Bijlage 1 Vast te stellen bestemmingsplan Stedelijk gebied - 2021 Toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
Met het Planologisch beleid ligt er een vernieuwde basis voor omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen. Daarnaast is het beleid de basis voor nieuwe planontwikkelingen. De onderstaande uitgangspunten van het Planologisch beleid zijn relevant voor het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'. 3.5.5.1 Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen (woningen) moeten in een bouwvlak worden gerealiseerd. De bouwvlakdiepte is bij rijwoningen in principe 13 meter en bij vrijstaande en dubbele woningen 15 meter. Voorwaarde is wel, dat een afstand van minimaal 8 meter resteert tussen (het verlengde van) de van de weg afgekeerde bouwgrens (achtergevelrooilijn) en de achterste perceelsgrens. In situaties, waarbij de achterste perceelsgrens niet evenwijdig loopt aan (het verlengde van) de van de weg afgekeerde bouwgrens (een ‘schuin lopende’ perceelsgrens), moet maatwerk worden geleverd en is eventuele medewerking aan een uitbreidingsplan afhankelijk van de stedenbouwkundige situatie ter plekke. Medewerking kan in dat geval slechts worden verleend met behulp van een buitenplanse afwijking. Hoofdgebouwen moeten in principe minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd. Langs openbaar gebied kan echter tot op de perceelsgrens gebouwd worden.
De grond(en) in kwestie draagt/dragen dan de bestemming 'Groen', 'Natuur', 'Water', 'Verkeer' of een vergelijkbare bestemming. Dit is acceptabel omdat de openheid opzij van de bebouwing is gegarandeerd. Er ontstaat dan geen aaneengesloten bebouwing. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels om het bouwen buiten het bouwvlak mogelijk te maken. De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen is in principe 6 respectievelijk 10 meter. Als er sprake is van een bijzondere bouwstijl, dan worden in het bestemmingsplan afwijkende hoogtenormen opgenomen 35 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
(maatwerk). Om in de toekomst levensloopbestendige woningen mogelijk te maken is er ruimte nodig in de woning. Daartoe moet de woning in elk geval een minimale voorgevelbreedte van 6 meter hebben. Deze eis geldt voor zowel nieuwbouw als vervangende nieuwbouw. Bijbehorende bouwwerken Situering In het bestemmingsplan is een bouwperceel opgedeeld in twee bestemmingsvlakken: 'Wonen' en 'Tuin'. Bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen en overkappingen) kunnen in de regel slechts op grond met de bestemming 'Wonen' worden gerealiseerd, zowel binnen als buiten het bouwvlak. Bijbehorende bouwwerken moeten op minimaal 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw te worden gebouwd. Met ‘voorkant’ wordt hier de voorgevel van het hoofdgebouw bedoeld en niet de voorzijde van bijvoorbeeld een erker of een toegangspartij. De voortuin moet in principe gevrijwaard blijven van bijbehorende bouwwerken. Er geldt een uitzondering voor erkers, toegangspartijen en overkappingen (zie paragraaf 3.5.5.2 Erkers, toegangspartijen en overkappingen). Voor het overige kunnen slechts zogenaamde andere bouwwerken geen gebouwen zijnde in de voortuin worden gerealiseerd. Bijbehorende bouwwerken mogen tot op de perceelsgrens worden gebouwd. Bij hoekwoningen moet meestal maatwerk worden geleverd.
Voor situaties waarbij in het verleden het bijbehorend bouwwerk (bijgebouw) voor de voorgevel vergund is, wordt een woonbestemming (zonder bouwvlak) opgenomen. Deze situaties wijken af van de bovenstaande standaard situering. Maatvoering Per woning mag een oppervlakte van maximaal 100 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Als de bouwmogelijkheden bij recht voor het hoofdgebouw in het bouwvlak niet volledig zijn benut, mogen deze worden gebruikt voor de realisatie van bijbehorende bouwwerken zonder dat dit ten koste gaat van deze 100 m2. Naast de genoemde oppervlaktenorm, mag de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 50% van de totale oppervlakte van het totale bouwperceel in de bestemming 'Wonen' buiten het bouwvlak. Voor bijbehorende bouwwerken geldt een goothoogte van maximaal 3 meter. Als een bijbehorend bouwwerk wordt aangebouwd aan een hoofdgebouw, geldt als goothoogte maximaal de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van dat gebouw, verhoogd met 30 centimeter (voor de dakconstructie). De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 6 meter zijn. Gebruik als woonruimte Aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding van de woonruimte. Daarbij mag (het verlengde van) de van de weg afgekeerde bouwgrens worden overschreden.
Uit oogpunt van privacy moet bij bouwwerken buiten het bouwvlak wel een afstand van minimaal 8 meter in acht genomen worden tussen woonruimte en de achterste perceelsgrens. Van deze bepaling kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik tot een afstand van minimaal 3 meter uit de achterste perceelsgrens. Een afwijking kan uitsluitend worden verleend als op de aangrenzende grond(en), ter hoogte van het geplande bijbehorend bouwwerk, geen woningbouw mogelijk is doordat daarop een groen-, natuur-, water, verkeer- of daarmee vergelijkbare bestemming rust. Bij een schuin lopende perceelsgrens geldt maatwerk. De bouwvoorschriften voor bijbehorende bouwwerken zijn in die gevallen onverminderd van toepassing. Wonen in vrijstaande bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan. 36 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
3.5.5.2 Erkers, toegangspartijen en overkappingen Erkers en toegangspartijen De erker/toegangspartij moet qua omvang en vormgeving duidelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Het bouwwerk moet daarom aan de volgende eisen voldoen. Een erker of toegangspartij mag maximaal 1,50 meter diep zijn. Voorts mag de bouwhoogte maximaal 3 meter zijn, vermeerderd met 30 centimeter (voor de dakconstructie). Om esthetische redenen mag de erker/toegangspartij nooit hoger zijn dan de bovenkant van eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw. Tot slot mag het bouwwerk maximaal 50% van de breedte van de bestaande voorgevel van het hoofdgebouw bedragen. In hoeksituaties, waar op grond van het bestemmingsplan sprake is van twee voorgevels kunnen desgewenst twee erkers worden geplaatst. Overkappingen Voor een overkapping (veelal gebruikt als carport) geldt dat deze onder bepaalde voorwaarden ook mag worden gebouwd naast en vóór de woning, op plekken waar geen bijbehorende bouwwerken (‘bijgebouwen’) zijn toegestaan. Het gaat dan om gronden met zowel de bestemming 'Wonen' als 'Tuin'. Een overkapping is er toelaatbaar vanwege het open karakter. Een overkapping mag dan ook maximaal drie wanden hebben. En die wanden mogen uitsluitend worden gevormd door bestaande constructies. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een zijgevel van een woning, een voorgevel van een garage/berging en/of een erfscheiding.
