CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Parapluherziening Archeologie - 2020.pdf

gemeenteraad 27 mei 2021, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.1: Parapluherziening Archeologie - 202028.141 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

29

Pothoven, 2013; Van Midden, 2015.

30

Van de Graaf, 2006.

28

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Figuur 9. De Koch-bunker voor het Achterhoeks Museum 1940-1945 te Hengelo.

2.3.5 Gebiedsdeskundigen Het vervaardigen van een gemeentelijke verwachtingskaart van sporen van oorlog en defensie is niet mogelijk zonder de betrokkenheid van (lokale) deskundigen. De drie lokale historische verenigingen zijn na introductie door de gemeente benaderd: • Historische Vereniging Deutekom, http://www.deutekomhistorie.nl/ • Oudheidkundige Vereniging Gander, http://www.okvgander.nl/ • Oudheidkundige Vereniging Wehl, http://www.oudheidkundigeverenigingwehl.nl/ Informatie is ontvangen van Marcel Arentsen, archivaris OKV Gander en van Winfried Alofs, voorzitter OVW. Verder zijn gegeven ontvangen van Karel Berkhuysen (Doetinchem). Er is contact gezocht met twee lokale musea, te weten het Stadsmuseum Doetinchem en Achterhoeks Museum 1940-1945 (http://www.achterhoeksmuseum1940-1945.nl/). Beide musea gaven desgevraagd aan in de collectie geen bodemvondsten uit de oorlogsjaren te hebben die afkomstig zijn uit Doetinchem. Voor vragen over de Duitse verdedigingswerken rond Doetinchem is informatie ontvangen van Leo van Midden en Rob Verhoef van de Stichting Menno van Coehoorn (http://www.coehoorn.nl/).

Voor informatie over de ligging van vliegtuigcrashlocaties is contact gezocht met de Stafofficier Vliegtuigberging van de Koninklijke Luchtmacht en met een particuliere vereniging die zich bezig houdt met de luchtoorlog boven de Achterhoek, te weten de Stichting Achterhoekse Vlieg-

29

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

tuigwrak Opgravers Groep (AVOG, http://www.crashmuseum.nl/). De Stichting AVOG laat echter weten: ‘Wij werken niet meer samen met Nederlandse overheidsinstanties, noch met functionarissen/instanties die namens Nederlandse overheidsinstanties optreden of in het verlengde daarvan handelen. 31 Voor gegevens over vliegtuigcrashes in de gemeente Doetinchem is gebruik gemaakt van de website van de Aircraft Research Group Achterhoek (ARGA): http://www.arga-nl.nl/. Informatie over de organisatie van de Duitse luchtverdediging in en om Doetinchem is ontvangen van Marcel Hogenhuis (Venlo). Voor informatie over de ligging van voormalige veldgraven en/of noodbegraafplaatsen is contact gezocht met de Bergings- en Identificatie Dienst (BIDKL) van de Koninklijke Landmacht. Uit ervaring blijkt dat het ruimen van veldgraven na de oorlog niet altijd even zorgvuldig te werk is gegaan, waardoor resten van kledingstukken, uitrustingstukken en zelfs menselijke resten op de locatie van het veldgraf kunnen zijn achtergebleven. De BIDKL beschikt over enkele gegevens voor de gemeente Doetinchem.

2.3.6 Visuele inspectie Als onderdeel van de inventarisatie is op 6 oktober 2015 een visuele inspectie uitgevoerd, waarbij een aantal locaties in de gemeente is gekeken naar aanwezigheid van aan het maaiveld zichtbare oorlogssporen. Bezocht zijn enkele locaties waar hetzij op basis van de luchtfotoanalyse hetzij op basis van de AHN-analyse mogelijke oorlogssporen zijn gezien waarvan de aard niet duidelijk was (tabel 4). Een dergelijke veldcontrole blijkt zeer zinvol. Bij op de hoogtekaart waargenomen sporen is vaak niet duidelijk wat de aard en ouderdom is van deze sporen. Zo werden op de hoogtekaart in de omgeving van Gaanderen diverse kuilen waargenomen in bebost terrein dichtbij bebouwing en/ of sportvelden. Het veldbezoek moest uitsluiten dat het hier om recent- door kinderen – gegraven kuilen zou gaan. Bij een reeks kuilen langs de spoorlijn ter hoogte van sportcomplex De Pol, bleek het in één geval te gaan om een recente kuil, bij de tweede om een boomval (kuil ontstaan door omvallen van een boom) en bij de derde om een oudere kuil waarvan niet kan worden uitgesloten dat het een spoor uit de oorlog is. Het is in het kader van het opstellen van een gemeentelijke kaart echter ondoenlijk om alle afzonderlijke op een hoogtekaart waargenomen kuilen in het veld te controleren.

Diverse locaties komen dan ook in aanmerking om alsnog door middel van een visuele inspectie te worden bekeken. De waargenomen sporen komen aan de orde in hoofdstuk 3. Bij de visuele inspectie zijn geen vondsten aangetroffen of waargenomen.

31

Persoonlijke mededeling dhr. P. Monasso (secretaris Stichting AVOG), per mail d.d. 24 september 2015.

30

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Plaats

Locatie

Aanleiding

Resultaat

Doetinchem

Beboste rug aan 2e Loolaan, ter hoogte van Vennenlaan

deel van loopgraafstelsel dat door begroeiing niet zichtbaar is op luchtfoto

geen sporen waargenomen

Doetinchem

Kelderlaan

loopgraaf zichtbaar op luchtfoto

spoor van loopgraaf langs noordzijde van laan naar havezathe De Kelder

Doetinchem

Lijsterbeslaan

locatie voormalige Koude Oorlog-bunker tpv voormalig Hotel Vijverberg, waarvan noodluik zichtbaar zou zijn

noodluik niet gevonden

Doetinchem

De Koekendaal

sporen op luchtfoto’s die als kuilen op AHN zichtbaar zijn

sporen van schuttersputten

Gaanderen

Bloemenweg

kuilen op AHN

sporen van stelling (?) met schuttersputten/munitienissen

Gaanderen

bosperceel langs spoorlijn ter hoogte van sportcomplex De Pol

kuilen op AHN

kuilen zijn deels recent, enkele mogelijk WOII-spoor

Gaanderen

bosperceel langs Ooijmanlaan nabij spoorlijn

sporen op luchtfoto’s (cat. 281-294)

geen sporen waarge-nomen

Gaanderen

bosperceel tussen Wrangelaan en spoorlijn

Kuilen/loopgraaf op AHN

sporen van loopgraaf/stelling

Tabel 4. Bij visuele inspectie bezochte locaties. tabelnaam

type

Landschappelijke eenheden, verwachtingszones, beleidszones DOCH_vw_0414

vlak, verwachtingszone

Archeologische vindplaatsen, AMK-terreinen en hist.nederzettingslocaties DOCH_vp_200214

puntobject, vindplaats

DOCH_vp_buf50

vlak, attentiezone

DOCH_cf_Wehl_West_Houtvester

vlak, Celtic field

DOCH_histned_punt

puntobject

DOCH_histned_vlak

vlak

DOCH_histkern_vlak

vlak

DOCH_histbuf100

vlak, attentiezone

DOCH_amk_0913

vlak

Archeologische onderzoeksgebieden DOCH_onderzoeksgebieden0114

vlak

Bodemverstoringsgegevens DOCH_bodemverstoringenBIS

vlak

DOCH_ontgrondingen_PrvGelderland

vlak

DOCH_AHN_vergraven

vlak

DOCH_AHN2_rabatten

vlak

Tabel 5. GIS-tabellen behorende bij de kaartbijlagen 1 t/m 4.

31

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

2.4 Structuur digitale kaartbestanden (GIS) Een belangrijk eindproduct zijn de aan een geografisch informatiesysteem (GIS) gekoppelde kaartbeelden. Het betreft digitale, database-tabellen waarin per punt-, lijn- of vlakelement verschillende soorten van informatie zijn opgeslagen. De GIS-tabellen zijn aangeleverd als losse bijlage (aangeleverd op cd-rom) en bevatten de exacte gegevens over de geografische ligging en aard van (mogelijk) waardevolle archeologische terreinen en objecten. Alle bestanden (zie tabel 5) zijn voorzien van een heldere, logische en begrijpelijke naam, die verwijst naar de inhoud en de productiedatum. De standaardprojectie is het Rijksdriehoekstelsel (non-earth meters). In de hiernavolgende paragraaf 2.4 wordt per thema de tabelstructuur en tabelinhoud van de GIStabellen beschreven. In vet vermelde attribuutnamen zijn de betreffende velden waarop de kaart­ lagen zijn gethematiseerd voor de productie van de analoge kaarten. Cursief en onderstreept (ID10) zijn de attributen op basis waarvan de kaartlabels zijn aangemaakt.

