CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing inclusief bijlagen.pdf

beeldvormende raad 18 september 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Bindend advies Terborgseweg 13821.889 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk.

Overgangsperiode ontwikkelingen

De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen

33

aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren:

Het bovenstaande geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. We gaan in overleg met ontwikkelaars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Door de gestegen bouwkosten, ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen.

Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair

moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden.

Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn:

1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2. Bouwen in en aan buurten;

3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen.

34

De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge

dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Project-specifiek

In de woonvisie wordt niet specifiek ingegaan op (tijdelijke) huisvesting van

asielzoekers. Voor deze doelgroep speelt een belangrijk maatschappelijk belang. Dit aspect is in paragraaf 5.5.3 toegelicht. De realisatie van 43 appartementen in een bestaand gebouw in bestaand stedelijk

gebied sluit naadloos aan bij de woningbouwdoelen. Het worden betaalbare woningen voor een- of tweepersoonshuishoudens. Dit is een groeiende doelgroep die op dit

moment slechts zeer beperkt bediend kan worden in de bestaande woningvoorraad.

Ook draagt de transformatie van dit pand bij aan de wens om de woningvoorraad in de gemeente te laten groeien. Dit door de transformatie van een bestaand gebouw dus zonder nieuw ruimtebeslag.

Het plangebied is door de gemeente Doetinchem aangewezen als kansrijk gebied voor de transformatie van kantoren. Het realiseren van de tijdelijke opvang voor

asielzoekers en de transformatie naar een woonfunctie sluit direct aan op die transformatiegedachte.

5.5.3 Maatschappelijke behoefte

In de afgelopen periode is er sprake van een flinke toename van het aantal

asielzoekers in Nederland. Inmiddels is er landelijk een tekort aan opvanglocaties voor asielzoekers en/of asielzoekers. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) kan haar wettelijke taak niet meer naar behoren uitvoeren en is daarom overgegaan op crisisnoodopvang.

Het COA is druk bezig met het zoeken naar nieuwe opvanglocaties. De Spreidingswet moet daarbij een stimulans zijn voor gemeenten om dit te faciliteren. Normaliter zijn

dit trajecten die langere tijd duren. In de huidige situatie met een acute behoefte aan opvangplaatsen heeft het COA, in navolging van een oproep van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Justitie en

Veiligheid (Brief d.d. 26 augustus 2021, Kenmerk: 2021-0000443472), een beroep op alle gemeenten in Nederland gedaan om gedurende een bepaalde tijd aan een aantal

asielzoekers c.q. asielzoekers opvang te bieden. Zo ook aan de gemeente Doetinchem. Op humanitaire gronden en vanuit maatschappelijk oogpunt is de gemeente

Doetinchem bereid een substantiële bijdrage te leveren aan de huisvesting van asielzoekers.

35

Het project betreft de transformatie van een kantoor naar een woongebouw. Daarbij worden op grond van deze vergunning 43 appartementen permanent vergund. De

vraag naar woningen en zeker ook naar betaalbare woningen is onverminderd groot.

Het woongebouw geeft daarbij de ruimte om asielzoekers tijdelijk te huisvesten. Met de tijdelijke huisvesting worden de overige opvanglocaties van het COA in ons land, die overvol zitten, ontlast.

5.5.4 Conclusie gemeentelijk beleid

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de activiteit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem.

5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde

bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet aan de orde.

36

6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige

toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze

veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen,

spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige

gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1 (Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een

decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de

gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit

geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van

(spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe

geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •

Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in

•

Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en

• • •

geluidsgevoelige gebouwen en locaties;

locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; Het bevorderen van bronmaatregelen;

Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

37

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De

geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op

kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen

zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden.

Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader

van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

6.1.2 Onderzoek

Met het project wordt een geluidsgevoelig gebouw (woonfunctie) gerealiseerd. Voor de uitvoerbaarheid van het project is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het akoestisch onderzoek is in bijlage 2 weergeven.

In dit geval krijgt het gebouw een woonfunctie in de vorm van een woongebouw.

Hiervoor geldt een standaardwaarde van 53 dB en een maximale waarde van 70 dB

voor binnenstedelijke situaties. Nabij het projectgebied liggen de geluidsbronnen de Terborgseweg, Oostelijke Randweg, Bedrijvenweg, Lijsterbeslaan, Acacialaan en de Fabriekstraat die het projectgebied belasten.

