Bijlage 1_01_Bestemmingsplan Augustinuspark Gaanderen - 2023.pdf
Tekst van het document
Tevens vindt mogelijk verstoring van gewone dwergvleermuis en de huismus plaats. Voor de gewone dwergvleermuis en de
76
huismus dient een omgevingsvergunning flora- en fauna - activiteit aangevraagd te worden bij de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland. In het voorliggende bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in lid 11.3 van de regels dat de benoemde bestemmingen pas in gebruik mogen worden genomen en instand mogen worden gehouden als voldaan is aan eventuele mitigerende en compenserende maatregelen uit een verleende omgevingsvergunning flora - en fauna - actitviteit door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. De verwachting is dat de omgevingsvergunning flora- en fauna – activiteit voor de gewone dwergvleermuis en de huismus verleend gaat worden. Er liggen grondige onderzoeken aan ten grondslag en er zijn al mitigerende maatregelen door de gemeente getroffen. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied Rijntakken. Deze ligt op grotere afstand van het plangebied. Om te bepalen of sprake is van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden is een Aerius-berekening uitgevoerd. Zie daarvoor paragraaf 4.9. Hieruit blijkt dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen NNN (GNN of GO). Voor NNN (GNN en GO) geldt dat alleen de gebieden zelf beschermd worden c.q.
is geen sprake van een externe werking. Daarom zijn aanvullende maatregelen of advies vanwege GNN of GO niet aan de orde. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect flora en fauna wat betreft de soort- en gebiedsbescherming op basis van de Omgevingswet geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggende bestemmingsplan. Deelgebied 'Sint Jozefterrein' Voor de uitwerkingsplicht binnen dit bestemmingsplan is een QuickScan beschermde soorten Wnb uitgevoerd (Natuurinclusief, rapportagenummer NIRP20230119, datum 05-04-2023), zie bijlage 8 Quickscan beschermde soorten Wnb Sint Jozef terrein. Hieronder wordt verder ingegaan op de onderzoeksresultaten. Soortenbescherming Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat voor de huismus en de gierzwaluw aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Ook is er nader onderzoek noodzakelijk naar de sperwer als struweel/bosschages in en rondom het projectgebied worden aangetast. Binnen het plangebied zijn diverse waardplanten aanwezig. Deze waardplanten kunnen voorplantingslocaties zijn van de grote vos, iepenpage, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart of de sleedoornpage. Aanvullend onderzoek is alleen noodzakelijk als deze randen met deze waardplanten worden aangetast. Het aanvullende onderzoek kan plaats vinden bij de uitwerking van de bestemming.
Gebiedsbescherming Het is niet geheel bekend hoe het toekomstige plan voor het deelgebied 'Sint Jozefterrein' ingevuld wordt. Dus is het ook niet duidelijk of er mogelijke significante gevolgen zijn op Natura-200-gebieden. Er is geen sprake van mogelijke aantasting van het Gelders Natuurnetwerk/Groende ontwikkelingszone want dit ligt buiten het plangebied.
4.9 Stikstofdepositie Binnen Natura 2000 worden de meest waardevolle natuurgebieden in Europa beschermd om de hierin voorkomende biodiversiteit te behouden. Om deze biodiversiteit te beschermen is in 1979 de vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de habitatrichtlijn. Alle Europese lidstaten wijzen specifieke vogelrichtlijn of habitatrichtlijngebieden aan als onderdeel van deze Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen bepaald van doelsoorten of habitattypen welke gericht zijn op het behouden, uitbreiden of verbeteren van deze soorten of habitattypen. De bescherming van deze vogel- en habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland juridisch vertaalt in de Wet natuurbescherming. Bij nieuwe plannen en projecten is het van belang dat deze instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden niet negatief worden aangetast. Eén van de mogelijkheden waarbij sprake is van aantasting van deze instandhoudingsdoelen is via stikstofdepositie. Stikstofdepositie veroorzaakt vermesting en verzuring op habitattypen
77
binnen Natura 2000-gebieden en kan ervoor zorgen dat instandhoudingsdoelen niet worden gehaald. Een stikstofberekening dient te worden uitgevoerd om te bepalen of de voorgenomen plannen een significante stikstofdepositie veroorzaken op habitattypen van veelal omliggende Natura 2000-gebieden. Onderzoek en conclusie Voor het deelgebied 'Voormalige Augustinusschool' is dan ook een stikstofberekening, zie bijlage 7 Stikstofberekening Van Damstraat 19 te Gaanderen, uitgevoerd voor de sloop- en bouwfase & de gebruiksfase. De conclusie is dat de stikstofuitstoot geen significant negatieve invloed heeft op de instandhoudingsdoelen van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Er is dan geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig in relatie tot de stikstofdepositie.
4.10 Water 4.10.1 Waterbeheerplan 2022-2027 Het waterschap Rijn en IJssel brengt in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (d.d. 13 januari 2022) tot uitdrukking hoe zin haar rol in de omgeving ziet als doorvertaling van de Watervisie 2030. in het waterbeheerprogramma 20222027 zijn de contouren van de ambities van het Waterschap Rijn en IJssel opgenomen om daar samen met partners invulling aan te gaan geven. Daarmee wordt duidelijk welke richting en positie het waterschap inneemt om beleidsdoelen na te streven en op welke manier de daadwerkelijke uitvoering plaatsvindt. De werkzaamheden, bovenop de wettelijke taken van het waterschap, zijn gevat in 4 thema's: • Klimaatrobuust gebied: gericht op het jaarrond bereiken van een optimale balans tussen te nat en te droog en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied: gericht op de bescherming tegen hoog water als randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken. • Circulaire economie en energietransitie: gericht op het zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering door grondstofbehoefte te beperken en emissie van broeikasgassen te verminderen.
• Gezonde leefomgeving: gericht op het zorgen voor een schoon en gezond watersysteem voor mens en natuur, waarbij het water geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en geen risico's op levert voor de volksgezondheid. Voor het plangebied staan in het beheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven.
