Bijlage 1 Bijlage bij projectplan - B. Programma van Eisen nieuwbouw Wilhelminaschool.pdf
Tekst van het document
De school zal in de nieuwbouw gebruik gaan maken van smartborden. De betreffende ruimten dienen te worden voorzien van HDMI-aansluitpunten. De eventuele keuze voor één centrale patchkast voor alle gebruikers dient nader te worden uitgewerkt. De data-installatie (kabels en patchkast) dient gecertificeerd te worden opgeleverd. Pc-aansluitingen (inclusief voeding) dienen ook te worden gerealiseerd voor werkplekken in verkeersruimten, medewerkersruimte, kantoren, kopieer-/scanapparaat e.d. Bediening in alle ruimten moet mogelijk zijn om de geautomatiseerde instellingen van de installaties te overrulen. Daarnaast dienen voldoende accespoints voorbereid te worden om een goede wifi-dekking door het gehele gebouw te kunnen garanderen. Dit dient aangetoond te worden door middel van een site-survey. Het voorlopige uitgangspunt is dat in elke ruimte boven het plafond een aansluiting voor wifi dient te worden voorzien. Er is een principiële keuze gemaakt voor wifi, waarmee het bekabelde deel van de overige installaties tot een minimum beperkt dient te worden (telefoon, kopieerapparaten en vaste pc-opstellingen). Het gebouw dient te worden uitgerust met glasvezel. Geluidsversterkingsinstallatie Waar dit vanuit het gebruik gewenst is, dient het gebouw te worden voorzien van leidingen ten behoeve van het aanbrengen van een geluidsversterkingsinstallatie.
De leidingen dienen in elk geval te worden aangebracht in de ontmoetingsruimte en het speellokaal dienen geschikt te zijn om een audio-, HDMI- en datakabel door te leggen. In deze ruimte dient een logische plek voor de bediening gekozen te worden.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 36 van 44
Inbraakdetectie-installatie Het gebouw dient voorzien te worden van een systeem ten behoeve van inbraakdetectie. Voorts dienen ten behoeve van ruimten die door hun ligging, bereikbaarheid van buitenaf en door de aanwezige inventaris als inbraakgevoelig aangemerkt kunnen worden, aanvullende inbraakdetectievoorzieningen aangebracht te worden. Dit wordt gerealiseerd door bewegingsmelders en/of door inbraakdetectie bij gevelopeningen (standcontacten en schootsignalering op ramen en deuren). Bij gedetecteerde inbraak dient melding mogelijk te zijn bij een beveiligingsinstantie. Bij detectie van inbraak dient voorts een signaal in het gebouw hoorbaar te zijn. De inbraakdetectie-installatie dient te worden gekoppeld aan het gebouwbeheerssysteem (automatische schakeling van de ventilatie en van elektrische sloten). Brandmeldinstallatie Er dient een automatische inschakeling plaats te vinden van de ontruimingsinstallatie. De brandmeldinstallatie koppelen aan het gebouwbeheerssysteem. Uitgangspunt is het voorzien van handbrandmelders op centrale plaatsen in het gebouw en in de directe nabijheid van brandbestrijdingsmiddelen. Bij melding dient op één centrale beheerpost in het gebouw een hoorbaar en zichtbaar signaal gegeven te worden. Tevens dient de locatie van de melding op een door de brandweer aan te geven plaats schematisch te worden weergegeven.
De ventilatie-installatie dient in geval van brand uit te schakelen. Zowel in de ontwerp- als in de uitvoeringsfase dient een Programma van Eisen van de brandmeld- en ontruimingsinstallatie te worden opgesteld. In de ontwerpfase wordt het PvE opgesteld door de elektrotechnisch adviseur en in de uitvoeringsfase door de elektrotechnisch aannemer. Storingssignaleringsinstallatie Er dient een installatie te worden gerealiseerd waarmee storingen in installaties voor ventilatie/verwarming worden aangegeven in een centrale beheerpost. De storingssignaleringsinstallatie koppelen aan het gebouwbeheerssysteem. Lestijdsignalering Het gebouw zal worden voorzien van een installatie voor lestijdsignalering. Camerabewaking De hoekpunten van het gebouw dienen te worden voorzien van camerabewaking, zodanig dat de camera’s het gehele terrein in beeld brengen. 4.4
Overspanningsinstallatie Ten behoeve van de beveiliging van machines en installaties tegen overspanning, dient een centrale overspanningsbeveiliging en een fijn beveiliging te worden aangebracht.
