CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3.01 - Milieueffectrapport RegioExpres (1).pdf

gemeenteraad 25 januari 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.3: Horen raad provinciaal inpassingsplan RegioExpres37.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Referentiesituatie 2035 3.01

Voorkeursvariant 2035 0.34

Gemeente Doetinchem Gemeente Montferland Gemeente Zevenaar Gehele onderzoeksgebied

4.15

4.15

1.53

2.62 9.78

8.64 15.80

8.40 10.27

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het aantal slaapverstoorden in de referentiesituatie 2035 hoger is dan in de huidige situatie 2023. Deze toename wordt veroorzaakt door het feit dat in de referentiesituatie ook de toekomstige uitbreidingsplannen binnen de gemeente Zevenaar (zie paragraaf 4.1) zijn meegenomen. De voorkeursvariant levert minder slaapverstoorden op dan de referentiesituatie. Hoofdzakelijk komt dit door de maatregelen die ten gevolge van het plan worden gerealiseerd, zijnde raildempers in alle gemeenten en een 5 dB brugmaatregel in de gemeente Doetinchem. Om deze redenen neemt in elke gemeente het aantal slaapverstoorden af. In de gemeenten Doetinchem en Montferland is de afname significant. In de gemeente Zevenaar is de afname gering. 4.4.4.3 Geluidbelast oppervlak Het geluidbelast oppervlak is het oppervlak dat een geluidbelasting heeft van meer dan 55 dB (L den). In Tabel 12 zijn deze resultaten per gemeente en voor het gehele onderzoeksgebied samengevat. Tabel 12 Geluidbelast oppervlak (ha) per deelgebied*

Deelgebied Gemeente Doetinchem Gemeente Montferland Gemeente Zevenaar Gehele onderzoeksgebied*

Huidige situatie 2023 (ha) 81.97

Referentiesituatie 2035 (ha) 81.26

Voorkeursvariant 2035 (ha) 72.71

59.50

59.45

54.58

80.48 222.95

80.48 221.18

78.98 206.26

* Door afronding verschilt het totaal oppervlak van de sommatie van de oppervlakken per gemeente

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het geluidbelast oppervlak in de huidige situatie en de referentiesituatie vrijwel gelijk is. Dit komt doordat in beide situaties op het traject Zevenaar - Doetinchem dezelfde snelheid wordt gereden en hetzelfde aantal treinen rijdt. Het kleine verschil tussen de twee situaties wordt veroorzaakt doordat in de referentiesituatie rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen (reflectie en afscherming van geluid) én in de referentiesituatie ervan uit is gegaan dat overal binnen het plangebied de houten dwarsliggers zijn vervangen door betonnen dwarsliggers, die stiller zijn. De vervanging van de bovenbouw vindt enkel plaats over geringe lengtes ter hoogte van de gemeente Doetinchem. Vandaar dat in de gemeente Doetinchem de grootste verschillen worden geconstateerd. De voorkeursvariant levert minder geluidbelast oppervlak op dan de referentiesituatie. Hoofdzakelijk komt dit door de maatregelen die ten gevolge van het plan worden gerealiseerd, zijnde raildempers in alle gemeenten en een 5 dB brugmaatregel in de gemeente Doetinchem. Door deze maatregelen neemt in elke gemeente het geluidbelast oppervlak af. In de gemeente Zevenaar is de afname het kleinst. In deze gemeente worden namelijk de minste maatregelen getroffen. Daarnaast dragen de trajecten Arnhem – Duitse grens en de Betuweroute het meeste bij aan het geluidbelast oppervlak.

Aan deze trajecten worden geen maatregelen getroffen, omdat ter plaatse geen GPP’s worden overschreden.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

52/152

4.4.4.4 Cumulatie Het geluidonderzoek voor het MER is enkel gericht op het bepalen van de geluideffecten ten gevolge van het spoorweglawaai. Andere gezoneerde bronnen (wegverkeerslawaai en industrielawaai) zijn niet berekend. Dit vanwege het feit dat het plan geen toe- of afname van het wegverkeerslawaai of industrielawaai tot gevolg heeft. 4.4.4.5 Geluidproductieplafonds Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van de plansituatie op 230 referentiepunten het GPP wordt overschreden, zie Figuur 35 voor een totaaloverzicht. In bijlage 5 van het Deelrapport Geluid Doorgaand Spoor zijn detailoverzichten met daarop de hoogte van de onder- en overschrijding van het GPP per referentiepunt opgenomen.

Figuur 35 Resultaten GPP toets (zwarte ster = GPP-overschrijding, groene punt = geen GPP-overschrijding)

De overschrijdingen vinden plaats in de volgende gemeenten: • Doetinchem: 102 referentiepunten - overschrijding tussen 0.1 en 4.8 dB; • Montferland: 94 referentiepunten - overschrijding tussen 0.1 en 5.0 dB; • Zevenaar: 34 referentiepunten - overschrijding tussen 0.1 en 0.4 dB. Er is geen sprake van GPP-overschrijdingen rondom de boog bij Zevenaar. Hier gaat het geluid afkomstige van het treinverkeer naar Duitsland een maatgevende rol spelen. In de referentiesituatie worden uiteraard geen GPP's overschreden. Het aspect GPP-overschrijding kan daardoor niet vergeleken worden met de referentiesituatie. 4.4.4.6 Conclusie Uit het MER-onderzoek blijkt dat inzake de criteria gehinderden, slaapverstoorden en geluidbelast oppervlak in de voorkeursvariant sprake is van een afname ten opzichte van de referentiesituatie.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

53/152

Tabel 13 Effectbeoordeling

Beoordelingscriteriu m Geluidbelast oppervlak (ha) Aantal gehinderden Aantal slaapverstoorden Eindbeoordeling geluid

Referentiesituatie 2035 221.18

Voorkeursvariant 2035 206.26

Toe/afname -6.75%

Kwalitatieve beoordeling +

77.69 9.78

32.14 4.37

-58.63% -55.32%

++ ++ +

Weliswaar worden er in de plansituatie ruim 200 GPP’s overschreden, maar de geluidmaatregelen (raildempers, brugmaatregel) die getroffen zullen worden, resulteren in minder geluid op de meeste gevels. Voor de criteria ‘gehinderden’ en ‘slaapverstoorden’ is er een sterk positief effect. Voor het geluidbelast oppervlak is er een positief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Er is sprake van een positief effect doordat het extra geluid ten gevolge van de hogere snelheid waarmee de RegioExpres lokaal rijdt, teniet wordt gedaan door de toekomstige geluidmaatregelen. Het effect van het plan op het thema geluid wordt daarom als positief (+) beoordeeld. De verandering van cumulatieve geluidbelasting, dus de cumulatie van spoorwegverkeerslawaai met andere gezoneerde bronnen (met name wegverkeer) is gelijk aan de verandering van alleen de geluidbelasting ten gevolge van spoorwegverkeerslawaai. Dit vanwege het feit dat het plan geen toeof afname van het wegverkeerslawaai veroorzaakt, en ook niet van overige gezoneerde bronnen. Het oppervlak aan cumulatieve geluidbelasting neemt daardoor af ten opzichte van de referentiesituatie, gelijk aan de afname van geluidbelast oppervlak. 4.4.5

