Bijlage 2.3 - Toelichting.pdf
Tekst van het document
Onderzoeksresultaten en effecten Voor thema bodem is onderzoek gedaan naar de aspecten bodemopbouw en bodemkwaliteit. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het deelrapport Bodem, zie bijlage. Bodemkwaliteit Uit het historisch bodemonderzoek is gebleken dat er zowel sprake is van potentiële als bekende bodemverontreinigingen onder of in de directe nabijheid van het spoor. Dit betreft onder andere locaties met verdachte bedrijfsactiviteiten, dempingen, ophogingen en voormalige stortplaatsen. Er is overlap tussen de locaties waar grondwerk zal plaatsvinden en de verontreinigde locaties. Bij de aanleg wordt de bestaande bodem gedeeltelijk weggegraven, waarmee de aanwezige verontreiniging wordt weggenomen (gesaneerd). De locaties liggen bij station Didam en Station Wehl. Op basis van de beschikbare bodeminformatie is de globale inschatting dat circa 2.000 m2 tot 2.500 m2 sterk verontreinigde grond wordt gesaneerd in relatie tot de voorgenomen graafwerkzaamheden (aanleg 2e spoor, trillingscherm en greppels). Grond die niet kan worden hergebruikt, wordt afgevoerd naar een Pagina 67 van 93
grondbank/hergebruikslocatie of een erkend verwerker. De bodemkwaliteit zal hiermee lokaal verbeteren. Voor de bodemroerende werkzaamheden die vallen onder de Wbb is de Provincie Gelderland bevoegd gezag. Dit aangezien gemeenten Montferland en Doetinchem geen Wbb-gemeente zijn conform artikel 88 van de Wbb. Bodemopbouw Het aspect bodemopbouw heeft betrekking op de opbouw en oorspronkelijke gelaagdheid van de bodem. Deze bodemopbouw wordt in meer of mindere mate verstoord ten gevolge van het project. Er worden greppels gegraven en er wordt grondverbetering toegepast, tot maximaal 1,5 m-mv, ten behoeve van het nieuw tweede spoor. Ten gevolge van het aanbrengen van baanzand treedt enige zetting op als gevolg van de extra gronddruk.
Mitigerende en compenserende maatregelen Naast het (deels) ontgraven van vervuilde locaties ten behoeve van bodemkwaliteit zijn mitigerende en/of compenserende maatregelen voor het aspect bodemopbouw niet mogelijk. Wel kunnen, met behulp van aanvullend geotechnisch onderzoek, locatie(s) en diepte(n) van de grondverbeteringen worden geoptimaliseerd waarmee de impact op de oorspronkelijke gelaagdheid zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Daarnaast wordt de bestaande bodem tijdens de aanleg van de RegioExpres gedeeltelijk weggegraven, waarmee de aanwezige verontreiniging wordt weggenomen (gesaneerd).
Beoordeling effect in het Milieueffectrapport Door de verwachte zetting die optreedt als gevolg van het aanbrengen van baanzand en het verstoren van de oorspronkelijke gelaagdheid wordt het aspect bodemopbouw negatief beoordeeld. Omdat er een aantal bodemverontreinigingen worden ontgraven scoort het project positief op het aspect bodemkwaliteit. Voor de effecten op het aspect bodemopbouw zijn geen compenserende of mitigerende maatregelen mogelijk. Wel kunnen de voorziene grondverbeteringen in de vervolgfase worden geoptimaliseerd, waardoor de impact op de oorspronkelijke gelaagdheid zo beperkt mogelijk wordt gehouden. De totaalscore voor het thema bodem is daarmee gemiddeld neutraal.
Conclusie Vanuit het thema bodem zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.
4.8 Archeologie Voor het thema Archeologie is een onderzoek uitgevoerd in het kader van de spoorverdubbeling en de andere aanpassingen die nodig zijn om de RegioExpres te realiseren. Hierin zijn de effecten op bekende en verwachte archeologische waarden onderzocht. Op basis van die onderzoeken is bepaald waar vervolgonderzoek nodig is en welke gebieden vrijgegeven kunnen worden voor de werkzaamheden en welke gebieden (vooralsnog) in het Inpassingsplan middels een aparte bestemming beschermd moeten worden tot nader onderzoek kan worden uitgesloten dat archeologische waarden kunnen worden aangetast. Meer achtergrondinformatie is terug te vinden in het deelrapport Archeologie in de bijlage van dit Inpassingsplan.
Wettelijk kader en beleid Rijk Archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische verwachtingswaarden aanwezig zijn binnen het studiegebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Binnen het kader van de Monumentenwet (1988), is men verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Sinds 1 juli 2016 is deze wet niet meer van kracht, en zal deze
Pagina 68 van 93
wetgeving in de Omgevingswet gaan landen. Tot die tijd is dit geborgd in de Erfgoedwet, artikel 9.1 Omgevingswet. Dit is het gevolg van de overgangsfase naar de Omgevingswet die nog in werking moet treden. Provincie Het provinciaal beleid ten aanzien van archeologie wordt kort beschreven aan de hand van de aanwezige historische waardenkaarten. De Provincie Gelderland heeft, verspreid over de provincie, zesentwintig zogenaamde provinciale archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Deze vormen een representatief en relatief gaaf deel van de verschillende Gelderse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. Voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden zet de Provincie Gelderland zich extra in. De Provincie Gelderland vormt echter niet het bevoegd gezag binnen de aandachtsgebieden. Deze taak wordt uitgevoerd door de betreffende gemeenten. Gemeente Het voorkomen dat archeologische waarden verloren gaan is geborgd in een overgangsregeling in de Erfgoedwet, artikel 9.1 Omgevingswet. Dit is het gevolg van de overgangsfase tussen het vervallen van de Monumentenwet 1988 en de Omgevingswet die nog in werking moet treden. In de Erfgoedwet, hoofdstuk 5, staat beschreven dat de gemeenten verantwoordelijk zijn voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. De onderzoeksgebieden vallen in twee gemeenten.
De gemeenten hebben het beleid, met betrekking tot archeologie, vastgelegd in hun bestemmingsplannen.
Onderzoeksresultaten en effecten Er is eerst een bureauonderzoek uitgevoerd om de gespecificeerde verwachting op te stellen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 Landbodems, protocol 4002 Bureauonderzoek. Vervolgens heeft er een karterend booronderzoek plaatsgevonden om de bodemopbouw in kaart te brengen. Daarnaast is er een apart bureauonderzoek naar de natuurontwikkelingsgebieden in Stilliwald uitgevoerd. Daar waar uit het onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden worden verwacht en werkzaamheden voor het project zonder beperking kunnen worden uitgevoerd zijn vrijgegeven door bevoegd gezag (20-07-2023, Provincie Gelderland). Op basis van het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat in het studiegebied verschillende zones aanwezig zijn waarbinnen de kans op archeologische resten als groot kan worden beschouwd. De zones met hoge archeologische verwachtingen zijn vooral aanwezig in het westelijk deel van het studiegebied (Didam tot net oosten van Wehl). Deze zones zijn onder te verdelen in plaggendekken, (kleinschalige) dekzandkoppen en een specifieke verwachting voor spoorarcheologie. Voor deze zones kan met het reeds uitgevoerde onderzoek (vooralsnog) niet worden uitgesloten dat archeologische waarden niet worden aangetast.