2.5 Methoden 2.5.1 Landschappelijke eenheden en verwachtingszones Detailbodemkarteringen Voor de nieuwe kartering zijn de begrenzingen en kaartclassificaties van de bestaande verwachtingskaart integraal overgenomen. Om de tijdens de veldbodemkundige studies gehanteerde classificatiemethoden en legenda-eenheden inhoudelijk te koppelen 32 en archeologisch-landschappelijk te kunnen interpreteren, is een nieuw concept-karteringsmodel opgesteld. In dit concept-karteringsmodel is op verzoek van de regioarcheoloog direct ook een conversie doorgevoerd ten behoeve van een regionaal karteringsmodel voor de erfgoedkaarten. Dit model is besproken met de regioarcheoloog en voorziet in de ‘vertaling’ van de verschillende verouderde classificatiemethoden naar de classificaties zoals die heden ten dage wordt gebruikt voor de landelijke kaartseries (de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.00 [NEBO50] en de Geomorfologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000 [GKN50]). Het regionale karteringsmodel betreft een hiërarchisch systeem van landschapsbeschrijving volgens het model ‘genesegroep-terreinsoort-terreinvorm-profieltype-bodemtype’ (figuur 10). Er is in overleg met de regioarcheoloog besloten om in het aangeleverde GIS-bestand [DOCH_vw_0414] zowel de originele bodemkundige karteringseenheden (inclusief de omschrijving) op te nemen, als de conversie-eenheden (zie tabel 6).

Het primaire doel van de erfgoedkaarten is het begrenzen van archeologische verwachtingszones. De nieuwe kaarteenheden (tabel 6: Terreinvorm10, Terreinvorm25) hebben dan ook voornamelijk een archeolandschappelijke betekenis. Achterliggende informatie is echter behouden en kan naar wens worden gebruikt voor andersoortige kaarten (figuur 2). Zie verder tabel 6 voor het datamodel en de verzamelde gegevens.

32

Het heeft tot 1966 geduurd eer de Stichting voor Bodemkartering een standaard classificatiemethode publiceerde. Veldbodemkundige studies van daarvoor kennen veelal onderling afwijkende classificaties.

32

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Genesegroepen

Bodemtypen

Opbouw kaartcodes

E

P

E

genesegroep: terreinvorm door windtransport

F

Ed

terreinsoort: dekzandreliëf

Edr

terreinvorm: rug (reliëf 1,5 - 5 m)

Edr1

profieltype 1 (zie tabel in § 4.4.2)

Edr1h

bodemtype: hydropodzol

G S A2 A5

Terreinvorm

Terreinsoort

a

antropomorf (plaggendekken e.d.)

d

niet-dalvormige laagten

t

vlakten (0-0.5m, hellingen 0-2%)

w

welvingen (0.5-1.5m)

s

ruggen/koppen (1.5-5m)

h

glooiingen (2-5%)

k

hellingen (5-10%)

e

l v w r g h t

FP

Ah

terreinvorm ontstaan door windtransport fluviatiele terreinvormen (Holoceen) fluviatiele terreinvormen (Pleistoceen) terreinvorm ontstaan door gletsjerwerking terreinvormen op stuwwallen kanalen, grachten en meren groeven historische dorps- en stadskern

p y x h g e s k

dekzandreliëf

d

fluviatiele terrasrest

n

afspoelingswaaier

K

plaggendek > 50 cm dik dun plaggendek (30-50cm) moderpodzolen xeropodzolen hydropodzolen (zand)vaaggronden natuurlijke eerdgronden stuifzandbodems komkleien hoge kleibodems lage kleibodems pleistocene kleibodems

ijssmeltwatervormen erosiehellingen rivierkommen erosiedalen

terrassen

Figuur 10. Opbouw van de kaartcodes van kaartbijlage 2. De ingekaderde code Edr1h linksboven is bedoeld als voorbeeld van een willekeurige codeopbouw.

Door het gecombineerd gebruiken van oorspronkelijke gegevens uit de detailbodemkarteringen, morfometrische begrenzingen op basis van het AHN en de doorgevoerde conversie, zijn binnen het landschap van de gemeente Doetinchem op deze wijze 465 unieke kaarteenheden (tabel 6: ID10) onderscheiden verdeeld over vijf geomorfologische hoofdeenheden (figuur 2). Door toepassing van het conversiemodel (figuur 10) zijn daaruit 79 (tabel 6: COD10) kaarteenheden ontstaan die gebruikt worden voor de archeologische verwachtingszones (kaartbijlage 2). Voor de productie van kaartbijlage 1 (schaal 1:25.000) zijn deze verder gegeneraliseerd naar 22 fysisch-geografische eenheden (tabel 6: ID25).

Datastructuur RAAP hanteert voor zijn vlakdekkende landschapskarteringen een eigen karteringsmodel dat zowel geomorfologische als bodemkundige eigenschappen combineert met archeologische verwachtingen in een zogenaamde profieltypenkaart (zie daartoe figuur 10). De profieltypen doen een uitspraak over de verwachte diepteligging van het archeologisch niveau en de mate van conservering (tabel 5). Daarnaast is in de GIS-tabellen andersoortige informatie geregistreerd zoals de bodem- en geomorfologische typeringen die gebruikt worden voor landelijke kaartseries en voor de diverse bodemkarteringen. Zie verder tabel 6 voor het datamodel en de verzamelde gegevens. Met behulp van dit vlakkenbestand zijn meerdere thematische kaarten (aardkundige eenheden, v­e rwachtingen, bodemeenheden, hoofdlandschappen) te genereren op verschillende kaartschalen.

2.5.2 Vindplaatsgegevens Voor elke geïnventariseerde archeologische vindplaats is een catalogusnummer uitgedeeld. Dit betekent dat één vindplaats meerdere perioden en/of vindplaatstypen kan omvatten en meerdere ARCHIS-waarnemingsnummers. Deze staan in bijlage 1 onder hetzelfde catalogusnummer,

33

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

profieltype

verwachte dichtheid archeologische resten en mate van conservering

11

zeer hoog

1

hoog + conserverend dek > 50 cm

2

hoog + conserverend dek 30-50 cm

3

hoog, zonder conserverend dek

4

middelmatig + conserverend dek > 50 cm

5

middelmatig + conserverend dek 30-50 cm

6

middelmatig, zonder conserverend dek

7

laag + conserverend dek > 50 cm

8

laag + conserverend dek 30-50 cm

9

laag, zonder conserverend dek

12 en 16

laag, specifieke verwachtingswaarde voor natte landschappen

Tabel 6. Profieltypen voor de archeologische verwachtingswaarden (verwachting en dikte van een eventuele conserverende laag naar klassen: 0-30; 30-50; > 50 cm). attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

ID

uniek numeriek identificatienummer, koppel-ID

ID10

numeriek identificatienummer voor de 1:10.000 polygonen

COD10

samengestelde kaartcode voor 1:10.000 polygonen; zie kaartbijlage 2 t/m 5

Terreinvorm10

typering van de terreinvorm, zoals ‘dalvormige laagte in terrasvlakte’

Bijzonderheid10

bijzonderheden, zoals ‘met kleidek’ of ‘met ijzerrijke onderlaag’

BOD10

originele legendacode van de gebruikte detailbodemkartering

BOD10Type

originele legendaomschrijving van de gebruikte detailbodemkartering

BOD10Conversie

oppervlakte van polygoon in vierkante meter

Bron_polygoon

bron waaruit de polygoon overgenomen is

ID25

numeriek identificatienummer voor de 1:25.000 polygonen (kaartbijlage 1)

COD25

lettercode voor 1:25.000 polygonen. Zie legenda bij kaartbijlage 2 t/m 5

Terreinvorm25

algemene typering van de aard van de terreinvorm (kaartbijlage 1)

Landschap

fysisch-geografisch hoofdlandschap (figuur 2)

Profieltype

verwachtingsprofiel volgens tabel 6 (kaartbijlage 2 t/m 5)

VW_omschrijf

tekstveld, verwachte dichtheid en kwetsbaarheid

GKN50

code volgens de Geomorfologische Kaart van Nederland, 1:50.000

NEBO50

dominant bodemtype (Schelling, 1949; Schelling & Bakker, 1966)

BELEIDSZONE

code volgens de archeologische beleidskaart (kaartbijlage 6)

Oppervlakte

oppervlakte van polygoon in vierkante meter

Tabel 7. Tabelstructuur van het fysisch-geografisch basisbestand DOCH_vw_0414.

