Bijlage 1.3.00 TOELICHTING Inpassingsplan N315 23 maart 2023.pdf
Tekst van het document
Hierdoor mag aangenomen worden dat aanpassingen en een verbreding van de weg geen gevolgen hebben voor de bodem in de omgeving. Een verdere beschrijving is te vinden in paragraaf 5.4. Voorliggende ontwikkeling heeft als gevolg dat 1.100 m2 verhard oppervlak wordt toegevoegd. Om dit te compenseren moet bij voorkeur het hemelwater ingezijgd worden in de bermen langs de weg. Indien dit voldoende gebeurt, is geen extra waterbergend (sloot)volume nodig. Indien dit niet mogelijk is, mag waterberging plaatsvinden in de niet-leggerwatergangen. Hiermee zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten als gevolg van voorliggende ontwikkeling ten aanzien van water. Een verdere beschrijving is te vinden in paragraaf 5.11.
Op basis van bovenstaande beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
47
5.2.3
Conclusie Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
5.3
Archeologie
5.3.1
Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet blijven de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht totdat de Omgevingswet in werking treedt.
5.3.2
Toetsing Bureauonderzoek Voor de drie gemeenten is allereerst archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten te vinden. Berkelland2 De N315 doorkruist gronden die volgens de bodemkaart zijn gekarteerd als veldpodzolgronden, laarpodzolgronden, beekeerdgronden en hoge zwarte enkeerdgronden. De ondiepe ondergrond bestaat uit dekzand in de vorm van ruggen, welvingen en vlaktes en stuifzand. Het zuidelijke deel van het tracé binnen de gemeente Berkelland lag op basis van historisch kaartmateriaal in ontgonnen gebied met bouwlanden en enkele hoeves. In het noordelijke deel lag een groot heidegebied op woeste grond (stuifzand) dat in de loop van de 19e en 20e eeuw is bebost. In een zone van 250 meter aan weerszijden van de N315 zijn geen archeologische waarnemingen geregistreerd. In het uiterste zuiden van het onderzoeksgebied is belendend aan de westzijde van de N315 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is dit gebied vrijgegeven. Net buiten dit gebied, in het zuidelijke deel van het plangebied binnen de gemeente Berkelland krijgt een akker met historisch erf een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. In het gebied met een laarpodzolgrond kunnen ook resten bewaard zijn gebleven. In het noordelijke deel van het plangebied ligt een veldpodzolgrond met een kleine akker in een heideveld.
Dwars op het onderzoeksgebied ligt de loop van de Van Heeckerenbeek in een zone met veldpodzolgronden en mogelijk overstoven gronden. De aanwezigheid van stromend water was belangrijk voor jagerverzamelaars. De kans op het aantreffen van archeologische resten is middelhoog. De zones met beekeerdgronden zullen te nat zijn geweest voor bewoning. Hiervoor geldt een lage archeologische verwachting. In de zones met een lage archeologische verwachting hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden. In de zones met middelhoge en hoge archeologische
2
Baac, Gemeente Berkelland Plangebied N315 tussen Doetinchem en Ruurlo km 19.07522,92 Archeologisch bureauonderzoek, rapport V-18.0297.3, november 2018 48
verwachting dient een verkennend booronderzoek (IVO-O) uitgevoerd te worden indien bodemingrepen buiten het huidige wegdek dieper dan 30 cm -mv worden uitgevoerd met als doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap en de intactheid van het bodemprofiel te bepalen.
Figuur 5.1 Archeologische verwachting onderzoeksgebied Berkelland (bron: Baac).
49
Bronckhorst3 De N315 doorkruist in Bronckhorst gronden die volgens de bodemkaart zijn gekarteerd als veldpodzolgronden, laarpodzolgronden, beekeerdgronden, hoge bruine en zwarte enkeerdgronden, vorstvaaggronden en een vergraven duinvaaggrond. De ondiepe ondergrond bestaat uit dekzand in de vorm van ruggen, welvingen, vlaktes, een plateau en stuifzand. Het zuidelijke deel van het plangebied binnen de gemeente Bronckhorst lag op basis van historisch kaartmateriaal in een moerassig gebied met enkele hogere ruggetjes. Ter hoogte van Zelhem ligt een voor bewoning en landbouw interessant dekzandplateau. Ten noorden van Zelhem lag een groot heidegebied op woeste grond dat in de loop van de 19e en 20e eeuw is bebost. Dit geldt dan met name voor een gebied met stuifzanden. Het plangebied loopt kilometers door een voormalig veengebied. Verspreid langs het tracé staan enkele boerderijen en er ligt een buurtschap ten zuiden van Zelhem. Uit archeologische onderzoek blijkt dat het dekzandplateau ter hoogte van Zelhem al in de bronstijd en mogelijk eerder bewoond werd. Voorafgaand aan de aanleg van de Rondweg bij Zelhem zijn sporen van onder meer bewoning en ijzerproductie gevonden. De vindplaatsen liggen in een oud akkercomplex, de Zellemer Enck. Archeologische booronderzoeken ter hoogte van Veldhoek hebben geen resultaat opgeleverd.
De kans op het aantreffen van archeologische resten op de oude Zellemer Enck (bodemkundig gekarteerd als enkeerdgrond) is hoog. Echter is het tracé Rondweg Zelhem van de N315 reeds onderzocht. Derhalve is nader archeologisch onderzoek bij werkzaamheden direct op of langs de N315 niet noodzakelijk. In enkele kleinere gebieden met enkeerdgronden blijft de kans wel hoog op het aantreffen van resten. In de zones waar vorstvaagronden en laarpodzolgronden voorkomen, kunnen archeologische resten bewaard zijn gebleven. Hiervoor geldt eveneens een hoge archeologische verwachting. Op de voormalige woeste gronden zal heide geplagd zijn ten behoeve van de potstalbemesting. Op deze gronden (veldpodzol) is de kans middelhoog dat archeologische resten aangetroffen worden. Het voormalige veengebied in het oostelijke deel van het tracé zal te nat zijn geweest voor bewoning. Hier worden geen archeologische resten verwacht. Ditzelfde geldt voor de laag gelegen delen met beekeerdgronden en de vergraven duinvaaggrond. In de zones met een lage archeologische verwachting hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden.
