CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G.pdf

beeldvormende raad 18 september 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7: Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit omgevingsplan36.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Subparagraaf 4.3.2.4.4 Beoordelingsregels Artikel 4.28 Beoordelingsregels voor bouwen

25

1.

Het bouwwerk is groter dan 100 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.4 niet meer.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.29 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.

Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.

Subparagraaf 4.3.2.4.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.30 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.24: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Artikel 4.31 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Paragraaf 4.3.2.5 Archeologische verwachtingswaarde 3 Subparagraaf 4.3.2.5.1 Algemeen Artikel 4.32 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.5 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 3.

Subparagraaf 4.3.2.5.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.33 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.34.

26

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.34 Activiteiten met omgevingsvergunning

27

1.

De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.

2.

Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.

3.

Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.

4.

Het verlagen van het waterpeil.

5.

Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.

6.

Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

7.

Het aanleggen van bos of boomgaard.

8.

Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

9.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 4.35 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

2.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.

3.

Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.

4.

Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.

5.

Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.

Subparagraaf 4.3.2.5.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.36 Aanvullende indieningsvereisten 1.

Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Subparagraaf 4.3.2.5.4 Beoordelingsregels

Concept

Artikel 4.37 Beoordelingsregels voor bouwen 1.

Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 40 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.5 niet meer.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.38 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.

Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.

Subparagraaf 4.3.2.5.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.39 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.33: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Artikel 4.40 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Paragraaf 4.3.2.6 Archeologische verwachtingswaarde 4 Subparagraaf 4.3.2.6.1 Algemeen

28

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 4.41 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.6 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 4.

Subparagraaf 4.3.2.6.2 Omgevingsplanactiviteiten

Concept

Artikel 4.42 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.43.

Artikel 4.43 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.

2.

Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.

3.

Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.

4.

Het verlagen van het waterpeil.

5.

Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.

6.

Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

7.

Het aanleggen van bos of boomgaard.

8.

Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

9.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 4.44 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

2.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.

3.

Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.

4.

Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.

5.

Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.

Subparagraaf 4.3.2.6.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.45 Aanvullende indieningsvereisten 1.

29

Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

2.

In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

Subparagraaf 4.3.2.6.4 Beoordelingsregels Artikel 4.46 Beoordelingsregels voor bouwen 1.

Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.6 niet meer.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.47 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.

Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.

Subparagraaf 4.3.2.6.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.48 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.42: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Artikel 4.49 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;

30

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

c.

d.

de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Concept

Paragraaf 4.3.2.7 Archeologische verwachtingswaarde 5 Subparagraaf 4.3.2.7.1 Algemeen Artikel 4.50 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.7 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 5.

Subparagraaf 4.3.2.7.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.51 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.52.

Artikel 4.52 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 opgehoogd.

2.

Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.

3.

Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.

4.

Het verlagen van het waterpeil.

5.

Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.

6.

Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

7.

Het aanleggen van bos of boomgaard.

8.

Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

9.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 4.53 Activiteiten zonder omgevingsvergunning

31

1.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

2.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.

3.

voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.

4.

Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

5.

Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.

Subparagraaf 4.3.2.7.3 Aanvullende indieningsvereisten

Concept

Artikel 4.54 Aanvullende indieningsvereisten 1.

Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

Subparagraaf 4.3.2.7.4 Beoordelingsregels Artikel 4.55 Beoordelingsregels voor bouwen 1.

Het bouwwerk is groter dan 1.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.7 niet meer.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.56 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.

Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.

Subparagraaf 4.3.2.7.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.57 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.51: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

32

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.58 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

33

Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Paragraaf 4.3.2.8 Archeologische verwachtingswaarde 6 Subparagraaf 4.3.2.8.1 Algemeen Artikel 4.59 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.8 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 6.

Subparagraaf 4.3.2.8.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.60 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.61.

Artikel 4.61 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 opgehoogd.

2.

Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.

3.

Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.

4.

Het verlagen van het waterpeil.

5.

Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.

6.

Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

7.

Het aanleggen van bos of boomgaard.

8.

Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

9.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.62 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

2.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.

3.

V oor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.

4.

Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.

5.

Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.

Subparagraaf 4.3.2.8.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.63 Aanvullende indieningsvereisten 1.

Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

Subparagraaf 4.3.2.8.4 Beoordelingsregels Artikel 4.64 Beoordelingsregels voor bouwen 1.

Het bouwwerk is groter dan 5.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.8 niet meer.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.65 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.

Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.