Een overkapping kan en mag dus nooit ‘eigen’ wanden hebben. Een vrijstaande overkapping is dus geheel open. Een overkapping mag een oppervlakte hebben van maximaal 30 m², onder voorwaarde dat een bebouwingspercentage geldt van 50%. Voor grond met de bestemming 'Tuin' mag maximaal 50% van het gehele bouwperceelsgedeelte worden bebouwd dat die bestemming heeft. De oppervlakte van een overkapping binnen de bestemming 'Wonen' telt gewoon mee met de per woning toelaatbare oppervlaktenorm van 100 m² aan bijbehorende bouwwerken. Voor een overkapping geldt een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 3,50 meter. Deze hoogte is veelal voldoende om een camper onder de overkapping te kunnen stallen. Als de overkapping wordt aangebouwd aan een bestaand gebouw, dan gelden afwijkende hoogtenormen. Wordt een overkapping aangebouwd aan een hoofdgebouw (woning), dan geldt als maximale goothoogte de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van dat gebouw, vermeerderd met 30 centimeter. Als wordt aangebouwd aan een bijbehorend bouwwerk, dan geldt de goothoogte van dat bouwwerk als maximum goothoogte. Als in de bovengeschetste gevallen de goothoogte hoger wordt dan 3 meter, dan geldt een bouwhoogte die 50 centimeter ligt boven de ‘nieuwe’ goothoogte. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken tot een bouwhoogte van 3,5 meter.
Afwijken kan alleen in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend als de situatie ter plaatse (grootte en situering van het bouwperceel, omvang van de woning en afstand tot de openbare ruimte) er zich voor leent. Onderzoek en conclusie De uitgangspunten van het Planologisch beleid zijn verwerkt in bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'. De zijdelingse afstand van 3 meter tussen perceelsgrens en het hoofdgebouw is bijvoorbeeld vertaald als bouwvlak op de plankaart. De diepte van de bouwvlakken is verschillend en gebaseerd op het type woning. 37 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Verder komen de regels uit het planologische beleid, zover ze niet zijn vertaald op de plankaart, terug in de verbale regels van dit bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan is hiermee in overeenstemming met het vastgestelde Planologische Beleid. 3.5.6
Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020
Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; een goede communicatie opzetten (intern en extern); water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; samenwerken en afstemmen; balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. In paragraaf 4.9 Water wordt nader op het aspect water ingegaan. Dit bestemmingsplan sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan. 3.5.7
Groenstructuurplan Doetinchem 2017
Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groenen bomenstructuren; verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.
38 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Groenstructuurkaart, Kaart Doetinchem
39 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Groenstructuurkaart, Kaart Gaanderen
40 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Groenstructuurkaart, Kaart Wehl en Nieuw-Wehl
Rivierduinen De rivierduinen zijn gevormd door verstuiving van zand uit de rivierbedding van de toenmalige Oer-Rijn. Deze duinen strekken zich uit van Doesburg tot in Duitsland en zijn nog goed zichtbaar in verschillende delen van de gemeente. In het verleden was het een logische plek voor mensen om te gaan wonen aan de rivier, maar wel met droge voeten. Zo liggen binnen de gemeente, Langerak, Wijnbergen, Doetinchem en Gaanderen in een lijn op de rivierduinen langs de Oude IJssel. Bebouwingen en afgravingen hebben de gaafheid van de duinenreeks aangetast. De laatste jaren is er echter meer waardering gekomen voor de rivierduinen en wordt ingestoken op bescherming en herstel. Het gaat daarbij om twee verschillende aspecten. Allereerst de landschappelijke beleving van de rivierduinen als totaal. De hoger gelegen duinenreeks heeft een duidelijke richting en herkenbare verschijningsvorm van verstoven zandruggen, grotendeels nu met bos beplant. Reliëfverschillen, zichtbaarheid en beleving van het duin, en ontsnippering zijn aspecten die de herkenbaarheid vergroten. Daarnaast zijn de duinen een waardevolle ecologische overgang naar de naastgelegen natte riviergronden. De zandige duingronden zijn van oorsprong arm en kennen een rijke scharkering aan vegetatievormen in de overgang naar de voedselrijkere natte riviergronden. De verschillen hiertussen vergroten de biodiversiteit.
Op de navolgende afbeelding zijn de aardkundige waarden (rivierduinen) uit het groenstructuurplan weergegeven.
