CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G.pdf

beeldvormende raad 18 september 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7: Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit omgevingsplan36.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

GEMEENTEBLAD

Officiële uitgave van de gemeente Doetinchem

Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G De raad van de gemeente Doetinchem;

Concept

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders over ‘Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G’;

overwegende dat,

a. b.

c. d. e. f. g. h.

i.

gelet op het bepaalde in artikel 2.4 Omgevingswet de gemeenteraad bevoegd is het omgevingsplan gemeente Doetinchem te wijzigen; met dit wijzigingsbesluit het omgevingsplan wordt gewijzigd voor de volgende planonderdelen: 1. Amphionpark Doetinchem; 2. Dubbelfuncties en gebiedsaanduidingen; 3. Wijzigingen percelen De Zumpe, Grote Beek, Ellegoor, Barlham e.o.; 4. Twee kavels Plantage Allée; het ontwerpwijzigingsbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van donderdag 1 mei 2025 zes weken ter inzage hebben gelegen; met betrekking tot dit ontwerpwijzigingsbesluit 1 zienswijze is ingediend; er naar aanleiding van de zienswijze geen aanpassingen zijn doorgevoerd in het wijzigingsbesluit; er ambtshalve wel aanleiding is het wijzigingsbesluit aan te passen; de financiën van het planonderdeel Amphionpark Doetinchem zijn vastgelegd in een grondexploitatie en een koop- en ontwikkelovereenkomst met de ontwikkelaar; de onderliggende bestemmingsplannen en andere oude ruimtelijke besluiten voor de locatie van de planonderdelen Amphionpark Doetinchem, wijzigen percelen De Zumpe, Grote Beek, Ellegoor, Barlham, e.o. en de Twee kavels Plantage Allée niet meer van toepassing zijn; de beeldvormende raadsvergadering d.d. 11 september 2025 kennis heeft genomen van het wijzigingsbesluit.

besluit:

Artikel I Het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G', zoals opgenomen in Bijlage A, gewijzigd vast te stellen;

Artikel II Het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' de dag na afloop van de beroepstermijn in werking te laten treden;

Artikel III De Nota van zienswijzen en de Nota van aanpassingen vast te stellen;

Artikel IV Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.

1

Het beeldkwaliteitsplan Amphionpark vast te stellen en onderdeel uit te laten maken van de welstandsnota 'Welstand Doetinchem'; U kunt in beroep gaan tegen het besluit. Dit kan van vrijdag 17 oktober tot en met donderdag 27 november 2025. U doet dit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoe u dit kunt doen leest u op de website van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk daarvoor op deze pagina: raadvanstate.nl/overrvs/bestuursrechtspraak/hoger-beroep/. Dit kan alleen bij één van de volgende situaties: - Als u belang heeft bij het wijzigingsbesluit; - Als u eerder en op tijd een zienswijze heeft gegeven op het ontwerpwijzigingsbesluit;

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

- Als u kan bewijzen dat u redelijkerwijs geen zienswijze kon geven op het ontwerpwijzigingsbesluit;

Concept

- Als u het niet eens bent met de aanpassingen in het vastgestelde wijzigingsbesluit vergeleken met het ontwerpwijzigingsbesluit.

2

Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem in zijn vergadering van 25 september 2025. mr. M. Bouwmans MBA MPM Voorzitter drs. B.P.M. Janssens Griffier

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Bijlage A Bijlage bij artikel I A

Concept

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Begripsbepalingen die in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.

2.

Bijlage IIIII bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22.

3.

Binnen het gebied algemeneruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan vervallen gelden naast het eerste en tweede lid de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in bijlage IIIIV.

B Artikel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.2 Toepassingsbereik 2 1. Binnen het gebied algemeneruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan vervallen zijn de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet niet van toepassing. 1 2. Binnen het gebied algemeneruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan vervallen geldt dat de regels zoals opgenomen in Hoofdstuk 1 tot en met 21 voorgaan op de regels opin Hoofdstuk 22 als ze daarmee in strijd zijn. 3.

Binnen het gebied voorrangsregel - ruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan geldt dat de regels binnen dit omgevingsplan voorgaan op de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.

4.

Wanneer de regels uit hoofdstuk 4 strijdig zijn met de overige regels uit dit omgevingsplan, dan gaan de regels uit hoofdstuk 4 voor.