Subparagraaf 4.3.2.8.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.66 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde

34

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.60: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Artikel 4.67 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. [Vervallen] T Het opschrift van afdeling 4.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.3.3 4.2.3 Reliëf Landschappelijke waarden U Paragraaf 4.3.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.3.1 4.2.3.1 Algemeen Artikel 4.68 4.102 Waarom gelden Waar gaat deze regelsafdeling over? De regels in deze afdeling 4.3.3 gelden met als doel het in stand houden en versterken van de kenmerkende hoogteverschillen van het landschap. De afdeling 4.2.3 gaat over landschappelijke waarden.

Artikel 4.69 4.103 Waar Waarom gelden deze regels? De regels in deze afdeling 4.3.34.2.3 gelden binnen het gebied reliëf.met als doel: a. het in stand houden en versterken van de openheid van het landschap; b. het in stand houden van de aardkundige waarden (rivierduinen); en/of c. het in stand houden en verwerken van de kenmerkende hoogteverschillen van het landschap.

Artikel 4.104 Waar gelden deze regels? 1.

35

De landschappelijke waarde reliëf geldt binnen het gebied reliëf.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

2.

De landschappelijke waarde openheid geldt binnen het gebied openheid.

3.

De landschappelijke waarde rivierduin geldt binnen het gebied rivierduin.

Concept

V Paragraaf 4.3.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.3.2 4.2.3.2 Omgevingsplanactiviteiten Werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden Artikel 4.70 4.105 Omgevingsvergunning Omgevingsplanactiviteit Het is binnen het gebied reliëf alleen toegestaan met een omgevingsvergunning te bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.71. Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.106 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.107.

Artikel 4.71 4.106 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

Het verlagen van de bodem.

2.

Het egaliseren van gronden.

3.

Het ophogen van gronden.

4.

Het verharden van gronden.

5.

Het aanleggen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen.

6.

Het dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen.

7.

Het afgraven van gronden.

8.

Het bebossen of op een andere manier beplanten met houtopstanden.

8 9. Het aanbrengen van bovengrondse en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen voor de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet.

Artikel 4.72 4.107 Aanvullende indieningsvereisten Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Bij de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid moet aanvullend op de gegevens en documenten die vereist zijn vanuit hoofdstuk 22 in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige reliëf. Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, in het kader van het normale beheer en onderhoud.

2.

Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die binnen een bouwvlak worden uitgevoerd.

Artikel 4.108 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.105 moet in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige landschappelijke waarden.

36

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.73 4.109 Aanvullende beoordelingsregels

37

1.

In geval van werken en werkzaamheden in de vorm van de aanleg van leidingen of het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden mag door directe of indirecte gevolgen van die werken en werkzaamheden de waarde van het reliëf niet onevenredig worden aangetast.

2.

Er is sprake van een advies van een landschap en eventueel natuur deskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het eerste lid.

3.

Als door het uitvoeren van het werk of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarde(n).

4.

De locatie mag niet gelegen zijn binnen het Gelders natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardig belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.105 wordt alleen verleend als: a. de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; b. er geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarde(n); c. de locatie niet ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk of de groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardig belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. d. het advies van de landschapsdeskundige is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.74 Uitzondering vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.70 is nodig als: a. het gaat om werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die binnen een bouwvlak worden uitgevoerd; c. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarmee op basis van een al verleende vergunning is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreden van een wijziging van dit omgevingsplan. W Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.13 Specifieke gevallen 1.

Een omgevingsvergunning kan toch worden verleend voor de specifieke gevallen zoals genoemdbedoeld in dit artikel, wanneer voldaan wordt aan de aanvullende beoordelingsregels zoals genoemdbedoeld in artikel 5.14.

2.

Het oprichten van bouwwerken van algemeen nut (zoals abri's, transformatorhuisjes, gasmeeten regelstations en conmatics), mits de inhoud van elk van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 m3 en de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan 4 meter.

3.

Het overschrijden van de bouwregels over de goothoogte, de bouwhoogte en de (vloer)oppervlakte van gebouwen, met niet meer dan 10%, met uitzondering van de regels in de functie Wonen.

4.

Het overschrijden van de bouwregels inzake de bouwhoogte en de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met niet meer dan 10%.

5.

Het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bouwgrens, te veranderen, waarbij de grens met niet meer dan 3 meter wordt verschoven.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

6.

Het oprichten van masten voor mobiele (beeld)telefonie en zendmasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter.

