CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_01_Bestemmingsplan Augustinuspark Gaanderen - 2023.pdf

beeldvormende raad 16 mei 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Augustinuspark Gaanderen - 2023 en beeldkwaliteitsplan Het Augustinuspark34.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

56

Uitsnede klimaatatlas Doetinchem - Bui van 70 mm in één uur

Uitsnede klimaatatlas Doetinchem - Bui van 160 mm in twee uur Hittestress De klimaatatlas van de gemeente Doetinchem laat zien waar de kans groot is om hittestress te ervaren. Dus waar het op warme dagen extra heet aanvoelt. Hittestress kan zorgen voor gezondheidsrisico's. Het plan ligt in een gebied waar het aan de west- en oostkant extra warm zal aanvoelen op warme dagen, terwijl aan de noord- en zuidkant het koeler

57

zal aanvoelen. Om hittestress te voorkomen en verminderen en de koele plekken te behouden worden de volgende maatregelen genomen. Bestaande bomen worden behouden waar mogelijk. De nieuwe woningen worden gebouwd in een openbare parkstructuur waardoor er meer ruimte ontstaat voor openbaar groen dit zorgt voor een vermindering van hittesstress.

Uitsnede klimaatatlas Doetinchem - Hittestress Droogte De huidige grondwaterstanden in het plangebied zijn laag. In 2050 is er een zeer beperkte verandering en blijven de grondwaterstanden in het gebied nog steeds laag. Het plangebied is dus gevoelig voor droogte, nu en voor in de toekomst. Door het hemelwater binnen het plangebied te laten infiltreren wordt ingezet om de gevolgen van droogte te minimaliseren. Overstroming Door het bezwijken van een dijk van de IJssel of de Rijn heeft het plangebied naar verwachting een waterhoogte van 020 cm. Hiermee in samenhang bestaat in 2050 ter plaatse van het plangebied een kleine kans op een overstroming van meer dan 50 cm (kans 1x 300 tot 3.000 jaar). Verwacht wordt dat de Waterschappen c.q. verantwoordelijke medeoverheden zich ook inzetten om zorg te dragen voor een goede waterveiligheid in het stroomgebied van de IJssel en de Rijn.

3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 Op 26 april 2012 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 vastgesteld. Dit is een actualisatie van de Regionale structuurvisie uit 2004. Als basis voor ruimtelijk beleid zijn er een aantal speerpunten voor de regio benoemd. Dat zijn: • omgaan met de krimp; • externe relaties; • veranderingen in het landelijk gebied; overstap naar duurzame energie. De kern Doetinchem bevindt zich op basis van deze structuurvisie in de dragerzone, waar naast normale ontwikkelingsruimte ruimte wordt geboden aan ontwikkelingen met grote ruimtelijke effecten (bv. door schaal, omvang of verkeersaantrekkend effect). Doetinchem speelt een belangrijke rol in deze dragerzone. Het stedelijk voorzieningenniveau van de stad kan verder worden uitgebreid ter versterking van de zelfstandigheid van de regio. De kernen en regionale bedrijventerreinen in de 'dragerzone' moeten relatief grootschalige ontwikkelingen opvangen, maar

58

kunnen toch niet onbeperkt groeien. Om ook in de 'dragerzone' de maat en schaal van de Achterhoek te behouden worden deze gebieden begrensd, onder andere op basis van de schaal en de lokale identiteit van de kern en de nabijgelegen kwaliteiten vanuit landschap, natuur en water. Onderzoek en conclusie De Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 is opgesteld vanuit een andere context dan waar op dit moment sprake van is. Daarmee is deze visie deels achterhaald door de tijd en de ontwikkelingen. Van bevolkingskrimp is geen sprake meer, maar er dient gebouwd te worden naar behoefte. De ontwikkeling van de 'voormalige Augustinusschool' dat met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, geeft invulling aan die behoefte, zie paragraaf 3.5.6. Daarnaast worden de woningen, conform huidige wetgeving, gasloos gerealiseerd. Dit draagt bij aan de overstap naar duurzame energie. De voorliggende ontwikkeling is niet strijdig met de regionale structuurvisie Achterhoek.

