CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Vast te stellen bestemmingsplan Wijnbergen De Kwekerij-2022.pdf

beeldvormende raad 13 oktober 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Bestemmingsplan Wijnbergen De Kwekerij46.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Onderzoek en conclusie Energie De nieuw te bouwen woningen worden conform geldende wet- en regelgeving aardgasloos gerealiseerd, waarbij ook gestreefd wordt naar energieneutraliteit in de vorm van 'nul-op-de-meter'. Daarnaast is het de bedoeling om parkeergelegenheden te overkappen met zonnepanelen om daarmee ook energie op een duurzame manier op te wekken. Middels de regels van het bestemmingsplan wordt dit ook mogelijk gemaakt. Als alternatief voor de verwarming worden naar verwachting individuele oplossingen toegepast c.q. wordt op voorhand geen collectieve vooorziening aangelegd. Natuur(inclusiviteit) en biodiversiteit

80

Duurzaamheid en natuurinclusiviteit staan centraal bij de ontwikkeling van Wijnbergen de Kwekerij. En in samenhang daarmee ook het behouden en versterken van de biodiversiteit. Bijvoorbeeld door behoud van het bestaande groen en deze te voorzien van een (rijke) zoombeplanting die zorgt voor beschutting en een belangrijke voedselbron kan zijn voor verschillende dieren. Maar ook door het wijkgroen in te richten met soorten met een duidelijke ecologische meerwaarde als voedselbroen of schuilplaats voor dieren en/of insecten. Daarnaast worden bomen toegepast die ook een duidelijke ecologische meerwaarde hebben als voedselbron of nestelplek voor dieren en/of insecten (veelal met bloeiwijze en/of vruchtdragend). Ook in de buurttuinen worden bomen en struiken toegepast die een toevoeging zijn aan het ecosysteem van de wijk. Teven worden de wadi's benut om, naast de betekenis voor het watersysteem, ook van betekenis te zijn voor het ecosysteem door bijvoorbeeld het inzaaien met grassen, bloemen en kruiden. Op de oevers van de Kapperskolk kan overbeplanting worden toegepast waarmee voedselbronnen en nestel - en schuilplekken worden geboden voor verschillende dieren, amfibieen en insecten. Natuurinclusiviteit komt tot slot ook tot uitdrukking in de gewenste beeldkwaliteit van de te realiseren woningen.

Natuurinclusief (en circulair) bouwen wordt middels een kavelpaspoort bij de verkoop van kavels (particulier opdrachtgeverschap) verplicht gesteld. Daarnaast wordt dit ook als voorwaarde gehanteerd in het geval woningen op projectmatige basis worden gerealiseerd. Klimaat Er is in hoge mate aandacht voor klimaatadaptieve maatregelen door een systeem toe te passen van (1) 'Lokaal opvangen, bufferen en infiltreren', (2) 'Overstort van overtollig water naar wadi’s' en (3) 'Overstort richting Kapperskolk' (zie paragraaf watersysteem stedenbouwkundig plan, bijlage 1 ). Dit draagt mede bij aan het voorkomen van risico's van klimaatverandering (verminderen/voorkomen van hittestress en wateroverlast). Dit geldt ook voor het toepassen van groene daken. Circulaire economie/circulariteit Circulair bouwen wordt middels een kavelpaspoort bij de verkoop van kavels (particulier opdrachtgeverschap) verplicht gesteld. Daarnaast wordt dit ook als voorwaarde gehanteerd in het geval woningen op projectmatige basis worden gerealiseerd. Mobiliteit Wijnbergen de Kwekerij wordt ingericht met het uitgangspunt dat de auto te gast is in de wijk. De wegen worden ingericht met de bedoeling enkel ontworpen te zijn voor het bestemmingsverkeer van de wijk, te denken aan bewoners, bezoekers en hulpdiensten.

Daarnaast wordt, in het kader van duurzame omgang van regenwater, ingezet op het minimaliseren van verhardingsmaterialen en het toepassen van waterpasserende verhardingen

3.4.3 Duurzame energieopwekking in Doetinchem Op 25 april 2019 heeft de gemeenteraad het beleidskader Duurzame energieopwekking in Doetinchem vastgesteld. Met dit beleidskader is helder hoe de gemeente initiatieven voor duurzame energieopwekking in behandeling wil nemen. Het biedt inwoners de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in Doetinchem. De doelstelling van het beleidskader is drieledig: 1. Het beleidskader heeft als doel ruimte te bieden voor duurzame energieopwekkingsinitiatieven. Tot de vaststelling van het beleidskader werden initiatieven voor energieopwekking welke afwijken van het bestemmingsplan, door gebrek aan beleid, niet in behandeling genomen. Het beleidskader heeft hier verandering in gebracht. Door het beleidskader is de gemeente in staat om initiatieven te 'toetsen' op hun inpasbaarheid binnen Doetinchem. 2. De ruimtelijke kwaliteit van het grondgebied waarborgen en waar mogelijk versterken. Bronnen voor duurzame energieopwekking nemen ruimte in beslag. Afhankelijk van de beschikbare ruimte, het soort bron en de ruimtelijke impact die het heeft, is de benodigde ruimte en impact van het initiatief kleiner of groter.