Laagfrequent geluid

4.4.5.1 Wettelijk kader en beleid Voor het thema Geluid is er apart onderzoek gedaan naar de effecten van laagfrequent geluid (LFG). Er bestaat geen specifieke wet- en regelgeving voor laagfrequent geluid in Nederland. Voor het beoordelen van laagfrequent geluid bestaan slechts 2 richtlijnen: de richtlijn Laagfrequent geluid van de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) en de Vercammen-curve. Deze zijn beide gebruikt voor het onderzoek. 4.4.5.2 Effecten Ten gevolge van het project RegioExpres wordt het spoor ter hoogte van het station Doetinchem De Huet verdubbeld. Het extra spoor komt 4,5 meter dichter bij de woningen aan de Hof van Edinburgh te liggen. Dit betekent dat de treinen richting station Doetinchem ongeveer 4,5 meter dichter bij deze woningen halteren. Tijdens het halteren is de dieselmotor de maatgevende bron van laagfrequent geluid. Uit het onderzoek (zie themarapport Laagfrequent Geluid als bijlage bij de MER) blijkt dat ten gevolge van het project RegioExpres: • Zowel in de huidige als de plansituatie laagfrequent mogelijk hoorbaar is; • Zowel in de huidige als de plansituatie laagfrequent mogelijk als hinderlijk kan worden ervaren; • Ten gevolge van het plan het geluid in de lagere tertsbanden (25 tot en met 63 Hz) toeneemt met maximaal 1,1 dB.

Dit betekent dat in de plansituatie mogelijk meer personen hinder ervaren door laagfrequent geluid dan in de huidige situatie.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

54/152

4.4.5.3 Mitigerende maatregelen Om te voldoen aan de referentiewaarden uit de Vercammencurve dient een reductie van 12,1 dB te worden behaald bij een frequentie van 25 Hz. Om dit te bereiken zou in ieder geval een zeer hoog en lang scherm nodig zijn om op alle woningen te voldoen aan de referentiewaarden uit de Vercammencurve. Een dergelijke maatregel is niet realistisch. Laagfrequent geluid laat zich moeilijk ‘tegenhouden’. Er zijn geen gevelmaatregelen (maatregelen aan bestaande woningen) die zijn toegepast voor het aspect laagfrequent geluid. Ook zijn er geen projecten bekend waar dit heeft plaatsgevonden. 4.4.5.4 Conclusie De onderzoeksresultaten in het deelrapport Laagfrequent geluid zijn gebaseerd op een worst case situatie. De toename van maximaal 1,1 dB treedt enkel op bij haltering op het zuidelijk spoor. Over het algemeen halteert slechts de helft van het aantal stoptreinen (richting Doetinchem) op het zuidelijk spoor. Bij haltering op het noordelijk spoor (meestal de stoptrein richting Zevenaar) is er geen sprake van een toename van LFG-niveaus. Daarnaast is de halterende trein buiten de spitsperiode korter dan het maximumaantal van drie treinstellen, waar in de berekeningen van is uitgegaan. Dat betekent dat het effect voor de oostelijke woningen binnen het onderzoeksgebied buiten de spitsperiode kleiner zal zijn dan berekend.

Tevens treedt het laagfrequent geluid slechts kortstondig op, namelijk enkel tijdens een haltering. Er is dus geen sprake van continue hoorbaarheid van of hinder door laagfrequent geluid. Tot slot wordt opgemerkt dat slechts een klein percentage van de bewoners het laagfrequent geluid hoort of hierdoor hinder ervaart. 4.4.6 Samenvatting effecten Voor het aspect geluidhinder geldt dat voor de beoordelingscriteria gehinderden en slaapverstoorden in de voorkeursvariant (dus de plansituatie na maatregelen) er sprake is van een sterke verbetering ten opzichte van de referentiesituatie, zie Tabel 13. Ook voor het criterium geluidbelast oppervlak geldt dat er sprake is van een verbetering in de voorkeursvariant vergeleken met de referentiesituatie. Er is sprake van een positief effect doordat de toename van geluid ten gevolge van de hogere snelheid waarmee de RegioExpres lokaal rijdt, hoofdzakelijk teniet wordt gedaan door de geluidmaatregelen die ten gevolge van het plan worden gerealiseerd. Deze maatregelen reduceren namelijk ook het geluid dat afkomstig is van de stoptreinen. Het criterium ‘overschrijding van GPP’s’ is niet te vergelijken met de referentiesituatie: in de referentiesituatie worden geen GPP’s overschreden. Ook ’verandering van cumulatieve geluidbelasting’ is niet te vergelijken met de referentiesituatie.

Het is feitelijk niet anders dan de toe-/afname in geluidbelast oppervlak. Voor laagfrequent geluid geldt dat het effect negatief is en blijft. Het effect wordt in de plansituatie marginaal slechter ten gevolge van het halteren van stoptreinen op het nieuwe zuidelijke spoor. Het effect is en blijft echter lokaal, zeer tijdelijk en beperkt tot maximaal 1,1 dB. Mitigerende maatregelen om te voldoen aan de referentiewaarden zijn onzeker omdat deze lastig afdwingbaar (bronmaatregelen) of niet realistisch (scherm- en gevelmaatregelen) zijn. Tabel 14 Samenvatting effecten geluid

Aspect Geluidhinder Geluidbelast oppervlak Geluidproductieplafonds Cumulatie Laagfrequent geluid TOTAALSCORE

Plansituatie zonder maatregelen n.v.t. n.v.t -

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

Plansituatie na maatregelen ++ + n.v.t. n.v.t +

55/152

4.5

Trillingen

4.5.1 Inleiding De komst van de RegioExpres kan leiden tot een toename van de trillinghinder die omwonenden ervaren. In het kader van de planuitwerkingsfase voor de RegioExpres is daarom een onderzoek uitgevoerd naar trillingen. De resultaten zijn vastgelegd in een separaat Deelrapport Trillingen en in deze paragraaf samengevat, voor zover relevant voor het MER. 4.5.2 Beleidskader In dit onderzoek worden de optredende trillingen van treinverkeer op de volgende aspecten beoordeeld: schade aan gebouwen en hinder voor personen. Voor de beoordeling van deze aspecten is geen wetgeving beschikbaar. Daarom is voor trillingschade de SBR A-richtlijn (schade aan gebouwen) gehanteerd. Voor trillinghinder heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat beleid geformuleerd over hoe trillingen te beoordelen bij Tracéwetprocedures of een PIP. Dit beleid is opgenomen in de Beleidsregel trillinghinder spoor (hierna: Bts) en vormt het kader voor dit onderzoek. 4.5.3 Beoordelingskader en methodiek In het MER wordt – in overeenstemming met de NRD (2022) – steeds de plansituatie van het project (2035) vergeleken met de referentiesituatie (eveneens in 2035), om de effecten van het project in beeld te brengen. Het jaar 2035 is circa 10 jaar na ingebruikname van het project. Voor het beoordelen van de projecteffecten is een beoordelingskader opgesteld.