41 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
De aardkundige waarden in Doetinchem Onderzoek en conclusie De groenstructuur in het plangebied is vastgelegd met de bestemmingen 'Groen', 'Natuur' en 'Bos'. De waterlopen en waterpartijen hebben hierbij de bestemming 'Water' gekregen. De aardkundig waardevolle gebieden zijn vastgelegd op de plankaart. In de regels van dit bestemmingsplan is met een specifieke beschermingsregeling de aardkundige waarden vastgelegd. Het voorliggende bestemmingsplan is hiermee in overeenstemming met het groenstructuurplan. 3.5.8
Bomenbeleid en de Bomenverordening
De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Onderzoek en conclusie De aanwezige waardevolle bomen worden beschermd middels de kapverordening en de kapvergunning. De monumentale boom aan de Hoofdstraat 110a in Gaanderen moet behouden 42 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
blijven. In het voorliggende bestemmingsplan is voor deze boom dan ook een tuinbestemming opgenomen. Verder zijn er in dit bestemmingsplan geen maatregelen opgenomen. Het bestemmingsplan vormt geen belemmering voor het Bomenbeleid en de Bomenverordening. 3.5.9
Detailhandelsbeleid gemeente Doetinchem
Het regionale detailhandelsbeleid is leidend voor het lokale detailhandelsbeleid. Het lokale detailhandelsbeleid is vastgelegd in de nota 'Actualisatie Detailhandelsbeleid 2013'. De nota gaat in op de snel veranderende omgeving, de wetgeving van hogere overheden en ontwikkelingen op detailhandelsgebied. Het regionale en lokale detailhandelsbeleid vormen samen het kader voor detailhandel. De doelstelling is: vitaal en aantrekkelijk houden van de centra van de hoofdkernen in de regio. De hoofdkernen binnen de Achterhoek zijn: 1. regionaal centrum: Doetinchem en Winterswijk; 2. lokaal centrum (kern en omliggende kleine kernen): Aalten, Borculo, Didam, Dinxperlo, Eibergen, Gaanderen, Gendringen, Groenlo, 's-Heerenberg, Hengelo, Lichtenvoorde, Neede, Ruurlo, Steenderen, Terborg, Ulft, Varsseveld, Vorden, Wehl en Zelhem; de bestaande grootschalige PDV-concentraties, Woonboulevard Doetinchem, Boulevard-Oost (Doetinchem) en Europalaan (Winterswijk), hebben hun functie in de huidige structuur als bovenlokale PDV-clusters. PDV staat voor perifere detailhandelsvestigingen: bouwmarkten, woonwarenhuizen, meubel- annex woontextielzaken en/of tuincentra.
Voor deze branches is vanuit kwantitatief oogpunt geen aanleiding voor uitbreiding; in de overige kernen en stadswijken zijn de bestaande dagelijkse winkelvoorzieningen een aanvulling op de hoofdcentra en hebben een functie als basisvoorziening in de directe nabijheid. Deze winkels kunnen behouden blijven mits economisch rendabel op het lokale verzorgingsniveau van deze kleine kern of wijk; bovenstaande leidt tot het volgende kaartbeeld van de gewenste regionale winkelstructuur in de Achterhoek.
43 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Gewenste winkelstructuur regio Achterhoek Door beleidsmatig eenduidig te kiezen voor het vitaal (lees: compact) houden van de centra van hoofdkernen blijven deze locaties naar verwachting ingevuld met winkels en andere publieksgerichte centrumfuncties (onder andere horeca). Structurele leegstand op alle overige locaties dreigt toe te nemen. Voor al deze locaties is het transformeren naar een andere functie een mogelijkheid. Een andere mogelijkheid is sloop van leegstaand vastgoed. De gewenste supermarkt hoofdstructuur voor de gemeente Doetinchem is: een sterk centrumaanbod bestaande uit enkele nabij het stadscentrum gelegen supermarkten, bij voorkeur gespreid om het centrum, (De bestaande supermarkten aan de oostkant van het centrum en twee nieuwe locaties aan de westkant Saronix-Heelweg en Iseldoks-Intermeco); twee moderne wijkwinkelcentra met een stadsdeelverzorgende functie (De Bongerd en Overstegen); vier buurtsteunpunten met een eigen verzorgingsfunctie voor omringende woongebieden (W. Brandtplein, Slotlaan, Dennenweg, Haareweg/Surinameplein); twee supermarkten in het dorp Gaanderen en twee in het dorp Wehl. In de navolgende paragraaf 3.5.9.1 Visie boodschappenstructuur is de nadere uitwerking weergegeven van de boodschappenstructuur in de gemeente Doetinchem.
3.5.9.1 Visie boodschappenstructuur Op 22 februari 2018 heeft de gemeenteraad de 'Visie boodschappenstructuur' vastgesteld. Met deze visie is een kader vastgesteld voor vestiging en uitbreiding van supermarkten in de gemeente. In de visie wordt gesproken over winkelvloeroppervlakte dit is gelijk aan de verkoopvloeroppervlakte. Er zijn 'aangewezen winkelgebieden' vastgesteld voor supermarkten, te weten het stadscentrum, de dorpscentra en twee wijkcentra. 44 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Deze winkelgebieden zijn met kaartjes vastgelegd. Voor het voorliggende plangebied zijn de navolgende winkelgebieden van belang.
Deze winkelgebieden zijn met kaartjes vastgelegd:
Winkelgebied 'stadscentrum': Doetinchem
45 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Winkelgebied 'dorpscentrum': Wehl en Gaanderen
46 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Winkelgebied 'wijkcentrum': Overstegen en De Bongerd in Doetinchem 47 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Voor supermarkten is vastgesteld dat: nieuwvestiging alleen mogelijk is in uitzonderingsgevallen binnen de aangewezen winkelgebieden; optimaliseren en de uitbreiden van bestaande supermarkten binnen de aangewezen winkelgebieden is toegestaan, mits: 1. de optimalisatie/uitbreiding het gebied versterkt en 2. het past bij de functie en maatvoering van het winkelgebied en 3. het initiatief ruimtelijk haalbaar is; voor supermarkten die buiten de aangewezen winkelgebieden vallen en willen uitbreiden, de algemene afwijkingsregel geldt voor uitbreiding van maximaal 10% verkoopvloeroppervlakte per 10 jaar. Onderzoek en conclusie Het voorliggende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' sluit aan op de detailhandelsnota. De aanwezige supermarkten (groter dan 300 m2 verkoopvloeroppervlakte) zijn specifiek vastgelegd in het voorliggende bestemmingsplan. Daarnaast zijn specifieke regels opgenomen voor mogelijke uitbreiding en nieuwvestiging van supermarkten. Hiermee is het voorliggende bestemmingsplan in lijn met het detailhandelsbeleid. 3.5.10 Ruimte voor kantoren Op 7 februari 2008 is door de raad van de gemeente Doetinchem de kantorennota 'Ruimte voor kantoren in Doetinchem' vastgesteld. Eén van de uitgangspunten voor de gemeente Doetinchem is de versterking van de centrumfunctie voor kantoren in de regio Achterhoek.