7.

Het oprichten van kunstobjecten tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, voor alle (hoofd)functies, behalve de functie Bos, Groen en Natuur.

Concept

X Subsubparagraaf 5.3.8.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 5.3.8.2.1 Zonnepanelen Artikel 5.15 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan omplaatsen van zonnepanelen op de grond te plaatsentoegestaan.

Artikel 5.16 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals genoemdbedoeld in artikel 5.15 wordt alleen verleend als: a. de zonnepanelen worden geplaatst op eigen grond, op het perceel dat als erf gebruikt wordt; b. de hoogte maximaal 1,5 meter is; c. de totale oppervlakte van de op de grond geplaatste zonnepanelen maximaal 100 m2 bedraagt; en d. de zonnepanelen landschappelijk zijn/worden ingepast en hiervoor vooraf advies is ingewonnen bij ter zake deskundigen op het gebied van ecologie en landschap. Y Subsubparagraaf 5.3.8.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 5.3.8.2.2 Mini windturbine Artikel 5.17 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan omplaatsen van een mini winturbine te plaatsenwindturbine toegestaan.

Artikel 5.18 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals genoemdbedoeld in artikel 5.17 wordt alleen verleend als: a. de as van de mini windturbine maximaal 5 meter uitsteekt boven het hoogste punt van het bouwwerk waarop de turbine geplaatst wordt; b. de mini windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en c. voor de mini windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden. Z Subsubparagraaf 5.3.8.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subsubparagraaf 5.3.8.2.3 Kleine windturbine Artikel 5.19 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan omplaatsen van een kleine winturbine te plaatsentoegestaan.

38

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 5.20 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals genoemdbedoeld in artikel 5.19 wordt alleen verleend als: a. de kleine windturbine een maximale as-hoogte heeft van 30 meter; b. de kleine windturbine niet mag staan in het gebiedstype 'woongebieden', zoals weergegeven in de bijlage Algemeen - Gebiedstypen; c. in het landelijk gebied op het erf gerealiseerd moet worden, op maximaal 100 meter afstand van het op dat erf aanwezige hoofdgebouw; d. de kleine windturbine moet minimaal (A) mmeter van het beperkingengebied 'Leiding GasGasleiding' af liggenafliggen, zoals berekend uit de volgende formule: A = H + 1/3 W, waarin A = minimale afstand, H = ashoogte, W = Wieklengte en de wieklengte = 1/2 ashoogte; e. de kleine windturbine moet minimaal (A) meter van het beperkingengebied 'Hoogspanningsverbinding' afliggen, waarbij een vrije ruimte wordt aangehouden die minimaal gelijk of groter is dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental, of indien deze groter is ashoogte plus ½ rotordiameter, van de betreffende windturbine; e f. de kleine windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en f g. voor de kleine windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden. AA Artikel 5.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.21 Regels bij overschrijding van de bouw- en/of hoofdfunctiegrenzenfunctiegrenzen 1.

Het is verboden bij ruimtelijke bouwactiviteiten bouw- en/of hoofdfunctiegrenzen functiegrenzen zoals opgenomen in hoofdstuk 6 te overschrijden.

2.

Het verbod in het eerste lid geldt niet bij: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen, voorzover zij de grens van de weg niet overschrijden; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 12 centimeter bedraagt en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, reclame-uitingen, galerijen en luifels, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 50 centimeter bedraagt en zij niet lager zijn aangebracht dan: 1. 4,20 meter boven een rijbaan of boven een strook ter breedte van 1,50 meter langs een rijbaan; 2. 2,20 meter boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de onder nummer 1 genoemde strook; d. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voorzover dezen de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; e. goten, ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen; f. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voorzover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand: 1. de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 1 meter overschrijden; 2. de grens van de weg overschrijden; 3.

lager zijn geplaatst dan 4,20 meter boven een rijbaan.

BB Artikel 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.6 Aanvullende beoordelingsregels Nevenactiviteiten zoals genoemd in artikel 6.5 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: a. alleen nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten (bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan;

39

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

b. c.

Concept

d.

nevenactiviteiten in de openlucht zijn alleen toegestaan bij de hoofdfunctie dagrecreatie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een oppervlakte van maximaal 200 m2; de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) mag maximaal 50% van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) in totaal maximaal 350 m2 is; verblijfsrecreatie is alleen toegestaan in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie.

