CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3 - Toelichting.pdf

gemeenteraad 25 januari 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.3: Horen raad provinciaal inpassingsplan RegioExpres34.328 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In het studiegebied is naar verwachting geen sprake van significante cumulatie van trillingen, doordat de verschillen in afstand of trillingsbron tussen het treinverkeer en overig verkeer groot zijn. Voor de cumulatie met wegverkeer geldt dat er sterke verschillen zijn tussen de karakteristieken van de trillingsbronnen, waardoor cumulatie niet waarschijnlijk is.

Mitigerende maatregelen Er zijn overschrijdingen geconstateerd van het beoordelingskader voor trillinghinder, de Bts. Daarom is een onderzoek naar maatregelen uitgevoerd. Hieruit volgt dat bij zeven locaties een overschrijding van de Bts kan worden verwacht. Deze locaties liggen allen in Didam en zijn weergeven in Figuur 15.

Pagina 45 van 93

Figuur 15 Clusters gebouwen waar overschrijding wordt verwacht (Didam)

Op deze locaties zijn gebouwen met een mogelijke overschrijding van het Bts geclusterd. Een groep gebouwen waarvoor een aaneengesloten maatregel nodig is, wordt een cluster genoemd. Deze zijn in Tabel 10 opgenomen met de mogelijk doelmatige maatregelen. Deze volgen uit een onderzoek naar de kansrijke maatregelen. Deze zijn vervolgens ook onderzocht op kosteneffectiviteit. De meest kosteneffectieve maatregel is geselecteerd (grootste reductie in aantal gehinderden tegen laagste prijs). Wanneer het saldo (baten minus kosten) positief is, is de maatregel kosteneffectief (mogelijk doelmatig). In deze tabel is ook het aantal overschrijdingen na het treffen van maatregelen weergegeven. Tabel 10: Mogelijk doelmatige maatregelen per cluster, inclusief overschrijdingen voor en na maatregel

Cluster

Overschrijdinge n 5

Mogelijke doelmatige maatregelen Geen

Overschrijdingen

2 – Didam Parallelweg – Oude Beekseweg 3 – Didam Hoefijzer – Zandweg

16

TROC *) EPS 2 m diep

7

2

Geen

2

4 – Didam Lange Klauwenhof – Prinses Beatrixstraat 5 – Didam van Rouwenoortweg

8

Geen

8

2

Geen

2

6 – Didam Frieslandweg

2

Geen

2

7 – Didam Toppegaaiweg

3

Geen

3

TOTAAL

38

1 – Didam Stationslaan

*) TROC: TRillingsreducerende Ondergrondse Constructies Pagina 46 van 93

5

29

Bij de meeste clusters zijn geen doelmatige maatregelen te treffen, omdat maatregelen niet inpasbaar, te kostbaar of onvoldoende effectief zijn. Het project leidt nergens tot overschrijdingen van de grenswaarde uit de Bts, de trillingsterkte waarboven maatregelen moeten worden getroffen. Bij cluster 2 (Didam Parallelweg – Oude Beekseweg, zie Figuur 16.) zijn maatregelen wel doelmatig. Het voorgestelde trillingscherm van EPS (gemaakt van piepschuim met een afmeting van 2 meter diep, 0,5 meter breed, ca. 6 meter uit hart spoor) zorgt in de meeste woningen van dit cluster voor voldoende afname van de trillingen. Dit gebied wordt grotendeels al gereconstrueerd, de realisatie van dit trillingscherm kan meegenomen worden in deze reconstructie. Alleen ter plaatse van de Oude Beekseweg moeten aanvullende werkzaamheden plaatsvinden, omdat het scherm hier onder de weg wordt aangebracht. De trillingschermen worden gerealiseerd langs: -

de Parallelweg van spoorkilometer 44.893 tot 45.087; de Pittelderstraat en Oude Beekseweg van spoorkilometer 44.726 tot 45.053.

Door het treffen van de doelmatige maatregelen neemt het aantal overschrijdingen van de Bts af van 38 naar 29. De totale investeringskosten voor trillingmaatregelen bedragen € 0,5 mln. Incl. BTW.

Figuur 16 Cluster 2 in Didam, met voorgestelde maatregelen (TROCs, rode lijnen)

Beoordeling effect in Milieueffectrapport Voor het thema Trillingen zijn drie beoordelingskaders beschouwd: de SBR A-richtlijn voor trillingschade, de Bts voor trillinghinder en de SBR C-richtlijn voor verstoring van gevoelige apparatuur. Voor zowel trillingschade als verstoring van trillinggevoelige apparatuur worden geen overschrijdingen van de beoordelingskaders verwacht. Voor trillinghinder zijn overschrijdingen in een deel van het studiegebied echter niet uit te sluiten, en is een maatregelafweging nodig: Omdat de RegioExpres doorrijdt langs stations waar nu altijd gestopt wordt, en omdat op sommige locaties het spoor dichterbij komt, nemen de trillingen op een aantal locaties langs het tracé toe. Op 7 locaties is de toename van de trillingen groter dan toegestaan in het beoordelingskader, de Bts, en zijn maatregelen afgewogen op doelmatigheid. Bij cluster 2 (Didam Parallelweg – Oude Beekseweg) zijn maatregelen doelmatig, in de vorm van trillingschermen.

Pagina 47 van 93

Conclusie Vanuit het thema trillingen zijn er, rekening houdend met de uit te voeren maatregelen, geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.

4.4 Water De realisatie van de RegioExpres heeft invloed op het thema Water en bijhorende aspecten. Er is onderzoek gedaan naar de effecten op waterveiligheid, waterhuishouding en waterkwaliteit. Effecten zijn voornamelijk kwalitatief beoordeeld, met uitzondering van de toename van het verhard oppervlak. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar het deelrapport Water in de bijlage van dit Inpassingsplan.

Wettelijk kader en beleid Waterbeleid wordt opgesteld op verschillende niveaus. Het betreft Europa, Rijksoverheid, provincie, waterschap en de gemeenten waarin het studiegebied ligt. Europees beleid De Kader Richtlijn Water (KRW) stelt eisen aan de chemische kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater en de kwantiteit van het grondwater. Doel is om te komen tot een ‘goede toestand’ van alle wateren. Hiervoor is in 2009 voor elk stroomgebied een stroomgebiedsbeheerplan opgesteld. Hierin staan milieudoelstellingen voor het grond- en oppervlaktewater. Het plangebied valt in het stroomgebied Rijn. Het stroomgebied beheerplan 2022-2027 voor dit gebied verscheen in oktober 2018. In het stroomgebiedsplan wordt niet alleen gekeken naar het water in de Rijn zelf, maar naar al het water in de betreffende regio, dus ook bijvoorbeeld vertakkingen, meertjes en grondwater. Mede op basis van de stroomgebiedsbeheerplannen stellen de overheden regels op om de (grond)waterkwaliteit te bewaken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkomen van verontreinigingen en de manier waarop het onderhoud van de wateren uitgevoerd moet worden. Naast de stroomgebiedsbeheerplannen zijn ook maatregelenprogramma’s opgesteld.

Hierin staan de maatregelen om deze doelstellingen te bereiken, zoals het verder verbeteren van de waterzuiveringen, aanleggen van natuurvriendelijke oevers en vispassages. Initiatieven zoals de RegioExpres dienen minimaal te voldoen aan het stand-still principe, zodat zij de doelen van de KRW (het verkrijgen van een goede toestand in 2027) niet hinderen. De Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) is in 2007 opgesteld om negatieve gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het culturele erfgoed en de economische bedrijvigheid te beperken. Voor de RegioExpres is het van belang dat de aanleg van het nieuwe spoor en andere infrastructuurwijzigingen geen negatieve invloed hebben op overstromingsrisico’s in het gebied. Daarnaast is het van belang dat de plannen in overeenstemming met de ROR zijn om de veiligheid en duurzaamheid van het project en haar omgeving te waarborgen. Rijksbeleid De Waterwet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Waterwet geeft veiligheidsnormen mee voor primaire waterkeringen. Ook voor aangewezen niet-primaire waterkeringen moeten veiligheidsnormen worden opgesteld.

