto’s, gedeeld kunnen worden met openbaar gebruik ter plaatse van de huidige parkeervoorziening. Bij gebruik van openbare oplaadpunten dient goed rekening gehouden te worden, hoe
www.icsadviseurs.nl
12/45
Technisch Programma van Eisen
dit zich verhoudt tot de regelgeving, de opwekking en het gebruik van de stroom, en kosten voor werknemers van het IKC en openbare gebruikers. De kiss&ride zone zal voorzien worden op eigen terrein, aansluitend op het openbare parkeerterrein. Ook hier kan nader onderzocht worden of de kiss&ride zone op openbaar terrein kan plaatsvinden. Het autoverkeer dient gescheiden uitgevoerd te worden van het fietsverkeer en voetgangers. Voor voetgangers en fietsers komt een aparte toegang tot het terrein. Met de positie van de fietsenstalling wordt hiermee rekening gehouden. Voor de toegang van het terrein wordt een aparte fietseningang gerealiseerd. De verkeersstromen voor fietsers/ voetgangers en automobilisten kruisen elkaar niet. Er wordt rekening gehouden met de kiss en ride zone. Afwijkingen kunnen in samenspraak met opdrachtgever en gebruikers vastgesteld worden.
3.6 E- en W-installaties Uitgangspunten: ▪ Eventuele zakkingen van omliggend terrein mogen geen gevolgen hebben voor het goed functioneren van leidingwerk in en om het gebouw (riolering, hwa, elektra, water, CAI, etc.). ▪ Voedingen ten behoeve van alle in/op het terrein te plaatsen elektrische toestellen dienen te worden opgenomen, waaronder de oplaadpunten voor auto’s. Ten behoeve van de uitpandige opslag, afvalcontainers en dergelijke rekenen op verlichting, wandcontactdozen, aansluitingen vuilpersen, et cetera. De E-aansluitingen op het terrein moeten zoveel mogelijk geïntegreerd worden met de buitenverlichting. ▪ Buitenkranen (exact aantal n.t.b.) opnemen, daadwerkelijke positie n.t.b.. Deze kranen en leidingen zo uitvoeren dat ze vorstvrij blijven en van binnenuit afsluitbaar zijn. Vandaalbestendige uitvoering. ▪ Voor de groene buitenruimte dienen de benodigde watervoorzieningen te worden opgenomen. Onderzocht dient te worden of hiervoor ook het oppervlaktewater gebruikt kan worden. ▪ Er dient rekening gehouden te worden met voldoende laadpunten voor elektrische-/hybride auto’s. Definitieve hoeveelheid en capaciteit dient in overleg met opdrachtgever, en conform wettelijke eisen, bepaald te worden. Zie 3.5.
3.7 Terreinafscheiding en omheining Het buitenterrein wordt voorzien van een groene strook om een natuurlijke afscheiding te creëren, en een laag hekwerk om tijdens schooltijden het terrein van een afscheiding te voorzien. De ambitie is een buiten schooltijden toegankelijk buitenterrein. In het ontwerp worden uitgangspunten, randvoorwaarde, materialisatie en afwerking dusdanig op elkaar afgestemd dat vandalisme uitgesloten wordt (hufterproof) en (sociale) veiligheid geborgd is. Dit wordt met de opdrachtgever en gebruikers nader afgestemd en ter toetsing voorgelegd.
3.8 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproutes naar de toegangen aangelicht worden. Hiertoe aan de gevel van het gebouw, nabij de toegangen en op plaatsen waar 'hangplekken' kunnen ontstaan, weer- en vandaalbestendige LED-armaturen plaatsen. Binnen het bouwkundige ontwerp wordt zorg gedragen voor het vermijden van hangplekken. Daar waar sociale controle mogelijk is beveiligingsverlichting aanbrengen. Als er geen sociale controle is, schrikverlichting aanbrengen.
www.icsadviseurs.nl
13/45
Technisch Programma van Eisen
3.9 Buitenbergingen en afvalcontainers. Voor restafval (en papier en plastic) dient gebruik te worden gemaakt van Moloks gesitueerd bij een logistieke zone, waar de ophaaldienst veilig toegang toe heeft zonder andere verkeersstromen te kruisen. Hierbij is de draagkrachtigheid van de ondergrond een aandachtspunt. Realiseren bergingen conform RF PvE. De berging voor kinderopvang/ BSO ontsluit op een ander speelplein als de gedeelde berging voor midden- en bovenbouw. Bergingen worden in één volume gebouwd indien het ontwerp dit toelaat. Containerberging apart uit te voeren. Bergingen dienen voorzien te zijn van dubbele deuren. De vloer mag worden uitgevoerd van betontegels. Dorpels dienen te worden afgeschuind.