Binnen de regio vormt Doetinchem een concentratie aan economische activiteiten. Kantoren maken hier onderdeel van uit. Van belang is om zo optimaal mogelijk in te spelen op trends en ontwikkelingen en de behoefte van ondernemers aan kantoren. Het aanbieden van voldoende kantorenlocaties van de juiste kwaliteit op de juiste plek is een van de middelen die de gemeentelijke overheid ten dienste staan om de lokale economie te stimuleren. Andere middelen zijn het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat door te zorgen voor een goede bereikbaarheid, het bieden van een goede omgevingskwaliteit en het aanbieden van aantrekkelijke woon- en werkmilieus. Het aanbieden van kantorenlocaties is onderhevig aan trends en ontwikkelingen. In de kantorennota wordt een opsomming gegeven van deze trends en ontwikkelingen op zowel nationaal als regionaal niveau, voor zowel vraag als aanbod. De nota gaat over zelfstandige kantoren met een kantoorvloeroppervlakte met meer dan 500 m2. Voor zelfstandige kantoren kleiner dan 500 m2 is geen beleid opgesteld. Dit komt voort uit de pragmatische overwegingen (onder andere beschikbaarheid data en het vaak ongrijpbare karakter van kleinschalige kantoren, bijvoorbeeld werken aan huis). In het ruimtelijk scenario voor kantoorontwikkeling is in de kantorennota gekozen voor het scenario 'Gematigde spreiding'.
Dit scenario bevat de volgende onderdelen: nieuwe grootschalige kantoorlocaties (meer dan 500 m2) zijn alleen voorzien in de stationsomgeving van Hamburgerbroek-Zuid en langs de Terborgseweg-Koopmanslaan; op bedrijventerreinen worden geen nieuwe kantorenclusters voorzien, noch worden 100% kantoren toegestaan. Voor kantoorontwikkeling op bedrijventerreinen geldt het volgende principe: van het te realiseren bruto-vloeroppervlak aan bedrijfsruimte mag in dit geval per bouwperceel maximaal 50% gebruikt worden voor kantoorruimte, mits de kantoorruimte zowel fysiek als procesmatig is gekoppeld aan de bedrijfsruimte. De bovenstaande lijn zal worden aangehouden voor alle ruimtelijke plannen.
48 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Onderzoek en conclusie In het voorliggende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' zijn de zelfstandige kantoren bestemd volgens het kantorenbeleid. Dit betekent dat zelfstandige kantoren mogelijk zijn tot 500 m2. De legaal aanwezige grotere kantoren zijn geregeld met de bestaande maten regeling. 3.5.11 Bedrijventerreinen In Verandering Op 27 juni 2019 heeft de gemeenteraad het beleidskader Bedrijventerreinen In Verandering (BIVA) vastgesteld. Om verantwoord met de economische ontwikkelingen mee te bewegen en geen kansen voor het bedrijfsleven en de Doetinchemse inwoners te missen is onderzoek gedaan naar de praktijk van de huidige vestigingen op bedrijventerreinen en hiervoor voorstellen te doen ter verbetering. Dit heeft geresulteerd in het beleidskader BIVA. Met dit beleidskader komt er voor ondernemers en lokale overheid duidelijkheid over de vestigingsvoorwaarden op de bedrijventerreinen van de gemeente Doetinchem. Daarnaast worden ongewenste ontwikkelingen (zoals illegale kantoren en detailhandel) op bedrijventerreinen aangepakt. Tot slot is het ook van belang om efficiënt en duurzaam met de ruimte in onze gemeente omgegaan. In verband hiermee wordt bij initiatieven tot (nieuwe) vestigingen ook de huidige leegstand betrokken, zodat er twee vliegen in een klap worden geslagen.
De gemeente Doetinchem heeft acht bedrijventerreinen, te weten Keppelseweg, De Huet, Wijnbergen, Verheulsweide, Hamburgerbroek in Doetinchem, Akkermansweide in Gaanderen en de twee bedrijventerreinen in Wehl (het A18 Bedrijvenpark en bedrijventerrein Diepenbroek-Zuid). Het overgrote deel van de bedrijven in onze gemeenten zijn gevestigd op een van deze bedrijventerreinen. De gemeente heeft de afgelopen periode een actuele inschatting van economische trends en ontwikkelingen gemaakt en tegelijkertijd goed geluisterd naar de wensen en argumenten van de ondernemers. Dit heeft geresulteerd in dit beleidskader, dat bestaande en nieuwe ondernemers een handvat biedt voor de vestiging of uitbreiding van hun onderneming op een van onze bedrijventerreinen. Het schept kansen voor ondernemerschap, maar verschaft tegelijkertijd ook duidelijkheid over zaken die de gemeente Doetinchem niet wil. Doetinchem geeft samen met de ondernemers de economie van haar gemeente een nieuwe boost. Kansen voor ondernemers: Ruimte voor volumineuze en perifere detailhandel op bedrijventerreinen; Kleinschalige horeca op sommige bedrijventerreinen (A18 Bedrijvenpark, stationslocatie en bedrijventerrein De Huet); Ruimte voor innovatieve ontwikkelingen op bedrijventerreinen; Maatwerk voor bijzondere initiatieven. Hierbij wordt rekening gehouden met de rechtszekerheid van collega-ondernemers.
Duidelijkheid voor ondernemers: Geen nieuwe kringloopwinkels meer op bedrijventerreinen en de huidige verdwijnen via een uitsterfconstructie of gaan naar het gebied 'Hamburgerbroek BIS'; De bestaande illegale kringloopwinkels kunnen op eigen initiatief en kosten een verzoek bij de gemeente indienen om hun eigen kringloopwinkel te verplaatsen naar de locatie 'Hamburgerbroek BIS', Voor de ligging van dit gebied zie Bijlage 18 BIVA Hamburgerbroek BIS. Geen nieuwe illegale zelfstandige kantoren meer op bedrijventerreinen en de huidige illegale kantoren verdwijnen via een uitsterfconstructie. Onderzoek 49 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Volumineuze detailhandel Volumineuze detailhandel is detailhandel in volumineuze goederen. Dit zijn goederen waarvoor, voor de tentoonstelling of opslag ervan, een grote vloeroppervlakte nodig is, niet zijnde perifere detailhandel of kringloopwinkels: auto's, boten, caravans, landbouwvoertuigen en aanverwante voertuigen, motorfietsen, bromfietsen en fietsen. Volumineuze detailhandel is op alle de bedrijventerreinen toegestaan, behalve op het A18 Bedrijvenpark. In het noordelijk gedeelte is geen volumineuze detailhandel toegestaan. In het zuidelijk gedeelte van het A18 Bedrijvenpark is het alleen toegestaan aan de westkant. Perifere detailhandel Perifere detailhandel is onder te verdelen in verschillende categorieën, namelijk: a. b. c. d. e.
