Bijlage 1 Bijlage bij projectplan - B. Programma van Eisen nieuwbouw Wilhelminaschool.pdf
Tekst van het document
Voorkom hoge hanglampen, richels en randen in het bijzonder. Voorkom zoveel mogelijk zichtbaar leidingwerk. Onderhoudskosten De keuze voor de te gebruiken materialen en installaties dient mede bepaald te worden door de kosten die met het onderhoud gemoeid zijn. Detaillering en positionering van de gebouwonderdelen dienen zodanig te zijn dat onderhoud tegen zo weinig mogelijk kosten is uit te voeren. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met de gebruiksvriendelijkheid voor onderhoud. Denk daarbij bijvoorbeeld aan makkelijk te openen en goed bereikbare onderdelen om de vervangtijd te verkorten. Plaats installatiecomponenten bij voorkeur binnen en zorg ervoor dat deze goed bereikbaar zijn voor service en onderhoud. Installatieonderdelen op het dak dienen tot een minimum te worden beperkt in verband met vandalismegevoeligheid. Het grootste deel van de onderhoudskosten wordt veroorzaakt door een beperkt aantal activiteiten, waaronder het vervangen en repareren van platte daken, schilderwerken, bestraten en herbestrating van terreinen en het vervangen van vloerbedekkingen. Minimaliseer deze activiteiten en zorg - indien onvermijdbaar - dat de activiteiten eenvoudig uit te voeren zijn. Hierbij valt te denken aan voorzieningen t.b.v. veilige daktoetreding e.d.
Ten behoeve van onderhoud (en schoonmaak) aan ramen, dient op moeilijk bereikbare plaatsen een adequate voorziening te worden getroffen. Daarvoor dient minimaal een dakrandvoorziening en valbeveiliging ten behoeve van dakwerkzaamheden en glasbewassing aangebracht te worden. Hieronder vallen ook werkzaamheden t.b.v. het aanbrengen of in stand houden van PV-panelen.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 9 van 44
Herstelkosten door vandalisme Het gebouw dient een zodanige vorm te hebben en het materiaalgebruik dient zodanig te worden gekozen, dat de kans op te maken kosten voor herstel van schade door vandalisme zoveel mogelijk beperkt wordt.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 10 van 44
1.8
Energie Ten aanzien het energieverbruik dient voor verblijfsruimten aan de eisen te worden voldaan, die gesteld worden door het document ‘Programma van Eisen Frisse Scholen 2015 – versie september 2015’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), classificatie A: uitmuntend, conform de volgende tabel.
Energiekosten nieuwbouw Om tijdens het gebruik van het gebouw de milieubelasting te beperken, worden eisen gesteld aan het primair energieverbruik van de nieuwbouw. Uitgangspunt: beperk de energiekosten. Het doel is te komen tot zelfvoorziening in energie. Het dakoppervlak van het gebouw dient daarvoor te worden ingezet. Het gebouw betreft een bijna-energieneutraal gebouw, bepaald volgens NTA 8800. Het ambitieniveau ligt echter hoger, namelijk een energieneutraal gebouw. De aannemer wordt verplicht gesteld tot het afgeven van een kwaliteitsborging met een prestatieverplichting van ten minste vijf jaar, ingaand vanaf de dag van oplevering. Infiltratie nieuwbouw Om warmteverliezen door infiltratie te beperken, worden tevens eisen gesteld aan de luchtdichtheid van de gebouwschil van de nieuwbouw (conform passiefhuis concept). Infiltratievoud bij een drukverschil van 50 Pa Conform passiefhuis concept ≤ 0,15 dm³/s.m² Meting conform NEN-EN 13829:2000
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 11 van 44
Bovenstaande classificatie betekent dat extra aandacht is benodigd voor detaillering, hang- en sluitwerk, keuze van het afdichtingsmateriaal en de uitvoering. De uitvoerende partij is verplicht om voor oplevering een blowerdoortest op te leveren, waarin wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de in bovenstaande tabel genoemde luchtdichtheidseis. Zowel de type B als type A luchtdichtheidstest is vereist. Tevens is de aannemer verplicht om voor oplevering een uitgebreide warmtebeeld-rapportage aan te leveren, dat een gedetailleerd beeld geeft van de isolatiekwaliteit van het gehele gebouw. Verder dient het gebouw vrij te zijn van koudebruggen. 1.9
Binnenluchtkwaliteit Binnenluchtkwaliteit In het gebouw dient een goede luchtkwaliteit te worden bereikt, waarbij de binnenlucht geen verontreinigingen bevat in een concentratie waarvan bekend is dat deze de gezondheid aantast of hinder veroorzaakt. De kwaliteit van de binnenlucht in een ruimte wordt bepaald door de in de ruimte vrijkomende verontreinigingen, het toevoerluchtdebiet van de buitenlucht en de kwaliteit hiervan. Uitdrukkelijk wordt genoemd dat de installatieadviseur tijdens het ontwerpen van het installatiesysteem met een voorstel komt om verspreiding van virussen via het ventilatiesysteem tegen te gaan. Hierbij wordt gerefereerd aan de recente publicaties rondom verspreiding van het coronavirus via ventilatiesystemen. Ten aanzien van de luchtkwaliteit in relatie tot de maximale hoeveelheid verontreiniging (concentraties van aanwezige stoffen), dient voor verblijfsruimten aan de eisen te worden voldaan die gesteld worden door het document ‘Programma van Eisen Frisse Scholen 2015 – versie september 2015’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), classificatie A: uitmuntend, conform de onderstaande tabel. Volledigheidshalve wordt vermeld dat alle binnenmilieu-eisen uit het PvE Frisse Scholen (dus niet alleen het onderdeel binnenluchtkwaliteit) minimaal 95% van de gebruikstijd dienen te voldoen.
Kwaliteit toevoerlucht De in de verblijfsruimten ingebrachte ventilatielucht heeft minimaal dezelfde kwaliteit als de buitenlucht ter plaatse. Toevoerluchtdebiet Voor verblijfsruimten wordt het toevoerluchtdebiet bepaald door de maximale CO2concentratie als aangegeven in onderstaande tabel. Voor de overige ruimten wordt uitgegaan van de wettelijke vereisten. Spuiventilatie Het dient mogelijk te zijn om verblijfsruimten in korte tijd met een grote hoeveelheid buitenlucht te spuien. Hiertoe dient het ventilatiedebiet van het gebouw aan de volgende waarden te voldoen: Gebruiksfunctie Onderwijsruimten Overige ruimten
ruimte om te zijn
Ventilatiedebiet per m² verblijfsruimte (l/s/m²) 9 4,5
U20519
Pagina 12 van 44
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 13 van 44
1.10 Thermisch comfort De mate waarin mensen zich behaaglijk voelen in een gebouw wordt voor een belangrijk deel bepaald door het aspect thermische behaaglijkheid. Naast de algemene technische behaaglijkheid (te warm of te koud), wordt ook de lokale thermische behaaglijkheid beschouwd als tocht, verticale temperatuurgradiënt (hinderlijk groot verschil tussen temperatuur op hoofdhoogte en enkelhoogte), stralingsasymmetrie (hinderlijke eenzijdige warmte-/koudestraling) en warme/koude vloeren. Aan de in de volgende paragrafen gestelde eisen voor thermisch comfort dient minimaal 95% van de gebruikstijd voldaan te worden. Dit dient voor uitvoering middels een temperatuuroverschrijdingsberekening (TO-berekening) te worden aangetoond. Daar waar wordt verwezen naar een verblijfszone, wordt verstaan de ruimte van 0,1 m tot 1,5 m boven het vloeroppervlak, 0,3 m vanaf de binnenwanden en 0,5 m vanaf de binnenzijde van de gevel. In het geval Individuele Beïnvloeding (IB) in de tabel is aangegeven, wordt dit nader toegelicht in de laatste paragraaf. Algemene thermische behaaglijkheid De wettelijke basis voor de behaaglijkheid is vastgelegd in de Arbowetgeving. Hierin is onder meer gesteld dat het klimaat op de arbeidsplaats niet mag leiden tot schade aan de gezondheid van de gebruikers. Voorts is het klimaat op de arbeidsplaats zo behaaglijk en gelijkmatig als redelijkerwijs mogelijk.