www.icsadviseurs.nl
14/45
Technisch Programma van Eisen
4. Bouwfysische uitgangspunten 4.1 Thermisch comfort en ruimtetemperatuur Het klimaat in een ruimte wordt in thermisch opzicht bepaald door de luchttemperatuur, de stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid en de luchtbeweging. Het gebouw dient zodanig te worden ontworpen, dat in het gebouw geen koude of warmte (of tocht) ervaren wordt die zodanig is, dat het functioneren van de gebruiker daardoor beperkt wordt. Er mogen geen hinderlijke temperatuurverschillen ontstaan. Het ontwerp moet zo zijn dat te hoge temperaturen in de zomer zoveel mogelijk beperkt blijven door het op de juiste manier toepassen van bouwmassa, zonwering en ventilatie. Ook dient er rekening gehouden te worden met de compartimentering van vertrekken met dezelfde- en vergelijkebare thermische behoeften, comforteisen, tijdroosters en werkingsregimes. Bij nieuwbouw dient bij de bepaling van de verwarmingsinstallatie uitgegaan te worden van ontwerpruimtetemperaturen. In een wintersituatie bij een buitentemperatuur van -10ºC en een windsnelheid van 5 m¹/seconde en het volledig in gebruik zijn van alle verwarmings- en ventilatie-elementen dienen, berekend conform NEN ISO 7730, de volgende minimale temperaturen bereikt te worden: ▪ ▪ ▪
▪
De operatieve temperatuur ligt bij zichtbaar actieve koeling in het zomerseizoen tussen 23 en 26 °C (in de zomer, Frisse scholen klasse B). Ambitie: 23,5 en 25,6°C (in de zomer, Frisse scholen klasse A). De operatieve temperatuur ligt in het winterseizoen tussen 20 en 24 °C (in de winter, Frisse Scholen klasse B). Ambitie: 21 en 23°C (in de winter, Frisse scholen klasse A). De operatieve temperatuur in het stookseizoen voor ruimten waar niet gewerkt wordt of langdurig verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) is minimaal 18°C. Actieve componenten voor verwarming en koeling zijn in het stookseizoen per verblijfsruimte handmatig regelbaar per verblijfsruimte handmatig regelbaar met een bandbreedte van minimaal 4°C binnen de gekozen grenswaarden voor de operatieve temperatuur (Frisse Scholen Klasse B). Ambitie: het hele jaar (’s winters en ’s zomers) per verblijfsruimte handmatig regelbaar (Frisse scholen Klasse A).
De sportzalen moeten verwarmd kunnen worden tot 22 °C bij een buitentemperatuur van - 5 °C. De gewenste temperatuur voor onderwijsgebruik ligt - afhankelijk van het schooltype - tussen 15 en 22 °C. De temperatuur mag zomers maximaal 25 °C bedragen. Hogere temperaturen kunnen maximaal 5 % van de verblijftijd worden overschreden. De verwarmingsinstallatie dient bestand te zijn tegen mechanische beschadigingen. De bepaling van het benodigd verwarmingsvermogen dient te geschieden op basis van de NEN 5066 middels het Vabi-VA101 computerprogramma bij een buitentemperatuur van minimaal -10°C, een absolute luchtvochtigheid van 1 gr/kg en een windsnelheid van 5 m/s. De temperatuur moet per verblijfsruimte regelbaar zijn. Reeds in een vroeg ontwerpstadium dient te worden nagegaan of ten gevolge van zoninstraling, de aanwezigheid van personen, de interne warmteontwikkeling (waaronder verlichting, apparatuur en dergelijke) en de systeemkeuze de behaaglijkheidsgrens niet ontoelaatbaar wordt overschreden en/of onderschreden. Voor de meest kritische ruimten en vertrekken dient door middel van temperatuur overschrijdingsberekeningen aangetoond te worden dat het aantal hierboven genoemde uren niet overschreden wordt. Met name ruimten met computers en keukenapparatuur en ruimten met veel mensen vragen om aandacht evenals ruimten met kleine kinderen.