Met het beleidskader worden richtlijnen gegeven voor 'inpassing' van initiatieven met een grote ruimtelijke impact. 3. Ten derde is het doel dat grootschalige initiatieven met een zo groot mogelijke maatschappelijke betrokkenheid tot stand komen. Initiatiefnemers voor ontwikkeling van bronnen van duurzame energieopwekking beogen over het algemeen een zo groot mogelijk rendement. Deze rendementen keren over het algemeen niet terug in het gebied. De omgeving van zo'n project ervaart daardoor vaak alleen de lasten (als visuele hinder, geluidhinder, enz.) en niet de lusten. Met het beleidskader wordt juist lokaal initiatief en eigenaarschap gestimuleerd. Daarnaast wordt beoogd dat initiatiefnemers van buiten de gemeente aangezet worden tot het betrekken van omwonenden in het totale proces van idee tot exploitatie. Dit alles om de betrokkenheid te vergroten en de omgeving mee te laten profiteren van de voordelen die ook ontstaan. In het beleidskader staan richtlijnen en randvoorwaarden, waar en onder welke voorwaarden de duurzame energiebronnen in de

81

gemeente tot stand mogen komen. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: • Alle bronnen en vormen van duurzame energieopwekking zijn nodig. • Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden samen met de omgeving en belanghebbenden vormgegeven. • Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden landschappelijk ingepast. Onderzoek en conclusie Van grootschalige initiatieven gericht op de opwek van duurzame energie is geen sprake en wordt met voorliggend bestemmingsplan dus ook niet mogelijk gemaakt. Wijnbergen De Kwekerij moet een duurzame wijk worden waarbij duurzame energieopwekking zeker een rol speelt. Zie daarvoor paragraaf 3.4.2.

3.4.4 Woningbouwstrategie 2019 Op 28 november 2019 heeft de gemeenteraad de 'Woningbouwstrategie 2019' vastgesteld. De afgelopen jaren kon beperkt medewerking worden verleend aan woningbouwplannen. Aanleiding daarvoor waren regionale afspraken over het maximaal aantal toe te voegen woningen en bijbehorend lokaal beleid onder de noemer (uitvoering) herziene woningbouwstrategie uit 2015 en 2016. Tegelijkertijd heeft dit beleid ervoor gezorgd dat de gemeente de regie weer in handen heeft als het gaat om het toevoegen van nieuwe woningen; de latente woningbouwcapaciteit in bestemmingsplannen is geschrapt. De gemeente kan nu weer meewerken aan gewenste woningbouw ontwikkelingen. De groei van het aantal huishoudens in de regio Achterhoek alsook in de gemeente Doetinchem houdt langer aan dan eerder was voorzien ten tijde van het vaststellen van regionale afspraken over het maximaal aantal toe te voegen woningen en bijbehorend lokaal beleid onder de noemer (uitvoering) herziene woningbouwstrategie uit 2015 en 2016. Dat de groei van het aantal huishoudens langer aanhoudt dan verwacht, betekent dat er extra woningen moeten komen om te kunnen voorzien in de kwalitatieve behoefte die er nu en in de toekomst is.

De gemeenteraad van Doetinchem heeft daartoe op 26 september 2019, net als de andere Achterhoekse gemeenten, de notitie 'Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw regio Achterhoek' vastgesteld. Daarmee is een nieuw regionaal kader gegeven waaraan nieuwe woningbouwontwikkelingen in de regio en dus ook in de gemeente Doetinchem moeten voldoen. Zie voor meer informatie paragraaf 3.4.3 . De 'Woningbouwstrategie 2019' vormt de uitwerking van dat kader c.q. de notitie 'Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw regio Achterhoek'. Met de 'Woningbouwstrategie 2019' kan de gemeente Doetinchem sturen op het toevoegen van woningen waar behoefte aan is voor de verschillende doelgroepen, op het toevoegen van stedenbouwkundige kwaliteit en op het bestrijden van leegstand. Daarmee geeft de 'Woningbouwstrategie 2019' mede invulling aan de opvatting van de gemeente dat degenen die in de gemeente Doetinchem willen wonen ook terecht moeten kunnen op de woningmarkt binnen de gemeente Doetinchem. Met de 'Woningbouwstrategie 2019' wordt het voor initiatiefnemers duidelijk aan welke voorwaarden hun initiatieven in ieder geval moeten voldoen om in principe medewerking van de gemeente te verkrijgen.