Daarbij wordt rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden die door de gebruikers worden verricht en de fysieke belasting die het gevolg is van die werkzaamheden. Hinderlijke tocht wordt vermeden, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Aan de eisen wordt voldaan indien de PMV-waarde in verblijfsruimten voldoet aan de onderstaande voorwaarde:
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 14 van 44
Ruimte PMV-klasse Verblijfsruimte (maximaal 10% van - 0,2 < PMV > + 0,2 de gebruikstijd een overschrijding van…..) Berekeningen conform ISSO 32 uitgevoerd voor het klimaatjaar 1995 en representatieve binnenklimaatcondities. Bepaling conform NEN-EN-ISO 7730:2005 Ten aanzien van het thermisch comfort dient voor verblijfsruimten aan de eisen te worden voldaan die gesteld worden door het document ‘Programma van Eisen Frisse Scholen 2015 – versie september 2015’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), classificatie B: goed, conform de volgende tabel.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 15 van 44
Bij het behalen van de eisen ten aanzien van klasse B wordt in acht genomen dat een dergelijk systeem een langere inregeltijd kent. De haalbaarheid dient vooraf echter wel aangetoond te worden via de toetsing en acceptatieroute. 1.11 Visueel comfort Een goed verlichte werk- en leeromgeving heeft een zo ‘natuurlijk’ mogelijke oorsprong. Dit impliceert dat zoveel als mogelijk het beschikbare daglicht moet worden benut. Wanneer dat onvoldoende beschikbaar is, dient een zo goed mogelijke verlichtingssituatie te worden gecreëerd door toepassing van kunstlicht, gestuurd door bewegingsmelders en daglichtschakeling. In de onderwijsruimten en in de teamkamer dient het kunstlicht regelen dimbaar te zijn. In de ontwerpfase dient door de installatieadviseur te worden onderzocht in hoeverre de toepassing van het Philips Schoolvision concept technisch en financieel haalbaar is. Ten behoeve van sfeerverlichting, dienen boven de plafonds in de hal, teamkamer en op leerpleinen contactdozen te worden opgenomen. Lesborden dienen bij zonlicht goed leesbaar te zijn en er zal bijzondere aandacht besteed moeten worden aan de lichtwering. Nadere eisen hieraan worden in paragraaf 2.10 (zonwering) gesteld. In de volgende tabellen zijn voor de verschillende te onderscheiden aspecten prestatieeisen gegeven, waaraan minimaal 95% van de gebruikstijd voldaan dient te worden, tenzij anders is aangegeven.
Ten aanzien van het visueel comfort dient voor verblijfsruimten aan de eisen te worden voldaan die gesteld worden door het document ‘Programma van Eisen Frisse Scholen 2015 – versie september 2015’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), classificatie B: goed, conform de volgende tabel.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 16 van 44
Uitzicht Het hebben van uitzicht is belangrijk voor een mens. In combinatie met daglicht heeft dit een positieve invloed op het welzijn. Uitzicht wordt ook geassocieerd met het kunnen inschatten van het tijdstip en het weer. Vanuit verblijfsruimten dient ten minste uitzicht te zijn op de buitenomgeving. De verblijfsruimten hebben uitzicht op ten minste twee van de volgende criteria: groen, hemelkoepel en/of voorwerpen van dichtbij en veraf. 1.12 Akoestisch comfort Geluid van buiten Geluid van buiten wordt in de regel vooral veroorzaakt door het verkeer. Ten aanzien van beperking van stoorgeluiden door buitengeluiden, is als beoordelingscriterium om praktische redenen gekozen voor een prestatie-eis ten aanzien van de geluidwering van de gevel, zodanig dat in de achterliggende geluidgevoelige ruimten kan worden voorzien in een voldoende laag geluidsniveau. Ten aanzien van het akoestisch comfort dient voor verblijfsruimten aan de eisen te worden voldaan die gesteld worden door het document ‘Programma van Eisen Frisse Scholen 2015 – versie september 2015’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), classificatie A: uitmuntend, conform de volgende tabel.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 17 van 44
Het verkrijgen van een goede ruimteakoestiek is voor de Wilhelminaschool een zeer wezenlijk onderdeel van goede huisvesting. Pas materialen toe die bijdragen aan de realisatie van een aangenaam akoestisch klimaat. Voorkom daarnaast het voortplanten van geluid door constructies en voorkom de verspreiding van contactgeluid. Bij de keuze voor het type vloersysteem (inclusief dekvloeren) dient hier in het bijzonder rekening mee gehouden te worden. 1.13 Flexibiliteit en uitbreidbaarheid Met als doel een gebouw te realiseren dat langdurig in staat is om huisvesting te bieden aan onderwijs en opvang, worden de volgende eisen gesteld aan de flexibiliteit van het gebouw en de gebouwdelen. Flexibiliteit van de gebouwonderdelen Alle bouwkundige en installatietechnische voorzieningen in het gebouw dienen zodanig te worden ontworpen, dat in de toekomst een zo groot mogelijke mate van vrijheid blijft bestaan om het gebouw tegen een redelijke investering en op een overzichtelijke wijze aan te passen, uit te breiden of in te krimpen. Constructie-dragende binnenwanden worden bij voorkeur slechts gerealiseerd indien deze uit constructief oogpunt noodzakelijk zijn of deze geen belemmering voor toekomstige aanpassing kunnen vormen.
Het toepassen van dragende kolommen prefereert boven de toepassing van dragende scheidingsconstructies, indien de investeringskosten voor het totale gebouw voor beide opties van een vergelijkbaar niveau zijn. Leidingstelsels dienen op een zodanige plaats te worden aangebracht dat zij aanpassingen van ruimten niet belemmeren en dat het realiseren van een eventuele aansluiting op deze leidingen op eenvoudige wijze en tegen beperkte kosten mogelijk is. Plaats constructieve elementen op zodanige afstand van elkaar dat na opdeling van de tussenliggende ruimte minimaal twee efficiënt bruikbare ruimten resteren. Plaats verschillende ruimten zodanig naast elkaar dat door het verwijderen van een verticale scheidingsconstructie tussen twee ruimten één grotere ruimte kan worden gecreëerd. Houd hierbij ook rekening met de plaatsing van (schakeling van) armaturen en andere installatiecomponenten. De voorkeur gaat uit naar de toepassing van grote op te delen oppervlakten inclusief de routes/‘gangen’, waardoor de mogelijkheid ontstaat de totale oppervlakte van groepsruimten – speel-/leerpleinen en routes te gebruiken voor leeractiviteiten. Er dient wel rekening gehouden te worden met vluchtwegen die door de ‘verkeersruimten’ lopen. Eventuele beperkingen in het gebruik dienen duidelijk aangegeven te worden.
Uitbreidbaarheid Wilhelminaschool acht het van groot belang dat in een vroegtijdig stadium van de ontwerpfase wordt nagedacht over de uitbreidbaarheid van het schoolgebouw. Eventuele uitbreiding van de nieuwbouw dient in de toekomstig relatief eenvoudig realiseerbaar te zijn. Van de architect wordt verlangd om in de ontwerpfase een plan aan te leveren waaruit blijkt op welke wijze de nieuwbouw in de toekomst is uit te breiden. Daarbij geldt als vereiste dat de nieuwbouw in vergaande mate is voorbereid op uitbreiding als het gaat om vluchtrouting, brandveiligheid, constructieve voorzieningen e.d.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 18 van 44
1.14 Toegankelijkheid Met als doel een gebouw tot stand te brengen dat voor alle personen en voor alle aan onderwijs en opvang gerelateerde doeleinden op een goede manier toegankelijk is, worden de volgende eisen gesteld. Toegankelijkheid gebouw Het gebouw dient te beschikken over voldoende ingangen en over ingangen van voldoende capaciteit, om de in het Ruimtelijk-Functioneel Programma van Eisen omschreven gebruikersgroepen op efficiënte wijze toegang te verschaffen. Hierbij de volgende zaken in acht nemen: - de hoofdentree, welke geschikt is voor mindervaliden, is dichtbij de in het gebouw aanwezige liftvoorziening gesitueerd; - alle entrees zijn geschikt voor mindervaliden; - alle entrees voorzien van dubbele toegangsdeuren en de tochtportalen voorzien van dubbele pendeldeuren; - niveauverschillen mogen geen belemmering opleveren voor rolstoelgebruikers. Onvermijdelijke niveauverschillen dienen duidelijk gemarkeerd te zijn (tactiele en/of kleurinformatie); - een gang (een trap) heeft ten minste een breedte van 1.10 m¹; aan het einde van zo’n gang dient de mogelijkheid te zijn om te keren in een draaicirkel van 1.50 m¹. Het een en ander is uiteraard afhankelijk van de benodigde doorstroomcapaciteit; - het een en ander dient minimaal te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het meest recente bouwbesluit.