3.4.2 Regionale Woonagenda Achterhoek 2023-2030 In februari/maart 2023 hebben de Achterhoekse gemeenten en de provincie een nieuwe Regionale Woonagenda 2023 -2030 vastgesteld waarin langs 4 programmalijnen de woondoelen uit de Achterhoek Visie 2030 verder zijn uitgewerkt. In Doetinchem is deze agenda op 2 maart 2023 vastgesteld. Gedeputeerde Staten hebben deze vastgesteld op 24 januari 2023. Deze agenda bevat het volgende: • De Achterhoek wil in 2 stappen 8.390 tot 11.500 nieuwe woningen toevoegen, waarvan 60% betaalbaar, inclusief 28% sociale huur. • De Achterhoek investeert in de kwaliteit van de bestaande voorraad, onder andere door verbetering van 7.000 sociale huurwoningen en 24.000 particuliere woningen. • De Achterhoek wil een plek zijn voor iedereen, voor starters, ouderen, werknemers en arbeidsmigranten en andere aandachtsgroepen. • De Achterhoek wil dit realiseren via gebiedsgerichte integrale opgaven: ◦ Vergroten differentiatie woningaanbod in vitale kernen en buurten. ◦ Vergroten aanbod van stedelijke woonmilieus. ◦ Goed en bereikbaar wonen rondom mobiliteits-knooppunten. ◦ Ruimte voor nieuwe woonconcepten in een toekomstbestendig landelijk gebied. Onderzoek en conclusie Het woningbouwprogramma op de voormalige Augustinusschool draagt bij aan de toe te voegen woningbouwaantallen opgenomen in de regionale woonagenda.

En voldoet aan de regionale afspraken over de betaalbaarheid.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie Doetinchem 2035 Op 26 september 2013 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Structuurvisie Doetinchem 2035 vastgesteld. Deze structuurvisie schetst een beeld van de huidige ruimtelijke situatie en gaat zowel in op de kwaliteiten als op onderdelen waar verbeteringen denkbaar zijn. Er worden ruimtelijke kaders geschetst waarbinnen de gemeente Doetinchem de komende jaren wil werken. Daarbij gelden vier thema's, waarvan drie voor de ontwikkelingen in het plangebied van belang zijn. Dit zijn: • beherend ontwikkelen van stad en land; • kwaliteit en beleving; • economische kansen. Beherend ontwikkelen van stad en land Het accent verschuift van ontwikkeling naar beheer als gevolg van de te verwachten vergrijzing van de bevolking en

59

daling van het aantal inwoners. De focus komt te liggen op het verbeteren van bestaande gebieden en functies. Wat goed is vraagt om goed beheer en behoud. Wat niet langer voldoet vraagt om aanpassing of, in het uiterste geval, om vervanging door iets anders. Denkbaar is de sloop van bebouwing en het transformeren van stukken stad naar natuur of stadspark. Kwaliteit en beleving De verschuiving van het accent naar beheer biedt kansen voor kwalitatieve ontwikkeling. Doetinchem moet aantrekkelijk zijn voor bewoners, bezoekers en bedrijven. In de structuurvisie ligt de focus op de beleving en ruimtelijke kwaliteit. De structuurvisie streeft een hoge ruimtelijke kwaliteit na. De kwaliteit zal er overal weer anders uitzien en is op verschillende manieren te realiseren. Economische kansen De gemeente Doetinchem wil aantrekkelijk blijven door bestaande kwaliteiten te versterken en nieuwe kwaliteiten aan te boren. Inzet is het behoud van werkgelegenheid en het redden van de traditioneel sterke sectoren, zoals de maakindustrie en de zorg. Daarnaast zet de gemeente in op onverwachte kansen die zich voordoen en het anticiperen daarop. De stad moet vernieuwend zijn zonder de bestaande kwaliteiten te verwaarlozen. Doetinchem en haar omgeving Als centrumgemeente zal Doetinchem de komende jaren een steeds belangrijkere rol vervullen.

Als gevolg van bevolkingsontwikkeling zullen omliggende dorpen steeds vaker gebruik maken van de Doetinchemse voorzieningen. Goede verbindingen met de buurgemeenten zijn noodzakelijk. Er zijn verschillende samenwerkingsvormen, ook met buurland Duitsland. Belangrijke aandachtsgebieden zijn momenteel de infrastructuur, de zorg, het onderwijs, de werkgelegenheid en de cultuur. Gaaf Gaanderen In 2011 is het dorpsplan Gaanderen verschenen. Dit is opgesteld door de inwoners van het dorp en raakt alle aspecten die het woonmilieu in Gaanderen beïnvloeden. De gemeenteraad heeft besloten het plan als bouwsteen mee te nemen bij gemeentelijke beleidsvorming. In overleg met een vertegenwoordiging van de dorpsraad is besloten om één van de opgaven in deze structuurvisie te wijden aan de wens van het dorp om toegankelijkheid, veiligheid en beleving van het verkeer verder te optimaliseren. Daarmee wordt het aspect verkeer geprioriteerd. Daarnaast houdt de gemeente rekening met de kleinere opgaven die in het dorp om aandacht vragen zoals de herbestemming van monumentale gebouwen als de Martinus-school, een duurzame oplossing voor de omgeving van de Augustinus-school en -kerk en het functioneel en esthetisch versterken van het centrum. Onderzoek en conclusie De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt sluit aan bij de Structuurvisie Doetinchem 2035.

Deze voorziet namelijk in een duurzame oplossing voor de omgeving van het Sint Jozefterrein en de voormalige Augustinusschool, in de vorm van woningbouw die aansluit bij de behoefte van Gaanderen.

