CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_01_Bestemmingsplan Augustinuspark Gaanderen - 2023.pdf

beeldvormende raad 16 mei 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Augustinuspark Gaanderen - 2023 en beeldkwaliteitsplan Het Augustinuspark34.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

7.4.2 Uitzondering vergunningplicht Het in lid 7.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

29

a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. als op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet gelden.

7.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in lid 7.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, dat zal moeten blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

7.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder; a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

7.4.5 Advies archeologisch deskundige Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.1 wint het advies in bij een archeologisch deskundige.

7.5 wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen, op grond van artikel 3.6 van Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, als op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie' (bijlage 5 Artikel X Waarde - Archeologie) als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

30

artikel 8 Waarde - Archeologische verwachting 3 8.1 bestemmingsomschrijving a. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, versterking bescherming en/of het herstel van te verwachten archeologische waarden in de bodem; b. Als een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op één bouwperceel, moet uitgegaan worden van de waarde die past bij de onderliggende verwachtingszone.

8.2 bouwregels 8.2.1 Archeologisch rapport Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 en met een bodemverstoring dieper dan 0,4 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. b. als uit in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw - of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 4.

de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.

8.2.2 Advies archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 8.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologisch deskundige.

8.2.3 Geen archeologisch rapport Het bepaalde onder lid 8.2.1 sub a geldt niet als: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of

31

c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

8.3 nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 8.2, nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de afmetingen van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; c. de inrichting en het gebruik van gronden; als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden.

8.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1 Vergunningplicht Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m over een oppervlakte van 250 m2 of meer; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput; c. bodem verlagen of afgraven over een oppervlakte van 250 m2 of meer (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h.

het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

8.4.2 Uitzondering vergunningplicht Het in lid 8.4.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. als op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet gelden.

32

8.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in lid 8.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, dat zal moeten blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

8.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder; a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

8.4.5 Advies archeologisch deskundige Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.1 wint het advies in bij een archeologisch deskundige.

8.5 wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen, op grond van artikel 3.6 van Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, als op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie' (bijlage 5 Artikel X Waarde - Archeologie) als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

33

hoofdstuk 3 Algemene regels artikel 9 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

artikel 10 Algemene bouwregels 10.1 Bouwregels bij overschrijding van de bouw- en/of bestemmingsgrenzen Het verbod tot bouwen met overschrijding van de bouw- en/of bestemmingsgrenzen is niet van toepassing met betrekking tot: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen, voorzover zij de grens van de weg niet overschrijden; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 12 cm bedraagt en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, reclame-uitingen, galerijen en luifels, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 50 cm bedraagt en zij niet lager zijn aangebracht dan: 1. 4,20 m boven een rijbaan of boven een strook ter breedte van 1,50 m langs een rijbaan; 2. 2,20 m boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de onder nummer 1 genoemde strook; d. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voorzover dezen de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; e. goten, ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen; f.

hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voorzover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand: 1. de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 1 m overschrijden; 2. de grens van de weg overschrijden; 3. lager zijn geplaatst dan 4,20 m boven een rijbaan.

10.2 Afwijken van de bouwregels bij overschrijding van de bouw- en/of bestemmingsgrenzen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.1 voor het overschrijden van bouw- en/of bestemmingsgrenzen met ten hoogste 2 m, als het betreft: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen die de grens van de weg overschrijden; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, die de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 12 cm overschrijden, dan wel die de grens van de weg overschrijden; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, die de naar de weg gekeerde bouwgrens met meer dan 50 cm overschrijden, met inachtneming van het bepaalde in lid 10.1 onder c, nummers 1 en 2; d. overbouwingen voor de verbinding van twee bouwwerken, met inachtneming van het bepaalde in lid 10.1 onder c; e. bloemenkozijnen, balkons en galerijen, mits zij bij overschrijding van de grens van de weg voldoen aan het bepaalde in lid 10.1 onder c; f. luifels en draagconstructies voor reclame, mits zij bij overschrijding van de weggrens voldoen aan het bepaalde in lid 10.1 onder c; g.

hijsinrichtingen, laadbruggen, stortgoten, stort- en zuigbuizen die in enige stand de naar de weg gekeerde bouwgrens met ten hoogste 1,50 m overschrijden, mits zij niet lager zijn geplaatst dan 4,20 m boven de rijbaan;

34

h. toegangen van bouwwerken, voor wat de hoogte boven de weg betreft, die de grens van de weg niet overschrijden; i. kelderingangen en kelderkoekoeken; j. bouwwerken waarvan de bovenzijde niet hoger is gelegen dan: 1. de hoogte van de weg, voorzover de bouwwerken in de weg zijn gelegen; 2. de terreinhoogte bij voltooiing van de bouw, voorzover de bouwwerken niet in de weg gelegen zijn.