Toegankelijkheid ruimten Alle verblijfsruimten in het gebouw dienen bereikbaar te zijn voor rolstoelgebruikers. De voor opslag bestemde ruimten en technische ruimten dienen zodanig in het gebouw gepositioneerd te worden, dat zonder overlast voor gebruikers een efficiënte aan- en afvoer kan plaatsvinden. De afmetingen van doorgangen naar voor opslag bestemde ruimten en technische ruimten, dienen gerelateerd te zijn aan de afmetingen van de aan te voeren goederen en dienen zo nodig opgenomen te worden in de buitenwand. Met het oog op veiligheid en eventuele insluiping, dient het aantal openingen van deze aard in de buitengevel wel tot een minimum beperkt te worden. 1.15 Samenvatting Programma van Eisen Frisse Scholen september 2015 De voorgenoemde eisen uit het Programma van Eisen Frisse Scholen laten zich als volgt samenvatten: Samenvatting eisen Frisse Scholen – nieuwbouw Wilhelminaschool Klasse A Klasse B Energie A Binnenluchtkwaliteit A Temperatuur B Licht B Geluid A PvE Frisse Scholen versie september 2015
ruimte om te zijn
U20519
Klasse C
Pagina 19 van 44
2
Omschrijving bouwkundige voorzieningen
2.1
Fundering Aanvullend op het meest recente Bouwbesluit, waarin eisen aan met name de sterkte van constructies worden gesteld, wordt de taakstelling meegegeven om ook andere mogelijke gebreken in de fundering niet op te laten treden. Het bouwen van een kruipruimte is een vereiste. Kruipruimteleidingen dienen naar behoren te worden gefixeerd. De afmetingen van onder afschot liggende leidingen dient te worden afgestemd op het energiebesparende watergebruik.
2.2
Daken en dakafwerkingen De opbouw van het dak dient ertoe bij te dragen dat bij hoge buitentemperaturen opwarming in de ondergelegen ruimten traag verloopt. Het dak dient voor onderhoud en inspectie aan gebouw en installaties incidenteel veilig betreden te kunnen worden, zonder kans op schade aan het dak. Eventuele dakgoten dienen bereikbaar te zijn voor inspectie. Noodzakelijke overstortvoorzieningen dienen geïntegreerd te worden in het architectonisch ontwerp. Gezien de duurzaamheidsambitie, zal een groot deel van het dak worden voorzien van PV-panelen. Het dak dient geschikt te zijn voor het dragen van de belasting van de PVpanelen. Ten behoeve van onderhoud en inspectie dienen permanente voorzieningen te worden opgenomen die de veiligheid waarborgen. Daarbij is een aanlijnsysteem het uitgangspunt. Aandachtspunt is om - in verband met diefstal - in plaats van lood, loodvervangende materialen te gebruiken. De minimale levensduurverwachting van de materialen dient 25 jaar te zijn. Daken dienen brandwerend te zijn en te worden voorzien van onbrandbare dakisolatie en een brandwerende dakbedekking in verband met toepassing van PV-panelen en de door verzekeraars gestelde eisen. Gezien eventuele toekomstige uitbreidbaarheid, dient in de ontwerpfase rekening te worden gehouden met belastbaarheid van platte daken welke geschikt worden geacht voor toekomstige uitbreiding.
2.3
Buitenwanden en buitenwandafwerkingen De gevel, als belangrijk deel van de gebouwomhulling, is sterk bepalend voor de kwaliteit van het gebouw. Materiaalkeuze en wijze van detailleren dienen zodanig te zijn dat bij een zeer beperkte onderhoudsinvestering vervuiling en degradatie van kwaliteit nauwelijks optreden, gedurende een periode van 40 jaar. Let bijzonder ook op eenvoudige glasbewassing en de juiste detaillering van lekdorpels. Met het oog op eventuele opdeling van onderwijsruimten e.d., dienen de binnenzijden van de buitenwanden de mogelijkheid te bieden om op verschillende plaatsen - haaks hierop interne scheidingsconstructies op een adequate wijze aan te sluiten.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 20 van 44
2.4
Binnenwanden en binnenwandafwerkingen Scheidingswanden dienen voldoende sterk te zijn om krachten, die vanuit het specifieke gebruik van ruimten te verwachten zijn, op te nemen. Hierbij mag geen blijvende visuele vervorming of andere vormen van schade plaatsvinden. Binnenwanden worden bij voorkeur uitgevoerd in metalstud t.b.v. toekomstige aanpasbaarheid. In overleg met de gebruiker dienen er voldoende ophangvoorzieningen voor onder andere lesborden en eventuele prikborden te worden aangebracht. Niet constructie-dragende binnenwanden dienen zodanig te worden uitgevoerd dat zij eenvoudig en tegen een lage investering te verwijderen zijn. Voor technische ruimten geldt dat het afwerkingsniveau niet hoger hoeft te zijn dan noodzakelijk. Het oppervlak van de wanden dient, gerelateerd aan het specifieke gebruik van de betreffende ruimte, in ieder geval molestbestendig, stofarm, geluidwerend, vochtbestendig, goed afneembaar en voldoende sterk te zijn. In het kader van een gunstige exploitatie heeft de opdrachtgever de voorkeur om binnenwanden af te werken met een onderhoudsarme en voor de functie geschikte lambrisering van circa 1.500 mm hoogte. Dit geldt in het bijzonder voor verkeersruimten en trappenhuizen. In geval van houtwerk, heeft de houtsoort een duurzame herkomst en dient deze geschikt te zijn voor de functie (krasvast en een glad afgewerkt oppervlakte).
Een gelijkwaardige lambrisering behoort eveneens tot de mogelijkheden en dient in de ontwerpfase verder te worden onderzocht. Het schilderwerk enkel voorzien van een topcoating wordt niet als gelijkwaardig gezien en derhalve uitgesloten. In natte en sanitaire ruimten de wanden volledig voorzien van wandtegels. Sanitaire tussenwandjes dienen vrijhangend uitgevoerd te worden, met uitzondering van in de personeelstoiletten, deze moeten van plafond tot vloer zijn. De toegangsdeuren van de sanitaire cabines dienen te worden uitgevoerd met zelfsluitende scharnieren. De voorruimte van de toiletgroep van de onderbouw behoeft niet te worden voorzien van een toegangsdeur. Het dient mogelijk te zijn om permanent attributen te bevestigen aan scheidingswanden. De aannemer dient bij oplevering bij zijn revisiebescheiden tekeningen toe te voegen waar duidelijk gemarkeerd is waar ophangvoorzieningen zijn aangebracht. Speciale aandacht is nodig voor de wijze waarop vaste inrichting (bijvoorbeeld schoolborden, fonteinen, wastafels, e.d.) wordt geplaatst of bevestigd. Ophangvoorzieningen dienen in overleg met de gebruiker te worden opgenomen. Ter plaatse van scheidingsconstructies tussen werk-, onderwijs- en verkeersruimten wordt uitgegaan van maximale transparantie, met als doel visueel contact mogelijk te maken tussen beide ruimten.
Uitwendige hoeken voorzien van hoekprofielen van vloer tot aan het plafond. Pas bijvoorbeeld Storax hoekprofielen, type Acrovyn SSM-20 of gelijkwaardig toe.