Uit het onderzoek is gebleken dat vanwege alle relevante wegen de gezamenlijke

gevelbelasting maximaal 51 dB bedraagt. De standaardwaarde en de maximale waarde worden niet overschreden. Verder onderzoek naar maatregelen of verbetering van de zijn daarom niet noodzakelijk. 6.1.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

38

6.2.1 (Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de

instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor

het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een

•

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

grenswaarde;

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen

toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit

artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan

de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft:

1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren,

woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde

omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om

alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden;

2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel

mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke

agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De

Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

39

Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2 Onderzoek

Voor de bestaande luchtkwaliteit van het projectgebied is de Atlas Leefomgeving

geraadpleegd op 2 september 2024.1 Hieruit blijkt dat in en rondom het projectgebied

geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een omgevingswaarde uit artikel 2.1a gelezen in combinatie met artikel 2.3 tot en met 2.8 van het Besluit kwaliteit Leefomgeving (Bkl). Voor dit aspect is uitgegaan van de 43 te vergunnen

appartementen omdat de verkeersgeneratie daarvan groter is dan die voor de tijdelijke huisvesting van asielzoekers.

Wat betreft de invloed van het project op de luchtkwaliteit is de Regeling niet in

betekenende mate bijdragen (NIBM) van toepassing. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde

concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het (Bkl). De aanvraag heeft

betrekking op het realiseren van een woongebouw met 43 woningen in de vorm van appartementen. De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele

ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. Dit project blijft daar ruimschoots onder. Dit blijkt ook uit de NIBM-rekentool die is ingevuld voor dit project. Hierbij is op grond van de CROW-publicatie 381 uitgegaan van een

verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag van maximaal 5,4 voertuigbewegingen per appartement (koopappartement goedkoop, schil, matig stedelijk) voor een totaal van 232,2 voertuigbewegingen per dag. Het CROW kent ook een categorie ‘kleine eenpersoonswoningen’ met een veel lagere verkeersgeneratie van 2,1

voertuigbewegingen per woningen per dag. Gezien de aard, grootte en ligging nabij OV-haltes (waaronder een treinstation) van de appartementen is de verwachting dat het aantal voertuigbewegingen dan ook lager zal liggen dan nu is gehanteerd in de worst-case benadering voor het aspect luchtkwaliteit. Omdat het een woonfunctie betreft, is het aandeel vrachtverkeer op 1,0% gezet.

1

www.atlasleefomgeving.nl is een website die in opdracht van het ministerie van Infrastructuur

en Waterstaat en de provincies is gemaakt en wordt beheerd. Deze website bevat actuele informatie over onder meer luchtkwaliteit voor locaties in Nederland.

40

Tabel NIBM tool (bron: Rijkswaterstaat)

6.2.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1 (Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de

aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht

worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de

gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het

bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

41

6.3.2 Onderzoek

In de omgeving van het plangebied ligt een bedrijventerrein. Op dat bedrijventerrein zijn onder meer de bedrijven Intersnack Nederland BV en Partner in Pet Food

gevestigd. Deze bedrijven hebben een geuremissie. Het projectgebied ligt niet in een milieuzonering van een van deze bedrijven met betrekking tot het aspect geur. Dit betekent dat de geuremissie van deze bedrijven geen belemmering vormt voor dit

project. Omgekeerd vormt dit project geen belemmering voor de bedrijfsvoering van deze bedrijven. In de directe omgeving van het projectgebied zijn ook geen agrarische bedrijven

gevestigd. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op ongeveer 1,5 km afstand. Het projectgebied voldoet ruimschoots aan de richtafstanden van omliggende agrarische bedrijven. Hierdoor is sprake van een goed woon- en leefklimaat vanuit het aspect geur.

6.3.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

6.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door

golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door wegen railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit

mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie

(bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.

6.4.1 (Wettelijk) kader

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de

Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan

locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.

42

6.4.2 Onderzoek

Op ongeveer 300 m ten noorden van het projectgebied is de spoorweg Doetinchem –

Winterswijk gelegen. Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt meestal binnen een afstand van ongeveer 100 m vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op.

Doordat het projectgebied buiten de zone van 100 m afstand van de spoorweg ligt, worden geen negatieve effecten met betrekking tot trillingen van spoorwegen verwacht. 6.4.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect trillingen.