Om die reden zijn deze zones in het Inpassingsplan middels een aparte bestemming beschermd. Nader onderzoek moet uitwijzen of archeologische waarden wel of niet kunnen worden aangetast en welke eventuele maatregelen in de toekomst dienen te worden genomen. Het gecertificeerde bureau dat de hiervoor genoemde onderzoeken heeft uitgevoerd, heeft geadviseerd om in de gebieden met een hoge archeologische verwachting een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient te voldoen aan de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
Pagina 69 van 93
Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. Het betreft de volgende zones: -
Intacte plaggendekken tussen boringen 4-18, 22 – 47 (Didam) en 99 -108 (Wehl); Dekzandkoppen tussen boringen 54 – 64, tussen boringen 69 – 73, tussen boringen 78 – 93 (allen tussen Didam en Wehl) en tussen 120 – 127 (ten westen van Wehl); Mogelijke resten van stationsgebouw en ballastbed tussen boringen 116 en 117 in Wehl.
In aanvulling hierop is geadviseerd om de niet gezette boringen 20 en 21 (Didam) alsnog te zetten. Bij een intacte bodem dient het proefsleuvenonderzoek te worden uitgebreid met deze zone. Meer informatie hierover en kaartmateriaal met de locatieaanduiding is terug te vinden in het deelrapport Archeologie. Dit advies is voorgelegd aan bevoegd gezag en is akkoord bevonden (20-07-2023, Provincie Gelderland). De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het vervolgonderzoek vindt plaats in voorbereiding op de uitvoering. Waar mogelijk worden zones (gedeeltelijk) vrijgegeven of worden maatregelen geformuleerd waarin in de uitvoering invulling moet worden gegeven. Daarbij moet gedacht worden aan het opgraven en/of vastleggen en conserveren van de aangetroffen archeologische vondsten. Hierover zal besluitvorming plaatsvinden in het vervolgproces. Bevoegd gezag ziet hier gedurende het vervolgproces op toe en neemt het besluit van eventuele vrijgave en maatregelen. Natuurontwikkelingsgebied A en B in Stilliwald zijn ook onderzocht.
Vanwege aantreffen van vondsten uit met name de Ijzertijd binnen gebied A en in de directe omgeving van gebied B moet nog een booronderzoek plaatsvinden en moet vervolgens bevoegd gezag akkoord geven op de uitkomsten, zoals voor de rest van het plangebied reeds is gebeurd. Daarna wordt hetzelfde proces doorlopen als in de voorgaande paragraaf is beschreven. Het bevoegd gezag ziet hier op toe.
Mitigerende en compenserende maatregelen Het beleid en de regelgeving op het gebied van archeologie is er op gericht om archeologische waarden zo veel mogelijk ‘in situ’ te behouden. Dit betekent dat mitigerende en/of compenserende maatregelen voor het thema archeologie niet mogelijk zijn. Wel wordt er op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek nader onderzoek uitgevoerd. Op locaties waar archeologische verwachtingen zijn, en waar grondroerende activiteiten gaan plaatsvinden, wordt in de toekomst een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het gaat dan vooral om locaties waar graafwerkzaamheden plaatsvinden, zoals: -
Traject van de spoorverdubbeling tussen Didam en Doetinchem De Huet; Tweede (extra) perron op stations Wehl en Doetinchem De Huet; Aanpassingen ter verbetering van de overwegveiligheid bij elf overwegen, deze liggen in de gemeenten Montferland en Doetinchem; Rondom station Doetinchem De Huet worden aanpassingen gedaan aan de openbare ruimte; Bouw van een relaishuis en keervoorziening ter hoogte van de Europaweg in Doetinchem;
Als uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat er archeologische resten aanwezig kunnen zijn, moeten maatregelen getroffen worden. Daarbij moet gedacht worden aan het onder begeleiding opgraven en/of vastleggen en conserveren van de aangetroffen archeologische vondsten. Hierover zal besluitvorming plaatsvinden in het vervolgproces.
Pagina 70 van 93
Beoordeling effect in het Milieueffectrapport Het thema Archeologie wordt voor de RegioExpres is in het MER beoordeeld als sterk negatief effect. Dit betekent dat niet kan worden uitgesloten dat in (een gedeelte van) het plangebied archeologische waarden worden aangetast. Bij de beoordeling is uitgegaan van actuele inzichten. Vervolgstappen (onderzoeken en eventuele mitigerende maatregelen) kunnen nog leiden tot een minder negatief of neutraal effect. Als blijkt dat geen archeologische resten te verwachten zijn, kan de verwachting worden bijgesteld.
Conclusie Vanuit het thema archeologie zijn er, rekening houdend met de (mogelijk) uit te voeren aanvullende onderzoeken, geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.
4.9 Luchtkwaliteit Het project RegioExpres zorgt voor een aantal aanpassingen aan het spoor en de dienstregeling die kunnen leiden tot een verandering van de luchtkwaliteit. Eventuele veranderingen moeten binnen normen van het wettelijk kader en het vigerende beleid blijven. Hiervoor is onderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in een separaat deelrapport Luchtkwaliteit (bijlage 33 bij dit Inpassingsplan), hierin zijn de details terug te lezen van onderliggend onderzoek.
Wettelijk kader en beleid Wet milieubeheer Met de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn de EU-kaderrichtlijn luchtkwaliteit en de daarbij behorende EU-dochterrichtlijnen in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. In de Wm zijn grenswaarden opgenomen voor onder meer de luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2.5), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO). Verder zijn in de Wm voor een aantal stoffen richtwaarden opgenomen; hiervoor geldt een inspanningsverplichting waarbij verder niet aan deze richtwaarden hoeft te worden getoetst. In de Wm zijn de volgende grondslagen opgenomen om te onderbouwen dat een project voldoet aan de wetgeving voor luchtkwaliteit: -
-
-
Niet leiden tot overschrijden van de grenswaarden. Aantonen dat uitvoering van het project niet leidt tot overschrijding van grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, onder a Wm). Niet verslechteren boven grenswaarde. Aantonen dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van stoffen op locaties waar grenswaarden voor deze stoffen worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, onder b, sub 1 Wm). Projectsaldering. Aantonen dat het project (per saldo) leidt tot een afname van de concentraties in de gebieden waar sprake is van een overschrijding van de grenswaarde voor deze stoffen (artikel 5.16, eerste lid, onder b, sub 2 Wm). Niet in betekenende mate bijdragen. Aantonen dat het project niet in betekenende mate (IBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging (artikel 5.16, eerste lid, onder c Wm). Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Aantonen dat het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet strijdig is met het NSL (artikel 5.16, eerste lid, onder d Wm).
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) bevat voorschriften over metingen en berekeningen om de concentratie en depositie van luchtverontreinigende stoffen vast te stellen. Verder schrijft de regeling rapportage voor van de uitkomsten van metingen en berekeningen. De belangrijkste regels uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit zijn hieronder samengevat: Pagina 71 van 93
-
-
-
-
Het ministerie van I en W verstrekt elk jaar generieke gegevens (onder andere emissiefactoren voor weg en dier, achtergrondconcentraties, dubbeltellingcorrectiegegevens en meteorologische gegevens) die gebruikt worden bij het uitvoeren van berekeningen. Het berekenen van de luchtkwaliteit naast wegen gebeurt volgens twee standaard rekenmethoden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in wegen binnen een stedelijke omgeving (methode 1) en wegen in het open veld (methode 2). Bij het berekenen van de luchtkwaliteit naast wegen worden de concentraties bepaald op tien meter van de wegrand, uitzonderingen daargelaten. Andere generieke gegevens of rekenmethoden mogen ook gebruikt worden. Daarvoor is wel toestemming van het ministerie van I&M vereist. Bij toetsing van een berekende waarde aan een grenswaarde, wordt uitgegaan van een afgeronde waarde. Een halve eenheid (0,5) wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal. 39,5 wordt dus 40 en 38,5 wordt 38. De manier waarop het luchtkwaliteitsonderzoek wordt gerapporteerd, moet aan een aantal vereisten voldoen. Zo moet in ieder geval worden verantwoord waarom een bepaalde rekenmethode wordt toegepast en moet worden onderbouwd waarom bepaalde invoergegevens zijn gebruikt.