Gewenste toevoegingen woningvoorraad gemeente Doetinchem Onderzoek en conclusie Het voorliggende bestemmingsplan sluit bij de Woningbouwstrategie - 2019 en de daarin opgenomen behoefte aan type woningen voor de kern Doetinchem. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 144 woningen mogelijk. Daarvan zijn 35 aaneengebouwde woningen (waaronder sociale huur), 29 vrijstaande woningen en 15 tiny houses. Van 65 woningen staat het type niet vast; dit kunnen aaneegebouwde, twee-onder-een-kap en/of vrijstaande woningen. Er wordt voldaan aan het

82

uitgangspunt dat 20% van de woningen als goedkope koop of sociale huur wordt ontwikkeld. Met het voldoen aan de Woningbouwstrategie - 2019 wordt voorzien in de behoefte aan verschillende woningtypen/vormen op een binnenstedelijke locatie in de kern Doetinchem.

3.4.5 Lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025 De lokale woonagenda gemeente Doetinchem is een actuele lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda Achterhoek 20152025. Met de lokale woonagenda gemeente Doetinchem wordt een basis gevormd voor het maken van prestatieafspraken met woningbouwcorporaties. Het biedt een basis voor de beoordeling van initiatieven die raakvlakken kennen met de onderwerpen die in deze lokale woonagenda worden behandeld met de daarbij behorende ambities en doelstellingen. De onderwerpen hebben betrekking op de ontwikkeling van de woningmarkt en woningvoorraad, de nieuwbouw tot 2025, de kwaliteit en energiezuinigheid van de woningvoorraad, de leefbaarheid, wonen met zorg en ouderenhuisvesting en de betaalbaarheid, bereikbaarheid en beschikbaarheid van woningen. De gemeente wil in ieder geval dat iedereen die in de gemeente Doetinchem een woning wil kopen of huren, binnen afzienbare tijd een woning kan vinden die pastbij zijn of haar financiële situatie. Onderzoek en conclusie De context waarbinnen de lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025 is opgesteld, is sindsdien aan verandering onderheving geweest. Met name de vraag naar woningen en daarmee de druk op de woningmarkt is sterk toegenomen.

Dit is ook de reden geweest dat, na het opstellen van de lokale woonagenda, het regionale beleid (kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw Achtehroek) en gemeentelijk beleid (Woningbouwstrategie 2019) is gewijzigd voor wat betreft het aantal toe te voegen woningen. In kwalitatieve zin sluit het toevoegen van de woningen in Wijnbergen De Kwekerij aan bij lokale woonagenda. Er worden duurzame (gasloos), energiezuinige (in ieder geval BENG) en natuurinclusieve woningen toegevoegd. De toevoeging van ongeveer 150 woningen, draagt bij aan een toenemende beschikbaarheid van (koop en huur) woningen in de gemeente Doetinchem in verschillende segmenten en in de vorm van een bijzondere woonvorm (tiny house).

3.4.6 Planologisch beleid Op 6 januari 2011 heeft de gemeenteraad van Doetinchem ingestemd met het Planologisch beleid 2011. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - najaar - 2019' op 30 maart 2020 heeft de gemeenteraad een aantal wijzigingen doorgevoerd. In deze paragraaf komt de integrale versie van het Planologisch beleid terug. Het planologisch beleid vormt het ruimtelijk beleidskader voor woningen en bijbehorende bouwwerken. In de nota wordt beleid geformuleerd voor kleine bouwplannen met betrekking tot woningen. Ook voorziet de nota in een belangrijke verruiming en versoepeling van de tot nu toe gehanteerde bouwvoorschriften. In de voorgestelde regeling is een onderscheid gemaakt tussen: a. ruimtelijke aspecten die betrekking hebben op het woonhuis en bijbehorende bouwwerken alleen; b. de ruimtelijke aspecten van de woning die alleen geregeld kunnen worden als de kenmerken van de omgeving daarbij betrokken worden. Daarnaast zijn een aantal relatief ondergeschikte bouwactiviteiten die voorheen als afwijking verleend kon worden, nu als 'bij recht' toegestane bouwactiviteiten opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld erkers, toegangspartijen en overkappingen in de voortuin van een woning. Verder zijn versoepelingen doorgevoerd voor: • woonruimte in bijbehorende bouwwerken; • overkappingen; • erfafscheidingen; • beroepen en bedrijven aan huis; • mantelzorg.

Met het Planologisch beleid ligt er een vernieuwde basis voor omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen. Daarnaast is het beleid de basis voor nieuwe planontwikkelingen. De regels uit het planologische beleid komen, zover ze niet zijn vertaald op de plankaart, terug in de verbale regels van dit bestemmingsplan. Onderzoek en conclusie Voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan is het planologisch beleid als uitgangspunt gehanteerd. Tegelijkertijd maakt het stedenbouwkundig plan en het achterliggende concept dat op een aantal punten afgeweken wordt van de standaard die met het planologisch beleid wordt nagestreefd. Het gaat daarbij om de volgende zaken:

83

• afstanden tot perceelsgrenzen/gebruik begrip voor en achter De bestemming 'Wonen - 2' t/m 'Wonen - 5' maakt de realisatie van woningen mogelijk met een (combinatie van een) specfieke/afwijkende grootte van het bouwperceel, positie van het hoofdgebouw, positie ten opzichte van de weg en positie ten opzichte van het openbare groen. Dit maakt dat bij de genoemde bestemmingen de afstand tot (wat beschouwd kan worden als) de achterste perceelgrens niet minimaal 8 meter bedraagt. Tegelijkertijd kan gesteld worden dat het doel van deze afstand (het waarborgen van privacy) geborgd is door een (wat beschouwd kan worden als) voortuin bij de vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen met wel de afstand van 8 meter. Het concept van de rijwoningen ('Wonen - 4') maakt dat de genoemde afstand van 8 meter in het geheel niet van toepassing is. Daarnaast worden de rijwoningen ('Wonen - 4') op basis van het stedenbouwkundigplan op de zijdelingse perceelgrens gebouwd. Daarom is geen afstand van 3 meter tussen het bouwvlak en de grens van het bestemmingsvlak/perceelsgrens gehanteerd. Bij de bestemming 'Wonen - Tiny House 2' wordt een afstand tot de zijdelingsperceelsgrens van 2 meter gehanteerd in plaats van 3 meter vanwege de omvang van het perceel i.c.m. de maxmale grootte van een tiny house. Ook in dit geval wordt een afstand van 8 meter tot de achterste perceelgrens niet gehanteerd.

De afstand tussen de (achterste perceelsgrens van de) bestaande woningen aan de Doetinchemseweg/Wijnbergseweg en de bestemming 'Wonen - Tiny House 2' i.c.m. het voorziene groen tussen de tiny houses en de percelen aan Doetinchemseweg/Wijnbergseweg maakt dat deze afwijking acceptabel wordt geacht. • Bijbehorende bouwwerken Het stedenbouwkundige plan maakt dat bij de rijwoningen (Wonen - 4) bijbehorende bouwwerken zijn uitgesloten evenals de daarbij behorende (afwijkingsmogelijkheden van de) bouw- en gebruiksregels. Daarnaast bieden de bestemmingen 'Wonen - 2' en Wonen - 5' de ruimte om bijbehorende bouwwerken te realiseren in, wat normaliter beschouwd zou kunnen worden als de voortuin. Bijbehorende bouwwerken zijn aldaar toegestaan omdat de gronden waar het is toegestaan vanwege het concept voor de betreffende woning de functie van achtertuin vervulllen.

3.4.7 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: • het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; • water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); • met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; • een goede communicatie opzetten (intern en extern); • water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; • samenwerken en afstemmen; • balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt.

Onderzoek en conclusie Voor de ontwikkeling van het plangebied wordt de drietrapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren toegepast door een systeem toe te passen van (1) 'Lokaal opvangen, bufferen en infiltreren', (2) 'Overstort van overtollig water naar wadi’s' en (3) 'Overstort richting Kapperskolk'. Daarnaast is en blijft de Kapperskolk zichtbaar in het gebied en leidend voor de ontwikkeling van het plangebied. Daarmee wordt en blijft de identiteit van de locatie zichtbaar. In samenhang daarmee is het aanwezige water alsook de benodigde waterberging/wadi's mede-ordenend voor de ontwikkeling van het plangebied. In paragraaf 4.10 Water wordt nader op het aspect water ingegaan. Dit bestemmingsplan sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan.

3.4.8 Groenstructuurplan Doetinchem 2017 Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-

84

ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: • vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; • verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; • handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; • functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; • mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud. Onderzoek en conclusie

Bovenstaande uitsnede uit de groenstructuurkaart van Doetinchem laat zien dat de Kapperskolk behoort tot de 'Hoofdstructuur Groen' en het overige van het plangebied is aangewezen als locatie waar de uitbreiding van de groenstructuur gewenst is (lichtgroen). Blijkens basismodule groenstructuur is planontwikkeling mogelijk mits deze planontwikkeling wordt ingepast. Zoals in paragraaf 2.2 verwoord vormen de bestaande groenstructuren in het gebied de drager voor de opzet c.q. het geactualiseerde stedenbouwkundigplan. In samenhang hiermee betekent natuur-inclusief ook het zoveel mogelijk behouden van natuurwaarden vanuit de bestaande situatie. Daarnaast worden bestaande natuurwaarden behouden en versterkt door de toepassing van inheemse en streekeigen soorten en vindt compensatie plaats voor het verlies van grasvelden door toepassing van daktuinen. Geconcludeerd wordt dat sprake is van passende inpassing van de beoogde ontwikkeling van het gebied.

3.4.9 Bomenbeleid en de Bomenverordening De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Onderzoek en conclusie

85

In het gebied zijn geen zogenaamde bijzondere/waardevolle bomen in de zin van de Bomenverordening aanwezig. Aan de Torontostaat zijn wel bijzondere bomen aanwezig. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt voor zover van toepassing de aanwezigheid van deze bomen en bescherming via de Bomenverordening in acht genomen. Voor het overige zal voor zover van toepassing voor het uitvoering van werkzaamheden de Bomenverordening in acht worden genomen.

