B7.0 Onderbouwing Akkerhof, Gaanderen.pdf
Tekst van het document
6.1.2
Onderzoek
Door Buro Ontwerp & Omgeving is in januari 2025 een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11. Hieronder worden de belangrijkste resultaten van het onderzoek behandeld. Selectie van geluidsbronnen De nieuwe woningen staan nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de zones rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. In de omgeving van de nieuwe woningen bevinden zich wegen en een spoorlijn. Gezoneerde bedrijventerreinen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk naar de geluidhinder afkomstig van de gemeentelijke wegen (Akkerstraat en Kerkstraat) en de spoorlijn Winterswijk - Zevenaar - Arnhem. Resultaten De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de gemeentelijke wegen, bedraagt 37 dB. Bij de nieuwe woningen wordt hierdoor voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de spoorlijn, bedraagt 55 dB. Bij de nieuwe woningen wordt hierdoor voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB uit het Bkl. Eindconclusie Bkl Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl.
Omdat er geen geluidreducerende maatregelen mogelijk zijn, moet beoordeeld worden of de optredende geluidbelastingen acceptabel zijn. De optredende cumulatieve geluidsbelastingen (LCUM) komen overeen met een classificatie van redelijk. Daarmee zijn de cumulatieve geluidbelastingen acceptabel. De realisatie van de nieuwe woningen is daarmee mogelijk. Eindconclusie Bbl Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 4.102 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. De hoogste gezamenlijke geluidsbelasting bedraagt 55 dB. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (55-33=) 22 dB worden bereikt. 6.1.3
Conclusie
Bij de aanvraag van een 'Omgevingsvergunning bouwen' (voormalige bouwvergunning) moet door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl wordt gegarandeerd/gehaald. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
38 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.2
Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM1 0 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM1 0 niet hoger is dan 1,2 ug/m3 . Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.
Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.
39 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.2.2
Onderzoek
Het voorgenomen initiatief voorziet in de herontwikkeling van een terrein met overwegend grasland door de realisatie van achttien woningen en de sloop van een bijgebouw in het projectgebied. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM1 0 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2022 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2022, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.
Het rekenpunt (09215668_15992503) dat het dichtst bij het projectgebied ligt (Akkerstraat) kent de volgende gemeten waarden voor NO2 , PM1 0 en PM2,5 in 2023: NO2 : 9,3179 µg/m3 PM1 0: 14,6042 µg/m3 PM2,5: 8,2039 µg/m3 Voor NO2 en PM1 0 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 . Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3 . De hoeveelheid NO2 , PM1 0 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2022, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 6.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.3
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
40 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.3.1
(Wettelijk) kader
De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2
Onderzoek
In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt aan de Tuinstraat 9 te Gaanderen. Deze veehouderij heeft een vaste richtafstand van 100 meter. De afstand tussen de veehouderij en het projectgebied bedraagt circa 700 meter. Het is niet noodzakelijk het aspect geur nader te onderzoeken. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen in het projectgebied. 6.3.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.4
Bodemkwaliteit
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; 41 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.4.2
Onderzoek
Door Greenhouse Advies is in september 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 12. Hieronder worden kort de belangrijkste resultaten uit dit onderzoek besproken. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Vooronderzoek Uit het historisch onderzoek blijkt dat in 1998, 2004 en 2009 op een deel van het terrein eerder bodemonderzoeken zijn uitgevoerd, en in 2000 is een bodemonderzoek uitgevoerd op een aanliggend terrein. In eerder uitgevoerde bodemonderzoeken in de bovengrond lokaal lichte verhogingen (> streefwaarde of achtergrondwaarde) zijn aangetoond van het gehalte aan PAK. In de ondergrond zijn van de onderzochte parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de desbetreffende streef- en achtergrondwaarden. Uit gegevens van de provincie Gelderland blijkt dat op circa 75 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie zich een bekende grondwaterverontreiniging met nikkel bevindt. Deze grondwaterverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk geen bedreiging voor de onderzoekslocatie aangezien de grondwaterstroming naar het westen tot zuidwesten gericht is. Veldonderzoek Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem tot op een diepte van vijf meter bestaat uit zwak siltig, fijn zand. De bovenste 0,6 meter bestaat uit humeus zand.