3 5. De indieningsvereisten en beoordelingsregels zoals genoemdbedoeld in afdeling 22.5 zijn van toepassing op de regels zoals opgenomen in Hoofdstuk 3 tot en met 21. C Titel 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 4.1 Toepassing bijzondere gebieden Artikel 4.1 Aanvullende beoordelingsregels, indieningsvereisten regels over activiteiten en/of verboden Als voor gronden één of meerdere bijzondere gebieden gelden, die in hoofdstuk 4 staan, moet bij de beoordeling van binnenplanse omgevingsplanactiviteiten ook de bijbehorende aanvullende beoordelingsregels, aanvullende indieningsvereisten, regels over activiteiten en/of verboden in acht worden genomen. [Vervallen] D

3

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Het opschrift van titel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 4.2 4.1 Beperkingengebieden

Concept

E Voor afdeling 4.2.5 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 4.1.1 Ammoniakbuffergebied Paragraaf 4.1.1.1 Algemeen Artikel 4.1 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.1 gaat over ammoniakbuffergebieden rondom zeer gevoelige natuur.

Artikel 4.2 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.1 gelden met als doel de toename van ammoniak rondom zeer gevoelige natuur niet toe te laten nemen.

Artikel 4.3 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.1 gelden binnen het gebied ammoniakbuffergebied.

Paragraaf 4.1.1.2 Verboden Artikel 4.4 Wat is verboden? 1.

Hervestiging van een niet- grondgebonden veehouderijbedrijf en nieuwvestiging of hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijtak is niet toegestaan.

2.

Uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alleen toe als die uitbreiding niet leidt tot een toename van de emissie van ammoniak.

F Afdeling 4.2.5 wordt geplaatst na afdeling 4.1.1. Afdeling 4.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.2.5 4.1.2 Externe veiligheid - Nieuwe risicobronnen Paragraaf 4.2.5.1 4.1.2.1 Algemeen Artikel 4.5 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.2 gaat over nieuwe activiteiten met een extern veiligheidsrisico.

Artikel 4.2 4.6 Waarom gelden deze regels? Deze regels in afdeling 4.2.54.1.2 gelden met als doel risico's voor mens en milieu te beperken.

Artikel 4.3 4.7 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.54.1.2 gelden binnen het gebied nieuwe risicobronnen uitgesloten.

Paragraaf 4.2.5.2 4.1.2.2 Verboden Omgevingsplanactiviteit

4

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 4.4 4.8 Nieuwe risicobronnen Omgevingsplanactiviteit nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico's

Concept

Het is verboden om nieuwe activiteiten uit te voeren met een extern veiligheidsrisico als genoemd in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Alleen met een omgevingsvergunning zijn nieuwe risicobronnen toegestaan met externe veiligheidsrisico's zoals benoemd in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving toegestaan.

Artikel 4.9 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een nieuwe activiteit met een externe veiligheidsrisico zoals bedoeld in artikel 4.8 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat: a. er geen (geprojecteerde) (zeer) kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties liggen in de plaatsgebonden risicocontour; b. er zwaarwegende redenen zijn voor het realiseren van een nieuwe activiteit met een externe veiligheidsrisico als er (geprojecteerde) beperkt kwetsbare gebouwen of locaties liggen in de plaatsgebonden risicocontour; c. het groepsrisico is verantwoord als in het brand-, explosie-, en/of gifwolkaandachtsgebied (geprojecteerde) (beperkt/zeer) kwetsbare gebouwen of (beperkt) kwetsbare locaties liggen; d. aanvullende maatregelen om de externe veiligheidsrisico's te verminderen, zijn onderzocht en afgewogen.

Artikel 4.10 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.8 wordt alleen verleend als: a. wordt voldaan aan de wet- en regelgeving; en b. het advies van de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland en het advies van de beheerder van de hoogspanningsverbinding is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Paragraaf 4.1.2.3 Verboden Artikel 4.11 Nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico's Binnen het gebied nieuwe risicobronnen uitgesloten is het verboden om nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's zoals genoemd in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving uit te voeren, tenzij anders in dit plan is aangegeven. G Afdeling 4.2.1 wordt geplaatst na afdeling 4.2.5. Afdeling 4.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.2.1 4.1.3 Leiding - Gas Gasleiding [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.3.1 Algemeen Artikel 4.12 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.3 gaat over: a. het realiseren, in stand houden en in werking hebben van een buisleiding voor het transport van gas, inclusief voorzieningen; b. een vrijwaringszone aan weerszijden van de hoge druk aardgastransportleiding; en c. bijbehorende activiteiten.