Daarnaast regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Dit doet de wet door een watertoets te verplichten. Aangezien de RegioExpres invloed zal hebben op lokale watersysteem, is het noodzakelijk om te voldoen aan de veiligheidsnormen die door de Waterwet Pagina 48 van 93

worden gesteld. Door het opstellen van de watertoets wordt er rekening gehouden met waterbeheer en vindt er afstemming plaats met het waterschap. Het Rijk, provincies (IPO), gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen hebben in 2003 het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Het NBW heeft als doel een duurzaam en klimaatbestendig beheer van het water waarbij water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Relevant voor het project RegioExpres is het toepassen van ‘de Watertoets’ als procesinstrument op alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten, waaronder ook het Inpassingsplan. Provinciaal beleid In het Regionaal waterprogramma 2021-2027 wordt beschreven hoe de Provincie Gelderland samen met partners aan een watersysteem voor de toekomst werkt. Daarin staan plannen voor het water in Gelderland zodat het geschikt blijft om te drinken, over te varen en in te zwemmen. De RegioExpres moet zorgen voor een harmonieuze integratie met deze langtermijnplannen om te zorgen dat provinciale belangen met betrekking tot water in acht worden genomen. Waterschappen Het waterschap is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten en handelingen die mogelijk een nadelig effect hebben op de wateraspecten. In het Waterbeheerplan leggen de waterschappen hun beleid vast.

Via de Keur met Algemene en Beleidsregels en Legger(s) kunnen de waterschappen ook regels opleggen aan bewoners en eigenaren. Via deze (juridische) instrumenten waarborgen de waterschappen de noodzakelijke veiligheid en borgen ze het functioneren van het watersysteem, conform de daaraan gegeven functies en doelstellingen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in of nabij waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet bij het niet voldoen aan de Algemene Regels een vergunning aanvragen. De meeste werkzaamheden zijn minimaal meldingsplichtig. Dit geldt ook voor het project RegioExpres. Het waterschap hanteert de regel dat een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m 2 gecompenseerd dient te worden. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 2.500 m 2 is een uitgebreide uitwerking noodzakelijk. Als vuistregel dient 10% van het bruto planoppervlak benut te worden als waterberging (incl. maaipaden en taluds). Dit is ook van toepassing op de RegioExpres. Aandachtspunt hierbij is dat in stedelijk gebied rekening dient te worden gehouden met een T=100+10% bui (80 mm neerslag in 48 uur). In niet-stedelijk gebied dient rekening te worden gehouden met een T=10+10% bui (40 mm neerslag in 45 minuten).

Initiatieven als de RegioExpres moeten hieraan worden getoetst en er moet bepaald worden of er maatregelen nodig zijn als onderdeel van het project.

Onderzoeksresultaten en effecten Voor het Inpassingsplan is het relevant of het project zorgt of het verhard oppervlak wijzigt. Als het toeneemt, dient dit gecompenseerd te worden conform de regels van het waterschap. Uit onderzoek blijkt dat door de bouw van nieuwe perrons (Wehl, Doetinchem De Huet) en het relaishuis te Doetinchem het verhard oppervlak in het plangebied toeneemt met ca. 1000 m2. Dit betekent dat circa 100 m2 (10% van 1000 m2) dient te worden gecompenseerd in het plangebied. Voor het Inpassingsplan is ook relevant welke duikers en stuwen aanwezig zijn en in hoeverre die gewijzigd dienen te worden. In Tabel 11 zijn de in het plangebied aanwezige duikers en stuwen gepresenteerd. Deze zijn onderzocht en vervolgens is bepaald in hoeverre deze aangepast moeten worden om het project mogelijk te maken.

Pagina 49 van 93

Tabel 11 Overzicht watergangen en bijbehorende duikers

Watergang code (locatie)

Kenmerk leidingvak

Kenmerk duiker

BVM12.000 (Frieslandweg te Didam)

LV4421002 1

DR44210065 Breedte / Diameter: 0,6 m

BVM00.000 Didamse Leigraaf (Parkweg 18 te Didam)

LV4421000 8

DR44210021 Breedte / Diameter: 2,0 m

Hier ligt ook een stuw

BVM24.060 (Weemstraat te Wehl)

LV4432000 6

DR44320209 Breedte / Diameter: 0,5 m

Ter hoogte van deze duiker is al dubbelspoor gelegen.

BVM24.045 (Groenestraat te Wehl)

LV4431004 3

DR44310133 Breedte / Diameter: 0,9 m

BVM24.000 Wehlse Beek (Alsemveld te Doetinchem)

LV4431008 5

DR44310085 Breedte / Diameter: 1,25 m

OIJ28.020 Dichterense Tochtsloot (Jan Willinkstraat te Doetinchem)

LV5493010 2

DR54930086 Breedte / Diameter: 2,49 m

Pagina 50 van 93

Opmerking

Bestaande duiker die onder station Doetinchem De Huet doorloopt.

Mitigerende en compenserende maatregelen In overleg met ProRail en waterschap Rijn en IJssel worden enkele duikers verlengd en wordt een stuw verplaatst (zie Tabel 12). Tabel 12 Overzicht aanpassingen aan duikers en stuw om huidige functioneringsniveau te borgen.

Watergang code (locatie)

Kenmerk leidingvak

Kenmerk duiker

Opmerking

BVM12.000

LV4421002 1

DR44210065

Verlengen van de duiker.

LV4421000 8

DR44210021

LV4431004 3

DR44310133

LV4431008 5

DR44310085

(Frieslandweg te Didam) BVM00.000 Didamse Leigraaf (Parkweg 18 te Didam)

BVM24.045 (Groenestraat te Wehl) BVM24.000 Wehlse Beek (Alsemveld te Doetinchem)

Breedte / Diameter: 0,6 m

Breedte / Diameter: 2,0 m

Verlengen van de duiker. Bij verlenging duiker wordt de afstand tussen duiker en aanwezige stuw te klein en dus onvoldoende doorstroming. Stuw is van beton. In overleg met het waterschap wordt de stuw verplaatst binnen de plangrenzen van het Inpassingsplan. Verlengen van de duiker.

Breedte / Diameter: 0,9 m Verlengen van de duiker.

Breedte / Diameter: 1,25 m

Ook is, in overleg met ProRail en het waterschap Rijn en IJssel, een groot deel van de oorspronkelijk voorziene drainage vervangen door een greppel. Deze wordt op diverse locaties waar ruimte is, aangelegd ten behoeve van afwatering vanuit het spoor. Om ervoor te zorgen dat het hemelwater dat terecht komt op/in het nieuwe tweede spoor niet versneld wordt afgevoerd en behouden blijft in de omgeving, worden de greppels niet aangesloten op een bestaand afwateringssysteem. Het hemelwater zakt daarom langzaam de bodem in. Naast dat dit een maatregel is die de hoeveelheid onderhoud verminderd (t.o.v. drainage) betreft dit ook een maatregel in het kader van duurzaamheid en klimaatadaptatie, aangezien het hemelwater wordt vastgehouden en kan infiltreren in de directe omgeving. Op locaties waar de greppel ruimte-technisch niet inpasbaar is wordt de afwatering wel geregeld middels een drainage die afwatert op aansluitende greppels of zinkputten. Voor de aanleg van nieuwe perrons wordt circa 100 m2 aan oppervlaktewater gecompenseerd vanwege de toename van verhard oppervlakte. Dit wordt ingevuld in vorm van de eerdergenoemde greppels die langs de spoorbaan worden gegraven t.b.v. de afvoer van hemelwater.