34

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

maar in een andere regel (‘rank’) opgenomen. Door clustering van de verzamelde archeologische gegevens zijn binnen het gemeentegebied 33 uiteindelijk 172 vindplaatsen gedefinieerd binnen de gemeente Doetinchem en zes daarbuiten: plaatsen (dimensieloze puntlocaties) waar archeologische vondsten zijn geregistreerd (bijlage 1). 34 Deze vindplaatsen zijn op kaartbijlage 2 opgenomen en van elkaar onderscheiden op begin- en einddatering (archeologische periode) en type complexgroep (zie tabel 8). attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

ID

numeriek identificatienummer

RAAPCatNr

catalogusnummer zoals vermeld op kaartbijlage 2 t/m 6

Rank

opeenvolging van waarnemingen behorende onder hetzelfde catalogusnummer

ArchisWaarnemingsNummer

uniek registratienummer ‘waarnemingen’ in ARCHIS

ARCHISVondstmeldingNummer

uniek registratienummer voor ‘vondstmeldingen’ in ARCHIS

ARCHISVondstnummer

uniek registratienummer voor ‘vondsten’ in ARCHIS

CISCode

uniek registratienummer ‘onderzoeksmelding’ in ARCHIS

OverigeCodes

referentie naar amateurcollecties/catalogusnummers: voor Doetinchem zijn deze niet aanwezig.

Verwerving

wijze waarop waarnemingen zijn gedaan, zoals ‘metaaldetectie’

Toponiem

toponiem indien vermeld of bekend

Plaats

plaatsnaam

Gemeente

gemeente is Doetinchem

ComplexGroep

algemene typering van de functie van de archeologische resten

ComplexType

archeologische typering van de functie van de archeologische resten volgens het archeologisch basisregister (ABR)

Vondstbeschrijving

beschrijving van de aangetroffen archeologische resten

Toelichting

toelichting bij de waarneming

BeginDatering

geeft aan wanneer (archeologische periode) de vindplaats (vermoedelijk) tot stand kwam.

EindDatering

geeft aan wanneer (archeologische periode) de vindplaats (vermoedelijk) is verdwenen, afgebroken of wanneer de functie verviel

DatumMelding

datum van de aanmelding van waarnemingen, indien bekend

RDXm

centrumcoördinaat in meters volgens de Rijksdriehoekmeting (RD)

RDYm

centrumcoördinaat in meters volgens de Rijksdriehoekmeting (RD)

Bron

bron waaruit de informatie afkomstig is

Tabel 8. Tabelstructuur van het bestand MOWV_vp180714.

In tegenstelling tot de archeologische waarnemingslocaties, zijn de uit historische bronnen overgenomen nederzettingslocaties (zie hieronder) niet opgenomen in de vindplaatscatalogus (bijlage 1). De reden is dat de aanvullende informatie veelal te beperkt is in relatie tot de enorme hoeveelheid locaties (ruim 1.000) voor opname in deze catalogus. Voor meer informatie over dit type vindplaats dient dan ook, naast de kaart, het GIS-bestand te worden geraadpleegd (of bijlage 1).

33

Inclusief een bufferzone van 200 m rondom de buitengrens.

34

De catalogusnummers zijn overgenomen uit RAAP-rapporten 645 en 1130 en verder doorgenummerd.

35

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Zie tabel 8 voor alle geïnventariseerde archeologische gegevens. Een inhoudelijke controle van het vindplaatsenbestand heeft plaatsgevonden door leden van de Oudheidkundige Vereniging Wehl, de Historische Vereniging Deutekom en de Oudheidkundige Vereniging Gander. Voor de kaartlagen die betrekking hebben op ‘vindplaatsen’ zijn naast beschrijvende velden ook de relevante administratieve gegevens opgenomen. De GIS-tabel DOCH_cf_Wehl_West_Houtvester bestaat uit slechts een vlakkenlaag en bevat geen gegevens.

2.5.3 Historische nederzettingslocaties Puntlocaties De voornaamste bron voor de kartering was het kadastraal minuutplan uit de eerste helft van de 19e eeuw. Alle bewoningslocaties die hierop staan weergegeven, zijn overgenomen op de kaart en in de bijbehorende GIS-database. Daarbij is in principe voor elk afgebeeld gebouw een afzonderlijke punt geplaatst, tenzij het gaat om zeer kleine bijgebouwen die vrijwel tegen het hoofdgebouw stonden geplaatst. De gebouwen zijn in meerdere typen ingedeeld, zoals ‘boerderij of woonhuis’, ‘schuur en/ of schaapskooi’, ‘kerk’, ‘pastorie’ en ‘school’. Verreweg het merendeel van de gebouwen betreft boerderijen, soms geflankeerd door één of meerdere bijgebouwen. Ook grenspalen zijn op de kaart opgenomen. Deze palen hebben een buffer van 10 m gekregen omdat hun locatie niet altijd tot op de meter bekend was. Uiteindelijk zijn 1.023 puntlocaties gekarteerd onder de noemer ‘historische nederzetting’.

Vlakinformatie Naast puntlocaties is vlakinformatie met een bepaalde archeologische relevantie in beeld gebracht. Het gaat hierbij om kerkhoven (rond kerken), begraafplaatsen (buiten de kommen, veelal aangelegd omstreeks 1829), grachten en omgrachte terreinen, (molen)kolken, vijvers bij boerderijen en buitenplaatsen, stedelijke kernen en daarbinnen gelegen bouwblokken. Wanneer er sprake was van (daadwerkelijke) stedelijke kernen, zijn uitsluitend bouwblokken gekarteerd. Het is belangrijk om in het vizier te houden dat de bouwblokken uit 1832 één fase in de tijd weergeven. Zo lijkt het zuidelijke deel van de stad, langs de zuidzijde van de Gasthuisstraat, in de 16e eeuw veel dichter bebouwd te zijn geweest dan in de 19e eeuw. Doetinchem kende aan de Oude IJssel een havenkom, die ook op de kaart is weergegeven. De stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit het midden van de 16e eeuw geeft de haven al weer. Ook kerkhoven en begraafplaatsen van vóór 1832 zijn op kaart geplaatst. Het betreft het middeleeuwse kerkhof van Wehl, de Joodse begraafplaats even buiten Doetinchem en de Ambts- en Stadsbegraafplaats, beide op korte afstand van de stadskern van Doetinchem. Van het middeleeuwse kerkhof rond de Catharinakerk in Doetinchem zijn de historische contouren niet exact bekend; vandaar dat dit kerkhof binnen het stedelijk weefsel niet nader is begrensd.

Bij omgrachte dorpen zijn zowel de bouwblokken als de afzonderlijke huizen gekarteerd als puntlocaties. In dorpskernen die geen stedelijke kenmerken als omwalling of omgrachting hadden, zijn de huizen in alle gevallen als puntlocaties gekarteerd. Uitsluitend de kerk met het omliggende kerkhof is in als vlak gekarteerd wanneer er sprake was van een dorpskern. Op basis van de stadsplat-

36

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

tegrond van Jacob van Deventer, uit omstreeks 1560, zijn zones en structuren gekarteerd in het gebied buiten de stedelijke kernen die in 1560 wel, maar in 1832 niet meer aanwezig waren. Het gaat bijvoorbeeld om een aantal woningen ten oosten van de stad en het omgrachte klooster Sion ten noorden ervan. Verder wordt van de kernen Doetinchem, Gaanderen, Wehl en Ter Gun het nederzettingsareaal weergegeven, d.w.z. de omtrek van het dorp met de direct omringende moestuinen etc. waar archeologische resten in relatie tot het dorp of de stad verwacht kunnen worden. Er is geen historische kaart bekend waarop de gracht van Wehl met precisie staat ingetekend. Op bijvoorbeeld de kaart van het Kleefs Kadaster uit 1734 is nog ¾ van de grachtcontour in de verkaveling weerspiegeld, 35 iets wat in mindere mate op het kadastraal minuutplan van een krappe eeuw later nog het geval is. Of de gracht werkelijk zo breed is geweest zoals ingetekend, is onzeker. De buitenzijde van de gracht is de contour die op basis van historisch kaartmateriaal gereconstrueerd kon worden; de binnenzijde is geïnterpreteerd. In vervolg op bovenstaande inventarisaties is een aantal thema’s verdiept. Voor de kastelen is het Gelders Kastelenboek geraadpleegd 36 en voor verdwenen water- en windmolens de Molendatabase en het basiswerk van Hagens.