3.4.10 Mobiliteitsvisie 2016-2026 De gemeenteraad heeft op 3 november 2016 de nieuwe Mobiliteitsvisie 2016-2026 vastgesteld. Dit plan is gericht op kwaliteit (snel, veilig en comfortabel) en op gelijkwaardige belangen van autoverkeer, openbaar vervoer en fiets. Oftewel, op welke wijze kan de gemeente er voor zorgen datde hele gemeente en binnenstad voor de inwoners en bezoekers een veilige stad is die ook makkelijkte bereiken is en een goede doorstroming biedt de auto maar zeker ook voor de fiets: de auto heeft niet automatisch prioriteit. Daarbij gaat de gemeente slimmer en efficiënter gebruik maken van de bestaande infrastructuur. Niet perse meer infrastructuur maar beter benutten van wat er al is. Het wijzigingen van het mobiliteitsgedrag en de eigen verantwoordelijkheid van de burgers staat centraal bij het beoogde effect van de maatregelen.In het wegcategoriseringplan hebben alle wegen op gemeentelijk grondgebied een functie gekregen. Onderzoek en conclusie In het wegcategoriseringplan hebben alle wegen op gemeentelijk grondgebied een functie gekregen. Een concretisering van de mobiliteitsvisie voor het plangebied en toetsing aan het wegcategoriseringsplan is weergegeven in paragraaf 4.12

3.4.11 Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020 Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkerenbelangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem, in de kernen van Wehl en Gaanderen en in woongebieden en buitengebied ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren). De parkeervisie is opgedeeld in vier pijlers: 1. parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar,vindbaar en te financieren zijn; 2. doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. a. binnenstad - personeel en publiek; b. woongebieden - bewoners en bezoek; c. bedrijfsterreinen - personeel; 3. flexibiliteit: de uitvoering van de werkzaamheden uit de parkeervisie moeten gefaseerd uitgevoerd kunnen worden; 4. exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële taakstelling. Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voorte schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag.

Dat aantal voorkomt dat door deaanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat. Ook voorkomt het toepassen van de normen dater teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil ook de toepassing vande normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Onderzoek en conclusie In de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' staat per situatie de parkeernormen. Het parkeerbeleid is voor het plangebied nader uitgewerkt in paragraaf 4.12

86

4 Haalbaarheid 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten milieueffectrapportage, bodem, akoestiek (weg, rail en industrie), luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, flora en fauna, water, archeologie, verkeer en parkeren. En de daarvoor uitgevoerde onderzoeken. Op basis daarvan is te concluderen dat de beoogde ontwikkeling geen problemen oplevert ten aanzien van de onderzochte aspecten, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hierna opgenomen/toegelicht. • Voorwaardelijke verplichting ontheffing Wet natuurbescherming buizerd en steenuil als algemene gebruiksregel (art. 18.3 ) Uit de resultaten van aanvullend natuuronderzoek is gebleken dat door de geplande woningbouw in het plangebied sprake is van aantasting van de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de buizerd en steenuil. Om die reden heeft de gemeente Doetinchem op 20 juli 2021 een aanvraag bij de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland ingediend voor een ontheffing in het kader van hoofdstuk 3 van de Wnb op grond van artikel 3.1 lid 2 voor het vernielen, beschadigen ofwegnemen van nesten, rustplaatsen of eieren van de steenuil en buizerd. Op 13 janauri 2022 hebben de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland per brief de aangevraagde ontheffing verleend (bijlage 5 ).

De ontheffing en daaraan verbonden uit te voeren mitigerende maatregelen en gebiedscompensatie zijn doorvertaald in een voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in artikel 18.3 van de regels. • Toepassen vleermuisvriendelijke verlichting ter bescherming van het leefgebied van de vleermuis als specifieke gebruiksregel (art. 3.5.2 , 4.5.2 , 6.5.5 , 7.5.5 , 8.5.5 , 9.5.4 , 10.5.5 , 11.4.4 , 12.4.3 ) Op basis van aanvullend natuuronderzoek zijn vier soorten vleermuizen aangetroffen en zijn belangrijk leefgebieden binnen het plangebied in kaart gebracht. De aangevraagde en verleende ontheffing Wet natuurbescherming is niet van toepassing op deze soort vleermuizen. Dit betekent dat de functionaliteit van het leefgebied van vleermuizen gegarandeerd dient te worden. In dit kader moet aantasting door een toename kunstlicht voorkomen worden en er mag geen sprake zijn van strooilicht op boomkronen. Middels specifieke gebruiksregels in voorliggend bestemmingsplan wordt (publiekrechtelijk) gewaarborgd dat uitsluitend vleermuisvriendelijke verlichting mag worden toegepast bij openbare en buitenverlichting. Daarnaast zal via het privaatrechtelijke spoor, bij de uitgifte van gronden, e.e.a. ten aanzien van vleermuisvriendelijke verlichting worden geborgd.