In de zones met middelhoge en hoge archeologische verwachting dient een verkennend booronderzoek (IVO-O) uitgevoerd te worden indien bodemingrepen buiten het huidige wegdek dieper dan 30 cm -mv worden uitgevoerd met als doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap en de intactheid van het bodemprofiel te bepalen.
3
Baac, Gemeente Bronckhorst Auteur: Plangebied N315 tussen Doetinchem en Ruurlo km 6,3-19,075, Rapport V-18.0297.2 november 2018 50
Figuur 5.2 Archeologische verwachting onderzoeksgebied Bronckhorst (bron: Baac)
51
Inventariserend veldonderzoek verkennende fase4 Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek zijn bepaalde gebieden geselecteerd, waar aanvullend onderzoek benodigd is. Deze gebieden betreffen zones die een middelhoge of hoge archeologische verwachting toegekend hebben gekregen en waar bodemingrepen zijn gepland. Uit het verkennende onderzoek kwam naar voren dat lokaal mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn. Vervolgens is een inventariserend veldonderzoek verkennende fase (Km 14,85- 15,55) en karterende fase (Km 12,65-12,7, Km 12,75-12,9, Km 18,9-19.1) uitgevoerd. De verwachte (veld)podzolprofielen is in geen van de boringen aangetroffen. Hoewel het landschap in het verleden waarschijnlijk golvend was, zijn er vandaag de dag weinig zichtbare elementen om op te merken. Dat komt door de egalisering van de grond door de landbouwwerkzaamheden. Het verkennend onderzoek had als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap. In sommige monsters zijn houtskoolfragmenten gevonden, maar er is geen sprake van een houtskoolcluster. De monsters hebben vooral fragmenten uit de nieuwe tijd met glasfragmenten of baksteenfragmenten. Er werd op een plek een fragment steengoed gevonden met een vermoedelijke datering tussen de 14de en de 16de eeuw. Er bestaan echter geen duidelijke aanwijzingen van een archeologisch kansrijke zone.
Archeologische resten worden niet verwacht en ook niet bedreigt.
Figuur 5.3. Ligging van de archeologische onderzoeksgebieden Bron: Gemeente Bronckhorst – Plangebied N315 traject 136 Zelhem- Veldhoek (BAAC – rapport 2020)
Doetinchem5
4
Baac, Gemeente Bronckhorst – Plangebied N315 traject 136 Zelhem- Veldhoek., oktober 2020)
5
Baac, Gemeente Doetinchem, plangebied N315 tussen Doetinchem en Ruurlo km 6,1-6,3 Archeologisch bureauonderzoek, Rapportnummer V-18.0297.1, november 2018 52
Het tracé dat binnen de gemeente Doetinchem valt is 200 meter lang. Het verlengde van de N315 in zuidelijke richting (Oostelijke Rondweg) is in een eerder stadium reeds onderzocht. Als bodemtype zijn beekeerdgrond en laarpodzolgrond gekarteerd. Binnen het bouwland waar laarpodzolgrond is gesitueerd is op een kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw ter hoogte van de N315 bebouwing zichtbaar. Deze zone krijgt een middelhoge verwachting toegewezen op het aantreffen van archeologische resten. Indien in deze zone werkzaamheden langs de N315 worden uitgevoerd, adviseert BAAC voorafgaand aan deze werkzaamheden eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren indien de grond dieper geroerd wordt dan 30 cm -mv. Het gebied waar beekeerdgrond voorkomt is te nat geweest voor bewoning. Hier is de kans op het aantreffen van archeologische resten niet groot.
Figuur 5.4 Archeologische verwachting onderzoeksgebied Doetinchem (bron: Baac)
53
Inventariserend veldonderzoek In aanvulling op het bureauonderzoek is verkennend onderzoek 6 uitgevoerd. Dit onderzoek richt zich op locaties die op basis van het bureauonderzoek een middelhoge of hoge archeologische verwachting toegekend hebben gekregen en waar bodemingrepen tot minimaal 0,5 m onder maaiveld zijn gepland. Uit het veldonderzoek blijkt dat een groot aantal locaties tot (diep) in de C-horizont verstoord zijn. Deze verstoringen duiden zich door lichtgekleurde vlekken in donkergrijs tot bruingrijze, humushoudende lagen of door humeuze brokken in geelgrijs gekleurd zand. In andere situaties is de bodem ondiep afgetopt, waarbij echter wel ondiepe sporen van bijvoorbeeld kampementen van jager/verzamelaars vernietigd zijn, indien ze ooit aanwezig zijn geweest. Mogelijk dat lokaal wel resten van landbouwnederzettingen bewaard zijn gebleven. De natuurlijke ondergrond bestaat steeds uit dekzand. Ter plaatse van de Rondweg Zelhem (rotondes Stikkenweg, Hummeloseweg en Hengeloseweg) is op circa 1 m onder maaiveld een mogelijke cultuurlaag aanwezig. Ter plaatse van de Oude Zelhemseweg is een deels intacte, begraven podzolprofiel aangetroffen op circa 1 m onder maaiveld. Tussen km 12,6 en 12,9 zijn deels intacte podzolprofielen vanaf het maaiveld aangetroffen. Ook ten zuidwesten van de Veengoot ligt een zone waarbij podzolprofielen aan het maaiveld voorkomen.
Ten noordoosten van de Veengoot ligt een gebied waar podzolprofielen vanaf 0,45 à 0,65 m onder maaiveld voorkomen. Tussen km 12,6 en 12,9 en nabij de Veengoot (km 18,9-19,1) zullen eventuele archeologische resten bij het ontgraven van de bodem vernietigd worden. Om aan te tonen of daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn, adviseert BAAC hier in eerste instantie aanvullende (karterende) boringen te plaatsen. Ter plaatse van de rotondes Hummeloseweg en Hengeloseweg worden bij ingrepen tot 1 m onder maaiveld eventuele archeologische resten mogelijk bedreigd. BAAC adviseert hier de ontgravingsdiepte tot maximaal 0,8 m onder maaiveld te beperken of indien dit niet mogelijk is de ontgravingswerkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. Doordat het hele gebied onderzocht is heeft het geen meerwaarde een dubbelbestemming op te nemen op grond waarvan archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Er zijn daarom geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in dit PIP. 5.3.3
Conclusie Voor een groot deel van het wegtracé is de archeologische verwachting laag of is de grond verstoord. Op grond van inventariserend veldonderzoek is de verwachting dat er geen archeologische waarde worden aangetast.