Artikel 4.13 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.3 over buisleidingen voor het transport van gas gelden met als doel: a. het behoud en het creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het gastransportnet voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder; b. bescherming van het gastransportnet tegen activiteiten binnen het belemmeringengebied van het gastransportnet; en c. het waarborgen van de omgevingskwaliteit in de nabijheid van het gastransportnet.

5

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 4.14 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.3 gelden binnen het gebied gasleiding.

Paragraaf 4.1.3.2 Bouwregels

Concept

Artikel 4.15 Bouwregels

6

1.

Er mogen alleen bouwwerken voor het gebruik van de ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding worden gebouwd, tenzij anders in dit plan is aangegeven.

2.

De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag maximaal 4 meter zijn.

3.

In afwijking van tweede lid zijn overkappingen niet toegestaan.

Paragraaf 4.1.3.3 Omgevingsplanactiviteit Artikel 4.16 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.

Artikel 4.17 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals genoemd in artikel 4.16 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de leidingbeheerder (Gasunie) geen negatieve gevolgen ziet voor de hoge druk aardgas transportleiding.

Artikel 4.18 Aanvullende beoordelingsregels voor bouwen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.16 wordt alleen verleend als: a. de veiligheid van de gasleiding niet wordt geschaad; b. geen (zeer) kwetsbaar gebouw of locatie wordt toegelaten; c. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgas transportleiding; d. als uit het advies van de leidingbeheerder (Gasunie) blijkt dat er geen bezwaren zijn; en e. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is.

Paragraaf 4.1.3.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden. Artikel 4.19 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.20 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.21.

Artikel 4.20 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

Het verharden van gronden.

2.

Het aanbrengen van beplantingen.

3.

Het vellen van beplantingen.

4.

Het rooien van beplantingen.

5.

Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.

6.

Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.

7.

Het verlagen of afgraven van gronden.

8.

Het egaliseren van gronden.

9.

Het ophogen van gronden.

10.

Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

11.

Het verlagen van het (grond)waterpeil.

12.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Concept

Artikel 4.21 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

De werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.

2.

Het werken en werkzaamheden zijn die al in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit.

3.

Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende: a. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; b. omgevingsvergunning voor het kappen; of c. ontgrondingsvergunning.

4.

Graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.

Artikel 4.22 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.19 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgastransportleiding; b. de leidingbeheerder het rapport of ander document heeft beoordeeld en advies heeft gegeven.

Artikel 4.23 Aanvullende beoordelingsregels Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.19 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgastransportleiding; en b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. H Afdeling 4.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.2.3 Leiding - Hoogspanningsverbinding ondergronds [Gereserveerd] [Vervallen] I Afdeling 4.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.2.4 Leiding - Riool [Gereserveerd] [Vervallen] J

7

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Na afdeling 4.2.1 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 4.1.4 Hoogspanningsverbinding

Concept

Paragraaf 4.1.4.1 Algemeen Artikel 4.24 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.4 gaat over: a. de aanleg en de instandhouding van hoogspanningsverbindingen; b. een belemmeringenzone die hoort bij hoogspanningsverbindingen; en c. voorzieningen en bouwwerken die nodig zijn voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

Artikel 4.25 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.4 gelden met als doel de hoogspanningsverbindingen en haar omgeving te beschermen.

Artikel 4.26 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.4 gelden binnen het gebied hoogspanningsverbindingen.

Paragraaf 4.1.4.2 Toegestaan Artikel 4.27 Wat is toegestaan? 1.

Binnen het gebied hoogspanningsverbinding - bovengronds een hoogspanningsverbinding bovengronds en masten en voorzieningen die daarbij horen.

2.

Binnen het gebied hoogspanningsverbinding - ondergronds een hoogspanningsverbinding ondergronds en voorzieningen die daarbij horen.

3.

Werken en werkzaamheden met betrekking tot het in stand houden van de infrastructuur van de hoogspanningsverbinding.

4.

Bestaande bouwwerken die zijn gebouwd met een omgevingsvergunning.

Paragraaf 4.1.4.3 Bouwregels Artikel 4.28 Bouwregels 1.

Er mogen alleen bouwwerken voor de functie hoogspanningsverbindingworden gebouwd, tenzij anders in dit plan is aangegeven.

2.

De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 20 m2 zijn.

3.

De bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 4 meter zijn.

4.

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 3 meter zijn.

5.