www.icsadviseurs.nl
15/45
Technisch Programma van Eisen
4.2 Ventilatie en luchtbeweging Alle ruimten in het gebouw dienen in voldoende mate geventileerd te worden. De ventilatie in het gebouw dient minimaal te voldoen aan de ventilatie-eisen die zijn omschreven in het Bouwbesluit, en in de Arbowetgeving. Uitgangspunt is een vraag gestuurde ventilatie op basis van CO ² zodat de CO²-concentraties in de onderwijs- en kantoorruimten niet te hoog oplopen. De grenswaarde in het Bouwbesluit en Frisse Scholen klasse B is bij nieuwbouw is gesteld op 950 ppm, hetgeen overeenkomst met een ventilatiecapaciteit van 8,5dm3/s per persoon. Aan de luchtsnelheden in de leef zone worden maxima gesteld. De maximale luchtsnelheid moet voldoen aan de maximale grenswaarden volgens de NEN-EN-ISO 7730: ▪ Zomer: niet hoger dan 0,20 m/s. ▪ Winter: niet hoger dan 0,16 m/s. Aandachtspunten: ▪ De ventilatie van opbergruimtes voor schoonmaakmaterialen en opstelruimten van kopieermachines en de ventilatie van ICT-ruimten inclusief de ruimte gereserveerd voor de server. Waar nodig aparte CO2 gestuurde afzuiging toepassen. Verontreinigende apparatuur voorzien van bronafzuiging. ▪ Verkeersruimten als verblijfsgebied te beschouwen zodat ook daar geventileerd wordt. ▪ Bij de berekening van de ventilatievouden rekening te houden met maximale bezetting van verblijfsruimten. ▪ Er wordt geen gebruik gemaakt van recirculatie van ventilatielucht.
4.3 Luchtvochtigheid Ten aanzien van de relatieve vochtigheid gelden voor alle verblijfsruimten, voorzien van mechanische ventilatie, de volgende eisen om een behaaglijke omgeving te handhaven: • Een minimale relatieve vochtigheid van 30%. − Bij voorkeur minimale relatieve vochtigheid van 40%. • Een maximale relatieve vochtigheid van 70%. − Bij voorkeur maximale relatieve vochtigheid van 60%. Een zeer lage (<30%) of zeer hoge (>70%) luchtvochtigheid dient gedurende het jaar zo min mogelijk voor te komen. In ruimten voor berging en opslag, magazijnen en dergelijke, waar met lage ruimtetemperaturen mag worden volstaan, mag de relatieve vochtigheid ’s winters niet hoger worden dan 70%. Er worden geen voorzieningen in de installaties opgenomen voor het corrigeren van de relatieve vochtigheid. In de serverruimte dient statische elektriciteit door bouwkundige of installatietechnische ingrepen te worden voorkomen.
4.4 Akoestiek en geluidshinder De eisen in dit hoofdstuk omschreven zijn prestatie-eisen die aan aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat. Wel blijven de engineers verantwoordelijk voor het ontwerpen van details die voldoen aan de eisen.
www.icsadviseurs.nl
16/45
Technisch Programma van Eisen
4.4.1 Luchtgeluidsisolatie De geluidsisolatie tussen ruimten in het gebouw dient zodanig te zijn, dat in een ruimte tijdens de activiteiten waarvoor de ruimte bestemd is, geen overlast wordt ervaren. Hiertoe dienen de bouwkundige voorzieningen zodanig te worden ontworpen en samengesteld, dat constructies voldoende geluidswerend en isolerend zijn. De werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties mogen de luchtgeluidsisolatie van de scheidingsconstructies niet verzwakken. Zo nodig moeten aanvullende maatregelen worden getroffen in de vorm van akoestische slangen, suskappen over verlichtingsarmaturen, afdichten van doorvoeringen, en dergelijke. Onderstaand staan de meest voorkomende/cruciale combinaties van wanden genoemd (bij een nagalmtijd To = 0,5 sec., zoals gedefinieerd in NEN 5077. ▪
▪
▪ ▪
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen de leslokalen onderling en aangrenzende verblijfsruimten (bijv. onderwijspleinen, kantoren) is ten minste 39 dB (Frisse Scholen klasse B) met ambitie: 43 dB (Frisse Scholen klasse A). De luchtgeluidisolatie tussen de leslokalen en aangrenzende verkeersruimten (waar geen werkplekken aanwezig zijn of langdurig verbleven wordt) en bergingen is ten minste 25 dB (Frisse Scholen klasse B) met ambitie: 31 dB (Frisse Scholen klasse A). Bij een tussendeur in de scheidingswand tussen twee leslokalen is de luchtgeluidisolatie ten minste 34 dB (Frisse scholen klasse B) met ambitie: 38 dB (Frisse Scholen klasse A). Indien het niet mogelijk is om flexibele delen te combineren met de geambieerde luchtgeluidisolatie eisen wordt prioriteit gegeven aan het toepassen van flexibele delen boven de geambieerde akoestische waardes. Deze afweging dient gemotiveerd aan opdrachtgever voorgelegd te worden.
