CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3.00 TOELICHTING Inpassingsplan N315 23 maart 2023.pdf

gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 10.2: Provinciaal inpassingsplan N31520.188 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Dat is de benaming voor de verordening waarmee de veiligheid van dijken, watergangen en kades wordt geregeld. Maar ook het al dan niet toestaan van activiteiten of bouwwerken nabij het water en de dijken, lozingen op het oppervlaktewater en het oppompen van grond- en oppervlaktewater zijn erin geregeld.

76

Watertoets In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een inpassingsplan daarbij overleg pleegt met onder andere de waterschappen. 5.11.2

Toetsing en conclusie Onderhavig plan (de tweede fase van de aanpassingen aan de N315 DoetinchemRuurlo) betreft ten eerste de beoogde wegverbreding ten noorden van Zelhem (km 12.4 tot km 14,1) en de investering in de LNC -waarden (landschap, natuur en cultuurhistorie). Voor deze werkzaamheden moeten de bermsloten op enkele plekken verlegd worden. Ook neemt door de wegverbreding het verhard oppervlak toe met circa 1.100 m2. De provincie heeft afstemming hierover met het waterschap gezocht. Er heeft op 19 augustus 2022 een overleg plaatsgevonden. Uit het overleg is gekomen dat de te verleggen sloten niet op de legger van het waterschap staan, dus voor ingrepen daaraan is op zichzelf geen watervergunning nodig. Wel is een watervergunning nodig als de aansluitingen van deze sloten op watergangen die wél op de legger staan worden aangepast. Ook hiervan is geen sprake. Wat betreft de toename van het verhard oppervlak geldt als uitgangspunt dat in principe gecompenseerd moet worden. Bij voorkeur moet het hemelwater inzijgen in de bermen langs de weg. Als dat voldoende kan, is geen extra waterbergend (sloot)volume nodig. Als toch berging nodig is, mag die worden gerealiseerd in de niet-leggerwatergangen. Ten slotte is afgesproken om afstemming te blijven houden met het waterschap bij de uitwerking van de plannen.

Het invullen van een digitale watertoets is door het al gevoerde overleg niet meer nodig en niet meer zinvol.

5.12

Kabels en leidingen

5.12.1

Algemeen Bij vaststelling van een inpassingsplan moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.

5.12.2

Toetsing In het plangebied is een aantal ruimtelijk relevante kabels en leidingen aanwezig, veelal in de bermstroken van de weg, zoals gebruikelijk. Deze zijn bij de uitwerking van de plannen al in beeld gebracht. Sommige van de leidingtracés moeten worden verplaatst vanwege de beoogde aanpassingen aan en langs de weg. In nog te beleggen combi-overleggen zal nog (zoals gebruikelijk bij dit soort plannen) worden besproken welke kabels/leidingen moeten worden verlegd en hoe precies.

77

5.12.3

Conclusie Door het verleggen van de kabels en leidingen en het opnemen van een dubbelbestemming voor de relevante kabels en leidingen zijn deze beschermd en leidt de uitvoeringen van het plan niet tot problemen.

78

6 6.1

Juridische planopzet Inleiding Voorliggend inpassingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het provinciale inpassingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een afgeleide voor deze gebruiksregels zijn de regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan en de interpretatie van de planregels. De toelichting van dit inpassingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het inpassingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het inpassingsplan. Voor de wijze van bestemmen is waar mogelijk aangesloten bij de huidige bestemmingsplannen van de gemeenten waar het plangebied binnen ligt en uiteraard is de wijze van bestemmen eveneens gebaseerd op de “Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012”. De verbeelding is IMRO-gecodeerd volgens IMRO2012.