Er wordt met een geotechnisch en geohydrologisch onderzoek nog onderzocht of de doorlatendheid van de ondergrond hoog genoeg is om extreme neerslaghoeveelheden bij buien te kunnen verwerken,

Pagina 51 van 93

zonder dat het hemelwater terugstroomt richting de spoorbaan. De conclusies worden meegenomen in het vast te stellen definitieve Inpassingsplan.

Beoordeling effect in het Milieueffectrapport De waterveiligheid wordt niet beïnvloed door de realisatie van het project. Op waterkwaliteit heeft het project geen negatief noch een positief effect. De maatregelen die worden genomen op basis van de te verwachten effecten op waterhuishouding zijn beperkt en omvatten alleen het aanleggen van greppels en drainage langs het spoor en het verlengen enkele duikers en verplaatsen van een stuw. De compensatie voor de toename van verhard oppervlak wordt met de aanleg van greppels ingevuld. Deze maatregel heeft een positief effect op de waterhuishouding die anders negatief zou worden beoordeeld. Daarom wordt deze, net als de totaalscore, beoordeeld als neutraal. De totaalbeoordeling voor het thema Water is dan neutraal.

Conclusie Vanuit het thema Water zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.

4.5 Natuur Voor het thema Natuur is onderzocht welke effecten voor dit thema zijn te verwachten als gevolg van de voorgenomen activiteiten en welke maatregelen worden genomen om deze effecten te mitigeren. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar het deelrapport Natuur in de bijlage van dit Inpassingsplan.

Wettelijk kader en beleid Europees Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In deze richtlijnen wordt aangegeven welke planten en dieren en hun natuurlijke habitats (leefgebieden) beschermd moeten worden door de lidstaten van de Europese Unie. De Vogelrichtlijn (VR) is gericht op in het wild levende vogelsoorten. De Habitatrichtlijn (HR) is gericht op dier- en plantensoorten. De richtlijnen zorgen voor gebieds- en soortenbescherming in Europa. De gebieden worden aangewezen als speciale beschermingszone en worden ‘Natura 2000’ genoemd. Naast gebiedsbescherming bevatten de richtlijnen ook regels voor algemene soortenbescherming. Door verbodsbepalingen is het verboden beschermde diersoorten te doden, vangen, of hun nesten te verstoren. Ook gelden er plukverboden voor planten en jachtrestricties voor vogels. Rijk In Nederland zijn de internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn vanaf 1 januari 2017 verwerkt in de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb vervangt Natuurbeschermingswet 1998, de Flora-Faunawet en de Boswet. In hoofdlijnen is de Wnb in het leven geroepen om biodiversiteit in Nederland te beschermen. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is het bevoegd gezag in het kader van de Wnb.

In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de aanlegfase en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan deze stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden worden berekend.

Pagina 52 van 93

Als de berekeningen met AERIUS aangeven dat er geen toename is van stikstofdepositie (gelijk aan of kleiner dan 0,00 mol N/ha/jaar), kunnen significante effecten als gevolg van stikstofdepositie van tevoren worden uitgesloten, en is er geen vergunning Wnb nodig. Als uit de berekening blijkt dat er een toename is van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan een van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, is er een vergunning vereist op basis van de Wet natuurbescherming. - Middels een ecologische beoordeling (voortoets of passende beoordeling) is volledig uitgesloten dat stikstofgevoelige habitattypen of habitats van soorten verslechteren, ondanks de toename van de depositie. - Na intern salderen is de toename van de stikstofdepositie niet groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. Provincie De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden in de Provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. Het GNN bestaat uit een stelsel van onderling verbonden provinciaal beschermde natuurgebieden. Om deze natuurgebieden te beschermen en de samenhang te versterken streeft de Provincie ernaar de natuurgebieden uit te breiden en verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO) aan te leggen.

De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN en waar bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met de ecologische waarde die de locatie heeft. Middels de Omgevingsverordening Gelderland worden de GNN en GO, maar ook weidevogelgebied, ganzenrustgebied en houtopstanden beschermd. Gemeenten Conform de APV van de gemeente Montferland is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te rooien als deze op de bomenlijst staan of een diameter groter dan 50 cm op 1,30 meter stamhoogte boven het maaiveld hebben (artikel 4.11). Dit betreft bomen binnen de bebouwde kom Wnb. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen. Het groenstructuurplan van de gemeente Montferland is een beleidsnota voor het behoud en de ontwikkeling van het groen binnen de gemeente. De gemeente Montferland heeft voor iedere kern een uitgebreide vertaling van de visie gevat in een eigen werkboek. Monumentale en beeldbepalende bomen zijn reeds beschermd. In het groenstructuurplan van Montferland wordt die bescherming herbevestigd. Daarnaast worden in het groenstructuurplan ook andere elementen die essentieel zijn voor de groenstructuur in de kernen beschermd.

Bovendien heeft gemeente Montferland een bomenbeleidsplan (2019) waarin een bomentoets benoemd wordt waarmee gecontroleerd kan worden op de afstemming tussen ruimtelijke plannen en het behoud van bomen en bomen in groenstructuren. Conform de bomenverordening van de gemeente Doetinchem is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te rooien als deze op de bijzondere bomenlijst staan, het een openbare boom betreft met een stamomtrek van meer dan 60 cm of een particuliere boom met een stamomtrek van meer dan 120 cm op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld (artikel 2 lid 4 en 5). Deze regelgeving geldt voor zowel binnen de bebouwde kom Wnb als op erven daarbuiten. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen. Provinciale en gemeentelijke kaarten zijn gecombineerd en aangevuld tot de Groenstructuurkaart Doetinchem 2017. De groenstructuurkaart bestaat uit drie deelkaarten: West (Wehl en omgeving), Midden (stad Doetinchem en omgeving) en Oost (Gaanderen en omgeving). Bij het samenstellen van de groenstructuurkaart staat de opgave ‘creëren van de groene waas’ uit de Structuurvisie 2035 centraal. De kaarten West en Midden zijn relevant voor onderhavig project.

Pagina 53 van 93

Onderzoeksresultaten en effecten De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd: bureau- en veldonderzoek in relatie tot bouwterreinen en de spoorbaan, soortgericht onderzoek (o.a. jaarrond beschermde nesten, vaatplanten, reptielen, vleermuizen, en grondgebonden zoogdieren), bureaustudies en veldonderzoeken naar de kwaliteit van het GNN en de GO, bomeninventarisatie en stikstofberekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Voor een uitgebreide terugkoppeling van alle onderzoeksresultaten en effecten wordt verwezen naar het deelrapport Natuur Beschermde gebieden Natura 2000 – Stikstof Voor zowel de aanleg- als gebruiksfase zijn stikstofdepositieberekeningen gemaakt met behulp van AERIUS Calculator. De volledige resultaten zijn opgenomen in de adviesmemo’s stikstof in de bijlage van dit Inpassingsplan. Aanlegfase De aanlegfase vindt plaats in 2026 en 2027. De werkzaamheden die in deze fase plaatsvinden zijn tijdelijk. Uitgangspunt in de AERIUS berekeningen is dat de ballast middels elektrische tractie van Amsterdam naar het rangeerterrein in Arnhem wordt gebracht. Op het rangeerterrein in Arnhem wordt de elektrisch aangedreven locomotief vervangen door een diesellocomotief die de ballast naar het plangebied vervoert.