6.5 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang

om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de

bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.5.1 (Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het

Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de

gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • •

Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

43

•

Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

6.5.2 Onderzoek

Het project betreft een transformatie van een kantoorpand naar een woonfunctie. Op het perceel hebben geen bodemvervuilende activiteiten plaatsgevonden. Met het

project vinden geen bodemingrepen plaats. Het buitenterrein wordt gebruikt voor onder meer parkeren. Activiteiten zoals een moestuin vinden niet plaats. Nader onderzoek naar de bodemkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 6.5.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

6.6 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1 (Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Dit betekent dat een afweging op dit gebied aan het bevoegde gezag is. De

verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.6.2 Onderzoek

Verkeersgeneratie

Het projectgebied en de parkeerplaatsen worden voor auto’s ontsloten via de

Oostelijke Randweg en de Gezellenlaan. De verkeersgeneratie bedraagt tussen de: 2 • •

91 voertuigen per dag uitgaande van eenpersoonswoningen;

194 voertuigen per dag uitgaan van sociale huurappartementen, en;

2 Op basis van CROW nr. 381, locatie ‘schil centrum’ en worst-case aan de bovenkant

van de daarin genoemde range.

44

•

233 voertuigen per dag uitgaande van goedkope koopappartementen.

Ter vergelijking, de verkeersgeneratie van het bestaande kantoor met een oppervlakte van 2664 m2 bedraagt:3 • •

245 voertuigen per dag voor een kantoor zonder baliefunctie, en; 335 voertuigen per dag voor een kantoor met baliefunctie.

De verkeersgeneratie neemt daarmee niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Voor de ontsluiting zijn dan ook geen extra maatregelen nodig. Het verkeer ten

behoeve van het woongebouw kan zonder verkeerskundige maatregelen worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur. De inrit voor auto’s van en naar de

Terborgseweg wordt afgesloten. Dit wordt gedaan door het plaatsen van een paal.

Hierdoor blijft deze inrit wel beschikbaar voor hulpdiensten bij calamiteiten, maar is

deze verder alleen geschikt voor fietsers en voetgangers. De huidige wegenstructuur is ruim voldoende voor het ontsluiten van het autoverkeer via de Gezellelaan.

Parkeren

Op grond van deze omgevingsvergunning worden 43 kleine appartementen

gerealiseerd. Dit betekent dat voorzien moet worden in voldoende parkeerplekken. Dit gebeurt aan de hand van het gemeentelijke parkeerbeleid zoals verwoord in de ‘Nota parkeernormen 2024’. In deze nota wordt een onderscheid gemaakt tussen

verschillende gebruiksfuncties. Binnen de functie wonen wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende typen woningen en de plek waar deze woningen staan.

In het onderhavige project gaat het om kleine appartementen van gemiddeld circa 37 m2.4 Het zijn daarmee relatief kleine woningen. Deze liggen in het gebied

‘schil/overloop’. In de Nota parkeernormen 2024 zijn verschillende woningcategorieën opgenomen die van toepassing zouden kunnen zijn op dit project: •

De categorie appartement goedkoop koop. Voor deze categorie geldt een parkeernorm van 1,4 per woningen.

•

De categorie appartement midden/goedkoop huur, met een parkeernorm van 1,2 per woning.

•

De categorie tiny house, met een parkeernorm van 0,6 per woning.

In het pand worden 43 appartementen gerealiseerd. De kleinste betreft een studio van

circa 27 m2 (dit zijn er 4). De grootste hebben een oppervlakte van circa 44 m2 (dit zijn

3 Op basis van CROW nr. 381, locatie schil centrum en worst-case op basis van de

bovenkant van de range.

4 De grootste appartementen hebben een oppervlakte van 44,8 m2, de kleinste is een

studio van 26,8 m2.

45

er 8). De overige appartementen hebben een oppervlakte van circa 37 m2 (dit zijn er

31). In dit project is sprake van een mix van woningen kijkend naar de oppervlaktes. De vraag is welke parkeernorm in dit zeer specifieke geval het meest passend is. Als

we kijken naar de verschillende typen woningen zoals genoemd in het parkeerbeleid, dan is het beeld als volgt: •

De gemeente Doetinchem heeft een beleidskader vastgesteld voor tiny houses.5 Daarin is aangegeven dat deze een oppervlakte hebben tussen de 22 m2 en 36

m2. Het oppervlak van een groot aantal appartementen is vergelijkbaar met dat van een tiny house. Binnen het gemeentelijke beleid is aangegeven dat tiny

houses specifiek grondgebonden zijn. Dat is in dit geval niet zo omdat het om appartementen gaat. •

Alle appartementen zijn aan te merken als goedkope koop of goedkope huur. In het parkeerbeleid wordt voor de parkeernorm onderscheid gemaakt tussen koop en huur, te weten 1,4 voor goedkope koop en 1,2 voor goedkope huur. Gemiddeld is dit een norm van 1,3 per woning.

Dit project heeft heel specifieke kenmerken die vragen om een specifieke afweging.