Grenswaarden & WHO Advieswaarden In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2.5). Voor de toegestane concentraties van deze stoffen zijn op Europees niveau grenswaarden vastgesteld, welke zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en opgenomen in het NSL. Voor grote delen van Nederland geldt dat de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof zich ruim onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer bevinden, maar op enkele plaatsen liggen deze concentraties dichtbij en soms boven deze grenswaarden. Overschrijdingen van grenswaarden van de andere stoffen die zijn opgenomen in de Wet Milieubeheer komen in Nederland slechts in exceptionele gevallen voor. Zo kan in een parkeergarage de grenswaarde voor benzeen bijvoorbeeld worden overschreden. Voor dergelijke stoffen zijn in het NSL dan ook geen grenswaarden opgenomen. Gezien de aard van het project RegioExpres (infrastructuurproject met als voornaamste emissiebronnen verbrandingsmotoren en slijtageprocessen), het feit dat overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen dan stikstofdioxide en fijnstof naast Nederlandse (spoor)wegen vrijwel niet voorkomen en het feit dat in de Rbl 2007 geen toetsmethodiek voor spoorwegen is opgenomen is ervoor gekozen om voor dit onderzoek aan te sluiten bij de toetsmethodiek voor wegen.
Dit betekent dat in dit onderzoek alleen stikstofdioxide NO2) en fijnstof (PM10 en PM2.5) zijn beschouwd. Naast de wettelijk vastgestelde grenswaarden zijn er vanuit de World Health Organization (WHO) ook advieswaarden vastgesteld voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2.5). Deze advieswaarden zijn strenger dan de wettelijk vastgestelde grenswaarden. Vanwege het feit dat de WHOadvieswaarden zijn opgenomen in het Schone Lucht Akkoord (SLA) en de provincie Gelderland en een aantal gemeenten in de directe nabijheid van het RegioExpres project het SLA heeft ondertekend, is ervoor gekozen om ook te toetsen aan WHO-advieswaarden. Het gaat dan specifiek om de WHOadvieswaarden voor jaargemiddelde concentraties uit 2005, zoals opgenomen in het SLA. In 2021 zijn de WHO-advieswaarden verder aangescherpt, maar in dit onderzoek wordt daar niet aan getoetst. Reden hiervoor is dat de partners van het SLA nog niet hebben besloten hoe om te gaan met deze nieuwe waarden. In het deelrapport Luchtkwaliteit is een uitgebreide toelichting opgenomen over het wettelijk kader voor luchtkwaliteit en de toegepaste uitgangspunten.
Pagina 72 van 93
Onderzoeksresultaten en effecten Bij het bepalen van het effect dat het project heeft op de relevante luchtverontreinigende stoffen is onderzoek gedaan naar de effecten op toetspunten langs (spoor)wegen. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Het bepalen van het projecteffect op toetspunten is opgedeeld in het bepalen van de maximale jaargemiddelde concentratiewaarden en het in beeld brengen van de maximale toe- en afnames van jaargemiddelde concentratiewaarden. De maximale jaargemiddelde concentratiewaarden zijn van belang voor de toetsing aan maatgevende grenswaarden. Door middel van berekeningen zijn per situatie de concentratiewaarden van de verschillende relevante luchtverontreinigende stoffen op toetspunten binnen het studiegebied bepaald. De toetspunten met de hoogste depositiewaarden bevinden zich in Arnhem. De maximale toenames van de concentratiewaarden ruimschoots onder de NIBM-grenswaarden liggen. Dit betekent dat het project conform geldende wet- en regelgeving “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtkwaliteitssituatie. Bij het onderzoek naar het effect op toetspunten langs de (spoor)wegen is ook getoetst op de grenswaarden uit het Schone Lucht Akkoord. Ook deze worden niet overschreden.
De uitvoering van het project past binnen zowel de wettelijke kaders op het gebied van luchtkwaliteit evenals de kaders die zijn beschreven in het Schone Lucht Akkoord (de strengere WHO advieswaarden). Er worden dus geen relevante grenswaarden, zoals vastgelegd in de Wm, overschreden. Naast onderzoek naar de grenswaarden zoals vastgelegd in de Wm, heeft er ook onderzoek plaatsgevonden naar de effecten van het project op de luchtkwaliteit nabij gevoelige bestemmingen. Op gevoelige bestemmingen is tussen de referentiesituatie en plansituatie nauwelijks verschil. Dit betekent dat er geen noemenswaardig effect wordt verwacht. De concentratiewaarden voor stikstof (NO2) veranderen minimaal en de concentratiewaarden voor fijnstof ((PM10 en PM2.5) veranderen zelfs helemaal niet als gevolg van het project. De uitvoering van het project past binnen zowel de wettelijke kaders op het gebied van luchtkwaliteit als de kaders die zijn beschreven in het Schone Lucht Akkoord.
Compenserende maatregelen Voor het thema lucht zijn geen compenserende maatregelen nodig en/of voorzien.
Beoordeling effect in het Milieueffectrapport Uit de resultaten van het effectenonderzoek blijkt dat er geen effect op de luchtkwaliteit is als gevolg van het project RegioExpres. Op alle onderzochte aspecten is de effectbeoordeling neutraal. Voor het aspect luchtkwaliteit zijn geen mitigerende maatregelen nodig, omdat de getoetste grenswaarden niet worden overschreden en de bijdrage van het project aan concentratiewaarden dusdanig klein is dat deze in de categorie “Niet in betekenende mate” valt.
Conclusie Vanuit het thema luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.
Pagina 73 van 93
4.10 Externe veiligheid Er is getoetst of op het gebied van externe veiligheid voldaan wordt aan de geldende wetgeving en of er op basis van het voorgenomen ontwerp risico’s zijn voor de externe veiligheid.
Wettelijk kader en beleid Externe veiligheid gaat over de veiligheid van personen die zelf niet direct betrokken zijn bij risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen (risicobronnen), maar als gevolg van die activiteiten wel risico kunnen lopen. Sinds 1 april 2015 is het Basisnet van kracht. Onder het Basisnet wordt verstaan: het netwerk van wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren die van belang worden geacht voor het (doorgaande) vervoer van gevaarlijke stoffen. Met het Basisnet is langs de in het Basisnet opgenomen routes een maximaal risico dat deze transporten mogen opleveren geïntroduceerd, de zogenaamde risicoplafonds. Het wettelijk kader van het Basisnet is vastgelegd in de Regeling Basisnet. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes. De Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) reguleert de vervoerskant van het Basisnet. Het bevat artikelen over onder andere risicoplafonds en handhaving van de risicoruimte. Welke regels gelden voor de ruimtelijke ontwikkeling in de nabijheid van basisnetroutes is opgenomen in het Besluit Externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regels die gelden voor inrichtingen waarvan de risicocontour die wordt doorkruist door de spoorlijn die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Te onderzoeken onderwerpen zijn: Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de frequentie per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd zou verblijven in de directe omgeving van een transportroute overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op die route. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve frequentie per jaar per kilometer transportroute dat tien of meer personen in het invloedsgebied van een transportroute overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die transportroute waarbij een gevaarlijke stof vrijkomt. Risicobronnen Risicobronnen betreffen de aanwezigheid van mogelijke risicobronnen (bijvoorbeeld buisleidingen) in de omgeving.