6
Baac, Gemeente Bronckhorst en Berkelland: Plangebied N315 tussen Doetinchem en Ruurlo, Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), Rapport V-20.0015 maart 2020 54
5.4
Bodem
5.4.1
Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.
5.4.2
Toetsing Om te bepalen of er belemmeringen zijn ten aanzien van de bodemkwaliteit is historisch7. en verkennend8 (water) bodemonderzoek uitgevoerd. Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,5 m-mv voornamelijk uit matig fijn en matig siltig zand. Met name de bovengrond is matig humushoudend. Plaatselijk is de bodem zwak kiezel of grind houdend. Historische onderzoek Historisch gebruik: Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat er midden 19e eeuw reeds sprake was van een weg. Opgemerkt wordt dat dit niet voor het hele tracé geld. Delen zijn later verlegd (bijvoorbeeld rondom Zelhem omstreeks 1930) of wegdelen waren helemaal niet aanwezig. Bedrijvigheid: Langs de N315 waren veel (vooral boeren) bedrijven gevestigd. Veel van de daarbij aanwezige olie- en dieseltanks zijn bekend. Uit de archiefstudie kan worden opgemaakt dat zeker 90% reeds verwijderd is of met tankreinigingscertificaat is afgevuld. Tevens fungeert deze weg al sinds jaar en dag als doorgaande weg. Voormalige stortlocatie: Ter plaatse of in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie is voor zover bekend geen sprake van een stortlocatie. Asbest: Op de onderzoekslocatie hebben, voor zover bekend, in het verleden geen bedrijven gestaan die mogelijk asbesthoudend materiaal hebben geproduceerd of verwerkt.
Tevens is niets bekend over stortingen, dempingen of ophogingen met asbesthoudende materialen en/of buizen in de grond. Ook is niets bekend over calamiteiten waarbij asbesthoudende materialen vrij zijn gekomen. Uitgevoerde bodemonderzoeken Uit de beschikbare onderzoeken blijkt dat een aantal locaties verdacht zijn. Op grond hiervan wordt op de volgende locaties aanvullend onderzoek geadviseerd: − Doetinchemseweg 82 in verband met een voormalig tankstation − Veldhoekseweg 3 in verband met een voormalig tankstation (Caltex) − Baaksebeek 2 zijden weg ter plaatse van het oude tracé van de Baaksebeek
7
Lankelma, Briefrapportage historisch onderzoek, (tracé) provinciale weg N315 Doetinchem – Ruurlo, 26 september 2019
8
Lankelma, Verkennend (water) bodemonderzoek tracé N315 Doetinchem-Ruurlo, Rapoortnummer 2000356, datum 20 maart 2020 55
Verkennend onderzoek Grond In de vaste bodem zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetroffen. In het kader van de Wet bodembescherming gelden geen beperkingen. Er zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Grondwater In het grondwater zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetroffen. In het kader van de Wet bodembescherming gelden geen beperkingen. Er zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Waterbodem In watergang SL03 (MMSL03) (aan de zuidzijde van de Hummeloseweg) is analytisch een verhoogd gehalte met minerale olie aangetoond. In watergang SL10 (MMSL10) (ter hoogte van Ruurloseweg 25-25a) is analytisch een verhoogd gehalte met kwik aangetoond. In de overige watergangen zijn analytisch geen verhoogde waarden aangetroffen van de onderzochte parameters. In het kader van de Waterwet zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk ter plaatse van de watergangen. Asbest in grond en puin In twee mengmonsters, ter plaatse van hectometerpaal 21,8, is analytisch geen asbest aangetoond. De waarde ligt onder de detectiegrens. De bodem ter plaatse kan bestempeld worden als zijnde onverdacht op het voorkomen van asbest. In de vrijkomende grond en op het maaiveld, ter plaatse van het overige deel van de onderzoekslocatie, heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden.
Ter plaatse zijn in de vrijkomende grond en op het maaiveld geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. PFAS Verspreid over het onderzochte tracé is een representatief aantal mengmonsters van de bovengrond aanvullend onderzocht op PFAS. Er zijn plaatselijk analytisch verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond. De grond mag alleen gebruikt worden op landbodem met een vergelijkbare gehalte aan PFAS. De grond is niet toepasbaar op de waterbodem. 5.4.3
Conclusie Op grond van het verkennend onderzoek kan geconcludeerd worden dat nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet noodzakelijk geacht wordt.
5.5
Niet-gesprongen explosieven
5.5.1
Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog van 1940 - 1945 hebben zich op diverse locaties in de regio oorlogshandelingen voorgedaan. Als gevolg van deze oorlogshandelingen kunnen op bepaalde locaties niet-gesprongen Conventionele Explosieven (CE) of delen daarvan in de bodem voorkomen. Voor het veilig en op verantwoorde wijze
56
uitvoeren van grondwerkzaamheden, is het van belang om duidelijkheid te krijgen over de aard en omvang van de situatie aangaande CE. Wanneer explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een belasting voor het milieu vormen. 5.5.2
Toetsing Ten behoeve van de niet-gesprongen explosieven heeft AVG Vooronderzoek CE uitgevoerd9. AVG maakt een onderscheid tussen de onderzoeksgebieden en de analysegebieden. De analysegebieden betreffen de onderzoeksgebieden inclusief een buffer van 181 meter. Alle oorlogshandelingen binnen de analysegebieden zijn in het vooronderzoek beoordeeld. Bij een duikbombardement met afwerpmunitie op een ‘pin point target’ wordt het CE verdachte gebied bepaald door een afstand van 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel als zijnde CE verdacht te verklaren. Een dergelijke gevechtshandeling binnen de grenzen van een analysegebied leidt automatisch tot één of meerdere CE verdachte gebieden in een van de onderzoeksgebieden. Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE. De volgende gevechtshandeling / CE gerelateerde handeling heeft in en nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden (Traject 126 KM 22,7 - 22,75): het neerkomen van afwerpmunitie en brandbommen. De volgende CE kunnen mogelijk in de onderzoeksgebieden worden aangetroffen: − afwerpmunitie − brandbommen Het CE verdachte gebied is afgebakend op de CE-bodembelastingkaart (zie volgend figuur).
