Bijlage 01_11 Toelichting bijlage 2 - Bijlagenboek RO Supermarkt Julianastraat Koningin Wilhelminastraat te Wehl_20240404.pdf
Tekst van het document
4,9
Ppl per 100m2 BVO
1.723m2 BVO
maatgevende parkeervraag op de werkdagenavond, terwijl voor de supermarkt de zaterdagmiddag maatgevend is. Door toepassing van aanwezigheidspercentages (conform het gemeentelijke beleid) wordt rekening gehouden met dit effect. Tevens kunnen de parkeerplaatsen door verschillende
* De bibliotheek staat reeds leeg en is derhalve achterwege gelaten.
Tabel 2.1 Gehanteerde parkeernormen (conform Nota Parkeernormen van de gemeente Doetinchem)
parkeerders worden gebruikt (dubbelgebruik).
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
5
2.3 Aanwezigheidspercentages De gehanteerde aanwezigheidspercentage zijn opgenomen in tabel 2.2.
Werkdagochtend
Werkdagmiddag
Werkdagavond
Werkdagnacht
Woningen bewoners
50%
50%
90%
100%
Woningen bezoekers
10%
20%
80%
Supermarkt
30%
60%
40%
Functie
Koopavond
Zaterdagmiddag
Zaterdagavond
Zondagmiddag
80%
60%
80%
70%
0%
70%
60%
100%
70%
0%
80%
100%
40%
0%
Tabel 2.2 Gehanteerde aanwezigheidspercentages (conform Nota Parkeernormen gemeente Doetinchem)
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
6
3
3.1 Resultaat parkeervraagberekening In tabel 3.1 is het resultaat van de parkeervraagberekening opgenomen. Conform het gemeentelijk beleid is de parkeervraag voor de huidige, te slopen, functie verrekend met de toekomstige, nieuwe functie. De resterende
Parkeren
parkeervraag is afgezet tegen het aantal in het plan opgenomen parkeerplaatsen.
Functie
Uit de tabel is op te maken dat het piekmoment in de parkeerbehoefte zich voordoet op de zaterdagmiddag. Het tekort op de balans bedraagt dan (afgerond) 21 parkeerplaatsen. Ook is er tijdens de koopavond sprake van een marginaal tekort. Gekeken is daarom of er in de omgeving van de ontwikkellocatie voldoende restcapaciteit op deze momenten aanwezig is. De resultaten van het parkeerdrukonderzoek zijn in paragraaf 3.2 weergegeven.
Werkdagochtend
Werkdagmiddag
Werkdagavond
Werkdagnacht
Woningen (huidig)
-5,4
-5,7
-11,3
-10,4
Supermarkt
25,3
50,7
33,8
Resterende parkeervraag
19,9
45,0
Parkeeraanbod*
56,0
Overschot/ tekort
36,1
Koopavond
Zaterdagmiddag
Zaterdagavond
Zondagmiddag
-10,0
-7,7
-10,7
-9,0
0,0
67,5
84,4
33,8
0,0
22,5
0,0
57,5
76,7
23,1
0,0
56,0
56,0
56,0
56,0
56,0
56,0
56,0
11,0
33,5
56,0
-1,5
-20,7
32,9
56,0
* Er worden 62 parkeerplekken gerealiseerd. Dit gaat ten koste van 6 bestaande parkeervakken in de openbare ruimte. Feitelijk worden er dus 56 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd.
Tabel 3.1 Resultaat parkeerbalans
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
7
3.2 Benutten restcapaciteit Parkeerdrukonderzoek Conform toetsingskader van de gemeente Doetinchem is gekeken of in het invloedgebied van de ontwikkeling voldoende restcapaciteit is om het parkeertekort op te kunnen vangen. Het invloedgebied is bepaald op basis van de functie en de daarbij behorende maximale loopafstanden. De Nota Parkeernormen schrijft voor kort parkeren bezoekers (winkels) 200 meter voor. Uitgegaan is echter van een (kleiner) onderzoeksgebied van circa 100 meter loopafstand van de ontwikkellocatie, omdat de praktijk leert dat bezoekers van een bestemming graag zo dicht mogelijk bij hun bestemming willen parkeren. Op afbeelding 3.1 is het onderzoeksgebied te zien. Het parkeerdrukonderzoek heeft plaatsgevonden op de volgende, met de gemeente afgestemde, momenten: Koopavond, vrijdag 1-7-2022, 19:00 uur; Zaterdagochtend, 2-7-2022, 10:00 uur; Zaterdagmiddag, 2-7-2022, 14:00 uur; Zaterdagavond, 2-7-2022, 19:00 uur. Afbeelding 3.1: Onderzoeksgebied parkeerdrukonderzoek met in blauw weergegeven de ontwikkellocatie
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
8
Parkeerbalans Het resultaat van de parkeerdrukmeting is beknopt weergegeven in tabel 3.2. Het totale parkeeraanbod in het onderzoeksgebied bedraagt 74 parkeerplaatsen. Er wordt, ten behoeve van een acceptabele parkeersituatie, conform toetsingskader van de gemeente uitgegaan van een maximale bezetting van 85%. Zoals te zien in tabel 3.2 blijft de parkeerdruk na toevoeging van de parkeervraag van de
Functie
PLUS op alle momenten (ruim) beneden de 85%. Het piekmoment doet zich voor tijdens de zaterdagochtend en bedraagt dan 69,9%. Geconcludeerd kan worden dat het parkeertekort van de PLUS in de omgeving kan worden opgevangen zonder dat dit leidt tot een onacceptabele parkeersituatie.