4.10.2 Watersysteem Het Waterschap Rijn en IJssel heeft een legger. De legger is een set met kaarten van het beheergebied. Daarop staat o.a. welke rivieren, watergangen, dijken, kades, stuwen en sluizen het waterschap beheert en waar ze liggen. Langs al deze wateren en bouwwerken zijn zones aangegeven waarin niet zomaar alles mag. Zo beschermt het Waterschap Rijn en IJssel de wateren en de dijken. In de legger (kaart met watergangen, afmetingen en onderhoudsafspraken die hoort bij de keur) staat ook wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Onderzoek en conclusie Onderstaand kaartbeeld laat zien dat binnen het plangebied bijv. geen rivieren, watergangen, dijken, kades, stuwen en sluizen aanwezig zijn.
78
Uitsnede legger Waterschap Rijn en IJssel
4.10.3 Gemeentelijk Rioleringsplan In paragraaf 3.5.7 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf.
4.10.4 Watertoets Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Onderzoek en conclusie Deelgebied voormalige Augustinusschool Voor voorliggend bestemmingsplan is een watertoets, zie bijlage 9 Watertoets Bouwplan Augustinuspark fase 1, uitgevoerd. De watertoets tabel is in de navolgende tabel opgenomen. Daarop volgend wordt een toelichting gegeven op de behandelde thema's die relevant zijn. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen. Thema
Toetsvraag
Relevant
Hoofdthema's Algemeen Beheer en onderhoud
1. Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie? 1. Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast? 2. Ligt in of nabij het plangebied een watergang 1. Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primairewaterkering, regionale
Veiligheid
Nee 1. Nee 2. Nee 1. Nee
waterkering, overige kering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een overstromingsgevoelig gebied of winterbed van een rivier? 2. Nee
Klimaatadaptatie
1. Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwingen bestrating toe met meer
(wateroverlast)
dan 500m2?
1. Ja
79
2. Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwingen bestrating toe met meer 2. Ja dan 1500m2? 3. Bevindt het plan zich in een waterbergingsgebied, laaggelegen gebied of beekdal?
3. Nee
4. Is er in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor wateroverlast uit de klimaatatlas 4. Nee (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) 5. Is het plangebied gevoelig voor hittestress? (bekijk hiervoor de klimaatatlas) 6. Is het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de beganegrondvloer minder dan 30centimeter? Waterkwaliteit
1. Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig ofgepland? 2. Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie(zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)? 1. Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie/ rioolgemaal/ persleiding / gemengde overstort?
Afvalwaterketen
3. Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering? 4.Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk vervuild raakt? 5. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhardoppervlak? 1. Bevindt het plan zich in een kwelgebied ?
Grondwaterbeheer
2. Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 80cm? 3. Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een(drink)wateronttrekking? 4. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 5. Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een beperkingengebied voor drainage?
5. Ja 6. Nee 1. Nee 2. Nee
1. Ja 2. Nee 3. Nee 4. Nee 5. Ja
1. Nee 2. Nee 3. Ja 4. Ja 5. Nee
Recreatie en
1. Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt?
1. Nee
beleving
2. Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed?
2. Nee
Toelichting afvalwaterketen Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van een toename van het afvalwater. Uitgaande van een gemiddelde woningbezetting van 3 inwoners per woning en een vuilwaterproductie van 120 liter per inwoner per etmaal verdeeld over 10 uur wordt een toename aan vuilwater verwacht van (20 woningen x 3,0 inwoner x 12 l/uur) = 0,72 m³/uur volgens de watertoets. Maar het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om maximaal 30 woningen te realiseren dus kan er sprake zijn van een maximale toename van (30 woningen x 3,0 inwoner x 12l/uur)=1.08 m3. Er wordt vanuit gegaan dat het bestaand gemeentelijks stelsel deze toename kan verwerken. Dit dient bij de nadere uitwerking verder beschouwd te worden. Toelichting grondwaterbeheer In het plangebied bevinden zich slecht doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen ter hoogte van infiltratievoorzieningen en kruipruimten om slecht doorlatende lagen te doorbreken met bijvoorbeeld verticale zandsleuven. Het plangebied bevindt zicht in een intrekgebied op basis van de omgevingsverordering. Het plangebied maakt geen functies mogelijk die de kwaliteit van negatief beïnvloeden. In overleg met het waterschap wordt bepaald of aanvullende maatregelen nodig zijn. Toelichting klimaatadaptatie Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met 4.170 m2.
Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Binnen het plangebied is veel ruimte aanwezig voor oppervlakkige berging. Langs de wegen zijn
80
groenstroken aanwezig. Rondom de bouwvlakken zijn groenstroken of groenvakken aanwezig, die voor waterberging worden gebruikt. Indien de afstand naar een bergingsvoorziening te groot is, wordt gebruik gemaakt van een infiltratieriool om het hemelwater naar de berging af te voeren. Aan de randen van het plangebied worden retenties aangebracht. In extreme situaties zou en bui T=100+10% (80 mm) tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen kunnen worden zonder dat er waterschade optreedt. Hierbij wordt voorgesteld rekening te houden met infiltratieverlies tijdens de bui. De infiltratiewaarde en maximale duur van de infiltratie wordt in overleg met het waterschap vastgesteld. Er wordt voorgesteld te rekenen met een maximale infiltratie van 1,0 m/dag gedurende 12 uur. Dit is lager dan de in-situ gemeten K-waarde. Echter kan de bodem van de infiltratievelden naar verloop van tijd dichtslibben waardoor de Kwaarde afneemt. Over het algemeen wordt bij de verdere uitwerking uitgegaan van bouwpeilen van 20 tot 30 cm boven de as van de weg. Dit is mede afhankelijk van de diepte van voortuinen in combinatie met de toegankelijkheid voor mindervaliden. Het plangebied is in de huidige situatie, door de hoge verhardingsgraad, gevoelig voor hittestress. Om hittestress in de toekomst zo veel als mogelijk te beperken, worden in het nieuwe plan veel bomen en groenstroken ingepast.