• Voorwaardelijke verplichting bergingscapaciteit hemelwater als specifieke gebruiksregel Om te waarborgen dat in het plangebied voldoende bergingscapaciteit voor hemelwater wordt gerealiseerd, is als gebruiksregel een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de artkelen behorend bij de bestemmingen 'Wonen 1 t/m 5', 'Wonen - Tiny House 1' en 'Wonen - Tiny House 2'. De inhoud van de voorwaardelijke verplichting is gebaseerd op de uitgevoerde en door het Waterschap Rijn en IJssel akkoord bevonden watertoets. Daarin wordt een minimale bergingscapaciteit voor 40 mm per m2 verhard oppervlak aangehouden. • Voorwaardelijke verplichting geluid als specifieke gebruiksregel bestemming Wonen - 1 De meest noordelijk gelegen uit te geven kavel met de bestemming Wonen - 1 bevindt zich binnen de richtafstand (VNG brochure bedrijven en milieuzonering) behorend bij een basisschool (De Kleine Prins). Daarom is aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat een voorziening moet worden getroffen om ter plaatse van de betreffende kavel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Dit is doorvertaald in een voorwaardelijke verplichting.

4.2 (Vormvrije) m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats indeze integrale afweging te geven. Op basis van de volgende grondslagen kan een milieueffectrapportage dan wel m.e.r. (beoordelings)plicht van toepassing zijn: a. op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm: er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. b. op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen) c. op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in

87

kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. zijn aan de activiteiten drempelwaarden (de gevallen) verbonden. Deze drempelwaarden zijn echter indicatief. Dit betekent dat als een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, er sprake is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderzoek en conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn of waarvoor op basis van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling nodig is. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer; b. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van ca. 150 woningen mogelijk. Daarmee worden de drempelwaarden niet overschreden en is in dit geval geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht.

Wel dient het bevoegd gezag, ondanks dat de drempelwaarden niet worden behaald, zich er van te vergewissen of activiteiten geen belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben (vormvrije m.e.r.-beoordeling). Uit de uitgevoerde onderzoeken om de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan te onderbouwen (hoofdstuk 4), kan geconcludeerd worden dat geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. En dat daarmee geen milieueffect(beoordelings)rapportage hoeft te worden opgesteld. In dit kader wordt ook verwezen naar de verleende ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming (bijlage 8 ) voor de steenhuil en buizerd en de daarvoor te nemen mitigerende en compenserende maatregelen.

4.3 Bodem Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel). Onderzoek en conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Rouwmaat groep onderzoeksbureau een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht (Milieutechniek Roumaat Groenlo B.V., datum 4 november 2020, bijlage 2). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor het toekomstige gebruik van het terrein voor de ontwikkeling van het plan Wijnbergen De Kwekerij. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan Grondverzet Bij afvoer, aanvoer en hergebruik van grond gelden de regels uit het Besluit bodemkwaliteit en de Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart Regio Achterhoek 2020. Voor eventuele aan- en of afvoer van grond kan een partijkeuring nodig zijn.

4.5 Akoestiek 4.5.1 Wegverkeerslawaai Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. In het kader van de Wgh bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden.

88

Onderzoek en conclusie Voor de wegen rondom het plangebied, te weten de Kapperskolkweg, Torontostraat, Doetinchemseweg en Wijnbergseweg geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Hiervoor geldt dus geen zone in het kader van de Wet geluidhinder. Het aspectweg verkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.5.2 Railverkeerslawaai Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt op minimaal 300 meter afstand van de spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk. Aanvullend onderzoek is in het kader van railverkeerslawaai dus niet nodig. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.5.3 Industrielawaai/bedrijfszonering In de Wet geluidshinder is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel grote lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Grote lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de grote lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai). In de Wgh is vastgelegd dat het vastleggen, opheffen of wijzigen van een geluidzone moet plaatsvinden via het vaststellen van een bestemmingsplan. Niet is vastgelegd dat bestaande geluidzones opnieuw overgenomen moeten worden. Het opnemen van de geluidzone heeft dan ook vooral een signaleringsfunctie en is niet nodig vanuit het oogpunt van rechtszekerheid.

Onderzoek en conclusie Geluidszone Verheulsweide De geluidszone Verheulsweide ligt over een beperkt deel van het plangebied (noordoostelijk hoek). Om te bepalen of er sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai bij de voorziene woningen in het betreffende deel van het plangebied is een berekening gemaakt van de verwachte geluidsbelasting op de betreffende woningen. Uit deze berekening blijkt dat de verwachte geluidsbelasting op de buitengevel onder de 50 dB(A) blijft. Daarmee vormt het aspect industrielawaai geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

89

Geluidszone Verheulsweide

4.6 Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wetmilieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen(grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen om onder andere de verkeersgerelateerde emissies (onder andere fijnstof en stikstofdioxide) te reguleren. Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als de luchtkwaliteit als gevolg van het project met ten hoogste 3% verslechtert.