Vrijdag 1 juli 2022
Zaterdag 2 juli 2022
19.00 uur
11.00 uur*
14.00 uur
19.00 uur
Parkeeraanbod openbare ruimte
74
74
74
74
Parkeerbezetting tijdens meting
21,0
31,0
25,0
20,0
Parkeertekort PLUS
1,5
20,7
20,7
0,0
Parkeerbezetting na toevoeging parkeertekort PLUS
22,5
51,7
45,7
20,0
Toekomstige parkeerdruk
30,4%
69,9%
61,8%
27%
*
Bij wijze van worst case is voor de zaterdagochtend uitgegaan van het parkeertekort van 20,7 parkeerplaatsen conform zaterdagmiddag
Tabel 3.2 Parkeerbalans bij benutten openbare parkeercapaciteit
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
9
4
4.1 Verkeersgeneratie
het parkeervraagstuk het gemiddelde van de bandbreedte.
Omdat sprake is van een functiewijziging veranderen ook de verkeersstromen op en rondom de ontwikkellocatie. Om een
Supermarkt
uitspraak te kunnen doen over de verwachte verkeersafwikkeling en het effect van het toevoegen van een
Verkeersgeneratie en ontsluiting
supermarkt op de verkeersveiligheid is het van belang om te weten hoe groot de verkeersgeneratie van de PLUS is. Om dit te berekenen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De kencijfers zijn afhankelijk van de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone waarin de ontwikkeling zich bevindt. Hiervoor zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd, zoals beschreven in de Nota parkeernormen van de Gemeente Doetinchem:
Stedelijkheidsgraad: matig stedelijk
Woningen (bestaand)
Stedelijke zone: rest bebouwde kom
De bandbreedte voor een huis (sociale huur) betreft 4,5 tot 5,3 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Uitgaande van het gemiddelde in de bandbreedte genereren de bestaande woningen respectievelijk 39,2 mvt/etmaal en 43,5 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag en op een gemiddelde werkdag. Ook hierbij is gerekend met een omrekeningsfactor van 1,11.
Functie: full-service supermarkt / huur, huis, sociale huur
De te hanteren kencijfers bevatten een bandbreedte. Afhankelijk van de specifieke situatie kan binnen deze
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
Volgens de CROW-publicatie valt de betreffende supermarkt onder de noemer ‘full-service supermarkt’. De bandbreedte is in dit geval 92,3 tot 133,9 verkeersbewegingen per 100m2 bruto vloeroppervlak (BVO). Dat betekent dat gerekend wordt met een verkeersgeneratie van 113,1 2 verkeersbewegingen per 100m BVO. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van afgerond 1.949 motorvoertuigbewegingen (mvt) per etmaal op een gemiddelde weekdag. De omrekeningsfactor van weekdag naar werkdag voor supermarkten is 1,11. Dit betekent dat de verkeersgeneratie op een gemiddelde werkdag afgerond 2.163 mvt/etmaal bedraagt.
bandbreedte bepaald worden welk kencijfer toegepast kan worden. Er is in dit geval geen reden om aan de boven- of onderzijde van de bandbreedte gaan zitten. Daarnaast hanteert de gemeente in haar Nota Parkeernormen ook voor
10
Functie
Omvang
Full-service supermarkt Woningen (bestaand/sloop)
Kencijfer
Verkeersbewegingen per etmaal (weekdag)
Verkeersbewegingen per etmaal (werkdag)
1.723 m2 BVO
113,1 per 100 m2 BVO
1.949
2.163
8
4,9 per woning
-39
-43
1.910
2.120
TOTAAL
Tabel 4.1 Verkeerstoename PLUS
In tabel 4.1 is de toename van het aantal verkeersbewegingen per etmaal (voor een gemiddelde weekdag en werkdag) als gevolg van de ontwikkeling weergegeven. Hiertoe is de verkeersgeneratie van de woningen – omdat deze verdwijnen - verrekend met de verkeersgeneratie van de supermarkt. De verwachting is dat de supermarkt, na aftrek van de verkeersproductie van de bestaande woningen, afgerond 2.120 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag op de omliggende wegvakken zal genereren.