6.2

Bevoegd gezag omgevingsvergunningen en wijzigingsplannen In artikel 2.4, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is beschreven over wie beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak wordt of zal worden uitgevoerd zijn bevoegd gezag voor het beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Uitzondering op deze regel is dat Gedeputeerde Staten in de plaats treden van Burgemeester en Wethouders voor de beslissing op een aanvraag als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder a, b, c Wabo als dit in een provinciaal inpassingsplan zo is vastgelegd. Deze uitzondering volgt uit artikel 3.1, onder a van het Besluit omgevingsrecht en artikel 3.26 Wet ruimtelijke ordening. In ditzelfde artikel is ook geregeld dat gedeputeerde staten de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid van die wet uitoefenen. In dit artikel is onder meer de mogelijkheid opgenomen om in een ruimtelijk plan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen.

6.3

Opbouw van verbeelding en regels

6.3.1

Verbeelding Binnen een bestemming, zoals aangegeven op de verbeelding, kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend

79

opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Deze zijn daarom opgenomen bij de ‘verklaringen’. Verder zijn de gronden voorzien van een dubbelbestemming. In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling op of ter beperking van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. In het artikel ‘overige regels’ van hoofdstuk 3 is de voorrangsregeling tussen de verschillende dubbelbestemmingen opgenomen. 6.3.2

Regels De regels van het inpassingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: − Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen. − Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook de dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. − Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. − Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht en de slotregel. Regels in verband met de bestemmingen De bestemmingsregels kennen alle eenzelfde opbouw met de volgende leden: − bestemmingsomschrijving − bouwregels − nadere eisen-bevoegdheid (indien aanwezig) − afwijken van de bouwregels (indien aanwezig) − specifieke gebruiksregels (indien aanwezig) − afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig) − omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig) − wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig) De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan deze omschrijving.

Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. Inleidende, algemene en overgangs- en slotregels De inleidende (hoofdstuk 1), algemene (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn de gebruikelijke bestemmingsregels en worden hier verder niet toegelicht. Waar relevant, wordt bij de beschrijving van de bestemmingen verwezen naar de algemene regels van hoofdstuk 3.

80

6.4

Bestemmingen

6.4.1

Enkelbestemmingen Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen, landschapselementen en kleinschalige agrarisch gebruik. Tevens zijn binnen deze bestemming ook paden en water toegestaan. Binnen de bestemming ‘Groen’ ter plaatse gelden beperkte bouwmogelijkheden. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor gebiedsontsluiting en langzaam verkeer. Binnen deze bestemming is een adequate inrichting van de verkeersruimte mogelijk. Ook ecologische en groenvoorzieningen zijn binnen deze bestemming mogelijk.

6.4.2

Dubbelbestemmingen Dubbelbestemmingen regelen een bijzonder (algemeen) belang dat eerst afgewogen moet worden alvorens de onderliggende bestemming mag worden toegepast. Er gelden in die gevallen dus twee bestemmingen, waarbij de dubbelbestemming voor gaat op de onderliggende bestemming. Voor zover dubbelbestemmingen samenvallen gelden de regels van beide dubbelbestemmingen. Leiding - Riool De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de drukrioolleiding. Leiding - Water De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de waterleiding. Waarde - Cultuurhistorie De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), tevens bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de historische buitenplaats Ruurlo.

6.4.3

Algemene aanduidingsregels Luchtvaartverkeerzone - laagvlieggebied Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - laagvlieggebied' geldt een laagvliegroute voor straaljagers en is geen bebouwing hoger dan 40 m boven maaiveld toegestaan. Overige zone – Gelders natuurnetwerk Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Gelders natuurnetwerk' zijn de gronden tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van

81

de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Hiertoe worden niet gerekend de gronden die vallen binnen de bestemming ‘Verkeer’. Overige zone – groene ontwikkelingszone Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' zijn de gronden tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Hiertoe worden niet gerekend de gronden die vallen binnen de bestemming ‘Verkeer’. Overige zone – Nationaal landschap Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – nationaal landschap’ zijn de gronden voor zover dit valt buiten de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' en/of buiten de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' tevens bestemd voor bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. Deze kernkwaliteiten zijn vastgelegd in de Bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van de Omgevingsverordening Gelderland.