Conclusie Het plangebied biedt voldoende ruimte om water te laten infiltreren in de groenstroken tussen de bouwvlakken. De verwachting is dat het plangebied voldoende capaciteit heeft om T=100+10% te bergen. Deelgebied 'Sint Jozeflocatie' Bij de uitwerking van de uitwerkingsplicht voor het deelgebied 'Sint Jozefterrein' dient er een aparte watertoets voor dit gebied opgesteld te worden. Het deelgebied is al we onderzocht in de opgestelde watertoets, een doorkijk is al gemaakt. Maar een definitieve toets kan pas plaats vinden als ook bekend is hoe het deelgebied verder ontwikkeld wordt.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie.
4.11.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep.
De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen.
81
Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek. De volgende archeologische gebieden komen in het plangebied voor: Dubbelbestemming bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter - maaiveld en Waarde - Archeologische verwachting 2
bij bouwwerken met een totaal oppervlak groter dan 100 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter - maaiveld en
Waarde - Archeogische verwachting 3
bij bouwwerken met een totaal oppervlak groter dan 250 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek
Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10). Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Onderzoek en conclusie ''Deelgebied voormalige Augustinusschool' In het kader van voorliggend bestemmingsplan is door Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy, 30 november 2021), zie bijlage 10 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Van Damstraat 19. Op basis van dit onderzoek is geadviseerd om voor een deel van het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De gemeente Doetinchem neemt het advies over in de vorm van een katerend booronderzoek. In maart 2023 heeft Econsultancy een aanvullend katerend booronderzoek uitgevoerd (Econsultancy, 29 maart 2022), zie bijlage 11 Aanvullend karterend booronderzoek Van Damstraat 19. Tijdens dit onderzoek zijn er geen archeologische aanwijzingen gevonden. Ook is de aanwezigheid van een archeologische vindplaats niet aangetoond. De archeologische verwachting binnen het plangebied kan worden bijgesteld naar laag
82
voor alle perioden. Uitsnede uit aanvullend karterend booronderzoek van Econsultancy Er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Het uitgevoerde archeologisch onderzoek is door de ODA (specialist archeologie) beoordeeld, zie bijlage 12 Beoordeling archeologisch rapport. Op basis van deze beoordeling is het deelgebied 'voormalige Augustinusschool' vrijgegeven. Deelgebied 'Sint Jozefterrein' Voor het deelgebied 'Sint Jozefterrein', waarin in dit bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, is door RAAP een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (RAAP, 4 december 2019), zie bijlage 13 Archeologisch vooronderzoek proefsleuvenonderzoek. Op basis van dit onderzoek adviseert RAAP om geen vervolgonderzoek uit te voeren in plangebied St. Jozefterrein in Gaanderen. Het uitgevoerde archeologisch onderzoek is beoordeeld ( door de ODA (specialist archeologie). Op basis van deze beoordeling, zie bijlage 14 Beoordeling archeologisch rapport Sint Jozef terrein is vervolg onderzoek in het plangebied van het deelgebied 'Sint Jozefterrein' niet nodig.
83
Uitsnede uit archeologisch proefsleuven onderzoek van RAAP, hierop is het plangebied zichtbaar.
4.11.2 Cultuurhistorisch erfgoed Binnen het plangebied zijn geen bouwwerken aanwezig die aangewezen zijn als cultuurhistorisch waardevol.
4.12 Explosieven In opdracht van de gemeente Doetinchem heeft BeoBom een vooronderzoek Ontplofbare oorlogsresten (BeoBom, datum 10 september 2021), zie bijlage 15 Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten, uitgevoerd. Uit dit vooronderzoek blijkt dat er binnen het plangebied een verdacht gebied is op achtergelaten klein-kalibermunitie, handgranaten, geweergranaten en (munitie voor) granaatwerpers. Naar aanleiding hiervan is een vooronderzoek na-conflictperiode (Beobom, datum 25 augustus 2022), zie bijlage 16 Vooronderzoek na-conflictperiode, uitgevoerd. In dit onderzoek is nagegaan of het verdachte gebied verkleind is door naoorlogse bodemingrepen. Het verdachte gebied is naar aanleiding van dit onderzoek verkleind. Om ontplofbare oorlogsresten in het overgebleven verdachte gebied toch uit te sluiten wordt er een opsporingsonderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Dit onderzoek kan pas uitgevoerd worden als de voormalige Augustinusschool gesloopt is. De bouw van de woningen kan pas plaatsvinden als dit onderzoek is afgerond. Er is dan ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij de aanvraag van een omgevingsverunning aangetoond moet zijn dat er geen explosieven aanwezig zijn.
4.13 Verkeer en parkeren Wegcategoriseringplan In het wegcategoriseringsprogramma zijn de verschillende wegen (binnen en buiten de bebouwde kom) in Doetinchem ingedeeld in een drietal categorieën. • Stroomwegen (autosnelweg A18) • Gebied ontsluitingswegen (50 km wegen)
84
• Erftoegangswegen 30 km wegen)
Uitgangspunten bij de inrichting van de wegen binnen de gemeente Doetinchem zijn bepaald in het Wegcategoriseringsplan: • de inrichting van de weg (het wegbeeld) moet het gewenste rijgedrag en de rijsnelheid 'afdwingen'; • herkenbare inrichting van de verschillende verkeersruimtes door materiaal/kleur; • de (kwaliteit van de) leefomgeving staat centraal; • de weg moet na realisatie goed te beheren zijn (beheerbewust ontwerpen); • snelheidsremmende maatregelen worden getroffen in erftoegangsstraten en op gebiedsontsluitingswegen waar kwetsbare verkeersdeelnemers de weg moeten kruisen. De meeste woonstraten in de gemeente Doetinchem zijn inmiddels aangewezen tot 30 km/uur gebied. Niet alle straten voldoen al helemaal aan de bijbehorende inrichtingseisen. De komende jaren zullen bij groot onderhoud steeds meer woonstraten worden ingericht tot 30 km/uur straat. De gebiedsontsluitingswegen zijn bedoeld om het verkeer uit de woongebieden verwerken richting bijvoorbeeld de snelweg A18. Het is duidelijk welke wegen dit zijn maar ook deze voldoen nog niet allemaal aan de gestelde eisen. Niet alle gebiedsontsluitingswegen hebben bijvoorbeeld aparte fietspaden.