In de bovengrond is lokaal sporen van baksteen, beton en kooldeeltjes aangetroffen. Tijdens de monsterneming is de grondwaterstand aangetroffen op een diepte van circa 3,5 m-mv. Chemisch onderzoek Uit de analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de Wbb blijkt dat er lokaal in de bovengrond een lichte verhoging (> achtergrondwaarde) is aangetoond voor het gehalte aan lood. In de strook langs het spoor is een lichte verhoging (> achtergrondwaarde) aangetoond van het gehalte aan PAK. Alle overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van desbetreffende achtergrondwaarden. In de ondergrond zijn alle onderzochte parameters niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de desbetreffende achtergrondwaarden. Zowel de boven- als de ondergrond voldoet indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde, en is dus altijd toepasbaar. In het grondwater is een licht verhoogde (> streefwaarde) concentratie van barium aangetoond. Daarnaast is lokaal in het grondwater een licht verhoogde (> streefwaarde) concentratie van cadmium en zink aangetoond. Alle overige 42 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond boven de desbetreffende streefwaarden. Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het terrein in het projectgebied is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Opmerking Tussen het moment van uitvoeren van het bodemonderzoek en nu, zijn de functies en het gebruik van de onderzochte gronden in het projectgebied niet veranderd. Daarnaast hebben er sinds het uitvoeren van het bodemonderzoek geen bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Daarom is er geen reden om aan te nemen dat de bodemkwaliteit niet langer geschikt is voor de beoogde woonfunctie. 6.4.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.5
Mobiliteit en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1
(Wettelijk) kader
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Doetinchem heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.5.2
Onderzoek
Verkeer De realisatie van de achttien woningen in het projectgebied zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. In de voormalige situatie was er sprake van een terrein met overwegend grasland in het projectgebied. Door het ontbreken van een betreffende functie zijn er volgens de kengetallen van het CROW hieraan geen verkeersbewegingen gekoppeld. In de toekomstige situatie is in totaal sprake van achttien woningen. De woningen zijn onderverdeeld in 2x vrijstaand, 2x twee-onder-één-kap en 14x rijtjeshuis. Bij het berekenen van het aantal verkeersbewegingen kan volgens de kengetallen van het CROW uit worden gegaan van de verstedelijkingsgraad 'matig stedelijk' en het 43 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Voor een vrijstaande woning ('Koop, huis, vrijstaand') geldt maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Voor een twee-onder-één-kapwoning ('Koop, huis, twee-onder-een-kap) geldt maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Voor een rijtjeshuis ('Koop, huis, tussen/hoek') geldt maximaal 7,5 verkeersbewegingen. Voor de toekomstige situatie met achttien wooneenheden komt dit neer op ((2 x 8,6) + (2 x 8,2) + (14 x 7,5) =) 138,6 = 139 verkeersbewegingen per dag. Dit betekent dat met de voorgenomen ontwikkeling het aantal verkeersbewegingen per dag logischerwijs ook toeneemt met 139 verkeersbewegingen. De woningen worden ontsloten via een gelijkwaardige kruising op de Akkerstraat. Dit is een doorgaande route binnen de kern Gaanderen. Deze weg heeft voldoende capaciteit om het nieuwe aantal verkeersbewegingen per dag op te vangen. Zoals in paragraaf 3.1 is benoemd, wordt het projectgebied zelf als een erf vormgegeven. Hierdoor zijn trottoirs/voetgangersstroken niet noodzakelijk en geldt er een maximale rijsnelheid van 15 km/uur. Daarnaast zijn er geen hoogteverschillen in de openbare ruimte binnen het projectgebied. Verder is het projectgebied bereikbaar voor vuilnisdiensten (ophalen van huisvuil en containers) en hulpdiensten. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet.