4.5
Transportinstallaties Een liftvoorziening voor personenvervoer dient in het gebouw te worden voorzien. Houd daarbij rekening met de compartimentering en de mogelijke afwezigheid van een gebruiker. De lift dient geschikt te zijn voor incidenteel goederentransport (maximaal 500kg.) De lift dient te worden voorzien van een voldoende transparante deur. De lift dient voorzien te zijn van een sleutelschakelaar. Deze sleutelschakelaar dient op de deuren van de lift te zijn aangebracht, zodat de lift niet ongewenst betreden kan worden.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 37 van 44
4.6
Monitor gebouwprestaties Op een centrale locatie in het gebouw dient een scherm geplaatst te worden. Op dit scherm dienen de gebouwprestaties van het gebouw op een educatieve manier inzichtelijk te worden gemaakt (opbrengst pv-panelen, verbruik van het gebouw, etc.). Daarnaast dienen de gebouwprestaties op eenvoudige wijze voor gebruikers via een applicatie inzichtelijk gemaakt te worden. De benodigde software hiervoor dient door de aannemer te worden geleverd. Het scherm zal niet alleen worden gebruikt voor het presenteren van gebouwprestaties, maar ook worden ingezet voor mededelingen.
4.7
Onderhoudstermijn Voor de elektrotechnische installatie geldt een onderhoudstermijn na oplevering van twee jaren. Na afloop van de onderhoudstermijn dient het gebouw overgedragen te worden, na goedkeuring van de stichting, aan de onderhoudscontractant. Na afloop van de onderhoudstermijn dient de functionaliteit van de installatie door de installateur op nader te bepalen onderdelen te worden aangetoond, welke door de adviseur in het bestek worden omschreven.
4.8
Beproevingsrapporten De elektrotechnisch aannemer dient bij oplevering van het gebouw de volgende beproevingsrapporten te overhandigen, waaruit blijkt dat de onderdelen voldoen aan de gestelde eisen. Rapportage IO-check (regelinstallatie); Meetrapporten kopstaarttesten (regelinstallatie); Conformiteitsverklaring NEN 1010 (deel 6 zonder restpunten); Testrapportage communicatie- en beveiligingsinstallatie; Inbedrijfstellingsrapportages data-, bel-, brand-, inbraak- en lestijdinstallatie.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 38 van 44
5
Terrein
5.1
Algemeen Een deel van het niet bebouwde oppervlak dient voorzien te zijn van een steenachtige verharding die een adequate afvoer van hemelwater naar het infiltratiestelsel garandeert. De bestrating dient goed begaanbaar te zijn en geen onnodig gevaar op te leveren voor de specifieke gebruikersgroep. De verharding is niet geschikt voor auto-/vrachtverkeer. Er dient wel rekening gehouden te worden met een berijdbare strook van de toegang tot het terrein naar de entree(s). Deze strook moet geschikt zijn voor middelzwaar vrachtverkeer. Ten aanzien van de bestrating dient rekening te worden met de opstelplek van de bluswagen. In verband met subsidieregeling, dient maximaal 50% van het schoolplein als verhard terrein te worden uitgevoerd. Er dient voldoende afstand te zijn tussen de gevel en een eventueel plantsoen; dit in verband met het veilig kunnen plaatsen van ladders. In dit kader dient langs het gehele gebouw een verhardingsstrook opgenomen te worden, zodat ladders veilig geplaatst kunnen worden en de ramen goed gewassen kunnen worden. Echter dient ook rekening te worden gehouden met een natuurlijke overgang tussen het plein en de gevel, zodat een ‘harde’ overgang tussen beiden wordt voorkomen. Daarnaast moet er een verharde fietsenstalling worden aangelegd voor kinderen, medewerkers en bezoek.