Aandachtspunten: ▪ Het koppelen van leslokalen met een (schuif)deur draagt bij aan de gewenste flexibiliteit. Deze koppeling levert een geluidslek op en verdient daarom extra aandacht. ▪ Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid moeten de wandconstructies steeds doorlopen tot, en aansluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies. ▪ Bij toepassing van systeemwanden dient de ruimte boven de wanden, tussen plafond en constructievloer, te worden voorzien van geluidswerende voorziening met gelijke waarden als de scheidingswand. Denk bij verplaatsing van de wanden hier ook aan, neem het op in een handleiding. ▪ Bij de gymzaal dient er nadrukkelijk rekening gehouden worden met flutterecho.
4.4.2 Contactgeluidsisolatie De waarde voor contactisolatie-index LnT,A, zoals gedefinieerd in NEN 5077, dient de volgende maximale waarden te bedragen: ▪ Tussen de technische ruimten en stilte vragende verblijfsruimten: ten hoogste 49 dB. ▪ Tussen alle overige ruimten onderling: ten hoogste 59 dB. ▪ Vertrekken met hogere geluidsproductie tot 62 dB(A) (printers, servers, werkplaats conciërges en dergelijke): na bronanalyse of in overleg met installatieadviseur/bouwfysicus. Met name wanneer ruimten met veel geluidsproductie (technische ruimten en muzieklokalen) gelegen zijn boven andere ruimten, dient veel aandacht besteed
www.icsadviseurs.nl
17/45
Technisch Programma van Eisen
te worden aan (contact) geluidsisolatie en het beperken van overlast naar ondergelegen ruimtes. Een zwevende vloer is een mogelijke oplossing, maar beter is een gescheiden constructie. Uitgangspunten: ▪ Om contactgeluid via de vloerconstructie te voorkomen, dienen trilling producerende machines (zoals ventilatoren en luchtbehandelingkasten) trillingsvrij op de vloer opgesteld te worden. Voorts dienen wateren CV-leidingen, alsmede eventuele andere geluid producerende apparatuur en/of bouwonderdelen, zodanig aan de constructie te worden bevestigd dat er géén rechtstreekse trillingen op deze constructies kunnen worden overgebracht waardoor schade aan gebouw en installaties worden voorkomen en gebruikers er geen hinder van ondervinden. Tevens dient rekening gehouden te worden met positionering van waterleidingen in verband met eventueel “ruis uit leidingen” door stroming van water. Aandachtspunten: ▪ Hinderlijke trillingen van de vloer door lopen/bewegen worden voorkomen (kb kleiner of gelijk aan 0,1), Zie DIN 4150. ▪ Onderdelen van een eventuele geluidsinstallatie (de boxen) bij voorkeur niet direct op de vloer of aan de wanden bevestigen.
▪ Met name wanneer ruimten met veel geluidsproductie (technische ruimten en speellokaal) gelegen zijn boven andere ruimten, dient veel aandacht besteed te worden aan (contact) geluidsisolatie, overloopgeluid en het beperken van overlast naar ondergelegen ruimtes.
4.4.3 Nagalmtijd De volgende gemiddelde eisen worden gesteld aan de nagalmtijd, geldend voor lege, ongemeubileerde ruimten per frequentieband. Een en ander conform NEN 5077. In NVN 3438 staan streefwaarden voor geluid met betrekking tot verstoring van communicatie en concentratie (geluidsniveau en nagalmtijd). ▪ De gemiddelde nagalmtijd (T30) in een standaard leslokaal en het leerplein is maximaal 0,6 seconde (Frisse Scholen klasse B) met ambitie: 0,4 seconde (Frisse Scholen klasse A) voor ruimtes waar dit naar aard van het ruimtegebruik wenselijk is (o.a. leerplein). Ruimtes te bepalen in overleg met opdrachtgever en gebruikers. ▪ De gemiddelde nagalmtijd (T30) in kantoor- en spreekruimten is maximaal 0,7 seconde. ▪ De gemiddelde nagalmtijd in sportzalen i.c.m. toestellenberging ligt tussen 1,1 en 1,4 seconde** ▪ De gemiddelde nagalmtijd EHBO, kleed en doucheruimten ligt tussen 1,1 en 1,4 seconde** ▪ De gemiddelde nagalmtijd techniekruimte, verkeersruimten is maximaal 1,0 seconde. **De nagalmtijd is afhankelijk van volume en absorberend vermogen van een ruimte. De gemiddelde nagalmtijd in een frequentiegebied van 125-4000Hz is maximaal 1,1 s. Dit zijn prestatie-eisen die aan aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat. De gemiddelde absorptiecoëfficiënt (á) van de sportruimte dient ten minste 0,25 te zijn.