9
AVG, Vooronderzoek CE N315 Doetinchem-Ruurlo, Projectnummer 18621138-VO-03, juli 2016 57
Figuur 5.5. Verdacht gebied (bron: AVG)
In onderstaand overzicht is aangegeven in hoeverre het onderzoeksgebied verdacht is met betrekking tot explosieven.
In de gemeenten Bronckhorst en Doetinchem is de kans op het aantreffen van CE net zo groot als de gemiddelde kans op het aantreffen van CE op als ‘onverdacht’ aangemerkte locaties in de rest van Nederland. Hier hoeven geen extra maatregelen genomen te worden of onderzoek uitgevoerd te worden. In het CE-verdachte gebied in de gemeente Berkelland wordt geen reconstructie uitgevoerd buiten de bestaande weg. Voor deze locatie is dus geen aanvullend veldonderzoek meer benodigd. 5.5.3
Conclusie Binnen de gemeenten Bronckhorst en Doetinchem zijn geen problemen te verwachten met betrekking tot niet-gesprongen explosieven. In de gemeente Berkelland is een verdachte locatie, maar aangezien hier geen reconstructie buiten het bestaande tracé
58
plaatsvindt, is nader onderzoek niet nodig. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt daarmee geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
5.6
Externe veiligheid
5.6.1
Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.
Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. Beleidsvisie externe veiligheid Provincie Gelderland De provincie Gelderland heeft een beleidsvisie omgevingsveiligheid 2015 vastgesteld. De provincie streeft naar het voorkomen van overschrijdingen van wettelijke grenswaarden en het beperken van het groepsrisico bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze ambitie kan worden gerealiseerd door een omslag te maken naar ontwikkelingsplanologie, waarin omgevingsveiligheid vanaf het begin van het planproces wordt meegenomen. Deze omslag is uitgewerkt in zes thema’s waarmee de beleidsvisie het veiliger maken van Gelderland richting geeft. Deze thema’s zijn: 1. Het beschermen van mensen door uit te voeren wat moet; 2. Het verantwoord combineren van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten; 3. Het verhogen van de kwaliteit van de uitvoering; 4. Het verhogen van de kwaliteit van de risicoinformatie; 5.
Het reduceren van risico’s van transport; 6. Het reduceren van risico’s van inrichtingen.
59
Naast deze beleidsvisie heeft de provincie Gelderland separaat ‘beleidsregels omgevingsveiligheid’ vastgesteld die toegepast dienen te worden bij besluiten, één en ander voor zover Gedeputeerde Staten bevoegd gezag is. Wanneer infrastructurele werken middels de Wet ruimtelijke ordening worden mogelijk gemaakt wordt aangesloten bij de Beleidsregel EV-beoordeling tracébesluiten. 5.6.2
Toetsing Onderstaand figuur geeft een uitsnede van de Risicokaart ter hoogte van de N315. Voorliggend provinciaal inpassingsplan is opgesteld ten behoeve van aanpassingen aan de provinciale weg N315 Doetinchem-Ruurlo. Het transport van gevaarlijke stoffen over de N315 is toegestaan. Echter, de weg is geen onderdeel van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen, waardoor het geen risicoplafond heeft. Daarnaast zijn uit de telgegevens van diverse basisnet wegvakken geen gegevens over het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg bekend. Daarom kan geconcludeerd worden dat het zeer onwaarschijnlijk is dat grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden vervoerd over deze weg. Daarmee zijn de risico’s dan ook beperkt.
Figuur 5.6. Uitsnede risicokaart
Gelet op wet- en regelgeving is het daarom niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vast te stellen. 5.6.3
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van de werkzaamheden.
60
5.7
Natuur
5.7.1
Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de gebieds- en soortenbescherming alsmede de bescherming van houtopstanden. Op provinciaal niveau worden eveneens gebieden beschermd, wat wordt geregeld in de Omgevingsverordening Gelderland die van toepassing is op het Gelders Natuurnetwerk Nederland (GNN) en de Groene Ontwikkelingszones (GO) en de daarvoor beschreven kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen.
5.7.2
Toetsing Er heeft een toetsing10 plaatsgevonden naar de gevolgen voor de natuurgebieden en de mogelijke aanwezige soorten. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Gelet op de afstand tot andere Natura 2000-gebieden wordt een nadere toetsing niet noodzakelijk geacht.
Figuur 5.7 Begrenzing Natura 2000-gebieden (gele arcering) en globaal het plangebied (rood kader). (Bron en: https://www.synbiosys.alterra.nl/ bewerkt door Eelerwoude.)
GNN/GO-beleid Het plangebied ligt voor een aanzienlijk deel in GNN/GO gebied, zoals te zien in onderstaande figuur. De ontwikkeling moet passen in de doelstellingen die opgesteld zijn voor de deelgebieden en beschreven zijn in ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ van een gebied. Wanneer er negatieve effecten zijn op de ontwikkelingsdoelen is er sprake van aantasting en is compensatie en mitigatie noodzakelijk. Bij vaststelling van het schetsontwerp moet door een ecoloog beoordeeld worden of er sprake is van
10
Eelerwoude, Toetsing wet Natuurbescherming integrale trajectverkenning N315 Doetinchem –Ruurlo, projectnummer P6284.145, datum 19-10-2017 61
aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Hierop kunnen de plannen aangepast worden, of moet een nadere toetsing plaatsvinden.
Figuur 5.8 Aanwijzing NNN noordelijk deel: GNN (donkergroene arcering) en GO (lichtgroene arcering) in Gelderland, en globaal het plangebied (rode lijn). (Bron: http://gldanders.planoview.nl/planoview/. Omgevingsverordening Gelderland, geconsolideerde versie van december 2016.)
62
Figuur 5.9 Aanwijzing NNN zuidelijk deel: GNN (donkergroene arcering) en GO (lichtgroene arcering) in Gelderland, en globaal het plangebied (rode lijn). (Bron: http://gldanders.planoview.nl/planoview/. Omgevingsverordening Gelderland, geconsolideerde versie van december 2016.)