Uit de berekeningen met het AERIUS model versie 2023.0.1 blijkt dat de aanlegfase van het project RegioExpres zal leiden tot een kleine toename in stikstofdepositie op twee Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn: Rijntakken en de Veluwe (zie Tabel 13). Tabel 13, stikstofdepositie rekenjaar 2026 en 2027

Jaar van realisatie 2026 2027

Natura 2000-gebied Rijntakken Veluwe Rijntakken

Oppervlakte met toename (ha) 0,01 1.516,00 10,61

Grootste toename van depositie (mol/N/ha/jr) 0,01 0,01 0,01

Gebruiksfase Vanwege de RegioExpres slaat er extra stikstof neer op een aantal Natura 2000-gebieden De extra belaste natuurgebieden bevatten allemaal habitattypen die reeds overbelast zijn met stikstof. Uit de berekening met het AERIUS model versie 2023.0.1 blijkt dat de gebruiksfase van het project RegioExpres zal leiden tot een toename in stikstofdepositie op zes Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of -soorten die (naderend) overbelast zijn. Het betreft met name de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe. De maximale permanente depositie per Natura 2000gebied bedraagt 1,03 mol/ha/jr. De maximale afname bedraagt 0,16 mol/ha/jr (Tabel 14). Het feit dat er een afname van stikstofdepositie is op de Natura 2000-gebieden Korenburgerveen, Bekendelle en Wilinks Weust wordt veroorzaakt door het feit dat daar de bijdrage van de stoptreinen zwaarder weegt dan die van de RegioExpres, en de stoptreinen gemiddeld korter zijn dan in de referentiesituatie.

Pagina 54 van 93

Tabel 14 Stikstofdepositie als gevolg van gebruiksfase vanaf 2027

Natura 2000gebied

Oppervlak met toename (ha)

Oppervlak met afname (ha)

Grootste afname van depositie (mol N/ha/jr)

110,75 33.028,03 70,73

Grootste toename van depositie (mol N/ha/jr) 1,03 0,15 0,04

Rijntakken Veluwe Landgoederen Brummen Sint Jansberg De Bruuk Stelkampsveld Korenburgerveen Bekendelle Wilinks Weust

0,00 0,00 0,00

0,00 0,00 0,00

82,70 13,19 0,06 0,00 0,00 0,00

0,01 0,01 0,01 0,00 0,00 0,00

0,00 0,00 0,00 162,53 30,69 1,20

0,00 0,00 0,00 0,01 0,16 0,01

Natura 2000 – Overige aspecten Gezien de afstand tussen de spoorbaan en de omliggende Natura 2000-gebieden (minimaal 750 meter) en er bebouwing tussen de spoorbaan en Natura 2000-gebieden aanwezig is, wordt een effect op Natura 2000-gebieden door optische verstoring, geluid en trillingen uitgesloten. Daarnaast is de spoorbaan een reeds zeer verstoorde omgeving waardoor de verstoring ten gevolge van de RegioExpres wegvalt in de huidige (geluids)verstoring. Er worden geen structuren doorsneden die een verbindende functie hebben voor Natura 2000- gebieden in de wijdere omgeving. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Door het tijdelijke en permanente ruimtebeslag treedt er oppervlakteverlies aan GNN op, te weten: -

5.436 m2 GNN zonder natuurtype. Dit betreft gemaaid gras langs de spoorbaan; 3.746 m2 GNN met natuurtype ‘N16.04 Vochtig bos met productie’, 724 m2 GNN met natuurtype ‘N16.03 Droog bos met productie’, en; 214 m2 GNN met landschapselementtype ‘L01.07 Laan’.

Het gebied ter plaatse van het ruimtebeslag is aangeduid als kernkwaliteit ‘Leefgebied das’ van het gebied De Liemers Oost. Doordat het raakvlak met het GNN enkel een strook langs het spoor betreft leidt het verdwijnen hiervan niet tot een grote verstoring van de aanwezige functies voor das in het bos. Door de ruime aanwezigheid van (beter) geschikt bosgebied in de directe omgeving van het plangebied, wordt een beperkt effect op de das verwacht door het verlies van areaal als gevolg van het project. De toename van versnippering heeft uiteindelijk echter wel een effect op de dassenpopulaties in het gebied. Voor de continuering en borging van waarden en kenmerken van het GNN op de lange termijn is het van belang dat het verdwijnende areaal weer teruggebracht wordt. De toename van frequentie in het treinverkeer (eenmaal per uur in twee richtingen) en het rijden van sneltreinen tussen Arnhem en Doetinchem hebben geen effect op het GNN. De spoorbaan is een reeds verstoorde omgeving. Wel vindt er oppervlakteverlies en barrièrewerking plaats. Groene Ontwikkelingszone (GO) en Ecologische verbindingszones (EVZ) De voorgenomen ontwikkeling legt een ruimtebeslag op de gebieden die behoren tot de GO met een oppervlakte van 1,43 hectare zonder natuurtype. Het betreft hier stroken aan de noord- en zuidzijde van de spoorbaan tussen Didam en Wehl. Het oppervlak bestaat uit: -

0,23 hectare GO bestaand uit kruidenrijk grasland langs het spoor; en 1,20 hectare GO bestaand uit productiegrasland.

Pagina 55 van 93

Doordat de uitbreiding van de spoorlijn een groter obstakel vormt in het landschap, heeft dit een nadelig gevolg op de ecologische verbindingszones. Ook het areaal aan GO dat verloren gaat als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen heeft een nadelig gevolg de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. De kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen moeten conform de Provinciale Verordening per saldo en naar rato van de ingreep versterkt worden. In de aanleg- en gebruiksfase leiden de voorgenomen werkzaamheden tot een aantasting van de kernkwaliteiten en samenhang of beperking in het behalen van de ontwikkelingsdoelen van de GO. Provinciaal beschermd weidevogelgebied en ganzenrustgebied Er vinden geen werkzaamheden plaats in of nabij weidevogelgebied of ganzenrustgebied. Het dichtstbijzijnde gebied is ganzenrustgebied op 700 meter ten zuiden van het plangebied. Weidevogelgebied ligt op minimaal 3,3 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op weidevogelgebied of ganzenrustgebied. Aangezien er reeds treinverkeer aanwezig is bij deze gebieden wordt een toename van één trein per uur in beide richtingen met hogere snelheid redelijkerwijs als niet extra verstorend geacht.

Gemeentelijke groenstructuurplannen Het ruimtebeslag op de omliggende groenstructuren is op één locatie na niet dusdanig dat de structuren kwalitatief afnemen, gezien de beperkte omvang in relatie tot de omliggende gebieden. In de realisatiefase is de oppervlakteafname beperkt gezien de omvang van de omliggende structuren en de tijdelijke aard van de werkzaamheden in de realisatiefase. De samenhang van het netwerk van groen en bomen blijft daardoor naar verwachting intact. Er vindt wel dusdanig ruimtebeslag plaats op de hoofdgroenstructuur aan de Oude Beekseweg in de gebruiksfase dat deze zonder het treffen maatregelen kwalitatief minder goed wordt. Waardevolle groenstructuren kunnen verder vrijwel overal behouden worden. Houtopstanden Er worden de volgende aantallen en oppervlakken vergunningsplichtige bomen en/of houtopstanden gekapt: -

83 bomen binnen de bebouwde kom Wnb (APV Montferland of Bomenverordening Doetinchem); 4.778 m² Wnb houtopstanden buiten de bebouwde kom Wnb, waarvan 190 m2 oude bosgroeiplaats (meldings- en herplantplicht Wnb en maatwerk oude bosgroeiplaats); 1 boom buiten de bebouwde kom van Doetinchem (bomenverordening Doetinchem); 35 bomen buiten de bebouwde kom Wnb binnen een houtopstand Wnb (bomenverordening Doetinchem en meldings- en herplantplicht Wnb).