Onderzoeksresultaten en effecten Doordat er geen structureel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt op het traject, vindt er ook geen overschrijding van het PR-plafond plaats en is er geen verantwoording van het groepsrisico vereist. Er is dus geen verandering van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Onderzocht is welke risicobronnen in het plangebied aanwezig zijn. Hieruit volgt dat er geen BRZOinrichting over het tracé is gelegen. BRZO staat voor Besluit risico’s zware gevallen. Het spoor wordt gekruist door meerdere kabels en leidingen, zie paragraaf 2.6. De RegioExpres verandert niets aan de omvang en inhoud van het huidige transport van gas, elektra of rioolwater. Wel komt het tweede spoor onder of boven de bestaande kabels en leidingen te liggen. Ter hoogte van de spoorverdubbeling en in de directe omgeving daarvan zijn geen Bevi inrichtingen en/of veiligheidscontouren aanwezig. Wel ligt aan de Wijnbergseweg in Doetinchem een tankstation op korte afstand van het spoor. Hier blijft het enkel spoor en zijn geen (grote) fysieke wijzigingen gepland die invloed hebben op de risicobron. Dit geldt ook voor het tankstation gelegen aan de Rivierweg in Westervoort. Het spoor waarover de RegioExpres gaat rijden ligt binnen de zonering voor Pagina 74 van 93
explosiegevaar. Voor beide bronnen geldt dat hier op doordeweekse dagen overdag twee treinen per uur extra langs komen, dit heeft echter geen impact op deze risicobron.
Mitigerende en/of compenserende maatregelen In toekomstige gesprekken met Gasunie wordt bepaald of de drie gasleidingen voldoende beschermd zijn tegen zettingen en extra bovenbelasting als gevolg van het tweede spoor (door het gewicht van het extra zandpakket). Indien nodig worden in overleg met de Gasunie maatregelen genomen. Denk hierbij aan het verlengen van de mantelbuis of een overkluizing. Ditzelfde geldt voor de hoogspanningsverbinding. Hierover vindt overleg plaats met TenneT.
Beoordeling effect in het Milieueffectrapport Aangezien er voor en na de uitvoering van het plan geen sprake is van structureel vervoer van gevaarlijke stoffen, wordt het PR-plafond niet overschreden. Er is dan ook geen verplichting om het groepsrisico te verantwoorden. Bovendien heeft het project geen (negatieve) invloed op andere risicobronnen. Indien nodig worden tijdig beschermende maatregelen genomen, bijvoorbeeld voor de gasbuisleidingen om ze te beschermen tegen de extra belasting van de spooruitbreiding of om hoogspanningskabels te verhogen. Door de verhoogde frequentie van passagierstreinen rijden er vaker treinen langs overige risicobronnen. Dit betreft twee extra treinen per uur op werkdagen tot 20:00 uur. Dit heeft geen impact op de risicobronnen en wordt dus als neutraal beoordeeld.
Conclusie Vanuit het thema externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.
4.11 Gezondheid De realisatie van project RegioExpres kan leiden tot gezondheidseffecten. In deze paragraaf wordt ingegaan op het thema Gezondheid en de effecten op de bijbehorende aspecten volksgezondheid en leefomgeving.
Wettelijk kader en beleid De Nederlandse overheid hecht veel waarde aan een gezonde leefomgeving en heeft hier de afgelopen decennia integraal beleid voor ontwikkeld. Er is geen wettelijke norm gericht op het totale milieu gerelateerde gezondheidsrisico. Er bestaat wel wet- en regelgeving voor de individuele componenten die dit risico bepalen, zoals luchtverontreiniging en geluidbelasting. In dit onderzoek wordt niet getoetst aan de wettelijke kaders, maar wordt een beeld geschetst van de gezondheidseffecten ten gevolge van luchtverontreiniging en geluidbelasting wanneer het project wordt uitgevoerd.
Onderzoeksresultaten en effecten Volksgezondheid Bij de beoordeling van volksgezondheid zijn de resultaten van geluid en luchtkwaliteit meegenomen. De scores uit deze onderzoeken zijn cumulatief gewogen tot een score voor volksgezondheid, door middel van een Milieugezondheidsrisico (MGR) Analyse. Uit onderzoek, zie het MER, blijkt dat na uitvoering van de RegioExpres de situatie vergelijkbaar is als in een situatie waarin het project niet wordt uitgevoerd. Gezonde leefomgeving Bij het beoordelen van de impact op de gezondheid vormt de inrichting van de gezonde leefomgeving rondom het project RegioExpres een essentieel onderdeel. Verschillende criteria vormen de pijlers voor deze kwalitatieve beoordeling, waarbij de nadruk ligt op de toegankelijkheid, aantrekkelijkheid en het stimuleren van fysieke activiteit in de omgeving. Uit onderzoek, zie het MER, blijkt dat na uitvoering van de RegioExpres de situatie vergelijkbaar is als in een situatie waarin het project niet wordt uitgevoerd. Pagina 75 van 93
Compenserende maatregelen Voor het thema gezondheid worden geen andere compenserende of mitigerende maatregelen uitgevoerd dan de maatregelen in het kader van geluid. Voor het thema geluid worden raildempers geplaatst en een brugmaatregel genomen. Deze maatregelen staan verder beschreven in het paragraaf 4.2.
Beoordeling effect in het Milieueffectrapport Zowel de MGR-score voor volksgezondheid als de impactanalyse op de gezonde leefomgeving wijzen uit dat ten opzichte van de referentiesituatie de situatie vergelijkbaar blijft. Het effect van de RegioExpres op het thema gezondheid is daarom als neutraal beoordeeld.
Conclusie Vanuit het thema gezondheid zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.
4.12 Ruimtegebruik In deze paragraaf is toegelicht wat de effecten van het project RegioExpres zijn op het ruimtegebruik.
Wettelijk kader en beleid Voor dit thema onderstaande kaders relevant. Deze zijn al eerder behandeld en worden daarom inhoudelijk niet weer herhaald. -
De Wet Ruimtelijke Ordening (Wro); De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR); De Nationale Omgevingsvisie (NOVI); De Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’; Voor de vigerende gemeentelijke bestemmingsplannen geldt een algemeen beeld van zorgvuldig ruimtegebruik. Bij de ontwikkeling van de RegioExpres dient rekening te worden gehouden met omliggende functies en waarden.
Onderzoeksresultaten en effecten De realisatie van de RegioExpres leidt tot een functiewisseling van ruimtegebruik. Ruimtebeslag vindt plaats op gebieden met de bestemmingen wonen, bedrijventerreinen, agrarisch, natuur & bos en groen & recreatie. De wijziging van die bestemmingen worden via dit Inpassingsplan geborgd. Door de RegioExpres worden geen (agrarische) percelen doorkruist. Ook worden er geen woningen gesloopt. Bij de uitwerking van de RegioExpres is waar voldoende ruimte aanwezig is, conform de Ontwerpvoorschriften van ProRail (OVS) gewerkt. Er is zo veel als mogelijk rekening gehouden met omliggende functies en waarden.
Compenserende maatregelen Voor het thema ruimtegebruik worden geen compenserende of mitigerende maatregelen uitgevoerd.