10.3 Bestaande maten Voor een legaal bouwwerk dat op grond van de geldende bestemming is toegestaan, maar waarvan de bestaande situering, goot- en/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud afwijken van de bouwregels in dit plan: a. is de bestaande situering, goot- en/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud maatgevend; b. is herbouw uitsluitend mogelijk op dezelfde plaats; c. is het overgangsrecht in dit bestemmingsplan niet van toepassing.

10.4 Ondergronds bouwen In dit plan gelden de bouwregels uitsluitend voor het bovengronds bouwen; niet voor het ondergronds bouwen.

artikel 11 Algemene gebruiksregels 11.1 Verboden gebruik Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met het plan. a. Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan (het gebruik als): 1. staan- en/of ligplaats voor wagens en/of onderkomens; 2. opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en/of vaartuigen en/of onderdelen daarvan; 3. opslagplaats voor gerede en/of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines en/of onderdelen daarvan; 4. stortplaats voor puin, mest- en/of afvalstoffen; 5. voorziening voor een 24 uurs begeleidwonenvoorziening met zorgplekken voor dak- of thuislozen met een verslavingsproblematiek of justitieel verleden; 6. het gebruiken van één of meer bouwwerken in een volkstuin ten behoeve van permanente bewoning; 7. seksinrichting, tenzij het 'thuisprostitutie' betreft; 8. verblijfsrecreatie en intensieve dagrecreatie; 9. het racen en/of crossen met gemotoriseerde voertuigen of fietsen. b. Het bepaalde onder sub a 1 t/m 4 is niet van toepassing op (tijdelijk) gebruik voor de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud, gebruik en/of beheer van gronden en/of bouwwerken.

11.2 Toegestaan gebruik - opwekken duurzame energie Het opwekken van duurzame energie met behulp van zonnepanelen of andere - op grond van de bestemmingsregels geoorloofde - voorzieningen op het dak is toegestaan.

11.3 Voorwaardelijke verplichting maatregelen omgevingsvergunning flora- en fauna - activiteit De in lid 4.1 en 5.1 omschreven bestemming mag slechts gerealiseerd worden en vervolgens in stand worden gehouden nadat door GS van de Provincie Gelderland een omgevingsvergunning flora- en fauna – activiteit is verleend en de daarin opgenomen eventuele maatregelen (mitigerend en/of compenserend zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.

35

11.4 Voorwaardelijke verplichting explosievenonderzoek De in lid 3.1, 4.1, 5.1 omschreven bestemming mag slecht gerealiseerd worden indien door middel van een opsporingsonderzoek ontplofbare oorlogsresten wordt aangetoond dat er geen ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn.

artikel 12 Algemene aanduidingsregels 12.1 Overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten 12.1.1 Algemeen Het is ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten' verboden om: a. een nieuwe risicobron te vestigen; b. een bestaande risicobron uit te breiden.

12.1.2 Afwijking van het vestigings- en uitbreidingsverbod voor risicobronnen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.1.1 en de vestiging van een nieuwe of uitbreiding van een bestaande risicobron toestaan, onder voorwaarden dat: a. de risicobron zich niet binnen het gebiedstype 'woongebieden' bevindt, zoals weergegeven op de kaart 'Gebiedstypen' (bijlage 6 Gebiedstypen); b. uit onderzoek blijkt dat er geen kwetsbare objecten in de plaatsgebonden risicocontour 10-6 liggen; beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan indien er zwaarwegende redenen voor zijn; c. wordt voldaan aan minimale veiligheidsafstanden op grond van wet- en regelgeving; d. ingeval de nieuw te vestigen of uit te breiden risicobron een risicovolle inrichting betreft moet de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de inrichting gelegen zijn binnen de inrichtingsgrens van de inrichting; e. de nieuwvestiging of uitbreiding in overeenstemming is met de geldende bestemming; f. het groepsrisico is verantwoord; g. advies is ingewonnen bij de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland.

artikel 13 Algemene afwijkingsregels 13.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan, in uitzonderlijke gevallen, gemotiveerd bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor: a. het oprichten van bouwwerken van algemeen nut (zoals abri's, transformatorhuisjes, gasregelstations en gasdrukstations en conmatics), mits de inhoud van elk van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 m3 en de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan 4 m; b. het overschrijden van de bouwregels inzake de goothoogte, de bouwhoogte en de (vloer)oppervlakte van gebouwen, met niet meer dan 10%, met uitzondering van de regels in de bestemming 'Wonen'; c. het overschrijden van de bouwregels inzake de bouwhoogte en de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met niet meer dan 10%; d. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bouwgrens, te veranderen, als bij definitieve uitmeting en verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste

36

verwerkelijking van het plan gewenst of noodzakelijk is, en waarbij de grens met niet meer dan 3 m worden verschoven; e. het oprichten van masten voor mobiele (beeld)telefonie en zendmasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 m; f. het oprichten van kunstobjecten tot een bouwhoogte van maximaal 10 m, voor alle bestemmingen, behalve de bestemminge 'Groen'.