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
11
4.2 Huidige situatie
Weekdag: 865 mvt/et Werkdag: 922 mvt/et
Rondom het plangebied liggen de Julianastraat en de Koningin Wilhelminastraat. Deze wegen zijn gecategoriseerd als 30 km/u-wegen binnen de bebouwde kom en hebben daarom de uitstraling als een verblijfsgebied. De Julianastraat heeft een breedte van circa 5,00 meter en de Koningin Wilhelminastraat is circa 6,00 meter breed. Gemotoriseerd verkeer wordt gemengd met fietsverkeer afgewikkeld. Voor voetgangers zijn trottoirs aanwezig. De Julianastraat en de Wilhelminastraat sluiten in noordelijke
Weekdag: 1.110 mvt/et Werkdag: 1.250 mvt/et
richting aan op de Doesburgseweg en de N813 (welke een regionale functie heeft). Aan de oostzijde is de N815 gelegen. Om te bepalen of de verkeerstoename tot problemen gaat leiden, is het van belang om te weten hoe de huidige verkeerssituatie is. Bij de gemeente Doetinchem zijn daarom verkeerstellingen opgevraagd van de Koningin Wilhelminastraat. Voor de Julianastraat waren geen (recente) tellingen beschikbaar, daarom is in de periode van 22 t/m 29 augustus 2022 een slangtelling uitgevoerd op de Julianastraat ter hoogte van het Raadhuisplein. Op afbeelding 4.1 zijn de intensiteiten op een gemiddelde werkdag en een gemiddelde weekdag weergegeven.
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
Afbeelding 4.1 Huidige intensiteiten Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat (bron: gemeente Doetinchem en tellingen augustus 2022).
Op de Koningin Wilhelminastraat rijden op een gemiddelde werkdag circa 1.250 motorvoertuigen. De Julianastraat wordt gebruik door circa 922 motorvoertuigen op een gemiddelde werkdag.
12
4.3 Toekomstige situatie en ontsluiting De situering van de ontsluiting van het parkeerterrein bepaalt op welke wegvakken sprake zal zijn van een verkeerstoename. Bij deze analyse zijn de onderstaande uitgangspunten gehanteerd. Gezien de centrale ligging van de supermarkt in Wehl en de ligging ten aanzien van de omliggende (regionale) uitvalswegen (N813/N815) is de verwachting dat de toekomstige bezoekers van de supermarkt zich evenredig over de vier takken van het kruispunt verdelen. Dat betekent
Werkdag: 922 mvt/etmaal Toename: +530 Werkdag: 1.250 mvt/etmaal
Toekomstige intensiteit: 1.452 mvt/etmaal
Toename: +530 Toekomstige intensiteit: 1.780 mvt/etmaal
dat per tak een toename van +530 (2.120/4) motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag wordt verwacht. Verder wordt aangenomen dat de intensiteiten van respectievelijk het oostelijke en zuidelijke deel van de Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat qua intensiteit gelijk is aan de intensiteit zoals gemeten op de in afbeelding 4.1 aangegeven locaties. In afbeelding 4.2 zijn de huidige en toekomstige intensiteiten weergegeven. Ondanks dat de verkeerstoename vanuit verkeerskundig oogpunt beperkt is, kan dit in relatieve zin als veel ervaren worden. Immers, de verkeersintensiteiten op de Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat liggen momenteel respectievelijk op de 1.250 en 922 motorvoertuigen op een gemiddelde werkdag. | Verkeersonderzoek PLUS Wehl
Afbeelding 4.2 Huidige en toekomstige intensiteiten Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat
huidige wegprofiel en menging van auto- en fietsverkeer, vaak gerekend met een maximale verkeersintensiteit van
Een toename van 530 voertuigen betekent daardoor een relatief grote toename. De Koningin Wilhelminastraat en de Julianastraat hebben de functie en vormgeving van een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. In het ASVV 2021 van het CROW (Nederlands kennisinstituut voor infrastructuur) wordt geen concrete intensiteitsnorm voor erftoegangswegen toegepast. Wel wordt indicatief een maximale acceptabele intensiteit genoemd van 5.000 a 6.000 mvt/etmaal. In praktijk wordt echter, op basis van het
4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De toekomstige intensiteit ligt daar (ruim) onder. Geconcludeerd kan worden dat ondanks de toename van het verkeer, het gebruik op alle delen van de Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat, na realisatie van de supermarkt nog prima in overeenstemming is met functie en vormgeving van de weg. 13
4.4 Bevoorradingsroute De voorgenomen bevoorradingsroute loopt van noordwest (N813) naar zuidoost (N815) via de Doesburgseweg – Julianastraat en de Isidorusstraat . Hiermee wordt het aantal vrachtbewegingen in het centrum/verblijfsgebied zo beperkt mogelijk gehouden, want vrachtverkeer rijdt hierdoor niet heen én terug via dezelfde route. Tevens is het de kortst mogelijke route. Het laden/lossen vindt aan de westzijde van het pand in een separate langsparkeervoorziening plaats. Hierdoor kan bevoorradend verkeer, na het lossen, vooruit de parkeervoorziening verlaten richting de N815 en hoeft zo geen gevaarlijke manoeuvres te maken zoals keren of achteruit rijden. Gezien beperkte omvang van het aantal vrachtbewegingen per dag (zie akoestisch onderzoek) en de vormgeving van de genoemde wegvakken (die voldoende breed zijn) worden geen (verkeersveiligheids) problemen verwacht ten aanzien van bevoorradend verkeer.