In dit beoordelingskader is aangegeven welke aspecten worden beoordeeld en op welke wijze dit gebeurt. Het beoordelingskader is weergegeven in Tabel 15 en is een belangrijk hulpmiddel om de gevolgen/effecten van de plannen op eenduidige wijze te beoordelen. Tabel 15 Criteria die onderzocht en beoordeeld zijn voor trillingen

Thema en aspect Trillingen

Criterium

Wijze van beoordelen

Trillingniveau

Wijziging gemiddelde en maximale trillingniveau

Kwantitatief

Trillinghinder

Toename of afname van het aantal door trillingen gehinderde personen Schade vanwege trillingen

Kwantitatief

Schade trillingen

Kwantitatief

Ten behoeve van de beoordeling in het MER worden de uitkomsten van het trillingonderzoek vertaald naar kwalitatieve scores. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de beoordeling zoals weergegeven in onderstaande tabellen. Bij de aspecten trillingniveau en trillinghinder geven de kwantitatieve scores de toe- of afname weer van het aantal overschrijdingen (Tabel 16) en het aantal gehinderden (Tabel 17) ten opzichte van de referentiesituatie 2035. Er wordt uitgegaan van hinder wanneer er minstens 30% toename voorspeld is in het aantal trillingen. Voor het aspect trillingschade) wordt aangegeven of er een kans is op trillingschade ten gevolge van treinverkeer of bouwactiviteiten. Er is kans op schade als de te verwachten trillingen hoger zijn dan de SBR-A grenswaarden.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

56/152

Tabel 16 Beoordelingsschaal aspect trillingniveau

Score

Omschrijving

++

Sterk positief

+

Positief

0

Neutraal

-

Negatief

--

Sterk negatief

Toelichting Afname bij meer dan 50 adressen van overschrijding van de streef- of grenswaarde uit de Bts (A1, A2 of A3). Afname bij 10 tot 50 adressen van overschrijding van de streef- of grenswaarde uit de Bts (A1, A2 of A3). Toe- of afname bij maximaal 10 adressen van overschrijding van de streef- of grenswaarde uit de Bts (A1, A2 of A3). Toename van 10 tot 50 adressen van overschrijding van de streef- of grenswaarde uit de Bts (A1, A2 of A3). Toename bij meer dan 50 adressen van overschrijding van de streefof grenswaarde uit de Bts (A1, A2 of A3).

Tabel 17 Beoordelingsschaal aspect trillinghinder

Score

Omschrijving

Toelichting

++

Sterk positief

Meer dan 30% afname in aantal gehinderden

+

Positief

10 tot 30% afname in aantal gehinderden

0

Neutraal

0 tot 10% toe- of afname in aantal gehinderden

-

Negatief

10 tot 30% toename in aantal gehinderden

--

Sterk negatief

Meer dan 30% toename in aantal gehinderden

Tabel 18 Beoordelingsschaal aspect trillingschade

Score

Omschrijving

Kwantitatieve score

++

Sterk positief

Afname van de kans op schade bij meer dan 100 panden

+

Positief effect

Afname van de kans op schade bij 10 tot 100 panden

0

Geen/neutraal

Toe- of afname van de kans op schade bij 0 tot 10 panden

-

Negatief effect

Toename van de kans op schade bij 10 tot 100 panden

--

Sterk negatief

Toename van de kans op schade bij meer dan 100 panden

Methodiek 1 Wijziging gemiddelde en maximale trillingniveau. Het gemiddelde trillingniveau is uitgedrukt in de gemiddelde trillingsterkte Vper, en het maximale trillingniveau in de trillingsterkte Vmax. De wijzigingen worden beschouwd als er sprake is van trillingen boven de streef- of grenswaarden uit de Bts. Vper is een indicatie van het tijdsgemiddelde van de trillingen, de grenswaarde hiervoor is A3. Vmax is een indicatie van het maximum van de trillingen over een periode van een week en de bijbehorende streefwaarde is A1, de grenswaarde is A2. 2 Toename of afname van het aantal door trillingen gehinderde personen ten opzichte van de referentiesituatie – op basis van de hindercurve (zie Deelrapport Trillingen). 3 Schade vanwege trillingen (SBR A-richtlijn). Het aantal adressen met een mogelijke overschrijding van de grenswaarde voor schade door trillingen.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

57/152

Deze aspecten zijn onderzocht door middel van metingen en modelberekeningen, ofwel kwantitatief onderzoek. Ten behoeve van het onderzoek naar trillingschade tijdens de aanlegfase is een analyse gedaan van bouwwerkzaamheden die mogelijk tot trillingschade in omliggende panden kunnen leiden. In het project worden geen zware werkzaamheden zoals funderingswerkzaamheden (heien of intrillen van damwanden) uitgevoerd. De andere werkzaamheden binnen het project, zoals het aanbrengen en verwijderen van sporen en zwaar transport gaan, gezien de afstand tot de bebouwing niet leiden tot trillingschade aan gebouwen, Schade als gevolg van trillingen door treinverkeer is onderzocht met behulp van metingen in woningen, aangevuld met modelberekeningen voor niet-gemeten objecten (bebouwing). Per object wordt getoetst of de grenswaarden voor trillingschade worden overschreden, en zo ja, of het project leidt tot een toename van de trillingen. Locaties met trillingen boven de grenswaarde én een toename van de trillingen als gevolg van het project komen in aanmerking voor nader onderzoek. Op alle andere locaties zorgt het project niet voor een verhoogde kans op trillingschade, en is nader onderzoek niet nodig. Ten behoeve van het onderzoek naar trillinghinder zijn verschillende stappen doorlopen.