13.2 Kleinschalige duurzame energie Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor: a. Het oprichten van zonnepanelen op de grond onder voorwaarde dat: 1. de zonnepanelen worden geplaatst op eigen grond, op het perceel dat als erf gebruikt wordt; 2. de hoogte maximaal 1,5 m is; 3. de totale oppervlakte van de op de grond geplaatste zonnepanelen maximaal 100 m2 bedraagt; 4. de zonnepanelen landschappelijk zijn/worden ingepast en hiervoor vooraf advies is ingewonnen bij ter zake deskundigen op het gebied van ecologie en landschap; b. het oprichten van een mini windturbine op het dak van een bouwwerk onder voorwaarde dat: 1. de as van de mini windturbine maximaal 5 m uitsteekt boven het hoogste punt van het bouwwerk waarop de turbine geplaatst wordt; 2. de mini windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; 3. voor de mini windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden; c. het oprichten van een kleine windturbine, onder voorwaarde dat: 1. de kleine windturbine een maximale as-hoogte heeft van 30 m; 2. de kleine windturbine niet mag staan in het gebiedstype 'woongebieden', zoals weergegeven op de kaart 'Gebiedstypen' (bijlage 6 Gebiedstypen) mag staan; 3.

in het landelijk gebied op het erf gerealiseerd moet worden, op maximaal 100 m afstand van het op dat erf aanwezige hoofdgebouw; 4. de kleine windturbine moet minimaal (A) m van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' af liggen, zoals berekend uit de volgende formule: A = H + 1/3 W; Waarin: A = minimale afstand H = ashoogte W = Wieklengte De wieklengte = 1/2 ashoogte 5. de kleine windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; 6. voor de kleine windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden.

13.3 Voorwaardelijke verplichtingen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van in de in artikel 5.5.5, 11.3 en 11.4 opgenomen voorwaardelijke verplichting onder voorwaarden dat: a. is aangetoond dat een afwijking van de voorwaardelijke verplichting noodzakelijk is en dat de afwijking zich uitsluitend daartoe beperkt; b. is aangetoond dat aan de bedoeling van de voorwaardelijke verplichting waarvan wordt afgeweken onverminderd invulling wordt gegeven; c. de afwijking niet leidt tot een kwalitatieve verslechtering van het resultaat dat werd beoogd met de voorwaardelijke verplichting waarvan wordt afgeweken; d. de afwijking gerealiseerd en in stand wordt gehouden binnen, dan wel voor een bepaalde of onbepaalde termijn

37

overeenkomstig de voorwaardelijke verplichting waarvan wordt afgeweken; e. over de afwijking advies wordt ingewonnen bij een terzake deskundige adviseur; f. over de afwijking zo nodig afstemming plaatsvindt met een overlegpartner als bijvoorbeeld het Waterschap, Omgevingsdienst, VNOG en Provincie.

artikel 14 Algemene wijzigingsregels 14.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen, op grond van artikel 3.6 van Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen voor: a. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bestemmingsgrens of een bouwgrens, te veranderen, als bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan gewenst of noodzakelijk is en de bestemmingsgrens niet meer dan 5 m en de bouwgrens niet meer dan 10 m worden verschoven; b. het oprichten van gebouwen van openbaar nut (zoals transformatorhuisjes en gemaalgebouwtjes) met een inhoud van maximaal 100 m3 en een goothoogte van maximaal 4 m; c. het enigszins anders situeren en/of begrenzen van bouwvlakken, als dit voor de uitvoering van een bouwplan nodig mocht blijken, een en ander, mits de oppervlakte van het desbetreffende bouwvlak met niet meer dan 20% van het in het plan vastgelegde afwijkt; d. het geheel of gedeeltelijk verwijderen of wijzigen van een aanduidingsvlak als bedoeld in artikel 12 als vaststaat dat ter plaatse van de aanduiding, hetzij geen functie of waarde meer aanwezig is, hetzij de begrenzing van de functie of waarde veranderd is, hetzij de wijziging meer recht doet aan het beoogde doel van de regeling.

Vooraf moet advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige op het gebied van het onderwerp in kwestie.

artikel 15 Overige regels Waar in dit plan wordt verwezen naar wettelijke regelingen wordt geduid op die regelingen, zoals zij luidden op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan.

38

hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels artikel 16 Overgangsrecht 16.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

16.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

16.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

16.4 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

16.5 Persoonsgebonden overgangsrecht 1. Indien toepassing van het in het in lid 16.4 opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, voor die persoon of personen dat overgangsrecht buiten toepassing laten. . . .