| Verkeersonderzoek PLUS Wehl
14
5
De realisatie van de PLUS gaat gepaard met een verandering van het verkeersbeeld. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek weergegeven.
5.1 Parkeren
Conclusies
De parkeervraag van de supermarkt bedraagt op het piekmoment 84,4 parkeerplaatsen. Er worden 56 parkeerplaatsen toegevoegd. Het parkeertekort bedraagt dan, na verrekening met de te vervallen woningen, 20,7 parkeerplaatsen. Uit een parkeerdrukmeting blijkt dat er tijdens het piekmoment (ruim) voldoende capaciteit is in het omliggende openbare gebied. De parkeerdruk neemt toe tot circa 69,9%, daar waar 85% als acceptabele grenswaarde wordt gezien. Deze restcapaciteit kan vooral worden gevonden op het parkeerterrein aan het Raadhuisplein. Het parkeertekort kan dus ruimschoots worden opgevangen. Op de overige momenten van de week voorziet de supermarkt in de parkeerbehoefte op eigen terrein.
5.2 Verkeersgeneratie en ontsluiting Het verkeersaanbod als gevolg van de realisatie van de PLUS neemt toe ten opzichte van de huidige situatie. Op een gemiddelde werkdag worden circa 2.120 motorvoertuigbewegingen per etmaal verwacht. Uitgaande | Verkeersonderzoek PLUS Wehl
van een evenredige verdeling van het verkeer over de vier takken van het kruispunt Koningin Wilhelminastraat Julianastraat wordt een verkeerstoename van 530 motorvoertuigbewegingen per etmaal per tak verwacht. De toekomstige intensiteit op de Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat bedraagt dan respectievelijk 1.780 mvt/etmaal en 1.452 mvt/etmaal. De Koningin Wilhelminastraat en de Julianastraat hebben de functie en vormgeving van een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Fietsverkeer wordt gemengd met het autoverkeer afgewikkeld. Op basis van het huidige wegprofiel en menging van auto- en fietsverkeer is een verkeersintensiteit van 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal acceptabel. De toekomstige intensiteit ligt daar (ruim) onder. Geconcludeerd kan worden dat ondanks de toename van het verkeer, het gebruik op alle delen van de Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat, na realisatie van de supermarkt nog prima in overeenstemming is met functie en vormgeving van de weg. Ook ten aanzien van bevoorradend verkeer worden, omwille van de voorgenomen bevoorradingsroute en de vormgeving van de laad- en losvoorziening, geen problemen verwacht.
15
Bijlage 3: Quickscan flora en fauna
Notitie
: Quickscan flora en fauna ‘Supermarkt Wehl’ te Wehl, gemeente Doetinchem
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 23 november 2018 : Hufrast Holding BV : P00721 : ir. M.J.I.C. van de Schoot : ing. M. Koen
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop van enkele woningen en bibliotheek en realisatie van een supermarkt te Wehl, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet Natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden.
Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 18 november 2018 tussen 10.00 uur en 11.00 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 3 °C, half bewolkt, zonder neerslag, met een noordoostenwind van 3 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is 1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen in het centrum van Wehl, 40 meter ten westen van de kerk. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit enkele woningen aan de Julianastraat en Kon. Wilhelminastraat, en de voormalige bibliotheek aan het Kerkplein 6 en 8. In het zuidwesten is een grasveld aanwezig. In beperkte mate is ook opgaand groen aanwezig. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek.
2
Toekomstige situatie Alle gebouwen binnen het plangebied zullen worden gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een supermarkt met parkeerplaats gerealiseerd (figuur 3).
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
3
Figuur 3. Toekomstige situatie plangebied
4
Figuur 4. Plangebied vanuit westen
Figuur 5. Noordwestelijke woningen
Figuur 6. Zuidelijke woningen
Figuur 7. Achterzijde bibliotheek
Figuur 8. Bibliotheek vanaf kerkplein gezien
Figuur 9. Groenstructuur tussen bibliotheek en woningen
5
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 7,5 kilometer afstand ten westen van het projectgebied (zie figuur 10). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de sloop van enkele woningen en realisatie van een supermarkt is, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten.