2.5
Vloeren en vloerafwerkingen De vloeren en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. Hiertoe dienen vloerafwerkingen in ieder geval vochtbestendig, voldoende sterk, slijtvast en voldoende stroef te zijn. Ten aanzien van de uitstraling van de vloerafwerking stelt de opdrachtgever als eis dat de afwerking moet bijdragen aan de sfeer in het gebouw, een
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 21 van 44
zekere huiselijkheid moet uitstralen en tenslotte ook over gunstige akoestische eigenschappen moet beschikken. De vloeren dienen hygiënisch te zijn en praktisch te zijn in gebruik en onderhoud. In natte en sanitaire ruimten een gietvloer toepassen, ingestrooid met flakes en voorzien van holle plinten uit één deel. In de groepsruimten, speel-/leerpleinen, gangzones en kantoorruimten dient een onderhoudsvriendelijke, gladde vloerafwerking te worden toegepast. Op dit moment is nog een keuze gemaakt voor het type vloerafwerking. Gedacht wordt aan bijvoorbeeld PVC of rubber. In kantoorruimtes dient tapijt te worden toegepast. Tijdens het ontwerpproces dient een voorstel te worden gedaan door de architect. Daarbij dient rekening te worden gehouden met geluidsdemping. Plinten in aluminium uitvoeren (door en door van kleur) of onderhoudsvriendelijke houten plinten (blank hout). De keuze voor de plint dient zo gemaakt te worden dat stofophoping op de plint vermeden wordt. De plintafwerking dient als zijnde een ziekenhuisplint uitgevoerd te worden. In het gymlokaal dient een voor de functie geschikte vloer op een dempende ondergrond te worden toegepast. Het type vloerafwerking dient in nader overleg te worden bepaald.
Gezien het gymlokaal wordt verbonden met de ontmoetingsruimte en het onderwijsplein van de onderbouw, dient de vloerafwerking van deze drie ruimten op elkaar te worden afgestemd. 2.6
Trappen, hellingbanen en afwerkingen De bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport dienen afgestemd te zijn op het specifieke gebruik in een schoolgebouw. Zij dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de te verwachten voetgangersstromen op vlotte wijze en zonder het optreden van gevaarlijke situaties kunnen worden verwerkt. Verder gelden de volgende aanvullende eisen: - trappen niet te steil: maximale optrede = +/- 180 mm, aantrede = 230 mm; - trap uitvoeren met dubbele leuning aan weerszijde, materiaal leuning: blank hout of gemoffeld staal; - balustraden toepassen met voldoende grote openingen (tegen klemraken vingers) of volledig gesloten. Ook het attractiebesluit is van toepassing (in verband met beknellingen); - bij toepassing van trappen de aansluiting met de wand dichtzetten en geen open trappen toepassen; - zorg dat het einde van de trapleuning goed herkenbaar is; - zorg dat de trappen in antislip worden uitgevoerd. In verband met veiligheid en toegankelijkheid behoeft de afwerking van trappen en hellingbanen speciale aandacht. Ook de materialisering en detaillering van de trappen is van belang om contactgeluid en “dreunen” te voorkomen. Houten trapafwerking dient te worden vermeden. Trappen dienen te worden afgewerkt met pvc of rubber.
Betontrappen mogen ook worden uitgevoerd met een fabrieksmatig op te nemen kleurmengsel, teneinde zichtbare vervuiling op lichtgrijs gekleurde betontrappen te voorkomen.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 22 van 44
2.7
Plafonds en plafondafwerkingen De hoogten van ruimten dienen gerelateerd te zijn aan de omvang en de functie van de ruimten. De kwaliteit en de vormgeving van de plafonds of plafondafwerkingen, dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de ruimte. Ze dienen tegen een geringe investering aangepast te kunnen worden ten behoeve van het verwijderen en bijplaatsen van binnenwanden, zonder nadelige consequenties voor de akoestische eisen die aan een ruimtescheiding worden gesteld. De plafonds dienen bij te dragen aan een ‘huiselijke’ uitstraling van het gebouw. Vanzelfsprekend dient door middel van de plafonds ook de akoestiek in de ruimten voldoende te zijn gewaarborgd. Hierbij kan worden gedacht aan een zichtbare constructie, aangevuld met akoestische eilanden ten behoeve van het akoestisch klimaat. In de lesruimten van de onderbouw worden mogelijk verhoogde vides toegepast (speeltoestellen). De plafonds boven deze ruimten dienen geschikt te zijn voor de functie, zodanig dat deze molestbestendig en niet-uitneembaar worden uitgevoerd. In de keuken en sanitaire ruimten dienen de plafonds ook vochtbestendig te zijn. In het gymlokaal dient het plafond, de wanden en de op plafond en wand geplaatste onderdelen balvast te worden uitgevoerd. In bergingen dienen geen plafonds te worden toegepast. Plafondhoogten dienen zoveel als mogelijk gelijk gehouden te worden.
Door het voorkomen van veel verspringing wordt de aanpasbaarheid vergroot. Plafondhoogten minimaal als volgt: Groepsruimten, speel-/leerpleinen: Verkeersruimten: Ondersteunende ruimten (kantoren, spreekkamers): Ontmoetingsruimte en speellokaal:
3,20 m 3,20 m 2,80 m 3,50 m
Bij toepassing van plafondplaten (heeft niet de voorkeur) dient de verdeling zo te zijn dat er geen kleinere stroken gebruikt worden dan een halve plaatmaat. 2.8
Kozijnen, ramen en deuren Draai/kiep kozijndelen dienen zodanig geplaatst te worden dat zij in normale gebruikssituaties geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor de gebruiker, zowel aan de binnen- als buitenzijde. De toegang tot een verblijfsruimte die is gelegen in een toegankelijkheidssector, dient een minimale vrije doorgang te hebben met een hoogte van 2,3 m en een breedte van 0,9 m. De uitvoering van het toe te passen glas dient te worden gekozen overeenkomstig het gestelde in NEN 3567 en NEN 3568. De toepassing van veiligheidsglas dient volgens de NEN 3569 plaats te vinden. In aanvulling op laatstgenoemde norm, dient al het glas tot ca. 2,0 m uitgevoerd te zijn in veiligheidsglas, géén draadglas. Elke verblijfsruimte die grenst aan een buitenwand dient te beschikken over minimaal één door de gebruiker van de ruimte te openen raam, tenzij het openen van ramen niet is
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 23 van 44
toegestaan (bijvoorbeeld in verband met de geluidsbelasting op de gevel). Draairichting van ramen naar binnen op de begane grond ter plaatse van ontmoetingsruimte buiten en paden (i.v.m. letselgevaar). Indien er maatregelen getroffen worden om letselgevaar aan de buitenzijde te voorkomen (bijvoorbeeld een groenstrook), kan er eventueel een naar buiten draaiend element worden toegepast om het netto vloeroppervlak te verhogen. Separate voorzieningen als valbeveiliging dienen voorkomen te worden door toepassing van voldoende hoge borstweringen. De navolgende uitgangspunten dienen in acht te worden genomen: let bij detaillering van openingen in de buitenwanden op inbraakveiligheid; let bij plaatsing van ramen en deuren op het vermijden van omloopgeluid; vermijd zoveel mogelijk tocht en trek in ruimten bij het openen van ramen; vermijd de mogelijkheid voor gebruiker van het gebouw om uit het raam te hangen of te klimmen, bijvoorbeeld door uitvoering als klapraam; maatregelen dienen onderhoudsvriendelijk te worden uitgevoerd; de mechanische bediening van te openen ramen dient traploos te zijn. De inbraakwerendheid van gevelelementen op de begane grond is klasse 3, op overige locaties klasse 2. Deuren voorzien van driepuntssluitingen en ramen voorzien van afsluitbare raambomen/bijzetsloten.