In afwijking van het vierde lid is binnen het gebied maximum bouwhoogte hoogspanningsmast voor hoogspanningsmasten de maximaal aangegeven bouwhoogte toegestaan.

6.

Binnen het gebied doorvaarthoogte moet de doorvaarthoogte minimaal 25 meter zijn.

7. In afwijking van artikel 22.26 mogen bestaande vergunde bouwwerken zonder omgevingsvergunning worden vervangen, vernieuwd of veranderd als: a. de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot; b. gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; en c. dat het bouwwerk op grond van de geldende regels ook is toegestaan.

Paragraaf 4.1.4.4 Omgevingsplanactiviteiten

8

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Subparagraaf 4.1.4.4.1 Bouwen voor andere toegestane functie(s) Artikel 4.29 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie

Concept

Alleen met een omgevingsvergunning is bouwen ten behoeve van een andere op deze locatie toegestane functie toegestaan.

Artikel 4.30 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding.

Artikel 4.31 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29 wordt alleen verleend als: a. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding; b. de leidingbeheerder akkoord is en het (schriftelijk) advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. het geen kwetsbare gebouwen en/of locaties zijn, tenzij deze is opgenomen in bijlage Magneetveld kwetsbare gebouwen.

Paragraaf 4.1.4.5 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden Artikel 4.32 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.33 en 4.34 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.35.

Artikel 4.33 Activiteiten met een omgevingsvergunning hoogspanningsverbindingen bovengronds 1.

Het ophogen van gronden.

2.

Het verlagen of afgraven van gronden.

3.

Het verharden van gronden.

4.

Het aanleggen of aanpassen van watergangen.

5.

Het dempen van watergangen.

6.

Het opslaan van goederen, stoffen en/of materialen.

7.

Het aanbrengen van hoog opgaande beplantingen.

8.

Het kappen van hoog opgaande beplantingen.

9.

Het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om de bovengrondse hoogspanningsverbinding als bedoeld in artikel 4.24.

Artikel 4.34 Activiteiten met een omgevingsvergunning hoogspanningsverbindingen ondergronds

9

1.

Het ophogen van de gronden.

2.

Het verlagen of afgraven van gronden.

3.

Het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 80 centimeter onder het maaiveld.

4.

Het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 80 centimeter onder maaiveld.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

5.

Het aanbrengen van diepwortelende beplanting.

6.

Het kappen van diepwortelende beplanting.

7.

Het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.

8.

Het aanleggen, vergraven, verruimen van watergangen.

9.

Het dempen van watergangen.

10.

Het opslaan van goederen, stoffen en/of materialen.

11.

Het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Artikel 4.35 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Werken en/of werkzaamheden die verband houden met de aanleg van de hoogspanningsverbindingen en de daarbij horende voorzieningen.

2.

Werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer van de hoogspanningsverbinding en de belemmeringenstrook.

3.

Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning.

4.

Werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op het normaal onderhoud en beheer dat volgens de regels van de onderliggende geldende functies is toegestaan.

5.

Graafwerkzaamheden die zijn opgenomen en de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

Artikel 4.36 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.32 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen negatieve gevolgen heeft voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding.

Artikel 4.37 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.32 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding; en b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Afdeling 4.1.5 Molenbiotoop Paragraaf 4.1.5.1 Algemeen Artikel 4.38 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.5 gaat over het gebied rondom de molens.

Artikel 4.39 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.5 gelden met als doel de windvang en het zicht van de molen te beschermen.

Artikel 4.40 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.5 gelden binnen het gebied molenbiotoop.

10

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Paragraaf 4.1.5.2 Bouwregels

Concept

Artikel 4.41 Bouwregels 1.

Binnen 100 meter afstand van de molen mogen bouwwerken niet hoger zijn dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen. Meet deze hoogte vanaf het peil van de molen.

2.

In het gebied tussen 100 en 400 meter afstand van de molen moet de maximale hoogte van bouwwerken bepaald worden met de volgende formule: H= X/N + 0,2*Z uitleg formule: H staat voor de maximale hoogte in meters, te meten vanaf het peil van de molen. X staat voor de kortste afstand in meters vanaf het te bouwen bouwwerk tot de wieken van de molen. N is een verhoudingsfactor. Dit is 140 voor een open gebied, 75 voor ruw gebied en 50 voor besloten gebied. Z staat voor de askophoogte van de molen in meters.

3.

Bestaande vergunde bouwwerken in afwijking van het eerste en tweede lid zijn toegestaan.