De fietsenstalling voor het personeel dient gescheiden, overkapt en afgesloten te kunnen worden van de fietsenstalling van de leerlingen en bezoekers. De fietsenstallingen mogen niet op het schoolplein gesitueerd worden. De uitvoering van de overkapping van de fietsenstalling is sober en doelmatig. Er dient zorg voor te worden gedragen dat het gebouw via veilige ontsluitingswegen te bereiken is. De ontwerper(s) dienen hiertoe in overleg te treden met de hulpdiensten. De wegen naar het gebouw dienen derhalve een verhard stroef wegdek te hebben. Directe niveauverschillen dienen niet groter gemaakt te worden dan 20 mm. Een markering tussen fietsverkeer en schoolplein dient duidelijk aanwezig te zijn. Gedacht wordt om meerdere ingangen te realiseren ten behoeve van de spreiding van de leerlingenstromen. Uit oogpunt van veiligheid dienen geen gezichtsbelemmerende beplanting en omheining tussen omgeving en het gebouw geplaatst te worden. Vanuit het gebouw moet er zicht zijn op de buitenruimten.
5.2
Groenvoorziening Het terrein heeft een groene uitstraling en op het terrein worden natuurlijke materialen toegepast. Het is wenselijk om met behulp van ‘groen’ natuurlijke schaduwplekken te creëren. De definitieve inrichting van het plein dient in overleg met de opdrachtgever (en indien van toepassing de gemeente) te worden vastgesteld. De beplanting dient te worden bepaald in overleg met de gebruiker. Giftige plantsoorten dienen te worden vermeden.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 39 van 44
5.3
Vaste terreininrichting In overleg met de gebruikers dient nadere invulling van de terreininrichting plaats te vinden. Onder vaste terreininrichting wordt ten minste verstaan: stallingsvoorzieningen fietsen voor leerlingen, uitvoering: voldoende brede fietsaanleunbeugels, geen rekken, zodat vallende fietsen binnen de hekken vallen.; stallingsvoorzieningen fietsen voor personeel in een overdekte stalling, uitvoering: fietsaanleunbeugels, geen rekken; ruimtelijke reservering voor afvalcontainers in de overdekte én afsluitbare fietsenstalling voor personeel; zandbakken, voorzien van drainage, speelzand en afdekking; speeltoestellen.
5.4
Omheiningen De afzonderlijke speelterreinen dienen van een groene, natuurlijke omheining, met daarin een geïntegreerde paneelafrastering voorzien te worden. Tussen het onder- en bovenbouwplein dient een fysieke scheiding te worden aangebracht. De volgende hekwerken en poorten dienen te worden voorzien (handbediening): - entreepoort(en) openbare ruimte – speelplein(en); - koppelpoorten tussen de verschillende pleinen van gebruikers/functionaliteiten.
5.5
Terreinverlichting Uit oogpunt van inbraak- en vandalismepreventie dient op eenvoudige wijze en op een beperkt aantal plaatsen waakverlichting te worden geïnstalleerd op het bijbehorende terrein, die centraal en/of via een tijdklok en/of via een schemerschakeling te schakelen is. De waakverlichting dient te worden gekoppeld aan het gebouwbeheerssysteem. Waakverlichting dient bewegingsgestuurd te zijn, zodat het tevens als schrikverlichting dient. Armaturen vandaalbestendig uitvoeren en op vandaalbestendige hoogte.