Binnendeuren dienen te worden voorzien van een HPL-afwerking of gelijkwaardig voorzien van een kopkantafwerking om afstoten te voorkomen. Alle binnendeurkozijnen dienen te worden uitgevoerd in hout. De binnen kozijnen worden bij voorbeeld uitgevoerd in blank gelakt afgewerkt of geschilderd hout. Er bestaat een sterke verbinding tussen de klaslokalen en de leerpleinen. De verbinding tussen beide ruimten komt tot uitdrukking in ‘zichtlijnen’ en ‘verbinding’. Bij het ontwerpen van de verbinding tussen beide ruimten dient rekening te worden gehouden met de volgende eisen: De leerkracht moet voldoende zicht hebben op het leerplein en de omliggende ruimten. Zichtlijnen zijn essentieel. De verbinding dient zodanig te zijn dat deze geen afbreuk doet aan de concentratie van leerlingen in het lokaal (niet té open en transparant). Daarnaast mag de verbinding geen afbreuk doen aan sfeer en geborgenheid in het lokaal. Het dient mogelijk te zijn om een open verbinding te realiseren van circa 3,0 meter. De architect dient een voorstel aan te dragen door middel van welke oplossing de verbinding tussen klaslokalen en leerpleinen het meest optimaal (financieel en technisch) kan worden vormgegeven, zodat maximaal recht wordt gedaan aan de het creëren van verbinding en zichtlijnen en waarbij tevens rekening wordt gehouden met functioneel gebruik.
Het speellokaal en de centrale hal dienen zodanig te zijn geschakeld dat deze ruimten kunnen worden gebruikt als één grote ruimte. Voorgeschreven materiaalgebruik buitenkozijnen van ramen: aluminium gepoederd coat. Buitendeuren en toegangsdeuren dienen te worden voorzien van zware kwaliteit kozijnen gericht op intensief gebruik. Materiaalkeuze nader te bepalen.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 24 van 44
Te openen ramen zoveel mogelijk naar binnen draaiend in verband met schoonmaak. Bovenlichten uitvoeren als kiepramen (binnen draaiend). Vanuit de gangen dient goed zicht te zijn op de voorruimten van leerlingtoiletten, door bijvoorbeeld een zijlicht op te nemen in het toegangskozijn. De voorruimte van leerlingtoiletten van de onderbouw dient niet te worden voorzien van een toegangsdeur. Deuren van groepsruimten van de groepen 1/2 en deuren van leerlingtoiletten voorzien van vingerbeveiliging over de volledige deurhoogte, type Ellen Fingersafe 5090 of gelijkwaardig.
Figuur 3: voorbeeld van onderhoudsvriendelijke kozijnen (bamboe kozijnen). Naast toegangsdeuren van leslokalen dienen zichtlijnen te worden gerealiseerd tussen lokaal en leerplein. In tegenstelling tot bovenstaande afbeelding wordt niet gedacht aan standaard deuren, maar aan schuifdeuren of dubbele openslaande deuren, waarmee een grotere open verbinding kan worden gerealiseerd. Beeld: Petra Appelhof.
2.9
Hang- en sluitwerk, sleutelsysteem Hang- en sluitwerk dient zodanig geplaatst te worden dat de kans op inbraak minimaal is en dat binnenruimten zo nodig afsluitbaar zijn. De kwaliteit dient gerelateerd te zijn aan de frequentie en de aard van het gebruik. Draaiende ramen dienen van binnenuit afsluitbaar en bedienbaar te zijn. Zij dienen in geopende stand gefixeerd te kunnen worden. Specifieke eisen aan afsluitbaarheid van ruimten worden gesteld in het Ruimtelijk-Functioneel Programma van Eisen. Tijdens de uitvoering dient met de gebruikers in overleg te worden getreden over de exacte invulling van het sleutelplan. Ten aanzien van de keuze voor het sluitsysteem wordt gedacht aan een sleutelsysteem met gecertificeerde cilinders. Zo veel mogelijk buitendeuren voorzien van blind beslag (geen klinken, cilinders e.d. aan de buitenzijde), waarbij buitensluiten dient te worden voorkomen.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 25 van 44
Bij alle entrees dienen zowel de dubbele toegangsdeuren als de dubbele pendeldeuren vastgezet te kunnen worden. De deurvastzetters dienen geen letsel- of valgevaar voor de gebruikers op te leveren. 2.10 Zonweringsysteem Het gebouw dient rondom en voor alle ramen van verblijfsruimten te beschikken over een zonweringsysteem. Het zonweringsysteem dient op een zo kosten-effectief mogelijke manier te worden uitgevoerd. Het systeem dient te worden uitgevoerd als windbestendige buitenzonwering, type: windvaste zip-screens. De zonwering wordt decentraal (lokaal) elektrisch bediend; er wordt een centraal bedieningstableau nabij de receptie/ de conciërgeruimte aangebracht voor het centraal op en neer kunnen bewegen van de screens ten behoeve van de glasbewassing. Screen-/uitvalschermdoek: klasse 7. De zonwering kan dienen als isolatie en inbraakwering om zo een meerwaarde te leveren aan het gebouw. De zonwering mag geen nadelig effect hebben op de ventilatie. De kleur van de zonwering verdient aandacht i.r.t. de smartborden. Direct zonlicht op de smartborden dient te worden voorkomen. De screens worden voorzien van een automatische regeling per gevel, om opwarming van ruimten voor en na schooltijd zoveel mogelijk te voorkomen. Deze regeling is vanuit de lokalen handmatig te overrulen. Beglazing heeft zontoetredingsfactor (ZTA) ≤ 0,4 en lichttoetredingsfactor (LTA) ≥ 0,75.
Gezien de ambitie om aan te sluiten bij het passiefhuis concept, dient te diepte van de overstekken te worden afgestemd op de mate waarin een gevel zon belastend is. 2.11 Vaste gebouwinrichting Het gebouw dient te worden opgeleverd met de noodzakelijke voorzieningen die tot de vaste inrichting behoren. In de bijlage is de checklist voor vaste gebouwinrichting toegevoegd, die weergeeft aan welke voorzieningen gedacht moet worden. U dient een garderobevoorstel op maat aan te bieden voor een geïntegreerde garderobeoplossing. De kleuterlokalen dienen te worden voorzien van een pantry. Daarnaast dient elk leerplein te worden voorzien van twee pantry’s. 2.12 Beproevingsrapporten De bouwkundig aannemer dient bij oplevering van het gebouw de volgende beproevingsrapporten te overhandigen, waaruit blijkt dat de onderdelen voldoen aan de gestelde eisen: passiefhuistest, namelijk de blowerdoortest, type B en A óf een ultragrafie test, die moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd ultrasoon inspecteur; een uitgebreide thermografische test inclusief (warmtebeeld)rapportage; meetrapport geluid intern; meetrapport geluidsoverspraak.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 26 van 44
3
Omschrijving werktuigbouwkundige installaties
De werktuigbouwkundige installatie van het gebouw en terrein behandelt de volgende elementen: algemene uitgangspunten voor het ontwerp; waterafvoerinstallatie (riolering); wateraanvoerinstallatie; sanitaire toestellen; verwarmingsinstallatie; ventilatie-/luchtbehandelingsinstallatie; brandblusinstallatie; meet- en regelinstallatie. Het monitoren na oplevering is van groot belang om de prestaties van de installaties in relatie tot energiebeheer te beheersen. In het algemeen kan gesteld worden dat de partij (aannemer, neven- of onderaannemer) niet per definitie het onderhoud zal uitvoeren na de garantieperiode van de onderhoudstermijn. Voor de werktuigbouwkundige installatie geldt een onderhoudstermijn na oplevering van twee jaar. Voor oplevering dient betreffende partij een geheel vrijblijvende offerte te verstrekken aan de directie van de school. Na afloop van de onderhoudstermijn dient het gebouw overgedragen te worden, na goedkeuring van de stichting, aan de onderhoudscontractant. Na afloop van de onderhoudstermijn dient de functionaliteit van de installatie door de installateur op nader te bepalen onderdelen te worden aangetoond, welke door de adviseur in het bestek worden omschreven. 3.1
Algemene uitgangspunten voor het ontwerp Bij het ontwerp van de werktuigbouwkundige installaties wordt uitvoering gegeven aan de eerder genoemde en nader genoemde prestatie-eisen op gebouwniveau ten aanzien van energieverbruik, geluid, (productie en overdracht), gebruikskwaliteit (compartimentering en individuele meting), beheer en exploitatie en toekomstgerichtheid (o.a. over dimensionering, voorzieningen en flexibiliteit). De installaties dienen zo uniform en flexibel mogelijk te worden ontworpen, zodanig dat later wijzigingen en/of uitbreidingen met minimaal mogelijke kosten kunnen worden gerealiseerd. In verband met onderhoud dienen de technische ruimten, opstellingen van technische apparaten en schachten zodanig te zijn geprojecteerd dat deze goed bereikbaar zijn voor technisch onderhoud en/of schoonmaak onderhoud. Op voldoende plaatsen goed bereikbare inspectieopeningen situeren voor controle op inwendige vervuilingen.
