CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-014376 Bijlage 1- Transitievisie warmte gemeente Dongen 2021- versie 1.0 definitief concept

Besluitvormende raadsvergadering 16 december 2021, gemeente DongenBij agendapunt: 2021-014376 Raadsvoorstel Transitievisie warmte21.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook gaan we ervan uit dat er tot 2030 geen grootschalige warmtenetten in Dongen worden aangelegd tenzij marktpartijen hier initiatief voor nemen. We volgen wel de ontwikkeling van het regionale Amer-warmtenet. In deze Transitievisie Warmte maken we nog geen definitieve keuze voor buurten waar we de komende 9 jaar aan de slag gaan. We vinden het belangrijk dat het initiatief vanuit de samenleving komt en er draagvlak in een buurt is voordat we met de uitvoering starten. De woningcorporatie Casade is daarbij een belangrijke partner. Samen met de inwoners, de woningcorporatie, de energiecoöperatie, de netbeheerder en evt. andere betrokken partijen werken we vervolgens een buurtuitvoeringsplan uit waarin we de te zetten stappen uitwerken. De inwoners bepalen vervolgens binnen de afgesproken kaders zelf het tempo.

Blad 25 van 38

6.2

Nadere uitwerking strategie De ambitie en uitgangspunten zijn vertaald in vier strategische sporen (A, B, C en D): • Spoor A: gemeentebrede aanpak • Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten • Spoor C: pilot aardgasvrij • Spoor D: onderzoek naar kansen warmtenet De ambitie is om tot 2030 in totaal 1400 woningen uit de energieklasse C t/m G te isoleren tot minimaal energielabel B. Ruim een derde van dit aantal zal de woningcorporatie Casade voor zijn rekening nemen. In 2030 voldoen alle woningen van de woningcorporatie aan energielabel B. Het resterende deel betreft woningen van particuliere eigenaren. De strategie voor isoleren verloopt via spoor A (een gemeentebrede aanpak gericht op het geven van handelingsperspectief aan alle inwoners) en spoor B (een intensieve aanpak gericht op het isoleren van de woningen in de meest kansrijke buurten). De ambitie is om in de periode tot 2030 een begin te maken met het aardgasvrij maken van woningen in de gemeente. Dat doen we door een pilot aardgasvrij op te starten en natuurlijke momenten, zoals de vervanging van cv-ketels, te benutten. De strategie voor aardgasvrij verloopt via spoor A (gemeentebrede aanpak gericht op handelingsperspectief), spoor B (pilot aardgasvrij) en spoor D (onderzoek naar warmtenetten). De sporen A tot en met D zijn hieronder nader toegelicht.

6.2.1

Spoor A: gemeentebrede aanpak Het doel van de gemeentebrede aanpak is om initiatief van particuliere woningeigenaren te stimuleren en zo het natuurlijk tempo van de uitvoering van duurzaamheidsmaatregelen te versnellen. We verleiden de woningeigenaren door het geven van handelingsperspectief voor enerzijds isoleren en anderzijds aardgasvrij maken. De gemeente, de woningcorporatie, de energiecoöperatie en overige relevante partners en ondernemers werken het handelingsperspectief gezamenlijk uit in een gemeentebreed uitvoeringsplan en voeren dit samen uit. De kracht van de energiecoöperatie Energie Dongen Samen Duurzaam c.q. het energieloket, de inzet van ambassadeurs en de kennis en ervaring van de woningcorporatie wordt in deze strategie gebundeld en versterkt. Netbeheerder Enexis speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van het handelingsperspectief voor aardgasvrij maken. Mogelijk zijn sommige buurten de komende jaren nog ongeschikt om over te stappen op elektrische warmtepompen vanwege de beperkte capaciteit van het stroomnet. Hier kan in de communicatiestrategie rekening mee worden gehouden. Inwoners worden waar mogelijk ontzorgd en financieel de weg gewezen. Via een intensieve communicatie- en participatiestrategie betrekken we de inwoners bij de aanpak. Eigen initiatieven vanuit collectieven van inwoners vinden we heel erg belangrijk en waardevol.

Ervaringen elders in Nederland, zoals in de Proeftuinen Aardgasvrije Wijken, laten zien dat de meest succesvolle projecten zijn voortgekomen uit het eigen initiatief van inwoners. Als een groep inwoners met een eigen initiatief komt om de woningen in hun buurt of straat te isoleren of aardgasvrij te maken, willen we dit waar mogelijk faciliteren. We verbinden de aanpak aan natuurlijke momenten. Op het moment dat particuliere woningeigenaren hun huis gaan verbouwen of verkopen of hun cv-ketel gaan vervangen,

Blad 26 van 38

willen we ze stimuleren om isolatiemaatregelen te treffen of een aardgasvrij warmtealternatief (al dan niet hybride) te kiezen. We willen installateurs en aannemers inzetten om woningeigenaren bewust te maken van de mogelijkheden. Installateurs kunnen bijvoorbeeld (hybride) warmtepompen onder de aandacht brengen en bewoners voorlichten over de verschillen met een cv-ketel. Daarnaast willen we banken en makelaars betrekken om hun klanten de weg te wijzen en waar mogelijk te ontzorgen, zowel technisch als financieel. Isoleren Voor het isoleren richten we ons op alle buurten met woningen in de energieklasse C t/m G. We laten de inwoners zien hoe ze stap voor stap hun woning kunnen isoleren, welke partijen ze daarbij kunnen inschakelen, hoeveel het kost en hoeveel het oplevert en welke financieringsmogelijkheden er zijn. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van ‘menukaarten’ per woningtype. In deze Transitievisie Warmte hebben we alvast een aanzet voorzet voor het handelingsperspectief uitgewerkt, zie het volgende hoofdstuk. Aardgasvrij maken Voor aardgasvrij maken richten we ons met name op de eigenaren van woningen met energielabel A en B. Deze woningen zijn meestal nu al geschikt om aardgasvrij te worden verwarmd.

Via onder meer het energieloket en (interactieve) communicatiemiddelen laten we de inwoners zien welke mogelijkheden er zijn om hun woning nu al aardgasvrij te maken, welke partijen ze daarbij kunnen inschakelen, hoeveel het kost en hoeveel het oplevert. Daarbij brengen we ook hybride-oplossingen onder de aandacht zoals hybridewarmtepompen die deels nog van aardgas gebruik maken.

6.2.2

Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten Ervaringen uit het verleden leren dat met een gemeentebrede aanpak wel vooruitgang kan worden geboekt maar dat is onvoldoende om de 2030-doelstelling te halen. Daarom kiezen we één of enkele buurten waar snel en op een systematische manier grotere aantallen woningen kunnen worden verduurzaamd. In deze buurt(en) organiseren we, bovenop de aanpak van spoor A, een intensief en persoonlijk participatietraject voor inwoners. Samen met de inwoners, de woningcorporatie, de energiecoöperatie inclusief energiecoaches en andere betrokken partijen stellen we per buurt een buurtuitvoeringsplan op. Doel is om iedere bewoner voor zijn eigen woning een gedetailleerd beeld van de benodigde isolatie- (en ventilatie)maatregelen, kosten, opbrengsten en financiering te geven. Daarbij maken we gelijk de doorkijk naar aardgasvrij. We laten de inwoners zien wat ze eventueel aanvullend kunnen doen om hun woning aardgasvrij te maken. Hierbij hebben we ook oog voor tijdelijke oplossingen zoals hybride warmtepompen. Verder onderzoeken we de mogelijkheden van gezamenlijke inkoop en uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen. De meest kansrijke buurten voor spoor B zijn buurten met een groot aandeel woningen met energielabel C en D.

Dit zijn buurten die overwegend in de jaren ’60, ’70 en ’80 zijn gebouwd, met veel rijwoningen en uniform qua bouwstijl. De woningen zijn op een systematische wijze gebouwd en kunnen ook op een systematische en kostenefficiënte manier worden geïsoleerd. Voor veel woningen in deze klasse zijn de maatregelen niet erg ingrijpend, er zijn geen grote verbouwingen nodig. Hoe meer corporatiewoningen in een buurt, hoe kansrijker want de corporatiewoningen kunnen enerzijds als voorbeeld voor de koopwoningen dienen en anderzijds kunnen de woningcorporatie en de particuliere woningeigenaren een gezamenlijke uitvoering op poten zetten. In totaal zijn er ca. 5.000 woningen in Dongen met een energielabel C of D. Technisch en financieel gezien zijn de meest kansrijke buurten voor spoor B: de Biezen, West 2 en West 1. In totaal staan hier ruim 3.000 woningen met energielabel C en D.