CC Het opschrift van paragraaf 6.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 6.1.4 Beoordeling van omgevingsplanactiviteiten Omgevingsplanactiviteiten DD Subparagraaf 6.1.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 6.1.4.1 Nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf Artikel 6.8 Omgevingsplanactiviteit nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf Alleen met een omgevingsvergunning zijn neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten toegestaan wanneer het gaat om activiteiten waarbij: a. een oppervlakte groter is dan 350 m2; en/of b. het gaat om het uitoefenen van nevenactiviteiten in de open lucht.

Artikel 6.9 Aanvullende beoordelingsregels 1.

De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.8 wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) maximaal 50% van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag zijn, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) niet meer mag bedragen dan in de tabel hieronder is aangegeven. Daarbij moet rekening worden gehouden dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan; b. de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen, en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; c. de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft.

Maximale oppervlakte nevenactiviteiten Maximale oppervlakte in m2

40

Nevenactiviteiten

Groene ontwikkelingszone

Overig Landelijk gebied

Verblijfsrecreatie

500

750

Dagrecreatie

500

750

Zorg

500

750

Opslag

x

500

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Opslag nevenactiviteiten

2.

x

500

In afwijking van artikel 6.9 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie is gelegen binnen het gebied groene ontwikkelingszonede groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen ernstigesignificante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de Groenegroene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, ofdan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.9 eerste lid blijven dan ook gelden.

EE Het opschrift van artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.10 Omgevingsplanactiviteit kamperen bij de boer FF Artikel 6.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.11 Aanvullende beoordelingsregels 1.

De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.10 wordt alleen verleend als: a. de gronden die in gebruik genomen gaan worden voor kamperen binnen het bouwvlak liggen of daar direct op aansluiten; b. er maximaal 25 kampeerplaatsen zijn; c. kamperen uitsluitend is in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; d. gebouwen, zoals sanitaire ruimten, voldoen aan de volgende regels: 1. alleen binnen het bouwvlak; 2. de maximale oppervlakte van 150 m2 mag zijn; 3. de goothoogte maximaal 3 meter mag zijn; 4. de bouwhoogte maximaal 6 meter mag zijn; e. het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; f. het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een manier die voldoet zoals aangegeven in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen.

2.

In afwijking van artikel 6.11 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie ligt binnen het gebied groene ontwikkelingszonede groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen ernstige aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de Groenegroene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.11 eerste lid blijven dan ook gelden.

GG Artikel 6.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.12 Verboden gebruik 1.

41

Nieuwvestiging van grondgebonden- en een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is verboden.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept 42

2.

Nieuwvestiging en uitbreiden van een geitenhouderij is verboden, daaronder wordt verstaan: a. het vestigen van een geitenhouderij; b. het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij; c. het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden; d. het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit; e. het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; f. het tijdelijk gebruiken van bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.

3.

Het gebruik van gronden en bouwwerken voor het houden van landbouwhuisdieren is in elk geval verboden als sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf door het gebruik van gronden en overkappingen.

4.

Het omschakelen van een grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) naar een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) is niet toegestaan.

HH Afdeling 6.5 wordt geplaatst na afdeling 6.1. Afdeling 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.5 6.2 Evenementen Paragraaf 6.5.1 6.2.1 Algemeen Artikel 6.60 6.14 Waar gaat deze afdeling over? Afdeling 6.56.2 gaat over de functie evenementen.

Artikel 6.61 6.15 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.56.2 gelden binnen het gebied evenementenlocatie.

Artikel 6.62 6.16 Wanneer gelden de regels? 1.

Binnen het gebied evenementenlocatie gelden de regels in afdeling 6.56.2 in aanvulling op het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

2.

Voor zover de regels in afdeling 6.56.2 strijdig zijn met het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, hebben de regels in afdeling 6.56.2 voorrang op de regels waarmee de strijdigheid bestaat.

Paragraaf 6.5.2 6.2.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.63 6.17 Algemeen 1.

Evenementen zijn in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering / verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak toegestaan.

2.

De op- en afbouw van bij het evenement behorende voorzieningen mag in totaal maximaal 7 dagen duren.

3.

De begin- en eindtijden van de evenementen moeten voldoen aan de tijden zoals staat in de tabel hieronder:

Dagen

Begintijd

Eindtijd

Zondag t/m donderdag

8:30 uur

23:00 uur

Vrijdag

8:30 uur

24:00 uur

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Dagen

Begintijd

Eindtijd

Zaterdag

8:30 uur

01:00 uur (zondag)

Artikel 6.64 6.18 Maatwerkvoorschriften 1.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.636.17 tweede lid voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een langduriger evenementevenement dat langer duurt.