De stappen hebben een toenemende nauwkeurigheid, waarbij in elke volgende stap de nauwkeurigheid groter wordt. Op deze manier wordt alleen verder onderzoek gedaan op een locatie wanneer dat nodig is, de zogenaamde zeefmethode. De volgende stappen zijn achtereenvolgens doorlopen: Stap 1: Indicatieve trillingmetingen en prognoses Stap 2: Nauwkeurige trillingprognoses in gebouwen Stap 3: Indien nodig ontwerpen van maatregelen 4.5.4 Effecten Trillingniveau: wijziging gemiddelde en maximale trillingniveau Voor dit criterium is gekeken naar het aantal overschrijdingen van de grenswaarden uit de Bts. In zowel de huidige situatie, de referentiesituatie 2035 als de plansituatie is de trillingsterkte Vmax op een aantal adressen hoger dan de streefwaarde A1 en de grenswaarde A2 (zie Tabel 19). Deze toename treedt vooral op in de omgeving van de stations waar de RegioExpres niet stopt. In zowel de huidige situatie, de referentiesituatie 2035 als in de plansituatie is de gemiddelde trillingsterkte Vper bij alle adressen lager dan de grenswaarde A3. Tabel 19 Aantal adressen in onderzoeksgebied, aspect trillingniveau

Aantal in onderzoeksgebied Huidige situatie 2022

Referentiesituatie 2035

Plansituatie 2035

Criterium 1 – Aantal boven A1-waarde

90

90

106

Criterium 1 – Aantal boven A2-waarde

4

4

10

Criterium 1 – Aantal boven A3-waarde

0

0

0

Criterium

Trillinghinder: toename of afname van het aantal door trillingen gehinderde personen Het aantal gehinderden in de huidige situatie, referentiesituatie 2035 en de plansituatie is weergegeven in Tabel 20. Het aantal gehinderden neemt in de plansituatie met 499 toe ten opzichte van de referentiesituatie. Dit komt vooral doordat de trillingscontouren door de hogere snelheid en de bredere sporenbundel breder komen te liggen, met name rond station Didam. Daardoor vallen er vergeleken met de referentiesituatie- meer woningen binnen de contouren, en voor de woningen die in

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

58/152

de referentiesituatie al in de contouren vielen gaan de trillingsniveaus omhoog, waardoor het percentage gehinderden ook in die woningen toeneemt. . Tabel 20 Aantal gehinderden in het onderzoeksgebied, aspect trillinghinder.

Aantal in onderzoeksgebied Criterium

Huidige situatie 2022

Referentiesituatie 2035

Plansituatie 2035

344

344

843

Criterium 2 – Aantal gehinderden

Trillingschade: schade vanwege trillingen Uit de resultaten (Tabel 21) blijkt dat er zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase geen panden met kans op trillingschade zijn te verwachten. Tabel 21 Aantal panden in onderzoeksgebied, aspect trillingschade.

Aantal in onderzoeksgebied Criterium

Huidige situatie 2022

Referentiesituatie 2035

Plansituatie 2035

0

0

0

Criterium 3 – Kans op trillingschade

Cumulatie De cumulatie van treinverkeer met andere trillingbronnen kan leiden tot hogere trillingen dan wanneer de verschillende trillingbronnen afzonderlijk worden bekeken. In het studiegebied kan cumulatie optreden met zwaar wegverkeer, zoals bussen en vrachtverkeer. In het studiegebied is naar verwachting echter geen sprake van significante cumulatie van trillingen, doordat de verschillen in afstand of trillingbron tussen het treinverkeer en overig verkeer groot zijn. Voor de cumulatie met wegverkeer geldt dat er sterke verschillen zijn tussen de trillingbronnen, waardoor cumulatie niet waarschijnlijk is. 4.5.5 Conclusie Op basis van bovenstaande aantallen zijn de scores voor de subcriteria vóór het nemen van maatregelen als volgt: Tabel 22 Beoordeling thema trillingen zonder maatregelen

Thema en aspect

Criterium

Score

Trillingen Trillingniveau

Overschrijdingen A1-waarde (streefwaarde Vmax)

-

Trillingniveau

Overschrijdingen A2-waarde (grenswaarde Vmax)

0

Trillingniveau

Overschrijdingen A3-waarde (grenswaarde Vper)

0

Trillinghinder

Toe- of afname van het aantal door trillingen gehinderde personen

--

Schade trillingen

Kans op schade aan gebouwen vanwege trillingen

0

TOTAALSCORE

-

Uit het onderzoek blijkt dat er geen overschrijdingen zijn als gevolg van het project op het aspect trillingschade. Voor het aspect trillinghinder is dit anders. Met name rond stations gaan overschrijdingen optreden van het beoordelingskader voor trillinghinder (de Bts). Door de hogere rijsnelheid rond stations en doordat een aantal locaties zich na de spoorverdubbeling dichter bij de sporen bevinden nemen de trillingen met name rond stations toe als gevolg van het project. Ook het aantal overschrijdingen van de A1-streefwaarde neemt toe. In totaal worden bij zeven clusters van woningen (locaties) overschrijdingen

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

59/152

van het beoordelingskader trillinghinder verwacht. Deze zeven clusters van woningen zijn weergeven in Figuur 36.

Figuur 36 Clusters met overschrijdingen van de streefwaarde en toename van de trillingintensiteit met > 30% t.o.v. referentiesituatie

Om trillinghinder te mitigeren zijn maatregelen mogelijk. Deze moeten doelmatig én kosteneffectief (te hoge kosten of te weinig effectiviteit) zijn alvorens deze als onderdeel van het project te realiseren. Een samenvattend overzicht van de mogelijk doelmatige maatregelen per cluster is hieronder opgenomen in Tabel 23. In deze tabel is het aantal overschrijdingen per cluster weergegeven en het aantal overschrijdingen na het treffen van maatregelen. Tabel 23 Mogelijk doelmatige maatregelen per cluster, inclusief overschrijdingen voor en na maatregel.