Volgens de 'Nota Parkeernormen 2024' van de gemeente Doetinchem is het benodigde aantal parkeerplaatsen gerelateerd aan het type woning. In de toekomstige situatie is in totaal sprake van achttien woningen. De woningen zijn onderverdeeld in 2x vrijstaand, 2x twee-onder-één-kap en 14x rijtjeshuis. Bij het gebiedstype 'Rest bebouwde kom' horen bij 'Vrijstaand' 2,2 parkeerplaatsen per woning, bij 'Twee-onder-één-kap' 2,1 parkeerplaatsen per woning en bij 'Rijtjeshuis' 1,9 parkeerplaatsen per woning. Volgens het parkeerbeleid van de gemeente Doetinchem zijn er in totaal dus ((2 x 2,2) + (2 x 2,1) + (14 x 1,9) =) 35,2 = 36 parkeerplaatsen benodigd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 36 parkeerplaatsen in het projectgebied (8 ter plaatse van het eigen terrein op diverse nieuwe woonkavels en 28 verspreid in de openbare ruimte). Parkeren in de openbare ruimte is enkel toegestaan in parkeervakken welke voorzien zijn van de letter P. Hiermee worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om aan de benodigde parkeerbehoefte te voldoen. 6.5.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.6
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 44 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.6.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2
Onderzoek
Het voorgenomen initiatief voorziet in de realisatie van achttien woningen. Deze woningen worden aangemerkt als 'kwetsbaar gebouw'. Hiermee voorziet de ontwikkeling in nieuw kwetsbare gebouwen. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een groene omlijning.
45 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
Uitsnede veiligheidskaart Atlas Leefomgeving
Het projectgebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 risicocontour. Tevens is het projectgebied niet gelegen in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. 6.6.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.7
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.7.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 46 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.7.2
Onderzoek
Door Natuurbank Overijssel is in januari 2025 een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 13 bijgevoegd. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn in de navolgende alinea's samengevat. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', dat gelegen is op een afstand van circa 15,5 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Ten zuiden van het projectgebied is een Natura 2000-gebied in Duitsland gelegen op minder dan 10 kilometer afstand. Het projectgebied ligt op minimaal 266 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op minimaal 1,28 km van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast. Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om deze reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in januari 2025 een AERIUS-berekening uitgevoerd.
Deze berekening is bijgevoegd als Bijlage 14. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Er is dus geen significante toename als gevolg van het initiatief. Er is ook voor de realisatiefase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Ook in de realisatiefase blijkt dat er geen depositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt. Soortenbescherming Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten geconstateerd. Het kan wel zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene diersoorten op de locatie voorkomen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het projectgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Handelingen die nadelige effecten hebben moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te beperken of ongedaan te maken. Navolgende tabel geeft een vereenvoudigde samenvatting weer van de resultaten per diergroep.
47 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
Tabel met samenvatting resultaten soortenbescherming
Op basis van de uitgevoerde quickscan zijn negatieve effecten op strikt beschermde plant- en diersoorten uitgesloten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. 6.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.8
Trillingshinder
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect trillingshinder. 6.8.1
(Wettelijk) kader
In Nederland bestaat tot op heden geen wet voor het voorkomen van hinder door trillingen, zoals die wel bestaat voor geluidhinder (Wet geluidhinder). Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 Omgevingswet, waarin de zorg voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voorgeschreven. 6.8.2
Onderzoek
De beoogde woningen in het projectgebied worden gerealiseerd langs de spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk. Daarbij kunnen trillingen van treinverkeer als hinderlijk worden ervaren. De nieuwe woningen in het projectgebied komen tussen circa 20 en 70 meter afstand van het spoor te liggen. Om deze reden is door Peutz in januari 2025 een trillingshinderonderzoek uitgevoerd. Deze berekening is bijgevoegd als Bijlage 15. Specifiek is de voorgenomen woningbouw in het projectgebied gelegen langs het railtraject Doetinchem-Terborg. Ter plaatse is sprake van een enkel spoor, zonder spoorwissels en/of bochten. De spoorlijn is gelegen op een aarden baan op maaiveldniveau. Op basis van de opgave van ProRail rijden er op het traject uitsluitend 48 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