keukens, badkamers, sanitair en tegels; tuinmeubelen; woninginrichtingsartikelen (zoals meubelen, woontextiel en slaapkamerinrichting); woningstoffering (zoals gordijnen, parket, laminaat en houtvloeren); bouwmarkten, tuincentra, meubel- annex woontextielzaken en/of woonwarenhuizen;
Perifere detailhandel is mogelijk op de PDV locatie Wijnbergen, de PDV locatie Verheulsweide en op het noordelijk gedeelte van het A18 Bedrijvenpark. Namelijk in de drie aangewezen gebieden op het noordelijk deel die aan de westkant. De PDV locaties kennen ook een aantal aanpalende gebieden. Dit zijn uitloopgebieden voor perifere detailhandel. Hier kan een bedrijf zich vestigen na toestemming van de gemeente. Dit kan alleen als er geen ruimte beschikbaar in het centrum of aan de rand van het centrum van Doetinchem voor de PDV functie. En ook als er geen ruimte beschikbaar is op de drie PDV-locaties Wijnbergen, Verheulsweide of A18 Bedrijvenpark. Om perifere detailhandel in een aanpalend gebied mogelijk te maken is in het voorliggende bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Kringloopwinkels Kringloopwinkels zijn geen volumineuze of perifere detailhandel. Een kringloopwinkel is normale detailhandel en hoort thuis op een locatie waar detailhandel mogelijk is. In het verleden zijn een aantal kringloopwinkels zonder vergunning gevestigd op de bedrijventerreinen. De kringloopwinkels die zich hebben gemeld hebben in het voorliggende bestemmingsplan een persoonsgebonden overgangsregeling gekregen. De regeling houdt in dat de huidige gebruiker van de kringloopwinkel, deze mag blijven gebruiken zolang de persoon wil.
De regeling is persoonsgebonden en stopt als de persoon overlijd, de kringloopwinkels beëindigd of anderszins overdraagt aan iemand anders. Ook stopt de regeling als het gebruik van de kringloopwinkel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken. Zelfstandige kantoren Zelfstandige kantoren zijn op bedrijventerreinen alleen toegestaan binnen de bestemming 'Kantoor'. In het verleden zijn een aantal zelfstandige kantoren zonder vergunning gevestigd op de bedrijventerreinen. De zelfstandige kantoren die zich hebben gemeld hebben in het voorliggende bestemmingsplan een persoonsgebonden overgangsregeling gekregen. De regeling houdt in dat de huidige gebruiker van het zelfstandige kantoor, deze mag blijven gebruiken zolang de persoon wil. De regeling is persoonsgebonden en stopt als de persoon overlijd, het kantoor beëindigd of anderszins overdraagt aan iemand anders. Ook stopt de regeling als het gebruik van het zelfstandige kantoor voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken. Conclusie Binnen het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan liggen alle bedrijventerreinen. De planologische regeling voor deze bedrijventerreinen komt overeen met de uitgangspunten van het beleidskader BIVA. Hiermee is het voorliggende bestemmingsplan in overeenstemming met BIVA. 50 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
3.5.12 Continuïteit in Karakter, Cultuurhistorie Doetinchem Op 21 september 2017 heeft de gemeenteraad de nieuwe nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' vastgesteld. In de nota is aandacht voor het verhaal van Doetinchem en het zichtbaar maken van cultuurhistorie in de openbare ruimte. Mede hierdoor wordt de kennis over en waardering voor cultuurhistorie vergroot, en kan cultuurhistorie als inspiratiebron dienen bij ruimtelijke planvorming. De nota kent een brede insteek en beschrijft ambities op een aantal maatschappelijke thema's. Daarnaast beschrijft de nota ook de beleidskaders en de manier waarop cultuurhistorie in de ruimtelijke planvorming geborgd wordt. Hiervoor zijn vijf belangrijke thema's onderscheiden, dit zijn: 1. 2. 3. 4. 5.
krimp, leegstand en herbestemmen; duurzaamheid en innovatie; instandhouding; kennis vergroting en uitwisseling; leefomgeving en participatie.
1. Krimp, leegstand en herbestemmen Bij leegstand van monumenten is herbestemming het uitgangspunt. Bij andere gebouwen met een cultuurhistorische waardeis de keuze of herbestemming of (gedeeltelijke) sloop. Naast cultuurhistorische waarde wordt het oordeel ook gebaseerd op de omgevingswaarde, de maatschappelijke waarde en de bouwtechnische waarde van het leegstaande gebouw. 2. Duurzaamheid en innovatie In 2030 wil Doetinchem energieneutraal zijn. Bij erfgoed wordt energiebesparing en het gebruik van alternatieve energiebronnen met rekening houdend met de cultuurhistorische waarde van de gebouwen gestimuleerd. De gemeente Doetinchem werkt aan een actueel overzicht van mogelijkheden voor eigenaren van historische gebouwen. 3. Instandhouding Het is de ambitie waardevol cultuurhistorisch erfgoed blijvend te beschermen, in stand te houden en verval te voorkomen. De gemeente monitort actief de bouwkundige staat van monumenten en handhaaft de monumentensubsidieverordening. 4. Kennis vergroting en uitwisseling De gemeente streeft er naar de aanwezige kennis over de cultuurhistorie van Doetinchem te vergroten, te delen en inzichtelijk te maken voor een groot publiek. Hiervoor wordt onderzoek gedaan naar cultuurhistorische waarden, waarbij in het bijzonder ook het funerair erfgoed (begraafplaatsen en kerkhoven) wordt genoemd.