Gezien de grootte en de prijsklasse van de woningen ligt het voor de hand om voor de onderkant van de range te kiezen qua parkeernorm. Omdat het strikt genomen geen

tiny houses zijn in de zin van het gemeentelijke beleid, is de norm daarvoor echter niet helemaal passend.6 Er is daarom gekozen voor een norm die het gemiddelde is van de bovenkant van de range (goedkope koop met een norm van 1,4) en de onderkant van de range (tiny houses met een norm van 0,6). Dit levert een parkeernorm op van 1,0 parkeerplek per woning.

Dit betekent dat er voor de 43 appartementen 43 parkeerplekken nodig zijn. Op dit moment zijn er 58 parkeerplekken aanwezig. Vanwege het vergroten van de

gezamenlijke berging en enkele aanpassingen in de buitenruimte blijven er daar na realisatie van het project nog 56 van over. Dit betekent dat alle benodigde

parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn en er sprake is van een surplus van 13 plekken. Het project voldoet daarmee aan het gemeentelijke parkeerbeleid.

Voor het tijdelijke gebruik door asielzoekers geldt dat deze mensen doorgaans niet

over een auto beschikken. De parkeervraag zal voor dat gebruik beperkt blijven tot de

5 Zie: https://www.doetinchem.nl/tiny-houses-voorwaarden-voor-realisatie .

6 CROW publicatie 381 noemt de categorie ‘eenpersoons huishoudens, al dan niet

grondgebonden’ met ook een parkeernorm van 0,6. Dit sluit aan bij de gemeentelijke norm voor tiny houses en vormt daarmee een aanknopingspunt voor de hier toe te passen norm.

46

auto’s van medewerkers en begeleiders van het COA. De parkeervraag zal voor dat gebruik dan ook veel lager zijn dan de hiervoor aangegeven 43 plekken.

Het gemeentelijke parkeerbeleid bevat geen parkeernorm voor fietsparkeren bij een woonfunctie. De initiatiefnemers kiezen er echter voor om een ruime (overdekte) gemeenschappelijke berging te realiseren die ook gebruikt kan worden voor

fietsparkeren. Met deze gemeenschappelijke berging wordt voldaan aan artikel 4.172 lid 2 Bbl als het gaat om de eisen voor bergingen. 6.6.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect mobiliteit en parkeren.

6.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de

omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen

en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1 (Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten

aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

• •

milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een

47

aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register

Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze

aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra

maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

6.7.2 Onderzoek

Aan de hand van de Atlas leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op bijgevoegde afbeelding is een uitsnede van de Atlas leefomgeving weergegeven.

48

Uitsnede Atlas leefomgeving, projectgebied blauw aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Zoals uit bijgevoegde afbeelding blijkt, ligt het projectgebied niet binnen een

plaatsgebonden risico van een risicobron. Hiermee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico.

Het projectgebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicobron. Het

groepsrisico hoeft daarom niet verantwoord te worden. Advies van de veiligheidsregio is voor dit project niet wettelijk verplicht en ook niet nodig. Wel heeft er voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning voor dit project afstemming

plaatsgevonden met de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG). 6.7.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid.

49

6.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

6.8.1 (Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet

natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de

gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de

soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven).

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.8.2 Onderzoek

Gebiedsbescherming

Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website

https://www.natura2000.nl/gebieden geraadpleegd. Op bijgevoegde screenshot van die website is weergegeven dat in de directe omgeving van het projectgebied geen Natura-2000 gebieden zijn gelegen.

50

Uitsnede natuurkaart Nederland (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden)

Op de bijgevoegde uitsnede is weergegeven dat op ongeveer 12,5 km ten westen van het projectgebied het Natura 2000-gebied Rijntakken is gelegen. Natura 2000-

gebieden hebben een externe werking. Voor de uitvoerbaarheid van het project is een Aerius berekening uitgevoerd. De volledige rapportage van de Aerius berekening is weergegeven in bijlage 3

Het projectgebied ligt op ongeveer 11,5 km afstand van het Duitse Natura 2000gebied NSG Hetter-Millinger Bruch mit Erweiterung dat stikstofgevoelige habitats

heeft. De overige stikstofgevoelige natura ligt verder weg van het projectgebied. Voor Duitse natura gelden soepeler grenswaarden (7,14 mol/ha/jaar) dan voor de Nederlandse . De stikstofdepositie is bepaald voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase.

Uit de berekeningen voor de aanlegfase is gebleken dat de stikstofdepositie maximaal 0,00 mol/ha/jaar betreft. Uit de berekeningen voor de beoogde gebruiksfase is gebleken dat de stikstofdepositie maximaal 0,00 mol/ha/jaar betreft.

Significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats als gevolg van dit

project zijn daarmee uitgesloten. Bij deze berekening is niét uitgegaan van interne

saldering. Voor dit project geldt daarmee géén vergunningsplicht voor het onderdeel stikstof vanwege de Wet natuurbescherming.

51

Soortenbescherming

Het project betreft de transformatie van een kantoorpand naar een woongebouw. Het betreft een inpandige verbouwing. De schil van het gebouw (dak, wanden, kozijnen)

blijven hierbij ongewijzigd. Wel vinden de volgende werkzaamheden plaats in het pand (inclusief de daarbij horende aan- en afvoer van materiaal): -

Het plaatsen van binnenwanden;

-

Afhangen van binnendeuren;

-

Leggen van kabels en leidingen in het pad (inclusief ventilatiebuizen langs het plafond);

Installeren van keukens;

Installeren van badkamers en toiletten; Aanvoer van bouwmateriaal; Afvoer van afval;

Het plaatsen van een extra brandtrap aan de buitenzijde van het gebouw (aan de zijde van de Terborgseweg).

De uit te voeren werkzaamheden zijn, in relatie tot het bestaande gebouw en de

relevante wetgeving, beoordeeld door een ecologisch deskundige (zie bijlage 5). Van de werkzaamheden zijn in dit geval enkel de ingrepen in de buitengevel van belang. Dit omdat deze gevels deels bestaat uit een spouwmuur met open stootvoegen. Dit

betekent dat die delen van de gevel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De werkzaamheden aan de buitenzijde hangen in dit project direct samen met het plaatsen van een brandtrap aan de buitenzijde. Hiervoor worden enkele panelen

verwijderd die worden vervangen door een deur. Het bestaande kozijn blijft hierbij intact. Deze ingreep vindt daarmee niet plaats ter plaatse van een potentiële

verblijfsplaats voor vleermuizen. De brandtrap wordt vrijstaand opgesteld zodat geen ingreep plaatsvindt in de spouwmuur.

De conclusie is dat de te verrichten werkzaamheden niet leiden tot het beschadigen of verstoren van verblijfplaatsen van beschermde soorten dan wel het doden van

exemplaren van een beschermde soort. Er is geen sprake van een vergunningplichtige flora- en fauna-activiteit in de zin van artikel 5.1 lid 2 sub g Ow. Dit betekent dat het project uitvoerbaar is als het gaat om de soortenbescherming. Uiteraard geldt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wel een zorgplicht zoals verwoord in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). 6.8.3 Conclusie

Het plangebied ongeschikt is als nestplaats voor vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Dit betekent dat er geen negatieve effecten zijn voor deze soortengroep.

52

Het plangebied is geschikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Dit betreft de

delen van de gevel met een spouwmuur met open stootvoegen. Er is door het project echter geen negatieve effecten voor de soortengroep vleermuizen. De aanwezigheid van overige niet vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en overige soortgroepen zoals reptielen en vissen is uitgesloten zodat ook voor die soortengroep geen

negatieve effecten optreden. Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect natuur.

Wel gelden er een aantal algemene aanbevelingen voor de uit te voeren werkzaamheden: •

Voor de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van o.a. egel, konijn en haas. Het is niet uitgesloten dat deze soorten gebruik maken van het plangebied. Voor deze, en andere algemene zoogdieren geldt dat er

genoeg alternatieven in de omgeving aanwezig zijn of dat de mogelijkheden voor deze soorten op voorhand beperkt zijn. De geplande

(ver)bouwwerkzaamheden worden uitsluitend in de bebouwing en op

verharding uitgevoerd. Dergelijk terrein is ongeschikt als schuilplaats voor kleine zoogdieren. •

Voor de herinrichting van de buitenruimte is het noodzakelijk om deze

werkzaamheden op een rustig tempo uit te voeren en in één richting, zodat

eventueel aanwezige fauna tijd en ruimte heeft om een veilig heenkomen te

zoeken. Met een bovenstaande werkwijze wordt voorkomen dat (jonge) dieren verwond of gedood worden. •

Voorkom aantasting of verstoring van bezette nesten van algemene

broedvogels in bomen, en andere groenstructuren binnen invloedssfeer van de werkzaamheden tijdens het broedseizoen. Laat bij twijfel altijd een

broedvogelcheck uitvoeren. In de periode maart t/m augustus is de kans op

broedgevallen het grootst, maar met name duiven kunnen tot ver buiten deze periode broeden. •

Voorkom lichtverstoring van foerageergebied van vleermuizen in de omgeving.

Werk bij voorkeur uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang. Wanneer het onvermijdelijk is om verlichting toe te passen voorkom dan het beschijnen van bomen en beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter.