Paragraaf 4.1.5.3 Omgevingsplanactiviteit Artikel 4.42 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.

Artikel 4.43 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.42 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het functioneren van de molen niet wordt aangetast.

Artikel 4.44 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.42 wordt alleen verleend als: a. het functioneren van de molen niet aangetast wordt; en b. het advies van de provincie wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Paragraaf 4.1.5.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden. Artikel 4.45 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.46 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.47.

Artikel 4.46 Activiteiten met een omgevingsvergunning

11

1.

Het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden met een uitgroeihoogte die hoger is dan op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.

2.

Het ophogen van gronden hoger dan de hoogte die op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.

3.

Het aanleggen van bovengrondse constructies, installaties en apparatuur met een hoogte die hoger is dan op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.47 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, die betrekking hebben op het normale beheer en onderhoud.

2.

Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning.

Artikel 4.48 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.45 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het functioneren van de molen niet wordt aangetast.

Artikel 4.49 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.45 wordt alleen verleend als: a. het functioneren van de molen niet aangetast wordt; en b. het advies van de provincie wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. K Afdeling 4.2.2 wordt geplaatst na afdeling 4.1.5. Afdeling 4.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.2.2 4.1.6 Leiding - Hoogspanningsverbinding bovengronds Rioolleiding [Gereserveerd]

Paragraaf 4.1.6.1 Algemeen Artikel 4.50 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.6 gaat over: a. de aanleg en de instandhouding van rioolwatertransportleidingen; en b. de vrijwaringszone die hoort bij de rioolwatertransportleidingen.

Artikel 4.51 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.6 gelden met als doel de rioolwatertransportleidingen te beschermen.

Artikel 4.52 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.6 gelden binnen het gebied rioolleiding.

Paragraaf 4.1.6.2 Bouwregels Artikel 4.53 Bouwregels 1.

Er mogen alleen bouwwerken voor de functie riool worden gebouwd, tenzij in dit plan anders is aangegeven.

2.

De bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouwen zijnde mag maximaal 4 meter zijn.

3.

In afwijking van het tweede lid zijn overkappingen niet toegestaan.

Paragraaf 4.1.6.3 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.54 Omgevingsplanactiviteiten bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.

12

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 4.55 Aanvullende indieningsvereisten

Concept

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.54 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleiding.

Artikel 4.56 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.54 wordt alleen verleend als: a. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleiding; b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. de ruimtelijke uitwerking aanvaardbaar is.

Paragraaf 4.1.6.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden Artikel 4.57 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.58 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.59.

Artikel 4.58 Activiteiten met een omgevingsvergunning 1.

Het verharden van gronden.

2.

Het aanleggen van beplantingen.

3.

Het vellen van beplantingen.

4.

Het rooien van beplantingen.

5.

Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.

6.

Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.

7.

Het verlagen of afgraven van gronden.

8.

Het egaliseren van gronden.

9.

Het ophogen van gronden.

10.

Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

11.

Het verlagen van het (grond)waterpeil.

12.

Het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Artikel 4.59 Activiteiten zonder omgevingsvergunning

13

1.

Werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van de onderhoudswerkzaamheden en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.

2.

Werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning waarin de te beschermen belangen al zijn meegewogen.

3.

Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

4.

Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen.

5.

Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een ontgrondingsvergunning.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 4.60 Aanvullende indieningsvereisten

Concept

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.57 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleidingen.

Artikel 4.61 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.57 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkenzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleidingen; en b. de leidingbeheerder akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. L Afdeling 4.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.2.6 Waterstaat - Waterkering [Gereserveerd] [Vervallen] M Na afdeling 4.2.2 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 4.1.7 Speelautomatenhal Paragraaf 4.1.7.1 Algemeen Artikel 4.62 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.7 gaat over het vestigen van één speelautomatenhal.

Artikel 4.63 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.7 gelden met als doel de vestiging van een speelautomatenhal te reguleren en te beperken.

Artikel 4.64 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.7 gelden binnen het gebied speelautomatenhal.

Paragraaf 4.1.7.2 Toegestaan Artikel 4.65 Wat is toegestaan? De vestiging van maximaal één speelautomatenhal is toegestaan.

Afdeling 4.1.8 Waterkering Paragraaf 4.1.8.1 Algemeen Artikel 4.66 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.1.8 gaat over de aanleg en de instandhouding van waterkeringen en waterstaatkundige voorzieningen.