3.5.2 Doetinchem Natuurlijk Duurzaam Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030

60

energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Onderzoek en conclusie Duurzaamheid is een belangrijk thema binnen deze ontwikkeling. De toekomstige woningen moeten dan ook voldoen aan de eisen op het gebied van duurzaamheid vanuit van het geldende Bouwbesluit. De eisen gaan o.a. over isolatie, energiezuinige installaties en natuurlijk het gasloos opleveren van de woningen. Daarnaast wordt, in het kader van duurzame omgang van regenwater, ingezet op het minimaliseren van verhardingsmaterialen en het toepassen van water passerende verhardingen.

3.5.3 Duurzame energieopwekking in Doetinchem Op 25 april 2019 heeft de gemeenteraad het beleidskader Duurzame energieopwekking in Doetinchem vastgesteld. Met dit beleidskader is helder hoe de gemeente initiatieven voor duurzame energieopwekking in behandeling wil nemen. Het biedt inwoners de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in Doetinchem. De doelstelling van het beleidskader is drieledig: 1. Het beleidskader heeft als doel ruimte te bieden voor duurzame energieopwekkingsinitiatieven. Tot de vaststelling van het beleidskader werden initiatieven voor energieopwekking welke afwijken van het bestemmingsplan, door gebrek aan beleid, niet in behandeling genomen. Het beleidskader heeft hier verandering in gebracht. Door het beleidskader is de gemeente in staat om initiatieven te 'toetsen' op hun inpasbaarheid binnen Doetinchem .2. De ruimtelijke kwaliteit van het grondgebied waarborgen en waar mogelijk versterken. Bronnen voor duurzame energieopwekking nemen ruimte in beslag. Afhankelijk van de beschikbare ruimte, het soort bron en de ruimtelijke impact die het heeft, is de benodigde ruimte en impact van het initiatief kleiner of groter.

Met het beleidskader worden richtlijnen gegeven voor 'inpassing' van initiatieven met een grote ruimtelijke impact. 3. Ten derde is het doel dat grootschalige initiatieven met een zo groot mogelijke maatschappelijke betrokkenheid totstand komen. Initiatiefnemers voor ontwikkeling van bronnen van duurzame energieopwekking beogen over het algemeen een zo groot mogelijk rendement. Deze rendementen keren over het algemeen niet terug in het gebied. De omgeving van zo'n project ervaart daardoor vaak alleen de lasten (als visuele hinder, geluidhinder, enz.) en niet de lusten. Met het beleidskader wordt juist lokaal initiatief en eigenaarschap gestimuleerd. Daarnaast wordt beoogd dat initiatiefnemers van buiten de gemeente aangezet worden tot het betrekken van omwonenden in het totale proces van idee tot exploitatie. Dit alles om de betrokkenheid te vergroten en de omgeving mee te laten profiteren van de voordelen die ook ontstaan. In het beleidskader staan richtlijnen en randvoorwaarden, waar en onder welke voorwaarden de duurzame energiebronnen in de gemeente tot stand mogen komen. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: • Alle bronnen en vormen van duurzame energieopwekking zijn nodig. • Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden samen met de omgeving en belanghebbenden vormgegeven.

• Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden landschappelijk ingepast.

61

Onderzoek en conclusie Van grootschalige initiatieven gericht op de opwek van duurzame energie is geen sprake en wordt met voorliggend bestemmingsplan dus ook niet mogelijk gemaakt.

3.5.4 Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem Op 7 juli 2022 heeft de gemeenteraad de klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. De Klimaatadaptatiestrategie beschrijft hoe de Gemeente Doetinchem in 2050 klimaatbestendig wil zijn. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. Het klimaatadaptatiebeleid beschrijft twee stappen: a. De verwachte klimaateffecten in onze gemeente. b. De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de klimaatadaptatiestrategie) De klimaatadaptatiestrategie beschrijft de ambities voor 2050 aan de hand van vijf pijlers: • Stad en dorp gezond en groen. • Adaptief landelijk beleid. • Robuuste vitale infrastructuur. • Ontwikkelingen klimaatbestendig. • Betrokken en actieve mensen. Het klimaat verandert en we moeten ons voorbereiden op extremer weer in 2050. Zo willen we bij de Gemeente Doetinchem buiten aan de slag: • Neerslag vasthouden daar waar het valt. • De bodem inzetten als spons. • Meer schaduw door meer groen. • Minder verharding door meer groen. • Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog. De onderstaande opgaven hebben de hoogste prioriteit gekregen.

Onderzoeken en conclusie In paragraaf 3.3.2. wordt ingegaan op de aspecten wateroverlast, droogte en hitte. In het plan is voldoende aandacht besteed aan klimaat adaptieve maatregelen ter voorkoming of beperking van mogelijke risico's als gevolg van klimaatverandering.