Naast het beschermen van bestaande ecologische waarden is voor dit project ook

onderzocht of de biodiversiteit vergroot kan worden. Biodiversiteit is een term die we gebruiken om de rijkdom van de natuur aan te geven. Het gaat om de grote verscheidenheid in soorten van dieren, planten, leefgebieden en genen. De

biodiversiteit staat wereldwijd onder druk. Er is in Nederland nog maar 15 procent over van de natuurlijke biodiversiteit. Het Europese gemiddelde is 40 procent. Er is een

grote inspanning nodig om te zorgen voor herstel van de biodiversiteit. De gemeente 53

heeft evenals de Provincie Gelderland de ambitie om het natuurinclusief bouwen en ontwerpen toe te passen. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en

ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. Bijdragen aan

herstel kan plaatsvinden op allerlei schaalniveaus. Door het inpassen van de juiste

ecologisch maatregelen kan elk plan of ontwikkeling bijdragen en ontstaan ecologische verbindingen en schakels waarmee overlevingskansen voor soorten worden vergroot. Als het gaat om de inrichting van de buitenruimte bij het gebouw is daarom

onderzocht of er maatregelen genomen kunnen worden die bijdragen aan het

vergroten van de biodiversiteit. In dit geval gaat het om een buitenruimte in stedelijk gebied waar al diverse ruimteclaims op liggen:

1. Er moet voorzien worden in voldoende parkeerruimte;

2. Er moet een prettige buitenruimte/ tuin aangelegd worden voor in eerste instantie de asielzoekers en in tweede instantie de bewoners van de appartementen;

3. Er is ruimte nodig voor het bouwen van een buitenberging. Deze bestaande ruimteclaims maken dat de mogelijkheden voor het vergroten van de biodiversiteit gezocht moet worden in het type beplanting dat wordt toegepast. Door te kiezen voor inheemse soorten die passen bij het gebied wordt de biodiversiteit

bevordert. In bijlage 9A en 9B bij deze motivering is aangegeven welke soorten zullen worden toegepast in dit project.

6.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het

behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten

archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

6.9.1 (Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

54

• • • •

Verplaatsing van beschermde monumenten;

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

6.9.2 Onderzoek

Cultuurhistorie

Het project betreft een functiewijziging van een kantoorpand naar een woongebouw. Met het project vinden enkel inpandige bouwwerkzaamheden plaats. Doordat het pand geen cultuurhistorische waarde heeft, heeft het project geen negatief effect op cultuurhistorische waarden.

Archeologie

Ter plaatse van het projectgebied geldt de dubbelfunctie ‘Waarde – Archeologische

verwachting 2’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Deze dubbelfunctie regelt dat voor

bodemingrepen vanaf 100 m2 en 30 cm diep archeologisch onderzoek nodig is. Met het project vinden geen bodemingrepen plaats groter dan 100 m2, waardoor verder onderzoek niet noodzakelijk is. 6.9.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultureel erfgoed.

6.10

Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. 6.10.1 (Wettelijk) kader

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt 55

gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie bij nieuwbouw, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet bij nieuwbouw gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie Het thema klimaatadaptatie kan worden opgedeeld in twee sub thema’s: water en hitte. Bij water gaat het dan onder meer om het (voorkomen van) wateroverlast door neerslag (veel neerslag in korte tijd) en overstromende rivieren. Voor het kader voor water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). Bij het thema hitte gaat het met name om het leefklimaat voor mensen, zowel in gebouwen als in de (openbare) buitenruimte. 6.10.2 Onderzoek energietransitie

Dit initiatief betreft het wijzigen van het feitelijke gebruik van een bestaand pand. Het hergebruiken van een bestaand pand voor een nieuwe functie is een vorm van

duurzaam ruimtegebruik. Op de eerste plaats omdat op deze manier de nieuwe functie niet om een nieuw ruimtebeslag vraagt. Op de tweede plaats omdat op deze manier

grondstoffen en energie bespaard worden omdat het bestaande pand wordt benut. Het pand heeft een gasaansluiting en die mag bij transformatie ook benut blijven worden. Het gebouw heeft al een energielabel A. Nader onderzoek of nadere maatregelen ten

aanzien van de energietransitie zijn niet aan de orde. Omdat het een bestaand gebouw 56

is wordt aan de normen voor bestaande bouw getoetst. Dit betekent onder meer dat de BENG-normering niet van toepassing is. 6.10.3 Onderzoek circulariteit

Omdat het om hergebruik van een bestaand pand gaat is nader onderzoek naar het thema circulariteit niet aan de orde.