passagierstreinen (geen goederentreinen). Uit de resultaten blijkt dat ter hoogte van de geprojecteerde gevellijn nabij het spoor de Vmax-waarde vanwege treinpassages in de maatgevende (verticale) richting ten hoogste (afgerond) 0,52 bedraagt. In de horizontale richting bedraagt het maximale trillingniveau 1,71. Op grotere afstand van het spoor betreffen de maximale waarden voor de verticale en horizontale richting 0,18 en 0,25, respectievelijk. De gemeten trillingniveaus op maaiveldniveau zijn hoger dan streefwaarde A2 van 0,2 voor nieuwe situaties in de nachtperiode. De trillingniveaus op grotere afstand van het spoor zijn eveneens hoger dan streefwaarde A2 . De gemeten trillingsniveaus hebben een aanstootfrequentie van 25 à 31,5 Hz. Dergelijke hoogfrequente trillingen worden doorgaans sterk gedempt door een relatief zwaar en stijve fundering. Daarmee zal het mogelijk zijn om te voldoen aan de streefwaarden voor maximaal toelaatbare trillingniveaus in de geprojecteerde woningen, zowel ten aanzien van de streefwaarde A2 voor het maximale trillingniveau als ten aanzien van de streefwaarde A3 voor het gemiddelde trillingniveau Vper. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp van de woningen is het raadzaam na te gaan in hoeverre voldoende trillingreductie daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Wel wordt er met de voorgenomen woningbouw in het projectgebied relatief zwaar gebouwd (ten opzichte van een HSB woning of een woning met een staalconstructie) met spouwmuren en betonnen vloeren, waardoor te verwachten is dat de trillingshinder meevalt. In de toekomstige situatie zou dus wel enige trillingshinder op kunnen treden in de woningen. Geadviseerd wordt in een volgend stadium van het ontwerp van de woningen de mate van trillingen en trillingsreductie door te rekenen. 6.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect trillingshinder geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.9
Ontplofbare Oorlogsresten (OO)
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze in het projectgebied bij de activiteit rekening wordt gehouden met niet-gesprongen explosieven en ontplofbare oorlogsresten. Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een gedeelte om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.
49 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.9.1
(Wettelijk) kader
In Nederland kennen we geen wet- en regelgeving of landelijk beleid dat richting geeft aan de omgang met risico's/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten (OO), tenminste waar het gaat om publieke risico's (dus anders dan het arbeidsomstandighedenrisico). Er is dus geen sprake van landelijke risiconormen over welke risico's/gevaren van OO al dan niet aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het lokaal bevoegd gezag een eigen afweging moet maken op grond van haar verantwoordelijkheid voor de openbare veiligheid over de acceptatie van risico's/gevaren van OO. 6.9.2
Toetsing
Op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart (2024) kan geconcludeerd worden dat (een deel van) het projectgebied een hoge verwachting heeft met betrekking tot de aanwezigheid van OO. In het kader van openbare veiligheid en het Arbobesluit zal in de verdere voorbereidingen van het project een nader risicoanalyse en/of detectie in het veld uitgevoerd moeten worden door een specialistisch onderzoeksbureau. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de gemeentelijke verwachtingskaart OO weer. Het projectgebied is globaal met een gele stippellijn weergegeven. De groene kleur geeft weer waar er een lage verwachting van OO aanwezig is. De rode kleur geeft weer waar een hoge verwachting OO aanwezig is.
Uitsnede gemeentelijke verwachtingskaart OO
De gemeente Doetinchem heeft aangegeven dat de initiatiefnemer een specialistisch bureau (ten aanzien van OO) dient in te schakelen op het moment dat de planontwikkeling concreet is (maatvoering ondergronds verticaal/horizontaal moet bekend zijn). Dit is veelal in een later stadium van de planontwikkeling, namelijk ten tijde van de vergunningaanvraag. De gemeente Doetinchem kan hierbij adviseren. 50 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.9.3
Conclusie
Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten (OO) vormt, indien rekening gehouden wordt met hetgeen dat wordt aanbevolen door de gemeente Doetinchem, geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
6.10 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.10.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.10.2 Onderzoek Archeologie Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij het 'Omgevingsplan gemeente Doetinchem' wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld.