De gebiedsontsluitingswegen in Doetinchem Voor beide categorieën geldt dat de kwaliteit van de leefomgeving moet centraal staan. Een duidelijk onderscheid aanbrengen tussen de verschillende verkeersruimtes zorgt er voor dat de verkeersdeelnemer duidelijk zijn plek en die van anderen op de weg weet en zo de verkeersruimte op de juiste wijze gebruikt. Op drukke erftoegangsstraten is het belangrijk dat voetgangers veilig kunnen lopen op een trottoir. Voor rustige erftoegangsstraten kan worden overwogen alle verkeersdeelnemers gebruik te laten maken van dezelfde ruimte. Een smalle weg die gebruikt wordt door iedereen leidt tot een lagere rijsnelheid. Fysieke maatregelen als drempels ondervinden een steeds grotere weerstand bij de gebruikers en omwonenden en hulpdiensten. Ze leiden tot trillinghinder en toename van de geluidsoverlast. Bij voorkeur wordt gezocht naar maatregelen die een lagere snelheid afdwingen, maar die geen of beperkte bijeffecten hebben voor de leefomgeving en hulpdiensten. Onderzoek en conclusie Verkeersontsluiting Door het plangebied zal een oost-west verbinding worden aangelegd als hoofdontsluiting. Deze weg zal aansluiten op de Van Damstraat in het oosten en als de uitwerkingsplicht uitgewerkt is sluit de ontsluiting in het westen aan op de Rijksweg. De weg wordt uitgevoerd als een 30 km straat. De straat wordt groen uitgevoerd waarin de auto te gast is.
Verkeersgeneratie in relatie tot ontsluiting De verwachting is dat er per etmaal 180 extra voertuig bewegingen op de Van Damstraat zijn. Voor de Van Damstraat is dit geen probleem. Parkeren Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen
85
terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft. Parkeren kan ook plaatsvinden in zogenaamde parkeerkoffers. Op basis van de 'Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem' is een loopafstand van 200 meter acceptabel van en naar een parkeerplaats bij de woning. De normering uit de 'Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem' wordt voor voorliggend bestemmingsplan aangehouden. Het voldoen aan de 'Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem' is dan ook middels een dynamische verwijzing (in lijn met jurisprudentie van de ABRS, ECLI:NL:RVS:2015:2837) opgenomen in de gebruiksregels. Het plangebied is aangemerkt als "Rest bebouwde kom", waarmee aan de bijbehorende normering moet worden voldaan (zie onderstaande tabel).
Uitsnede uit Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem
4.14 Kabels, leidingen en straalpaden Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels, leidingen of straalpaden aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Het aspect kabels, leidingen en straalpaden vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
4.15 Geur Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) moet voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke
86
meter lucht. Situatie projectgebied Het projectgebied ligt niet binnen 100 meter of binnen een geurcontour van een agrarische bedrijf. Hiermee is geur geen belemmering voor het project en is ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Conclusie De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt geen belemmering voor voorliggend project.
87
5 Wijze van bestemmen 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is opgezet als ontwikkelingsgericht en gedetailleerd. Voor het deelgebied Augustinusschool geldt een gedetailleerd bestemmingsplan. In dit deelgebied is vastgelegd voor welke doeleinden de grond en gebouwen mogen worden gebruikt en wat er aan nieuwe bebouwing wordt toegestaan. Tegelijkertijd is het bieden van flexibiliteit wenselijk om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. Voor een deel is dat mogelijk met de in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Daarmee kunnen (relatief kleinschalige) ontwikkelingen planologisch worden geregeld, zoals uitbreidingen van gebouwen en functies of het toelaten van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven. Het deelgebied Sint Jozef terrein is opgezet als ontwikkelingsgericht. De bestemming moet namelijk nog nader uitgewerkt worden. Wel zijn er eisen opgenomen in deze uitwerkingsplicht om samenhang te krijgen met het deelgebied Augustinusschool.
5.2 Toelichting op de regels De regels bestaan uit de volgende onderdelen: • hoofdstuk 1: Inleidende regels; • hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; • hoofdstuk 3: Algemene regels; • hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
5.2.1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de in de planregels gebruikte begripsomschrijvingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). Hiermee is plan specifiek vastgelegd wat bedoeld wordt en hoe gemeten moet worden. Als een begrip niet omschreven is, dan geldt de algemeen gangbare uitleg van het begrip.
5.2.2 Bestemmingsregels In de bestemmingsregels zijn de regels voor de verschillende bestemmingen omschreven. Elke bestemmingsregel is, in overeenstemming met de RO-Standaarden 2012 waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (2012), in beginsel opgebouwd uit: • een bestemmingsomschrijving: een omschrijving van de doeleinden waarvoor de gronden zijn bestemd en de toegelaten bijbehorende bebouwing; • de bouwregels: deze bevatten de voorgeschreven maatvoering van de bouwwerken; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden; • wijzigingsbevoegdheid.
5.2.2.1 Groen Binnen de bestemming 'Groen' is het structurele groen van het plangebied geregeld. In de regels is een beperkte bebouwingsregeling opgenomen voor gebouwen (nutsvoorzieningen) en bouwwerken geen gebouwen zijnde (straatverlichting, straatmeubilair, en dergelijke) ten behoeve van de bestemming en eromheen gelegen openbaar gebied.
88
Ten behoeve van extensieve dagrecreatie mogen wandelpaden worden aangelegd. Onder extensieve dagrecreatie wordt ook het plaatsen van onder andere bankjes, tafels en prullenbakken begrepen. Met een afwijking zijn onder voorwaarden parkeervoorzieningen toegestaan.