37 Daaromtrent is ook de stadsplattegrond van Jacob van Deventer opnieuw bekeken. Voor de achtergrond van de begraafplaatsen in Stad en Ambt Doetinchem kon gebruik worden gemaakt van betrouwbare bronnen op internet. 38 Ten aanzien van de kern van Wehl is, ter aanvulling op het onderzoek voor de vorige archeologische waarden- en verwachtingskaart, 39 nog enige kaartstudie verricht om nog exacter het tracé van de gracht rond Wehl te bepalen. Hiervoor kon gebruik worden gemaakt van de digitale kaartcollectie van het Gelders Archief. 40 Op basis van deze bronnen kon nog een aantal gebouw- en erfcategorieën worden toegevoegd: • kasteel, voor 1832 verdwenen; • voorburcht, voor 1832 verdwenen; • klooster, voor 1832 verdwenen; • watermolen, voor 1832 verdwenen.

Attentiezones voor archeologische resten rondom historische nederzettingslocaties Boerderijgebouwen waren in het verleden door hun wijze van funderen meer aan slijtage onderhevig dan tegenwoordig, omdat ze tot ver in de Volle Middeleeuwen met hun houten palen in het zand stonden. Bovendien was de plek niet statisch; boerderijen werden vaak binnen het eigen bezit over een bepaalde afstand verplaatst. Tot omstreeks 1200 kon die verplaatsing (in meerdere fasen) tot wel 200 m bedragen; later, door verbeterde funderingstechnieken en een meer aan regels gebonden

35

Gelders Archief, archiefblok 0571, inventarisnr. 3367_11, d.d. 1734. Het kwart noordelijk van de kerk lijkt al vóór 1734 herverkaveld te zijn, waarbij het tracé van de gracht is verdwenen.

36

Jas e.a., 2013.

37

Molendatabase.org; Hagens, 1978.

38

http://www.stadsenambtsbegraafplaats.nl/.

39

Van Oosterhout, 2010.

40

www.geldersarchief.nl. Zie ook Van Petersen, 1974.

37

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

ruimte, hoogstens enkele tientallen meters. Omdat er geen nadere studie naar de ouderdom van de boerderijen heeft plaatsgevonden, wordt een standaard attentiezone van 100 m gehanteerd. Indien er uit toekomstig onderzoek meer informatie beschikbaar komt, kunnen attentiezones zo nodig worden aangepast, wat voor vermoedelijk de meeste locaties een verkleining van de attentiezone betekent. Daarbij kan zelfs worden gedacht aan het afsnijden van de attentiezones in landschappelijke zones waar geen voorgangers verwacht worden, zoals nattere delen van het landschap. 41

Nauwkeurigheid De onnauwkeurigheid van de ingetekende locaties als gevolg van beperkingen in het georefereren van de historische kaarten is beperkt en bedraagt ten hoogste circa 10 m. Niet alles wat op de kadastrale minuutplans zichtbaar was aan archeologisch relevante zaken is (omwille van de beschikbare tijd) mee gekarteerd. Het betreft dan vooral objecten die geen directe nederzettingscomponent bevatten, zoals de ligging van bruggen en sluizen.

Datastructuur Alle verzamelde data is verwerkt in GIS-bestanden die hoofdzakelijk bestaan uit (dimensieloze) puntbestanden. Tabel 9 toont de structuur van de aanwezige lagen. De GIS-tabel DOCH_histned_ buf bestaat uit slechts een cosmetische laag en bevat geen gegevens. attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

ID

numeriek identificatienummer

Categorie

default: historische nederzettingslocaties

Type

typering van de gebruiksfunctie zoals ‘boerderij of woonhuis’

Naam

toponiem indien vermeld en/of bekend

Ouderdom

niet ingevuld

Opmerkingen

algemene inhoudelijke opmerkingen zoals ‘leen van Huis Keppel’

Buffer

attentiezone voor resten van erfstructuren of voorgangers

Bron

bron waaruit de informatie afkomstig is.

X_coord

centrumcoördinaat in meters volgens de Rijksdriehoekmeting (RD)

Y_coord

centrumcoördinaat in meters volgens de Rijksdriehoekmeting (RD)

Tabel 9. Tabelstructuur van het bestand DOCH_histned_punt.

attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

Monumentnr

monumentnummer (registratienummer) op de archeologische monumentenkaart (AMK)

Waarde

waarde volgens de archeologische monumentenkaart

Complex

beschrijving van de aard van de archeologische resten binnen het terrein

Begin_periode

geeft aan wanneer (archeologische periode) het element/de vindplaats (vermoedelijk) tot stand kwam

Eind_periode

geeft aan wanneer (archeologische periode) het element/de vindplaats (vermoedelijk) is verdwenen, afgebroken of wanneer de functie verviel

Datum

versiedatum van het landelijke AMK-bestand

Tabel 10. Tabelstructuur van het bestand DOCH_amk_0913. 41

Willemse e.a., 2013.

38

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

2.5.4 AMK-terreinen Archeologische monumenten (AMK-terreinen) zijn gerangschikt naar archeologische waarde. Een deel van de AMK-terreinen is (nog) niet of nauwelijks gewaardeerd. Veelal is sprake geweest van expert judgement op basis van vondstmateriaal en waarnemingen. Verder is de begrenzing van deze terreinen veelal afgestemd op eigendomsrechten en hebben archeologisch-landschappelijke afwegingen een ondergeschikte rol gespeeld. Voor een deel van deze AMK-terreinen is echter reeds wel gesteld dat ze op grond van kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde behoudenswaardig zijn. In dat geval wordt door het Rijk gesproken over archeologische (rijks)monumenten. De AMK-terreinen zijn op kaartbijlagen 2 t/m 5 opgenomen als terrein van (hoge) archeologische waarde of als beschermd archeologisch monument (zie voor de verzamelde gegevens tabel 10 en bijlage 2).

2.5.5 Onderzoeksgebieden Aan de kaart zijn tevens de bij ARCHIS aangemelde en bij RAAP sinds 2010 bekende veldonderzoeken toegevoegd (in totaal 83). Zie hiervoor kaartbijlage 1 en de uitgebreide rapportage onderzoeksmeldingen (bijlage 3 op cd-rom; zie ook tabel 11). Van één onderzoek is het type niet bekend; deze is gecategoriseerd als onbekend (ARCHIS-onderzoeknummer 226). De overige onderzoeken betreffen 53 booronderzoeken, twee veldkarteringen, drie begeleidingingen, zeven proefsleuvenonderzoeken, vier opgravingen, één archeologisch onderzoek ‘onder water’ en twaalf bureauonderzoeken. De onderzoeksresultaten zelf zijn overigens niet altijd in ARCHIS vermeld. Het is namelijk niet verplicht om de exacte resultaten te vermelden. Om te bepalen of een terrein afdoende archeologisch is onderzocht, dienen de afzonderlijke onderzoeksrapportages geraadpleegd te worden. Evenmin is het verplicht om de rapporttitels te vermelden. Deze zijn alleen verplicht bij het doen van een vondstmelding. Bij een negatief resultaat (selectieadvies: vrijgeven) is er binnen het huidige systeem dus geen rapporttitel geregistreerd. In kaartbijlage 2 zijn alle bekende archeologische onderzoeksgebieden binnen de grenzen van de gemeente Doetinchem opgenomen. Deze kaartlaag is bijgewerkt aan de hand van de meest attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

Omg_nr

of CIS-code; uniek onderzoekmeldingnummer bij ARCHIS

OZK_nr

onderzoeknummer bij ARCHIS

RDX

centrumcoördinaat in meters volgens de Rijksdriehoekmeting (RD)

RDY

centrumcoördinaat in meters volgens de Rijksdriehoekmeting (RD)

Toponiem

toponiem bij het onderzoek, indien vermeld

Plaats

plaatsnaam, indien vermeld

Gemeente

gemeentenaam

OnderzoekType

typering van het archeologisch onderzoek, zoals ‘archeologische begeleiding’

Uitvoerder

instelling die het onderzoek heeft aangemeld/uit gaat voeren

DatumAanvang

aanvang van het onderzoek

Toelichting

beschrijvende tekst

Tabel 11. Tabelstructuur van het bestand DOCH_onderzoeksgebieden0114.

39

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

recente versie van ARCHIS (10 januari 2014). De onderzoeksgebieden zijn opgedeeld naar onderzoekmeldingsgebied (het onderzoek is alleen aangemeld in ARCHIS), en onderzoeksgebieden (het onderzoek is uitgevoerd en afgemeld in ARCHIS).