Blad 27 van 38

Voor de keuze van de meest geschikte buurten voor spoor B zijn niet alleen bovenstaande technische en financiële argumenten leidend. Voor de uiteindelijke keuze is met name het draagvlak onder inwoners een bepalende factor. Daarvoor is het van belang om de warmtetransitie te zien als onderdeel van een integrale aanpak van een buurt, straat of locatie. Op het moment dat er ontwikkelingen in het ruimtelijke of sociale domein plaatsvinden, ontstaat er reuring onder inwoners en kan er ook draagvlak ontstaan of worden gecreëerd voor de warmtetransitie. Herinrichting van het openbaar gebied is hier een voorbeeld van. Inwoners worden dan actief, er wordt een werk- of klankbordgroep ingericht, en de saamhorigheid onder de inwoners neemt toe. Inwoners kunnen op dit soort momenten worden gestimuleerd om met de verbetering van hun woning aan de slag te gaan en mee te werken aan een plan om dit te realiseren. Dorpsraden en buurtverenigingen kunnen hierbij behulpzaam zijn.

6.2.3

Spoor C: pilot aardgasvrij Om in de periode tot 2030 een start met het aardgasvrij maken van woningen te maken, willen we een pilot opzetten waarin een buurt of een deel daarvan aardgasvrij wordt gemaakt. Met deze pilot willen we niet alleen over techniek en financiering leren maar ook hoe we inwoners kunnen laten participeren. We willen hierbij ook ervaringen uit andere gemeenten toepassen. Waar we deze pilot gaan opzetten, bepalen we samen met de inwoners en partners. Technisch gezien zijn de meest recent gebouwde buurten het meest kansrijk omdat de woningen hier al voldoende geïsoleerd zijn. Hier zijn de kosten per woning het laagst en is de installatie van de aardgasvrije warmtevoorziening het minst ingrijpend. Maar de technisch-economische argumenten hoeven niet de doorslag te geven voor de keuze van de pilot. Belangrijk is dat een locatie wordt gekozen waar inwoners en betrokken partijen gezamenlijk de schouders onder willen zetten. In de keuze voor de locatie van de pilot gaan we daarom eerst op zoek naar de locatie met het meeste draagvlak en enthousiasme. Vervolgens ontwerpen we samen met inwoners en partners de aanpak en leggen dit vast in een uitvoeringsplan. We onderzoeken de mogelijkheden voor subsidie. De schaalgrootte van de pilot leggen we niet vast in deze Transitievisie Warmte.

Het kan een kleinschalige pilot betreffen in één of enkele straten of een hele buurt omvatten. Inwoners en partners bepalen zelf de schaalgrootte. We hebben geen voorkeur voor het toepassen van een bepaalde techniek in de pilot. Zowel individuele warmtepompen als de ontwikkeling van een (kleinschalig) warmtenet behoren tot de mogelijkheden. Inwoners en partners bepalen samen welke techniek de voorkeur heeft.

6.2.4

Spoor D: onderzoek naar kansen warmtenet Voor de kern Dongen zien we de aanleg van een warmtenet als een serieuze optie maar niet voor 2030. Stowa, TNO, Ardagh en Casade zien hier kansen. Daarbij speelt ook dat het vanwege de woningtypologie mogelijk lastig wordt om de woningen voldoende te isoleren voor een all electric warmtepomp. Aansluiting op een warmtenet stelt meestal minder hoge eisen aan de mate van isolatie van de woningen dan een all electric oplossing omdat de temperatuur van de beschikbare warmte hoger is. We willen de kansen voor een warmtenet verder verkennen. Dit doen we samen met de bovengenoemde partijen. In dit kader volgen we ook de ontwikkelingen rondom onder

Blad 28 van 38

meer aqua-, rio- en geothermie en we verzamelen de ervaringen die elders in Nederland, zoals in de proeftuinen Aardgasvrije Wijken, worden opgedaan.

6.3

Rol gemeente en andere partijen Gemeente Als gemeente voeren we regie in de warmtetransitie. We stellen deze visie op, brengen partijen bij elkaar, starten verkenningen en zorgen voor coördinatie op de buurtuitvoeringsplannen die de komende jaren gemaakt gaan worden. De gemeente richt zich met name op de regie van het proces (procesregisseur) en het waar mogelijk koppelen van de warmtetransitie aan andere ruimtelijke of sociaal-economische opgaves van de gemeente of andere betrokken partijen (integrale regisseur). Concreet betekent dit dat de gemeente vooral inwoners, ondernemers en andere betrokken partijen aan elkaar verbindt, belangen zorgvuldig afweegt en initiatief stimuleert. Gemeenten kunnen inwoners en gebouweigenaren niet dwingen om voor een bepaald warmtealternatief te kiezen. De gemeenten proberen zo veel mogelijk initiatief te stimuleren en inwoners te verleiden, maar uiteindelijk zal er waarschijnlijk meer nodig zijn om de doelstellingen te behalen. Naar verwachting krijgen gemeenten in de toekomst bevoegdheid om aan te geven dat een wijk op een bepaalde datum van het aardgasnet wordt afgesloten. Dit instrument is nu echter nog niet in wet- en regelgeving verankerd en het is onbekend wanneer dit wel het geval zal zijn.

Tot het moment dat het afsluiten in wet- en regelgeving is verankerd, is het alleen mogelijk om door middel van verleiding inwoners over te laten stappen op een verwarmingssysteem zonder aardgas. Warmtewet 2.0 De huidige Warmtewet wordt herzien en verwacht wordt dat de nieuwe Warmtewet in 2022 in werking treedt. Deze wetsaanpassing heeft aanzienlijke gevolgen voor de marktordening en de positie van gemeenten. De gemeente krijgt met de nieuwe wet de mogelijkheid om warmtekavels aan te wijzen en warmtebedrijven te selecteren en zo sturen op de ontwikkeling van warmtenetten. Een warmtekavel betreft een gebiedsafbakening waarbinnen zich wijken/gebouwen bevinden waarvoor de gemeenten collectieve warmte overweegt. De gemeente krijgt de bevoegdheid om per warmtekavel een warmtebedrijf aan te wijzen. Het warmtebedrijf heeft de wettelijke taak om een collectief warmtesysteem binnen het warmtekavel tegen zo efficiënt mogelijke kosten met een duurzame en betrouwbare kwaliteit te realiseren. Het warmtebedrijf moet ook de gemeente ondersteunen bij het maken van een uitvoeringsplan voor de uitrol van collectieve warmtesystemen en wordt verantwoordelijk voor de verduurzaming en leveringszekerheid van het warmtesysteem. De gemeente moet op dat moment ook de eigen rol in het warmtebedrijf bepalen.

Daarbij kan de gemeente ervoor kiezen om alles aan de markt over te laten of zelf in het warmtebedrijf te stappen. Ook zijn constructies als een coöperatief warmtebedrijf denkbaar waarbij ook inwoners eigenaar zijn. Of het aanwijzen van warmtekavels in Dongen nodig is of kansen biedt en welke rol het best bij Dongen past, wordt de komende jaren verder uitgewerkt. Woningcorporatie Casade De woningcorporatie staat aan de lat voor de verduurzaming van hun eigen woningbestand. In 2030 voldoen alle corporatiewoningen minimaal aan energielabel B. De woningcorporatie werkt mee aan het uitwerken van de buurtuitvoeringsplannen en levert inbreng in de vorm van kennis op met name technisch en financieel vlak. Enexis Als beheerder van het gas- en elektriciteitsnet levert Enexis kennis over de benodigde aanpassingen van haar infrastructuur voor aardgasvrije warmteoplossingen. Enexis werkt

Blad 29 van 38

mee aan het opstellen van buurtuitvoeringsplannen. Enexis toetst of voorgenomen warmteoplossingen uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare netwerkcapaciteit. Woning- en gebouweigenaren De te treffen verduurzamingsmaatregelen vinden voor het overgrote deel achter de voordeur van woning- en gebouweigenaren plaats. Hun rol bij het opstellen van de buurtuitvoeringsplannen en het vervolg daarop is cruciaal. Woning- en gebouweigenaren kunnen hun inbreng bij de planvorming leveren door mee te doen aan bijvoorbeeld een klankbordgroep. Daarnaast hebben de inwoners een rol in het ontplooien van buurtinitiatieven en zelf een plan bedenken om hun buurt te isoleren of aardgasvrij te maken. Bewonersverenigingen en sociale netwerken kunnen worden ingezet om de bewoners te betrekken. De rol van en het draagvlak bij de bewoners en gebouweigenaren kan worden vergroot door bij de buurtuitvoeringsplannen breder dan alleen naar warmtetransitie te kijken, namelijk ook andere buurtverbeteringen ter hand te nemen. Huurdersbelangenverenigingen Huurders hebben zeggenschap over wat er in hun woning gebeurt zodra de corporatie duurzaamheidsmaatregelen wil nemen die leiden tot huurverhoging. Draagvlak bij de huurders is essentieel om de uitvoering van de maatregelen door de woningcorporatie soepel te laten verlopen.