Hiervan is 190 m2 onderdeel van oude bosgroeiplaatsen: -

145 m2 betreft rooi ten behoeve van bouwwegen, dit areaal kan hersteld worden op dezelfde locatie; 45 m2 valt binnen de contour van de spoorverdubbeling en wordt daarmee permanent aangetast.

In het Landschapsplan is een voorstel opgenomen voor herplant van bomen en houtopstanden waarin naast ecologische waarden ook landschappelijke waarden zoveel mogelijk worden versterkt en het verlies ten gevolge van de RegioExpres wordt gemitigeerd. In hoeverre het landschapsplan uiteindelijk gerealiseerd kan worden hangt af van zaken als grondverwerving en afspraken met de gemeente en perceeleigenaar. De precieze invulling wordt in een vervolgtraject met de gemeente afgestemd (zie bijlage 25 Landschapsplan bij dit Inpassingsplan). Voor bomen binnen de bebouwde kom worden met de betreffende gemeenten afspraken gemaakt over de invulling van de compensatie. Houtopstanden die onder de Wnb vallen, worden gecompenseerd conform Provinciale Verordening. Bomen en Pagina 56 van 93

struiken die permanent gekapt worden op de oude bosgroeiplaats kunnen niet op dezelfde locatie worden terug geplant. Dat is in strijd met art. 3.91 (lid 2 sub h) van de Omgevingsverordening Gelderland. Er kan geen ontheffing worden verleend door Gedeputeerde Staten. Dit betekent dat de afwijkingsprocedure (art. 1a.4 en 1a.6 Omgevingsverordening Gelderland) doorlopen moet worden. Artikel 1a.4 van de Omgevingsverordening stelt dat van de regels in hoofdstuk 3 afgeweken kan worden, voor zover toepassing van een regel, gelet op het oogmerk daarvan: -

onevenredig is in verhouding tot een zwaarwegend belang; of een evenredige afweging van de betrokken belangen bij de optimale oplossing van een dilemma belemmert.

Dit moet onderbouwd worden voor het project RegioExpres. Deze onderbouwing wordt aan Gedeputeerde Staten voorgelegd met het verzoek tot het nemen van het besluit voor afwijken van art. 3.91 (lid 2 sub h). Gedeputeerde Staten stelt conform artikel 1a.6 van de Omgevingsverordening de Provinciale Staten in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen aan te geven over het voornemen tot besluit. Er worden ten behoeve van de spoorverbreding in totaal 119 ontheffings- en/of vergunningsplichtige bomen gekapt en 4.778 m2 aan ontheffingsplichtige houtopstanden gerooid. Beschermde soorten De voorgenomen ontwikkelingen hebben in de aanlegfase een effect op meerdere beschermde soorten. De effecten zijn negatief op algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren en reptielen. De effecten zijn sterk negatief op vogels met jaarrond beschermde nesten. Ook in de gebruiksfase is er een negatief effect op algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren en reptielen.

Mitigerende en compenserende maatregelen Onderstaand is een overzicht van de mitigerende en compenserende maatregelen gegeven per beschermingsregime. Voor een uitgebreid overzicht van alle maatregelen wordt doorverwezen naar het deelrapport Natuur. Natura 2000 – Stikstof Door het treffen van maatregelen dient het effect op omliggende Natura 2000-gebieden zodanig te worden teruggebracht dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt op de genoemde Natura 2000-gebieden, zowel ten gevolge van de aanleg als ook het gebruik van de RegioExpres. Aanlegfase: verminderen van de uitstoot is mogelijk middels het toepassen van elektrisch aangedreven bouwmaterieel. In dit stadium is echter nog niet bekend welke mitigerende maatregelen ingezet zullen worden. Duidelijk is wel dat de toename in stikstofdepositie niet zodanig groot is dat de mitigatie als onhaalbaar moet worden beschouwd. Gebruiksfase: rijden met HVO (Hydrothreated Vegetable Oil, in plaats van reguliere diesel) reduceert stikstofemissie bij de bron. Door TNO/Movares uitgevoerd (praktijk)onderzoek (in samenwerking met Arriva, ProRail en Provincie Gelderland) heeft uitgewezen dat deze maatregel de stikstofdepositie ten gevolge van project RegioExpres reduceert.

Een AERIUS-berekening op basis van door TNO bepaalde emissiekentallen voor HVO wijst uit dat het project nog slechts voor het Natura 2000-gebied Rijntakken zou leiden tot een toename in stikstofdepositie van maximaal 0,15 mol N/ha/jaar. De stikstofdepositie die niet wordt weggenomen met de bronmaatregel dient opgelost te worden binnen het ecologisch vervolgonderzoek, bijvoorbeeld door ‘extern salderen’. Dit houdt in dat andere emissiebronnen in de omgeving van de stikstofgevoelige natuur die door het project wordt belast weg worden genomen om zo het negatieve projecteffect te voorkomen. Deze maatregel is binnen project Pagina 57 van 93

RegioExpres nog niet onderzocht, maar zou, eventueel in combinatie met de bovengenoemde bronmaatregel, een oplossing kunnen bieden. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Zoals hierboven beschreven leidt de realisatie van de RegioExpres tot oppervlakteverlies van GNNgronden. Voor het compenseren van oppervlakte dient naast de daadwerkelijke oppervlakte ook gekeken te worden naar de ontwikkeltijd van het natuurtype om te bepalen of er nog een oppervlaktetoeslag toegevoegd dient te worden. De beheertypes van het GNN worden gecompenseerd door beheertypes van gelijkwaardige of hogere kwaliteit en van dezelfde types (‘droog’ door ‘droog’ en ‘vochtig’ door ‘vochtig’) conform Provinciale Verordening, en in voldoende oppervlakte door toepassing van toeslagfactoren. Er is voor de compensatie van het GNN gekozen om hele percelen in te richten als natuurtypen, waarmee een robuuste en aaneengesloten compensatie ontstaat. Dat betekent dat er netto meer gecompenseerd wordt dan strikt noodzakelijk. Met de compensatie wordt ook een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van bossen/bosranden en biotopen voor vogels en doelsoorten van het EVZ-model das in dit gebied, wat als kwaliteiten van het gebied zijn gedefinieerd. Uiteindelijk komen de fysiek te compenseren oppervlaktes hiermee uit op het volgende: -

5.436 m2 (0,54 ha) grasland; 1.207 m2 (0,12 ha) GNN met natuurtype ‘N16.03 Droog bos met productie’; 3.746 m2 (0,37 ha) GNN met natuurtype ‘N16.04 Vochtig bos met productie’.