Onderzoek en conclusie Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld. Daarmee kan worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Voor deze berekening is uitgegaan van 150 woningen maal 6 extra vervoersbewegingen per etmaal, waarmee 900 extra voertuigbewegingen per etmaal zijn berekend.

90

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1.

Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied; 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten.

91

4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek en conclusie Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart.

Hieruit blijkt dat: a. In het plangebied geen stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig zijn; b. In het plangebied geen buisleidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn; c. het plangebied zich niet bevindt binnen de risicocontour en invloedsgebied van een Brzo-inrichting; d. In de directe omgeving wel inrichtingen (Bevi) aanwezig zijn waar de opslag van LPG plaatsvindt. Het plangebied bevindt op een dusdanige afstand van deze inrichtingen dat het plangebied zich niet bevindt binnen de bijbehorende risicocontour (plaatsgebondenrisico) en invloedsgebied (150 meter) waarbinnen de verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Daarmee vormen de in de omgeving aanwezige inrichtingen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. e. De A18 tot het Basisnet behoort, zoals bedoeld in de Regeling Basisnet (wegvak G18), en waarover transport van gevaalijke stoffen plaatsvindt. Op basis van de Regeling Basisnet behoort bij dit wegvak een afstand van 82 meter als GRplafond (de plaats waar het groepsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is). De afstand van het PR-plafond plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar bedraagt 0 meter. Daarnaast is voor dit wegvak geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied.

Met een afstand van ruim 400/bijna 500 meter tussen de grens van het plangebied en het midden van de weg vormt de A18 vanuit het perspectief van externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Op basis van voorstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast wordt met de aanduiding 'overige zone - nieuwe risicobronnen

92

uitgesloten' (art. 19.1) uitgesloten dat zich risicobronnen binnen het plangebied vestigen.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Onderzoek en conclusie Met voorliggend bestemmingsplan worden geen milieubelastende functies/activiteiten mogelijk gemaakt. Daarmee worden de bestaande woningen grenzend aan/in de omgeving van het plangebied niet belemmerd c.q. vindt geen toename van hinder en gevaar bij deze woningen plaats. Daarnaast is onderzocht of de realisatie van woningen een belemmering vormt voor bestaande activiteiten/bedrijven in de omgeving van het plangebied: a. Aan de Kapperskolkweg en aan de Wijnbergseweg/Torontostraat bevindt zich een school (respectievelijk De Isselborgh en De Kleine Prins). Hiervoor geldt op basis van de VNG-uitgave een richtafstand van 30 meter voor geluid. Aan deze afstand wordt wat betreft De Isselborgh voldaan. De afstand tussen (de grens van het bestemmingsvlak van) De Kleine Prins en (de gevel van) de dichtstbijzijnde nieuw te realiseren woning bedraagt minder dan de richtafstand van 30 meter (ca. 20 meter).

Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 12). Uit dit akoestisch onderzoek is gebleken dat het geluid afkomstig van de school is ter hoogte van de geprojecteerde woning in plan Wijnbergen De Kwekerij hoger dan de geluidnormen. En dat door het plaatsen van een geluidscherm van 2,2 meter hoog en 55 meter lang op de grens van het terrein van de school wordt voldaan aan de geluidsnormen. Op basis van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 6.5.7. Daarmee wordt geborgd dat eerst een voorziening moet worden gerealiseerd (en in stand moet worden gehouden) alvorens de betreffende kavel in gebruik mag worden genomen conform de bestemmingsomschrijving Wonen - 1. Op deze wijze is een aanvaard woon -en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning geborgd. b. De bedrijven aan de Doetinchemseweg. Ter plaatse zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Voor de milieucategorie geldt een richtafstand van 30 meter in geval van een 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied' en van 10 meter in geval van een 'gemengd gebied'. Aan beide richtafstanden wordt voldaan. c. Voor het bedrijventerrein Wijnbergen geldt dat bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan.

Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter in geval van een 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied' en van 50 meter in geval van een 'gemengd gebied'. Aan beide richtafstanden wordt voldaan. Op basis van voorstaande wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.9 Flora en fauna 4.9.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel

93

voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen.

Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project. Naast bovengenoemde soortenbescherming ziet de Wet Natuurbescherming eveneens toe op gebiedsbescherming.

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval gaat het om het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In of in de directe nabijheid van de NNN (of GNN) geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Onderzoek en conclusie Voor voorliggend bestemmingsplan is een quickscan natuurtoets (Staring advies, rapportnummer 2094, datum 3 maart 2020; bijlage 3 ) uitgevoerd. Uit deze quickscan is gebleken dat voor de geplande activiteiten het uitvoeren van een aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voor de soorten eekhoorn, kamsalamander, kerkuil, kleine marterachtigen, poelkikker, ransuil, rugstreeppad, sperwer, steenmarter, steenuil en vleermuizen. Het aanvullend natuuronderzoek is vervolgens uitgevoerd (Staring advies, rapportnummer 2116, datum 7 oktober 2020; bijlage 4 ).