Een significante toename van stikstofdepositie op een Natura 2000gebied is gezien de geruime afstand tot een Natura 2000-gebied redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt niet noodzakelijk geacht. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Gelderland bestaat de NNN uit Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het GNN/GO (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN/GO ligt ongeveer 530 meter ten zuidwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het GNN/GO niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN/GO wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
6
Figuur 10. Ligging GNN (groen), GO (lichtgroen) en Natura 2000-gebieden (rood gearceerd) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
7
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming)
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten
Nationaal beschermde soorten
(artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
-
8
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 WNB) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij ondermeer ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend.
Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Het dak van de te slopen woningen biedt potentiële nestgelegenheid aan de huismus en gierzwaluw. Onder de daken van de te slopen woningen kunnen zich één of meerdere nesten bevinden. Daarnaast kan de dichte begroeiing functioneren als essentiële schuilgelegenheid voor huismussen. Verder is het dak van de woningen geschikt als nestlocatie voor soorten zonder jaarrond beschermde nesten als spreeuw en zwarte roodstaart. In de opgaande beplanting in de tuinen bevinden zich geen
9
(potentiele) jaarrond beschermde nesten van vogels als sperwer en ransuil. In de voor- en achtertuin kan wel een soort als merel, winterkoning, roodborst, heggenmus en houtduif tot broeden komen. Toetsing Bij sloop van de woning bestaat de kans dat er één of meerdere nesten van de huismus en gierzwaluw verloren gaan. Nesten van de huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Voor aanvang van de sloop dient duidelijk te zijn of zich onder het dak van de woning nesten van de huismus of gierzwaluw bevinden. Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding. Bij de aanwezigheid van een of meerdere nesten zal door het treffen van maatregelen; zoals het aanbieden van tijdelijke nestkasten, aanplant van voldoende dichte struiken, slopen buiten de gevoelige periode en het geschikt maken van de nieuwbouw de functionaliteit van de nesten behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. Daarnaast dient voor het verwijderen van de huidige nestplaats officieel een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Gelderland.
Door het behoud van de functionaliteit, zorgvuldig te handelen en het hier hooguit enkele nesten zal betreffen, zal de gunstige staat van instandhouding van de lokale populatie huismussen en gierzwaluwen door de voorgenomen sloop en nieuwbouw zeker niet in het geding komen. Bij de uitvoeringsfase van de voorgenomen plannen kan er ook verstoring van broedende vogels plaatsvinden waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Voor de betreffende soorten als geldt dat, indien de werkzaamheden ter plaatse van beplanting en/of de sloop buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels zoals merel, winterkoning, roodborst, heggenmus, houtduif etc. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel omtrent de aan/afwezigheid van doorbroeders als de houtduif, kan een controle hieromtrent uitsluitsel geven. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een dergelijke vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. De te slopen woningen en bibliotheek bieden geschikte doorgangen naar verblijfplaatsen voor vleermuizen, namelijk via kierende dakbetimmering en overhangende dakpannen. Afhankelijk van de aanwezigheid van ververblijfplaatsen, kan het opgaande groen ook van belang zijn. Essentiele vliegroutes zijn niet aanwezig.
10
Toetsing In het te verbouwen gebouw kunnen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen (jaarrond beschermd) aanwezig zijn. Negatieve effecten op vleermuizen zijn niet op voorhand uitgesloten en nader (protocollair) onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfsfuncties van vleermuizen is noodzakelijk om te kunnen bepalen of er bij uitvoering van de plannen sprake is van een overtreding. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt weinig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.
Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten steenmarter, boommarter, das, bever en eekhoorn voor. Er zijn binnen het plangebied geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze soorten. Voor steenmarter zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. De gebouwen bevatten geen ruime lege ruimtes zoals loze zolders. De bibliotheek bevat gezien het type dak geen geschikte verblijfplaatsen. De seniorenwoningen zijn reeds bewoond, en hier zijn geen sporen aangetroffen van een steenmarter welke onder het dak zou kunnen verblijven. Ook zijn er bij BRO geen klachten van bewoners bekend. Daarmee is er geen indicatie van een verblijfplaats van steenmarter binnen het plangebied. Het terrein kan wel deel van het foerageergebied van de steenmarter uitmaken, gezien het echter een beperkte hoeveelheid groen betreft zal de functie hiervan niet essentieel zijn. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen. Gezien de stedelijke ligging is de aanwezigheid van das, boommarter en bever uitgesloten.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis, zandhagedis, hazelworm, ringslang. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de buurt. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt
11
geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten op reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens is in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, knoflookpad, poelkikker, heikikker en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten, met uitzondering van een incidenteel individu van een algemene (vrijgestelde) soort vanuit de omliggende tuinen. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en beekrombout. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, wat in het plangebied niet aanwezig is. Daarbij biedt het plangebied geen geschikt (voortplantings)habitat voor deze soortgroepen. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als akkerogentroost, bergnachtorchis, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, karthuizer anjer, kleine wolfsmelk en schubvaren. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen.