3.2
Waterafvoerinstallaties (riolering) Hemelwaterafvoer Het hemelwater dat zich verzamelt op de daken en terreinen van het gebouw, wordt gebruikelijk op gecontroleerde wijze middels een gescheiden rioleringsstelsel afgevoerd, zonder daarbij hinder te veroorzaken. De afvoer van water dient via een verzamelleiding te worden aangelegd door de aannemer (hemelwater en afvalwater gescheiden aanbieden). Nog controleren: stelt de gemeente Doetinchem eisen aan de hoeveelheid
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 27 van 44
water dat op eigen terrein moet worden afgevoerd? De leidingen dienen conform de richtlijnen van de gemeente Doetinchem worden aangesloten. Uitgangspunt voor de kwaliteit is NEN 35. Leidingen dienen inpandig te worden geïsoleerd om condensvorming te voorkomen en om geluid te weren (loodfolie). Indien van toepassing, hemelwaterafvoeren aan de gevel zo veel mogelijk vermijden tenzij vlak gedetailleerd met gevel (vandalismebestendig en slecht te beklimmen). Uit oogpunt van onderhoud, thermisch verzinkte leidingen toepassen over de volledige hoogte. Binnen- en buitenriolering Het gebouw dient te worden voorzien van een leidingenstelsel dat geschikt is voor de afvoer van, middels lozingstoestellen afgevoerd, vuil drinkwater en fecaliën op het openbaar riool. Het stelsel dient binnen voorzien te worden van de benodigde ontspanningsleidingen, ontstoppings- en expansiestukken en buiten voorzien te worden van controleputten en ontstoppingsstukken. Onderhoud aan het leidingenstelsel dient eenvoudig plaats te kunnen vinden, zonder overlast voor gebruikers. Materiaal voor de leidingen in het gebouw dienen te zijn uitgevoerd in PE met spiegellasverbindingen. 3.3
Wateraanvoerinstallaties Drinkwateraanvoerinstallatie Er dient voorzien te worden in een leidingenstelsel dat zorgt voor voldoende drinkwateraanvoer op plaatsen waar dit uit oogpunt van gebruik, hygiëne of veiligheid gewenst is. Het stelsel dient aangesloten te zijn op het openbaar distributienet en aftapbare aansluitpunten, ten behoeve van het bedienen van drinkwateraanvoer. Deze aansluitpunten dienen aanwezig te zijn op plaatsen waar waterverbruiktoestellen zich bevinden. De installatie dient te voldoen aan NEN 1006 AVWI. Koudwaterleidingen in koele omgeving positioneren, voorkomen van langdurige opwarming bij stilstand (niet in afwerkvloer of tussen plafond en dak, bij voorkeur in kruipruimte (indien aanwezig). Het einde van een leidingtracé is zo ontworpen dat zich daar een veelgebruikt tappunt bevindt. Warmwateraanvoerinstallatie In het gebouw dient op plaatsen waar dit uit oogpunt van gebruik of comfort gewenst is, van warm drinkwatertoevoer te zijn voorzien. Plaatsen waar in ieder geval warm drinkwater getapt dient te kunnen worden zijn de groepsruimten voor kleuters, keuken/pantry’s en de werkkasten. De thermostaatkranen in de leslokalen (kleuters) dienen te worden voorzien van temperatuurbegrenzers. De installatie dient voorts te voldoen aan NEN 1006 AVWI. Verder dient de centrale keuken te worden voorzien van een cooker. Waterleiding t.b.v.
blusinstallaties Ten behoeve van de aanvoer van water naar waterblusapparaten dient een waterleiding te worden voorzien van voldoende capaciteit. Deze dient tevens te voldoen aan de wettelijke eisen die de gemeentelijke brandweer stelt. Waterleiding t.b.v. wasmachineaansluiting In de keuken of indien van toepassing een nader aan te wijzen ruimte, dienen diverse aansluitingen opgenomen te worden voor onder andere een wasmachine en wasdroger. Hiermee worden geen afgedopte leidingen bedoeld maar gebruiksklare aansluitingen (bijvoorbeeld een wasmachinekraan). Dit geldt ook voor (pantry) koffieapparaten en vaatwasser aansluitingen (in de keuken).
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 28 van 44
Buitenaansluiting Er dienen vorstbestendige buitenkranen te worden opgenomen. Ter plaatse van de kleuterlokalen dienen wateraansluitingen te worden gerealiseerd, die op voldoende afstand van buitendeuren wordt geplaatst (i.v.m. het naar binnenlopen van vuil). De kranen mogen worden gecombineerd, zodat bijvoorbeeld per twee lokalen één kraan wordt gerealiseerd. Daarnaast dient op het plein van de bovenbouw ten minste 1 kraan te worden toegepast. De buitenkranen dienen zodanig te worden gepositioneerd dat deze geen obstakel of gevaar vormen voor spelende kinderen. De buitenkranen zijn alleen te bedienen middels sleutel. 3.4
Sanitaire toestellen Toiletvoorzieningen Verspreid door het hele gebouw dienen toilettoestellen te worden aangebracht. Voor mannen en vrouwen enerzijds en voor leerlingen en docenten anderzijds dienen deze in aparte ruimten te worden gerealiseerd. Mindervalide leerlingen en bezoekers moeten gebruik kunnen maken van de daarvoor geschikte toiletruimte(n). Toiletpotten moeten vrijhangend worden gesitueerd in afsluitbare cabines, waarin tevens sanitair garnituur is aangebracht. De voorzetwand t.b.v. het inbouwreservoir tot boven plafond doortrekken. Het inbouwreservoir t.b.v. de toiletten v.v. handbediening met waterbesparingsmogelijkheid. Alle sanitaire tussenwandjes van leerlingtoiletten dienen vrijhangend te worden uitgevoerd. Ten behoeve van de onderbouw dient een separaat toilet te worden voorzien, die vanaf het terrein toegankelijk is. Zie onderstaande afbeelding ter illustratie. In tegenstelling tot hetgeen op de afbeelding is weergegeven, dient er geen drinkwaterkraan in de voorruimte van het buitentoilet te worden voorzien, maar twee drinkwaterkranen op het terrein.