2.5.6 Bodemverstoringgegevens Slechts zeer ten dele is gebruik gemaakt van de algemene gegevens van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. In het verleden zijn de genoemde gegevens met betrekking tot bodemverstoringen wel bij archeologische verwachtingskaarten gebruikt om een indicatie te geven van de mate van bodemverstoring en de archeologische potentie van een gebied. Op de landelijke bodemkaartserie staan weliswaar afgegraven, geëgaliseerde, opgeworpen en vergraven zones vermeld, maar deze zijn deels gebaseerd op zeer grove aannamen ten aanzien van de effecten van voormalig landgebruik. Op basis van veldervaringen kan geconcludeerd worden dat het weergegeven oppervlak met bodemverstoringen meestal veel kleiner is dan het werkelijke oppervlak met verstoorde bodems. Wat betreft de kwaliteit van de bodemverstoringsgegevens over het stuwwallenlandschap kan in ieder geval gesteld worden dat deze gegevens een zeer incompleet beeld geven van de werkelijkheid. Voor beleidsmatige afwegingen (selectiebesluiten) of het bepalen van een onderzoekstraject zijn globale gegevens met betrekking tot bodemverstoringen dan ook van weinig waarde.

Op basis van metrische analyse van het AHN (dwarsprofielen) en eerder archeologisch veldonderzoek zijn aan het bestand diverse percelen toegevoegd waarvoor aanwijzingen zijn voor diepe (> 40 cm -Mv) of ondiepe (< 40 cm -Mv) bodemverstoringen of ontgrondingen (GIS-tabel: DOCH_ AHN_Vergraven). Het gaat daarbij om terreinen waar in het hoogtebeeld een ontgraving te zien is, dat wil zeggen verlagingen in het maaiveldreliëf die duidelijk samenvallen met perceelsgrenzen en die niet verklaard kunnen worden vanuit een natuurlijke ontwikkeling. De diepte van de ontgraving is af te leiden uit het AHN. Over de ouderdom van de ontgraving valt meestal niet heel veel te zeggen, net zo min als over de verdere consequenties voor eventueel aanwezige archeologische resten (vondsten en sporen). 42 Op kaartbijlage 2 zijn alleen nog de meest in het oog springende bodemverstoringen aangegeven. Het betreft groeves en andere vergravingen/afgravingen die zichtbaar en ondubbelzinnig te interpreteren zijn op het AHN2 (met name rabatten, opgenomen in de aparte GIS-tabel: DOCH_AHN2_Rabatten). Verder zijn ontgrondingsgegevens verzameld die betrekking hebben op door de Provincie Gelderland afgegeven ontgrondingvergunningen.

2.5.7 Sleutelrapporten uit de periode 2008-2014 Het archeologische verwachtingsmodel voor de gemeente Doetinchem uit 2010 was niet alleen gebaseerd op een analyse van bekende archeologische vindplaatsen en terreinen, maar in nog hogere mate op een interpretatie van de landschappelijke en bodemkundige context daarvan. 43 Op verzoek van de gemeente Doetinchem zijn daarom de resultaten van AMZ-onderzoek uit de periode 2004-2012 gebruikt voor een evaluatie en toetsing van het verwachtingsmodel. De belangrijkste vraag is: in hoeverre komen de uitkomsten van archeologisch veldonderzoek overeen met de uitgangspunten van de nieuwe gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (verwachting en

42

Dit is namelijk afhankelijk van de diepte (tot) waarop vondstlagen en sporen voorkomen en de diepte van de bodemverstoring zelf.

43

Op basis van een bureaustudie, dat wil zeggen zonder nadere veldtoetsing.

40

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

NR

uniek identificatienummer

BISCODE

uniek identificatienummer

ADRES_LIGG

straat, huisnummer en plaats

AANDUIDING

toponiem of andere beschrijving

BG_OG

code betreffende type verstoring

BG

code betreffende type verstoring

OG

code betreffende type verstoring

Tabel 12. Tabelstructuur van het bestand DOCH_BodemverstoringenBIS. attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

ObjectId

numeriek identificatienummer

PAR_NR

archiefnumer

Status

‘voltooid’ of ‘in uitvoering’

Locatie

topografische aanduiding, zoals ‘Nabij de Vincwijcweg’

Ligging

‘binnendijks’ of ‘buitendijks’

Opp_Netto

netto oppervlakte van de ontgronding, in vierkante meter

Categorie

type ontgronding, zoals ‘kleiwinning’

Dat_Voltoo

datum van afronding van de ontgraving

Tabel 13. Tabelstructuur van het bestand DOCH_Ontgrondingen_PrvGelderland. attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

ID

numeriek identificatienummer

Categorie

Default: ‘AHN2-waarnemingen’

Subcategorie

niet gebruikt

Type

Default ‘rabatten’

Subtype

niet gebruikt

Naam

niet gebruikt

Ouderdom

niet gebruikt

Bron

Default: ‘AHN2’

Opmerking

niet gebruikt

Tabel 14. Tabelstructuur van het bestand DOCH_AHN2_Rabatten. attribuutnaam

attribuutwaarde/-verklaring

ID

numeriek identificatienummer

Type

interpretatie van het waargenomen reliëf, zoals ‘kolk’ of ‘waterpartij’

Tabel 15. Tabelstructuur van het bestand DOCH_AHN_vergraven.

41

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

CIS-code

Plaats-toponiem

Type

Uitvoerder

7384

Doetinchem-Wijnbergen fase 3

opgraving

ADC

7386

Doetinchem-Wijnbergen-Zuidduin

proefsleuven

ACVU

16783

Doetinchem-Wijnbergen-De Kap

opgraving

ARC

175027

Doetinchem-Oosseld

kartering

Synthegra

9410

Doetinchem-Oosseld

opgraving

ACVU

9980

Doetinchem-Oosseld

begeleiding

ACVU

13140

Doetinchem-Perlstein

opgraving

Synthegra

18562

Doetinchem-Terborgseweg

opgraving

RAAP

22055

Doetinchem-Alevietenterrein

opgraving

RAAP

24666

Doetinchem-Lookwartier

opgraving

RAAP

27880

Doetinchem-Burg. Van Nispenstraat

opgraving

RAAP

31901

Doetinchem-Veemarkt

opgraving

RAAP

36881

Doetinchem-Huberroos

begeleiding

Synthegra

43903

Doetinchem-Holterhoek 2

opgraving

Synthegra

42410

Doetinchem-Holterhoek 2, deelgebied Fatima

opgraving

RAAP

52694

Doetinchem-Willem Rodalaan

begeleiding

Synthegra

58420

Doetinchem-Randweg Oost vp 1

opgraving

RAAP

59056

Doetinchem-Terborgseweg achter 63

proefsleuven

RAAP

61359

Doetinchem-Zelhemseweg

verkenning

RAAP

8592

Gaanderen-Neerlandia-Pelgrim

kartering

RAAP

12422

Gaanderen-Beekstraat/Leuverinkstraat

proefsleuven

ADC

16990

Gaanderen-Richtersbos-Noord

kartering

RAAP

41785

Wehl-Heideslag Koksgoed

opgraving

ADC

42657

Wehl-Motketel

opgraving

BAAC

42957

Wehl-Heideslag Motketel fase 1 en 2

opgraving

BAAC

37174

Wehl-Norman Belvealstraat

proefsleuven

RAAP

44076

Wehl-Norman Belvealstraat

opgraving

ADC

47827

Wehl-Kelderweg

proefsleuven

Synthegra

52759

Wehl-bedrijvenpark A18

begeleiding

Econsultancy

Tabel 16. Voor de toetsing van het verwachtingsmodel geselecteerde en gebruikte rapportages. De CIS-code betreft het registratienummer van de onderzoeksmelding bij het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHISonderzoeksmeldingsnummer). De onderzoeken die niet voor deze evaluatie zijn gebruikt, zijn gecursiveerd.

42

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

kaarteenheid)? Daartoe zijn op de eerste plaats de gerapporteerde bodemkundige waarnemingen vergeleken met de nieuwe kaarteenheden. Die zijn immers grotendeels gebaseerd op begrenzingen op de veldbodemkundige detailkarteringen (§ 2.1). Ten tweede zijn de archeologische resultaten geïnventariseerd en gebruikt om het verwachtingsmodel te toetsen. Omdat in de periode 20042012 een groot aantal grotere en kleinere onderzoeken is uitgevoerd, heeft de regioarcheoloog ten behoeve van deze evaluatie een aantal sleutelrapporten geselecteerd. Deze rapporten staan vermeld in tabel 16. Voor de resultaten van de evaluatie wordt verwezen naar bijlage 4 bij dit rapport.