De huurdersbelangenverenigingen vormen een schakel tussen de huurders en de woningcorporatie en kunnen helpen om het draagvlak bij huurders te vergroten. Contour de Twern Contour de Twern verzorgt het sociaal werk in de gemeente Dongen en helpt mensen en buurten bij het oplossen van kleine en grote vragen. Dat doet Contour de Twern voor een belangrijk deel met vrijwilligers. Contour de Twern kent de buurten goed en zou inwoners vanuit sociale projecten en activiteiten bij de uitvoeringsplannen voor de warmtetransitie kunnen betrekken. Contour de Twern wil zich graag inzetten om inwoners te stimuleren om hun woning te verduurzamen. Alternatieven hiervoor zijn organisaties als Arm in Arm, Vincentius, Jongerenwerk en Buurtkracht. Energie Dongen Samen Duurzaam en het energieloket De energiecoöperatie Energie Dongen Samen Duurzaam en hun energieloket beschikken over veel technische en financiële kennis over het verduurzamen van woningen en kunnen energiecoaches inzetten. Ze hebben contact met inwoners en ondernemers waardoor ze met lokale kennis actief kunnen bijdragen aan buurtinitiatieven en buurtuitvoeringsplannen. Ambassadeurs Klankbordgroepleden die zich als ambassadeur hebben aangemeld, werken mee aan de uitvoeringsplannen en helpen om inwoners over de streep te trekken.

Particuliere bedrijvensector Lokaal gevestigde ondernemingen, zoals architecten, makelaars, banken, aannemers en installateurs, kunnen als intermediair worden ingezet om hun klanten bewust te maken van de mogelijkheden voor de verduurzaming van hun woning of gebouw. Banken en makelaars kunnen bijvoorbeeld nieuwe woningeigenaren bij de overdracht of het afsluiten van een hypotheek op de kansen voor energiebesparing wijzen als ze het huis isoleren. Of een stapje verder: banken zouden in een financieel arrangement kunnen participeren waarmee hun klanten op een financieel aantrekkelijke manier aan de slag kunnen met verduurzamingsmaatregelen. Aannemers en installateurs kunnen hun klanten bij verbouwing of vervanging van de cvketel op duurzame alternatieven wijzen. Ze zouden ook kunnen participeren in een

Blad 30 van 38

technisch (en mogelijk ook financieel) arrangement waarmee ze kun klanten een ontzorgingspakket kunnen aanbieden.

Blad 31 van 38

7

Hoe pakken we de uitvoering aan?

7.1

Planning warmtetransitie In het vorige hoofdstuk hebben we onze ambitie, uitgangspunten en strategie uiteengezet. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we de strategie gaan uitvoeren en wie we hierbij nodig hebben. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat de woningen en gebouwen de komende 30 jaar stapsgewijs, wijk voor wijk of buurt voor buurt, van het aardgas afgaan. Op dit moment vinden we het echter nog te vroeg om een dergelijke planning voor alle wijken of buurten te maken. Er zijn hiervoor nog te veel technische, organisatorische en financiële onzekerheden. Wel kunnen we aangeven op welke buurten we ons in de periode tot 2030 gaan richten en ook een grof beeld schetsen van de periode daarna.

7.2

Planning warmtetransitie voor de periode tot 2030 In deze paragraaf is de uitvoering van de strategische sporen (A, B, C en D) verder ingevuld: • Spoor A: gemeentebrede aanpak • Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten • Spoor C: pilot aardgasvrij • Spoor D: onderzoek naar kansen warmtenet In onderstaande figuur is de planning en samenhang tussen de sporen gevisualiseerd. 2022

Spoor A Buurt 1

Spoor B

2023

2024

2025

2026

Uitvoeringsplan Selectie buurt

2027

Uitvoeringsplan

Uitvoering Uitvoeringsplan

Buurt 2

Uitvoering

Uitvoe -ringsplan Selectie locatie

2029

Uitvoering

Buurt 3

Spoor C

2028

Uitvoeringsplan

Spoor D

Uitvoering

Uitvoering pilot

Uitvoering onderzoek

Figuur 7-1: Planning en samenhang tussen de strategische sporen

7.2.1

Spoor A: gemeentebrede aanpak In 2022 stellen de gemeente, de woningcorporatie, de energiecoöperaties en overige relevante partners en ondernemers gezamenlijk een gemeentebreed uitvoeringsplan met een handelingsperspectief voor woningeigenaren op en voeren dit vervolgens samen uit (spoor A). Het uitvoeringsplan is met name gericht op no regret maatregelen voor het isoleren een aardgasvrij maken van woningen en stimuleert woningeigenaren om zelf maatregelen te treffen op een voor hen passend moment.

Blad 32 van 38

2030

Het is belangrijk om hier ook de lokaal gevestigde particuliere bedrijvensector (banken, makelaars, installateurs en aannemers etc.) bij te betrekken. Zij kunnen als intermediair worden ingezet om natuurlijke momenten en koppelkansen te benutten (zie ook paragraaf 6.3). Koeling en ventileren De warmtetransitie en deze Transitievisie Warmte richten zich in de eerste plaats op de verduurzaming van de verwarming van woningen en gebouwen. De zomers worden echter steeds warmer en de behoefte aan koeling van de woningen neemt ieder jaar toe. Het gebruik van airconditioners zorgt voor een aanzienlijk hoger energieverbruik. Bij de ontwikkeling van het handelingsperspectief voor inwoners is het verstandig om dit aspect integraal mee te nemen. Daarbij kan bijvoorbeeld naar warmtetechnieken worden gezocht die de woning zowel op een duurzame manier kunnen verwarmen als koelen. De ventilatie van de panden is een ander aandachtspunt. Het isoleren van panden kan tot een slechter binnenklimaat leiden als er niet goed over de ventilatie is nagedacht. Isolatie en ventilatie gaan hand in hand samen bij het ontwikkelen van de technische oplossingen voor de woningverbetering.

7.2.2

Spoor B: intensieve aanpak voor isoleren meest kansrijke buurten In de periode tot 2030 focussen we ons specifiek op maximaal drie buurten en hiermee gaan we aan de slag met isolatieaanpak. Als eerste stap onderzoeken we in 2022 in welke van de volgende buurten het meeste draagvlak onder inwoners, de woningcorporatie en andere betrokken partijen aanwezig is om met spoor B te starten. Technisch gezien zijn de meest kansrijke buurten die voor dit onderzoek in aanmerking komen: de Biezen, West 2 en West 1. Echter, niet alleen technische argumenten zijn doorslaggevend bij de buurtkeuze. Als er in andere buurten meer draagvlak wordt verwacht omdat daar aan andere ruimtelijke of sociale opgaves wordt gewerkt, kunnen ook deze in aanmerking komen voor spoor B (zie ook paragraaf 6.2.2). Resultaat van het onderzoek kan ook zijn dat het beter is om met slechts een deel van de buurt aan de slag te gaan. Aan de hand van het onderzoek kiezen we een eerste buurt en stellen hiervoor samen met inwoners, de woningcorporatie, de energiecoöperatie en andere partners een buurtuitvoeringsplan op. Afhankelijk van de voortgang en het succes doen we hetzelfde met de andere twee buurten.