De N315 waarbinnen werkzaamheden worden uitgevoerd is opgedeeld in compartimenten (A tot en met G). Binnen 5 compartimenten worden bomen gekapt. Per compartiment is gekeken of de werkzaamheden plaatsvinden binnen GO of GNN gebied en of de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. 1 In compartiment A wordt 1 boom gekapt. Dit valt buiten GNN/GO gebied. Een toetsing aan de GNN beleid is niet nodig. 2 In compartiment B tussen km. 12.0 en 14.1 worden 19 bomen gekapt om de weg te kunnen verbreden. Ook wordt een geleiderail aangelegd in de buitenbocht om de bomen die ernaast staat te beschermen. Dit wegvak ligt buiten GNN/GO gebied. Een toetsing aan de GNN beleid is niet nodig. 3 In compartiment D worden 19 bomen gekapt. Dit wegvak ligt buiten GNN/GO gebied. Een toetsing aan de GNN beleid is niet nodig. 4 In compartiment F wordt 1 boom gekapt. Omdat het kappen van de boom niet in strijd is met het bestemmingsplan is een toetsing aan het GNN/GO gebied niet noodzakelijk 5 In compartiment G worden 9 bomen gekapt om de aanleg van een geleiderail mogelijk te maken. De geleiderail wordt gerealiseerd tussen km 21.7 en 21.9. Dit trajectdeel ligt in GO-gebied (zie onderstaande afbeelding). De geleiderail wordt geplaatst direct tegen de weg aan, dus in de wegberm. De wegberm (en de obstakelvrije zone) behoren tot de bestemming weg.
Hierdoor zou het dus niet strijdig zijn met het bestemmingsplan. Helaas is dit niet in de kaart behorende bij het bestemmingsplan af te lezen. Bovendien wordt de geleiderail
63
aangelegd om de bomen die naast de weg staan te beschermen tegen het verkeer. Dus de geleiderail heeft ook nog eens een beschermende functie voor de bomen en de groene omgeving naast de weg. Een GNN toetsing is niet nodig.
Figuur 5.10 Ligging van het trajectdeel waar bomen worden gekapt t.b.v. een geleiderail. Het linker kaartje geeft de locatie weer, het middelste kaartje geeft de bestemming weer (enkelbestemming verkeer tussen de rode belijning) en het rechterkaartje geeft aan dat de weg in GOgebied ligt met daaromheen GNN gebied.
Wnb Houtopstanden Het kappen van aaneengesloten bosgebied, boomgroepen en bijvoorbeeld lanen kan meldingsplichtig zijn conform het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming. In de voorgenomen ontwikkeling moet hier rekening mee gehouden worden. Bij vaststelling van het schetsontwerp moet door een ecoloog beoordeeld worden of er sprake is van meldingsplichtige werkzaamheden. Hierop kunnen de plannen aangepast worden, of moet een nadere toetsing plaatsvinden. In verband met de te kappen bomen heeft nog een nadere inventarisatie plaatsgevonden11. Met het kappen van bomen langs de N315 wordt de verkeersveiligheid verhoogd. De meeste bomen zijn gesitueerd in gebied dat onderdeel uitmaakt van het GO, op enkele plekken staan bomen in het GNN. Doordat er geen sprake is van een wijziging van de bestemming van GNN/GO, blijft het areaal aan GNN en GO gebied ongewijzigd. De kwaliteit van deze gebieden wordt niet aangetast; de bomen maken geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied van aangewezen soorten of natuurdoelen. Ook zorgt de kap er niet voor dat gebieden worden versnippert en heeft het geen versnipperende werking. Met de kap is geen sprake van significante aantasting van de kernkwaliteiten van de GNN/GO gebieden ter plaatse van de N315 door vermindering van areaal, aantasting van de aaneengeslotenheid of versnippering.
Voor de te kappen bomen is de bescherming van houtopstanden van toepassing. Hierbij geldt dat: − Er een melding moet worden gedaan bij provincie Gelderland. − Herplant moet plaatsvinden in of grenzend aan de GO nabij het aangetaste gebied.
11
Eelerwoude, Toetsing Natuurbeleid N315 Doetinchem – Ruurlo, Projectnummer 6284.293, datum: 27-09-2019 64
− Voor de herplant geldt een toeslag factor die afhankelijk is van de ontwikkeling van de te kappen bomen. − Compensatie wordt vastgelegd in het bestemmingsplan/inpassingsplan. − Indien fysieke compensatie aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is, kan worden volstaan met een financiële compensatie. Dit inpassingsplan legt maakt de locaties voor bomencompensatie mogelijk. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming volgde uit de “Toetsing wet Natuurbescherming integrale trajectverkenning” dat het uitvoeren van nader onderzoek naar de functie van de te verwijderen bomen voor vleermuizen, evenals nader onderzoek naar reptielen, onderdeel is van de uit te voeren vervolgstappen. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat de te kappen bomen een functie hebben als verblijfplaats en/of vliegroute voor beschermde soorten vleermuizen en reptielen. Duidelijk moet dan ook worden om welke soorten en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van de bomen is voor deze soorten. Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming, en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Dit nader soortenonderzoek 12 is uitgevoerd en navolgend zijn de bevindingen uiteengezet.
Vogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Indien toch in het broedseizoen doorgewerkt of gestart wordt, moet vóór het broedseizoen (uiterlijk in februari) contact gelegd worden met de begeleidend ecoloog. In samenspraak met de ecoloog moeten eventuele nadere acties bepaald worden, zoals vroegtijdig kappen van bomen of het maaien van beplanting. Vleermuizen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied zes soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis. Het betreft waarnemingen van overvliegende, baltsende en foeragerende dieren. Er zijn geen verblijfplaatsen gevonden in of nabij de onderzochte bomen. Voor de kap van bomen is een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.
Door de voorgenomen werkzaamheden treedt er geen verstoring op van foerageergebieden en vliegroutes die onderdeel uitmaken van het essentiële leefgebied van vleermuizen. In alle gevallen blijven ook voldoende alternatieve foerageergebieden en vliegroutes beschikbaar. Een ontheffing voor het vernielen van verblijfplaatsen (omdat essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden worden aangetast) is daarom niet nodig.