5.2.2.2 Verkeer De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan de gronden met een ontsluitende en verkeersdoorstromende functie. Ook is de bestemming toegekend aan bermen, parkeerplaatsen en niet structurele groenvoorzieningen. In de regels van deze bestemming is een beperkte bebouwingsregeling opgenomen voor gebouwen ten behoeve van de bestemming zoals bushokjes en nutsvoorzieningen. Er is een bebouwingsregeling opgenomen voor bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals straatmeubilair, straatverlichting, en dergelijke. Binnen de regels zijn afwijkingsregelingen opgenomen om onder voorwaarden van de maximale bouwhoogte te mogen afwijken.
5.2.2.3 Wonen De bestemming 'Wonen' omvat alle percelen waarop woningen en bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten. De hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Binnen deze bestemming kunnen maximaal 30 woningen in de vorm van gestapelde, aaneengebouwde en twee-aaneen (twee-onder-een-kap) woningen worden gebouwd, dit is weergegeven in een bouwaanduiding op de plankaart. Onder aaneengebouwde woningen vallen ook woningen die met de achter- en zijkant tegen elkaar aangebouwd zijn, ook wel rug-aan-rug woningen genoemd. De diepte van de woningen is afhankelijk van het type woning. Zo hebben twee-aaneen (twee-onder-een-kap) woningen een maximale diepte van 14 meter, mits hetzelfde bouwpwerceel van de woning voor niet meer dan 70% wordt bebouwd. Aaneengebouwde woningen hebben een maximale diepte van 12 meter, mits hetzelfde bouwperceel van de woning voor niet meer dan 70% wordt bebouwd. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen zijn in een maatvoeringssymbool op de plankaart opgenomen. Aan huis gebonden beroep en/of bedrijf Op gronden met de bestemming 'Wonen' is de uitoefening van een vrij beroep en een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf toegestaan in een aangebouwd bijbehorend bouwwerk. Voorwaarde daarvoor is dat de woonfunctie in alle gevallen de hoofdfunctie binnen de bestemming blijft.
In beperkte mate mag bij de uitoefening van een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf ook detailhandel plaatsvinden. Overige detailhandel is binnen de bestemming 'Wonen' nadrukkelijk uitgesloten. Wanneer een aangebouwde oplossing niet mogelijk is vanwege architectuur of monumentale status van de woning, is het mogelijk om met een afwijking een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf toe te staan in een vrijstaande bijbehorend bouwwerk. Hierbij moet het, als dat vanuit de bestemming noodzakelijk is, vrijstaande bouwwerk wel een ruimtelijke eenheid vormen met de woning. Een internetwinkel is onder voorwaarden toegestaan, zo mag de internetwinkel alleen online verkopen, geen winkeluitstraling hebben, geen showroom en geen opslag binnen of buiten. Alleen in geval van gastouderschap is een buitenactiviteit in de vorm van buitenspelende kinderen toegestaan. Wonen in aangebouwde bijbehorende bouwwerken Aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor de uitbreiding van de woonfunctie, onder voorwaarde dat de afstand tussen dat bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter bedraagt. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm.
Met een afwijking is het mogelijk om wonen en aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in aangebouwde bijbehorende bouwwerken op kortere afstand dan 8 meter (tot 3 meter) tot de achterste bouwperceelsgrens toe te staan. Hierbij moet voldaan worden aan een aantal voorwaarden bijvoorbeeld dat de achterste bouwperceelsgrens grenst aan (openbaar) gebied met bijvoorbeeld een groen- of verkeersbestemming. Dakoverstekken Steeds meer gebouwen worden voorzien van royale dakoverstekken. Dat heeft soms met architectuur te maken,
89
maar vaak is de overkapte ruimte gewoon functioneel. De ruimte wordt dan bijvoorbeeld gebruikt als veranda (overdekt terras) of carport. Volgens de Nederlandse Norm (NEN) is tot 75 centimeter sprake van een overstek. Bij een grotere afmeting is sprake van een overkapping en dan telt de overkapte ruimte mee bij de berekening van de oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken. Dit is van belang omdat de oppervlakte is genormeerd. Bouwwerken op daken Afscherming technische installatie op daken zoals airco's, warmtepompen, zonnepanelen, e.d. zijn mogelijk tot 0,5 m boven het dakvlak. Als het dak daarbij al de maximum bouwhoogte heeft bereikt. Deze maat komt dan extra bovenop de de maximum bouwhoogte. Zodat de afscherming van technische installaties ook op deze daken mogelijk zijn. Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan binnen de bestemming 'Wonen' en het daarin gelegen bouwvlak. Zij moeten evenwijdig aan of achter de voorgevel van de woning worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken mogen dus in één lijn met de voorkant van de woning staan.. Als aaneengebouwde woningen geen achtererf hebben, dit is het geval als ze met de zij- en achterkant tegen elkaar aangebouwd worden, dan zijn bijgebouwen aan de voor- en zijkant toegestaan. Het is dan toegestaan om voor elke woning een bijgebouw te realiseren.
Voorwaardelijke verplichting groene erfafscheiding Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - groene erfafscheiding' zijn uitsluitend groene erfafscheidingen toegestaan. Om vergunningsvrij bouwen van erf- of perceelsafscheidingen uit te sluiten is hiervoor een regel toegevoegd aan het artikel bouwwerken geen gebouw zijnde. In samenhang met deze regels is op de plankaart de 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - erf- of perceelsafscheiding uitgesloten' toegevoegd. Via deze regels is het alleeen mogelijk om groene erfafscheidingen te plaatsen. Groene erfafscheidingen zijn gewenst vanuit de stedenbouwkundige visie 'Het Augustinuspark ''Wonen aan de riverduinen'' dat uitgewerkt is in het beeldkwaliteitsplan 'Het Augustinuspark'. De essentie van het plan is namelijk wonen aan een openbare parkstructuur. De woningen komen in 'rivierduinhofjes' te staan. Het groen in het plangebied is de verbinde factor. De woningen zijn hieraan gesitueerd en de bewoners kijken hierover uit. De grondgebonden woningen hebben een kleine privétuin bij hun woning. De kleine privétuin wordt gecompenseerd door de ligging aan het openbaar groen. De leefbaarheid voor de bewoners gaat achteruit als er erf- of perceelsafscheidingen in de vorm houten schuttingen zijn toegestaan. De bewoners hebben dan alleen zicht op hun privétuin en niet op het groen.