De nagalmtijd per frequentieband (Tmax/fb) wordt gerekend door Tgem te delen door Tmax/fb en dient: ¡Ý0,7 te zijn. De nagalmtijden berekenen in de ontwerpfase en vaststellen in elk van de octaaf- en tertzbanden met middenfrequenties van 250, 315 (hum-noise), 500, 1000, 2000 en 4000 (topfrequentie spraak) Hz. De ontwerpende partijen dienen door middel van berekeningen aan te tonen dat de nagalmtijden gehaald worden.
www.icsadviseurs.nl
18/45
Technisch Programma van Eisen
De absorptie van geluid zal voornamelijk gezocht moeten worden in een hoogwaardig akoestisch (systeem) plafond. Indien noodzakelijk kan in samenspraak met opdrachtgever een combinatie gemaakt worden met akoestische voorzieningen op de wand, echter moet dit in eerste instantie vermeden worden.
4.4.4 Geluid van installaties In verblijfsruimten mogen geen geluiden, veroorzaakt door gebouwinstallaties, worden waargenomen zodanig dat zij activiteiten waarvoor de ruimten bestemd zijn belemmeren. De ventilatie moet geruisloos zijn. Buiten gebruiksuren mag, om aan de comforteisen te voldoen, het ventilatievoud verhoogd worden (meer installatiegeluid toegestaan) ten behoeve van nachtventilatie. Let echter op omwonenden. Uitgangspunten: ▪ De geluidsafstraling van de sanitaire installaties, zoals het doorspoelen van toiletten, moet in de geluidsgevoelige ruimten zodanig worden beperkt dat het ‘onhoorbaar’ is. In andere ruimten mag het achtergrondgeluidsniveau van de sanitaire installaties (LI;A) niet meer dan 35 dB(A) bedragen. ▪ Het geluidniveau in de leslokalen, groepsruimte en kantoren t.g.v. installaties (LI;A) is maximaal 33 dB(A). ▪ Het geluidniveau in ruimten waar niet wordt gewerkt of langdurige verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) t.g.v. installaties (LI;A) is maximaal 45 dB(A). Aandachtspunten: ▪ De laboratoriumwaarden zullen bij vouw-/schuifwanden meestal 15-25% hoger moeten zijn in verband met verliezen door aansluitingsdetails. ▪ Let op de invloed van flankerende geluidsoverdracht en kieren onder deuren op de berekende geluidsisolatie.
4.4.5 Geluidsuitbreiding naar de omgeving Voor de geluidsoverlast, veroorzaakt door de technische installatie in of aan het gebouw naar de gevels van de eventueel omliggende bebouwing, worden de maximaal toelaatbare waarden aangehouden zoals deze worden vereist in de Wet Milieubeheer en de plaatselijke voorschriften, gemeten op één meter voor de dichtstbijzijnde gevel.
4.4.6 Geluidsproductie uitwendige scheidingsconstructie Eventueel aanwezige uitwendige scheidingsconstructies, de hieraan bevestigde voorzieningen (zonwering, vlaggenmasten, etc.) en de daarop gemonteerde installaties (schoorstenen, luchtbehandelingkasten etc.) moeten zodanig geconstrueerd zijn, dat deze geen bijzondere of hinderlijke geluiden maken of in resonantie raken bij wind, neerslag, thermische uitzetting, krimp of andere bewegingen. Ook windgeluid bij kieren en naden in daken en gevels dient te worden voorkomen.
4.5 Daglicht In verblijfsruimten dient een daglichtfactor te worden gerealiseerd die zo hoog mogelijk is, zonder hinder te veroorzaken. In de leslokalen wordt een minimale daglichtfactor (de verhouding tussen de optredende minimale verlichtingssterkte binnen en de verlichtingssterkte op horizontaal vlak in het vrije veld) geëist van minimaal 3% op het werkvlak in het midden van het leslokaal. Gestreefd moet worden naar een gemiddelde daglichtfactor van 5% (conform PvE FS-B).
www.icsadviseurs.nl
19/45
Technisch Programma van Eisen
Daglichttoetreding in de sportzalen is noodzakelijk! Het daglichtoppervlak moet zo samengesteld en gesitueerd zijn dat docenten en leerlingen zicht op het weer en de buitenaccommodatie kunnen hebben. Hinderlijk daglicht en rechtstreeks invallend zonlicht moeten geweerd kunnen worden (handmatig elektrisch bediend). De beglazing en ook de zonwering dienen balvast uitgevoerd te worden. Het daglichtoppervlak van de gymzaal is minimaal 5% van het vloeroppervlak. In verband met de beperking van de hoeveelheid kunstlicht moeten de reflectiefactoren van de dichte scheidingsvlakken van de ruimte minimaal voldoen aan: wanden ≥ 0.5, vloeren ≥ 0.1 en plafonds ≥ 0.7.