14

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 4.67 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.8 gelden met als doel de waterkeringen te behouden en te beschermen.

Concept

Artikel 4.68 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.1.8 gelden binnen het gebied waterkering.

Paragraaf 4.1.8.2 Bouwregels Artikel 4.69 Bouwregels 1.

Er mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de functie waterkering worden gebouwd, tenzij in dit plan anders is aangegeven.

2.

De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag maximaal 4 meter zijn.

3.

De oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag maximaal 20 m2 zijn.

Paragraaf 4.1.8.3 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.70 Omgevingsplanactiviteit bouwwerk voor een andere functie Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.

Artikel 4.71 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.70 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering.

Artikel 4.72 Aanvullende beoordelingsregels voor bouwen De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.70 wordt alleen verleend als: a. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de de waterkering; en b. de beheerder van de waterkering akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Paragraaf 4.1.8.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden. Artikel 4.73 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning kunnen werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.74 worden toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.75.

Artikel 4.74 Activiteiten met een omgevingsvergunning

15

1.

Het verharden van gronden.

2.

Het aanbrengen van beplantingen.

3.

Het vellen van beplantingen.

4.

Het rooien van beplantingen.

5.

Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.

6.

Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.

7.

Het verlagen of afgraven van gronden.

8.

Het egaliseren van gronden.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

9.

Het ophogen van gronden.

10.

Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

11.

Het verlagen van het (grond)waterpeil.

12.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Artikel 4.75 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van de onderhoudswerkzaamheden en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.

2.

Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

3.

Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen.

4.

Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een ontgrondingsvergunning.

Artikel 4.76 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.73 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering.

Artikel 4.77 Aanvullende beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.73 wordt alleen verleend als: a. de werken of werkzaamheden geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering; en b. de beheerder van de waterkering akkoord is en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. N Het opschrift van titel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 4.3 4.2 Waardegebieden O Voor afdeling 4.3.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 4.2.1 Archeologische (verwachtings) waarden Paragraaf 4.2.1.1 Algemeen Artikel 4.78 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.2.1 gaat over (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

Artikel 4.79 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.1 gelden met als doel (te verwachten) archeologische waarden in de bodem te behouden, versterken, beschermen en/of herstellen.

16

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Artikel 4.80 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.2.1 gelden binnen de gebieden archeologische (verwachtings) waarde, archeologisch monument en archeologische rijksmonument.

Concept

Artikel 4.81 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in afdeling 4.2.1 voor alleen het onderdeel bouwen, maatwerkvoorschriften stellen als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat binnen het gebied behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. Op de volgende punten kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen: a. de afmeting van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; en/of c. de inrichting en het gebruik van gronden.

Paragraaf 4.2.1.2 Bouwregels Artikel 4.82 Bouwregels 1.

Het bouwen van bouwwerken is niet toegestaan, tenzij anders in afdeling 4.2.1 is aangegeven.

2.

Het bouwen van een bouwwerken is alleen toegestaan wanneer de oppervlakte van het bouwwerk kleiner of gelijk is aan de oppervlakte zoals aangegeven binnen het gebied archeologische oppervlakte en waarbij een bodemverstoring niet dieper gaat dan binnen het gebied archeologische diepte bodem is aangegeven, tenzij anders in afdeling 4.2.1 is aangegeven.

3.

In afwijking van artikel 22.26 is vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.

4.

In afwijking van artikel 22.26 is vergroting van bestaande bouwwerken met maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering, met behoud van bestaande funderingen, toegestaan.

Paragraaf 4.2.1.3 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.83 Omgevingsplanactiviteiten bouwwerk voor een andere functie 1.

Alleen met een omgevingsvergunning kan in afwijking van artikel 4.82 eerste lid het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie worden toegestaan, tenzij het gaat om een enkelvoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument dan is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd gezag.

2.

Alleen met een omgevingsvergunning kan in afwijking van artikel 4.82 tweede lid het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie worden toegestaan.

Artikel 4.84 Aanvullende indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.83 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de archeologische waarde van de gronden waarop wordt gebouwd en waar de bodem wordt verstoord voldoende is vastgesteld.

Artikel 4.85 Aanvullende beoordelingsregels zonder verstoring van archeologische waarde De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.83 wordt alleen verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden niet wordt verstoord; en b. het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.