En de parkstructuur zoals beschreven in het beeldkwaliteitsplan en de stedenbouwkundige visie wordt dan teniet gedaan. Met als gevolg dat de ruimtelijke kwaliteit van het plan afneemt. Woningdifferentiatie De gemeente Doetinchem heeft een doelgroepenverordening. Daarmee is het op basis van het Besluit ruimtelijke ordening mogelijk om in het bestemmingsplan regels op te nemen met betrekking tot sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur, sociale koopwoningen of particulier opdrachtgeverschap. Op basis van de doelgroepenverordening en aansluitend bij het gemeentelijk woonbeleid zijn voor voorliggend bestemmingsplan plan regels opgenomen voor sociale huurwoningen en sociale koopwoningen. Met een afwijking is het mogelijk om in plaats van sociale huurwoningen goedkope koopwoningen te realiseren. Middenhuur woningen te realiseren in plaats van betaalbare koopwoningen categorie 1 en 2. Of betaalbare koopwoningen categorie 1 te realiseren in plaats van middenhuur woningen. Tijdelijke woonunits ter overbrugging van de bouwperiode Op woningbouwlocaties wordt af en toe gebruik gemaakt van tijdelijke woonunits. Dit zijn veelal prefab gebouwen maar soms ook sta- of toercaravans. Deze gebouwen voorzien in een tijdelijke behoefte, namelijk een alternatieve huisvesting ter overbrugging van de bouwperiode.
Een tijdelijke woonunit mag uitsluitend worden geplaatst op het perceel waar een woning wordt gebouwd of verbouwd. Het maakt niet uit of de bouw wordt uitgevoerd door de (toekomstige) bewoner zelf of door een aannemer. Voor een tijdelijke woonunit is een omgevingsvergunning met instandhoudingstermijn vereist. De instandhoudingstermijn wordt gekoppeld aan de daadwerkelijke start en duur van de bouw. Dit is om te voorkomen, dat een unit of caravan wordt geplaatst zonder dat er vergunning is verleend voor bouw of verbouw van een woning of nog geen begin is gemaakt
90
met de bouw. Het komt in de praktijk ook wel eens voor, dat een woning ingrijpend wordt verbouwd zonder dat een vergunning is vereist, bijvoorbeeld voor het opknappen van een oude woning. In dat geval moet de bouwer in spé schriftelijk een onderbouwing overleggen waarom tijdens de bouw niet in de woning of elders kan worden gewoond. Deze onderbouwing moet vergezeld gaan van een planning, zodat duidelijk is hoe lang de woonunit nodig is. Als de woning gereed is, moet de tijdelijke woonunit worden verwijderd.
5.2.2.4 Woongebied - Uit te werken De bestemming 'Woongebied - Uit te werken' omvat de gronden die beoogd zijn als ontwikkelingsgebied . De exacte uitwerking is nog onvoldoende bekend. Met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' is het op termijn mogelijk, middels uitwerking van het plan, uitvoering te gegeven aan de plannen voor woningbouw. In de regels zijn voorwaarden opgenomen waaraan de uitwerking moet voldoen.
5.2.2.5 Waarde- Archeologische verwachting 2 en 3 Deze dubbelbestemming ter bescherming van de archeologie zijn opgenomen in overeenstemming met het gemeentelijke archeologiebeleid en met name de herziene archeologische beleidskaart. Daarop zijn de archeologische waardevolle gebieden en archeologische verwachtingszones aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een (deel)gebied is het beschermingsregime meer of minder streng. De bescherming van de archeologische waarden is in het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vertaald in verschillende archeologische dubbelbestemmingen. Binnen dit plan komen de volgende archeologische dubbelbestemmingen voor: - 'Waarde - Archeologische verwachting 2', wat betekend dat een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij een ingreep dieper dan 30cm beneden maaiveld met een oppervlakte groter dan 100 m². - 'Waarde - Archeologische verwachting 3', wat betekend dat een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij een ingreep dieper dan 40cm beneden maaiveld met een oppervlakte groter dan 250 m².
5.2.2.6 Referentiekader nadere eisen- en afwijkingsbevoegdheden Een aantal planregels geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om nadere eisen te stellen of een afwijking te verlenen als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, onder d, respectievelijk onder c, van de Wet ruimtelijke ordening. De nadere eisen kunnen betrekking hebben op de plaats en afmetingen van de bebouwing. Deze kunnen toegepast worden als het concrete bouwplan voor de genoemde onderdelen, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een ongewenst gevolg voor de omgeving heeft. Binnen de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden komen veelal de volgende voorwaarden voor: a. daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende de gebruiksmogelijkheden van die percelen; b. de ruimtelijke uitwerking aanvaardbaar is; c. de uitvoerbaarheid gewaarborgd is. Deze voorwaarden zijn als volgt uit te leggen: a. daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende de gebruiksmogelijkheden van die percelen: als een afwijking of wijziging op een aangrenzend perceel van zodanige invloed is dat deze grond, minder goed te gebruiken is dan het was, dan is het niet gewenst om aan de afwijking of wijziging mee te werken; b. de ruimtelijke uitwerking aanvaardbaar is: ten aanzien van de binnen een regeling toegelaten gebruiksvormen moet rekening worden gehouden met de
91
milieu- en andere aspecten, zoals hinder voor omwonenden en verkeersaantrekkende werking. Als hierdoor de omgeving nadelig belast wordt, dan is medewerking niet gewenst; c. de uitvoerbaarheid gewaarborgd is: de (met name) financiële uitvoerbaarheid van een plan moet hierbij onderbouwd worden. Aan een (financieel) niet haalbaar plan kan niet meegewerkt worden.