2.

Het maatwerkvoorschrift wordt alleen genomen als: a. er voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar zijn; b. de aan te brengen voorzieningen tijdelijk zijn. Dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen; en c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de binnen het gebied aanwezige waarden.

Paragraaf 6.5.3 6.2.3 Toegestaan - Specifiek Subparagraaf 6.5.3.1 6.2.3.1 Evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem Artikel 6.65 6.19 Waar gelden deze regels? Binnen het gebied evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem zijn evenementen toegestaan.

Artikel 6.66 6.20 Regels voor de evenementenlocatie binnenstad Doetinchem 1.

Er zijn maximaal 3 evenementen toegestaan van maximaal 30 dagen.

2.

Er zijn maximaal 30 evenementen toegestaan van maximaal 6 dagen.

3.

De duur van de evenementen is exclusief op- en afbouw.

4.

Het aantal evenementen binnen het gebied evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem is inclusief koopzondagen.

Subparagraaf 6.5.3.2 6.2.3.2 Evenementenlocatie - Mark Tennantplantsoen Artikel 6.67 6.21 Waar gelden deze regels? Binnen het gebied evenementenlocatie - Mark Tennantplantsoen zijn evenementen toegestaan.

Artikel 6.68 6.22 Regels voor de evenementenlocatie Mark Tennantplantsoen 1.

Er zijn maximaal 4 evenementen toegestaan van maximaal 4 dagen met maximaal 1500 bezoekers.

2.

Er is maximaal 1 evenement toegestaan van maximaal 30 dagen met maximaal 150 bezoekers.

3.

De duur van de evenementen is exclusief op- en afbouw.

Paragraaf 6.5.4 6.2.4 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.5.4.1 6.2.4.1 Aanvang evenement evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem Artikel 6.69 6.23 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is voor één evenement per kalenderjaar een begintijd van 06:00 uur toegestaan.

43

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 6.70 6.24 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.23 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt waarom het noodzakelijk is om eerder te beginnen dan de standaard begintijd zoals staat in artikel 6.636.17 derde lid.

Concept

Artikel 6.71 6.25 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.23 wordt alleen verleend als: a. Het is het de eerste aanvraag voor het kalenderjaar is; b. De de begintijd is tussen 06:00 uur en 08:30 uur; en c. Er er wordt voldaan aan de geluidsniveaus zoals staat in artikel 9.4 eerste lid. II Afdeling 6.2 wordt geplaatst na afdeling 6.5. Afdeling 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2 6.3 Groen Paragraaf 6.2.1 6.3.1 Algemeen Artikel 6.14 6.26 Waar gaat deze afdeling over? Afdeling 6.26.3 gaat over de functie groen.

Artikel 6.15 6.27 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.26.3 gelden binnen het gebied groen .

Paragraaf 6.2.2 6.3.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.16 6.28 Toegestaan gebruik Binnen het gebied groen is het gebruik van gronden toegestaan voor: a. (structurele) groenvoorzieningen waaronder houtige opstandenhoutopstanden; b. extensieve dagrecreatie en mogelijkheden voor ontmoeting en spelen; c. fiets- en wandelpaden en verhardingen, niet zijnde parkeervoorzieningen; d. waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. kunstobjecten; g. bestaande inritten; en h. straatmeubilair en speeltoestellen.

Paragraaf 6.2.3 6.3.3 Omgevingsplanactiviteiten Subparagraaf 6.2.3.1 6.3.3.1 Nieuwe inrit Artikel 6.17 6.29 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning is een nieuwe inrit toegestaan.

Artikel 6.18 6.30 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.176.29 wordt alleen verleend als: a. de inrit noodzakelijk is om een perceel te ontsluiten; b. de inrit geen onevenredige afbreuk doet aan de flora en fauna ter plaatse; c. de waarde of beleving van de groenvoorziening niet onevenredig wordt aangetast; d. als uit het advies van deskundige op het gebied van ecologie blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit ecologisch oogpunt; e. als uit het advies van deskundige op het gebied van verkeer blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit verkeerskundig oogpunt; en f. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is.