Beoordeling effect in het Milieueffectrapport Met uitvoering van het project RegioExpres wordt circa 62.851 m2 aan bestemmingen gewijzigd. Het effect op ruimtegebruik is als negatief beoordeeld. In de beoordeling prefereert de negatieve beoordeling van gebieden met de bestemming ‘agrarisch’ en ‘groen/recreatie’ boven neutrale beoordeling van de bestemmingen ‘natuur/bos’, ‘werken’ en ‘wonen’. Er worden geen woningen gesloopt en huidige functies kunnen blijven bestaan.
Conclusie Vanuit het thema Ruimtegebruik zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.
Pagina 76 van 93
5. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De Provincie Gelderland heeft gekozen het ontwerp-inpassingsplan vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) vast te stellen, daarom is gekozen voor een Inpassingsplan en niet voor een Projectbesluit. In het ruimtelijk besluit (Inpassingsplan) wordt de spooraanpassingen en het rijden van de RegioExpres mogelijk gemaakt en zijn de gevolgen voor onder meer het milieu, de veiligheid en de ruimtelijke ordening onderzocht.
5.1 Raadpleging burgers en maatschappelijke organisaties Kennisgeving voornemen en participatie RegioExpres De Provincie Gelderland heeft door middel van een openbare kennisgeving (gepubliceerd in het Provinciaal Blad op 30 oktober 2020) bekend gemaakt de verkenning naar de RegioExpres te starten. In deze kennisgeving werden inhoudelijk zaken van het voornemen vermeld, zoals informatie over de wijze waarop de procedure wordt doorlopen en wie daarbij wordt betrokken. Naast de openbare kennisgeving werd het participatieplan voor de verkenning gelijktijdig ter inzage gelegd. Eenieder werd van 5 november 2020 tot en met 16 december 2020 in de gelegenheid gesteld een inspraakreactie in te dienen. Op 16 en 18 november 2020 hebben informatiebijeenkomsten plaatsgevonden waarin naast een toelichting, ook de gelegenheid bestond voor het stellen van vragen. Als gevolg van Covid19 waren deze bijeenkomsten online. In totaal zijn er 46 inspraakreacties binnengekomen. De inspraakreacties zijn meegenomen in de verkenning. Definitieve beantwoording heeft plaatsgevonden in de Nota van Antwoord van 8 december 2021.
PraatMee Webomgeving De Provincie Gelderland heeft door middel van de PraatMee Webomgeving van 8 maart 2021 tot en met 31 maart 2021 een extra mogelijkheid voor Inspraak aangeboden. Eenieder kon op de kaart van het spoortraject een stip plaatsen met daarin zijn of haar opmerking of vraag bij deze locatie. Op 8, 10 en 15 maart 2021 hebben daarnaast online informatiebijeenkomsten plaatsgevonden waarin eerder ingediende inspraakreacties -zover als mogelijk1- zijn beantwoord. Als gevolg van Covid-19 waren deze bijeenkomsten online. In totaal zijn er 206 stippen gezet van ongeveer 90 unieke personen. De stippen, die voor een deel overeenkwamen met de hierboven genoemde inspraakreacties, zijn meegenomen in de verkenning. Definitieve beantwoording heeft plaatsgevonden via de Nota van Antwoord van 8 december 2021.
Concept Nota Voorkeursalternatief De Provincie Gelderland heeft, voordat het Voorkeursalternatief is vastgesteld, het Concept Voorkeursalternatief gepresenteerd op drie informatiedagen (13, 14 en 15 december 2021). Ongeveer 110 bezoekers hebben deze informatiedagen bezocht. (na aanmelding in verband met Covid-19). Tijdens deze dagen zijn aandachtspunten voor de volgende fase (planuitwerking) meegegeven.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau De Provincie Gelderland heeft door middel van een openbare kennisgeving (gepubliceerd in het Provinciaal Blad op 28 april 2022) bekend gemaakt dat een Inpassingsplan wordt voorbereid en dat hiervoor een m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Gelijktijdig bij de kennisgeving werd de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) gepubliceerd en participatieplan voor de eerste fase van de planuitwerking. Belanghebbenden hadden zo de kans om kennis te nemen van het plan, de onderzoeksthema’s en de wijze van participatie. Eenieder werd van 28 april 2022 tot en met 8 juni 1
Een aantal inspraakreacties konden nog niet beantwoord worden, omdat hiervoor eerst een voorkeursalternatief bepaald moest zijn of bepaalde onderzoeken uitgevoerd moesten worden. Pagina 77 van 93
2022 in de gelegenheid gesteld een inspraakreactie in te dienen. Ook werden de betrokken bestuursorganen en wettelijke adviseurs om advies over de NRD gevraagd. Op 16 mei 2022 heeft een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Deze bijeenkomst kon, als gevolg van het einde van de Covid19-maatregelen, zonder beperkingen fysiek plaatsvinden. In totaal zijn er 24 zienswijzen en 5 adviezen binnengekomen. Op basis hiervan werd de definitieve reikwijdte en detailniveau van het Milieueffectrapport bepaald. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau en de bijbehorende zienswijzennota zijn op 1 oktober 2022 gepubliceerd.
Participatie gedurende de verkenning en planuitwerking De Provincie Gelderland heeft sinds 2019 een omgevingsmanager beschikbaar. De omgevingsmanager is beschikbaar voor individuele gesprekken met betrokkenen. Hier is veel gebruik van gemaakt, tot en met november 2023 hebben ruim 300 gesprekken plaatsgevonden met aanwonenden, grondeigenaren, bedrijven, scholen en buurtbewoners en andere maatschappelijke organisaties. Sinds mei 2022 is daarnaast een informatiecentrum in Didam geopend. Tot slot hebben ook gerichte informatiebijeenkomsten plaatsgevonden met bewoners van deelgebieden langs het spoortraject. Dit geldt voor de Lange Klauwenhof en Doetinchem De Huet. De opbrengst van deze avonden is verwerkt in dit Inpassingsplan.
5.2 Overleg met besturen en instanties Begin 2018 hebben Provinciale Staten van Gelderland besloten om een brede verkenning te starten naar de mogelijkheden en kansen voor de spoorverbinding Arnhem – Doetinchem – Winterswijk. Hiermee is de verkenning gestart. De RegioExpres 1x per uur is het gekozen voorkeursscenario op basis van de resultaten van de eerste fase van de verkenning. In onderstaande tijdlijn wordt weergegeven hoe besturen en instanties zijn betrokken.
Verkenning fase I (eerste kwartaal 2018 – tweede kwartaal 2018) Aan de betrokken gemeenten, vervoerders (Arriva en Connexxion), ProRail, onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, reizigersorganisaties (ROCOV en Rover) en Jong Achterhoek is gevraagd hoe zij aankijken tegen de spoorverbinding Arnhem – Doetinchem – Winterswijk. Ook heeft een reizigersonderzoek plaatsgevonden op het treintraject. De introductie van de RegioExpres (en de noodzakelijke spoorverdubbeling Didam – Doetinchem De Huet) kwam bij alle partijen naar voren als het voorkeursscenario.
Verkenning fase II (derde kwartaal 2018 – vierde kwartaal 2019) De Provincie Gelderland heeft samen met ProRail, vervoerders, gemeenten Doetinchem en Montferland oplossingsrichtingen uitgewerkt om het voorkeursscenario te realiseren. Alle vier partijen zijn vanaf deze fase in de stuurgroep en het projectteam vertegenwoordigd die voor het project zijn ingericht.