Cluster

Overschrijdin gen

Mogelijk doelmatige Maatregelen

Overschrijdin gen

1 - Didam Stationslaan

5

Geen

5

2 - Didam Parallelweg - Oude Beekseweg

16

TROC EPS 2 m diep

5

3 - Didam Hoefijzer - Zandweg

2

Geen

2

4 – Didam Lange Klauwenhof - Prinses Beatrixstraat

8

Geen

8

5 - Didam van Rouwenoortweg

2

Geen

2

6 - Didam Frieslandweg

2

Geen

2

7 - Didam Toppegaaiweg

3

Geen

3

Totaal

38

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

27

60/152

De overschrijdingen zijn op één van de zeven clusters te mitigeren met een trillingscherm van EPS (piepschuim) van twee meter diep en 0,5 meter breed. Dit gebeurt bij cluster 2. Voor de andere clusters zijn maatregelen niet kosteneffectief) en daarmee niet doelmatig. Na het nemen van de kosteneffectieve maatregelen wordt in het grootste deel van het studiegebied voldaan aan het beoordelingskader voor trillingen. Wel zijn er nog steeds overschrijdingen en negatieve effecten mogelijk bij clusters waar geen kosteneffectieve maatregelen zijn. Voor die clusters geldt wel dat wordt voldaan aan de grenswaarde van 3,2 voor Vmax uit de Bts, de grenswaarde waarboven maatregelen moeten worden getroffen. Na het treffen van de doelmatige én kosteneffectieve maatregelen heeft het project alleen negatieve effecten op het aspect trillinghinder (aantal gehinderden), met name door de toename van de rijsnelheid rond stations en het feit dat sommige locaties na de spoorverdubbeling dichter bij de sporen liggen dan in de referentiesituatie. Op de andere criteria/ aspecten scoort het project door de getroffen maatregelen neutraal. Omdat de trillingen in de meeste woningen relatief laag blijven, neemt het aantal overschrijdingen van de streef- en grenswaarden voor trillingen nauwelijks toe.

Het treffen van de kosteneffectieve maatregelen zorgt voor een afname van het aantal adressen met een overschrijding van de A1- en A2-waarde (trillingniveau) en van het aantal gehinderden (trillinghinder) ten opzichte van de situatie zonder maatregelen. Desondanks is de totaalscore van het project, ook na maatregelen, negatief ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 24 Samenvatting effecten trillingen inclusief kosteneffectieve maatregelen

Thema en aspect Trillingen Trillingniveau Trillingniveau Trillingniveau Trillinghinder Schade trillingen Totaalbeoordeling

4.6

Criterium Overschrijdingen A1-waarde (streefwaarde Vmax) Overschrijdingen A2-waarde (grenswaarde Vmax) Overschrijdingen A3-waarde (grenswaarde Vper) Toe- of afname van het aantal door trillingen gehinderde personen Kans op schade vanwege trillingen

Score 0 0 0 -0 -

Water

4.6.1 Inleiding In het deelrapport Water (Bijlage 6 bij het PIP) is onderzocht welke milieueffecten voor dit thema als gevolg van de bouw en exploitatie van de RegioExpres te verwachten zijn, en of en zo ja welke mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen om deze effecten te beperken. 4.6.2

Beleidskader

4.6.2.1 Europees beleid Kader Richtlijn Water De Kader Richtlijn Water (KRW) stelt eisen aan de chemische kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater en de kwantiteit van het grondwater. Doel is om te komen tot een ‘goede toestand’ van alle wateren. Hiervoor is in 2009 voor elk stroomgebied een stroomgebiedsbeheerplan opgesteld. Hierin staan milieudoelstellingen voor het grond- en oppervlaktewater. Het plangebied valt in het stroomgebied Rijn. Het stroomgebied beheerplan 2022-2027 voor dit gebied verscheen in oktober 2018. In het stroomgebiedsplan wordt niet alleen gekeken naar het water in de Rijn zelf, maar naar al het water in de betreffende regio, dus ook bijvoorbeeld vertakkingen, meertjes en grondwater. Mede op basis van de

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

61/152

stroomgebiedsbeheerplannen stellen de overheden regels op om de (grond)waterkwaliteit te bewaken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkomen van verontreinigingen en de manier waarop het onderhoud van de wateren uitgevoerd moet worden. Naast de stroomgebiedsbeheerplannen zijn ook maatregelenprogramma’s opgesteld. Hierin staan de maatregelen om deze doelstellingen te bereiken, zoals het verder verbeteren van de waterzuiveringen, aanleggen van natuurvriendelijke oevers en vispassages. Initiatieven zoals de RegioExpres dienen minimaal te voldoen aan de stand-still principe, zodat zij de doelen van de KRW (het verkrijgen van een goede toestand in 2027) niet hinderen. Richtlijnen overstromingsrisico’s De Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) is in 2007 opgesteld om negatieve gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het culturele erfgoed en de economische bedrijvigheid te beperken. Het beperken van de gevolgen van overstromingen wordt gerealiseerd doordat de EU-lidstaten verplicht gesteld worden tot het opstellen van een voorlopige risicobeoordeling, overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten en overstromingsrisicobeheerplannen. Hierin worden de EU-lidstaten wel vrijgelaten in wat de doelstellingen in hun beheerplannen precies zijn.

De aanpak van Nederland is sober en doelmatig, waarbij bestaande kennis en bestaand beleid vigerend blijft. Nederland heeft geen nieuw beleid ontwikkeld in het kader van de ROR. Voor de RegioExpres is het van belang dat de aanleg van het nieuwe spoor en andere infrastructuurwijzigingen geen negatieve invloed hebben op overstromingsrisico’s in het gebied en dat de plannen in overeenstemming met de ROR zijn om de veiligheid en duurzaamheid van het project en haar omgeving te waarborgen. 4.6.2.2 Rijksbeleid Waterwet De Waterwet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Waterwet geeft veiligheidsnormen mee voor primaire waterkeringen. Ook voor aangewezen niet-primaire waterkeringen moeten veiligheidsnormen worden opgesteld. Waterkeringen in beheer van het Rijk vallen onder de Ministeriële Regeling. Keringen in beheer van het Waterschap vallen onder de Provinciale Verordening. Daarnaast regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Dit doet de wet door een watertoets te verplichten.

Aangezien de RegioExpres invloed zal hebben op lokale watersysteem, is het noodzakelijk om te voldoen aan de veiligheidsnormen die door de Waterwet worden gesteld. Door het opstellen van de watertoets wordt er rekening gehouden met waterbeheer en vindt er afstemming plaats met het waterschap. Nationaal bestuursakkoord water (NBW) Het Rijk, provincies (IPO), gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen hebben in 2003 het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Doel van het NBW is een duurzaam en klimaatbestendig beheer van het water waarbij water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. De afspraken zijn in 2008 geactualiseerd en in deze actualisatie wordt meer aandacht besteed aan klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water waarvoor afspraken zijn gemaakt over het realiseren van schoon en ecologisch gezond water. Relevant voor het project RegioExpres is het toepassen van de Watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten, waaronder ook het Provinciaal Inpassingsplan. 4.6.2.3 Provinciaal beleid In het Regionaal waterprogramma 2021-2027 wordt beschreven hoe de Provincie Gelderland samen met hun partners aan een watersysteem voor de toekomst werkt.