6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie

Het plangebied ligt in de bebouwde kom. Het plangebied is voor een groot deel verhard door zowel het gebouw zelf als door de parkeerplaatsen. In dit project wordt een kantoor verbouwd tot woongebouw. Met het project wordt geen verharding toegevoegd. Doordat geen verharding wordt toegevoegd en gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, is er geen negatieve invloed op de mogelijkheden voor de infiltratie, berging of afvoer van hemelwater. In het projectgebied is ook geen sprake van bestaande overlast door hemelwater bij hevige buien. Het gebouw heeft een bestaande buitenzonwering. Deze blijft behouden en draagt bij aan het reguleren van de temperatuur in het gebouwen en aan een prettig binnenklimaat. Hoewel een aanzienlijk deel van het buitenterrein verhard is, heeft het gebouw ook de nodige groene buitenruimte in de vorm van een tuin. Deze tuin wordt heringericht zodat de bewoners deze kunnen benutten en hier op warme dagen verkoeling kunnen zoeken. 6.10.5 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect duurzaamheid.

6.11

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een

project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten

die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is

57

bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader

De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de

Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). De term ‘milieueffectrapportage’ (kortweg m.e.r.) ziet daarbij op het onderzoek. De uitkomst van dat onderzoek is een Milieu Effect Rapport (kortweg MER). In deze

wetgeving wordt een onderscheid gemaakt tussen een m.e.r. voor een plan (zoals een omgevingsplan) en een m.e.r. voor een project (zoals een omgevingsvergunning). Daarbij is in sommige gevallen het doorlopen van een m.e.r. verplicht.

In dit geval gaat het om een project waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend. Op grond van artikel 16.43 Ow en artikel 1.6 Ob is een lijst met project-

m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Dit is een gesloten lijst, behoudens enkele specifiek aangewezen besluiten.7 De lijst bestaat uit een tabel met vier kolommen: -

In kolom 1 staan de projecten opgesomd;

-

In kolom 3 staan de gevallen benoemd waarin een project-m.e.r.-

-

-

In kolom 2 zijn de gevallen benoemd waarin een project-m.e.r. verplicht is; beoordelingsplicht geldt;

In kolom 4 zijn de besluiten genoemd die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.

In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit is sprake van één uniforme project-

m.e.r.-beoordelingsprocedure. Deze procedure bestaat kortweg uit twee stappen. De eerste stap wordt genomen door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer verstrekt een beschrijving van het project en de mogelijke milieueffecten van het project (zie art.

11.10 Ob). Deze beschrijving wordt de aanmeldnotitie genoemd. De tweede stap is de beoordeling van de milieueffecten door het bevoegde gezag (zie art. 11.11 Ob). Het

bevoegd beslist binnen zes weken na ontvangst van de aanmeldnotitie of er (alsnog)

een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of niet. De motivering van deze beslissing wordt opgenomen in het besluit ten aanzien van de aanvraag omgevingsvergunning voor het project.

7 Zie artikel 5.44 Ow (t.a.v. projectbesluiten), artikel 5.55 Ow (gemeentelijk project in een

omgevingsplan) en artikel 11.8 Ob (t.a.v. milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit, afvalwater of zuiveringstechnisch werk).

58

6.11.2 Onderzoek

Het project betreft een transformatie van een kantoorpand. Hierbij vindt een inpandige verbouwing plaats en wijzigt het feitelijke gebruik. Op grond van onderdeel J11 van bijlage V bij het omgevingsbesluit kan een dergelijk project een ‘stedelijk

ontwikkelingsproject’ zijn. Of dit zo is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en de omvang van het voorziene project. De jurisprudentie over

dit thema onder werking van de Wet milieubeheer geeft ook onder de Omgevingswet richting aan het beoordelen van de omstandigheden van het geval. In dit geval is het aannemelijk dat het wijzigen van het feitelijke gebruik in combinatie met het wijzigen van het feitelijke gebruik geen stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.8 Verschil met de wetgeving zoals die gold tot 1 januari 2024 is dat er geen drempelwaarden meer worden toegepast. Dit laat mogelijk ruimte voor een andere interpretatie van het begrip ‘stedelijk

ontwikkelingsproject’ dan voor die tijd gebruikelijk was.9 Om die reden is er in dit

geval voor gekozen om aan te nemen dat dit project een stedelijk ontwikkelingsproject is.