Verkenning fase III (eerste kwartaal 2020 – vierde kwartaal 2021) De Provincie Gelderland heeft samen met ProRail, vervoerders, gemeenten Doetinchem en Montferland de oplossingsrichtingen uit de vorige fase uitgewerkt tot een voorkeursalternatief. Klanteneisen zijn opgehaald bij aan het spoor grenzende gemeenten Aalten, Winterswijk, Oude IJsselstreek, Doetinchem, Montferland, Zevenaar, Duiven, Westervoort, Arnhem en stakeholders TenneT, Gasunie, Waterschap en ProRail en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). In maart 2021 is ILT akkoord gegaan met de voorgestelde maatregelen voor de overwegveiligheid, zoals deze in dit Provinciaal Inpassingsplan zijn opgenomen. De stuurgroep en het projectteam zijn vanaf deze fase uitgebreid met vertegenwoordigers van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Pagina 78 van 93
Planuitwerking fase I (eerste kwartaal 2022 – vierde kwartaal 2022) De Provincie Gelderland heeft in afstemming met ProRail, vervoerders, Waterschap, TenneT, Gasunie, spoorbouwmeester, gemeenten Doetinchem en Montferland de overgebleven inpassingsvraagstukken, bouwwegen en werkterreinen uitgewerkt. Hiermee is de stap gezet van voorkeursalternatief naar voorkeursvariant. De voorkeursvariant is vastgelegd in het ruimtelijk functioneel ontwerp (RFO). Het RFO beschrijft in hoofdlijnen de na te streven beeldkwaliteit. Het RFO is vertaald naar de verbeelding behorende bij dit Provinciaal Inpassingsplan. De samenstelling van de stuurgroep en het projectteam zijn in deze fase niet gewijzigd.
Planuitwerking fase II (eerste kwartaal 2023 – heden) In deze fase zijn – naast de technische uitwerking van de voorkeursvariant – het Milieueffectrapport en Inpassingsplan en bijbehorende onderzoeken opgesteld. De samenstelling van de stuurgroep en het projectteam zijn niet gewijzigd. Voor de thema’s geluid en trillingen hebben in de tweede helft van 2023 speciale themabijeenkomsten georganiseerd. Twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden in Montferland en twee in Doetinchem (één bijeenkomst voor raadleden en één bijeenkomst voor aanwonenden en geïnteresseerden).
5.3 Vooroverlegreacties In het kader van 3.28, eerste lid Wro en artikel 3.1.1 van het Bro is op 20 september 2023 het concept ontwerp-inpassingsplan RegioExpres en het concept Milieueffectrapport voorgelegd aan de relevante vooroverlegpartners. De overlegpartners is gevraagd om binnen 4 weken te reageren. De volgende instanties hebben gereageerd: -
Gemeente Doetinchem; Gemeente Montferland; Gemeente Arnhem; Gemeente Zevenaar; Gemeenten Duiven en Westervoort (1stroom); TenneT; LTO; NS.
Deze reacties van deze instanties en de beantwoording van deze reacties vanuit de Provincie Gelderland zijn terug te lezen in de Vooroverlegnota, een bijlage bij dit Inpassingsplan. Waar mogelijk en relevant zijn de reacties meegenomen in dit ontwerp-inpassingsplan. De volgende instanties zijn wel uitgenodigd om een reactie te geven, maar hebben dit niet gedaan: -
Gemeente Oude-IJsselstreek; Gemeente Winterswijk; Gemeente Aalten; Waterschap Rijn en IJssel; Rijkswaterstaat; Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; Inspectie Leefomgeving en Transport; Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM); Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG); Vitens; Liander; Gasunie; Arriva; Pagina 79 van 93
-
Connexxion; ProRail; NS; Natuur en Milieufederatie Gelderland; Natuurmonumenten; Bosgroep Midden Nederland.
5.4 Zienswijzen Na vaststelling van het ontwerp-inpassingsplan en het Milieueffectrapport worden deze voor zes weken ter inzage gelegd. Hierbij is het voor iedereen mogelijk om zienswijzen in te dienen op het ontwerp-inpassingsplan en het Milieueffectrapport. Tegelijkertijd wordt de Commissie m.e.r. om gevraagd. Mede op basis van de resultaten van het Milieueffectrapport en met inachtneming van zienswijzen en adviezen wordt het ontwerp-inpassingsplan zo nodig nog aangepast en daarna vastgesteld. Na vaststelling wordt het ontwerp-inpassingsplan bekend gemaakt en ter inzage gelegd. Gedurende zes weken na de dag van terinzagelegging kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het besluit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze beslist in eerste en enige instantie over de ingestelde beroepen, binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn. Het ontwerp-inpassingsplan en de bijbehorende stukken liggen met ingang van 21 december 2023 gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage (artikel 3.8 Wro). De stukken zijn ook digitaal te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl onder identificatienummer NL.IMRO.9925.IPRegioExpres-ont1.
Pagina 80 van 93
6. Financiële en procedurele uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid Het plan is financieel uitvoerbaar. Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op de: ▪ ▪ ▪
Investeringskosten; Beheer-, onderhoud- en vernieuwingskosten; Exploitatiekosten.
Investeringskosten De investeringskosten zijn door ProRail in oktober 2022 geraamd tussen de €95,4 en €132,2 miljoen. De zogenoemde verwachtingswaarde bedraagt €113,5 miljoen. Alle bedragen zijn exclusief BTW. Provincie en Rijk hebben in het BO MIRT 2022 afgesproken ieder maximaal €75 miljoen te reserveren. Beide organisaties hebben bewust gekozen meer geld te reserveren dan op basis van de kostenraming van ProRail noodzakelijk is. Het project kent een aantal risico’s die op zouden kunnen treden, door nu meer geld te reserveren is gekozen voor (financiële) zekerheid. Beide partijen hebben ook afspraken gemaakt voor de indexatie tot en met het jaar van uitvoering. Daarnaast zal de gemeente Doetinchem een bijdrage leveren aan de investeringskosten voor aanpassingen aan de weginfrastructuur ter hoogte van station Doetinchem De Huet. Er kan geconcludeerd worden dat de investeringskosten zijn gedekt.
Beheer-, onderhoud- en vernieuwingskosten Het beheer en onderhoud (totale levensduur) van de nieuw te realiseren spoorinfrastructuur ligt bij ProRail. Deze kosten zijn door ProRail op €2,5 miljoen geraamd (oktober 2022) en worden betaald door het Rijk. Dit geldt eveneens voor de kosten van toekomstige vernieuwingen. Er kan geconcludeerd worden dat de beheer-, onderhoud- en vernieuwingskosten zijn gedekt.
Exploitatiekosten Het laten rijden van de RegioExpres is als eis meegenomen in het Programma van Eisen van de aanbesteding van de multimodale concessie Achterhoek-Rivierenland die in december 2025 ingaat. Het moet passen binnen het beschikbare budget dat de Provincie Gelderland beschikbaar stelt voor de uitvoering van deze concessie. Hiermee is het rijden van de RegioExpres geborgd.