Het projectgebied ligt volgens het geldende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' (als onderdeel van het 'Omgevingsplan gemeente Doetinchem') in een zone met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 250 m 2 en indien deze dieper dan 0,4 m onder het maaiveld plaatsvinden. Vanwege de archeologische bescherming ter plaatse van de locatie is door Hamaland advies in januari/februari 2025 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 16. Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek kort behandeld. Conclusie Bureauonderzoek: Op basis van de resultaten van het booronderzoek van Synthegra wordt binnen het noordelijk deel van het projectgebied een plaggendek van 50 à 80 centimeter dikte op dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) verwacht. Tijdens het 51 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op een vindplaats. Door de aanwezigheid van de dikke plaggendek kunnen eventuele oudere archeologische resten in de daaronder gelegen oorspronkelijke bodem goed beschermd zijn gebleven tegen bodemverstoringen van agrarische activiteiten (ploegen etc.); volgens het onderzoek van Sythegra is er geen sprake van (resten van) bodemvorming en is de top van de natuurlijke ondergrond opgenomen in het plaggendek. De laagovergang tussen het plaggendek en de C-horizont is geleidelijk, wat erop duidt dat deze vermenging al lang geleden heeft plaatsgevonden. Van oudsher vormen de hogere droge delen van het landschap in de nabijheid van water, zoals de hogere rivierterrasresten, dekzandruggen en rivierduinen, gunstige vestigingslocaties voor zowel jagers-verzamelaars vanaf het Laat-Paleolithicum als voor landbouwsamenlevingen vanaf het Neolithicum. Deze hogere delen van het landschap hebben daarom een hoge archeologische verwachting. De lagere landschappelijke delen zoals dekzand-/rivierterrasvlaktes en -laagtes vormen daarentegen vanwege de natte en drassige bodemomstandigheden onaantrekkelijke vestigingslocaties en hebben een lage archeologische verwachting. In het projectgebied worden deze lage landschappelijke delen niet verwacht. De rivierduinwelvingen nemen in het landschap een middenpositie in.
Omdat in de omgeving hogere rivierterrasresten voorkomen die een gunstigere vestigingslocatie vormen, hebben de middelhoge rivierduinwelvingen een middelhoge archeologische verwachting. Op basis van Archis3 is ten westen van het projectgebied mogelijk sprake van een nederzettingslocatie uit de Late Ijzertijd tot en met de Middeleeuwen. Op basis van het historisch cartografisch onderzoek heeft het projectgebied vanaf minstens het begin van de 19e eeuw een agrarische functie (bouwland) gekend en is het projectgebied tot op heden onbebouwd gebleven. De spoorlijn Zevenaar-Winterswijk is in 1885 in gebruik genomen en vormt de zuidelijke grens van het projectgebied. Toen de woonwijk gerealiseerd werd, werd het landgebruik in het projectgebied gewijzigd naar grasland. De kans op de aanwezigheid van bouwhistorische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd wordt daarom laag ingeschat. Booronderzoek: In het projectgebied is sprake van een uniforme bodemopbouw. Onder een subrecente bouwvoor met een geringe bijmenging aan beton en baksteenpuin is sprake van een bruine eerdlaag op een ouder plaggendek. Het plaggendek gaat geleidelijk over in fijn dekzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. De top van de eerdlaag (A1-horizont) is aangetroffen op dieptes variërend van 30 cm-mv (boring 2, 8 en 9) tot maximaal 40 cm-mv (boring 6).
De top van het plaggendek (A2-horizont) is aangetroffen op dieptes variërend van 50 cm-mv (boring 7, 8 en 9) tot maximaal 65 cm-mv (boring 5). In boring 1 ontbreekt het plaggendek. De top van het dekzand is aangetroffen op dieptes variërend van 65 cm-mv (boring 7) tot maximaal 120 cm-mv (boring 2). Selectieadvies Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het noordelijk deel van het projectgebied middels een karterend booronderzoek in 2009 onderzocht is door Synthegra (zie Afbeelding 13). Op basis van de resultaten van dit onderzoek hebben zij geadviseerd om hun onderzoeksgebied vrij te geven. 52 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
Op basis van het ontbreken van vindplaatsen of indicaties van menselijke bewoning in het verleden adviseren wij om ook het zuidelijk deel van het projectgebied vrij te geven (geen vervolgonderzoek). Voor zover bepaald kon worden is het projectgebied vanaf de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd altijd in gebruik geweest als akker. Daarnaast heeft de Omgevingsdienst Achterhoek in maart 2025 een advies uitgebracht ten aanzien van het archeologisch onderzoek op de locatie: "Gezien de situering van het projectgebied, gelegen in een relatieve laagte tussen verschillende duinen, en de afwezigheid van archeologische indicatoren in de gezette boringen, is de kans klein dat zich ter plaatse een vindplaats bevindt. Daarom is archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk en kan het projectgebied worden vrijgegeven". Cultuurhistorie Het projectgebied met het terrein met overwegend grasland en het bestaande kleine bijgebouw heeft geen specifieke cultuurhistorische waarde. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk. Wel is het bij het uitvoeren van bodemingrepen in het projectgebied mogelijk dat toevalsvondsten worden gedaan.