17

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.86 Aanvullende beoordelingsregels (mogelijke) verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat de archeologische waarden (mogelijk) worden verstoord kan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.83 alleen worden verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden kunnen worden behouden, beschermd of hersteld; b. het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Paragraaf 4.2.1.4 Werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden Artikel 4.87 Omgevingsplanactiviteit Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 4.88 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.89. Wanneer het gaat om een enkelvoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument dan is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd gezag.

Artikel 4.88 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

De bodem wordt met meer dan 1 meter verhoogd.

2.

De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte zoals aangegeven binnen het gebied archeologische oppervlakte opgehoogd.

3.

Grondwerkzaamheden.

4.

Grondwerkzaamheden dieper dan de binnen het gebied maximum archeologische diepte bodem onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan binnen het gebied archeologische oppervlakte.

5.

Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte binnen het gebied van meer dan archeologische oppervlakte van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist. Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen.

6.

Het verlagen of afgraven van de bodem van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist. Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen.

7.

Het verlagen van het waterpeil.

8.

Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.

9.

Het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

10.

Het aanleggen van boom of boomgaard.

11.

Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

12.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 4.89 Activiteiten zonder omgevingsvergunning

18

1.

Werken en werkzaamheden niet dieper dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.

2.

Werken en werkzaamheden met betrekking op het normale beheer en onderhoud.

3.

Voor werken en werkzaamheden met betrekking tot het normale agrarische gebruik.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

4.

Werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk.

Artikel 4.90 Aanvullende indieningsvereisten

Concept

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.87 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de archeologische waarde van de gronden waarop wordt gebouwd en waar de bodem wordt verstoord voldoende is vastgesteld.

Artikel 4.91 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken zonder verstoring De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.87 wordt alleen verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden niet wordt verstoord; en b. het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning. c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.92 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken met (mogelijke) verstoring Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat er sprake is van (mogelijke) verstoring van de archeologische waarde kan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.87 worden verleend als: a. de archeologische waarde van de gronden kunnen worden behouden, beschermd of hersteld. b. het advies van de archeologisch deskundige is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en c. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Paragraaf 4.2.1.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.93 Vergunningvoorschrift met (mogelijke) verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat de archeologische waarden van de gronden (mogelijk) worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in afdeling 4.2.1: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. P Het opschrift van afdeling 4.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.3.1 4.2.2 Bijzondere boom

19

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Q Paragraaf 4.3.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Concept

Paragraaf 4.3.1.1 4.2.2.1 Algemeen Artikel 4.94 Waar gaat deze afdeling over? De afdeling 4.2.2 gaat over bijzondere bomen.

Artikel 4.5 4.95 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.3.14.2.2 gelden met als doel bijzondere bomen te behouden, beschermen en herstellen.

Artikel 4.6 4.96 Waar gelden deze regels? De regels in afdeling 4.3.14.2.2 gelden binnen het gebied bijzondere boom. R Paragraaf 4.3.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.1.2 4.2.2.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.7 4.97 Omgevingsvergunning Omgevingsplanactiviteit bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden Het is binnen het gebied bijzondere boom niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning te bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.8. Alleen met een omgevingsvergunning zijn bouwwerken of werken, niet zijnde bouwwerken of werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.98 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.99.

Artikel 4.8 4.98 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

Het verlagen of afgraven van gronden.

2.

Het egaliseren van gronden.

3.

Het ophogen van gronden.

4.

Het verharden van gronden.

5.

Alleen met een omgevingsvergunning zoals genoemd 4.7 zijn de volgende werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden toegestaan: a. de aanleg van leidingen; b. het bouwen van bouwwerken; c. het egaliseren van gronden; d. het ophogen van gronden; e. het verharden van gronden; f. het afgraven van gronden. het bouwen van bouwwerken.

6.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Artikel 4.99 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

20

De werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

2.

Werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende: a. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden; b. omgevingsvergunning voor het kappen.

Concept

Artikel 4.9 4.100 Aanvullende indieningsvereisten Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen en het uitvoeren van werken, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid moet aanvullend op de gegevens en documenten die vereist zijn vanuit hoofdstuk 22 in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de bijzondere boom. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.97 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend, waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de bijzondere boom.

Artikel 4.10 4.101 Aanvullende beoordelingsregels 1.

In geval van bouwactiviteiten mogen deze bouwactiviteiten geen wezenlijke negatieve gevolgen hebben voor de bijzondere boom.

2.