6.2 Beschikbaarheid gronden Een groot deel van de gronden waar dit Inpassingsplan betrekking op heeft is niet in eigendom van ProRail. ProRail streeft ernaar om, vóór de bouw en aanleg van het project plaatsvindt, de benodigde gronden voor de realisatie van het project in eigendom te hebben. Er zijn diverse ontwerpsessies gehouden om het ontwerp te optimaliseren, zodat er zo min mogelijk percelen van derden nodig zijn voor realisatie van het project. Waar grond van derden nodig is, is per locatie beoordeeld of een technische oplossing haalbaar is buiten deze gronden om. Op deze plaatsen is de plangrens bijgesteld, waarmee deze gronden niet langer binnen het plangebied van het Inpassingsplan liggen. Daar waar een technische oplossing niet haalbaar is, zijn de gronden van derden opgenomen in het plangebied. Deze gronden dienen verworven te worden om het plan te realiseren. De Provincie Gelderland en ProRail spannen zich in om op minnelijke wijze overeenstemming te krijgen over aankoop van de benodigde gronden. Het proces van minnelijke verwerving loopt. Indien met de betrokken rechthebbenden geen overeenstemming kan worden verkregen, dan kan eventueel een beroep worden gedaan op de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Pagina 81 van 93
6.3 Schadevergoeding Door wijziging van een planologische bestemming en de bijbehorende regels kan er voor belanghebbenden in de nabijheid van het plangebied schade ontstaan. Deze schade wordt planschade genoemd. De grondslag voor de tegemoetkoming in planschade wordt gevormd door afdeling 6.1 van de Wro. Tegemoetkoming is aan de orde indien schade ontstaat in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak door een wijziging van het planologisch regime, dat leidt tot een planologisch nadeel voor een belanghebbende. Overigens leidt niet ieder planologisch nadeel tot (voor vergoeding in aanmerking komende) schade. Een tegemoetkoming wordt toegekend voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins verzekerd is. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde bij de vestiging van zakelijke rechten en de verwerving van objecten. In deze gevallen is sprake van een volledige schadeloosstelling, dus inclusief een tegemoetkoming in planschade. De planschade is op die manier anderszins verzekerd.
6.4 Exploitatieovereenkomst De Wro bepaalt, dat Provinciale Staten bij het vaststellen van een inpassingsplan tevens een exploitatieplan moeten vaststellen indien binnen het plangebied een bij wet omschreven bouwplan is voorgenomen (artikel 6.12, lid 1 Wro). De spoorverdubbeling en de daarbij behorende maatregelen kunnen niet worden aangemerkt als een bouwplan. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet van toepassing op dit inpassingsplan.
6.5 Procedurele uitvoerbaarheid Voordat begonnen wordt met de feitelijke werkzaamheden dienen de voor het project benodigde vergunningen en ontheffingen van kracht te zijn. De benodigde vergunningen en besluiten die relevant zijn voor de uitvoering van de RegioExpres worden separaat aangevraagd. Er zijn geen redenen dat vergunningen, ontheffingen of toestemmingen op voorhand niet verleenbaar worden geacht. Bijzonder aandachtspunten zijn: -
-
-
-
De te wijzigen GPP’s worden vastgelegd in een besluit tot wijziging van de geluidproductieplafonds. Tevens worden geluidgevoelige objecten, die de maximale waarde overschrijden, opgenomen in een overschrijdingsbesluit. Het ontwerp besluit GPP moet vóór vaststelling van het Inpassingsplan zijn genomen. Stikstof: voorafgaand aan de (definitieve) vaststelling van het inpassingsplan wordt bepaald welke stikstof mitigerende maatregelen worden toegepast. Natuurontwikkelingsgebieden A en B: hier dient nog veldonderzoek plaats te vinden voordat bevoegd gezag kan instemmen met vrijgave van de gebieden. Vooralsnog is de dubbelbestemming archeologie in dit Inpassingsplan toegepast op deze percelen. Oude Bosgroeiplaats te Wehl (spoorkilometer 41.4): hier is tijdelijk en permanent ruimte nodig voor (de aanleg van) het tweede spoor. In overleg met Bevoegd gezag moet dit nader worden onderzocht, de afwijkingsprocedure (art. 1a.4 en 1a.6 Omgevingsverordening Gelderland) moet hiervoor worden doorlopen. De aanvraag van een ontheffing op artikel 3.10 Wnb voor de hazelworm en de huismus.
Industrielawaai en bedrijfszonering In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens Het Besluit omgevingsrecht (BOR) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidgevoelige
Pagina 82 van 93
bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeurswaarde industrielawaai). In de Wet geluidhinder is vastgelegd dat het vastleggen, opheffen of wijzigen van een geluidzone moet plaatsvinden via het vaststellen van een bestemmingsplan. Er is niet vastgelegd dat bestaande geluidzones opnieuw overgenomen moeten worden. Het opnemen van de geluidzone heeft dan ook vooral een signaleringsfunctie en is niet nodig vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Voor het voorliggende plangebied zijn twee bedrijventerreinen van de gemeente Doetinchem van belang, te weten: Verheulsweide en Hamburgerbroek in Doetinchem. Deze twee bedrijventerreinen zijn gezoneerd. Waarbij de zonering tot in het voorliggende plangebied reikt. Hiervoor is een zonebeheerplan opgesteld. De geluidzones van Hamburgerbroek en Verheulsweide zijn vastgelegd in de bestemmingsplannen 'Parapluherziening geluidzone Hamburgerbroek' en 'Parapluherziening geluidzone Verheulsweide'.
Deze parapluplannen liggen over de bestaande bestemmingsplannen heen en worden niet door het voorliggende plan vervangen. De geluidzones hoeven daarom dus niet opnieuw opgenomen te worden in bestemmingsplannen of in dit Inpassingsplan. De onderstaande afbeelding geeft de ligging van de geluidzones weer.
Figuur 20 Geluidzones Doetinchem
6.6 Conclusie Het plan is uitvoerbaar, zowel financieel als procedureel. Er hoeft geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro te worden opgesteld. Pagina 83 van 93
7. Juridische planbeschrijving 7.1 Uitgangspunten 7.1.1 Provinciaal Inpassingsplan Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 heeft de wetgever onder andere aan de provincies de bevoegdheid toegekend om een provinciaal bestemmingsplan op te stellen. In de terminologie van de wet wordt een dergelijk plan een Provinciaal Inpassingsplan genoemd (PIP). Hierbij geldt wel als vereiste dat sprake moet zijn van een provinciaal belang. Bovendien kunnen Provinciale Staten ingevolge artikel 3.26 Wro pas tot vaststelling van een Provinciaal Inpassingsplan overgaan, nadat de betrokken gemeenteraden zijn gehoord. De manier waarop dit geschiedt, is vormvrij. Het provinciaal belang is toegelicht in paragraaf 1.4.
7.1.2 Uitsluitingstermijn Na vaststelling van het Inpassingsplan door Provinciale Staten, is de gemeenteraad niet meer bevoegd om voor de in dat plan opgenomen gronden een bestemmingsplan vast te stellen. Deze uitsluiting geldt voor een maximale periode van tien jaar. Op grond van artikel 3.26 lid 5 Wro dienen Provinciale Staten in het vaststellingsbesluit door middel van een termijn aan te geven tot welk tijdstip de uitsluiting van de bevoegdheid van de betrokken gemeenteraad voortduurt. Besloten is de uitsluiting te laten duren gedurende 5 jaar na inwerkingtreding van het inpassingsplan. De uitsluiting geldt niet voor zover een ruimtelijk plan wordt opgesteld, waarin de regels van dit Inpassingsplan worden overgenomen.
7.1.3 Toetsing en handhaving Het Inpassingsplan wordt na inwerkingtreding geacht deel uit te maken van het geldend bestemmingsplan of van de geldende bestemmingsplannen waarop dat Inpassingsplan betrekking heeft. Dit betekent dat aanvragen om omgevingsvergunningen, voor bijvoorbeeld de activiteit bouwen, daaraan worden getoetst. Handhaving van het Inpassingsplan kan geschieden via het instrumentarium van de Wabo.