43

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

44

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

3 Toelichting op de kaartbijlagen 1 t/m 5 3.1 Aardkunde (kaartbijlage 1) 3.1.1 Aanzet De oude agrarische cultuurlandschappen van Doetinchem vertonen een nauwe samenhang met het oorspronkelijke natuurlijke landschap. Waar vruchtbare gronden voorkwamen, ontstond verspreide bewoning met kleine, afgeperkte stukjes akkerland. Hieruit ontstonden later grotere akkercomplexen. De hoge, droge gebieden met weinig oppervlaktewater en de lage, natte, moeilijk bewerkbare delen waren niet zo aantrekkelijk voor boeren. De randgebieden tussen hoog en laag waren het meest in trek. De voedselrijke zandbodems met de beste vochthuishouding, langs de randen van de Oude IJssel en het Montferland werden het eerst bewoond. Deze overgangsgebieden naar de lager gelegen moerassig boden eveneens goede vestigingsvoorwaarden voor de jager-verzamelaars uit de vroegere Prehistorie. De fysische eigenschappen van het Doetinchemse landschap verschillen in landschappelijk reliëf (geomorfologie), bodem en waterhuishouding en zijn dus aantoonbaar van invloed geweest (en nog steeds) op het ruimtegebruik door de mens. Deze fysische eigenschappen zijn sterk met elkaar verbonden en komen voort uit de geologische processen die het landschap hebben gevormd. Voor een goed begrip van het landschap en de hierbinnen aanwezige archeologische waarden is enige aardwetenschappelijke kennis dan ook onontbeerlijk.

De volgende paragrafen beschrijven het ontstaan van het kaartbeeld in kaartbijlage 1 in zeer beknopte vorm aan de hand van de belangrijkste vormingsfasen.

Aardkundige kaart met reliëfvormen en ontstaanswijzen Kaartbijlage 1 betreft een veralgemeniseerd beeld van de verschillende reliëfvormen (en hun ontstaanswijzen, in vaktermen de geomorfogenese genoemd) die worden onderscheiden binnen het regionale karteringsmodel voor de gemeenten in de Regio Achterhoek. Daarnaast zijn aan het kaartbeeld enkele belangrijke cultuurhistorische relicten toegevoegd. De kartering heeft plaatsgevonden op een schaal van 1:10.000, maar wordt omwille van het overzicht hier op een schaal van 1:25.000 gepresenteerd. De basis wordt gevormd door de bekende gebiedsdekkende veldbodemkundige studies (figuur 3), aangevuld met informatie uit landsdekkende geomorfologische en bodemkundige gegevens (schaal 1:50.000). De legenda bestaat uit 22 landschappelijke eenheden verdeeld over vijf fysisch-geografische hoofdlandschappen (zie tabel 7 in § 2.5.1, attribuut ‘Terreinvorm25’): • Het oud-rivierenlandschap van de IJsseldal-Rijn; • De laatglaciale dalvlakte van de IJsseldal-Rijn; • Rivierduinlandschap; • Het droge dekzandlandschap; • Het natte dekzandlandschap.

45

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Figuur 11. Schetskaart met de verbreiding van pleistocene (‘oude’) en holocene (‘jonge’) rivierkleibodems rondom het Montferland (overgenomen uit: Koster, 2013).

3.1.2 Gebiedsbeschrijving De hoogste delen van de gemeente worden gevormd door een opgestoven lint van zandruggen langs de rechteroever van de Oude IJssel tussen Doesburg en Terborg (figuur 11). Ter linkeroever van de Oude IJssel en ten noorden van het zandlandschap domineren de kleigronden. Hier komen hoger gelegen zandruggen, rivierterrassen, -vlaktes en -laagten voor. Dit landschap is goeddeels gevormd door de pleistocene voorlopers van de Rijn, maar tijdens het huidige Holoceen deels afgedekt geraakt met jonger sediment. Direct daaromheen ligt een aaneengesloten en kleinschalig zandgebied met een rijke variatie aan kampontginningen. De ontginningen hebben soms een beperkte schaal; in andere gevallen echter zijn ze uitgegroeid tot grote aaneengesloten en open

46

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Figuur 12. Geologische overzichtskaart van het gebied tussen Doesburg en Terborg (naar: Universiteit Utrecht, Verschuren & Haaring, 2007).

akkercomplexen. Ook rondom de historische kern van Doetinchem komen grote aaneengesloten akkercomplexen voor.

Oud rivierenlandschap van de IJsseldal-Rijn Doetinchem en omstreken maakten gedurende tienduizenden jaren deel uit van het stroomgebied van enkele grote rivieren, waarvan de Rijn de belangrijkste was. 44 Het huidige oppervlaktereliëf van de gebieden buiten het Montferland om is hoofdzakelijk gevormd tijdens het Weichselien, en dan met name het Midden Weichselien (ca. 60.000-40.000 jaar geleden) en het Laat Glaciaal (ca. 15.500-11.600 jaar geleden) (figuur 12). 45 In het Midden Weichselien vormde de Rijn naast de loop door het IJsseldal ook een aftakking in westelijke richting. Deze tak liep deels ten noorden van het Montferland om, de zogenaamde Om-Montferland-Rijn, en deels door de Gelderse Poort. Tot ca. 25.000 jaar geleden werd het merendeel van het Rijnwater echter nog noordelijk om het M­o ntferland

44

Van de Meene, 1977.

45

Busschers, 2008.

47

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

afgevoerd. 46 Daarna nam vooral de westelijke Rijntak (de voorganger dus van de huidige Waal en Neder-Rijn) het leeuwendeel van de waterafvoer voor zijn rekening. In de laatste fase van de laatste ijstijd, het Laat Glaciaal, vormde het huidige Oude IJsseldal het afvoerdal voor Rijnwater. De Weichsel-Rijn heeft rondom het Montferland tientalen meters dikke afzettingen met rivierzand en grind achter gelaten. Deze rivier voerde in eerste instantie zijn water af door een zeer brede riviervlakte, die een groot deel van de westelijke Achterhoek en de Liemers besloeg. De riviervlakte kenmerkte zich gedurende deze koudere fasen door een grillig systeem van zich telkens verplaatsende, ondiepe stroomgeulen en zand- en grindbanken (‘vlechtende’ rivier). Gedurende de minder koude fasen nam het sedimentaanbod van deze rivieren af, waardoor de rivieren hun eigen beddingmateriaal gingen opnemen en zich door rivierinsnijding lagere dalvlakten vormden (lage rivierterrasvlakte). De oudere rivierterrasvlakten vormden vanaf dat moment een hoger gelegen terrasniveau dat alleen nog bij hoog water overstroomde. Zo ontstond rondom de heuvels van het Montferland een door rivierdalen doorsneden rivierterrassenlandschap (rivierterrasrest en hoge rivierterrasrest) dat nog steeds in belangrijke mate de waterhuishouding van het gebied bepaalt. Pons (1957) rekent het hoger gelegen terras tot het Laagterras.

De rivierafzettingen bestaan goeddeels uit sediment wat in de laatste fase van het Midden Weichselien is afgezet (figuren 12 en 13). De aanvoer van sediment nam gedurende de warmere fasen sterk af, en door de omslag naar het huidige klimaat nam geleidelijk ook de variatie in hoeveelheid rivierwater af. De hoofdstroom van de Rijn verplaatste zich in westelijke richting. In het gebied van de gemeenten Montferland en Doetinchem ontstond in die tijd een stelsel van meanderende, zich insnijdende riviergeulen (laatglaciale geul). Omdat het afdekkende pakket jongere sedimenten oostelijk van de lijn ZeddamGaanderen dunner dan 1 m is of ontbreekt, zijn op het Laagterras de talrijke laatglaciale meanderende Allerød-geulen (laatglaciale geul) met hun vele terrasresten en banken (rivierterrasrest) nog goed herkenbaar aan het oppervlak (figuur 13). Deze situatie kan uniek genoemd worden voor Nederland. Elders in Nederland is het Laagterras grotendeels opgeruimd door jongere rivieractiviteit of afgedekt door een dik pakket jongere sedimenten. Diverse verlaten geulen van het oudere vlechtende rivierstelsel werden opgevuld met voedselrijk algendetritus (gyttjas) en venige kleien (geul in terraslaagte). Over de ouderdom van deze restgeulen is weinig bekend. Het gaat waarschijnlijk deels om pleistocene geulen, die tot in het Holoceen actief blijven.