Het buurtuitvoeringsplan richt zich primair op het isoleren (en ventileren) van de woningen en het voorbereiden op elektrisch koken, maar we maken ook een doorkijk naar de maatregelen voor het aardgasvrij maken van de woningen. Op deze manier kunnen de eigenaren van voldoende geïsoleerde woningen al stappen zetten om aardgasvrij te worden, al dan niet via een hybride (tussen)oplossing. Het geheel aardgasvrij maken van de bovengenoemde buurten volgt in de periode na 2030. Nadat het buurtuitvoeringsplan (of plannen) is opgesteld, start de gezamenlijke uitvoering. Doel is dat uiteindelijk minimaal 50% van de beoogde groep woningeigenaren meedoet. Om dit doel te halen, is een persoonlijke aanpak cruciaal. Hiervoor willen we onder meer energiecoaches en ambassadeurs van de klankbordgroep inzetten.

Blad 33 van 38

7.2.3

Spoor C: pilot aardgasvrij Voor de pilot aardgasvrij, gaan we in 2022 op zoek naar een buurt of een locatie met veel draagvlak en enthousiasme onder de inwoners en betrokken partijen. Vervolgens werken we hiervoor in gezamenlijkheid een uitvoeringsplan uit met als doel om voor 2030 de pilot te hebben afgerond. Een cruciaal onderdeel van de pilot is het opdoen en delen van leerervaringen. Dit moet andere inwoners en gebouweneigenaren inspireren om zelf ook aan de slag te gaan.

7.2.4

Spoor D: onderzoek kansen warmtenet Samen met de woningcorporatie Casade, de energiecoöperatie en de regiogemeenten verkennen we de kansen voor een warmtenet. In dit kader volgen we ook de ontwikkelingen rondom aquathermie, bodemenergie en zonthermie de meest kansrijke collectieve strategieën voor Dongen, en we verzamelen de ervaringen die elders in Nederland zoals in de proeftuinen Aardgasvrije Wijken worden opgedaan.

7.3

Planning warmtetransitie voor de periode 2030-2050 Na 2030 stellen we voor alle overige buurten buurtuitvoeringsplannen op om deze waar nodig te isoleren en aardgasvrij te maken. Vermoedelijk starten we met het aardgasvrij maken in buurten waar dat technisch het makkelijkste kan en de maatschappelijke kosten het laagst zijn. Dit zijn de buurten waar het overgrote deel van de woningen en gebouwen voldoende geïsoleerd zijn voor een aardgasvrije oplossing. Parallel hieraan zullen we doorgaan met de isolatieaanpak en deze buurt voor buurt verder uitrollen. We verwachten dat de buurten met veel slecht geïsoleerde woningen (label E, F en G) als laatste aan de beurt zullen zijn. Dit zijn vooral de buurten in de historische kernen en de lintbebouwing. Hier staan veel verschillende woningtypes uit verschillende bouwperiodes en elke woning heeft maatwerk nodig. Voor de aanpak van deze woningen kan veel geleerd worden van de andere buurten waardoor de te treffen maatregelen efficiënter kunnen worden uitgevoerd. Zolang er voor de betreffende buurten geen buurtuitvoeringsplannen zijn opgesteld, volgen de buurten hun natuurlijke tempo en kunnen de woning- en gebouweigenaren zelfstandig hun pand verduurzamen. In de periode na 2030 start ook de grootschalige aanpak van bedrijfsgebouwen, maatschappelijk en commercieel vastgoed. Hiervoor worden aparte trajecten opgestart.

Dat wil niet zeggen dat er tot 2030 niets gebeurt. Voor verschillende gebouwtypes zijn sectorale milieuvoorschriften van toepassing. Kantoorgebouwen moeten bijvoorbeeld in 2023 aan energielabel C voldoen. Verder start de gemeente ook al met de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed waaronder scholen.

7.4

Uitvoeringsplannen Het uitvoeringsplan draagt bij aan het ordenen en concretiseren van de visie op het aardgasvrij maken en/of isoleren van de wijk of buurt. Daarmee biedt het handelingsperspectief. Het uitvoeringsplan beschrijft voor één of meerdere buurten (buurtuitvoeringsplan) of wijken (Wijkuitvoeringsplan) of de hele gemeente (gemeentebreed uitvoeringsplan) op welke manier woningen en gebouwen planmatig worden geïsoleerd en vervolgens op welk duurzaam warmtealternatief buurten of wijken overgaan, per wanneer, en welke maatregelen nodig zijn om tot de gewenste situatie te komen. Een uitvoeringsplan toont een totaaloverzicht van de stappen die door diverse partijen gezet gaan worden om de maatregelen te realiseren.

Blad 34 van 38

Dongen kiest in de periode tot 2030 voor het opstellen van een gemeentebreed uitvoeringsplan (spoor A) dat de inwoners van alle buurten handelingsperspectief geeft voor het isoleren en aardgasvrij maken van hun woning. Daarnaast stellen we voor elke buurt Buurtuitvoerings-plannen op conform de hiervoor beschreven planning, te beginnen met maximaal drie buurtuitvoeringsplannen in de periode tot 2030 (spoor B). Daarnaast maken we een uitvoeringsplan voor de pilot aardgasvrij (spoor C). Het is van belang dat er bij het opstellen van de uitvoeringsplannen ook rekening wordt gehouden met de neveneffecten die door bijvoorbeeld het isoleren van panden kunnen ontstaan en de daarbij horende wet- en regelgeving. Een voorbeeld daarvan is het isoleren van spouwmuren waardoor vleermuizen verjaagd worden. Daar is de Wet natuurbeheer op van toepassing. Het opstellen van een uitvoeringsplan verloopt via de onderstaande vier stappen: Stap 1: Buurt- of wijkanalyse De eerste stap bestaat uit een analyse van de bestuurlijke, financiële en technische kaders en de fysieke en sociale kenmerken van de buurt of wijk. Het vormt de onderbouwing voor een bestuurlijke opdracht om een uitvoeringsplan op te stellen voor een buurt of wijk. Stap 2: Projectplan Op basis van de wijkanalyse kan een projectplan, startnotitie of principenota worden opgesteld.

In het projectplan wordt het proces vastgelegd om tot een uitvoeringsplan te komen. Stap 3: Opstellen uitvoeringsplan Vervolgens kan het uitvoeringsplan worden opgesteld. Het opstellen van een uitvoeringsplan vraagt om keuzes langs verschillende sporen: bestuurlijk, juridisch, ruimtelijk, communicatie, technisch, financieel. Voor elk van deze sporen zijn in dit stappenplan nuttige bronnen opgenomen, die meer informatie geven. Stap 4: Vaststellen De laatste stap is het vaststellen van het uitvoeringsplan als programma onder de Omgevingswet door het college van burgemeester en wethouders. Binnen het instrument programma kan een gebiedsgericht programma interessant zijn, waarbij de leefomgeving integraal benaderd wordt en meekoppelkansen ontstaan. Het zal voornamelijk gaan om de wijze waarop het programma wordt ingericht, al dan niet in combinatie met het opnemen van omgevingswaarden in een omgevingsplan. Daarnaast kan de gemeente in het programma leidende principes opnemen met betrekking tot de ontwikkeling van warmtenetten. Organisatie en participatie Het uitvoeringsplan wordt opgesteld in samenspraak met de inwoners en bedrijven en alle betrokken professionele stakeholders. Het is van belang dat de professionele stakeholders tijdens het gehele traject van de warmtetransitie binnen hun organisatie voldoende capaciteit beschikbaar hebben.

Gedurende alle fases vindt dus participatie plaats.

Blad 35 van 38

7.5

Wat kunnen woningeigenaren nu al doen? Woningeigenaren kunnen nu al veel doen om hun woning te isoleren en klaar te maken voor een aardgasvrije toekomst. Ook bestaat er al een scala aan mogelijkheden voor technische hulp, bijvoorbeeld via het energieloket Dongen, en financiële ondersteuning, bijvoorbeeld via duurzaamheidsleningen of subsidies. Ook marktpartijen benaderen regelmatig inwoners met bijvoorbeeld installatiediensten. Toch blijft het voor woningeigenaren vaak lastig om een goed plan te maken voor de benodigde maatregelen, een goede aannemer of installateur te vinden en de financiering te regelen. In bijlage 2 is een kort overzicht opgenomen van de maatregelen die inwoners nu al kunnen treffen. Voor een uitgebreid overzicht zie www.milieucentraal.nl of https://www.verbeterjehuis.nl. Hier is ook informatie te vinden over de kosten en financiering van de maatregelen.