12
Eelerwoude, Quick scan flora en fauna + nader onderzoek vleermuizen en reptielen N315 Ruurlo – Doetinchem, Projectnummer: 202270, 3-11-2022 65
Reptielen Het nader onderzoek reptielen is gericht op noordelijke cluster bomen. Tijdens het onderzoek zijn geen reptielen aangetroffen. Vlak bij de onderzoekslocatie liggen sporenbedden. Uit navraag bij de heer Van der Grift van de WUR is gebleken dat het onderzoek met de sporenbedden zich alleen richt op ree. Dit leverde dus ook geen aanwijzingen op over de eventuele aanwezigheid van reptielen nabij de noordelijke cluster bomen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat reptielen gebruik maken van de wegbermen nabij de bomen op de onderzoekslocatie in compartiment G (zie onderzoeksrapport). In de andere onderzoekslocaties in compartiment B en F worden ook geen reptielen verwacht omdat het biotoop daarvoor ongeschikt is. Een ontheffing of werken volgens een ecologisch werkprotocol is voor reptielen daarom niet nodig. Overige soorten De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt, tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten als gevolg van verstoring tijdens de uitvoeringswerkzaamheden. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft.
Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten dan ook niet noodzakelijk. Zorgplicht en zorgvuldig handelen In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: − Tijdens de uitvoering dient men alert te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen. − Bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een ter zake kundige. − De breedte van de transportwegen wordt zo beperkt mogelijk gehouden, zodat zo min mogelijk holen en dieren aangetast worden. − De uitvoering van werkzaamheden wordt uitsluitend overdag uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk blijkt, moet contact gelegd worden met een ecoloog voor nadere afstemming. − Bij uitvoering dient zo veel mogelijk rekening gehouden te worden met soortenrijke wegbermen. Deze dient men zo veel mogelijk te sparen. Stikstof In het kader van voorliggende ontwikkeling is een stikstofberekening 13 uitgevoerd. Deze berekening dient aan te tonen of er sprake is van een significante depositie van stikstof op aangewezen habitattypen en leefgebieden. Voor de werkzaamheden worden mobiele werktuigen ingezet, hierdoor ontstaan tijdens de werkzaamheden extra vervoersbewegingen naar de betreffende locatie. Deze mobiele werktuigen en verkeer stoten stikstof uit.
De stikstofdepositie die ontstaat door deze werkzaamheden, kan negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De locatie van het project gebied ligt op circa 13 km van de Natura-2000 gebied Rijntakken en op circa 20km van het natura-2000 gebied Korenburgerveen.
13
Eelerwoude, Stikstofberekening N315 Doetinchem Ruurlo, Projectnummer: 10210, 28-102020. 66
Met AERIUS-Calculator is de stikstofdepositie berekend voor de werkzaamheden aan de Aan de N315 tussen Doetinchem en Ruurlo. Het resultaat van de berekening is: “Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/hectare/jaar”. Men kan hierdoor spreken over een niet significante stikstofdepositie. Dit betekent dat de benodigde inzet van mobiele werktuigen en het aantal vervoersbewegingen geen significant negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelen van stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Hiermee is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof, niet aan de orde voor de desbetreffende werkzaamheden. 5.7.3
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat aspect natuur geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig plan. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt voor een aanzienlijk deel in GNN/GO gebied. Het tracé is ingedeeld in verschillende compartimenten en per compartiment is gekeken of de werkzaamheden een negatief effect hebben op de GO of GNN gebied. Dit is niet het geval. Ten aanzien van de houtopstal geldt dat de te kappen bomen resulteren in een hogere verkeersveiligheid. Er heeft een nadere inventarisatie naar de bomen plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat er met de kap geen sprake is van significante aantasting van de kernkwaliteiten van de GNN/GO gebieden ter plaatse van de N315. Er is onderzoek naar soorten uitgevoerd. Hieruit volgt dat handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren niet zijn toegestaan. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied zes soorten vastgesteld, maar er zijn geen verblijfplaatsen gevonden in of nabij de onderzochte bomen. Voor de kap van bomen is een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Tijdens het onderzoek zijn geen reptielen aangetroffen. Een ontheffing of werken volgens een ecologisch werkprotocol is voor reptielen daarom niet nodig.
Tot slot heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van overige soorten, omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten dan ook niet noodzakelijk. De stikstofberekening heeft uitgewezen dat onderhavig plan geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg heeft. Hiermee is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof, voor dit plan niet aan de orde.
5.8
Verkeer en parkeren
5.8.1
Algemeen Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan sprake zijn van een afweging van verkeersbelangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit kan zijn ingegeven door bijvoorbeeld een wijziging van de verkeersaantrekkende werking of ontsluiting van een plangebied. Daarnaast kan het parkeren relevant zijn in het kader van een goede
67
ruimtelijke ordening van functies, omdat de ruimtelijke ontwikkeling bijvoorbeeld gevolgen kan hebben voor de ruimtebehoefte ten behoeve van het parkeren in en/of in de omgeving van het plangebied. 5.8.2
Toetsing Dit inpassingsplan maakt een verbetering van de provinciale weg N315 mogelijk. Het is het gevolg van het verkenningsrapportage traject 12614, waarin geconcludeerd wordt dat de verkeersveiligheid op de N315 Doetinchem Ruurlo verbeterd kon worden. Naar aanleiding hiervan zijn reeds diverse verbeteringen aangebracht. In de eerste fase van de plannen, die al is uitgevoerd, zijn enkele rotondes aangepast, is de aansluiting van enkele zijwegen verbeterd en is de brug over de Veengoot vernieuwd. Ook is het asfalt vernieuwd. Dit inpassingsplan maakt de tweede fase mogelijk van het plan. Hierbij wordt een wegdeel van 2 km lang, dat te smal is, opnieuw geasfalteerd en verbreed (met gem. 80 cm breed). Verder maakt het inpassingsplan de realisatie van een uitgebreid landschappelijk inrichtingsplan mogelijk, waarbij de 112-117 bomen die echt te dicht bij de weg staan en hier voor gevaar zorgen of van te slechte kwaliteit zijn worden gekapt. In plaats daarvan worden 1.310 stuks bomen in rij en boomvormers in houtsingel geplant. Er worden 19.476 m2 aan houtsingels met boomvormers en onderbegroeiing gerealiseerd. Hiermee heeft dit inpassingsplan een sterk positief effect op de verkeersveiligheid. Een verdere beschrijving van de aanpassingen en verkeerssituatie is te vinden in hoofdstuk 4. Binnen het plangebied zijn en komen geen parkeervoorzieningen.