Figuur 3: voor de onderbouw dient een separaat toilet te worden voorzien, die vanuit de buitenruimte toegankelijk is. Afbeelding: Eben Haëzerschool te Apeldoorn.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 29 van 44
Vermijd geluidsoverlast van de installaties, toestellen en de bijbehorende aan- en afvoerleidingen. Sanitaire toestellen dienen zwevend te worden uitgevoerd in verband met schoonmaak. Toiletbrillen dienen te worden voorzien van soft close sluitingen. In natte ruimten zo min mogelijk chroomwerk toepassen. In toiletten geen radiatoren toepassen. Voor het personeel dient een douchegelegenheid te worden voorzien met thermostatische mengkraan, doucheput en wastafel. Deze voorziening kan worden gecombineerd met het invalidetoilet. Was- en spoelvoorzieningen Uitgangspunt voor het kwaliteitsniveau is uitvoering in porselein. Dit geldt ook voor de uitstortgootstenen. 3.5
Verwarming
3.5.1 Warmteopwekking (betonkernactivering/warmtepomp combineren) De warmteopwekking dient plaats te vinden door middel van een zo duurzaam mogelijke installatie binnen de afgestelde exploitatie en comfortnormen. Een gasloze warmteopwekker is een vereiste. De verwarmingsinstallatie dient te worden ontworpen conform de van toepassing zijnde NEN-normen. 3.5.2 Ruimtetemperaturen De minimum te behalen binnenluchttemperaturen op 0,75 m boven de vloer bedragen in de wintersituatie bij een buitentemperatuur van -10C en een windsnelheid van 5 m-1/s: Ruimte: Temp. in °C o verblijfsruimten, groepsruimten, kantoren, speel20-24 (regelbaar) /leerpleinen o overige verblijfsruimten/aula en kantine 20-24 (regelbaar) o entrees, gangen, wachtruimten, toiletten, 18 reproruimten o trappenhuizen, bergruimten o technische ruimten
15 winter: > = 5 °C zomer: < = 26 °C
3.5.3 Verticale temperatuurgradiënt In verticale richting mag er een afwijking zijn van de genoemde waarden van niet meer dan 2 K/m in het leefgebied tussen 0,5 en 2,0 m vanaf de afgewerkte begane grondvloer. 3.5.4 Behaaglijkheid a. De temperatuur mag 5% van de verblijfstijd tot 2 °C en 1% van de verblijfstijd met 2 °C of meer worden onderschreden. b. Uitgangspunt is dat het gebouw zodanig wordt ontworpen dat zonder koeling aan de eis kan worden voldaan. Een temperatuur van 25 °C of hoger mag niet meer dan 5% van de verblijfstijd worden overschreden; een temperatuur van 28 °C of hoger mag niet meer dan 1% van de verblijfstijd worden overschreden.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 30 van 44
3.5.5 Warmtedistributie/-verdeling Voor de distributie van warmte-energie dient het gebouw te kunnen worden opgedeeld in gebruiksclusters. Hierbij dient rekening te worden gehouden met gebruik van delen van het gebouw in de avonduren en het weekend. In verband met de flexibiliteit dienen per gebruikscluster meters te worden aangebracht. Er dienen geen radiatoren te worden toegepast i.v.m. schoonmaak en flexibiliteit van het gebruik van de ruimte. Temperaturen in de verblijfsruimten moeten per ruimte geregeld kunnen worden. Er dient rekening te worden gehouden met uitbreiding van de installatie. Ook dient rekening te worden gehouden met flexibele indeelbaarheid van ruimten en mogelijk met weersafhankelijk geregelde groepen en een tijdoptimaliseringssysteem, gekoppeld op het GBS. De software en het protocol van het volledige GBS dient vrij beschikbaar te worden gesteld aan de opdrachtgever. 3.6
Luchtbehandelingsinstallaties Mechanische ventilatie en afzuiging Aan de gestelde eisen met betrekking tot ventilatie, zoals beschreven in het document ‘Frisse Scholen 2015’ en zoals weergegeven in paragraaf 1.7, dient te worden voldaan. De ventilatievoorziening dient gesegmenteerd te worden uitgevoerd op basis van functie en gebruikstijden. Per functie en/of cluster bij voorkeur een separaat luchtbehandelingssysteem. Groepsruimten; Ontmoetingsruimte; Algemeen; Kantoren; Toiletgroepen. Het luchtbehandelingssysteem dient als een gebalanceerd systeem met WTW (bijvoorbeeld kruisstroomwisselaar), verwarmingsbatterij en op basis van CO2concentratie aansturing te worden uitgevoerd. De filters in de toevoer van een hogere filterklasse, conform de richtlijnen uit de norm NEN-EN 133779. Dit impliceert op deze locatie minimaal een tweetrapsfiltering met een F5 voor de WTW en een F9 na de WTW. Er mag geen sprake zijn van recirculatie. Het luchtbehandelingssysteem dient te worden voorzien van een lege koelsectie voor aanvulling in het toekomstig gebruik (in geval van luchtkoeling). De aanzuigroosters mogen zich niet in de nabijheid van luchtverontreinigende bronnen bevinden. De mechanische ventilatie koppelen aan de gebouwautomatisering. De toevoer roosters dienen geschikt te zijn voor het inblazen van gekoelde en verwarmde lucht.
Toevoer roosters dienen te zijn voorzien van volume regelaar en instelmogelijkheden voor het aanpassen van het inblaaspatroon. De ventilatie-/luchtbehandelingsinstallatie, dient op basis van CO2-melding (CO2 max. 800 PPM, klasse A) automatisch gestuurd te worden in combinatie met de aanwezigheidsmelders via het GBS. De gewenste luchthoeveelheden sturen middels VAV-systeem (Variabele Volume systeem). Aanwezigheidsmelders koppelen aan inbraakalarminstallatie en het GBS. De ventilatie-installatie dient de mogelijkheid te hebben (voor toekomstig gebruik) om ingezet te kunnen worden om te koelen.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 31 van 44
De gehele ventilatie-installatie dient vier maanden na oplevering en ten minste drie maanden na ingebruikname van de installatie, door een onafhankelijk bureau te worden gecontroleerd op: de lucht hoeveelheden; snelheden; geluidproductie; temperaturen in het stookseizoen en in de zomer; CO2-concentratie. De controle dient plaats te vinden op basis van de ontwerpuitgangspunten. Deze bevindingen dienen te worden vastgelegd in een rapportage. De rapportage dient aan de opdrachtgever te worden verstrekt. Tevens worden eisen gesteld aan monitoring. CO 2concentraties en temperaturen dienen ten minste één jaar opgeslagen te worden. 3.7
Koeling Het gebouw dient te worden voorzien van passieve of actieve koeling (zie toelichting cahier Frisse Scholen). Het type koelsysteem dient in de ontwerpfase te worden bepaald. Aanvullend wordt gedacht aan toepassing van nachtventilatie. De toevoerluchtkanalen dienen te zijn geïsoleerd ter voorbereiding op eventuele koeling middels het ventilatiesysteem.
3.8
Brandblusvoorzieningen Het gebouw dient te beschikken over de brandblusvoorzieningen die noodzakelijk zijn uit oogpunt van brandveiligheid, conform wettelijke eisen en brandweereisen. Aanvullende eisen kunnen door de verzekeringsmaatschappijen van de gebruikers gesteld worden. Deze dienen opgevraagd te worden bij bovengenoemde instanties. Brandslanghaspelkasten dienen geïntegreerd te worden in wanden. Voorzijde kast/deur vlak aan de wand. De handmelders integreren in de brandslanghaspelkasten. Draagbare blustoestellen dienen daar waar noodzakelijk te worden gecombineerd in de brandslanghaspelkasten.
3.9
Meet- en regelinstallaties A. Regelingen dienen per gebouwdeel en/of gebouwfunctie in regelblokken te worden opgedeeld. Deze regelblokken dienen tevens lokaal bedienbaar te zijn. Met name dient rekening te worden gehouden met delen van het gebouw die buiten de schooluren in gebruik zijn. De installatie dient op afstand regelbaar te zijn. B. De volgende delen van het gebouw moeten in elk geval apart geregeld kunnen worden: groepsruimten; algemeen gedeelte; ontmoetingsruimte; kantoorgedeelte; toiletten. C. De mogelijkheden en economische haalbaarheid van een volledig Gebouwbeheerssysteem (GBS/Domotica, Priva of gelijkwaardig) dienen te worden onderzocht. Hierbij moet gedacht worden aan een multifunctioneel systeem, dat integraal moet kunnen worden toegepast en modulair van opbouw is. De door het GBS uit te voeren taken zijn in hoofdzaak: bewaking van installaties door melding, presentatie en registratie van alarmen, storingen, statusmeldingen, paraatmeldingen, bedrijfsmeldingen, bedrijfsurentelling, metingen, grenswaardemeldingen en verbruiksmetingen. Storingsmeldingen dienen direct zichtbaar te zijn, bijvoorbeeld voor de
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 32 van 44
conciërge/gebouwbeheerder. Zowel de werktuigbouwkundige als de elektrische installaties kunnen op het GBS worden aangesloten. Het softwareprotocol en de onderhoudssleutels en/of code dient vrij beschikbaar te worden gesteld aan de schooldirectie. 3.10 Beproevingsrapporten De werktuigbouwkundig aannemer dient bij oplevering van het gebouw de volgende beproevingsrapporten te overhandigen, waaruit blijkt dat de onderdelen voldoen aan de gestelde eisen. Controlerapport op dichtheid buitenriolering, dakgoten en HWA en binnenriolering; Afpersrapportage leidingen (waterinstallatie); Inregelstaten (waterinstallaties); Inbedrijfstellingsrapportage drukverhoging (waterinstallaties); Spoelen waterleidingen (minimaal 1 uur); Waterbemonstering en doorgeven testresultaten; Afpersrapportage leidingen (verwarmingsinstallatie); Inregelrapport (verwarmingsinstallatie); Inbedrijfstellingsrapportage warmteopwekker; Rapportage lektest kanalen (ventilatie- en luchtbehandeling); Inbedrijfstellingsrapportage luchtbehandelingskasten; Inregelrapport (ventilatie- en luchtbehandeling); Afpersrapportage leidingen (koelinstallatie); Inbedrijfstellingsrapportage koelapparaten; Inregelrapport (koelinstallatie).