Ook wordt nader onderzoek gedaan naar potentiële monumenten en wordt de monumentenlijst geactualiseerd. De gemeente blijft actief in gesprek met in- en externe deskundigen, en onderzoekt de wenselijkheid van een cultuurhistorische waardenkaart voor haar inwoners. 5. Leefomgeving en participatie De gemeente wil cultuurhistorie zo goed mogelijk zichtbaar en beleefbaar maken voor haar inwoners om op deze manier het besef en de waardering voor cultuurhistorie te vergroten. Particulier initiatief wordt gestimuleerd en de gemeente levert jaarlijks een bijdrage aan de Open Monumentendag. Algemeen De gemeente Doetinchem kent verschillende historische identiteiten, zoals bijvoorbeeld landschap, wonen en werken, de middeleeuwse stad, de naoorlogse stad, de boerderijen in het buitengebied welke de komende jaren een leidraad moeten vormen voor het cultuurhistorisch 51 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
beleid. Daarnaast moet het cultuurhistorisch beleid zoveel mogelijk aansluiten op bestaande wetgeving. De gemeente heeft inmiddels veel informatie beschikbaar over de archeologie, de naoorlogse wijken, het industrieel erfgoed, het centrum van Doetinchem, het landelijk gebied en enkele kleinere onderzoeksgebieden. Uit alle onderzoeken zijn aanbevelingen naar voren gekomen voor behoud en ontwikkeling van bepaalde panden of structuren, onder en boven de grond. Voor sommige panden heeft dat een bescherming opgeleverd als gemeentelijk monument. Voor andere loopt die procedure of volgt die nog. Daarnaast zijn er panden die net niet in aanmerking komen voor de monumentale status, maar wel bescherming verdienen tegen sloop. Door het toekennen van cultuurhistorische waarde van deze panden in het bestemmingsplan, worden deze cultuurhistorische waardevolle panden tegen sloop beschermd. Meer hierover in paragraaf 4.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed. 3.5.13 Mobiliteitsvisie 2016-2026 De gemeenteraad heeft op 3 november 2016 de nieuwe Mobiliteitsvisie 2016-2026 vastgesteld. Dit plan is gericht op kwaliteit (snel, veilig en comfortabel) en op gelijkwaardige belangen van autoverkeer, openbaar vervoer en fiets.
Oftewel, op welke wijze kan de gemeente er voor zorgen dat de hele gemeente en binnenstad voor onze inwoners en bezoekers een veilige stad is die ook makkelijk te bereiken is en een goede doorstroming biedt de auto maar zeker ook voor de fiets: de auto heeft niet automatisch prioriteit. Daarbij gaat de gemeente slimmer en efficiënter gebruik maken van de bestaande infrastructuur. Niet perse meer infrastructuur maar beter benutten van wat er al is. Het wijzigingen van het mobiliteitsgedrag en de eigen verantwoordelijkheid van de burgers staat centraal bij het beoogde effect van de maatregelen. In het wegcategoriseringplan hebben alle wegen op gemeentelijk grondgebied een functie gekregen. Een concretisering van de mobiliteitsvisie voor het plangebied is weergegeven in paragraaf 4.12 Verkeer en parkeren. 3.5.14 Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017 - 2020 Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkeren belangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem, in de kernen van Wehl en Gaanderen en in woongebieden en buitengebied ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren).
De parkeervisie is opgedeeld in vier pijlers: 1. parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar, vindbaar en te financieren zijn; 2. doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. a. binnenstad - personeel en publiek; b. woongebieden - bewoners en bezoek; c. bedrijfsterreinen - personeel; 3. flexibiliteit: de uitvoering van de werkzaamheden uit de parkeervisie moeten gefaseerd uitgevoerd kunnen worden; 4. exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële taakstelling. Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat. Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de 52 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil ook de toepassing van de normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Onderzoek en conclusie In de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' staat per situatie de parkeernormen. Het parkeerbeleid is voor het plangebied nader uitgewerkt in paragraaf 4.12 Verkeer en parkeren. 3.5.15 Terrassenbeleid In het Terrassenbeleid zijn de regels voor het gebruik van de openbare ruimte voor exploitatie van terrassen beschreven. Uitgangspunt voor het terrassenbeleid is de oorspronkelijke functie van het openbaar gebied te borgen en waar nodig te herstellen. De doorgangsruimte en de veiligheid voor de voetganger moet onder alle omstandigheden gegarandeerd blijven en de kwaliteit van de openbare ruimte moet gehandhaafd blijven en waar mogelijk worden verbeterd. De belangrijkste doelstellingen voor de verbetering van het beleid zijn: voldoende ruimte voor alle gebruikers met aandacht voor veiligheid; goede uitstraling, open terrassen met terughoudend gebruik van terrasobjecten, geen verplichte uniformiteit, maar wel eenheid in kwaliteit; heldere regels om overlast te vermijden. In het terrassenbeleid (Bijlage 13) zijn de gebieden aangegeven waar en in welke vorm terrassen zijn toegelaten.
Onderzoek en conclusie Op basis van dit beleid zijn in het voorliggende bestemmingsplan terrassen zonder semi-permanente inrichting (dus alleen tafels, stoelen en losse parasols) via 'mogelijkheden voor ontmoeting' toegelaten. Terrassen met semi-permanente inrichting, zoals windschermen, semi-permanente parasols en vlonders zijn alleen mogelijk als deze zijn aanduid in het terrassenbeleid. Natuurlijk horen hier ook tafels en stoelen bij. Dit zijn echter geen bouwwerken en hoeven dus niet geregeld te worden in het bestemmingsplan.
53 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
54 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Hoofdstuk 4 4.1
Haalbaarheid
Algemeen
Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Er zijn minder activiteiten direct m.e.r.-plichtig, maar er is wel vaker m.e.r.-beoordeling nodig. Belangrijke wijziging is dat de drempelwaarden in de zogenoemde D-lijst niet meer absoluut zijn, maar indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag zich nu bij bijna alle plannen/projecten/activiteiten moet afvragen of er geen aanzienlijke milieugevolgen optreden en er dus een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Zolang de activiteit niet boven de indicatieve drempel komt, is deze motivering wel vormvrij, maar hoe dichter de drempel wordt genaderd hoe zwaarder de motiveringsplicht wordt. Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Onderzoek en conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.