39

artikel 17 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Augustinuspark Gaanderen - 2023'. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Doetinchem in de openbare raadsvergadering d.d. 30-05-2024 de griffier, de voorzitter,

40

BIJLAGEN BIJ REGELS

41

bijlage 1 Lijst van vrije beroepsbeoefenaars bijlage 1 Lijst van vrije beroepsbeoefenaars

bijlage 2 Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven bijlage 2 Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven

bijlage 3 Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem bijlage 3 Nota Parkeernormen 2024 Gemeente Doetinchem

bijlage 4 Stedenbouwkundige visie 'Het Augustinuspark ''Wonen aan de rivierduinen'' Gaanderen' bijlage 4 Stedenbouwkundige visie 'Het Augustinuspark ''Wonen aan de rivierduinen'' Gaanderen'

bijlage 5 Artikel X Waarde - Archeologie bijlage 5 Artikel X Waarde - Archeologie

bijlage 6 Gebiedstypen bijlage 6 Gebiedstypen

42

TOELICHTING

43

1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In 2020 heeft de gemeente Doetinchem onderzocht welke mogelijke woningbouwlocaties er in Gaanderen zijn. Eén van de locaties die uit het onderzoek naar voren kwam om nader te onderzoeken is het perceel van de Augustinusschool aan de Van Damstraat in Gaanderen. In juli 2021 heeft het college opdracht gegeven om de woningbouwmogelijkheden op dit perceel te onderzoeken. Ook is het aangrenzende Sint Jozefterrein, in eigendom van Sensire, hierin meegenomen. Dit heeft in december 2021 geleid tot een GO van het college voor de uitwerking van een herontwikkeling op de Augustinuslocatie in Gaanderen ten behoeve van woningbouw. Woningbouw op deze locatie past niet in het geldende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het geldende bestemmingsplan nodig. Daarom is het bestemmingsplan 'Augustinuspark Gaanderen - 2023' opgesteld.

1.2 Plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wordt begrensd door: • de Mosterdweg aan de noordwestzijde; • de Rijksweg aan de zuidzijde; • de Van Damstraat aan de oostzijde.

Plangebied (Globaal in het rood omlijnd) Kadastraal bestaat het plangebied uit de volgende percelen: • Ambt Doetinchem, sectie I, nummer 4083 • Ambt Doetinchem, sectie I, nummer 5419 • Ambt Doetinchem, sectie I, nummer 5213 • Ambt Doetinchem, sectie I, nummer 5470 • Ambt Doetinchem, sectie I, nummer 5211 • Ambt Doetinchem, sectie I, nummer 5212

44

Ligging plangebied in Gaanderen (Globaal in het rood omlijnd)

Luchtfoto plangebied richting het noorden

1.3 Geldende bestemmingsplannen Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' vastgesteld op 24 juni 2021 door de raad van de gemeente Doetinchem. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Maatschappelijk'. Er zijn twee bouwvlakken opgenomen elk met een maximum bebouwingspercentage van 70%. Binnen het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Verder is de gebiedsaanduiding 'overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten' opgenomen.

45

Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'

1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd in zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 is het beleidskader opgenomen dat van toepassing is op dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de haalbaarheid en bijbehorende randvoorwaarden zoals milieuaspecten en waterhuishouding. In hoofdstuk 5 worden de juridische aspecten nader toegelicht. Er wordt beschreven hoe de verbeelding en de planregels zijn opgebouwd en welke bestemmingen er in het plan voorkomen. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot geeft hoofdstuk 7 de doorlopen procedure weer.

46

2 Planbeschrijving 2.1 Algemeen De ontwikkeling bestaat uit twee delen. Namelijk de voormalige Augustinusschool (nummer 1 op onderstaande kaart) en het Sint Jozef terrein (nummer 1a op onderstaande kaart). Voor het plangebied is de stedenbouwkundige visie 'Het Augustinuspark ''Wonen aan de rivierduinen'' Gaanderen' opgesteld. De stedenbouwkundige visie is uitgewerkt in voorliggend bestemmingsplan. Voor de locatie Augustinusschool (nr. 1) is dit vertaald in een globaal bestemmingsplan met een direct bouwrecht. En voor het Sint Jozef terrein (1A) is het vertaald in een uitwerkingsplicht.