3.5.5 Planologisch beleid Op 6 januari 2011 heeft de gemeenteraad van Doetinchem ingestemd met het Planologisch beleid 2011. Bij de

62

vaststelling van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - najaar - 2019' op 30 maart 2020 heeft de gemeenteraad een aantal wijzigingen doorgevoerd. In deze paragraaf komt de integrale versie van het Planologisch beleid terug. Het planologisch beleid vormt het ruimtelijk beleidskader voor woningen en bijbehorende bouwwerken. In de nota wordt beleid geformuleerd voor kleine bouwplannen met betrekking tot woningen. Ook voorziet de nota in een belangrijke verruiming en versoepeling van de tot nu toe gehanteerde bouwvoorschriften. In de voorgestelde regeling is een onderscheid gemaakt tussen: a. ruimtelijke aspecten die betrekking hebben op het woonhuis en bijbehorende bouwwerken alleen; b. de ruimtelijke aspecten van de woning die alleen geregeld kunnen worden als de kenmerken van de omgeving daarbij betrokken worden. Daarnaast zijn een aantal relatief ondergeschikte bouwactiviteiten die voorheen als afwijking verleend kon worden, nu als 'bij recht' toegestane bouwactiviteiten opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld erkers, toegangspartijen en overkappingen in de voortuin van een woning. Verder zijn versoepelingen doorgevoerd voor: • woonruimte in bijbehorende bouwwerken; • overkappingen; • erfafscheidingen; • beroepen en bedrijven aan huis; • mantelzorg. Met het Planologisch beleid ligt er een vernieuwde basis voor omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen.

Daarnaast is het beleid de basis voor nieuwe planontwikkelingen. De regels uit het planologisch beleid komen, zover ze niet zijn vertaald op de plankaart, terug in de regels van dit bestemmingsplan. Onderzoek en conclusie Voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan is het planologisch beleid als uitgangspunt gehanteerd. Tegelijkertijd maakt het stedenbouwkundigplan en het achterliggende concept dat op een aantal punten afgeweken wordt van de standaard die met het planologisch beleid wordt nagestreefd.

3.5.6 Woonvisie 2023-2036 De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 maart 2023 vastgesteld. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. Met het vaststellen van deze woonvisie worden de Woningbouwstrategie 2019 en de lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025 ingetrokken. De hoofdlijnen van de woonvisie zullen in de omgevingsvisie worden opgenomen. De woonvisie wordt uitgevoerd via de in de visie opgenomen programmalijnen. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1. Groeien in kwaliteit. 2. Kwalitatief goed wonen. 3. Een passende woning voor iedereen. 4. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven. Ad 1. Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan

63

op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. Ad 2. Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. Ad 3. Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 dienen minimaal 2470 woningen toegevoegd te worden in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk.

Totaal: minimaal 2470 woningen, onderverdeeld in: 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; 8% middenhuur tot € 1.000,00, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000; 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Ad 4 Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4 Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie.

Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit vijf speerpunten en een kaartbeeld. Het kaartbeeld is te zien in bijlage 17 Ruimtelijk streefbeeld - Woonvisie. De vijf speerpunten zijn: a. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA b. Bouwen in en aan buurten c. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes d. Waar nodig stadsranden en dorpsranden e. Woonmilieus voor ontwikkelingen De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Nieuwe woningbouwinitiatieven Bij nieuwe woningbouwinitiatieven worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

64

a. Het initiatief heeft een woningbouwprogramma dat bijdraagt aan de gewenste variëteit aan woningen in de wijk. b. Het initiatief bevindt zich in een van de ontwikkelgebieden zoals aangegeven in het ruimtelijk streefbeeld en voldoet aan het woonmilieu en andere vereisten van dit ontwikkelgebied. c. Initiatieven in de zoekgebieden stads- en dorpsranden alleen in behandeling te nemen als deze ofwel gecombineerd zijn met een transformatie- of inbreidingsinitiatief of als er in het te ontwikkelen gebied combinaties met andere opgaven gemaakt kunnen worden die zorgen voor een aanmerkelijk hogere kwaliteit van dit gebied. Onderzoek en conclusie Het woningbouwprogramma voor de voormalige Augustinusschool bestaat uit meer dan 20 woningen en moet dus voldoen aan het programma zoals opgenomen in ‘programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen’ van de woonvisie. In paragraaf 2.2 staat beschreven welke type woningen er mogelijk zijn binnen het plangebied. En dat er voldaan moet worden aan het programma van de woonvisie. Dit programma is onderverdeeld in vier categorieën. Door het voldoen aan het woningbouwprogramma uit de woonvisie is o.a. geborgd dat in het plan ruimte is voor goedkope – en betaalbare woningen.

3.5.7 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: • het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; • water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); • met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; • een goede communicatie opzetten (intern en extern); • water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; • samenwerken en afstemmen; • balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt.

Onderzoek en conclusie Voor de ontwikkeling van de voormalige Augustinusschool wordt gebruikt gemaakt van het principe dat hemelwater oppervlakkig wordt geborgen, geïnfiltreerd en afgevoerd. Dit sluit aan bij de drietrapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren. In het plangebied is geen oppervlakte water aanwezig dat een mede-ordenende functie heeft. Dit bestemmingsplan sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan..