Dit betreft een totale compensatieopgave van 10.388 m2 (1,04 ha). Er zijn drie locaties in landgoed Stilliwald voorzien om de compensatie te realiseren, dit zijn percelen A, C en D (Figuur 17 en Figuur 18). Deze percelen zijn aangeduid als natuurtype N00.001 en niet binnen het GNN gelegen, en voldoen daarmee aan de vereisten uit de provinciale verordening. Dat wordt in onderstaande Tabel 15 weergegeven in de kolom ‘Netto over (GO)’. Deze oppervlakken worden namelijk ingezet als versterking van de GO. Perceel B wordt te zijner tijd ook ingericht ten behoeve van natuur. Tabel 15 Overzicht compensatie natuurbeheertypes percelen Stiliwald

Perceel

Type

Categorie

Abiotiek

A

N12.02 kruiden- & faunarijk grasland N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos N10.02 vochtig hooiland N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos

1

C D

Droog

Oppervlakte (ha) 1,93

Opgave GNN 0,54

Netto over (GO) 0,89

2

Droog

0,39

0,12

0,27

2

Vochtig

0,74

0,37

0,37

2

Droog

0,66

-

0,66

Pagina 58 van 93

Figuur 17 Locatie compensatiepercelen landgoed Stilliwald

Figuur 18 Locatie compensatiepercelen landgoed Stilliwald

Pagina 59 van 93

Groene Ontwikkelingszone (GO) en Ecologische verbindingszones (EVZ) Zoals eerder aangegeven zijn het GNN en de GO binnen het studiegebied met elkaar verweven. De maatregelen die genomen worden voor het GNN werken dus ook door op de GO en vice versa. Om de ecologische condities rond het plangebied te borgen en te voldoen aan de vereisten uit de provinciale verordening dient er voor de aantasting van de GO een versterkingsplan opgesteld te worden. De GO hoeft niet in oppervlakte gecompenseerd te worden, maar deze dient wel versterkt te worden. De berekende verlies- en impactpunten dienen vervolgens met versterkingsmaatregelen verrekend te worden. Voor alle maatregelen geldt de bonusfactor voor een bijdrage aan het EVZ-model das. Om op de benodigde versterking uit te komen wordt uitgegaan van de volgende maatregelen: -

Realisatie van twee kleine zoogdiertunnels/faunapassages over het traject ten behoeve van de das; Realisatie van drie dwarsligger faunapassages (DFP) over het traject ten behoeve van herpetofauna (amfibieën en reptielen); Waarborging van oversteekplekken voor groot wild (reeën); Realisatie van droog bos zoals dennen-, eiken- & beukenbos (N15.02) met een oppervlakte van 0,93 hectare (9.300 m2); Realisatie van kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) met een oppervlakte van 0,89 hectare (8.900 m2); Realisatie van vochtig hooiland (N10.02) met een oppervlakte van 0,37 hectare (3.700 m2); Realisatie van een houtwal (L01.02) met een totale oppervlakte van 0,18 hectare (1.800 m 2); Versterken van bestaande singels (398 meter).

De beoogde ligging van de faunapassages zijn weergeven in Figuur 19. Door de aanleg van bos wordt geschikt leefgebied gecreëerd voor de das ter versterking van de populatie. Eikenbossen bieden dekking voor burchten en zijn ideale foerageergebieden voor dassen en bosvogels als spechten en boomklever. Daarnaast wordt door de aanplant van bos recreatiegebied en typische bosrandstructuren aan het gebied toegevoegd. Ook worden kruiden- en faunarijk grasland en vochtig hooilanden gerealiseerd. Hierdoor ontstaat een nieuwe biotoop voor onder andere meerdere vogels en wordt foerageergebied voor de das gecreëerd. Houtwallen zijn een typische landschapsvorm binnen het EVZ-model das en dragen bij aan een kleinschalig cultuurhistorisch landschap welke ook geschikt is voor de steenuil en andere vogels, marters en verschillende vleermuizen.

Pagina 60 van 93

Figuur 19 Beoogde ligging faunapassages

Beschermde soorten Om effecten op beschermde soorten te mitigeren worden verschillende maatregelen genomen. Om negatieve effecten op broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd of aan oevers wordt gewerkt, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten, mag er niet gewerkt worden. De verstoring van vogels met jaarrond beschermde nesten (zoals huismus) wordt voorkomen door buiten de broedperiode te werken waar nesten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden liggen. Voor de huismus wordt bij de haag tussen spoorkilometers 43.7 en 43.8 (geocode 212) de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd (maart tot augustus). De essentiële haag bij station Doetinchem De Huet wordt verplaatst voorafgaand aan het broedseizoen onder ecologische begeleiding.

Verstoring van vleermuizen en nacht-actieve vogels (uilen) wordt voorkomen door op locaties waar deze verwacht worden te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient lichtval op bomen, water, en gebouwen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen. Daarnaast wordt het werkgebied in gebieden waar reptielen kunnen worden verwacht (km 40.3 t/m 41.1, geocode 212) afgezet met reptielenschermen. Hazelwormen worden weggevangen tot het Pagina 61 van 93

werkgebied vrij is. Deze maatregelen worden in de minst kwetsbare periode uitgevoerd, na de winterslaap en voor de dracht en de periode voorafgaand aan de winterslaap. Voor de hazelworm dient een ontheffing op artikel 3.10 Wnb aangevraagd te worden omdat de spoorbaan ruimtebeslag heeft op het leefgebied. Ook dienen belangrijke groenelementen en groene corridor parallel aan de spoorlijn functioneel gehouden te worden tijdens de werkzaamheden. Dat kan gedaan worden door altijd een strook (minimaal 2 meter) van groen met voldoende dekking (bijvoorbeeld bramenstruiken, hoog gras of struikgewas) vrij te houden. Deze strook mag tussen zonsondergang en zonsopkomst niet verlicht zijn en er mogen ook geen barrières in de strook gelegd worden die de doorgang kunnen beperken, zoals materieel. Voor meer informatie over de beschermde soorten wordt verwezen naar het deelrapport Natuur.

Beoordeling effect in het Milieueffectrapport In het MER is onderzoek gedaan naar het effect van de realisering van de RegioExpres op het thema natuur. Er is onderscheid gemaakt tussen de tijdelijke effecten en de permanente effecten. Het project zorgt in het Natura 2000-gebied Rijntakken voor een toename in stikstofdepositie waardoor er een zeer negatief effect plaatsvindt. Er vindt geen effect plaats op overige verstoringen in Natura 2000gebieden. Ook vindt er geen effect plaats op weidevogelgebied en ganzenrustgebied omdat deze gebieden buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden liggen. De werkzaamheden hebben ruimtebeslag op gebieden aangewezen als GNN en GO. Doordat het een strook betreft worden de kernkwaliteiten en samenhang van deze gebieden niet aangetast, maar dient wel passende compensatie en versterking uitgevoerd te worden voor het ruimtebeslag. In de aanlegfase wordt een essentiële haag van huismus bij station Doetinchem de Huet verplaatst, waarvoor een ontheffing op artikel 3.1 van de Wnb wordt aangevraagd. Het permanente ruimtebeslag van de dubbele spoorbaan heeft tot gevolg dat vaste rust- en voortplantingsplaatsen van hazelworm aangetast wordt. Daarvoor worden mitigerende en compenserende maatregelen getroffen en wordt een ontheffing op artikel 3.10 van de Wnb aangevraagd. Bepaalde Rode Lijstsoorten moeten wijken voor de nieuwe spoorbaan.

De nieuwe spoorberm vormt weer nieuw leefgebied voor deze Rode Lijstsoorten en hazelworm. Ook worden bomen en houtopstanden gekapt voor de verdubbeling. Deze worden gecompenseerd conform vigerende wetgeving. Ondanks dat de mitigerende maatregelen de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen weten te beperken, kunnen negatieve effecten niet volledig voorkomen worden. Dit komt omdat ruimtebeslag noodzakelijk is om de ingreep uit te voeren. Wel worden de negatieve effecten zoveel mogelijk beperkt, conform geldende wetgeving gecompenseerd en gemitigeerd. Daarnaast worden ook meekoppelkansen verzilverd zoals het aanleggen van stobbenwallen. De totaalscore voor het thema Natuur is weliswaar sterk negatief, met name vanwege oppervlakteverlies van provinciaal beschermd gebied, beschermde soorten en onherroepelijk verlies van houtopstanden, maar daarbij dient te worden bedacht dat de activiteiten middels een pakket aan mitigerende en compenserende maatregelen vergunbaar zijn en ter hoogte van het Stilliwald een overmaat aan nieuw ingericht GNN teruggebracht wordt.