Plangebied verdeeld in de voormalige Augustinusschool (1) en Sint Jozefterrein (1A)

2.2 Toekomstige situatie De stedenbouwkundige visie 'Het Augustinuspark ''Wonen aan de rivierduinen'' Gaanderen' is opgesteld aan de hand van de volgende 10 vertrekpunten. • Mosterweg als groene recreatieve drager van de wijk. • Zichtlijnen/wandelpaden tussen buitengebied, plangebied en bestaande woongebieden. • Wonen aan een openbare parkstructuur (sfeer rivierduinen). • Een autoluwe weg die door het plangebied heen slingert. • Groene straten waar de auto te gast is en parkeren is geclusterd in de openbare ruimte. • Twee markante entree gebouwen in het groen nabij de Rijksweg. • Ruimte voor betaalbare woonconcepten zoals conceptbouw, houtbouw en kleine woningen. • Ruimte voor speelplekken en nieuwe buurtplekken waar gezamenlijk aan gewoond wordt. • Voldoende ruimte voor opvang hemelwater. De stedenbouwkundige visie is als bijlage 1 Stedenbouwkundige visie Het Augustinuspark Gaanderen bij deze toelichting gevoegd. Hierin wordt ook nader ingegaan op de vertrekpunten.

47

Deze vertrekpunten hebben geresulteerd in het schetsontwerp 'Het Augustinuspark' In het 'Het Augustinuspark' is er ruimte voor een woningbouwprogramma naar behoefte. In Gaanderen is behoefte aan alle segmenten maar vooral aan betaalbare koopwoningen, toegankelijke woningen en appartementen. Het woningbouwprogramma moet ook voldoen aan het programma zoals opgenomen in de 'Woonvisie Doetinchem 20232036'. Dit programma schrijft het volgende voor: 1. 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; 2. 8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot €280.000; 3. 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; 4. 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); 5. 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode.

In het schetsontwerp is er dan ook ruimte voor de volgende woningen: • appartementen; • twee-onder-één-kap woningen; • aaneengebouwde woningen; • rug-aan-rug woningen. Voor de locatie van de voormalige Augustinusschool zijn maximaal 30 woningen gepland.

2.3 Beeldkwaliteitsplan Naast de stedenbouwkundige visie is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. In dat beeldkwaliteitsplan zijn de ontwerpprincipes opgenomen voor het ontwikkelen van de toekomstige bebouwing, de woonomgeving en de openbare ruimte. Daarbij wordt op verschillende onderwerpen ingegaan. Zoals architectuur, duurzaamheid, natuurinclusief bouwen en globale regels voor het inrichten van de verschillende typen kavels. Het beeldkwaliteitsplan wordt separaat

48

aan de gemeenteraad ter besluitvorming voorgelegd. Met de bedoeling dat het beeldkwaliteit onderdeel wordt van het welstandsbeleid. Daarmee kan bij de beoordeling van een omgevingsvergunning toetsing plaatsvinden aan het beeldkwaliteitsplan (als onderdeel van het welstandbeleid). In voorliggend bestemmingsplan zijn op basis van het stedebouwkundigplan regels opgenomen die betrekking hebben op o.a. bouwhoogten, mate van bebouwing en situering van bebouwing. Dit sluit aan bij de reikwijdte van het bestemmingsplan dat zich beperkt tot een goede ruimtelijke ordening en daarmee ruimtelijk relevante aspecten. Door het beeldkwaliteitsplan onderdeel te laten zijn van het welstandbeleid kan toetsing plaatsvinden op welstandsaspecten van bebouwing.

49

3 Beleidskader 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk komt het overheidsbeleid aan de orde dat, gezien aard van het voorliggende bestemmingsplan, direct van invloed is op het voorliggende bestemmingsplan. Uit onderzoek blijkt dat de volgende beleidsstukken niet van invloed zijn: • Afsprakenkader detailhandel regio Achterhoek, vastgesteld d.d. 24 september 2015. • Regionaal Programma Werklocaties Achterhoek, vastgesteld d.d. 27 juni 2019. • Beleidskader Bedrijventerreinen In Verandering (BIVA), vastgesteld 27 juni 2019. • Beleidskader Speelautomatenbeleid, vastgesteld d.d. 12 september 2009. • Motorbrandstoffenverkooppunten, vastgesteld d.d 28 oktober 1999. • (para)commercie in de horeca, vastgesteld d.d. 23 april 2013. • Visie boodschappenstructuur, gemeente Doetinchem, vastgesteld 22 februari 2018. • Detailhandelsbeleid gemeente Doetinchem, vastgesteld d.d. 18 juli 2013. • Kantorennota 'Ruimte voor kantoren', gemeente Doetinchem, vastgesteld op 7 februari 2008. • Terrassenbeleid, gemeente Doetinchem, vastgesteld 5 maart 2013. • Standplaatsenbeleid 2011, vastgesteld d.d. 22 november 2011. • Plussenbeleid, vastgesteld d.d. 29 mei 2019. • Wonen landelijk gebied, vastgesteld d.d. 17 december 2020. • Doetinchem in vorm, vastgesteld d.d. 12 april 2017. • Reclame sportvelden, vastgesteld d.d. 12 december 2006. • Evenementenbeleid, vastgesteld d.d. 10 november 2016.