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 33 van 44
4
Omschrijving elektrotechnische installaties
4.1
Stroomvoorziening Verdeelinrichting Het gebouw dient te zijn voorzien van een stroomvoorzieningsinstallatie die zodanig is ontworpen dat zij geschikt is voor het storingsvrij en doelmatig voeden, schakelen en bedienen van alle in het gebouw aanwezige elektrische apparaten, machines en installaties. De elektrische installatie moet voldoen aan de aansluitvoorwaarden, welke zijn opgenomen in de NEN 1010. Het ontwerp voor de energievoorziening van het totale gebouw dient zodanig te zijn dat op efficiënte en overzichtelijke wijze vanuit één of meerdere hoofdverdeelinrichtingen via onderverdeelinrichtingen de elektrische energie naar de installaties, de machines en de apparaten wordt gebracht. Het ontstaan van schadelijke invloeden van elektrische wisselvelden op de gebruiker van het gebouw dient te worden vermeden. Waar dit vanuit het gebruik gewenst is, dienen de onderverdeelinrichtingen te worden voorzien van een mogelijkheid tot stroomonderbreking in de vorm van een aardlekschakelaar, dan wel een noodstop bij machines die te hanteren is bij calamiteiten. De stroomvoorziening dient ten behoeve van kracht en licht op afzonderlijke groepen te zijn aangesloten. De verdeelinrichting koppelen aan het gebouwbeheerssysteem.
De capaciteit van de nominale stroom van de hoofdverdeling dient te worden bepaald, rekening houdende met de hierna omschreven maximaal gelijktijdig optredende belasting: - verlichting: 70% van het voor verlichting geïnstalleerde vermogen; - kracht: 30% van het geïnstalleerde vermogen; - warmte: 60% van het geïnstalleerde vermogen; - computers en kantoorapparatuur: 75% van het geïnstalleerd vermogen. De voorziening dient bij oplevering een overcapaciteit te bezitten van 20%. Aansluitpunten elektra Het aantal aansluitpunten voor energievoeding in het gebouw dient van zodanige omvang te zijn, dat alle vast geïnstalleerde elektronische installaties en machines van stroom met de juiste spanning worden voorzien. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik. Wandcontactdozen met afgeronde hoeken dienen te worden toegepast. De leslokalen dienen ten minste te worden uitgerust met 6 dubbele wandcontactdozen in de wand. In verband met esthetica wordt het gebouw bij voorkeur niet uitgerust met kabelgoten. In gangen dient één wandcontactdoos per 20 m¹ aangebracht te worden. Indien van toepassing dient een stroomvoorziening van 400 volt (krachtstroom) te worden gerealiseerd.
De plaats van contactdozen mag geen belemmering vormen bij de inrichting van ruimten en dient in overleg met de gebruiker te worden bepaald.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 34 van 44
Houd rekening met voldoende buitenaansluitingen voor wandcontactdozen. In elk geval dient per kleuterlokaal één aansluiting te worden voorzien. 4.2
Verlichtingsinstallatie Lichtinstallatie De kunstlichtinstallatie in het gebouw dient zodanig te zijn dat in elke ruimte bij elk daglichtniveau een verlichtingssituatie te realiseren is, die een optimum vormt uit oogpunt van gebruik en energiezuinigheid (daglichtafhankelijke lichtregeling). De vereiste verlichtingssterkte is 500 lux. Zowel de verlichting als de zonwering dient handmatig door de leerkracht te zijn bedienen (de regie bij de leerkracht laten). Bij voorkeur wordt verlichting, zonwering, ventilatie e.d. per ruimte gestuurd vanaf één centraal paneel. In het hele gebouw dient ledverlichting te worden toegepast. Aan de gevelzijden dienen de armaturen te worden voorzien van daglichtregeling. In toiletten en gangen worden bewegingsmelders opgenomen. De verlichting in toiletruimten dient te worden geschakeld op bewegingsmelders. De kleurtemperatuur van het licht dient in nader overleg te worden bepaald (3000 graden Kelvin, warmwit, of 4000 graden Kelvin, helderwit). Ten behoeve van een goede kleurwaarneming dient de kleur-weergave-index Ra van de lampen in het hele gebouw minimaal 80 te zijn. In ruimten voor klassikaal onderwijs, in werk- en studieruimten en vergader-ruimten zijn afgeschermde armaturen vereist. Zoveel als mogelijk dienen hoge opbrengst-armaturen te worden aangebracht. In het gymlokaal dienen balvaste armaturen te worden toegepast.
De volgende uitgangspunten dienen in acht te worden genomen: - verdeel armaturen gelijkmatig over de ruimte; - kies armaturen die eenvoudig te reinigen zijn; - bevestig armaturen op plaatsen waar onderhoud eenvoudig is; - plaats de armaturen zo, dat er geen sociaal onveilige school ontstaat. In de onderwijsruimten en in de teamkamer dient het kunstlicht regel- en dimbaar te zijn. In de ontwerpfase dient door de installatieadviseur te worden onderzocht in hoeverre de toepassing van het Philips Schoolvision concept technisch en financieel haalbaar is. Ten behoeve van sfeerverlichting, dienen boven de plafonds in de hal, teamkamer en op leerpleinen contactdozen te worden opgenomen. Schakelinrichting van de verlichting In groepsruimten dient de verlichting in twee groepen geschakeld te kunnen worden. In ruimten groter dan 50 m² dient de mogelijkheid te bestaan om slechts een deel van de verlichting te schakelen, gerelateerd aan een logisch gebruik van de ruimten. Het dient mogelijk te zijn om vanuit een centrale post groepen op een eenvoudige wijze te schakelen. De verlichtingsinstallatie dient te zijn gekoppeld aan het gebouwbeheerssysteem. Van daaruit dient de verlichting van het gebouw per gebruiker in- en uitgeschakeld te kunnen worden. In de ontmoetingsruimte, de gymzaal en de personeelsruimte dient de verlichting dimbaar te worden uitgevoerd.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 35 van 44
Noodverlichting Er dient een eenvoudige noodverlichtingsinstallatie aanwezig te zijn. Noodverlichting zo veel mogelijk integreren in de ‘normale’ armaturen. 4.3
Communicatie installaties In het ontwerpproces dient onderzocht te worden op welke wijze de verschillende communicatie installaties zo efficiënt mogelijk kunnen worden gecombineerd. Telefooninstallatie De telefooninstallatie functioneert middels de data-installatie. Er behoeft geen separate bekabeling te worden aangebracht. Data-installatie In het gebouw dienen vanuit een centrale beheerpost leidingen te worden aangebracht voor het realiseren van een datacommunicatienet ten behoeve van een computernetwerk. Iedere gebruiker heeft een eigen zone. Aansluitingen voorzien op internet en eigen netwerk gebruiker. Datanetwerk door het hele gebouw kan gebruikt worden voor communicatiesignalen voor diverse doeleinden: telefoon, data/internet, beveiliging, gebouwbeheer, klimaatbeheer, e.d. Hierbij dient een universeel systeem te worden toegepast met een centrale schakelmogelijkheid (patchkast), voor het maken van de keuze welk signaal waar naartoe gaat. De data-installatie dient te worden gekoppeld aan het gebouwbeheerssysteem. De glasvezelaansluiting dient minimaal tot aan de centrale meterkast te worden gelegd. Netwerk uitleggen voor grotere bandbreedte (CAT 6a). Leidingwerk in toegankelijke (geïntegreerde) wandgoten. Elke leerruimte dient te worden voorzien van voorzieningen voor het aansluiten van audiovisuele middelen (beeld en geluid).