5.6
Buitenbergingen De buitenbergingen zijn zo mogelijk geïntegreerd in het gebouw. De bestaande vrijstaande buitenberging dient gehouden te blijven.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 40 van 44
Bijlage 1: Checklist gebouwvoorzieningen Onderstaande lijst geeft geen overzicht van de opgenomen voorzieningen, maar een demarcatie van de kosten wanneer deze voorzieningen worden opgenomen. B = Basisvoorziening (voor rekening inschrijver) I = Inrichting (voor rekening gebruiker) O = Optioneel (financiering afhankelijk van vraagstelling) Onderdeel Bouwkundige voorzieningen Buitenwanden en buitenwandafwerkingen Anti-graffiti coating Voorzieningen schoonmaken buitengevel Kozijnen, ramen en deuren Glasstrook naast deuren verblijfsruimten SKG*** hang- en sluitwerk op begane grond SKG** hang- en sluitwerk op verdiepingen Sluitsysteem Toegangscontrolesysteem Zonweringssysteem Elektrotechnische installaties Brandwerende en/of geluidwerende doorvoeringen Kabel- en leidinggoten Verlichtingsinstallatie Schakelinrichting van de verlichting Noodverlichting Waakverlichting Vluchtwegaanduiding (pictogrammen) Communicatie installaties bekabeling Communicatie installaties hardware Lestijdsignalering Centrale antenne installatie Ontruimingsinstallaties Inbraakdetectie-installatie Brandmeldinstallatie Kleefmagneten Bediening verlichting op het gebouwbeheersysteem Elektrische bediening zonweringssysteem Bekabeling geluidsversterkingsinstallatie Geluidsversterkingsinstallatie Projectie-installatie Gebouwbeheersysteem
ruimte om te zijn
B
I
O
X X X X X X X X
Opmerking
Mechanische uitvoering Mechanische uitvoering Door middel van een sleutelsysteem (cilinders) X
X
X X X X X X X X X X X X X X X X
Data, telefonie, intercom e.d. Patchkasten, centrale, e.d. 1 aansluiting per gebruiker Conform eisen Marsh Conform eisen Marsh Centrale schakeling verlichting In groepsruimten schakeling verlichting in zones Geen weersafhankelijke regeling Ten behoeve van smartborden
X X X X
smartborden, beamers, boxen
X
U20519
Pagina 41 van 44
Transportinstallaties Liftinstallatie Inrichtingen Bouwkundig Schuif-/paneel-/zak- en flexibele wanden Bewegwijzering Raamdecoratie binnenzijde (gordijnen/vitrages) Binnenlichtwering Garderobesysteem Monitoring duurzaamheid Werkbladen (pantry, balie e.d.) Aanrechten en pantry’s Keuken Meubilair Losse vloerbedekking Schoolborden en/of smartboard Kastenwanden en kastinrichting Afvalbakken Brievenbus Vlaggenmast Overkapping fietsenstallingen Ontruimingsplattegronden Werktuigbouwkundig Handdoekautomaten en handdrogers Zeepautomaten Spiegels Kledinghaken Aansluitingen keukenapparatuur Afzuigkap keuken Afzuiging kopieer-/repro-installatie Elektrotechnisch Sfeerverlichting Geluidsinstallatie Toegangscontrolesysteem Intercom (spreek-luister-audio) Deurbeveiligingsinstallatie Nachtschootsignalering
ruimte om te zijn
X
X X X X X X X X X
(Niet onderwijskundig)
X X X X X X X
1 per gebruiker 1 per gebruiker
X X
X X X X X X X
Indien noodzakelijk
X X X X X X
Bij dagopvang
U20519
Pagina 42 van 44
Bijlage 2: Aanvullende eisen cluster dagopvang en bso Technische eisen Uitgangspunten gebouw Rekening houden in materiaalkeuze met mogelijke schadelijke invloeden tijdens het gebruik van het gebouw; Bij materiaalkeuze ook rekening houden met de noodzaak om het interieur eenvoudig schoon te houden, vermijden van moeilijk bereikbare plaatsen; Alle materialen glad en goed afwasbaar; Geen oneffenheden tot een hoogte van 1,35 meter; Met de inrichting moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de kinderen, veel doorkijkjes voor kinderen, lage ramen (60 cm hoogte), speelse elementen. Ook op het maaiveld per groep minimaal een raam zodat baby’s tijdens het kruipen ook zelfstandig naar buiten kunnen kijken. Toegangseisen Tochtsluis met automatische deuropener met knop bedienbaar op 1,5 meter hoogte; Deurbeslag aanbrengen op 1,5 meter hoogte; (met uitzondering van driepunts sluiting op buitendeuren, zie brandveiligheid) Deuren volledig voorzien van vingersafe deurlijsten; (Elen vingersafe 5090 of gelijkwaardig) Binnendeur tochtsluis naar centrale hal voorzien van pincode toegang systeem. Indien schuifdeur aanwezig koppeling maken met Brandmeldinstallatie i.v.m. vrijloop; Deurbel installatie + hoorbaar op de groepen en kantoor. Bel en intercom op een hoogte van 0,95 meter, zodat kinderen zelf kunnen aanbellen. Intercom voorzien van camera.