47 De pleistocene terrasresten worden volgens de lithostratigrafische nomenclator ondiepe ondergrond gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. 48 De terrasresten worden plaatselijk afgedekt door kleiige rivierafzettingen en eolische afzettingen (figuur 13). Het Laagterras overstroomde alleen nog bij hoge waterstanden en tijdens deze laatste fasen van de ijstijd en het begin van het Holoceen werd door de Oude IJssel-Rijn nog een kleilaag afgezet, de zogenaamde Oude Rivierklei, onder aardwetenschappers bekend als de Laag van Wijchen. 49 46

Cohen e.a., 2009.

47

Willemse 2006; 2007.

48

Busschers & Weerts, 2003.

49

Ibid.

48

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Figuur 13. Geologisch profiel B-B’ over het Oude IJsseldal ter hoogte van Braamt-De Wrange. Zie figuur 7 voor de ligging van het profiel.

De laatglaciale dalvlakte van de IJsseldal-Rijn Vooral in het warme Allerød (ca. 13.500 tot 13.000 jaar geleden) vond er in de zandige en grindrijke riviervlakte geulinsnijding plaats. Hierdoor ontstond een dalvlakte (het Oude IJsseldal, eenheid F4b in figuur 12) grotendeels geflankeerd door een hoger gelegen fluviatiel terras. In deze dalvlakte zijn vele ondiepe geulen (geul in terraslaagte) en banken (rivierterrasrest) herkenbaar aan het oppervlak. Het hoogteverschil binnen de dalvlakte van de Oude IJssel tussen hoge terrasresten en de lagere terrasniveaus bedraagt ca. 0,5 m. De verschillen in hoogte zijn in het veld nog goed waarneembaar. Al in het Vroeg Holoceen veranderde de Oude IJssel in een relatief onbeduidende waterloop. 50

Het rivierduinlandschap In een periode van tijdelijke afkoeling in het Laat Glaciaal veranderden de rivieren weer in meer vlechtende en accumulerende rivieren. Tijdens de winter en bij lage waterstanden vielen de geulen droog, waarbij zand vrijkwam dat vervolgens door de wind werd weggeblazen en op de hogere rivierterrassen naast de geulen werd neergelegd (hoge rivierterrasrest met dekzand of duinzand). Vooral tijdens de koudste periode van het Laat Glaciaal (Late Dryas, ca. 13.00-11.700 jaar geleden) werd de begroeiing sterk gereduceerd en ontstonden de meest omvangrijke zandverstuivingen. Het fijnere materiaal werd ver weggeblazen en wordt aangeduid als Dekzand. Het relatief grove materiaal hoopte direct langs de noordoostelijke oevers van de geulen op, voornamelijk op het Laagterras. Op de meeste plaatsen vormen de lemige afzettingen van de Laag van Wijchen dan ook de scheiding tussen de rivierafzettingen en het duinzand. De langgerekte en reliëfrijke zandruggen tussen (Doesburg) Langerak, Doetinchem, Oosseld en Terborg is in feite een reeks ‘rivierduinen’ die op deze wijze uit het dal van de Oude IJssel zijn opgestoven (eenheid B2 in figuren 12 en 13). Het rivierduin van Wijnbergen is op een gelijke wijze ontstaan. Lokaal komen kleinere rivierduintjes op rivierterrassen voor.

Het rivierduinlandschap van Doetinchem omvat een uitgestrekt gebied van opgestoven rivierzand ter weerszijden van de Oude IJssel. Het vormt een strook van ongeveer 1 tot 2 km breed. 51 De bodems op de rivierduinen zijn plaatselijk vaak droog tot zeer droog. Ze zijn niet of nauwe-

50

Scholte Lubberink, 1997; Willemse, 2007.

51

De rivierduinafzettingen worden lithostratigrafisch gerekend tot de Formatie van Boxtel, laagpakket van Delwijnen (Schokker e.a., 2003; Berendsen, 2004).

49

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

lijks geschikt voor agrarisch gebruik en zijn ze om die reden in het verleden met bos beplant. 52 De rivierduinen waarop in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd plaggendekken zijn opgeworpen waren wel geschikt voor landbouwactiviteiten. Deze plaggendekken beslaan grote delen van het rivierduinlandschap ten oosten van de Oude IJssel, in een strook van ongeveer 200 m breed tussen Doetinchem en Gaanderen. Het grootste deel van de bebouwde kom van Gaanderen ligt in de zone van rivierduinen met en zonder (dun) plaggendek. Ten westen van de Oude IJssel komt een aantal grote rivierduinen zonder plaggendek voor, bijvoorbeeld in Dichteren en Wijnbergen. 53 In het rivierduinlandschap komen in de laagste terreindelen plaatselijk laagten voor met hoge grondwaterstanden. Het gaat om enkele geïsoleerd voorkomende depressies. In het rivierduinlandschap komen op verschillende plaatsen stuifzandgebieden voor. De stuifzanden zijn plaatselijk verstoven, overstoven of uitgestoven rivierduingronden. De stuifzanden kunnen zowel erg oud als jong zijn. Op hoge delen van de rivierduinen hebben zich tot in recente tijd zandverstuivingen voorgedaan terwijl sommige stuifzanden waarschijnlijk al uit het Vroeg Holoceen dateren. 54 Deze gebieden kenmerken zich tegenwoordig door een grillig reliëf van hogere stuifzandruggen en hoge rivierterrasresten met stuifzand. Het zijn zeer droge gronden.

Voorbeelden van overstoven rivierduingronden zijn te vinden verspreid over het landelijk gebieden noordoosten van de historische stadskern. Waar het oorspronkelijke bodemprofiel van de rivierduingronden is uitgestoven komen stuifzandlaagten voor. Zo zijn bijvoorbeeld delen van de Kruisbergse bossen plaatselijk tot op het grondwaterniveau uitgestoven, waardoor natte depressies of zelfs vennen zijn ontstaan. Buiten het stedelijk gebied van Doetinchem zijn geen vindplaatsen bekend uit de stuifzandlaagten. Ten oosten van het rivierduinlandschap gaat het gebied over in het dekzandlandschap (figuren 12 en 13), hoewel op sommige plaatsen de grenzen door de bestaande bebouwing en plaggendekken lastig te trekken zijn. Ten rechteroever van de Oude IJssel gaat het gebied geleidelijk over in het Oud Rivierlandschap van de IJsseldal-Rijn.

Dekzandlandschap In de riviervlakten rondom het Montferland werden in het Midden en Laat Weichselien (ca. 70.00012.000 jaar geleden) door de wind op de oude, grofzandige en grindrijke rivierafzettingen duinen gevormd (eenheid B1 in figuur 13). Ze vormen op veel plaatsen hoge ruggen en koppen die tot enkele meters boven de omgeving kunnen uitsteken. Gedurende deze periode heerste in Nederland een koud en bij tijd en wijle zeer droog klimaat. De Noordzee bestond uit drooggevallen land en boomloze vlakten strekten zich over meerdere honderden kilometers uit. Bodems bestonden vooral uit het fijnkorrelige zand dat door rivieren was achtergelaten. In dit zandlandschap kwam bij tijd en wijle vrijwel geen plantendek voor en de uit zuidwestelijke richting waaiende winden hadden dan vrij spel. 55 Door al deze oorzaken konden er op ongekend grote schaal zandverstuivingen ontstaan. Dit stuifzand wordt over uitgestrekte delen van Nederland als een zwakgolvende zanddeken 52

Scholte Lubberink, 1997.

53

Van Oosterhout, 2008.

54

Willemse & Groenewoudt, 2012. Zie ook de opgraving Rembrandtweg (RAAP-DORW).

55

Isarin, 1997; Renssen, 1997.