5.2.2.7 Specifieke gebruiksregel parkeren Daar waar het relevant is voor de bestemming, is een specifieke gebruiksregel voor parkeren opgenomen. Op grond van artikel 3.1.2. tweede lid Bro mogen parkeernormen worden neergelegd in een beleidsregel. In Doetinchem ligt het parkeerbeleid vast in de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2024' en 'Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem', zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 28 maart 2024. In het bestemmingsplan wordt tot uitdrukking gebracht, dat bij de toets op het onderdeel parkeren, deze beleidsregel betrokken moet worden bij bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State blijkt, dat een zogenoemde dynamische verwijzing in het bestemmingsplan acceptabel is. Daarom is aan de parkeerbepaling in het bestemmingsplan de zinsnede 'met dien verstande dat wanneer deze parkeerregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging'. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht, dat in principe ten allen tijde wordt getoetst aan de meest actuele versie van het beleid. Tussentijdse wijzigingen van het beleid zijn dus gedurende de planperiode van het bestemmingsplan mogelijk.
5.2.2.8 Afwijking voor mantelzorg Bij alle woningen is een afwijking bij de bouw- en gebruiksregels opgenomen voor het toestaan van een mantelzorgwoning. De afwijking is bedoeld voor het plaatsen en gebruiken van een tijdelijke woonunit als woonruimte voor mantelzorg. Hier zijn wel voorwaarden aan verbonden, bijvoorbeeld dat de ruimtelijke uitwerking aanvaardbaar is. Bij aaneengebouwde woningen zonder achtererf is het niet niet mogelijk om een woonunit of bijgebouw te plaatsen of te gebruiken als woonruimte voor mantelzorg omdat dit alleen mogelijk is aan de voorzijde van de woning.
5.2.3 Algemene regels 5.2.3.1 Anti-dubbeltelregel Deze standaardbepaling heeft als doel te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt.
5.2.3.2 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is onder andere omschreven wanneer er geen verbod geldt voor het overschrijden van de bouw- en/of bestemmingsgrenzen voor bepaalde bouwdelen. Ook is omschreven wanneer het bevoegd gezag kan afwijken van bouw- en/of bestemmingsgrenzen. De 'bestaande matenregeling' is bedoeld voor legale bouwwerken die afwijken van de vastgestelde situering, gooten/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud van de bouwregels in dit bestemmingsplan. De bestaande afwijking is daarmee toegestaan. In het artikel 'Ondergronds bouwen' is aangegeven dat de opgenomen bouwregels zijn bedoeld voor bouwwerken boven de grond.
5.2.3.3 Algemene gebruiksregels
92
De algemene gebruiksregel luidt dat het verboden is om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming. Hierbij zijn een aantal gebruiksvormen specifiek benoemd. Gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemming of het normale onderhoud van de gronden en/of bouwwerken wordt toegelaten. In de algemene gebruiksregels is ook benadrukt welk gebruik sowieso is toegestaan. Namelijk het opwekken van duurzame energie met behulp van zonnepanelen of andere - op grond van de bestemmingsregels geoorloofde voorzieningen op het dak. Voorwaardelijke verplichting omgevingsvegunning flora- en fauna - activiteit De omschreven bestemming in de bestemmingen 'Wonen' en 'Verkeer' mag alleen gerealiseerd en gebruikt worden mits uitvoering is gegeven aan de eventuele mitigerende maatregelen en gebiedscompensatie uit de omgevingsvergunning flora- en fauna - activiteit die door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland verleend wordt. Voorwaadelijke verplichting explosievenonderzoek De omschreven bestemming in de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer' en 'Wonen' mag alleen gerealiseerd worden als er een opsporingsonderzoek ontplofbare oorlogsresten heeft aangetoond dat er geen explosieven in het plangebied aanwezig zijn. Door dit onderzoek kan het deelgebied voormalige Augustinusschool vrijgegeven worden van explosieven.
5.2.3.4 Algemene aanduidingsregels Overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten In deze zone is het verboden om nieuwe risicobronnen te vestigen of bestaande risicobronnen uit te bereiden.
5.2.3.5 Algemene afwijkings- en wijzigingsregels De algemene afwijkingsregel voorziet in de mogelijkheid om op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de regels van het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld voor kleine bouwwerken voor nutsvoorzieningen. De in het plan opgenomen algemene wijzigingsbevoegdheden laat meer ingrijpende afwijkingen toe en wordt daarom gekoppeld aan een zwaardere procedure dan die voor het verlenen van een afwijking van de bouw- en gebruiksregels. Voor het opwekken van kleinschalige duurzame energie. Hierbij moet gedacht worden aan zonnepanelen, mini windturbines en kleine windturbines. Voor zonnepanelen voor eigen gebruik gelden een aantal voorwaarden, bijvoorbeeld dat de zonnepanelen op eigen grond geplaatst moeten worden, daarnaast ook dat deze grond in gebruik moet zijn als erf. De oppervlakte maat van 100 vierkante meter is extra t.o.v. de standaard oppervlakte van 20 vierkante meter (bouwwerken, geen gebouwen zijnde). Mini windturbines (ook wel windwokkels genoemd) zijn met een afwijking toegestaan op het dak, waarbij voorwaarden gelden, onder andere dat de as-hoogte maximaal 5 meter boven het hoogste punt van het gebouw of bouwwerk waar de mast op staat uit komt.
Kleine windturbines (ook wel windmolentjes genoemd) staan op de grond en zijn met een afwijking toegestaan in de gebiedstype buitengebied en bedrijventerreinen, zie bijlage 6 bij de regels. In een woonwijk (gebiedstype woongebieden) is het niet toegestaan om een kleine windturbine op te richten. Om de afwijking vergund te krijgen moet verder aan een aantal andere voorwaarden worden voldaan, bijvoorbeeld dat de maximale as-hoogte 30 meter is van de turbine. In het bestemmingsplan kunnen voorwaardelijke verplichtingen zijn opgenomen (om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te waarborgen). Tegelijkertijd kunnen er na vaststelling van het bestemmingsplan redenen zijn
93
waardoor de uitvoering van de voorwaardelijke verplichting niet kan plaatsvinden zoals bij het vaststelling van het bestemmingsplan was beoogd. Of dat door voorschrijdend inzicht een gewijzigde uitvoering noodzakelijk is. Daarom is in het bestemmingsplan de mogelijkheid geboden aan het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning en onder voorwaarden af te kunnen wijken van een in het bestemmingsplan opgenomen voorwaardelijke verplichting als daarvoor de noodzaak bestaat.