3.5.8 Groenstructuurplan Doetinchem 2017 Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de

65

Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: • vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; • verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; • handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; • functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; • mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

Groenstructuurkaart, Kaart Gaanderen

Uitsnede groenstructuurkaart Gaanderen t.h.v. plangebied Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied is geen groen aanwezig dat is aangewezen als onderdeel van de hoofd -of nevenstructuur groen. Wel is er een hoofdstructuur bomen aangeduid langs de Rijksweg. Bij de uitwerking van de uitwerkingsplicht kan deze hoofstructuur behouden en/of versterkt worden.

3.5.9 Bomenbeleid en de Bomenverordening De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van

66

beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Onderzoek en conclusie In het gebied zijn geen zogenaamde bijzondere/waardevolle bomen in de zin van de Bomenverordening aanwezig. Aan de Rijksweg bevindt zich wel de 'hoofdstructuur toekomstig monumentaal' maar dit is niet van invloed op het plangebied. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt voor zover van toepassing de aanwezigheid van deze bomen en bescherming via de Bomenverordening in acht genomen. Voor het overige zal voor zover van toepassing voor de uitvoering van werkzaamheden de Bomenverordening in acht worden genomen.

3.5.10 Mobiliteitsvisie 2016-2026 De gemeenteraad heeft op 3 november 2016 de nieuwe Mobiliteitsvisie 2016-2026 vastgesteld. Dit plan is gericht op kwaliteit (snel, veilig en comfortabel) en op gelijkwaardige belangen van autoverkeer, openbaar vervoer en fiets. Oftewel, op welke wijze kan de gemeente er voor zorgen dat de hele gemeente en binnenstad voor onze inwoners en bezoekers een veilige stad is die ook makkelijk te bereiken is en een goede doorstroming biedt de auto maar zeker ook voor de fiets: de auto heeft niet automatisch prioriteit. Daarbij gaat de gemeente slimmer en efficiënter gebruik maken van de bestaande infrastructuur. Niet perse meer infrastructuur maar beter benutten van wat er al is. Het wijzigingen van het mobiliteitsgedrag en de eigen verantwoordelijkheid van de burgers staat centraal bij het beoogde effect van de maatregelen. Onderzoek en conclusie In het wegcategoriseringplan hebben alle wegen op gemeentelijk grondgebied een functie gekregen. Een concretisering van de mobiliteitsvisie voor het plangebied is weergegeven in paragraaf 4.12.

3.5.11 Parkeervisie Doetinchem 2024 Op 28 maart 2023 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Doetinchem 2024' en de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem' vastgesteld. In de visie zijn de parkeerambities uitgewerkt in de volgende 5 thema's: a. parkeernormen en parkeerbezetting; b. parkeerregulering; c. parkeertarieven; d. fietsparkeren ; e. informatievoorziening. Parkeernormen zijn in eerste instantie voor bedoeld dat er bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals nieuwbouw, grootschalige renovaties en transformaties geen parkeeroverlast ontstaat in de omgeving hiervan. Maar ook om ervoor te zorgen dat er niet te veel parkeerplaatsen aangelegd worden, die een onnodige claim leggen op de openbare ruimte. Onderzoek en conclusie In de 'Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem' staan per situatie de parkeernormen uitgewerkt. Het parkeerbeleid is voor het plangebied nader uitgewerkt in paragraaf 4.13.

3.5.12 Doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023 De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om per deelgebied in bestemmingsplannen te eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen. Dit kan voor de categorieën sociale huur, middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. De Doelgroepenverordening vormt daarmee de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in bestemmingsplannen. De Doelgroepenverordening heeft alleen betrekking op nieuwbouw. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft de rijksoverheid gedefinieerd wat wordt begrepen onder een sociale koopwoning. De definiëring

67

van de doelgroep voor deze woningen wordt in het Bro echter bij de gemeente gelegd. Dit betekent dat de gemeente een Doelgroepenverordening moet hebben om kwalitatieve eisen te kunnen stellen in nieuwe bestemmingsplannen en exploitatieplannen. In de betreffende verordening definieert de gemeente de doelgroep voor sociale huur en sociale/betaalbare koopwoningen. Daarnaast moet in deze verordening de instandhoudingstermijn voor deze woningen worden bepaald, binnen de in het Bro gestelde grenzen. Om de Doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende bestemmingsplan en/of het bijbehorende exploitatieplan vastgelegd worden. Alleen dan kan de Doelgroepenverordening worden toegepast. Het toepassen van de verordening is een keuze die afhankelijk van de afwegingen in elk bestemmingsplan moet worden gemaakt. De doelgroepenverordening geeft aan voor welke doelgroep de te bouwen sociale huur- en betaalbare koopwoningen bedoeld zijn. De doelgroep worden bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. Ook regelt de verordening dat deze woningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moet blijven voor de daarvoor aangewezen doelgroep. Dit zijn de instandhoudingstermijnen. De aanleiding voor deze uitgangspunten en keuzes in de doelgroepenverordening worden gevormd door de Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036 “Stadse allure – dorpse gemoedelijkheid”.