12
Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten. Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Bij uitvoering van de (sloop)plannen zijn negatieve effecten op nestlocaties van huismus en gierzwaluw, en vaste verblijfplaatsen van een vleermuizensoort niet uitgesloten. Protocollair veldonderzoek naar de functionaliteit van de bebouwing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen wordt noodzakelijk geacht. Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht.
Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
Vervolgtraject en advies Indien plannen negatieve gevolgen kunnen hebben voor vleermuizen, gierzwaluw en/of huismus, die een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreffen, zal eerst inzichtelijk moeten worden of de huidige situatie een nest- of verblijffunctie vervult voor de betreffende soort(groep) middels een aanvullend soortgericht veldonderzoek. Een “standaard” vleermuizenonderzoek loopt van half mei tot en met eind september. Een onderzoek naar de huismus begint al eerder en loopt van april tot half mei. Bij de aanwezigheid van een of meerdere huismus- en/of gierzwaluwnesten zal door het treffen van maatregelen; zoals het aanbieden van tijdelijke nestkasten, werken buiten de gevoelige periode en het geschikt maken van de nieuwe situatie, de functionaliteit van de nesten behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleermuizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijvoorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de te verstoren functie, dienen meerdere geschikte verblijfsmogelijkheden te worden
13
aangeboden die de te verstoren functies (tijdelijk) kunnen opvangen. Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de te verstoren functie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de verstorende werkzaamheden mag worden gestart. De wintermaanden mogen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volledig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing voor het verstoren ervan kan worden gesloopt. Voor een initiatiefnemer is dat vaak een extra jaar tijdverlies. Indien de projectplanning van essentieel belang is, adviseert BRO om vooraf aan het vleermuizenonderzoek al alternatieve verblijfplaatsen te plaatsen, conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de te verwachten soorten en verblijffuncties. Hiermee kan eventuele vertraging van de planning worden beperkt. Daarnaast dient voor het verwijderen van de huidige nest- en verblijfplaats officieel een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie.
Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan. De provincie neemt normaliter binnen 13 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan de provincie deze termijn met 7 weken verlengen.
14
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
verstoring
gelen
gen
Plangebied buiten broedAlgemeen
Ja
Mogelijk
of controle vooraf
Broedvogels Jaarrond beschermd
Verblijfplaatsen Vleermuizen
seizoen bouwrijp maken
Foerageerhabi-
Ja
Mogelijk
Ja
Mogelijk
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Vervolgonderzoek naar
Bij aanwezigheid is voor de
huismus en gierzwaluw
sloop een ontheffing nodig
Vervolgonderzoek naar gebruik van woningen door vleermuizen
Bij aanwezigheid is voor de sloop een ontheffing nodig
Minimaal
Nee
-
Niet essentieel
Minimaal
Nee
-
Niet essentieel
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Mogelijk
Zorgplicht
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Mogelijk
Zorgplicht
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand tot
Sprake van
gebied
aantasting
Natura 2000
ca. 7,5 km
Nee
-
Natuurnetwerk Nederland
ca. 530 m
Nee
-
Houtopstanden
-
Nee
-
tat Vliegroutes
Gebiedsbescherming
Vervolgtraject
Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Bijzonderheden / opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing
15
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Ti-
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuur-
Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
rion Uitgevers, Utrecht.
bescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Algemene websites
bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
floron.nl (soortgegevens planten)
ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
sovon.nl (soortgegevens vogels)
synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Provinciale websites
https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers (NNN en natuurbeheerplan Gelderland)
16
Bijlage 4: Waterparagraaf
Waterparagraaf Koningin Wilhelminastraat Wehl
Opdrachtgever BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel
Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM18364
Status rapport Definitief
Contactgegevens Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
Autorisatie Opsteller rapport:
paraaf
Dhr. M. Vrolix, bc. Kwaliteitscontrole: Ing. T.K.P.G. Thijssen
datum 3 juni 2022
paraaf
datum 3 juni 2022
Beknopte waterparagraaf Koningin Wilhelminastraat, Wehl / AM18364
1.