• Vrijetijdsagenda Achterhoek 2020-2030, vastgesteld d.d. 7 juli 2020. • Huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten Doetinchem, vastgesteld 31 oktober 2019. • Bestemming wonen en zorg, vastgesteld 25 januari 2018. • Inrichtingsplan ‘Oude IJssel – binnenstad’, gemeente Doetinchem, vastgesteld 9 november 2017. • Masterplan Schil, gemeente Doetinchem, d.d. 13 december 2007. • Cultuurnota Dossier Cultuur 2003, vastgesteld d.d. 18 december 2003. • Nota Continuïteit in Karakter cultuurhistorie Doetinchem, vastgesteld 21 september 2017. Deze plannen zijn daarom ook niet verder toegelicht in dit plan. Het beleid dat wel van invloed is op het bestemmingsplan is in dit hoofdstuk verwoord en afgewogen.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie inbeeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel;

50

• Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Onderzoek en conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningen mogelijk aansluitend bij de aanwezige woningbehoefte.

Die ontwikkeling sluit tegelijkertijd aan bij en maakt gebruik van de kenmerken/identiteit van het plangebied, waarmee een goede balans wordt nagestreefd tussen bescherming van de aanwezige kwaliteiten en ontwikkeling van het plangebied als woongebied. Daarnaast wordt op verschillende manieren rekening gehouden met maatregelen getroffen in het kader van de klimaatverandering en energietransitie. Er bestaat dan ook geen strijdigheid tussen de NOVI en voorliggend bestemmingsplan. Ook omdat met voorliggend bestemmingsplan geen lokale ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt waarmee rijksbelangen zijn gemoeid.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast.

Bij besluit van 28 augustus 2012 (inwerking getreden op 1 oktober 2012) is het Barro aangevuld met de ruimte vraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied). Onderzoek en conclusie Het Barro doet geen specifieke uitspraken over zaken die in voorliggend bestemmingsplan worden geregeld en bevat dan ook geen regels die van toepassing zijn op voorliggend bestemmingsplan.

3.2.3 De Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder') is ingericht voor een zorgvuldige afweging en

51

transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De uitgangspunten hierbij zijn dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, en dat de ontwikkeling in eerste instantie in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Artikel 3.1.6 lid twee Bro omschrijft de ladder als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig dat uit drie stappen bestaat: a. Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'? b. Vindt de ontwikkeling plaats buiten bestaand stedelijk gebied? c. Als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: waarom kan niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte worden voorzien? De toepassing van de Ladder is mede bepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op 28 juni 2017 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk.

Het bestemmingsplan bestaat uit twee deelgebieden, namelijk de 'voormalige Augustinusschool' en het 'Sint Jozefterrein'. In deze paragraaf onder 'onderzoek' wordt het deelgebied 'voormalige augustinusschool' getoetst aan de ladder. In dit bestemmingsplan is het deelgebied 'Sint Jozefterrein' als 'Woongebied - Uit te werken' bestemd, dus een uitwerkingsplicht. Volgens artikel 3.6.1 lid 3 Bro kan de ladder dan verschoven worden naar de toelichting van het uitwerkingsplan. Om de uitvoerbaarheid te garanderen van de uitwerkingsplicht worden hierover regels opgenomen in de uit te werken bestemming. Onderzoek a. Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'? De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in maximaal 30 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien de hoeveelheid woningen is er sprake van een 'stedelijke ontwikkeling'. Voor woningbouwlocaties geldt namelijk op basis van jurisprudentie dat vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Daarmee staat echter nog niet vast dat ook aan de Ladder moet worden getoetst.

Er moet ook worden onderzocht in hoeverre de ontwikkeling ook kan worden aangemerkt als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling en of sprake is van nieuw ruimtebeslag, zo blijkt uit jurisprudentie. Er is volgens de Afdeling sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als een plan voorziet in een nieuw ruimtebeslag. Het geldende planologisch regime, het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021', staat binnen het deelgebied van de 'voormalige Augustinusschool' bebouwing toe met de bestemming 'Maatschappelijk'. Het ruimtebeslag zal door de voorgenomen ontwikkeling veranderen, zij het dat de wijzigingen beperkt zijn. Hoewel zou kunnen worden betoogd dat de ladder op deze ontwikkeling formeel wellicht niet van toepassing is, volgt uit jurisprudentie dat de behoefte aan de ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid alsnog dient te worden onderbouwd. Om die reden wordt hierna toch ingegaan op die behoefte aan de hand van de ladder. Nu sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan deze ontwikkeling te worden aangetoond. Er is sprake van de realisatie van 30 woningen in de vorm van rijwoningen, rug-aan-rug woningen, appartementen en 2onder-1-kapwoningen. In de huidige situatie is er sprake van een voormalige school. Het aantal woningen op het terrein zal dus toenemen. De gemeenteraad heeft op 20 april 2023 de 'Woonvisie 2023-2036' vastgesteld.