Het bevorderen van het realiseren van woningen voor starters, senioren en mensen met een laag of middeninkomen is een belangrijke doelgroep van het beleid Voor de volledigheid wordt vermeld dat in de Doelgroepenverordening gesproken wordt over een goedkope koopwoning. Deze wordt gedefinieert als een sociale koopwoning in de zin van de Bro. Omdat de Bro limitatief bepaalt voor welke type woningen regels in het bestemmingsplan mogen worden opgenomen, is in het bestemmingsplan conform de Bro sociale koopwoning opgenomen. De Bro hanteert voor deze categorie een maximale prijsgrens van €200.000. Op basis van de Crisis- en herstelwet is een experimenteer-regeling ingesteld, waarmee gemeenten bij het ministerie van binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een verzoek kunnen indienen om deze grens op te mogen trekken naar de betaalbaarheidsgrens uit de Nationale woon- en bouwagenda of zelfs naar de grens van de nationale hypotheekgarantie. De gemeente Doetinchem heeft de minister verzocht de grens voor de gemeente Doetinchem op te trekken naar de grens van de betaalbare koop (categorie 2) uit de Woonvisie (€355.000). Het ministerie heeft daarin toegestemd en zal deze toestemming meenemen in de zesde tranche van het experiment in november 2023. Hierdoor is de grens van €355.000 in plaats van €200.000 juridisch mogelijk.

Onderzoek en conclusie In de regels van het bestemmingsplan zijn de categorieën, sociale huurwoningen, goedkope koopwoningen, middenhuur, betaalbare koopwoningen categorie 1 en 2 vanuit het voorgestelde woningbouwprogramma in de Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036 ''Stadse alure - dorpse gemoedelijkheid'' overgenomen. Hieraan zijn de regels vanuit de doelgroepenverordening gekoppeld. Hierdoor is verzekerd dat het woningbouwprogramma met bovenstaande categorieën gerealiseerd gaan worden met een daarbij behorende maximale huur- en/of vrij op naam koopprijs, de instandhoudingstermijnen en doelgroepen volgens de doelgroepenverordening.

68

4 Haalbaarheid 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten milieueffectrapportage, bodem, akoestiek (weg, rail en industrie), luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, flora en fauna, water, archeologie, verkeer en parkeren. En de daarvoor uitgevoerde onderzoeken. Op basis daarvan is te concluderen dat de beoogde ontwikkeling geen problemen oplevert ten aanzien van de onderzochte aspecten, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hierna opgenomen/toegelicht. • Voorwaardelijke verplichting maatregelen omgevingsvergunning flora – en fauna - activiteit Uit de resultaten van het geactualiseerde nader onderzoek is gebleken dat door de geplande woningbouw in het plangebied mogelijke verblijfsplaatsen van de gewone dwergvleermuis en huismus worden vernield. Tevens vindt mogelijk verstoring van de gewone dwergvleermuizen en de huismus plaats. Om die reden dient de gemeente Doetinchem een aanvraag bij de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland in te dienen voor een omgevingsvergunning flora – en fauna - activiteit op grond van artikel 11.46 lid 1 sub b Bal (opzettelijk verstoren (gewone dwergvleermuis), 11.46 lid 1 sub d Bal (vernietiging van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (dwergvleermuis) en artikel 11.37 lid 1 sub b Bal (opzettelijk vernielen of beschadigen nesten en rustplaatsen (huismus).

De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan worden beoogd en ernstig verstorend zijn worden beperkt met een voorwaardelijke verplichting. Met de voorwaardelijke verplichting wordt geregeld dat realisatie van de ontwikkelingen pas mag plaats vinden wanneer eventuele mitigerende maatregelen (mitigerend en/of compenserend) zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden volgens de verleende omgevingsvergunning flora – en fauna – activiteit door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland.. • Voorwaardelijke verplichting explosievenonderzoek Naar aanleiding van het vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten en het vooronderzoek na-conflictperiode dient er nog een opsporingsonderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd te worden. Dit onderzoek kan pas plaats vinden als de voormalige Augustinusschool gesloopt is. Daarom wordt er een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen aangetoond moet worden dat er geen explosieven aanwezig zijn in het plangebied.