Conclusie Na het nemen van de wettelijke maatregelen, en het aanvragen van een ontheffing op artikel 3.10 Wnb voor de hazelworm en de huismus, alsmede het verkrijgen van de uitzonderingsbepaling van de Provincie Gelderland inzake de vernietiging van het areaal aan oude bosgroeiplaatsen zijn er vanuit het thema natuur geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.

Pagina 62 van 93

4.6 Landschap, ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie Als gevolg van de realisatie van de RegioExpres vinden er fysieke veranderingen plaats die van invloed zijn op landschap, ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie. Onderzocht is wat de gevolgen zijn en of en zo ja welke mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen. Voor dit thema is een Deelrapport Landschap, Ruimtelijke kwaliteit en Cultuurhistorie én een separaat Landschapsplan opgesteld. Deze zijn opgenomen in de bijlage van dit Inpassingsplan.

Wettelijk kader en beleid Nationaal Wet ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is een belangrijke wet in de ruimtelijke besluitvorming van Nederland. De Wro is het instrument om ruimtelijke behoeften als wonen, werken, recreëren, mobiliteit, water en natuur in een samenhangende benadering te verdelen. De Wro brengt een duidelijk onderscheid aan tussen beleid en normstelling. De Wro stelt dat iedere gemeente, provincie en Rijk beschikt over een structuurvisie, waarin het ruimtelijk ontwikkelingsbeeld wordt beschreven. Ook wordt een uitvoeringsstrategie voorgeschreven waarin wordt aangegeven op welke wijze men het beleid gaat realiseren. Nationale omgevingsvisie De Nationale omgevingsvisie (NOVI) is een langetermijnvisie van de overheid over de toekomstige inrichting van Nederland. Deze visie behandelt belangrijke maatschappelijke kwesties zoals klimaatverandering, energietransitie, woningtekort, natuurbehoud, landschap en landbouw. De NOVI benadrukt dat deze kwesties samen moeten worden aangepakt en richt zich op het verbeteren van de leefomgevingskwaliteit door integrale samenwerking met andere overheden en maatschappelijke organisaties, met meer sturing vanuit de overheid. Erfgoedwet De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgesteld in de Erfgoedwet.

Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Provincie Omgevingsvisie Provincie Gelderland: Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie van Gelderland biedt een gedeelde toekomstvisie voor de provincie. Hierin omschrijft de provincie wat van waarde is en wat ze wil beschermen. Daarnaast geeft het ook richting aan ontwikkeling van de Gelderse omgeving. Ook ruimtelijk beleid komt onder de omgevingsvisie van de provincie te vallen: ‘Het provinciaal belang ligt in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit.’ Bij het Natuur- en landschapsbeleid spant de provincie zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. Voor de landschappen van bovenregionale waarde geldt een beschermingsregiem met kernkwaliteiten.

Pagina 63 van 93

Gemeenten Landschapsontwikkelingsplan Doetinchem, Montferland en Oude IJsselstreek Het gezamenlijke landschapsplan van de gemeenten Doetinchem, Montferland en Oude Ijsselstreek biedt de mogelijkheid tot landschappelijke eenheid en kwaliteit terwijl de mogelijkheid tot nieuwe ontwikkelingen in de toekomst behouden blijft. Het uitgangspunt voor de visie is dat het landschap een product is van ontwikkelingen in de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen. De spoorberm (Arnhem – Winterswijk) wordt benoemd als belangrijk zijnde voor schrale vegetaties en enkele soorten hagedissen. Groenstructuurplan gemeente Montferland In het groenstructuurplan van Montferland en het verdiepende groenstructuurplan van de kern Didam staat de visie op het groen van de gemeente. In de gemeente worden vier zones aangeduid waarvan er drie de spoorlijn raken: -

De zoom, de overgang zand naar klei; Zandgronden rond Didam en Wehl; Robuuste ecologische verbindingszone.

De zones hebben ieder hun eigen identiteit en zullen aan de hand van het groenstructuurplan verder versterkt worden. Belangrijke motto’s in het Groenstructuurplan zijn ‘Versterk karakteristiek van de kern en de wijken’ en ‘Sluit aan bij het Landschap’. Voor deze laatste zijn er twee groene verbindingszones aangewezen binnen de kern Didam. Deze moeten de aders vormen door het dorp waarmee de groenstructuur versterkt wordt. Het spoor ligt in één van de verbindingszones. Groenstructuurplan gemeente Doetinchem In het Groenstructuurplan (GSP) van gemeente Doetinchem is kenmerkend de grote verscheidenheid aan groen binnen de gemeente die verder versterkt wordt. Doel is een ‘groene waas’ te creëren door de hele gemeente. Het groen moet in de haarvaten van de plaatsen, waaronder Doetinchem en Wehl, doordringen. In het Groenstructuurplan wordt niet gesproken over de spoorzone, maar wel wordt de groene structuur langs het spoor weergegeven die duidt op het zoeken naar groene verbinding aan de zuidzijde van het spoor. Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030 De structuurvisie Zevenaar vormt het ontwikkelingskader van de gemeente Zevenaar tot 2030. Daarin geeft de gemeente onder andere richting aan ruimtelijke ontwikkelingen van de gemeente. De gemeente stelt hierin drie kernopgaven: Verbinden, Diversiteit en kwaliteit.

Het project tast de ruimte in Zevenaar enkel aan in de realisatiefase door een bouwterrein bij de wisseloverloop. De locatie van het bouwterrein heeft geen invloed op de structuurvisie omdat op deze locatie geen duidelijke bestemming of waarde ligt.

Onderzoeksresultaten en effecten Voor dit thema is er onderzoek gedaan naar de effecten op de aspecten landschap, ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie. Hiervoor wordt verwezen naar het bijgevoegde MER. Het landschap verandert door de komst van de RegioExpres. De aantasting van het landschap is grotendeels lokaal en komt vooral door het verwijderen van struwelen en bomen. De kap van de bomen moet volgens de wettelijke kaders worden gecompenseerd. Voor cultuurhistorie is van belang dat een geen rijksmonumenten zijn in het studiegebied, wel zijn er een gemeentelijke monument en landgoederen aanwezig. Een voorbeeld daarvan is het doorsnijden van landgoed StilliWald, wat daardoor aangetast wordt. Het gemeentelijke monument betreft een silogebouw uit 1956, waar nabij een tweede perron gepland is. Dit kan een effect hebben op het Pagina 64 van 93

ruimtelijke beeld. Voor de bouw van het nieuwe perron in de invloedsfeer van de graansilo moet daarom een vergunning aangevraagd worden.

Mitigerende en compenserende maatregelen Het ontwerp voor de RegioExpres is tot stand gekomen door middel van een iteratief ontwerpproces, gericht op het behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. In dit proces zijn al maatregelen geïntegreerd om de negatieve effecten op het landschap te minimaliseren, zoals het verleggen van bouwterreinen en -wegen om de noodzaak tot het kappen van specifieke bomen te vermijden. Dit leidt echter niet tot de gewenste mitigatie. De natuurontwikkelingsgebieden in het boslandschap van het Stilliwald als gevolg van compensatie GNN, kunnen voor landschap ook gezien worden als mitigerende maatregel. Deze hebben een beperkt positief effect op het landschap, met name op het aspect ruimtelijke kwaliteit. De belevingswaarde van het Stilliwald gaat enigszins vooruit door de natuurontwikkeling vanuit GNN. De kap van bomen moet worden gecompenseerd. De aanleg van de RegioExpres biedt kansen om de ruimtelijke structuur te verbeteren door aanplant van nieuwe opgaande beplantingsstructuren zoals bosjes, houtwallen en bos passend bij het karakter van de diverse landschapstypen in dit deel van de Achterhoek. De omgeving heeft immers een sterke, afwisselende landschappelijke identiteit en de lokale culturele identiteit van de Liemers kan in samenhang met de RegioExpres versterkt worden.