De verbetering van de weg leidt niet tot een parkeerbehoefte.
5.8.3
Conclusie Voorliggend plan resulteert in een verbeterde verkeersituatie ter plaatse.
5.9
Geluidhinder
5.9.1
Algemeen Wettelijk kader De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In een ruimtelijk plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor-)wegen en gezoneerde industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor-)wegen en gezoneerde industrieterreinen. Bij aanpassing van een gemeentelijke of provinciale weg of verandering van bestemmingen is akoestisch onderzoek voorgeschreven volgens de Wgh. Hierbij moet binnen de voorgeschreven zone onderzoek uitgevoerd worden naar geluidbelastingen op geluidgevoelige
14
Verkenningsrapportage traject 126 N315 Doetinchem – Ruurlo Planjaar 2020 en N315 Doetinchem – Ruurlo (N319) , traject 126 (km 5,0 – km 22,94), 26 april 2018 68
bestemmingen (o.a. woningen, woonwagenstandplaatsen, scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen zoals psychiatrische inrichtingen). Op grond van artikel 100 van de Wgh geldt vanwege de te reconstrueren weg, dat de laagste van de volgende geluidswaarde op een gevel als toetswaarde wordt aangemerkt: a) 48 dB (indien de heersende waarde ≤ 48 dB); b) de heersende waarde (indien de heersende waarde > 48 dB, maar lager dan een eerder vastgestelde hogere waarde); c) de eerder vastgestelde hogere grenswaarde (indien deze lager is dan de heersende waarde). Beleid provincie Gelderland De provincie Gelderland heeft bij het voornemen om onderhoud te plegen aan de N315een aantal uitgangspunten beschreven ten aanzien van de werkzaamheden aan de weg, te weten: − Het huidige geluidarme asfalt (dunne deklaag A) wordt vervangen door SMA NL8 G+; − Twee kruisingen worden verplaatst (Heidenhoekweg en Kapersburgweg/Hertenweg); − De wegdekverharding van de Kapersburgweg/Hertenweg wijzigt van zand naar beton; − De weg wordt verbreed tussen km 12,4 en km 14,1; − Andere voor geluid beperkt relevante wijzigingen. Bij dergelijke fysieke wijzigingen aan wegen moet op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) onderzoek worden uitgevoerd naar de mogelijke verandering van de geluidsbelasting ter plaatse van bestaande geluidsgevoelige bestemmingen.
Dit onderzoek moet worden uitgevoerd binnen het aandachtsgebied van deze reconstructie en binnen de wettelijk voorgeschreven zone. In de 1e fase van de ontwikkeling zijn reeds de eerste drie van de eerdergenoemde wijzigingen aan de weg aangebracht. Omdat deze zaken al in 2021 zijn uitgevoerd, wordt daar over het algemeen in deze toelichting niet meer specifiek op ingegaan. In het kader van voorliggende PIP wordt voornamelijk de wegverbreding besproken. 5.9.2
Toetsing Ten behoeve van geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd 15. Doelstelling van dit onderzoek is om te beoordelen of ook in de zin van de Wgh sprake is van een reconstructie. Dit betekent dat moet worden nagegaan of de wijzigingen aan de wegen leiden tot een toename van de geluidsbelasting van 1,5 dB of meer. Indien er sprake is van een dergelijke verhoging van de geluidsbelasting, dan dient in het onderzoek ook te worden beoordeeld of maatregelen toepasbaar en voldoende doelmatig zijn om deze toename weg te nemen. Daarnaast worden ook gevolgen voor de gecumuleerde geluidbelasting op alle woningen langs het traject in beeld gebracht. In het onderzoek
15
Omgevingsdienst Regio Nijmegen, Akoestisch onderzoek wijziging N315 DoetinchemRuurlo, zaaknummer W.Z19.100384.01, datum 5 februari 2020 69
zijn de verschillende reconstructieonderdelen beoordeeld. Hieronder worden de uitkomsten weergegeven. Reconstructietoets wegverbreding km 12,0 en km 14,1 In figuur 5.9 is de situatie ter hoogte van km 12,0 tot km 14,1 weergegeven. De maatgevende punten zijn in figuur 5.9 weergegeven. Het betreft de punten: 094, 192, 230, 229, 087, 308, 309, 056, 057, 058.
Figuur 5.11. Locaties wegverbreding
In de volgende tabel is de geluidbelasting Lden opgenomen voor de huidige situatie (1 jaar voor realisatie) en de toekomstige situatie 10 jaar na realisatie. De waarden zijn inclusief aftrek 110g Wet geluidhinder. Deze correctie bedraagt 2 dB voor de N315. In de tabel is de maatgevende beoordelingshoogte opgenomen. Hieruit blijkt dat ter hoogte van dit traject de geluidbelasting ten hoogste 0,5 dB toeneemt. Hier is dus geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.
70
Gecumuleerde geluidbelasting In bijlage 3 bij het akoestisch onderzoek is in de laatste kolommen de gecumuleerde geluidbelasting zonder aftrek 110g weergegeven. Hieruit blijkt dat de geluidbelasting wordt bepaald door de N315. De bijdrage van de overige wegen is beperkt. Het totale effect van de reconstructie, vervangen stil asfalt en autonome groei is in deze bijlage te vinden. De totale toename bedraagt ten hoogste 0,6 dB. 5.9.3
Conclusie Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de wijziging van de weg en de autonome toename van het verkeer de geluidbelasting circa 0,5 dB toeneemt voor het grootste deel van het traject. Er is langs het gehele traject geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Er hoeven geen maatregelen worden te overwogen. Het toepassen van SMA waar nu dunne deklaag A ligt, is niet meegenomen in de bepaling van de reconstructie. Dit levert een reductie op de woningen langs deze wegdelen op van ten hoogste 0,7 dB. De gecumuleerde geluidbelasting neemt door de wijzigingen aan de weg, de autonome groei van verkeer en het toepassen van SMA per saldo toe met ten hoogste 0,6 dB. Bij de meeste woningen bedraagt de toename niet meer dan 0,5 dB. Uit het onderzoek volgt dat er geen maatregelen onderzocht hoeven te worden vanwege de wijziging van de weg.