4.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Op basis van de volgende grondslagen kan een milieueffectrapportage dan wel m.e.r. (beoordelings)plicht van toepassing zijn: a. op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm: er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. b. op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). c. op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings) plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. zijn aan de activiteiten drempelwaarden (de gevallen) verbonden. Deze drempelwaarden zijn echter indicatief. Dit betekent dat als een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, er sprake is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderzoek en conclusie

69

Voorliggend bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die op grond van onderdeel C van het Besluitmilieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn of waarvoor op basis van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling nodig is. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer; b. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van 30 woningen mogelijk. Daarmee worden de drempelwaarden niet overschreden en is in dit geval geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht. Wel dient het bevoegd gezag, ondanks dat de drempelwaarden niet worden behaald, zich er van te vergewissen of activiteiten geen belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben (vormvrije m.e.r.-beoordeling).

Uit de uitgevoerde onderzoeken om de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan te onderbouwen (hoofdstuk 4), kan geconcludeerd worden dat geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. En daarom geen milieueffect(beoordelings) rapportage hoeft te worden opgesteld.

4.3 Bodem Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel). Onderzoek en conclusie Verkennend bodem en asbestonderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling is voor het deelgebied voormalige Augustinusschool door Rouwmaat groep een verkennend bodem- en asbestonderzoek (Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv, datum 22 september 2021), zie bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Van Damstraat 19,verricht. Op basis van het matig verhoogde gehalte PCB welke is aangetroffen in de bovengrond ter plaatse van boring 03, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aard en omvang van de verontreiniging. Nader bodemonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodem en asbestonderzoek is er door Rouwmaatgroep een nader bodemonderzoek (Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv, 29 maart 2022), zie bijlage 3 Nader bodemonderzoek Van Damstraat 19, uitgevoerd.

In de afperkende boringen zijn geen sterk verhoogde gehalten aangetoond. Het betreft een beperkte spot. Omdat maximaal een matig verhoogd gehalte aan PCB is aangetroffen, is formeel geen sprake van een bodemsanering. Wel is het - gezien de uit te voeren grondwerkzaamheden en de beoogde functie van het gebied wenselijk om de matige PCB-verontreiniging separaat te ontgraven en af te voeren. Na afloop dient het resultaat door middel van een uitkeuring van de afgraving vastgelegd te worden. Voor en na de ontgraving dient een melding (met een beknopte rapportage van de werkzaamheden en resultaten) verricht te worden aan het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Doetinchem. Zonder goedkeuring van bevoegd gezag is het verboden deze grondwerkzaamheden uit te voeren. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. Wel dient, zoals hiervoor omschreven, rekening te worden gehouden met de matige PCB verontreiniging.

70

Grondverzet Bij afvoer, aanvoer en hergebruik van grond gelden de regels uit het Besluit bodemkwaliteit en de Nota bodem beheren bodemkwaliteitskaart Regio Achterhoek 2020. Voor eventuele aan- en of afvoer van grond kan een partijkeuring nodig zijn.

4.4 Akoestiek 4.4.1 Wegverkeerslawaai Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. In het kader van de Wgh bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden. Onderzoek en conclusie Er is een akoestisch onderzoek, zie bijlage 4 geluidbelasting wegverkeer op woningbouwlocatie Van Damstraat te Gaanderen, uitgevoerd naar de geluidbelasting door wegverkeer op het gehele plangebied. Deelgebied 'Voormalige Augustinusschool' De geluidbelasting door wegverkeer op de Rijksweg en de Slakweg is ter hoogte van de bouwkavels ruim lager dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden.

Er zijn geen hogere waarden voor de geluidbelasting op de bouwkavels. En de geluidbelasting door 30 km wegen ligt eveneens beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt 47 dB zonder aftrek. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan ten aanzien van het deelgebied 'Voormalige Augustinusschool'. Deelgebied 'Sint Jozefterrein' Tot een afstand van 93 meter van de as van de Rijksweg wordt de voorkeurgrenswaarde van 48 dB overschreden en zijn dus hogere waarden nodig. En binnen 10 meter van de wegas worden de maximale hogere waarde van 63 dB overschreden en zijn hogere waarden niet mogelijk. De geluidbelasting van de Slakweg ligt beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit geldt ook voor de 30 km wegen. Het aspect wegverkeerslawaai staat een toekomstige uitwerking van het deelgebied 'Sint Jozefterrein' niet in de weg mits voldaan wordt aan de voorwaarden uit het uitgevoerde onderzoek.

4.4.2 Railverkeerslawaai Er is van rechtswege (Wgh) een onderzoekszone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt op ca. 150 meter afstand van de spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk. Akoestisch onderzoek is in het kader van railverkeerslawaai dus niet nodig. Het aspect railverkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.4.3 Industrielawaai

71

In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens Het Besluit omgevingsrecht (BOR) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Als er nieuwe gevoelige functies binnen de geluidzone worden gerealiseerd, moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Onderzoek en conclusie In Gaanderen ligt het bedrijventerrein Akkermansweide. Dit bedrijventerrein is geen industrieterrein in de zin van de Wgh en heeft geen geluidzone. Het aspect industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen om onder andere de verkeers gerelateerde emissies (onder andere fijnstof en stikstofdioxide) te reguleren. Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als de luchtkwaliteit als gevolg van het project met ten hoogste 3% verslechtert. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Onderzoek en conclusie Voor kleinere ruimtelijke- en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld. Daarmee kan worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Voor deze berekening is uitgegaan van 30 woningen maal 6 extra vervoersbewegingen per etmaal, waarmee 180 extra voertuigbewegingen per etmaal zijn berekend.