In het voorliggende bestemmingsplan zijn alleen de bestaande geldende planologische mogelijkheden opgenomen. Derhalve zijn er ook geen ongebruikte planologische mogelijkheden zoals bedoeld in de C of D-lijsten van het Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor is het niet nodig om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
4.3
Bodem
Bij een bestemmingsplan moet worden bepaald dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. Het voorliggende bestemmingsplan is een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen in het plangebied. Dit bestemmingsplan bevat geen nieuwe ontwikkelingen die niet al via een eerdere procedure zijn toegelaten. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat de bodemkwaliteit in tussentijd is verslechterd. Om deze reden kan ervan worden uitgegaan dat de bodem in het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Het uitvoeren van een bodemonderzoek ten behoeve van dit plan is daarom niet noodzakelijk. Onderzoek en conclusie Zoals hiervoor beschreven is het uitvoeren van een bodemonderzoek in kader van een conserverend bestemmingsplan niet noodzakelijk. Daarnaast geeft de bodemkwaliteitskaart aan dat de gemiddelde bodemkwaliteit binnen het plangebied voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Achtergrondwaarde' of 'Wonen'. Binnen de deelgebieden kunnen lokaal bodemverontreinigingen voorkomen. Dit betreffen oude verontreinigingen die veelal te relateren zijn aan (voormalige) 55 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
bedrijfsactiviteiten. De nog aanwezige verontreinigingen vormen geen risico's voor de beoogde bestemmingen en functies. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.4
Akoestiek
4.4.1
Wegverkeerslawaai
Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Onderzoek en conclusie Dit bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke situatie vast en voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies. Een akoestisch onderzoek is dus niet aan de orde. Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid moet het aspect wegverkeerslawaai bij dat plan aan de orde te komen. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 4.4.2
Railverkeerslawaai
Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk doorkruist het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke situatie vast en voorziet niet in de ontwikkeling van nieuwe planologische mogelijkheden. Een akoestisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 4.4.3
Industrielawaai/bedrijfszonering
In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens Het Besluit omgevingsrecht (BOR) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai). In de Wet geluidhinder is vastgelegd dat het vastleggen, opheffen of wijzigen van een geluidzone moet plaatsvinden via het vaststellen van een bestemmingsplan. Niet is vastgelegd dat bestaande geluidzones opnieuw overgenomen moeten worden. Het opnemen van de geluidzone heeft dan ook vooral een signaleringsfunctie en is niet nodig vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Onderzoek en conclusie 56 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Voor het voorliggende plangebied zijn alle acht bedrijventerreinen van de gemeente Doetinchem van belang, te weten: Keppelseweg, De Huet, Wijnbergen, Verheulsweide, Hamburgerbroek in Doetinchem, Akkermansweide in Gaanderen en de 2 bedrijventerreinen in Wehl (het A18 Bedrijvenpark en bedrijventerrein Diepenbroek-Zuid). Binnen de gemeente Doetinchem zijn de Bedrijventerreinen Hamburgerbroek, Verheulsweide, Langerak, De Huet en A18 Bedrijvenpark gezoneerd. Waarbij de zonering tot in het voorliggende bestemmingsplangebied reikt. Hiervoor is een zonebeheerplan opgesteld. Hamburgerbroek en Verheulsweide De geluidzones van Hamburgerbroek en Verheulsweide zijn vastgelegd in de bestemmingsplannen 'Parapluherziening geluidzone Hamburgerbroek' en 'Parapluherziening geluidzone Verheulsweide'. Deze parapluplannen liggen over de bestaande bestemmingsplannen heen en worden niet door het voorliggende plan vervangen. De geluidzones hoeven daarom dus niet opnieuw opgenomen te worden in bestemmingsplannen. De onderstaande afbeeldingen geven de ligging van de geluidzones weer.
Ligging geluidzones Hamburgerbroek en Verheulsweide
Overige geluidzones De geluidzones van Bedrijventerreinen A18 Bedrijvenpark, Langerak, De Huet, Keppelseweg en Motorcrossterrein De Heksenplan Bronckhorst zijn vastgelegd in verschillende bestemmingsplannen. Aangezien de geluidzones alleen in deze bestemmingsplannen vastgelegd zijn, moet bij een actualisatie van deze geldende plannen, ook de geluidzone weer opgenomen worden. Anders is immers de geluidzone nergens anders meer vastgelegd. 57 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Industrielawaai A18 Bedrijvenpark Voor het A18 Bedrijvenpark is een zonebeheerplan opgesteld om de beschikbare geluidruimte op het industrieterrein goed te kunnen verdelen en te beheren. In het ontwikkelde zonebeheerplan is beschreven hoe omgegaan moet worden met de beschikbare geluidsruimte en hoe ervoor zorggedragen wordt, dat de geluidszonegrens niet wordt overschreden (rapport 'Zonebeheerplan Regionaal Bedrijventerrein Wehl, Doetinchem' van DGMR d.d. 23 oktober 2009, kenmerk M.2009.0553.01.R001), zie Bijlage 19 van de regels. Het geluidszoneringsonderzoek heeft als doel om tot een passende zonering te komen waarmee enerzijds voldoende geluidsruimte beschikbaar is voor de bedrijven en anderzijds een acceptabel leefklimaat wordt gegarandeerd bij woningen in de omgeving. Gekozen is voor de variant, waarbij de geluidsruimte wordt vastgesteld op 65 dB(A)/m2, waarbij de helft van deze kavelreservering wordt ondergebracht in de 'algemene reserve', zodat voor de kavels een reservering overblijft van 62 dB/m2. De zonebeheerder heeft de beschikking over de geluidsruimte in de 'algemene reserve' en kan indien nodig naar eigen inzicht extra geluidsruimte overdragen aan bedrijven. Hierbij spelen aspecten zoals werkgelegenheid, duurzaamheid en Best Beschikbare Technieken (BBT) een rol. De gekozen variant sluit het beste aan op het doel om tot een passende geluidzone te komen.