4.6 Luchtdichtheid Met betrekking tot het energiegebruik van het gebouw worden eisen gesteld aan de luchtdoorlatendheid van de uitwendige scheidingsconstructie. De luchtdichtheid dient hierbij zodanig te zijn dat warmteverlies (en ook koude verlies) van het gebouw wordt beperkt. Zodoende wordt het energiegebruik ten behoeve van verwarmen en/of koelen verminderd. In Nederland maken we voor de mate van luchtdichtheid (uitgedrukt in de qv10-waarde) onderscheid in drie klassen: Klasse
Oordeel
Qv waarde
Klasse 1
Basis
qv;10 > 0,6 dm3/s.m2, voldoet aan het bouwbesluit, geen bijzondere eisen
Klasse 2
Goed
qv;10 tussen 0,3 en 0,6 dm3/s.m2 = energiezuinig bouwen
Klasse 3
Uitstekend
qv;10 < circa 0,15 dm3/s.m2 = passief bouwen of andere vormen van zeer energiezuinig bouwen
Voor dit gebouw is de minimaal te behalen waarde 0,6 dm3/s.m2. De opdrachtnemer zal in de uitvoeringsfase door een onafhankelijk derde steekproefsgewijs de luchtdichtheid van de gevel laten controleren door middel van één of meer beproevingen conform de geldende NEN normen. Ook dient een blower door test te worden uitgevoerd. De opdrachtgever kan aanvullend een thermografisch/infrarood onderzoek met een warmtebeeldcamera laten uitvoeren, waarna eventueel corrigerende en/of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen.
www.icsadviseurs.nl
20/45
Technisch Programma van Eisen
5. Bouwkundige werken 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per bouwdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening moet worden gehouden. Deze punten zullen in overleg met de in te schakelen adviseur voor de technische installaties en de architect nader moeten worden uitgewerkt.
5.2 Clustering van functies Sommige delen van het gebouw moeten zelfstandig kunnen functioneren zonder dat dit invloed heeft op de overige delen. Hiertoe dient het gebouw opgedeeld te worden in een (beperkt) aantal clusters/compartimenten, zowel ruimtelijk als installatietechnisch. Delen van het gebouw moeten afgesloten en beveiligd kunnen worden, terwijl andere delen nog in gebruik zijn. De clustering die voor dit ontwerp dient te worden aangehouden is: ▪ Sport ▪ Overig onderwijs (ruimtelijk afzonderlijk afsluitbare klaslokalen) ▪ Kinderdagverblijf
5.3 Kruipruimte Het gebouw dient voorzien te zijn van een kruipruimte. Het aanbrengen van leidingen op onbereikbare plaatsen wordt voorkomen. Aandachtspunten: ▪ Een goede bodemafsluiter en ventilatie. ▪ Toegangsluiken buiten het zicht te realiseren in overleg met gebruiker. ▪ Minimale vrije hoogte 800mm. ▪ Verschillende toegangsluiken, conform wetgeving en Arbo normen.
5.4 Constructie Het gebouw dient een uniforme en marktconforme hoofdconstructie te hebben ten behoeve van de uitwisselbaarheid. Specificatie van het beton-, hout- en/of staalskelet dient plaats te vinden op grond van het ontwerp en de hierin gehanteerde stramienmaten. Bij de maatvoering wordt uitgegaan van een modulaire opzet. De draagconstructie belemmert de functionaliteit en herindeelbaarheid niet. Aandachtspunten: ▪ De verdiepings- en dakvloeren bij voorkeur uitvoeren als balkloze vloeren opdat de ruimte tussen onderkant vloer en verlaagd plafond optimaal gebruikt kan worden. ▪ Het gebouw is bij voorkeur per stramien flexibel indeelbaar. De stramienen en stramienmaten dienen zodanig gekozen te worden dat overal vertrekken van verschillende grootte, passend binnen het gewenste huisvestingsconcept, gemaakt kunnen worden. Bij voorkeur stramienen met een veelvoud van 1,8 m¹ toepassen. ▪ Constructievloeren bij voorkeur uitvoeren in steenachtige materialen (systeemvloeren of in het werk gestort beton) in verband met warmteaccumulatie maar ook geluidsisolatie.
www.icsadviseurs.nl
21/45
Technisch Programma van Eisen
▪
(Constructieve) wanden en gevels bij voorkeur uitvoeren in systeemwanden (houtskeletbouw i.c.m. staalconstructie) ivm flexibiliteit naar de toekomst toe. Hierbij dient aandacht te zijn voor de bouwfysica van deze wanden (geluid en warmte).