7.6

Communicatie en participatie Zodra we met het opstellen van de uitvoeringsplannen voor de vier sporen aan de slag gaan, betrekken we inwoners, ondernemers en betrokken partijen. Als onderdeel van de uitwerking van de uitvoeringsplannen is het cruciaal om met elkaar een passende communicatie- en participatiestrategie uit te werken in een communicatie- en participatieplan. De centrale vraag daarbij is welke middelen je kunt inzetten om niet alleen de koplopers maar ook de grote groep inwoners daarachter in beweging te krijgen. We verwachten in ieder geval de volgende middelen in te zetten: • Website van de gemeente: via de website houden we de inwoners en andere partijen onder meer op de hoogte van de voortgang van de warmtetransitie, de buurtaanpak en de mogelijkheden om zelf stappen te zetten. • Lokale kranten en andere papieren media. • Participatieplatform SamenDongen.nl: op Samen.Dongen.nl kunnen inwoners en ondernemers hun ideeën delen en actief samenwerking met elkaar zoeken. • Klankbordgroepen: bij het opstellen van de uitvoeringsplannen richten we klankbordgroepen van inwoners en ondernemers in. Daarbij streven we naar een zo representatief mogelijke vertegenwoordiging van de buurten. • Enquêtes: we gebruiken enquêtes om de standpunten en ideeën van inwoners en ondernemers op te halen.

• Social media, nieuwsbrieven en informatiekranten: we informeren inwoners en ondernemers regelmatig via de reguliere mediakanalen. • Onderwijs: via kinderen kunnen ouders worden bereikt.

7.7

Financiering en betaalbaarheid Op dit moment worden subsidieregelingen en een groot aantal wetten herzien, die van grote invloed zijn op de warmtetransitie (onder meer de Warmtewet, Elektriciteitswet, Wet Markt en Overheid, Wet Toezicht Financiële markten en diverse belastingwetten). Dit kan gevolgen hebben voor de rol als gemeente in de warmtetransitie en voor de betaalbaarheid van maatregelen. Voor eigenaren van woningen en gebouwen zullen er de komende jaren andere vormen van financiering beschikbaar komen.

Blad 36 van 38

Voor woning- en gebouweigenaren bestaan er nu al verschillende mogelijkheden voor financiële ondersteuning, zowel in de vorm van subsidies als duurzaamheidsleningen. Dit zijn onder andere: • ISDE-regeling (particuliere woningeigenaren): subsidie voor het treffen van isolatiemaatregelen of de aanschaf van installaties. • SAH-regeling (woningcorporaties, particuliere verhuurders en institutionele beleggers): subsidie voor de aansluiting van huurwoningen op een extern warmtenet. De subsidie is zowel voor aanpassingen in de woningen als voor de aansluitkosten op het warmtenet. • Nationaal Warmtefonds (particuliere woningeigenaren en VvE’s): dit biedt langjarige financiering tegen een aantrekkelijke rente voor woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) voor de verduurzaming van woningen. • Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW): Een gemeente kan hiermee huurders en eigenaar-inwoners stimuleren energie te besparen in hun woning. Dongen heeft de eenmalige uitkering aangevraagd en ontvangen.

7.8

Monitoring In het uitvoeringsplan werken we een methode uit waarmee we kunnen volgen of de warmtetransitie op schema ligt, hoeveel woningen al voldoende zijn geïsoleerd en aardgasvrij zijn gemaakt.

Blad 37 van 38

8

Uitvoeringskosten De uitvoering van de sporen A, B, C en D gaat niet zonder de inzet van capaciteit van de gemeente, de woningcorporatie, de netbeheerder en andere betrokken organisaties. De kosten die hiermee gemoeid zijn, vormen de ‘maatschappelijke kosten’. Meer informatie hierover vindt u in bijlage 1 ‘Technische en financiële analyse’. Binnen de gemeentelijke organisatie zijn veel verschillende disciplines betrokken bij de warmtetransitie. Het gaat hierbij om specialisten op zowel technisch/ruimtelijk als sociaal vlak. Voor de gemeente is hieronder een globale inschatting gemaakt van de benodigde inzet. Hierbij is mede gebruik gemaakt van het onderzoek uit september 2020 van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) naar de uitvoeringskosten voor het Klimaatakkoord6. In de tabel is onderscheid gemaakt tussen de activiteiten waarmee minimaal aan de opzet van de uitvoeringsstrategie wordt voldaan (de basisvariant) en de facultatieve activiteiten. De laatste betreffen de toevoeging van twee buurten in spoor B. Tabel 8-1: globale inschatting inzet gemeente voor de sporen A, B, C en D

Formatie (FTE) Spoor A - gemeentebrede aanpak

Spoor B - isoleren focusbuurten

Spoor C - pilot aardgasvrij

Opstellen uitvoeringsplan Uitvoeren uitvoeringsplan Gemeentebrede communicatie (incl. energieloket) Selectie geschikte buurt Opstellen uitvoeringsplan buurt 1 Uitvoeren uitvoeringsplan buurt 1 Opstellen uitvoeringsplan Uitvoeren uitvoeringsplan

2022 0,9 1 0,5

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

1,9 1

1,9 1

1,9 1

1,9 1

1,9 1

1,9 1

1,9 1

1,9 1

1,7

1,7

1,7

1,7

1,7

1,7

1,7

0,9 0,9

Spoor D - onderzoek warmtenetten

0,1

0,1

1,7 0,1

1,7 0,1

1,7 0,1

1,7 0,1

1,7 0,1

1,7 0,1

1,7 0,1

Activiteiten over alle sporen Samenwerken woco en vve Monitoren en herijken TVW

0,35 0,25

0,35 0,25

0,35 0,25

0,35 0,25

0,35 0,25

0,35 0,25

0,35 0,25

0,35 0,25

0,35 0,25

Totaal FTE (schaal 11) - basisvariant

3,1

5,4

7

7

7

7

7

7

7

1,7

1,7 0,9

1,7

1,7

1,7

1,7

1,7

1,7

Facultatieve activiteiten Spoor B - isoleren focusbuurten

Totaal FTE (schaal 11) - plusvariant Kosten Ondersteuning adviesbureau

Opstellen uitvoeringsplan buurt 2 Uitvoeren uitvoeringsplan buurt 2 Opstellen uitvoeringsplan buurt 3 Uitvoeren uitvoeringsplan buurt 3

0,9

3,1

5,4

7

7,9

8,7

9,6

10,4

10,4

10,4

€ 50.000

€ 50.000

€ 50.000

€ 50.000

€ 50.000

€ 50.000

€ 50.000

€ 50.000

€ 50.000

De gemeente beschikt momenteel voor de uitvoering over ongeveer 1 FTE, verdeeld over verschillende afdelingen. Om aan de benodigde inzet te komen is dus uitbreiding van de bestaande formatie of inhuur vanuit een adviesbureau nodig. Voor een deel kan de gemeente hiervoor uit de bestaande middelen putten en ook worden er, in ieder geval voor 2022, extra middelen vanuit het Rijk verwacht. Vooralsnog is echter onduidelijk of de benodigde inzet hiermee ingevuld kan worden. Gelet op de urgentie vanuit het Rijk en het Klimaatakkoord verwachten we wel dat het Rijk de komende jaren meer geld voor de uitvoering beschikbaar zal stellen.

6 https://www.raadopenbaarbestuur.nl/binaries/raad-openbaar-

bestuur/documenten/publicaties/2020/09/24/aef--onderzoeksrapport-uitvoeringskostenklimaatakkoord/Uitvoeringskosten_Klimaatakkoord_decentrale_overheden_AEF_Rapport _2020_09.pdf

Blad 38 van 38

Bijlage 1 Technische en financiele analyse

Bijlage 1 Technisch en financiële analyse

Technische analyse Voordat een pand aardgasvrij kan worden, moet worden gezocht naar een andere manier waarmee het pand wordt verwarmd en warm water wordt verkregen. In de technische analyse is voor elke buurt in Dongen onderzocht welke oplossing technisch gezien het meest haalbaar is op basis van de huidige gegevens. De technische analyse bestaat uit een aantal onderdelen: • Een karakterisering van de woningen en gebouwen. • Een nulmeting van het warmteverbruik in de huidige situatie. Deze nulmeting bevat een analyse van het huidige gasverbruik van de woningen en grootverbruikers in Dongen; • Een inschatting van de mogelijke besparing die bereikt kan worden door de panden te isoleren; • Een inventarisatie van de beschikbaarheid van alternatieve warmtebronnen in de gemeente; • Een verdeling van de panden in clusters met een vergelijkbare warmteoplossing. De resultaten van ieder geanalyseerd onderdeel zijn weergegeven op kaarten.