5.10
Luchtkwaliteit
5.10.1
Algemeen Europese luchtkwaliteit‐richtlijnen Europese luchtkwaliteit‐richtlijnen zijn opgenomen in de Nederlandse Wet milieubeheer. Hierin staat de beschrijving van de luchtkwaliteit normen. Specifieke onderdelen staan in Algemene maatregel van Bestuur en ministeriële regelingen. Grenswaarden In de Wet milieubeheer (Wm) zijn grenswaarden opgenomen voor concentraties van stoffen in de buitenlucht. Voor grenswaarden geldt dat het voorgeschreven kwaliteitsniveau moet zijn bereikt en vervolgens in stand moet worden gehouden. De grenswaarden uit de Wm zijn in onderstaande tabel opgenomen.
71
De Europese normen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof concentraties (PM10) liggen op de 40 μg/m3. Het aantal toegestane overschrijdingsdagen voor PM10 ligt op 35 dagen per jaar met een concentratie van 50 μg/m3, dit komt overeen met een concentratie van 32,4 μg/m3 jaargemiddeld. De normen gelden voor woningen en gebouwen met de bijbehorende terreinen, die vallen onder de beschrijving van een gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings‐, verpleeg‐ en bejaardentehuizen. De weg en het verkeer, bestuurders van de voertuigen, vallen buiten de bovenstaande normen. Op de volgende plaatsen is geen toetsing van de luchtkwaliteit nodig: a Plaatsen waar geen mensen mogen en kunnen komen; b Terreinen met één of meer inrichtingen (bedrijven), waar al regels gelden voor de gezondheid en veiligheid van werknemers; c Wegen (rijbanen en middenberm). 5.10.2
Toetsing Ten behoeve van de toetsing van de luchtkwaliteit heeft de Omgevingsdienst Regio Nijmegen een memo opgesteld16. Hierin is bepaald dat er geen aanleiding is om voor het vervangen van het asfalt de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De infrastructurele aanpassingen van de twee kruispunten uit fase I (Heidenhoekweg en Hertenweg/Kapersburgweg) en de wegverbreding uit fase II (km 12,4 - km 14,1) zijn wel in beeld gebracht, zie volgende tabel.
Uit voorgaande tabel blijkt dat op alle locaties, op 10 meter vanaf de rand van de weg, langs de N315 de concentraties in 2018, 2020 en 2030 onder de Europese normen en de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. 16
Omgevingsdienst Regio Nijmegen, Luchtkwaliteit beoordeling N315 Doetinchem – Ruurlo, zaaknummer W.Z19.100384.01, datum 15 januari 2020. 72
Fijnstof daggemiddelde Langs het gehele traject blijft de concentratie onder de 32,4 μg/m3. Het aantal overschrijdingsdagen is in 2018 maximaal 2 dagen, in 2020 0,5 dagen en in 2030 0 dagen. Er is dus geen overschrijding van het fijnstof daggemiddelde van 35 dagen per jaar. In het berekenen van de bovenstaande concentraties is de autonome verkeersgroei, 1,5%, in de komende jaren, 2020 en 2030, meegenomen. Ondanks deze verkeersgroei zal de lokale luchtkwaliteit verbeteren, omdat het toekomstige wagenpark zal verbeteren waardoor de emissies afnemen. Invloed van de wegverbreding Het verbreden van de weg op bepaalde trajecten beïnvloedt de lokale concentraties niet of nauwelijks. Met de wegverbreding zal de lokale concentratie niet significant veranderen. De verkeersbijdrages zijn relatief laag, een verbreding van de weg verplaatst de bijdrage van de weg in overeenstemming met de verbreding. Daarmee blijft de huidige en de toekomstige luchtkwaliteit overeenkomen met de berekende concentraties. De benoemde kruispunten en de aangrenzende wegvakken uit fase I zullen door de beoogde aanpassing hoogstens de concentraties enigszins verplaatsen maar geen bepalend verschil in de huidige en toekomstige concentraties veroorzaken. Bijdrage verkeer Uit de berekeningen van de monitoringsrapportage van 2019 is op te maken dat de lokale verkeersbijdrage beperkt is en in de toekomst afneemt.
In de toekomstige berekeningen is de autonome verkeersgroei van 1,5% per jaar meegenomen. Voor stikstofdioxide neemt de bijdrage van maximaal 4,8 μg/m3 af tot 2,9 μg/m3 in 2030. Bij fijnstof PM10 is er een maximale bijdrage van 0,3 μg/m3 die afneemt naar maximaal 0,1 μg/m3 in 2030. De afname bij PM2,5 verloopt van 0,2 μg/m3 naar 0,1 μg/m3 in 2030. 5.10.3
Conclusie De aanpassingen aan de weg leiden niet tot overschrijdingen van de normen of een verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.11
Watertoets
5.11.1
Algemeen Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);
73
-
waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het
74
Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.
Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.
In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op
75
welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen.
Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Watervisie 2030 De Watervisie geeft aan hoe het waterschap aankijkt tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het beheersgebied, om de wateropgaven waarvoor ze staan duurzaam op te lossen. Er moet daartoe een betere afstemming worden gevonden tussen de waterwensen van de verschillende grondgebruiksvormen en het watersysteem zelf. Omdat ruimtelijke oplossingen op langere termijn duurzamer zijn, krijgen deze de voorkeur boven technische oplossingen. Bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen geldt het natuurlijk watersysteem als ideaalbeeld. Een dergelijk watersysteem heeft onder meer de mogelijkheid om (in geval van veel neerslag) voldoende water op te vangen en water (in geval van te zware belasting) voldoende te reinigen. Water moet richtinggevend zijn bij toekomstige stedelijke uitbreiding. Bij overschot wordt regenwater in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater geleid. Het waterschap streeft ernaar regenwater niet meer via de riolering af te voeren. Het rioleringsstelsel wordt aldus minder zwaar belast, waardoor de kans op overstorten van rioolwater op oppervlaktewater kleiner wordt. Keur Waterschap Rijn en IJssel legt de eigen regels vast in de zogeheten Keur.