Daarin staan plannen voor het water in Gelderland zodat het geschikt blijft om te drinken, over te varen en in te zwemmen. Dat gebruikt wordt voor landbouw, natuur en landschap. De RegioExpres moet zorgen voor een harmonieuze integratie

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

62/152

met deze langtermijnplannen om te zorgen dat provinciale belangen met betrekking tot water in acht worden genomen. 4.6.2.4 Waterschappen Het waterschap, in dit geval Rijn en IJssel is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten en handelingen die mogelijk een nadelig effect hebben op de wateraspecten. In het Waterbeheerplan leggen de waterschappen hun beleid vast. Via de Keur met Algemene-en Beleidsregels, en Legger(s) kunnen de waterschappen ook regels opleggen aan bewoners en eigenaren. Via deze (juridische) instrumenten waarborgen de waterschappen de noodzakelijke veiligheid en borgen ze het functioneren van het watersysteem, conform de daaraan gegeven functies en doelstellingen. Keur, legger en regels Het waterschap heeft waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en het waterschap heeft een eigen verordening: De Keur. De regels die zijn vastgelegd in de Keur gelden voor de waterstaatswerken die zijn vastgelegd in de legger. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen.

Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in of nabij waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet bij het niet voldoen aan de Algemene Regels een vergunning aanvragen. De meeste werkzaamheden zijn minimaal meldingsplichtig. Dit geldt ook voor het project RegioExpres. Regels met betrekking tot het aanleggen van verhard oppervlak Het waterschap hanteert de regel dat een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m 2 gecompenseerd dient te worden. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 2.500 m 2 is een uitgebreide uitwerking noodzakelijk. Als vuistregel dient 10% van het bruto planoppervlak benut te worden als waterberging (incl. maaipaden en taluds). Aandachtspunt hierbij is dat in stedelijk gebied rekening dient te worden gehouden met een T=100+10% bui (80 mm neerslag in 48 uur). In niet-stedelijk gebied dient rekening te worden gehouden met een T=10+10% bui (40 mm neerslag in 45 minuten). Initiatieven als de RegioExpres moeten hieraan worden getoetst en er moet bepaald worden of er maatregelen nodig zijn als onderdeel van het project. 4.6.3 Beoordelingskader en methodiek In de NRD (2022) is het beoordelingskader vastgesteld. Voor alle milieuthema’s zijn in het beoordelingskader de aspecten en bijbehorende criteria vastgesteld.

De effecten tijdens de gebruiksfase en, indien mogelijk, de tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zijn onderzocht. Er wordt beoordeeld op waterveiligheid, waterhuishouding en waterkwaliteit, zie Tabel 25. Tabel 25 Beoordelingskader water

Thema en aspect

Criterium

Wijze van beoordelen

Water Waterveiligheid Waterhuishouding

Aantasting beschermde wateren/kunstwerken Invloed op (grond)waterhuishouding

Waterkwaliteit

Invloed op kwaliteit grond- en oppervlaktewater

Kwalitatief Kwantitatief/ Kwalitatief Kwalitatief

De beoordeling van dit deelonderzoek is uitgevoerd op basis van onderstaande beoordelingskaders.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

63/152

Tabel 26 Beoordelingskader beschermde wateren en kunstwerken

Score

Omschrijving

Toelichting

++

Sterk positief

+

Positief

0

Neutraal

-

Negatief

--

Sterk negatief

Aanpassingen van de RegioExpres leiden tot een verbetering met positieve effecten op de beschermde wateren en kunstwerken Aanpassingen van de RegioExpres leiden tot een verbetering, maar dit heeft geen relevante positieve effecten op beschermde wateren en kunstwerken Geen wezenlijke verbetering/verslechtering van de beschermde wateren en kunstwerken De beschermde wateren en kunstwerken ondervinden een verslechtering zonder nadelige effecten op de omgeving De beschermde wateren en kunstwerken ondervinden een verslechtering met nadelige effecten op de omgeving

Tabel 27 Beoordelingskader waterhuishouding (oppervlaktewater)

Score

Omschrijving

Toelichting

++

Sterk positief

+

Positief

0

Neutraal

-

Negatief

--

Sterk negatief

Aanpassingen aan het oppervlaktewatersysteem leiden tot een verbetering met positieve effecten op de omgeving Aanpassingen aan het oppervlaktewatersysteem leiden tot een verbetering, maar dit heeft geen relevante positieve effecten op de omgeving Geen wezenlijke verbetering/verslechtering van het oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem ondervindt een verslechtering, maar dit heeft geen relevante nadelige effecten op de omgeving Het oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem ondervindt een verslechtering met nadelige effecten op de omgeving

Om tot de effectbeoordeling van oppervlaktewater te komen worden twee sub-criteria beoordeeld: 1) Verandering in verhard oppervlak en 2) Aanpassingen duikers. Tabel 28 Beoordelingskader waterhuishouding (grondwater)

Score

Omschrijving

Toelichting

++

Sterk positief

+

Positief

0

Neutraal

Aanpassingen aan het grondwater verbeteren het watersysteem en de gebruiksfuncties Aanpassingen aan het grondwater sluiten aan bij de gebruiksfuncties Geen wezenlijke wijzigingen in het grondwater

-

Negatief

--

Sterk negatief

Wijzigingen in het grondwater hebben nadelige gevolgen voor gebruiksfuncties Wijzigingen in het grondwater hebben zeer nadelige gevolgen voor gebruiksfuncties

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

64/152

Tabel 29 Beoordelingskader waterkwaliteit (grond- én oppervlaktewater)

Score

Omschrijving

Toelichting

++

Sterk positief

+

Positief

0

Neutraal

De aanpassingen voor de RegioExpres leiden tot een optimalisatie van de huidige waterkwaliteit en helpen toekomstige verontreinigingen te voorkomen De aanpassingen voor de RegioExpres leiden tot een verbetering van de huidige waterkwaliteit en helpen toekomstige verontreinigingen te voorkomen De aanpassingen hebben geen effect op de waterkwaliteit

-

Negatief

De aanpassingen hebben negatieve effecten op de waterkwaliteit

--

Sterk negatief

De aanpassingen hebben sterk negatieve effecten op de waterkwaliteit en leiden tot verdere verspreiding van huidige verontreinigingen

4.6.4

Effecten

4.6.4.1 Waterveiligheid De aanleg van de RegioExpres kan effect hebben op de beschermde wateren en kunstwerken. Voor de waterveiligheid is een inventarisatie naar beschermde wateren en kunstwerken uitgevoerd op grond van informatie is afkomstig uit de legger van waterschap Rijn en IJssel. Hieruit kwam naar voren dat er binnen het plangebied geen beschermde wateren en kunstwerken zijn gelegen. Waterveiligheid is daarom neutraal beoordeeld. 4.6.4.2