5.5 Vloeren en vloerafwerking 5.5.1 Constructieve vloer De vloer is opgebouwd uit een ruwe constructieve vloer met daarop een dekvloer en vloerafwerking. Het draagvermogen van de vloeren in het gebouw dient afgestemd te zijn op de specifieke vloerbelasting die bij de functies van de ruimten horen. De minimale veranderlijke vloerbelasting is 2,5 kN/m2. Ruimten waar bulkgoederen zoals pallets met kopieerpapier worden opgeslagen verdienen evenals grotere bijeenkomstruimten extra aandacht. Daar tenminste een veranderlijke vloerbelasting van 4,0 kN/m2 toepassen. In dergelijke ruimten de veranderlijke belasting nader bepalen mede in overleg met een deskundig bureau. Houd rekening met een overdimensionering op plekken waar naast reeds een zwaardere constructie wordt toegepast ter voorbereiding op mogelijke toekomstige veranderingen en het uitbreiden van het gebied waar een zwaardere constructie is vereist. Door middel van een berekening dient aangetoond te worden of de nuttige vloerbelasting niet overschreden wordt. Houd bij de constructie en de detaillering van vloeren (verdiepings- en dakvloeren) rekening met de onderdelen die hieraan bevestigd moeten worden, zoals plafonds, geluids- en verlichtingsapparatuur, beamers, borden en overige installatievoorzieningen, alsook (luchtbehandelings-)installaties op het dak en pvpanelen.
5.5.2 Vloerafwerking De vloer en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. De vloer moet voldoende massa en stijfheid hebben om geluidsoverlast in een ‘open’ plattegrond te voorkomen. De keuze voor de vloerafwerking dient in overleg tussen de opdrachtgever, gebruikers en architect te worden bepaald, waarbij – gelet op de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte – moet worden gelet op een aantal algemeen geldende (praktische) uitgangspunten, zoals: ▪ Grote krasvastheid, stootvastheid en splintergevoeligheid. ▪ Onderhoudsvriendelijk, onderhoudsarm, schoonmaakaspecten/reinigbaarheid. ▪ Stroefheid/antislip. ▪ Vochtbestendigheid. ▪ Sterkte en weerstand tegen indrukken. ▪ Representativiteit. ▪ Beperkt aantal naden en voegen. ▪ Duurzaamheid en slijtvastheid (onder andere met betrekking tot verrijdbare bureaustoelen en rolstoelgebruikers). ▪ Antistatische en antiallergische eigenschappen. ▪ Stofgevoeligheid (de vloerafwerkingen mogen geen hinder opleveren voor cara- en astmapatiënten). ▪ Weerstand tegen chemicaliën (bestand tegen zwakke zuren, basen, oxiderende stoffen, detergenten, oliën en vetten), schoonmaakmiddelen, et cetera.
www.icsadviseurs.nl
22/45
Technisch Programma van Eisen
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Akoestische (geluiddempende) eigenschappen (wanneer een ruimte groter wordt, wordt het belang van geluiddempende eigenschappen steeds belangrijker). Kleur en structuur. Kosten. Esthetische aspecten. Eisen HACCP (keuken). Circulariteit.
Algemene uitgangspunten zijn: ▪ Algemeen harde vloeren: marmoleum o.g. met nadruk op slijtvastheid. ▪ Algemeen zachte vloeren: projecttapijt (hoogwaardige tapijttegel). ▪ Natte ruimtes: gietvloer o.g. met nadruk op slijtvastheid.
5.6 Buitenwanden en buitenwandafwerkingen Er wordt gekozen voor de toepassing van onderhoudsvriendelijke materialen. De materiaalkeuze en de wijze van detailleren dienen zodanig te zijn, dat bij een zeer beperkte onderhoudsinvestering, vervuiling en degradatie van kwaliteit nauwelijks kan optreden gedurende een periode van 40 jaar. Het noodzakelijke onderhoud alsook het schoonmaken kan op een eenvoudige wijze worden uitgevoerd. Voorzie het gebouw bij de aansluiting op het maaiveld zoveel mogelijk van vandaalbestendig en onderhoudsvrij materiaal. De gevel is bestand tegen vandalisme. Let bij de toepassing van vensterbanken op het onderhoudsaspect. Vensterbanken moeten functioneel zijn (plaatsen van planten, tentoonstellen van werk, als werkblad, aflegvlak) en worden (bij voorkeur) niet op zithoogte geplaatst. Vensterbanken zijn van een glad materiaal en zijn niet geprofileerd. De gevel en de daaraan gemonteerde voorzieningen is bestand tegen vandalisme. In dit kader dient ook extra zorg te worden besteed aan de constructies en detailleringen van zonweringen, hemelwaterafvoeren, aansluitingen van en op de gevelafwerking, et cetera. Materialen zijn bestendig tegen mechanische beschadigingen, mogelijkheden tot het beklimmen worden voorkomen (geen richels en randen) en er wordt een anti-graffiticoating aangebracht (onderste 2,5 m1), met vijf jaar garantie.