44

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

JJ Na afdeling 6.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Concept

Afdeling 6.4 Natuur Paragraaf 6.4.1 Algemeen Artikel 6.31 Waar gaat deze afdeling over? Afdeling 6.4 gaat over de functie natuur.

Artikel 6.32 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.4 gelden binnen het gebied natuur.

Paragraaf 6.4.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.33 Toegestaan gebruik Binnen het gebied natuur is het volgende gebruik van gronden toegestaan: a. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuur- , visuele- en landschapswaarden; b. extensieve dagrecreatie, als de onder a bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; c. waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen, inclusief bijbehorende oevers; d. fiets- en wandelpaden, als de onder a bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; e. kunstobjecten; f. nutsvoorzieningen; en g. bouwwerken en voorzieningen die horen bij de functie natuur. KK Afdeling 6.3 wordt geplaatst na afdeling 6.4. Afdeling 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.3 6.5 Verkeer Paragraaf 6.3.1 6.5.1 Algemeen Artikel 6.19 6.34 Waar gaat deze afdeling over? Afdeling 6.36.5 gaat over de functie verkeer.

Artikel 6.20 6.35 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.36.5 gelden binnen het gebied verkeer.

Paragraaf 6.3.2 6.5.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.21 6.36 Toegestaan gebruik Binnen het gebied verkeer is het gebruik van gronden toegestaan voor: a. verkeer en verblijf; b. geluidwerende voorzieningen; c. straatmeubilair en speeltoestellen; d. parkeervoorzieningen; e. kunstobjecten; f. groenvoorzieningen; g. waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen; h. nutsvoorzieningen.

Paragraaf 6.5.3 Geboden

45

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 6.37 Terras Bij mogelijkheden voor ontmoeting moet voldaan worden aan de voorwaarden die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in de Nota Terrassenbeleid, zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 5 maart 2013, rekening houdende dat wanneer de nota wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.

Concept

Artikel 6.38 Standplaatsen Bij mogelijkheden voor ontmoeting moet voldaan worden aan de voorwaarden die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in de Nota Standplaatsenbeleid 2011, zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 22 november 2011, rekening houdende dat wanneer de nota wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. LL Na afdeling 6.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 6.6 Water Paragraaf 6.6.1 Algemeen Artikel 6.39 Waar gaat deze afdeling over? Afdeling 6.6 gaat over de functie water.

Artikel 6.40 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.6 gelden binnen het gebied water.

Paragraaf 6.6.2 Toegestaan - Algemeen Artikel 6.41 Toegestaan gebruik Binnen het gebied water is het volgende gebruik van gronden toegestaan: a. het ontvangen, bergen en/of afvoeren van water zoals waterpartijen, waterlopen en andere watergangen, inclusief bijbehorende oevers; b. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuur- , visuele en landschapswaarden; c. extensieve dagrecreatie, als de onder b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; d. infrastructurele voorzieningen; e. groen- en nutsvoorzieningen; f. bouwwerken die bij de functie water horen. MM Afdeling 6.4 wordt geplaatst na afdeling 6.6. Afdeling 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.4 6.7 Wonen Paragraaf 6.4.1 6.7.1 Algemeen Artikel 6.22 6.42 Waar gaat deze afdeling over? Afdeling 6.46.7 gaat over de functie wonen.

Artikel 6.23 6.43 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 6.46.7 gelden binnen het gebied wonen.

Paragraaf 6.4.2 6.7.2 Toegestaan - Algemeen

46

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 6.24 6.44 Woningen en bijbehorende bouwwerken en voorzieningen Het gebruik van gronden en bouwwerken voor woningen en de hierbij behorende bouwwerken en voorzieningen zijn binnen het gebied wonen toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangeven.

Concept

Artikel 6.25 6.45 Aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven in stedelijk gebied

47

Het gebruiken van woningen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf binnen het gebied stedelijk gebied is toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; b. niet meer dan 40% van de totale vloeroppervlakte van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken die voor de functie wonen mogen worden gebruikt, mag worden gebruikt voor het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf; c. het medegebruik van aangebouwde bijbehorende bouwwerken zodanig beperkt blijft dat de afstand tussen de als zodanig gebruikte ruimte en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter mag zijn. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm. De afstandsnorm geldt niet voor bouwwerken die binnen het bouwvlak liggen; d. de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving; e. degene die het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn; f. alleen bedrijven en/of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven zoals opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven; g. geen detailhandel mag plaatsvinden, behalve: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8314/documents/50181