Waterhuishouding

Oppervlaktewaterhuishouding De voorgenomen spoorverdubbeling heeft gevolgen voor de kunstwerken in de watergangen die de spoorlijn kruisen. Deze dienen verlengd te worden om een goede waterhuishouding te garanderen. In afstemming met het waterschap blijven de hoogteligging en diameter van de (nieuwe) duikers gehandhaafd (zie ook de Watertoets als bijlage bij het deelrapport Water). De invloed op de waterhuishouding is nihil. Grondwaterhuishouding In het studiegebied wordt geen grondwateroverlast verwacht als gevolg van het project, tevens zijn geen natte gebieden aanwezig. Het hemelwater kan infiltreren in de bestaande bodem, er zijn voldoende bergingsmogelijkheden, rekening houdend met de gemiddeld hoogste grondwaterstand. De spoorverdubbeling verandert niets aan de grondwaterstand ten opzichte van de huidige situatie. De trillingschermen aan de Parallelweg en Pittelderstraat in Didam worden geen merkbare negatieve effecten op het grondwater verwacht, aangezien het grondwater op de betreffende locatie ongeveer even diep ligt als de onderkant van de trillingschermen (ca. 2 meter – maaiveld). Toename verhard oppervlak De compensatie van eventuele toename van verharding is afhankelijk van o.a. infiltratiemogelijkheden, afvoercapaciteit en rioolstelsel. Als het hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd dan zal het watersysteem zwaarder belast worden.

Het waterschap heeft uitvoeringsregels opgesteld op grond van de Keur voor handelingen in het watersysteem. Het waterschap Rijn en IJssel hanteert de regel dat een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m2 gecompenseerd dient te worden. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 2.500 m2 is een uitgebreide uitwerking noodzakelijk. Als vuistregel dient 10% van het bruto planoppervlak benut te worden als waterberging.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

65/152

Als gevolg van de RegioExpres neemt het verhard oppervlak toe door de bouw van nieuwe perrons (Wehl, Doetinchem De Huet) en het relaishuis te Doetinchem. Het betreft ca. 1000 m 2 extra verhard oppervlak. Het ballastbed voor het tweede spoor wordt niet als verhard oppervlak beschouwd (afgestemd met waterschap Rijn en IJssel). De neerslag die valt op het spoor zal grotendeels infiltreren in de goed doorlatende ondergrond. Klimaatadaptatie Bij hevige kortdurende buien kunnen er knelpunten ontstaan binnen de gemeente Montferland (onderdoorgang van het spoor onder de A12) en in de gemeente Doetinchem (station Wehl en brug over de Oude IJssel). Het project RegioExpres zal echter niet zorgen voor extra wateroverlast. 4.6.4.3 Waterkwaliteit Bij de RegioExpres zijn twee routes om het hemelwater af te voeren: • Hemelwater infiltreert in de spoorbaan en onder verhang (1:40) komt het hemelwater terecht in nieuw aan te leggen greppels. • Hemelwater infiltreert in de spoorbaan en via een grindkoffer en (nieuw aan te leggen) drains komt het hemelwater terecht in zinkputten (of eventueel een greppel). In beide gevallen zakt het hemelwater daarna naar het grondwater. Het ballastbed raakt na verloop van tijd verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie.

De verontreiniging vindt plaats als gevolg van slijtage van wielen/spoorstaven (zink), smeermiddelen (olie) en uitlaatgassen uit dieseltreinen (PAK). Deze diffuse verontreinigingen kunnen mogelijk verspreiden in de onderliggende bodem, het eventuele naastgelegen oppervlaktewater en uiteindelijk ook in het grondwater. De extra uitstoot van PAK, metalen en minerale olie blijft beperkt aangezien er slechts twee treinbewegingen per uur extra zullen optreden, en dit geldt dan alleen voor werkdagen tot 20:00 uur. De effecten van de RegioExpres op de grondwaterkwaliteit zijn daarom minimaal. 4.6.5 Mitigerende en compenserende maatregelen Zoals in de vorige paragraaf beschreven worden er diverse (technische) maatregelen, zoals aanpassen van kunstwerken (stuw) en duikers en compensatie verhard oppervlak genomen om het belang van het thema water een plaats te geven in het project. In overleg met ProRail en waterschap Rijn en IJssel is een groot deel van de oorspronkelijk voorziene drainage vervangen door greppels. Deze greppels worden waar ruimte is langs het spoor gegraven ten behoeve van afwatering vanuit de baan. Om ervoor te zorgen dat het hemelwater wat terecht komt op/in de verbrede spoorbaan niet versneld wordt afgevoerd maar behouden blijft in de omgeving, worden de greppels niet aangesloten op een bestaand afwateringssysteem. Het hemelwater zakt dan langzaam de bodem in.

Naast dat dit een maatregel is welke de hoeveelheid onderhoud vermindert (t.o.v. drainage) betreft dit ook een maatregel in het kader van duurzaamheid en klimaatadaptatie, aangezien het hemelwater wordt vastgehouden en kan infiltreren in de directe omgeving. Op locaties waar de greppel ruimte-technisch niet inpasbaar is (bijvoorbeeld vanwege de nabijheid van bebouwing) wordt de afwatering geregeld middels een drainage die afwatert op aansluitende greppels of zinkputten. De dwarsprofielen van de greppel en drainage zijn opgenomen in de Watertoets (Bijlage 7 bij het PIP). Vanwege de aanleg van nieuwe perrons neemt het verhard oppervlak toe. Er dient circa 100 m2 aan verharding gecompenseerd te worden door middel van extra oppervlaktewater. Dit wordt ingevuld in vorm van de eerdergenoemde greppels.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

66/152

4.6.6 Conclusie De waterveiligheid wordt niet beïnvloed door de realisatie van het project. Op waterkwaliteit heeft het project geen negatief noch een positief effect. De maatregelen die worden genomen op basis van de te verwachten effecten op waterhuishouding zijn beperkt en omvatten alleen het aanleggen van greppels en drainage langs het spoor, alsmede het verlengen van reeds aanwezige duikers en het verplaatsen van een stuw. De compensatie voor de toename van verhard oppervlak wordt met de aanleg van greppels ingevuld. Deze maatregel heeft een positief effect op de waterhuishouding die anders negatief zou worden beoordeeld. Daarom wordt deze, net als de totaalscore, beoordeeld als neutraal. De totaalbeoordeling voor het thema Water is dan neutraal. Tabel 30 Samenvatting effecten water