7.1.4 Vormgeving verbeelding De verbeelding is opgesteld volgens de volgende uitgangspunten: a. b. c. d. e.
f.
Het moet duidelijkheid uitstralen voor belanghebbenden; Het moet een gezamenlijk goed functionerende overheid uitstralen; Het moet consistent zijn; Het moet aansluiten bij het gemeentelijk beleid ten aanzien van bestemmingsplannen. Alleen de gewijzigde bestemming komt op de verbeelding, met uitzondering van: a. bestaand spoor, dit komt overal; b. bestaande wegvakken waarin de bestemming niet wijzigt ten behoeve van de duidelijkheid van de plangrenzen; Daar waar fysieke aanpassingen plaatsvinden, ook zonder gevolgen voor ruimtebeslag. Onder fysieke aanpassingen worden zowel aanpassingen in de tijdelijke als definitieve situatie verstaan.
Pagina 84 van 93
7.2 Algemeen Op de inhoud van het Inpassingsplan zijn de regels die de Wro geeft ten aanzien van gemeentelijke bestemmingsplannen onverkort van toepassing. Het Provinciaal Inpassingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een Inpassingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Het Inpassingsplan is opgebouwd uit drie onderdelen: a. de toelichting; b. de verbeelding; en c. de regels. De toelichting verwoordt welke beleidskeuzes hebben geleid tot het vastleggen van de bestemmingen met bijbehorende regels. In de regels staan per bestemming de specifieke regels met betrekking tot bouwen en gebruik van de gronden. De verbeelding geeft weer aan welke gronden welke bestemming is toegekend. Ook worden op de verbeelding nadere aanduidingen (functie-, bouw- of gebiedsaanduidingen) aangegeven voor gronden waar specifieke regels gelden. Met de standaardisering en digitalisering van bestemmingsplannen wordt beoogd de raadpleegbaarheid en uitwisselbaarheid van ruimtelijke plannen te vergroten. Met de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 zijn de bepalingen voor de standaardisering en digitalisering vastgelegd.
Een Inpassingsplan opgesteld volgens deze bepalingen is een digitaal bestand in GMLformaat, waarin geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd. Technisch gezien is een Inpassingsplan zodoende een verzameling objecten (bestemmingsvlakken en aanduidingen), waaraan informatie (zoals ligging en naam) is gekoppeld. Het onderhavige Inpassingsplan voldoet aan de wettelijke standaarden voor standaardisering en digitalisering. In de bijlagen zijn onderliggende onderzoeksresultaten opgenomen.
7.3 Plansystematiek Dit Inpassingsplan is opgesteld als een gedetailleerd plan. Dit houdt in dat aan de binnen het plangebied aanwezige gronden in hoofdzaak specifieke bestemmingen zijn toegekend, die niet nader worden uitgewerkt. Wel zijn binnen de hoofdbestemming ('Verkeer - Railverkeer') flexibele gebruiksen inrichtingsmogelijkheden geboden (zie ook paragraaf 7.4). In beginsel zijn alle gronden, waar ingrepen in het kader van het project plaatsvinden, in het plangebied van het Inpassingsplan opgenomen. Wel is er omwille van de leesbaarheid voor gekozen om de bestaande spoorlijn eveneens integraal op te nemen in het plangebied van het Inpassingsplan. Zodoende vormen de bestaande spoorlijn met bijbehorende voorzieningen en de nieuwe onderdelen van de spoorlijn gezamenlijk één bestemmingsvlak. De reden daarvoor is dat dit enerzijds de leesbaarheid voor burgers en het bevoegd gezag bevordert en anderzijds zorgt voor rechtseenheid. Ook zijn in enkele gevallen tussenliggende gronden tussen de spoorlijn en gronden waar een bestemmingswijziging benodigd is meegenomen in het plangebied van de leesbaarheid. De plangrens is verder hoofdzakelijk afgestemd op de grens van het werk, waarbij waar mogelijk een geringe uitwerkings-/flexibiliteitsmarge van 1 meter in acht is genomen.
Tot slot zijn de gronden die benodigd zijn voor tijdelijke bouwterreinen en bouwwegen opgenomen binnen het Inpassingsplan. In een aantal gevallen geldt daarnaast een dubbelbestemming. Deze bestemming zorgt voor aanvullende eisen in verband met de bescherming van in het plangebied aanwezige waarden en belangen.
Pagina 85 van 93
De in het plan opgenomen bestemmingen kennen een zekere mate van flexibiliteit door het opnemen van brede bestemmingsomschrijvingen. In paragraaf 7.4 wordt dit bij de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Voor deze opzet is gekozen om bij de technische en feitelijke uitvoering van de beoogde ingrepen voldoende ruimte te kunnen bieden. Bij toepassing van bevoegdheden is van belang dat op grond van artikel 3.26 lid 2 Wro Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten in de plaats treden van respectievelijk de gemeenteraad en burgemeester en wethouders. Deze indeplaatsstelling kent evenwel een aantal uitzonderingen welke genoemd zijn in artikel 3.26 lid 4 Wro. Zo blijft de gemeente in principe bevoegd om een omgevingsvergunning voor de binnenplanse afwijking van het Inpassingsplan te verlenen of een wijzigingsplan vast te stellen. Provinciale Staten kunnen echter een besluit nemen waarin is bepaald dat ook voor die bevoegdheden Gedeputeerde Staten bevoegd is. In dit Inpassingsplan is hier niet voor gekozen.
7.4 Nadere toelichting op de regels Het Inpassingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Hierin zijn regels opgenomen over onder andere de indeling van de regels en de naamgeving van bestemmingen, aanduidingen en maatvoeringen. De regels kennen standaard vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de regels hierna toegelicht. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de inleidende regels is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels (artikel 1). Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Tevens is bepaald op welke wijze de in het plan aangegeven maten gemeten moeten worden (artikel 2). Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De bestemmingsregels zijn onderverdeeld in reguliere bestemmingen en dubbelbestemmingen. De reguliere bestemmingen zijn de volgende. Hierbij wordt per opgenomen hoofdbestemming een beknopte toelichting op de opzet, gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de onderscheiden bestemmingen gegeven. Vervolgens komen de opgenomen dubbelbestemmingen aan bod. Artikel 3 Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen op die gronden waar het project voorziet in grotere groenvoorzieningen.
Naast fiets- en wandelpaden en groenvoorzieningen zijn binnen deze bestemming onder meer water, extensieve dagrecreatie en kunstwerken toegestaan. Binnen de bestemming zijn beperkte mogelijkheden voor het bouwen van kleine gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. De bestemming ‘Groen’ is alleen opgenomen binnen het grondgebied van de gemeente Doetinchem. De regels van de Groenbestemming uit de vigerende bestemmingsplannen van deze gemeente zijn met het oog op de rechtseenheid overgenomen. Artikel 5 Natuur Als compensatie voor het extra ruimtebeslag van het project, wordt een aantal percelen ingericht als natuur, dan wel worden de bestaande natuurwaarden versterkt. De bestemming ‘Natuur’ is opgenomen voor deze gronden. Dit betreft natuurontwikkelingsgebieden A, C en D, voor situering zie in Figuur 17 en Figuur 18. Binnen de bestemming zijn de gronden bestemd voor de instandhouding, ontwikkeling en versterking van landschaps- en natuurwaarden, water, waterhuishoudkundige