INLEIDING
Algemeen Plangebied Kadastrale registratie Coördinaten (RD stelsel) Oppervlakte studiegebied Peil maaiveld Peil grondwaterstand (DINO) Waterschap
: Koningin Wilhelminastraat te Wehl : sectie H, nrs. 4470, 4471, 4472, 5088 (ged.), 5923, 5924 en 5925 (ged.) : X = 211.530 / Y = 441.760 : circa 4.100 m2 : circa 13,2-13,8 meter +NAP : circa 11 meter +NAP : Waterschap Rijn en IJssel
In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu B.V. een beknopte waterparagraaf opgesteld voor de herontwikkeling van een perceel op de hoek van de Julianastraat en de Koningin Wilhelminastraat te Wehl (Doetinchem).Ter plaatse wil men een supermarkt realiseren. De onderzoekslocatie ligt in het centrum van Wehl, vlakbij de kerk. Het plangebied is in gebruik als bibliotheek en woningen met omliggende tegel- en klinkerverharding. In de zuidwesthoek is een grasveld aanwezig. Op onderstaande luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.
Afbeelding 1: Luchtfoto met globale begrenzing onderzoekslocatie [Bron: PDOK-viewer]
Aanleiding De aanleiding voor het opstellen van deze waterparagraaf is de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied en de verplichting hierbij waterneutraal te ontwikkelen tegenover de bestaande situatie.
Pagina 3 van 11
Beknopte waterparagraaf Koningin Wilhelminastraat, Wehl / AM18364
Beleidskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving van Europees tot lokaal niveau. Zie hiervoor ook bijlage 3. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en/of de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. Aeres Milieu B.V. is niet verantwoordelijk voor eventuele vervolgschade door onvoldoende gedimensioneerde voorzieningen of wateroverlast door de planontwikkeling. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal, waterschaps- naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren.
De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Nederland is onderdeel van vier internationale stroomgebied districten: Rijndelta, Maas, Schelde en Eems. Tot een stroomgebied district behoort niet alleen het water van de hoofdrivier, maar al het water in het betreffende gebied. In 2009 zijn de eerste stroomgebiedbeheerplannen vastgesteld. Per 22 maart 2022 gelden geactualiseerde stroomgebiedbeheerplannen (sgbp's) voor de periode 2022-2027 waarin is opgenomen hoe de waterkwaliteit per district verbeterd kan worden. Binnen elk district werken provincies, gemeenten, waterschappen en Rijkswaterstaat samen aan schoner water. Naast de stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 zijn maatregelenprogramma’s opgesteld. Hierin is op hoofdlijnen te vinden welke maatregelen de komende 6 jaar worden uitgevoerd. Door de Nota Ruimte krijgt met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie: van reageren naar anticiperen.
De laatste jaren dient in ruimtelijke plannen steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Door o.a. de invoering van de watervergunning wordt het aantal regels, vergunningstelsels en administratieve lasten vermindert. Totdat de Omgevingswet in werking treedt (naar verwachting omstreeks 2023) blijft de Waterwet van kracht. Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Gelderse Omgevingsvisie. In de vastgestelde Omgevingsvisie staan de maatschappelijke opgaven in Gelderland, die zijn ontstaan in gesprekken tussen overheden, organisaties en particulieren. Vanuit dat perspectief zijn in de Omgevingsvisie ‘het speelveld en de spelregels’ beschreven. Doelen en kwaliteit staan centraal, niet de exacte middelen. De regels behorend bij de Omgevingsvisie zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. In Nederland zijn diverse Waterschappen opgericht die integraal samen werken met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. In het Waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven. In het waterbeheerplan staat beschreven welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten/prioriteiten van belang zijn.
Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid beschreven voor de primaire taakgebieden: • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. • Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.
Pagina 4 van 11
Beknopte waterparagraaf Koningin Wilhelminastraat, Wehl / AM18364
De gemeente Doetinchem heeft samen met het waterschap Rijn en IJssel, waterbedrijf, vertegenwoordigers van natuur en milieubelangen, inwoners en bedrijfsleven het Waterplan opgesteld. In dit beleidsdocument is de integrale omgang met water in stedelijk en landelijk gebied aangegeven ter ondersteuning van het streven te komen tot veerkrachtige watersystemen en het scheiden van vuil- en schoonwaterstromen als principe. Het Waterplan Doetinchem bundelt op lokaal niveau het inzicht in de huidige situatie en geeft in de streefbeelden en ambities aan hoe duurzaamheids- en gidsprincipes van integraal waterbeheer in plannen vertaald kunnen worden. In het waterplan en het gemeentelijk rioleringsplan zijn de belangen van ruimtelijke ordening, milieu, natuur en toerisme meegewogen. Het vormen samen de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de openbare ruimte en het woon- en leefmilieu. De voorzieningen voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater zijn daar een onderdeel van.
Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: • Het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; • Water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); • Met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; • Een goede communicatie opzetten (intern en extern); • Water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; • Samenwerken en afstemmen; • Balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. Naast de gemeentelijke inspanningen om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen, zullen ook inwoners maatregelen moeten nemen om de leefbaarheid onder extremere weersomstandigheden op peil te houden. Stedelijke (her)ontwikkelingen dienen ‘waterneutraal’ plaats te vinden waarbij het hemelwater op eigen terrein verwerkt dient te worden. Ingrepen mogen in principe geen veranderingen aan het watersysteem teweeg brengen. Ruimtelijke ordening en water zijn hierbij onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Middels het watertoetsproces kan het bevoegd gezag vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en op zoek naar een bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. In tegenstelling tot het stedelijk afvalwater is het niet vanzelfsprekend dat de gemeente al het hemelwater inzamelt. De wet gaat uit van doelmatigheid: de perceeleigenaar is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het hemelwater dat op zijn perceel valt. Kan hij dit goed in de bodem of het oppervlaktewater kwijt, dan hoeft de gemeente dit niet in te zamelen. Bij uitbreidingen of herontwikkelingen dient onderzocht te worden hoe het hemelwater verwerkt kan worden. Bij de bouwaanvraag moet de eigenaar aangeven hoe het hemelwater verwerkt of afgevoerd wordt. In deze rapportage is beknopt aandacht besteed aan de huidige bodemkundige- en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden, en de (on)mogelijkheden om neerslag in de toekomstige situatie te verwerken. Een eerste aanmelding van het plan bij het waterschap is verricht door middel van de digitale watertoets (aanvraagnummer: 00005305, zie bijlage 3). Hieruit blijkt dat het waterschap gering belang heeft bij het planvoornemen en een korte procedure gevolgd dient te worden.
In hoofdstuk 2 is het planvoornemen toegelicht en is de watertoetstabel met een beschrijving van het huidig en toekomstig watersysteem en de bijhorende randvoorwaarden voor de planontwikkeling opgenomen. In hoofdstuk 3 tenslotte worden bijkomende aandachtspunten opgesomd.
Pagina 5 van 11
Beknopte waterparagraaf Koningin Wilhelminastraat, Wehl / AM18364
2.
BEKNOPTE WATERPARAGRAAF
2.1
Inleiding
Deze beknopte waterparagraaf is opgesteld voor de voorgenomen herontwikkeling van een perceel aan de Koningin Wilhelminastraat te Wehl. Zie bijlage 1 voor een topografisch overzicht. Na sloop van de bestaande bebouwing wil men ter plaatse een supermarkt met zuidelijk een parkeerterrein realiseren. Hieronder is een afbeelding met het planvoornemen weergegeven. Zie ook bijlage 2.
Afbeelding 2: Concepttekening toekomstige planontwikkeling [Bron: Opdrachtgever]
Van belang bij herontwikkelingen is het voorkomen van (grond)wateroverlast. Ten opzichte van het grondwater is de hoogteligging van belang. Het plangebied ligt noordoostelijk op ca. 13,9 meter +NAP en is aflopend in zuidwestelijke richting tot ca. 13,2 m +NAP. Afbeelding 3 geeft de hoogteligging van het plangebied en omgeving weer. De omgeving van het plangebied ligt op een vergelijkbare hoogte als de onderzoekslocatie. Het noordoostelijke Kerkplein ligt op ca. 13,8 meter +NAP en de Julianastraat en de Koningin Wilhelminastraat liggen op ca. 13-13,1 meter +NAP.
Pagina 6 van 11
Beknopte waterparagraaf Koningin Wilhelminastraat, Wehl / AM18364
Afbeelding 3: Hoogtekaart van het plangebied en omgeving, in meters NAP [Bron: AHN Nederland]
Bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, dienen er maatregelen genomen te worden om de negatieve effecten van deze ruimtelijke ontwikkelingen op de waterhuishouding te voorkomen. Uitgangspunt is dat deze maatregelen in het plangebied zelf plaatsvinden. In het algemeen is het doel het zoveel mogelijk afkoppelen van schoon hemelwater om deze vervolgens te infiltreren in de grond. Bij infiltratie moet voorkomen worden dat er schadelijke stoffen via bouwmaterialen als bijvoorbeeld zink, lood en koper in het water of de in de bodem terechtkomen. 2.2
Watertoetsproces
Het Waterschap Rijn en IJssel heeft een 'Handreiking Standaard Waterparagraaf voor bestemmingsplannen' opgesteld, waarin een watertoetstabel is opgenomen. In de betreffende tabel zijn voor verschillende thema's toetsvragen opgenomen die beantwoord zijn. De toetsvragen die met 'ja' worden beantwoord zijn belangrijke thema's. Deze worden nader toegelicht in de volgende sub paragraaf. Aan de hand van beantwoording van de vragen in de tabel is op te maken welke procedure gevolgd dient te worden. Thema Veiligheid
Riolering en Afvalwaterketen
Toetsvraag 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?