Verhogingen, trappen en hellingbanen Extra trapleuning aanbrengen op kindhoogte (ca. 50 cm). (Brand)veiligheid Vluchtdeuren waarbij driepunts sluiting is toegepast mogen worden voorzien van één raamboompje op ca. 1,80 meter hoog. E.e.a. in overleg; Automatische brandmeldinstallatie; Alle ruimten voorzien van rookmelders; Ruimten voorzien van koolmonoxidemelders en luchtvochtigheidsmelders. Noodverlichting / vluchtwegaanduiding Noodverlichting en vluchtwegaanduiding conform Bouwbesluit. Daarnaast voorziening treffen in de verblijfsruimten zoals groepsruimtes, slaapkamers, keukens, verschoonruimtes, personeelsruimte, e.d. Klimaat, verwarming: Bij verwarming dient rekening gehouden te worden met de volgende aspecten: a) aangename vloertemperatuur vanwege spelende kinderen; b) geen onafgeschermde hoge temperatuursverwarmingselementen op plekken waar kinderen komen; Alle verblijfsruimten voorzien van temperatuurregeling; Snelle regelbaarheid/reactietijd; Uitgangspunten ruimtetemperaturen: a) Centrale speelhal 20˚C b) Kantoor 20˚C
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 43 van 44
-
c) Groepsruimte 22˚C d) Personeelsruimte 20˚C e) Verkeersruimte 15˚C f) Verschoonruimte 20˚C g) Overig 5˚C h) Keuken 20˚C Slaapkamers apart zoneren indien vloerverwarming word toegepast.
Sanitair Alle kranen voorzien van een temperatuurbegrenzer van 38˚C; Peutertoiletten afhangen op 0,35 meter; Wastroggen afhangen op 0,50 meter; Keukens en pantry’s niet in directe verbinding met sanitair. Electra/verlichting Er zijn geen specifieke eisen vast gesteld ten aanzien van verlichting kinderdagverblijven. Bij de keuze van armaturen dient wel rekening gehouden te worden dat baby’s die op de rug liggen omhoog kijken en geen schade ondervinden van de verlichting. Uitgegaan wordt van een minimum verlichting in lux per ruimte: - Verblijfsruimte 250 lux - Kantoorruimte 400 lux - Sanitaire ruimte, verkeersruimte 200 lux Alle wandcontactdozen en lichtschakelaars dienen geplaatst te worden op 1,5 meter hoogte en kindveilig uitgevoerd. Let op: dit geldt enkel voor de dagopvang en de BSO en niet voor de onderwijsruimten, kantoren, personeelsruimte en kopieerruimte. In deze ruimten dienen stopcontacten op 30 cm boven vloerniveau te worden aangebracht. Bedieningspaneel bij voorkeur plaatsen bij in/uitgang om verlichting centraal aan of uit te doen.
ruimte om te zijn
U20519
Pagina 44 van 44