Indien hiervan sprake mocht zijn, dient het bevoegd gezag hiervan op de hoogte te worden gesteld in het kader van de meldingsplicht. 6.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.11 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 6.11.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid 53 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie Hoofdstuk 5). 6.11.2 Onderzoek energietransitie De nieuwe woningen in het projectgebied voldoen aan de minimale eisen van het BBL en de BENG. Dit betekent dat de woningen gasloos worden gebouwd, voorzien worden van een warmtepomp en er zonnepanelen worden geplaatst. Bij de nadere uitwerking van de planontwikkeling worden het type en de locatie van de warmtepompen bepaald. Hierbij wordt geborgd dat de warmtepompen zodanig worden gerealiseerd dat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van geluid en situering. De realisatie van de warmtepompen leidt daarmee niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Daarnaast wordt nog afgewogen of gesloten bodemenergiesystemen een (collectieve) mogelijkheid zijn voor de verdere inrichting van het projectgebied. Hiermee zijn de woningen klaar voor de energietransitie. 6.11.3 Onderzoek circulariteit De nieuwe woningen in het projectgebied worden traditionele woningen in een gemetselde vorm met een spouwmuur. Mogelijk dat de klinkers van de huidige in- en uitrit in het projectgebied hergebruikt kunnen worden voor een nader te bepalen uitwerking in de toekomstige situatie. 6.11.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water In Nederland krijgen we steeds vaker te maken met zware buien, langdurige droogte en extreme hitte. Dat betekent ook dat we anders moeten gaan bouwen. De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet. Deze maatlat geeft uitvoering aan het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Gemeentelijke klimaatatlas (risico's en omgang toekomstige situatie) Ten aanzien van artikel 5.85 van de provinciale Omgevingsverordening is, op basis van de klimaatatlas gemeente Doetinchem, in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering en hoe daar mee om wordt gegaan in de toekomstige situatie in relatie tot de voorgenomen planontwikkeling. 54 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het projectgebied weinig plasvorming wordt verwacht na een korte of lange bui. Ter plaatse van het lagergelegen noordoostelijk deel van het projectgebied (plus de lager gelegen bestaande tuinen van de aangrenzende percelen) is wel sprake van flinke wateroverlast als gevolg van extreme neerslag. Om eventuele wateroverlast zo goed mogelijk tegen te gaan worden in het projectgebied een centrale groene ruimte met een wadi, waterpasserende parkeerplaatsen (halfverharding) en verlaagde groenzones aangelegd (zie het inrichtingsplan in paragraaf 3.1). Daarnaast wordt het wegprofiel in het projectgebied zo aangelegd dat het water wat hierop valt naar de halfverharding of centraal gelegen wadi wordt geleid. Hierdoor wordt de waterbergingscapaciteit in het projectgebied verhoogd en kan het water (vertraagd) afgevoerd/geïnfiltreerd worden. Aangezien in het noordoostelijk deel van het projectgebied de tuinen van de nieuwe woningen ook zullen grenzen aan de bestaande tuinen van de naastgelegen percelen, zal er extra aandacht moeten worden besteed aan de (onverharde) inrichting van de nieuwe tuinen zodat wateroverlast zo veel mogelijk kan worden beperkt.