Karakteristieken van de woningen en gebouwen Het warmteverbruik van de panden wordt sterk bepaald door het type en de ouderdom van het pand. Om het huidige warmteverbruik te begrijpen, is daarom als eerste stap een pandenkaart gemaakt met daarop het bouwjaar van de bestaande panden.

Figuur 0-1: Pandenkaart met bouwjaar

Begin 2020 stonden er in Dongen 11.378 woningen waarvan 2.310 sociale huurwoningen. Het overgrote deel van de woningen is voor 1993 gebouwd. Alleen de

buurten Hoge Akker en de Beljaart plus een deel van ’s Gravenmoer hebben een recenter bouwjaar. Aan alle woningen is een energielabel toegekend. Dit geeft aan hoe energiezuinig een woning is. De verdeling van de energielabels in Dongen is samengevat in onderstaande figuur.

Figuur 8-2: Energielabels (bron: Wijkpaspoort VNG, peildatum 2020)

Op basis van de voorlopige energielabels beschikt 35% van de woningen over een energielabel B of beter en 65% over een label C of beter. Van alle woningen heeft ca. 40% een definitief energielabel. Van deze woningen beschikt 35% over een energielabel B of beter en iets meer dan 65% over een energielabel C of beter. De verdeling tussen de voorlopige en definitieve energielabels is dus vergelijkbaar.

Huidige warmteverbruik De totale warmtevraag van alle woningen in de gemeente Dongen bedroeg in het peil jaar 2018 491 TJ. In de onderstaande figuur is het huidige warmteverbruik per woning of appartement in beeld gebracht. Het warmteverbruik is een manier om het gasverbruik uit te drukken. Het gasverbruik wordt uitgedrukt in kubieke meters (m3) en het warmteverbruik in kilowattuur (kWh) per vierkante meter (m2). Met het warmteverbruik kan makkelijker bepaald worden welk warmtealternatief in de plaats van aardgas kan komen. De grootverbruikers (met name bedrijven en grote kantoren) zijn niet op deze kaarten opgenomen omdat de ontwikkeling van de warmtescenario’s zich op woningen en kleine kantoren richt.

Figuur 0-3: huidig gasverbruik kleinverbruikers per verblijfsobject

De meeste verblijfsobjecten in de gemeente Dongen vallen binnen de klassen 71 – 100 kWh/m2 (geschikt voor midden en hoge temperatuurverwarming) en >100 kWh/m2 (alleen geschikt voor hoge temperatuurverwarming). In relatie tot de kaart Panden, is duidelijk te zien dat er een correlatie is tussen het bouwjaar van een pand en het kWh/m2 verbruik. In De Beljaart zijn de woningen op een warmtenet aangesloten, maar 241 van de 307 woningen hebben ook een gasaansluiting. Dat zou betekenen dat in ieder geval 66 woningen van het warmtenet gebruik maken.

Warmteverbruik van de panden na isolerende maatregelen In de tweede stap van de analyse is onderzocht wat het warmteverbruik van de panden is nadat deze zijn geïsoleerd. Hierbij is ervan uitgegaan dat panden geïsoleerd worden tot maximaal energielabel B. Energielabel A is voor een deel van de panden ook haalbaar maar voor de meeste panden worden de kosten van de verduurzaming dan onrealistisch hoog. Daarom wordt landelijk en ook in deze studie voor Dongen het bereiken van energielabel B als maximaal haalbaar gezien. Voor de panden met een hoog warmteverbruik (bijvoorbeeld energielabel F) is energielabel B echter niet realistisch omdat dit of technisch niet kan of te duur is. Voor die panden is het uitgangspunt dat geïsoleerd wordt tot label D. Voorbeelden van panden met een energielabel F zijn een historisch pand of een enkelsteens jaren ’60 woning. Samenvattend: panden met een hoog warmteverbruik zullen voor deze analyse geïsoleerd worden totdat zij voldoen aan het energielabel D. Panden met een gemiddeld of laag warmteverbruik zullen voor deze analyse geïsoleerd worden totdat zij voldoen aan het energielabel B. Met de uitsplitsing van isolerende maatregelen in twee categorieën (energielabel B & D) is dus rekening gehouden met de haalbaarheid van de isolerende maatregelen.

Het resultaat is gepresenteerd op onderstaande kaart. Na het treffen van isolerende maatregelen daalt het warmteverbruik drastisch. Veel panden vallen dan in de klasse < 70 kWh/m2, een relatief laag warmteverbruik. Veel van historische panden en de woningen die in de jaren ’60, ’70 en ’80 zijn gebouwd, vragen na de isolerende maatregelen nog om meer dan 70 kWh/m2 blijven soms zelfs in de hoogste klasse.

Figuur 0-4: gasverbruik kleinverbruikers per verblijfsobject ná isolerende maatregelen

Inventarisatie alternatieven voor aardgas Met het treffen van isolerende maatregelen kan het warmteverbruik flink worden verminderd. De volgende stap om de panden aardgasvrij te maken is het zoeken naar een alternatieve energievoorziening om de panden te verwarmen. De warmte die normaal uit aardgas wordt gehaald, kan uit allerlei alternatieve bronnen worden gewonnen, bijvoorbeeld uit de lucht, de bodem, oppervlaktewater, biomassa en restwarmte uit de industrie. Daarnaast zou ook groen gas (biogas) en in een verdere toekomst mogelijk ook waterstofgas ingezet kunnen worden. In deze analyse is onderzocht welke alternatieven voor aardgas in de gemeente Dongen beschikbaar zijn. Daarbij is gekeken wat er nu al kan en welke technieken de komende tien jaar ingezet kunnen worden. Voor ieder warmtealternatief is bepaald of deze warmte van hoge temperatuur (hoger dan 80 °C), midden temperatuur (50 tot 70 °C) of lage temperatuur (lager dan 50 °C) kan leveren. Goed geïsoleerde woningen hebben bijvoorbeeld genoeg aan warmtevraag op lage temperatuur. Anderzijds hebben slecht geïsoleerde panden een hoge warmtevraag. Hier zijn alleen warmtealternatieven die een hoge temperatuur kunnen leveren toepasbaar.

Daarnaast is voor ieder warmtealternatief bepaald of de warmte via een collectieve voorziening, zoals een warmtenet, naar de panden moet worden gebracht, of dat ieder pand een eigen individuele voorziening kan krijgen. Sommige warmtealternatieven zijn zowel collectief als individueel toepasbaar.

De alternatieve warmtebronnen in Dongen zijn in bijlage 2 op zogenaamde warmtekansen-kaarten gezet. In de warmtekansenkaart zijn de volgende bronnen opgenomen: • Restwarmte • Zonthermie • Aquathermie (TEO) en riothermie (TEA) • Bodemenergie (WKO), zowel voor open als gesloten systemen • Geothermie De alternatieve warmtebronnen zijn in de bijlage samengevat in een Exceltabel met de verwachte potentie en temperatuurniveau. In de onderstaande tabel is een samenvatting gegeven. Tabel 0-1: overzicht beschikbare alternatieve warmtebronnen in Dongen Temperatuurniveau van de warmtebron

Warmtebronnen geschikt voor aansluiting op warmtenet (collectief)

Warmtebronnen zonder aansluiting op warmtenet (individueel)

Hoge temperatuur warmte (HT)

Aardwarmte (geothermie) Groen gas (in de toekomst mogelijk waterstof) Biomassa (houtpellets, reststromen) Restwarmte van bedrijven

Groen gas (in de toekomst mogelijk waterstof) Biomassa (houtpellets, reststromen)

Midden temperatuur warmte (MT)

Zonnewarmte (met opslag)

Oppervlaktewater (aquathermie) Zonnewarmte (met opslag)

Lage temperatuur warmte (LT)

Restwarmte van bedrijven

Zonnewarmte (met opslag)

Zonnewarmte (met opslag)

Luchtwarmte

Bodemwarmte (WKO)

Bodemwarmte (WKO)

Oppervlaktewater (aquathermie)