Bij het ontwerp wordt rekening gehouden dat eventuele beschadigingen die niet voorkomen konden worden weer eenvoudig hersteld kunnen worden.
5.7 Gevelopeningen en kozijnen Voor de nieuwbouw zijn gemoffeld aluminium kozijnen het uitgangspunt. Voor het voorkomen van inloop van vuil en nattigheid verdient het toepassen van een luifel of een andere vorm van een afdak de voorkeur. Een andere oplossing is de deurpartij terugleggen in de gevel. De hoofdentree moet zodanig zijn geconstrueerd dat er géén tochtverschijnselen via de entreehal kunnen ontstaan. Derhalve dient de entree van een tochtsluis of soortgelijke voorziening voorzien te zijn (dit voorkomt daarnaast ook inwaaien van vuil en zand). De (hoofd-)toegangsdeuren dienen van een zware kwaliteit te zijn en goed bestand tegen (mechanische) beschadiging. Daar waar nodig voorzien van schopplaten. Achter alle buitendeuren een deur-vast-zetter en buffer aanbrengen, een en ander in zeer degelijke en duurzame uitvoering. Op de buitendeuren deurdrangers met ’vertragingsmechanisme’ en deurvangers aanbrengen. Op de verdieping minimaal één raam aanbrengen dat op eenvoudige wijze als verhuisraam dienst kan doen.
www.icsadviseurs.nl
23/45
Technisch Programma van Eisen
Op de begane grond wordt in het kader van vandalismebestendigheid inbraakwerende gelaagde beglazing P4A (of glas met nader aangebrachte folie klasse A1, DIN 52290) toegepast. De openbare ruimten worden voorzien van zo weinig mogelijk te openen ramen (inbraakpreventie). De te openen ramen zijn voorzien van sloten. Verder dienen alle ruimten gepositioneerd aan de gevel voorzien te worden van één of meerdere te openen ramen (conform eis frisse scholen B). Draaiende kozijndelen dienen zodanig geplaatst te worden dat zij in normale gebruikssituaties geen gevaar of hinder op kunnen leveren voor de gebruiker, en niet uitnodigen tot gebruik als deur (insluiping). Vermijd de mogelijkheid voor gebruiker van het gebouw om uit het raam te hangen of te klimmen, bijvoorbeeld door de uitvoering als kiepraam toe te passen. Hang en sluitwerk van kiepramen moet op dusdanige hoogte aangebracht zijn dat deze voor iedereen bedienbaar is, zonder op een verhoging te moeten staan. Voor een vorm van doorvalbeveiliging dient gezorgd te worden op plaatsen waar glas dient als scheiding tussen twee verschillende niveaus, bij raamvlakken onder 850 mm hoogte. Dit geeft op de begane grond tevens een barrière tegen gebruik als toegang tot ruimte van buitenaf. Doorvalbeveiliging is benodigd bij trappen, bordessen en vides.
Groepsruimten hebben als spuifunctie (ventilatie) ten minste 4 te openen ramen), waarvan zo veel mogelijk boven in het raamvlak. De capaciteit van de spuiventilatie voorzieningen is minimaal 6 dm3/s per m2 vloeroppervlak, conform Frisse Scholen klasse B. Ramen dienen in meerdere standen vastgezet kunnen worden. De LTA (lichttransmissiefactor) van het glas mag niet onder de 60% liggen. Getint of gecoat glas mag alleen worden toegepast indien voldaan wordt aan de minimale LTA-waarde en indien hetgeen negatieve invloed heeft op het uitzicht en/of spiegelingen van lichtbronnen. Heldere beglazing (HR++ en bij voorkeur U-waarde ≤1,2 W/m²K) met een kleurindex van 95% dient toegepast te worden. Het glas moet een kleurechte weergave bewerkstelligen. De ZTA (zontoetredingsfactor) dient, afhankelijk van de resultaten van de temperatuuroverschrijdingsberekening, onder de 40% te liggen.