72

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Dit geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Hieruit blijkt dat de concentraties in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden.

Groepsrisico

73

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop.

In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek en conclusie Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in en rond het plangebied. Onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart.

Hieruit blijkt dat: • in het plangebied geen stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig zijn;

74

• in het plangebied geen buisleidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn; • het plangebied zich niet bevindt binnen de risicocontour en invloedsgebied van een Brzo-inrichting; • in de directe omgeving geen inrichtingen (Bevi) aanwezig zijn waar de opslag van LPG plaatsvindt; • in de directe omgeving zich geen infrastructuur bevindt dat onderdeel is van het Basisnet waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast wordt met de aanduiding 'overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten' (art. 12.1) uitgesloten dat zich risicobronnen binnen het plangebied vestigen.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Onderzoek en conclusie Met voorliggend bestemmingsplan worden geen milieubelastende functies/activiteiten mogelijk gemaakt. Daarmee worden de bestaande woningen grenzend aan/in de omgeving van het plangebied niet belemmerd c.q. vindt geen toename van hinder en gevaar bij deze woningen plaats. Daarnaast is onderzocht of de realisatie van woningen een belemmering vormt voor bestaande activiteiten/bedrijven in de omgeving van het plangebied: • het uit te werken deel, Sint Jozefterrein, van het voorliggende bestemmingsplan heeft in het voorgaande bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' de bestemming 'Maatschappelijk'. Hier is bedrijvigheid tot milieucategorie 2 toegestaan. Op basis van de VNG-uitgave geldt een richtafstand van 30 meter. De afstand van de grens van het uit te werken deel van het bestemmingsplan tot het dichtstbijzijnde bouwvlak bedraagt 0,5 meter. Deze afstand voldoet niet aan de richtafstand zoals voorgeschreven door de VNG.

Door de uitwerkingsplicht die opgenomen is in dit bestemmingsplan wordt op termijn het perceel herontwikkeld ten behoeve van woningen. Dan is de richtafstand ook niet meer van toepassing. En door de uitwerkingsplicht is het niet meer mogelijk om de huidige functies uit te breiden of nieuw te bouwen op deze locatie. • het bedrijventerrein Akkermansweide ligt op een afstand van ca. 300 meter van het plangebied. Op het bedrijventerrein zijn bedrijven toegestaan tot een milieucategorie 3.2. Bij deze milieucategorie hoort een richtafstand conform de VNG-uitgave van 100 meter. Hiermee vormt het voorliggende plan geen belemmering voor de bedrijven op bedrijventerrein Akkermansweide.

75

4.8 Flora en fauna Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden komt hiermee te vervallen. De Omgevingswet is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De Europese Vogel- en habitatrichtlijn bepaalt voor een groot deel de regelgeving die wettelijk is vastgelegd. De soorten- en gebiedsbescherming blijven bestaan onder de wet. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Omgevingswet. De provincies zijn in het beginsel het bevoegd gezag op het gebied van natuur. In de Omgevingswet is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van schade dan wel verstoring van dier- en plantsoorten die op grond van de Omgevingswet zijn beschermd. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rusten verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd.

Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn vastgesteld, kan een verzoek tot een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Uit een verleende omgevingsvergunning kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een omgevingsvergunning is van invloed op de haalbaarheid van een project. Naast bovengenoemde soortenbescherming ziet de Omgevingswet eveneens toe op gebiedsbescherming. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Omgevingswet beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid.

De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval gaat het om het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In of in de directe nabijheid van de NNN (of GNN) geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Onderzoek en conclusie 'Deelgebied voormalige Augustinusschool' Voor voorliggend bestemmingsplan is reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat nader onderzoek naar vleermuizen, steenmarter, gierzwaluw en huismus noodzakelijk was. Bovenstaand onderzoek is uitgevoerd in 2018 (Staring advies, rapportnummer 3270, datum 26-092018), zie bijlage 5 Aanvullend onderzoek Flora en Fauna Van Damstraat 19. In verband met de juridische houdbaarheid van dat onderzoek was een actualisatie nodig. Deze actualisatie is vervolgens uitgevoerd (Eelerwoude, projectnummer 201855, datum 10-12-2022), zie bijlage 6 Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Augustinuslocatie Gaanderen. Hieronder wordt verder ingegaan op de onderzoeksresultaten. Soortenbescherming Uit de resultaten van het geactualiseerde nader onderzoek is gebleken dat door de geplande woningbouw in het plangebied mogelijke verblijfsplaatsen van de gewone dwergvleermuis en huismus worden vernield.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8153/documents/46715