Oppervlaktewater (voor appartementen, kantoren) Afvalwater (voor blokverwarming, kantoren)

Afvalwater (riothermie) Verklaring: Beschikbaar / technisch kansrijk Beperkt beschikbaar / technisch minder kansrijk Nauwelijks beschikbaar / niet kansrijk

Toelichting op de tabel: • Biomassa en groen gas: onder biomassa worden snoeihout, bermmaaisel en groen afval uit de agrarische sector verstaan. Dit kan worden verstookt in een biomassaketel. Groen gas kan worden gemaakt uit bijvoorbeeld mest en kan direct als alternatief voor aardgas worden gebruikt. Biomassa en groen gas zien we alleen als geschikt alternatief als er lokale reststromen uit bosbeheer of de agrarische sector zijn en deze ook daadwerkelijk voor verwarming gebruikt kunnen worden. In Dongen is nauwelijks bos en de veeteeltsector kan een beperkte hoeveelheid groen gas produceren. De beschikbare agrarische reststromen worden meestal al voor andere doeleinden gebruikt en kunnen niet voor de verwarming van de panden worden ingezet. Als biomassa of groen gas de enige alternatieven zijn om panden van het aardgas te halen, zal dit voor een belangrijk deel van buiten de gemeente moeten worden gehaald. Op lange termijn, vrijwel zeker niet voor 2030, is waterstof mogelijk een geschikt alternatief voor aardgas. Voor de korte termijn vallen waterstoftoepassingen echter nog in de categorie niet kansrijk. • Aardwarmte (geothermie): dit is warmte die op een grote diepte (meerdere kilometers) uit de aarde wordt gewonnen. De potentie van geothermie lijkt vooralsnog weinig kansrijk in Dongen maar wordt momenteel door EBN nader onderzocht.

De kansen voor geothermie in de regio (met name Oosterhout en Made) zijn een stuk groter. Dit zou via een regionaal warmtenet naar Dongen kunnen worden gebracht.

•

•

•

•

•

Restwarmte: dit is warmte die overblijft bij bedrijfsmatige en industriële processen. Er is binnen de gemeente één bedrijf dat restwarmte voor de verwarming van bepaalde buurten kan leveren, namelijk Ardagh. De overige bedrijven hebben of te weinig restwarmte of leveren deze al aan andere bedrijven. Aquathermie: dit is warmte die uit oppervlaktewater wordt gewonnen. Deze warmtebron is kansrijk langs het Wilhelminakanaal. In de bebouwde omgeving is aquathermie economisch haalbaar vanaf ca. 50 woningen of voor een groot kantoor of een bedrijfspand. Ook moet het oppervlaktewater op niet meer dan ca. een kilometer afstand van de panden liggen: bij langer transport wordt de businesscase al snel te onrendabel. Een aquathermieproject is het meest rendabel als de warmte in lage temperatuur (maximaal 40⁰C) aan goed geïsoleerde panden wordt geleverd, zoals de meest recent gebouwde woningen met energielabel A of B. Met extra warmtepompen kan ook midden temperatuur warmte (70 ⁰C) worden verkregen. Dit kunnen centrale warmtepompen zijn die een midden temperatuur warmtenet voeden of een warmtepomp per pand die is aangesloten op een lage temperatuur warmtenet. Afstemming met Rijkswaterstaat is nodig over het temperatuurniveau van het retourwater. Riothermie: dit is warmte die uit met name persrioleringen en bij waterzuiveringen wordt gewonnen.

De hoeveelheid warmte die in Dongen uit deze bronnen kan worden gewonnen, is zeer beperkt. Mogelijk zijn er nog kansen bij de AWZI van Ecco. Zonnewarmte: in zonnecollectoren op het dak of in het veld wordt water door de zon opgewarmd. Dit warme water wordt opgeslagen in een zonneboiler en om ook warm water in de winter te hebben, kan het warme water ondergronds worden opgeslagen in de bodem of in een vat. Zonnewarmte is meestal een aanvulling op andere technieken, bijvoorbeeld bodemwarmte of aquathermie. Vooral de opslag van de warmte in de winter is vaak nog een technisch en financieel struikelblok voor zonnewarmte. Bodem- en luchtwarmte: de warmte wordt uit de bodem of uit de lucht gewonnen en door middel van een elektrische warmtepomp omgezet in warmte voor het pand. Luchtwarmtepompen zijn vooral voor individuele woningen geschikt en bodemwarmte-pompen kunnen voor individuele panden en clusters van panden worden ingezet.

Meest passende warmtealternatief per buurt Voor iedere buurt is onderzocht welk warmtealternatief technisch gezien het beste bij de panden past. Voor deze zogenaamde voorkeursoplossing is gezocht naar een warmtebron die qua temperatuurniveau bij het pand past, dus bij een pand met een lage warmtevraag is naar een warmtebron gezocht die lage temperatuurwarmte levert. Verder is onderzocht waar de warmtevraag voldoende hoog is om een haalbaar en betaalbaar warmtenet aan te leggen. Waar dat kan, is voor de optie met het warmtenet gekozen omdat daarmee de grootste beperking van de uitstoot van broeikasgassen kan worden bereikt. De analyse is gedaan in de situatie zowel voor als na het treffen van isolerende maatregelen. Het resultaat is op de volgende pagina gevisualiseerd. Het meest passende warmtealternatief in de huidige situatie In de huidige situatie is nagenoeg de gehele kern van Dongen en ’s Gravenmoer geschikt voor aansluiting op een warmtenet met hoge temperatuurwarmte (HT-warmtenet) of, voor een beperkt gebied, met midden temperatuurwarmte (MT-warmtenet). Voor een HT-warmtenet is echter HT-warmte nodig. De warmtekansenkaart heeft laten zien dat dit lokaal niet beschikbaar is. Daarvoor is Dongen afhankelijk van de regio (het Amernet). Ook daarbij is de vraag of bij de uitbreiding van het Amernet HT-warmte geleverd gaat worden of MT-warmte.

Waarschijnlijk blijkt in de praktijk dat voor veel panden in de huidige situatie MT-warmte ook volstaat, als de panden extra geïsoleerd

worden tot minimaal energielabel D, al dan niet in combinatie met de installatie van een elektrische warmtebooster voor de meest koude dagen. De relatief recent gebouwde woningen in delen van de buurten Hoge Akker en De Biezen zijn nu al geschikt om op een midden temperatuurwarmtenet aan te sluiten. Deze warmte kan bijvoorbeeld door middel van aquathermie uit het Wilhelminakanaal worden gewonnen of door restwarmte van bedrijven te gebruiken. In de lintbebouwing in het buitengebied en in Klein-Dongen en Dongen-Vaart moet naar individuele oplossingen gezocht worden, in de meeste gevallen met een hoge temperatuur.

Figuur 0-5: meest passende warmteoplossing in huidige situatie

Figuur 0-6: meest passende warmteoplossing na isolatie

Het meest passende warmtealternatief nadat de panden zijn geïsoleerd Na het treffen van isolerende veranderen de HT-clusters in MT-clusters en in DongenWest ligt dan zelfs een lage temperatuur (LT)-cluster. Het meest wenselijke scenario is dat de panden eerst geïsoleerd worden voordat ze op een warmtenet aangesloten worden, bij voorkeur tot in ieder geval energielabel B. Dan wordt een warmtenet met aquathermie of restwarmte van bedrijven kansrijker. Er zijn ook tussenoplossingen denkbaar waarbij de panden eerst op een MT/HT-warmtenet worden aangesloten, vervolgens worden geïsoleerd waarna het temperatuurniveau van het warmtenet wordt verlaagd. De meest kansrijke startbuurten voor een warmtenet, zijn de buurten met de best geïsoleerde panden. Een andere factor is de afstand tot het Wilhelminakanaal in geval aquathermie als kansrijke warmteoplossing wordt gekozen. Voor het buitengebied en de kernen Dongen-Vaart en Klein-Dongen blijven individuele oplossingen het meest geschikt, wat al snel neerkomt op een all-electric oplossing met een warmtepomp (lucht of bodem).