Het woningbouwprogramma uit de woonvisie is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk. De ontwikkeling van de voormalige Augustinusschool speelt in op de behoefte zoals

52

beschreven in de woonvisie. b. Vindt de ontwikkeling plaats buiten bestaand stedelijk gebied? Als er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd, moet uitgebreid worden gemotiveerd waarom deze ontwikkeling niet mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied. Het bestaand stedelijk gebied is in het Bro gedefinieerd als 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en ook de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Gaanderen. Het plan voorziet in een herstructurering van bebouwing, de school wordt gesloopt en er worden woningen gebouwd. Er is dus geen sprake van een ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied. Daarmee is de toetsing aan de ladder gedaan en akkoord. Onderzoek en conclusie De ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voorziet in de woonbehoefte en wordt ontwikkeld in bestaand stedelijk gebied.

3.2.4 Nationale Woon- en Bouwagenda In de Nationale Woon- en Bouwagenda (vastgesteld 11 maart 2022) worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. De beschikbaarheid van een passende woning staat voor veel mensen onder druk: mensen zijn onvoldoende in staat om snel een woning te vinden die bij hen past. Dit hangt sterk samen met de betaalbaarheid van wonen: veel mensen hebben moeite met hun woonlasten of kunnen geen voor hen betaalbare woning vinden. Daarnaast is de kwaliteit in toenemende mate een probleem: veel woningen passen niet bij de levensfase of woonbehoefte, zijn niet duurzaam of staan in een wijk waar sprake is van slecht onderhoud of waar de kwaliteit van de leefomgeving onder druk staat. Het doel is om te groeien naar het realiseren van 100.000 woningen per jaar. Het lange termijn doel is om 900.000 woningen tot en met 2030 te realiseren. Van de nieuwe huur- en koopwoningen is het streven twee derde betaalbare woningen, waarvan de helft door corporaties wordt gebouwd. Om de al in gang gezette woningbouwprojecten geen vertraging te laten oplopen door nieuwe betaalbaarheidsvereisten, zal dit streven gelden voor nieuwe projecten.

De minister heeft in regionale woondeals met provincies en gemeenten de afspraken verder vastgelegd. Onderzoek en conclusie Het woningbouwprogramma voldoet aan de 'Woonvisie 2023-2036' van de gemeente Doetinchem. Deze woonvisie sluit aan bij de Nationale Woon- en bouwagenda. Het gewenste programma vanuit de 'Woonvisie 2023-2036' is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. Samen met de Omgevingsverordening heeft de provincie al vooruit gelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving. De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven:

53

1. Energietransitie Gelderland is in 2050 klimaatneutraal. Dit bereiken we door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. Innovatie en het uitrollen van bewezen technieken wordt gestimuleerd. Als tussendoel realiseert Gelderland in 2030 55% broeikasgasreductie. 2. Klimaatadaptatie Gelderland is in 2050 klimaatbestendig. We zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. In 2020 heeft de provincie, samen met partners, de risico's en kansen van het veranderen klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. 3. Circulaire economie Gelderland wordt de eerste afval-loze provincie in Nederland. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden in de schone industrie. Om dit te bereiken is in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen in Gelderland met 50% teruggebracht. 4. Biodiversiteit In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. Er wordt natuur-inclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald. 5.

Bereikbaarheid In 2050 is de groei van de mobiliteit op een slimme manier opgevangen en verplaatsen mensen in Gelderland zich veilig, snel, betaalbaar en klimaatneutraal. Snel en veilig internet fungeert daarbij als alternatief voor fysieke verplaatsingen. In 2050 is het netwerk voor goederenvervoer in Gelderland toegankelijk, duurzaam en klimaatneutraal. In 2030 is al ons busvervoer zonder uitstoot en is 35% van het totaal aantal verplaatsingen met de fiets. 6. Vestigingsklimaat De concurreerde positie van Gelderland binnen het internationale stedelijke netwerk van Amsterdam, Brussel en Keulen wordt verder versterkt. Om onderscheidend te blijven, halen we in 2050 maximaal profijt uit de unieke combinatie van stedelijke en groene kwaliteiten. In 2050 zijn alle werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen. Gelderland is hierin koploper van Nederland. 7. Woon- en leefklimaat Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor iedereen passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaat adaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.