Bedrijven uit milieucategorie 4.2 hebben over het algemeen voldoende aan een dergelijke geluidsreservering en in deze situatie komen er geen woningen in de zone te liggen en hoeven geen hogere waarden (HGW's) te worden vastgesteld.
Ligging geluidzone A18 Bedrijvenpark (RBT 2009)
58 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Ligging geluidzones Langerak, De Huet, Keppelseweg en Motorcrossterrein De Heksenplan Bronckhorst
Binnen de geluidzone mogen geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegestaan worden tenzij hogere waarden is verleend. Doordat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, vormt het aspect industrielawaai/bedrijfszonering geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan. Nieuwbouw Lookwartier Het is akoestisch onderzocht (Bijlage 19) hoe de nieuw te realiseren woningen in het plan Lookwartier zich verhouden tot de huidige bedrijvigheid ten zuiden van deze woningen, met name de aldaar gelegen carwash en autoschadebedrijf. Hieruit blijkt dat een aantal woningen gelegen zijn in de geluidcontour van deze bedrijvigheid. Om ervoor te zorgen dat de bedrijvigheid niet in haar bedrijfsvoering geschaad wordt en om daarnaast zorg te dragen voor een goed woon- en leefklimaat voor de nieuw te realiseren woningen worden maatregelen getroffen in de overdracht (geluidscherm) en aan de nieuwe woningen (de hoog belaste gevelzijdes worden vanaf de 1e verdieping doof uitgevoerd). E.e.a. wordt vastgelegd bij maatwerkvoorschrift Activiteitenbesluit en middels dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen om onder andere de verkeersgerelateerde emissies (onder andere fijnstof en stikstofdioxide) te reguleren. Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende 59 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als de luchtkwaliteit als gevolg van het project met ten hoogste 3% verslechtert. Onderzoek en conclusie Omdat het voorliggende bestemmingsplan een actualisatie is van de geldende bestemmingsplannen in het plangebied en dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen bevat die niet al via een eerdere procedure zijn toegelaten, is de NIBM-toets niet relevant. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied.
2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 60 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Voor punten 1 t/m 5 heeft de gemeente een apart bestemmingsplan 'Parapluherziening Externe veiligheid - 2020' opgesteld. Dit bestemmingsplan heeft vanaf 13 februari 2020 zes weken als voorontwerp ter inzage gelegen. Vervolgens heeft dit plan vanaf 3 december 2020 als ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen en is op 25 maart 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. Met dit bestemmingsplan is uitvoering gegeven aan punten 1 t/m 5. De parapluherziening is integraal verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voorziet in vastleggen van de huidige situatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Een verantwoording van de aanwezige risico's is noodzakelijk nu het beleid op het gebied van externe veiligheid is veranderd. Zo zijn de aan te houden plaatsgebonden risicoafstanden voor LPG tankstations veranderd, is de circulaire effectafstanden externe veiligheid gepubliceerd en is er nieuwe wetgeving voor buisleidingen en transportroutes van kracht geworden. Voor de uitgevoerde berekeningen geldt dat de methode voor de berekening van plaatsgebondenen groepsrisico is verbeterd.
Onderzoek In het plangebied en zijn directe omgeving zijn een aantal lpg tankstations aanwezig. De lpg tankstations zijn voorzien van een 10-6 risicocontour. De afstand van de 10-6 contour is afhankelijk van de doorvoer van het aantal liters lpg. In het voorliggende bestemmingsplan is rekening gehouden met externe veiligheid door de gasleiding te bestemmen met een dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Door de gemeente Doetinchem lopen twee verschillende leidingtypes: hogedrukleidingen (HTL's) en regionale leidingen (RTL's). De hogedrukleidingen liggen door de Wehlse broeklanden en kennen een beschermingszone van 5 meter aan weerskanten. De regionale leidingen liggen langs de westkant van Doetinchem en onder de Liemersweg. De regionale leidingen kennen een beschermingszone van 4 meter aan weerskanten. Het is verboden om in de beschermingszone van de bestemming 'Leiding - Gas' onder andere werkzaamheden uit te voeren als het vellen of rooien van beplanting, het verlagen van de bodem en het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. In Doetinchem Oost liggen de meeste gasdrukmeet- en regelstations (acht), op de bedrijventerreinen bevinden zich zeven gasdrukmeet- en regelstations. In de kern Gaanderen liggen vier gasdrukmeet- en regelstations, in Doetinchem-West één.
In de kern Wehl liggen twee en in Nieuw-Wehl één gasdrukmeet- en regelstations, in Langerak is er ook één. Op de gasdrukmeet- en regelstations zijn de regels uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit van toepassing. De gasdrukmeet- en regelstations zijn in het bestemmingsplan opgenomen met een 61 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
specifieke bestemming. Er moeten veiligheidsafstanden in acht genomen worden, voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Daarom is rondom de stations een beschermingszone opgenomen voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn 3 en meer woningen, kantoren groter dan 1.500 m2 en kinderdagverblijven. Beperkt kwetsbare objecten zijn 1 of 2 woningen, kantoren tot 1.500 m2, sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen.
De ligging van externe veiligheid inrichtingen en buisleidingen
Hoogspanningsverbindingen Binnen de gemeente Doetinchem ligging verschillende hoogspanningsverbindingen. Er zijn bovenen ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Bovengronds zijn de hoogspanningsverbindingen bevestigd aan masten. Op de navolgende afbeelding is te zien, waar de hoogspanningsverbindingen aanwezig zijn in de gemeente. De bovengrondse hoogspanningsverbindingen zijn in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen met een bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding bovengronds'. De ondergrondse hoogspanningsverbindingen zijn opgenomen met de bestemming 'Leiding Hoogspanningsverbinding ondergronds'.
62 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Ligging van de bovengrondse hoogspanningsverbindingen
Ligging van de ondergrondse hoogspanningsverbindingen 63 bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld
Conclusie Omdat het bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van de huidige situatie en er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, is er geen sprake van belemmeringen voor het aspect externe veiligheid.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.