Conclusie

Deze onderbouwing is ingediend bij de aanvraag omgevingsvergunning en moet

tevens als aanmeldnotitie worden gezien. In deze onderbouwing en de aangehechte

stukken is een omschrijving gegeven van de fysieke kenmerken van het project en de locatie. Tevens is een beschrijving gegeven van de milieueffecten. Hieruit volgt dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden als gevolg van dit project. Het bevoegde gezag kan op basis hiervan besluiten dat geen project-m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een

evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale

benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte 8 Zie b.v. ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2394. 9 Onder de oude wetgeving werd aan de hand van de drempelwaarden aangenomen

dat het om een grootschalige integrale gebieds(her)ontwikkeling moest gaan. Het lijkt aannemelijk dat dit nu ook nog zo is, maar dit staat vooralsnog niet vast.

59

programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe

stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende

ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de

bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.12.1 (Wettelijk) kader

In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat

onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een

bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit

jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of

bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.12.2 Onderzoek

Stedelijke ontwikkeling

Met het project wordt een kantoorpand verbouwd tot een woongebouw met 43

appartementen. Het gaat om een functieverandering met een oppervlakte (BVO) van

circa 2.664. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Aangezien sprake is van een stedelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of

sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in het beginsel sprake als het project meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige

functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden.

Het project betreft het realiseren van 43 appartementen binnen bestaande bebouwing.

Met het project wordt geen extra bebouwing toegestaan. In paragraaf 5.5.3 en 5.5.4 is 60

de behoefte aan het woongebouw toegelicht. Daarnaast ligt het projectgebied binnen bestaand stedelijk gebied. Het project betreft daarmee geen nieuwe stedelijke

ontwikkeling en voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de ladder duurzame verstedelijking.

6.12.3 Conclusie

De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen bestaand

stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee wel aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.

6.13

Milieubelastende activiteiten

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het

integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: •

Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja;

•

Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;

•

Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

6.13.1 (Wettelijk) kader

Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan

veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.

Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten).

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

61

In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de

inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld

‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De

Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld. 6.13.2 Onderzoek

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Bij het realiseren van nieuwe functies wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);

2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking

De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Interne werking

Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving.

Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving worden belemmerd in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functie.

Het projectgebied ligt langs een doorlopende weg in Doetinchem. In de directe

omgeving van het projectgebied zijn onder meer een polikliniek van het Slingeland

Ziekenhuis (dermatologie), een school, diverse maatschappelijke functies, kantoren en woningen gelegen. Door de aanwezigheid van de verschillende functies is sprake van een gemengd gebied.

Voor de direct omliggende inrichtingen geldt maximaal de bedrijfscategorie 2. Voor de bedrijfscategorie 2 geldt in gemengd gebied een minimale richtafstand van 10 m. Omdat de inrichtingen op meer dan 10 m afstand liggen, vormt het project geen beperkingen in het kader van bedrijven- en milieuzonering.

Ten westen van het projectgebied ligt aan de overzijde van de Oostelijke Randweg en de Bedrijvenweg het bedrijventerrein Verheulsweide. Op dit bedrijventerrein zijn

62

bedrijven tot en met een bedrijfscategorie 4.2 toegestaan. In de kern van het

bedrijventerrein zijn bedrijven met een hogere bedrijfscategorie toegestaan dan aan de rand van het bedrijventerrein. Doordat de bedrijven met een hogere bedrijfscategorie

op grotere afstand van het projectgebied liggen, ligt het projectgebied niet in één van de bedrijfs- en milieuzoneringen van de bedrijven op het bedrijventerrein. 6.13.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieubelastende activiteiten.

6.14

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle

relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te

betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

•

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden

waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

6.14.1 (Wettelijk) kader

Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een

belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

6.14.2 Onderzoek

In de omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is voor het thema gezondheid de nadruk met gelegd op milieubelastende activiteiten, lucht- en

waterkwaliteit. In deze ruimtelijke motivering is toegelicht dat sprake is van een

gezonde leefomgeving met betrekking tot onder andere geluid, bodem, lucht, externe veiligheid en water.

63

Voor de opvang van asielzoekers is in paragraaf 5.5.3 toegelicht dat de tijdelijke

opvang dient ter ontlasting van andere opvanglocaties in het land. In het land zijn

meerdere opvanglocaties die overvol zitten. De gezondheidsomstandigheden zijn daar dermate onder niveau, waardoor de ontlasting door onderhavig project op die locaties zorgt voor een betere gezondheidssituatie. 6.14.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande is het project uitvoerbaar met betrekking tot het aspect gezondheid.

64

7. Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is

aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van

derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Project-specifiek

In de omgeving van het projectgebied is geen sprake van een beperkingengebied. Het Project vormt daarmee geen belemmering voor een beperkingengebied.

65

8. Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.1.1 Financieel economische haalbaarheid

Voor een afwijking van het omgevingsplan wordt beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8314/documents/50150