5.2.3.6 Overige regels Onder overige regels zijn die regels geplaatst die niet onder een andere regel zijn te vatten.
5.2.4 Overgangs- en slotregels In de loop van de tijd kan het gebruik van gronden of bouwwerken gaan afwijken van datgene wat mogelijk is op basis van het bestemmingsplan. In de overgangsregels wordt geregeld hoe met deze afwijking acceptabel zijn. De naam van het plan wordt in de slotregel aangehaald.
94
6 Economische uitvoerbaarheid Op 24 november 2022 is door de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem de grondexploitatie Augustinusschool vastgesteld. De te maken kosten voor de ontwikkeling van de Augustinusschool maken onderdeel uit van deze grondexploitatie. Alle gronden binnen het deelgebied Augustinusschool zijn in eigendom van de gemeente Doetinchem. Kosten die worden gemaakt voor bijvoorbeeld het bouwrijp maken, nutsvoorzieningen en inrichting van de openbare ruimte worden ‘verhaald’ door de verkoop(prijs) van de gronden. Er is daarom geen reden om een exploitatieplan op te stellen. Voor het deelgebied Sint Jozefterrein is een uitwerkingsplicht in dit bestemmingsplan opgenomen. Deze gronden zijn niet in het bezit van de gemeente Doetinchem. Met de eigenaar van deze gronden is een kostenverhaalsovereenkomst gesloten om de gemaakte kosten voor dit deel van het bestemmmingplan door de gemeente te verhalen. Bij de uitwerking van de bestemming dient er anterieure overeenkomst met de gemeente te worden gesloten.
95
7 Procedure 7.1 Algemeen Dit bestemmingsplan doorloopt de procedure als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Ook is het plan op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening overlegd met een aantal instanties, zie paragraaf 7.2. In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze procedure en overleggen behandeld.
7.2 Overleg Het plan is op basis van artikel 3.1.1. Bro overlegd met de volgende instanties: • provincie Gelderland; • waterschap Rijn en IJssel. Provincie Gelderland De provincie Gelderland heeft per brief op 1 augustus (zaaknummer 2023010327) laten weten dat de provinciale belangen Wonen, bescherming grond- en drinkwater en klimaatadaptie goed zijn meegewogen in het plan. De provincie heeft als opmerking dat het niet duidelijk is hoe de daadwerkelijke realisatie van betaalbare woningen is geregeld. Hierop is de toelichting van het bestemmingsplan met betrekking tot het woonbeleid aangepast. Waterschap Rijn en IJssel Het waterschap had enkele opmerkingen op de watertoets die in het kader van het vooroverleg is toegestuurd aan hen. De opmerkingen zijn in overleg met het waterschap verwerkt in de definitieve watertoets (Civicon, R01-2023-009-DO1, 17-10-2023). Het Waterschap Rijn en IJssel heeft ingestemd met deze watertoets.
7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op 26 januari 2022 heeft de eerste digitale bijeenkomst met de omwonenden plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is er op dinsdag 5 april 2022 een fysieke bijeenkomst geweest waarin een aantal conceptschetsen besproken zijn. De besproken conceptschetsen zijn uitgewerkt in een schetsontwerp. Het schetsontwerp is gepresenteerd tijdens een inloopavond op 7 juli 2022. Ook is er een projectsite ingericht waar iedereen zich kan laten informeren over het project en daarmee op de hoogte wordt gehouden over de stand van zaken.
96
BIJLAGEN BIJ TOELICHTING
97
bijlage 1 Stedenbouwkundige visie Het Augustinuspark Gaanderen bijlage 1 Stedenbouwkundige visie Het Augustinuspark Gaanderen
bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Van Damstraat 19 bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Van Damstraat 19
bijlage 3 Nader bodemonderzoek Van Damstraat 19 bijlage 3 Nader bodemonderzoek Van Damstraat 19
bijlage 4 geluidbelasting wegverkeer op woningbouwlocatie Van Damstraat te Gaanderen bijlage 4 geluidbelasting wegverkeer op woningbouwlocatie Van Damstraat te Gaanderen
bijlage 5 Aanvullend onderzoek Flora en Fauna Van Damstraat 19 bijlage 5 Aanvullend onderzoek Flora en Fauna Van Damstraat 19
bijlage 6 Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Augustinuslocatie Gaanderen bijlage 6 Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Augustinuslocatie Gaanderen
bijlage 7 Stikstofberekening Van Damstraat 19 te Gaanderen bijlage 7 Stikstofberekening Van Damstraat 19 te Gaanderen
bijlage 8 Quickscan beschermde soorten Wnb Sint Jozef terrein bijlage 8 Quickscan beschermde soorten Wnb Sint Jozef terrein
bijlage 9 Watertoets Bouwplan Augustinuspark fase 1 bijlage 9 Watertoets Bouwplan Augustinuspark fase 1
bijlage 10 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Van Damstraat 19 bijlage 10 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Van Damstraat 19
bijlage 11 Aanvullend karterend booronderzoek Van Damstraat 19 bijlage 11 Aanvullend karterend booronderzoek Van Damstraat 19
bijlage 12 Beoordeling archeologisch rapport bijlage 12 Beoordeling archeologisch rapport
bijlage 13 Archeologisch vooronderzoek proefsleuvenonderzoek bijlage 13 Archeologisch vooronderzoek proefsleuvenonderzoek
bijlage 14 Beoordeling archeologisch rapport Sint Jozef terrein bijlage 14 Beoordeling archeologisch rapport Sint Jozef terrein
bijlage 15 Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten bijlage 15 Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten
98
bijlage 16 Vooronderzoek na-conflictperiode bijlage 16 Vooronderzoek na-conflictperiode
bijlage 17 Ruimtelijk streefbeeld - Woonvisie bijlage 17 Ruimtelijk streefbeeld - Woonvisie
99