Thema en aspect Water

Criterium

Score

Waterveiligheid

Aantasting beschermde wateren/kunstwerken

0

Waterhuishouding

Invloed op grond en oppervlakte waterhuishouding

0

Waterkwaliteit

Invloed op kwaliteit grond- en oppervlaktewater

0

Totaalbeoordeling

4.7

0

Natuur

4.7.1 Inleiding De werkzaamheden hebben raakvlak met de aanwezige natuur. Zo kunnen soorten worden gedood of leefgebieden worden vernietigd of verstoord door de aanleg van de spoorweg. Effecten op Natura 2000-gebieden, provinciaal beschermde natuur (GO, GNN, weidevogelgebied en ganzenrustgebied), beschermde soorten en houtopstanden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Voor de beschermede gebieden en soorten is ecologisch onderzoek uitgevoerd. Zie het deelrapport Natuur. Het onderzoek is gebruikt om de effecten van de RegioExpres op natuur in kaart te brengen. 4.7.2

Beleidskader

4.7.2.1 Europa Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In deze richtlijnen wordt aangegeven welke planten en dieren en hun natuurlijke habitats (leefgebieden) beschermd moeten worden door de lidstaten van de Europese Unie. De Vogelrichtlijn (VR) is gericht op in het wild levende vogelsoorten. De Habitatrichtlijn (HR) is gericht op dier- en plantensoorten. De richtlijnen zorgen voor gebieds- en soortenbescherming in Europa. De gebieden worden aangewezen als speciale beschermingszone en worden ‘Natura 2000’ genoemd. Samen moeten deze gebieden uiteindelijk een coherent Europees ecologisch netwerk vormen. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. 4.7.2.2 Rijk In Nederland zijn de internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn vanaf 1 januari 2017 verwerkt in de Wet Natuurbescherming (Wnb). In hoofdlijnen is de Wnb in het leven geroepen om biodiversiteit in Nederland te beschermen.

Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij provincies. In artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming is aangegeven in welke gevallen de Minister van LNV bevoegd gezag is. Dit is het geval bij een spooraanpassingen aan een hoofdspoorweg. Daarom is het ministerie van LNV het bevoegd gezag aangaande spooraanpassingen in de zin van het project RegioExpres.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

67/152

Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wnb. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Stikstofdepositie In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de aanlegfase en/of de gebruiksfase.

Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan deze stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden worden berekend. Als de berekeningen met AERIUS aangeven dat er geen toename is van stikstofdepositie (gelijk aan of kleiner dan 0,00 mol N/ha/jaar), kunnen significante effecten als gevolg van stikstofdepositie van tevoren worden uitgesloten. In dat geval is er geen vergunning vereist op basis van de Wet natuurbescherming met betrekking tot stikstofdepositie. Als de berekening echter aangeeft dat er een toename is van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar), maar aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan, is er ook geen vergunning vereist op basis van de Wet natuurbescherming: • In een ecologische beoordeling (voortoets) is volledig uitgesloten dat stikstofgevoelige habitattypen of habitats van soorten verslechteren, ondanks de toename van de depositie. • Na intern salderen is de toename van de stikstofdepositie niet groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. Per 2 november 2022 is middels uitspraak van de Raad van State de partiële bouwvrijstelling, die sinds 2021 bestond, komen te vervallen. Met het vervallen van de bouwvrijstelling dienen de effecten van stikstof tijdens de realisatiefase van projecten weer inzichtelijk gemaakt te worden, net zoals voor de gebruiksfase.

Hiertoe dient een projectspecifieke AERIUS-berekening uitgevoerd te worden waarin alle stikstof emissiebronnen opgenomen worden en berekend wordt of deze emissiebronnen leiden tot stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Als uit de berekening blijkt dat er een toename is van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan een van de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, is er een vergunning vereist op basis van de Wet natuurbescherming. Een vergunning kan worden verleend als uit een passende beoordeling, eventueel met extern salderen, en na eventuele succesvolle doorloop van de ADC-toets blijkt dat er geen risico's zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Voortoets en passende beoordeling Bij het plannen van activiteiten in of in de nabijheid (externe werking) van een Natura 2000-gebied moet de initiatiefnemer in een verkennende fase (voortoets) onderzoeken of het plan mogelijk aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000gebied. Met "externe werking" wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied invloed kunnen hebben op de natuurwaarden binnen het gebied.

Als uit dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit aanzienlijke negatieve gevolgen heeft, moet de initiatiefnemer gedetailleerder in kaart brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn, met inbegrip van eventuele benodigde mitigatiemaatregelen. Dit wordt een "passende beoordeling" genoemd. Het bevoegd gezag beoordeelt deze passende beoordeling. Als uit de passende beoordeling blijkt dat de activiteit alsnog niet leidt tot

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

68/152

aanzienlijke negatieve effecten, kan de activiteit doorgaan. Als uit de verkennende fase blijkt dat er een kans bestaat op een negatief effect, maar dit effect niet als significant wordt beschouwd, kan ook op basis van een verslechteringstoets toestemming worden verleend om de activiteit uit te voeren. Als uit de passende beoordeling blijkt dat aanzienlijke negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgaan op basis van de "ADC-criteria". Dit betekent dat: ▪ A: er geen alternatieve oplossingen zijn voor het plan; ▪ D: er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en; ▪ C: de initiatiefnemer vooraf en tijdig compenserende maatregelen neemt. Soortenbescherming De Wnb maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. e.v. Wnb. Artikel 3.1 Wnb 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de verbodsbepalingen. Deze aanvraag wordt getoetst op: ▪ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ▪ Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; ▪ Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5 e.v. Wnb. Artikel 3.5 Wnb 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

69/152

Onder de Wnb geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5 Wnb. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een vergunning worden aangevraagd. De aanvraag wordt beoordeeld op: ▪ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ▪ Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; ▪ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10 e.v. Wnb. Artikel 3.10 Wnb Het is verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een vergunning worden aangevraagd. De aanvraag wordt beoordeeld op: ▪ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ▪ Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; ▪ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van LNV hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen. Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wet natuurbescherming. Binnen de Wnb worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Het voornaamste onderscheid wordt gemaakt op basis van de locatie. Houtopstanden welke binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de

A30-SBR-HS-RAP-23009235/ Proj.nr. MN002205/ Vrijgegeven/ Versie 3.0/ 27-11-2023

70/152

bebouwde kom Wnb vallen, zijn namelijk uitgezonderd en worden niet onder de Wnb beschermd. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente. Een houtopstand onder de Wnb wordt gezien als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: 1) een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of; 2) bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaalaantal rijen. De Wnb is volgens artikel 4.1 niet van toepassing bij: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; a. het dunnen van een houtopstand; b. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. Ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7969/documents/45389