82

7 7.1

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Bij de voorbereiding van een inpassingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij is de vraag relevant op welke manier de te maken kosten voor het project gedekt zijn, waarbij eventuele planschade onderdeel uitmaakt van de kosten.

7.2

Beoordeling plan De benodigde financiële middelen voor de maatregelen die met dit inpassingsplan mogelijk worden gemaakt zijn opgenomen in de door Provinciale Staten vastgestelde begroting. Bij de begroting is niet alleen rekening gehouden met de realisatie van de aanpassingen maar ook met het (ver)leggen van kabels en leidingen, grondverwerving, planten van bomen en overige maatregelen en de eventuele financiële consequenties van planschade. Gelet op het bovenstaande is het inpassingsplan economisch uitvoerbaar.

7.3

Grondverwerving Een deel van de benodigde gronden voor de compensatie van de bomen zijn in eigendom van particulieren. Voor zover deze gronden niet in eigendom zijn is de provincie met de grondeigenaren in overleg over aankoop van de grond dan wel minnelijke medewerking aan de uitvoering van de maatregelen. Wanneer minnelijk geen overeenstemming wordt bereikt, biedt het inpassingsplan zo nodig een titel voor onteigening.

7.4

Conclusie De economische uitvoerbaarheid van de aanpassingen van de weg en de bomencompensatie is voldoende aangetoond.

83

8 8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Vanaf het begin van het project (in 2017) is sterk ingestoken op participatie, in lijn met de Gelderse participatieaanpak. In 2017 is voor deze participatie een Werkgroep Bomen opgericht. Deze bestaat uit aan- en omwonenden, bomenbelangengroepen en vertegenwoordigers van de verkeerspolitie en de drie gemeenten waarin de weg gelegen is (Berkelland, Bronckhorst en Doetinchem). De Werkgroep heeft in meerdere rondes meegedacht over het integraal inrichtingsplan voor deze weg en over de vraag hoe de belangen van zowel LNC (Landschap, Natuur & Cultuurhistorie) als verkeersveiligheid (inclusief de berminrichting) bij elkaar kunnen worden gebracht. Onder andere met die inbreng is gekomen tot het oorspronkelijke inrichtingsplan dat uitging van de kap van ruim 200 bomen. De Werkgroep Bomen is na de vaststelling van de nieuwe ‘Provinciale Werkwijze bomen’ opnieuw bij het proces betrokken. Er is uitgelegd hoe het integraal inrichtingsplan is herzien naar aanleiding van de geactualiseerde Werkwijze. Ook is de Werkgroep gevraagd om een reactie. De leden van de Werkgroep konden zich in meerderheid vinden in het definitieve integraal inrichtingsplan.

8.2

Inspraak Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpinpassingsplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten/provincies niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. Het Besluit ruimtelijke ordening doet dat evenmin. Een formele inspraakprocedure op basis van een voorontwerp van dit provinciaal inpassingsplan heeft om die reden niet plaatsgevonden. Echter, zoals in paragraaf 8.1 beschreven heeft de provincie wel inspraak georganiseerd.

8.3

Wettelijk vooroverleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen Gedeputeerde Staten bij de voorbereiding van een inpassingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op grond van artikel 3.26 Wro is er een wettelijke verplichting tot het horen van de gemeenteraad in het kader van een provinciaal inpassingsplan. Tijdens het vooroverleg, zoals in de vorige alinea beschreven, is ook aan deze wettelijke verplichting nader inhoud gegeven. Bovengenoemd vooroverleg met de vaste vooroverlegpartners en het horen van de gemeenteraad heeft plaatsgevonden.

84

8.4

Procedure na terinzagelegging van dit ontwerpinpassingsplan Dit provinciaal inpassingsplan wordt voor (ten minste) zes weken ter visie gelegd. Eenieder wordt in de gelegenheid gesteld om zienswijzen te geven. De binnengekomen zienswijzen worden in het vast te stellen inpassingsplan besproken en beantwoord.

85

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7865/documents/43457