In geval van werken en werkzaamheden in de vorm van het aanbrengen van oppervlakte verhardingen, de aanleg van leidingen of het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden mag door directe of indirecte gevolgen van die werken en werkzaamheden: a. de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden aangetast; of b. de mogelijkheid voor herstel van de waarde van de bijzondere boom of bomen niet onevenredig worden verkleind.

3.

Er is sprake van een advies van een bomendeskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het eerste lid en/of het tweede lid. en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.11 Uitzondering vergunningplicht In afwijking van artikel 4.7 is geen omgevingsvergunning nodig als het gaat om: a. het uitvoeren van werken of werkzaamheden die van kleine omvang zijn; of b. normale onderhoud en beheer wanneer dit, blijkens een advies van een deskundige op het gebied van landschap, geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom. S Afdeling 4.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.3.2 Archeologie Paragraaf 4.3.2.1 Algemeen Artikel 4.12 Waarom gelden deze regels? De regels in afdeling 4.3.2 gelden met als doel (te verwachten) archeologische waarden in de bodem te behouden, versterken, beschermen en/of herstellen.

Artikel 4.13 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in afdeling 4.3.2 voor alleen het onderdeel bouwen maatwerkvoorschriften stellen als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat binnen het gebied behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. Op de volgende punten kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen: a. de afmeting van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; en/of c. de inrichting en het gebruik van gronden.

21

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Paragraaf 4.3.2.2 Archeologische waarde Subparagraaf 4.3.2.2.1 Algemeen

Concept

Artikel 4.14 Waar gelden deze regels?

22

De regels in paragraaf 4.3.2.2 gelden binnen het gebied archeologische waarde.

Subparagraaf 4.3.2.2.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.15 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.16.

Artikel 4.16 Activiteiten met omgevingsvergunning 1.

De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 50 m2 opgehoogd.

2.

Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.

3.

Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.

4.

Het verlagen van het waterpeil.

5.

Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.

6.

Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

7.

Het aanleggen van bos of boomgaard.

8.

Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

9.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 4.17 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Werken en werkzaamheden die niet dieper gaan dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.

2.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

3.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.

4.

Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk.

5.

Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.

6.

Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Subparagraaf 4.3.2.2.3 Aanvullende indieningsvereisten

Concept

Artikel 4.18 Aanvullende indieningsvereisten 1.

Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of d. als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

Subparagraaf 4.3.2.2.4 Beoordelingsregels Artikel 4.19 Beoordelingsregels voor bouwen 1.

Het bouwwerk is groter dan 50 m2 en er is ook een bodemverstoring van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.2 verder niet meer.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.

Artikel 4.20 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werken 1.

Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.

2.

Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.

Subparagraaf 4.3.2.2.5 Vergunningvoorschriften Artikel 4.21 Vergunningvoorschrift verstoring archeologische waarde Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning zoals genoemd in 4.15: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

23

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

Artikel 4.22 Vergunningvoorschrift voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Paragraaf 4.3.2.3 Archeologische verwachtingswaarde 1 Subparagraaf 4.3.2.3.1 Algemeen [Gereserveerd]

Subparagraaf 4.3.2.3.2 Omgevingsplanactiviteiten [Gereserveerd]

Subparagraaf 4.3.2.3.3 Aanvullende indieningsvereisten [Gereserveerd]

Subparagraaf 4.3.2.3.4 Beoordelingsregels [Gereserveerd]

Subparagraaf 4.3.2.3.5 Vergunningvoorschriften [Gereserveerd]

Paragraaf 4.3.2.4 Archeologische verwachtingswaarde 2 Subparagraaf 4.3.2.4.1 Algemeen Artikel 4.23 Waar gelden deze regels? De regels in paragraaf 4.3.2.4 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 2.

Subparagraaf 4.3.2.4.2 Omgevingsplanactiviteiten Artikel 4.24 Omgevingsvergunning Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.25.

Artikel 4.25 Activiteiten met omgevingsvergunning

24

1.

De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 100 m2 opgehoogd.

2.

Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.

Concept

(van 7-7-2025 16:23)

Concept

3.

Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 100 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.

4.

Het verlagen van het waterpeil.

5.

Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.

6.

Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

7.

Het aanleggen van bos of boomgaard.

8.

Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.

9.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 4.26 Activiteiten zonder omgevingsvergunning 1.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

2.

Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.

3.

Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.

4.

Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.

5.

Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.

Subparagraaf 4.3.2.4.3 Aanvullende indieningsvereisten Artikel 4.27 Aanvullende indieningsvereisten 1.

Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

2.

In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld: a. als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 100 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8314/documents/50181