Om dit te bewerkstelligen én om de milieueffecten te compenseren, is een Landschapsplan opgesteld. Dit landschapsplan is tot stand gekomen in nauwe samenspraak met gemeenten Montferland en Doetinchem, ProRail, Provincie Gelderland en de beheerder van het Stilliwald. Het Landschapsplan is een bijlage bij het Inpassingsplan. De realisatie van de voorgestelde maatregelen is echter nog niet zeker. Ten tijde van het gereedkomen van dit Inpassingsplan (en het bijgesloten Landschapsplan) zijn de voorgestelde percelen voor de bomencompensatie nog in de verwervingsprocedure. Dit betekent dat de voorgestelde percelen mogelijk niet (volledig) ter compensatie gebruikt kunnen worden. Met de voorziene inrichting wordt de bomencompensatie ingezet als versterking van het landschap. Mocht de verwerving van de benodigde percelen (deels) geen doorgang vinden, dan moeten de bomen gecompenseerd worden op percelen van de gemeenten Montferland en Doetinchem. Deze terugvalmogelijkheid wordt indien nodig later uitgewerkt. Voor gemeente Doetinchem bestaat de mogelijkheid de bomencompensatie uit te voeren in de natuurontwikkelingsgebieden voor de GNN/GO compensatieopgave in Stilliwald (Wehl). Met bovenstaande terugvalmogelijkheid is voldoende aannemelijk dat de bomencompensatie tot stand komt. De compensatie van bomen moet in ieder geval plaatsvinden in de gemeente waar de kap plaatsvindt.

De compensatieverplichting wordt door bevoegd gezag (gemeenten) gemonitord via het vergunningenstelsel. In het Landschapsplan (zie bijlage) zijn zeven locaties in het plangebied aangewezen waar landschappelijke maatregelen kunnen worden genomen. Dit betreft de volgende locaties: -

Groene verbindingszone noordzijde station Didam; Houtwal Lange Klauwenhof 4 te Didam; Houtwal Lange Klauwenhof 11 te Didam; Overhoek Lange Klauwenhof te Didam; Houtwal Frieslandweg te Didam; Beekseweg te Wehl; Wehlsche Beek, te Wehl.

Pagina 65 van 93

Op bovenstaande zeven locaties kan het landschap worden versterkt. Hierbij wordt dan aansluiting gezocht bij compensatie van te kappen bomen als gevolg van de natuurwetgeving. De volgende principes zijn hierbij gehanteerd: -

Aansluiten op het bestaande landschapstype; Gebruik maken van gebiedseigen, inheemse beplanting; Compenseren zo dicht mogelijk nabij de te kappen begroeiing; Lineaire structuren langs of nabij het spoor intact houden en zo mogelijk versterken; Groen gebruiken als ecologische verbinding bij het spoor.

Voor de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit worden op twee locaties (nabij de Beekseweg en Wehlsche beek nabij Wehl) parallel aan de nieuw te planten groenstructuren recreatieve wandelpaden voorgesteld. Op deze manier kan het landschap meer genoten worden door bezoekers en bewoners. Ook deze zijn geborgd in het Landschapsplan.

Beoordeling effecten in het Milieueffectrapport Omdat uitvoering van het Landschapsplan nog niet zeker is, kan voor de beoordeling van het thema Landschap niet worden uitgegaan van de realisatie van de wenselijke maatregelen. De beoordelingen van het de aspecten landschap en ruimtelijk kwaliteit zijn, zonder mitigerende- en of compenserende maatregelen conform het Landschapsplan maar mét rekening te houden met maatregelen die wel zeker zijn, alsnog negatief. Het uitvoeren van het Landschapsplan betekent een positieve impuls die de negatieve beoordelingen beïnvloedt en de meeste ingrepen qua beoordeling om zal zetten in een neutrale beoordeling op de korte termijn, 2035 (na 10 jaar), en op de langere termijn na 25 jaar in een positieve beoordeling na het tot volle wasdom komen van de landschappelijke beplantingen. De beoordeling voor Cultuurhistorie is en blijft negatief, ook na het uitvoeren van het Landschapsplan.

Conclusie Vanuit het thema’s landschap en cultuurhistorie zijn er, rekening houdend met de uit te voeren maatregelen, geen belemmeringen voor het vaststellen van het Inpassingsplan.

4.7 Bodem De realisatie van de RegioExpres heeft invloed op het thema Bodem en is om die reden onderzocht. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar het deelrapport Bodem in de bijlage van dit Inpassingsplan.

Wettelijk kader en beleid Europees De EU Bodemstrategie onderstreept de baten van gezonde bodems voor de samenleving. De strategie geeft acties en een kader met maatregelen voor bescherming, herstel en duurzaam gebruik. Ontwikkeling van een Wet voor gezonde bodems is onderdeel van de strategie. Volgens de Strategie zijn bodems gezond als ze in een goede chemische, biologische en fysische conditie zijn en zo in staat zijn om continu zoveel mogelijk ecosysteemdiensten te leveren. Rijk Voor het thema bodem zijn de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) van belang.

Pagina 66 van 93

De Wet bodembescherming (Wbb) geeft het beoordelingskader voor bodemverontreiniging, bodemsanering en het omgaan met schone en verontreinigde grond. De wet ziet ook toe op het voorkomen van nieuwe bodemverontreiniging en het terugdringen van verontreinigingen. De provincie of Wbb-gemeenten zijn bevoegd gezag bij een geval van ernstige bodemverontreiniging. Zij hebben de omgevingsdiensten gemandateerd om dit voor hen af te handelen. Als er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging omdat minder dan 25 m3 grond sterk verontreinigd is of 100 m3 grondwater, dan is de gemeente bevoegd gezag. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) biedt de kaders voor duurzaam bodembeheer. Het Besluit bodemkwaliteit bevat regels om de Kwaliteit van de uitvoering van bodembeheer te reguleren (Kwalibo). Daarnaast geeft het de regels voor het hergebruik van bouwstoffen en het hergebruik van grond en baggerspecie. Bevoegd gezag van het Besluit bodemkwaliteit is voor landbodems de gemeente en voor waterbodems Rijkswaterstaat voor rijkswateren en voor de overige waterbodems het waterschap, in dit geval waterschap Rijn en Ijssel. Provincie Het beheer van voormalige stortplaatsen is in handen van de Provincie Gelderland. De provinciale milieuverordening vormt het kader van waaruit ingrepen in het beheersgebied beschouwd moeten worden.

Zo zijn ontgrondingen, egalisaties, grondverzet en diepploegen niet toegestaan zonder een ontheffing van de provincie. Of een plan binnen het beleid van de provincie past, is te beoordelen aan de hand van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Verordening Ruimte (VR) van de provincie in combinatie met het gemeentelijke bestemmingsplan. Het beheer van voormalige stortplaatsen is in handen van de Provincie Gelderland, hiervoor is specifiek saneringsbeleid opgesteld. Gemeenten De gemeenten Zevenaar, Montferland en Doetinchem worden voor hun taken op het gebied van bodem ondersteund door de Omgevingsdienst Regio Arnhem en de Omgevingsdienst Achterhoek. De omgevingsdienst houdt onder andere toezicht op de uitvoering van het beleid van de gemeente voor wat betreft hergebruik van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Het beleid is vastgelegd in de Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart (2022). Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit door aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Dit is het zogenaamde ‘stand-stillbeginsel’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7969/documents/45388