Onheffing Wnb buizerd en steenuil Uit de resultaten van aanvullend natuuronderzoek is gebleken dat door de geplande woningbouw in het plangebied sprake is van aantasting van de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de buizerd en steenuil. Om die reden heeft de gemeente Doetinchem op 20 juli 2021, op basis van het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid, een aanvraag bij de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland ingediend voor een ontheffing in het kader van hoofdstuk 3 van de Wnb op grond van artikel 3.1 lid 2 voor het vernielen, beschadigen ofwegnemen van nesten, rustplaatsen of eieren van de steenuil en buizerd. Op 13 janauri 2022 hebben de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland per brief de aangevraagde ontheffing verleend (bijlage 5 ). De ontheffing en daaraan verbonden uit te voeren mitigerende maatregelen en gebiedscompensatie zijn doorvertaald in een voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in artikel 18.3 van de regels. Vleermuizen Uit het uitgevoerde natuuronderzoek blijkt dat als de functionaliteit van het leefgebied van vleermuizen gegarandeerd kan worden, het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is voor de aangetroffen vleermuissoorten. De functionaliteit van het leefgebied kan worden gegarandeerd door bij de inrichting van het plangebied

94

opgaande groenstructuren te behouden en verstoring door een toename van kunstlicht te voorkomen. Door het handhaven van bomen/groen die gelden als mitigatieroute of foerageergebied is geen ontheffing Wnb voor wat betreft vleermuizen nodig. Daarnaast is als specifieke gebruiksregels in de betreffende artikelen opgenomen dat uitsluitend vleermuisvriendelijke openbare en buitenverlichting mag worden toegepast binnen het plangebied. Door voor te schrijven dat in ieder geval uitsluitend nietuitstralende verlichting/armaturen wordt toegepast, geen sprake is van verlichting van boomkronen en uitsluitend UV-vrije (led) lampen met een vleermuisvriendelijke lichtkleur worden toegepast. Daarnaast zal via het privaatrechtelijke spoor, bij de uitgifte van gronden, e.e.a. ten aanzien van vleermuisvriendelijke verlichting worden geborgd Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied Rijntakken. Deze ligt op grotere afstand van het plangebied. Om te bepalen of sprake is van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden is een AEARIUS-berekening uitgevoerd. Zie daarvoor 4.9.2 . Hieruit blijkt dat er in de aanlegfase en gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen NNN (GNN of GO).

Voor NNN (GNN en GO) geldt dat alleen de gebieden zelf beschermd worden c.q. is geen sprake van een externe werking. Daarom zijn aanvullende maatregelen of advies vanwege GNN of GO niet aan de orde. Op basis van voorstaande wordt geconcludeerd dat het aspect flora en fauna wat beteft de soort- en gebiedsbescherming op basis van de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.9.2 Stikstofdepositie Niet alle Habitattypen in Natura 2000-gebieden zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar grote delen van Natura 2000-gebied Rijntakken bestaan uit stikstofgevoelige Habitattypen. Als gevolg van het stopzetten van de PASsystematiek, mogen plannen niet leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebieden, niet in uitvoering gebracht worden zonder een vergunning Wet natuurbescherming. In het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, is onderzoek in relatie tot de aanlegfase van ontwikkelingen niet meer noodzakelijk. In de Wsn is namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector opgenomen. Dit houdt in dat de door debouw mogelijk veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij een natuurvergunning. De vrijstelling geldt slechts voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw -, sloop en aanleg, en ander werkzaamheden en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt. Concreet betekent dit dat de aanlegfase sinds het inwerking treden van de Wsn niet meer berekend hoeft te worden. Voor de gebruiksfase dient wel een berekening gemaakt te worden.

Onderzoek en conclusie Om de uitstoot van stikstof te bepalen, en daarmee het effect als gevolg van depositie op Natura 2000-gebieden, is een AERIUSbereikening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase (ondanks de vrijstelling op basis van de Wsn) als de gebruiksfase. Deze berekening is bijgevoegd als bijlage 6 . Voor de berekening is gebruik gemaakt van een landelijke standaard van woningtypen met bijbehorende emissiefactoren. Voor voorliggend bestemmingsplan is er voor gekozen zekerheidshalve uit te gaan van het woningtype met de grootste emissiefactor, namelijk een (gasloze) vrijstaande woning. Met een aantal van 150. Daarnaast is in de berekening ook de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen meegenomen. Daarvoor is als uitgangspunt genomen een verwachte toename van 6 vervoersbewegingen per woning per etmaal. Uit de berekening is op te maken dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is in de aanlegfase en gebruiksfase dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof i.r.t Natura 2000-gebieden vormt daarmee geen belemming voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7739/documents/41014