50

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

teruggevonden, wat het de vakterm ‘dekzand’ heeft gegeven. Een grove schatting van aardwetenschappers is dat er in deze periode vrijwel overal gemiddeld een halve meter dekzand is terechtgekomen. Op sommige plekken zelfs meer dan 5 m, maar dan vaak in de vorm van lage duinen. Dat betekent dat er alleen al door de wind ruwweg 15 duizend miljoen kubieke meter zand is verplaatst. Alleen in Zuid-Limburg en op delen van de stuwwallen is geen dekzand gevormd. De westelijke flanken van het Montferland vormden gedurende tienduizenden jaren een obstakel voor de zuidwestelijke stofstormen. Grofkorrelig stuifzand blijft laag over de grond stuiteren en wordt zelden hoog in de lucht opgenomen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit materiaal niet zomaar over de heuvels waaide. Alleen het meest fijne stof werd in de luwte (achter de heuvels) neergelegd. Een groot deel bleef echter aan de voorkant, langs de voet van de heuvels liggen. Waar lage duinen uit deze tijd voorkomen, is goed te zien dat ze om de heuvels heen krullen. De wind aan de grond stroomde blijkbaar voor een deel om de heuvels heen. Deze ‘gordel’ van fijnkorrelige stuifzanden wordt daarom ook wel aangeduid met de term ‘gordeldekzand’. Sommigen daarvan zijn nog steeds als lage ruggen (dekzandrug) zichtbaar in het landschap. Vooral langs de moerassige randen (dekzandlaagten) vormden ze voor de mens bewoonbare hoogten.

Om heel het Montferland ligt een zandrug van dekzand, die plaatselijk dikker dan 2 m is. Ook ten noorden en oosten van het Montferland strekt zich een groot, zwak golvend dekzandgebied uit. Talloze kleine, van 50 cm (dekzandwelvingen) tot meer dan 150 cm hoge dekzandruggen en -kopjes vormen hier het karakteristieke oppervlakreliëf. Ook uitgestrekte reliëfarme dekzandvlakten (reliëfverschillen < 50 cm) komen voor. Vooral de zone met drogere dekzandbodems wordt gekenmerkt door het voorkomen van dikke bemestingsdekken (plaggendekken); de oude bouwlanden tussen Nieuw-Wehl en Wehl en ten zuidoosten van Overstegen. Door de eeuwenlange bemesting van de toch vrij schrale zandgronden met een mengsel van strooisel, dierlijke mest en gestoken zodeplaggen (heidezoden, kleirijke beekzoden) zijn hier op het oorspronkelijke maaiveld uitgestrekte, 50-100 cm dikke ophogingspakketten met humushoudend soms kleirijk zand ontstaan. 56 Waar het bemestingsdek < 50 cm dik is wordt dit op kaartbijlage 1 weergegeven als dun plaggendek. Waar de dikte > 100 cm bedraagt, spreken we over een dik plaggendek. Waarschijnlijk komen de locaties waar de plaggendekken zijn ontstaan goeddeels overeen met de locaties van het prehistorisch akkerareaal.

57 Op basis van bodemkundige eigenschappen kan binnen het zandgebied onderscheid worden gemaakt in grotere aaneengesloten gebieden die worden gedomineerd door drogere (zand) bodems (xeropodzolen en moderpodzolen) en nattere zandbodems (hydropodzolen en hydrozandeerdgronden). Uit het beeld van de verspreiding van nederzettingslocaties (figuur 2) blijkt dat het zinvol is om binnen het gemeentegebied onderscheid te maken in drogere dekzandlandschappen en nattere dekzandlandschappen.

56

In het systeem van de Nederlandse Bodemclassificatie (De Bakker & Schelling, 1966) worden de opgeworpen zandige bemestingsdekken van meer dan 50 cm dik aangeduid als hoge enkeergronden.

57

Van Doesburg e.a., 2007.

51

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Tot besluit Na het Vroeg Holoceen (vanaf ca. 9000 voor Chr.) lag de morfologie van het landschap in hoofdlijnen vast. Vanaf deze periode vonden voornamelijk lokale sedimentatie- en erosieprocessen op een relatief bescheiden schaal plaats. In de komgebieden van de Liemers was de sedimentatie vanuit de grotere rivieren gedurende het grootste deel van het Holoceen gering of zelfs geheel afwezig. Het zou tot ca. 1100 voor Chr. (begin Subatlanticum/Late Bronstijd) duren voordat de Rijn in de Liemers geleidelijk klei begon af te zetten. 58 In eerste instantie had dit tot gevolg dat de komgebieden (rivierkomvlakte) geleidelijk steeds lager kwamen te liggen ten opzichte van het Betuwse rivierengebied, waardoor een geleidelijke regionale vernatting begon op te treden. In de lagere, natte delen van het landschap vond plaatselijk veengroei plaats. Tijdens latere overstromingen door de Rijn werd daarna in de laagste delen van jonge rivierklei afgezet, terwijl beken in het dekzandgebied plaatselijk een dunne laag beekafzettingen neerlegden. De hoger gelegen rivierterrassen zouden zelfs pas veel later onder het jongere kleidek verdwijnen. Sommigen komen zelfs nu nog op slechts geringe diepte onder het kleidek voor.

Het zou dus tot zeker in het Subatlanticum duren eer er in het rivierkleilandschap een duidelijke ruimtelijke differentiatie ging ontstaan met hoger gelegen oeverwallen en lager gelegen komgebieden. Door de aanwezigheid van ondiep gelegen rivierterrassen, komen de oude pleistocene rivierkleien op veel plaatsen vlak aan het maaiveld voor, terwijl de lagere rivierterrasvlaktes zijn afgedekt met een dikkere laag jongere laatholocene klei (figuur 13). De variatie aan verschillende soorten ‘bodemprofielen’ en de aard van het ‘archeologisch bodemarchief’ is ten gevolge van deze lange ontstaansgeschiedenis dan ook groot. De verarming van de bodems en het aanleggen van akkers leidde waarschijnlijk al in de Bronstijd tot verstuiving van het oorspronkelijk door bosvegetaties vastgelegde dekzand. Het merendeel van de stuifzanden dateert echter van na de Volle Middeleeuwen. De kleine stuifzanden zijn ontstaan door verstuiving van akkers bij de dorpen en als kleine verstuivingen langs wegen. De grote stuifzandcellen vormen veelal meer autonome geomorfologische structuren. Hoe grootschalige verstuiving is ontstaan, is niet precies bekend, maar grondwaterstanddaling, klimaatverandering, overbegrazing en het afbranden van heide hebben ongetwijfeld een rol gespeeld.

De van oorsprong rijke bosbodems verarmden door het uitspoelen van voedselrijke bestanddelen naar lagere bodemhorizonten (podzolering) waardoor vooral heidevegetaties in een dominante positie kwamen. In de Late Middeleeuwen en daarna ontstonden als gevolg van bemesting op de hogere delen van het landschap uitgestrekte, dikke plaggendekken. Hierdoor werd het reliëf van deze gebieden nog eens geaccentueerd. In de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd werden natuurlijke waterlopen gekanaliseerd en verplaatst. Daarnaast werd plaatselijk veen, zand en moerasijzererts afgegraven. 59 Op veel plaatsen vormt dit ijzer dunne ijzeroerbanken die in het verleden verwerkt werden in kleine ijzergieterijen.

58

Cohen e.a., 2009.

59

Stiboka, 1975; Laban e.a., 1988.

52

RAAP-RAPPORT 2877 - Tweede herziene versie Archeologie in de gemeente Doetinchem Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart

Figuur 14. Topografische kaart van de gemeente Doetinchem uit de oorlogsjaren (Topografische Karte der Niederlande 1:50.000 Truppenkarte, Blat 40 Ost Arnhem).

3.2 Beknopte oorlogsgeschiedenis 3.2.1 Landschap vanuit militair perspectief Van oudsher worden de mogelijkheden voor oorlogsvoering in sterke mate bepaald door landschappelijke kenmerken, zoals de hoogteligging, gesteldheid en toegankelijkheid van het terrein. Dat geldt zowel voor de verdedigende als voor de aanvallende partij. Voor de mogelijkheden en beperkingen die het landschap in de omgeving van Doetinchem bood bij oorlogsvoering en verdediging geeft de topografische kaart uit de oorlogsjaren een goed beeld. Hiervoor is geraadpleegd de Topografische Karte der Niederlande 1:50.000 Truppenkarte, Blat 40 Ost Arnhem. 60 De topografie is voldoende gedetailleerd en toont het landschap voorafgaand aan de grootschalige naoorlogse ingrepen, zoals stadsuitbreidingen, aanleg van bedrijventerreinen en grote infrastructurele werken, zoals de aanleg van de A18 (figuur 14). De hoogteligging van de gemeente is te zien op een hoogtekaart op basis van het AHN (figuur 15). Centraal in de gemeente ligt een smalle, noordoost-zuidwest lopende strook hoger gelegen terreinen tussen de plaatsen Doetinchem en Gaanderen. Deze hoger gelegen gronden (rivierduinen) zijn deels bebost, zoals de Kruisbergse Bossen ten noordwesten van Doetinchem en het bosgebied De Koekendaal ten zuidoosten van de stad. Aan weerszijden van deze hoger gelegen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7469/documents/36820