Met vier 'spelregels' of 'doe-principes' - doen, laten, zelf en samen - wordt er werking aan gegeven. Dit is het kader waarbinnen de provincie wil werken en afwegingen wil maken. Themakaarten Daarnaast zijn een aantal themakaarten onderdeel van de omgevingsvisie waar specifiek beleid in is vastgelegd. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen: • ruimtelijk beleid; • waterbeleid; • milieubeleid; • natuur- en landschapsbeleid. Voor de uitvoering van de omgevingsvisie zijn tevens drie beleidsdocumenten vastgesteld: • Regionaal waterprogramma; • Handreiking plussenbeleid; • Beleidslijn windenergie.

54

Onderzoek Woon -en leefklimaat en energietransitie Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van verschillende woningtypen (rijwoning, rug-aan-rugwoningen, twee-onder-een-kapwoning, en appartementen) mogelijk. Vanzelfsprekend worden de woningen conform huidige weten regelgeving aardgasloos gebouwd. Daarnaast wordt ook ruimte geboden voor zonnepanelen om de duurzame opwek van energie te faciliteren. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan de invulling van de (duurzame) woningvraag. Klimaatadaptatie en biodiversiteit In het plan wordt hemelwater lokaal opgevangen en geïnfiltreerd. De parkeerplaatsen worden aangelegd met graskeien. En de paden in halfverharding. Dit zorgt ervoor dat neerslag beter kan infiltreren in de ondergrond. Dit draagt bij aan het voorkomen van de risico's van klimaatverandering zoals wateroverlast of droogte. In het plan blijven bestaande bomen deels behouden en worden er nieuwe bomen aangeplant. De basis voor de stedenbouwkundige visie is de ondergrond van het plangebied als rivierduin. Door de sfeer van de rivierduinen te behouden worden de woningen gesitueerd in een openbare parkstructuur. Hierdoor is er ook ruimte voor beplantingsvlakken passend bij de rivierduinen. Het groene karakter van het plan draagt bij aan het verminderen en voorkomen van hittestress. Één van de gevolgen van klimaatverandering.

Daarnaast draag dit bij aan de biodiversiteit in het plangebied. Themakaarten Het plangebied maakt alleen onderdeel uit van de themakaart ruimtelijk beleid als zijnde 'aandachtsgebied windenergie' en van de themakaart waterbeleid als zijnde 'intrekgebieden' maar dat is inzake de voorliggende ontwikkeling niet relevant. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan c.q. de ontwikkeling aansluit bij de ambities van de provincie Gelderland zoals die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie. En in samenhang daarmee kan de conclusie worden getrokken dat de ontwikkeling de totale opgave om te verduurzamen niet groter maakt.

3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. Nadien is de verordening een aantal keren op onderdelen geactualiseerd. Getoetst is aan de geconsolideerde versie van 14 januari 2023. In de omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Samen met de Omgevingsvisie heeft de provincie al vooruit gelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving. Onderzoek en conclusie Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn de volgende regels uit de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing. a. Instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda (art. 2.2) b. Instructieregel bestemmingsplan intrekgebied (art. 2.38) c. Instructieregel klimaatadaptatie (2.65b) d. Verbod op winning fossiele energie in intrekgebieden Ad a. In de Omgevingsverordening Gelderland is opgenomen dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts toegestaan worden wanneer dit past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. De gemeente Doetinchem behoort tot de regio Achterhoek.

Voor deze regio is begin 2023 de Regionale Woonagenda Achterhoek 2023-2030 vastgesteld, door zowel de zeven gemeenten als door de provincie

55

Gelderland. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van woningen planologisch mogelijk. Dit is passend in het woningbouwprogramma van de gemeente en daarmee ook in afspraken die binnen de regio Achterhoek en met de Provincie Gelderland zijn gemaakt over de woonopgave. Zie hiervoor paragraaf 3.5.6 Ad b. In de omgevingsverordening Gelderland is opgenomen dat in een bestemmingsplan voor gronden binnen een intrekgebied maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan maakt deze werkzaamheden niet mogelijk, waardoor het intrekgebied verder niet relevant is. Ad c. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet de beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas.

Risico's als gevolg van klimaatverandering Op basis van de klimaatatlas gemeente Doetinchem is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast De klimaatatlas laat zien waar een korte extreem hevige bui leidt tot grote plassen die zorgen voor wateroverlast. Dit is voor twee soorten buien weergegeven, namelijk voor een bui van 70 mm in één uur (kans 1x per 100 jaar) en een bui van 160 mm in twee uur (kans 1x per 1.000 jaar). In het plangebied ontstaat een minimale pasvorming met een minimale diepte. Er is dan ook maar een kleine kans op waterschade. De wegen rondom het plangebied zijn in die gevallen begaanbaar sowieso voor calamiteitenverkeer. In paragraaf 4.9.4. wordt nader ingegaan op de maatregelen om wateroverlast te beperken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8153/documents/46715