Conclusies en aanbevelingen technische analyse Uit de technische analyse kunnen enkele conclusies getrokken worden die van belang zijn voor vervolgkeuzes. Deze conclusies en enkele aanvullende aanbevelingen zijn: • Op dit moment verbruiken de panden in de gemeente Dongen relatief veel warmte. Dit wordt nu geleverd door aardgas. Als de panden in de huidige staat van het aardgas zouden moeten, zou voor de meeste panden in de kernen Dongen en ‘s Gravenmoer de aansluiting op een collectief warmtenet technisch gezien de beste oplossing zijn. Dit zou dan een warmtenet moeten zijn dat warmte van hoge temperatuur moet kunnen leveren. Probleem daarbij is dat er in Dongen geen geschikte warmtebronnen zijn die deze hoge temperatuurwarmte kunnen leveren. Het aansluiten van de panden op een warmtenet is in de huidige situatie dus niet haalbaar. Uitzondering zijn de relatief recent gebouwde woningen in delen van de buurten Hoge Akker en De Biezen. Deze panden zijn al voldoende geïsoleerd en kunnen op een midden temperatuurwarmtenet worden aangesloten. Deze warmte kan bijvoorbeeld door middel van aquathermie uit het Wilhelminakanaal worden gewonnen of door restwarmte van de industrie te gebruiken. • De panden die in de huidige staat niet van het aardgas af kunnen, moeten eerst worden geïsoleerd.

Na isolatie vragen de panden om minder warmte en zijn er wel warmtebronnen die in plaats van aardgas gebruikt kunnen worden. Voor de meeste panden in de kernen Dongen en ‘s Gravenmoer is het technisch gezien wederom het beste om deze na isolatie op een warmtenet aan te sluiten op midden temperatuur. Daarvoor zijn diverse warmtebronnen geschikt, zoals het oppervlaktewater van het Wilhelminakanaal of restwarmte va de industrie. Zonthermie kan daarbij ondersteunen. • Voor de panden in het buitengebied is de aanleg van een warmtenet in elk geval niet rendabel en voor de meeste van deze panden is na isolatie een eigen elektrische lucht- of bodemwarmtepomp het meest geschikt. Een deel van de panden vraagt na isolatie om midden of hoge temperatuurwarmte en hiervoor kan zonnewarmte, biomassa of groen gas worden gebruikt.

Financiële analyse Drie kostenvarianten Per buurt is bepaald welke warmteoplossing de laagst maatschappelijke kosten met zich meebrengt. De warmteoplossingen zijn afgeleid uit de strategieën in de Startanalyse van PBL. Deze strategieën, S1 t/m S5, zijn in de afbeelding hiernaast weergeven met een omschrijving van de strategie, de strategiecode, schillabel en omschrijving van wat de strategie inhoudt. Een nadere beschrijving van de strategieën, inclusief een schematische conceptuele uitwerking met beschrijving is te vinden in bijlage 1c. Voor de berekening van de kosten voor de inzet van een strategie hanteren we de uitgangspunten van VestaMais. Op basis van de warmtekansenkaart in bijlage 2 is bepaald welke strategieën per buurt (S1 t/m S3) haalbaar zijn. Alleen voor de technisch haalbare varianten zijn de kosten gepresenteerd. De strategieën S4 (groen gas) en S5 (waterstof) zijn niet meegenomen omdat de verwachting is dat deze niet voor 2030 zullen worden ingezet. Tabel 0-2: Varianten PBL

Strategie- Omschrijving strategie code S1 Individuele elektrische warmtepomp S2 Warmtenet met midden- tot hogetemperatuurbron

S3

Warmtenet met

Variantcode S1a S1b S2a S2b S2c S2d S2e S2f S3a

Schil- Omschrijving variant label B+ Luchtwarmtepomp B+ Bodemwarmtepomp B+ MT-restwarmte B+ MT-geothermie B+ MT-geothermie overal D+ MT-restwarmte D+ MT-geothermie D+ MT-geothermie overal B+ LT-warmtebron, levering 30o C

laagtemperatuurbron

S3b

B+

LT-warmtebron, levering 70o C

S3c

B+

WKO, levering 70o C hele buurt

S3d

B+

WKO, levering 50o C

S3e

B+

TEO + WKO, levering 70o C

S3f

D+

LT-warmtebron, levering 70o C

S3g

D+

WKO, levering 70o C hele buurt

S3h

D+

TEO + WKO, levering 70o C

S4a S4b S4c S4d S5a S5b S5c S5d

B+ B+ D+ D+ B+ B+ D+ D+

Hybride warmtepomp HR-ketel Hybride warmtepomp HR-ketel Hybride warmtepomp HR-ketel Hybride warmtepomp HR-ketel

S4

Groengas

S5

Waterstof

De kosten zijn berekend voor de onderstaande drie varianten. Per variant is berekend wat de extra kosten voor het duurzaam verwarmen van de panden zijn ten opzichte van de kosten voor de huidige verwarming met gas (o.b.v. het prijspeil in 2030). Deze extra

kosten betreffen de totale financiële kosten van alle maatregelen die nodig zijn om een buurt van duurzame warmte te voorzien, inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Daarbij is niet gekeken naar wie die kosten betaalt. Dit worden de totale maatschappelijke meerkosten genoemd. Een deel van deze kosten komt ten laste van de bewoner of de eigenaar van een bedrijfspand en een ander deel dragen bijvoorbeeld netbeheerders en overheden. In de kostenkentallen zijn afschrijvingstermijnen voor bijvoorbeeld isolatiemaatregelen en netwerken verwerkt. In feite wordt ervan uitgegaan dat er ieder jaar een vast bedrag voor de nieuwe warmtevoorziening wordt betaald, bijvoorbeeld in de vorm van een extra hypotheek of een aflossing van een lening uit een warmtefonds.

Wat zeggen deze kostenberekeningen? De berekeningen zijn uitgevoerd om de buurten en verschillende varianten financieel met elkaar te vergelijken, als één van de indicatoren voor de uiteindelijke keuze van het meest geschikte warmtealternatief. Belangrijke kanttekening is dat opgevoerde bedragen niet te absoluut moeten worden genomen. De werkelijke kosten kunnen in de praktijk behoorlijk afwijken door lokale omstandigheden, zeker als op woningniveau wordt gekeken. Denk aan hogere aanlegkosten van warmtenetwerken als gevolg van beperkte ruimte in het openbare gebied of andere isolatiekosten als gevolg van afwijkende woningkarakteristieken. De drie varianten zijn: • Collectief warmtenet zonder of met beperkte extra isolatie: deze variant gaat uit van de huidige staat van de panden. Alleen de slechtst geïsoleerde panden worden geïsoleerd tot maximaal energielabel D. In dat geval is het technisch mogelijk om een groot deel van de panden in Dongen en ’s Gravenmoer aan te sluiten op een midden temperatuur warmtenet. Dit komt overeen met de VestaMais-strategieen S2d t/m S2f en S3f t/m S3h • Collectief warmtenet na isolatie: deze variant is vergelijkbaar met de eerste variant, alleen nu worden de panden eerst geïsoleerd tot energielabel B en daarna aangesloten op een warmtenet. Dit komt overeen met de VestaMais-strategieen S2a t/m S2c en S3a t/m S3e.

• Individuele warmtepomp na isolatie: deze variant is toepasbaar voor alle buurten De panden worden eerst geïsoleerd tot minimaal energielabel B. Daarna worden de panden voorzien van een eigen pandgebonden warmtevoorziening in de vorm van een luchtwarmtepomp of bodemwarmtepomp. Dit komt overeen met de VestaMaisstrategieen S1a en S1b.

Resultaten kostenberekeningen Per variant is een tabel opgenomen waarin de clusters (genummerd 1,2,3…) horizontaal zijn weergeven. Rechts van de clusternummering is de warmtestrategie weergeven met daaronder per strategie de gemiddelde maatschappelijke meerkosten per pand per jaar. In de tabel is voor sommige varianten een ‘x’ geplaatst. Dit betekent dat de strategie voor dat betreffende cluster niet kan worden toegepast omdat de warmtebron die de betreffende warmte zou moeten leveren, niet toereikend is vanwege de afstand of de potentie om een heel cluster te voorzien in de warmtevraag. Collectief warmtenet zonder of met beperkte extra isolatie Voor deze variant zijn de volgende VestaMais strategieën in theorie bruikbaar: • S2d MT-restwarmte • S2e MT-geothermie • S2f MT-geothermie overal • S3f LT-warmtebron levering 70 graden • S3g WKO, levering 70 graden hele buurt • S3h Aquathermie + WKO levering 70 graden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10791116/1