Om dit te realiseren worden de achterpaden achter de rijwoningen voorzien van infiltratiekolken en wordt in de zuidoostelijke hoek van het projectgebied een waterdichte keerwand aangelegd. Noodoverlopen worden in latere stadia civieltechnisch uitgewerkt. Voor meer toegelichtin zie Bijlage 18. Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het projectgebied normaal zal zijn op warme dagen. Dit is naar waarschijnlijkheid gebaseerd op de huidige situatie (voornamelijk grasland aanwezig in het projectgebied). In de toekomstige situatie wordt er verharding toegevoegd in het projectgebied, waardoor de gevoelstemperatuur kan toenemen. Wel wordt in het inrichtingsplan (zie paragraaf 3.1) rekening gehouden met het aanbrengen van voldoende groen in het projectgebied (circa 35% van de totale oppervlakte). Zo worden alle parkeerplaatsen uitgevoerd met halfverharding en worden er diverse groenvoorzieningen en bomen gerealiseerd in het openbare gebied. Dit zorgt voor minder hittestress en een lagere buitentemperatuur op warme dagen door o.a. schaduwwerking. Daarnaast zijn de geplande nieuwbouwwoningen goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Droogte.
De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 geen verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het projectgebied sprake van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf zoals dat in feite in de huidige (onbebouwde) situatie ook zo is. Het projectgebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. In het projectgebied zijn geen waterpartijen en beken aanwezig die stil kunnen komen te staan of droog kunnen vallen. Daarmee is geen sprake van een risico voor de volksgezondheid. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering. Overstroming. De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen watergangen in nabijheid van het projectgebied liggen. Mocht ergens de dijk van de IJssel of de Rijn bezwijken, dan vormt overstroming geen risico voor het projectgebied. Er zal bij een 55 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
overstroming geen water in het projectgebied staan. Daarnaast is de kans op overstroming klein. Gezien de geringe kans hierop zijn verdere maatregelen niet noodzakelijk. In navolging op bovenstaande uitwerking van de gemeentelijke klimaatatlas is voor het projectgebied door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan klimaatadaptatie (in januari 2025) en een quickscan water (in mei 2025) uitgevoerd. Deze quickscans zijn bijgevoegd als Bijlage 17 en Bijlage 18. Daarnaast is ook door Buro Ontwerp & Omgeving in december 2024 een Digitale Watertoets ingevuld, welke bijgevoegd is als Bijlage 19. Navolgend volgen de conclusies en worden overzichtelijk de toegepaste maatregelen (ten aanzien van klimaatadaptatie en water) in het projectgebied weergegeven.
Quickscan klimaatadaptatie Op basis van de Omgevingsverordening Gelderland zijn de volgende aspecten getoetst: Waterveiligheid; Wateroverlast; Droogte; Hitte. Uit de toetsing blijkt dat voor het projectgebied, als gevolg van de toekomstige inrichting en de klimaatverandering, rekening gehouden dient te worden met de nadelige gevolgen van: Wateroverlast als gevolg van korte hevige piekbuien; Droogtegevoeligheid; Hittestress als gevolg van de toename van verharding. Dit sluit aan bij de analyse van de risico's als gevolg van klimaatverandering volgens de gemeentelijke klimaatatlas.
Digitale Watertoets Via de Digitale Watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief in het projectgebied relevant zijn. Ten aanzien van het wateradvies geldt dat de normale procedure doorlopen dient te worden. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft de aanvraag van de Digitale Watertoets bekeken en advies uitgebracht. De verharding in het projectgebied neemt in de toekomstige situatie toe met meer dan 500 m 2 en er is sprake van een toename van afvalwater. Het hemelwater dient in de toekomstige situatie te worden geïnfiltreerd binnen het projectgebied en er mag geen afwenteling plaatsvinden van waterproblemen op de omliggende percelen en het watersysteem. Ten aanzien van het advies dient een waterparagraaf te worden opgesteld, waarin beschreven wordt hoe binnen het plan wordt omgegaan met water en watergerelateerde aspecten. Er wordt geadviseerd om een waterhuishoudkundige onderbouwing op te stellen waarin wordt ingegaan op: Totaal aantal m 2 verhard oppervlak; Benodigde berging in m 3 ; 56 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
Bergingsvoorzieningen en bijbehorende capaciteit; Maatregelen om wateroverlast te voorkomen; Waterkwaliteit; Omgang met afvalwater en riolering; Deze paragraaf 6.11.4 voorziet in de uitwerking waterhuishoudkundige onderbouwing.
van
de
benoemde
Quickscan water Mede naar aanleiding van het verstrekte advies van het Waterschap Rijn en IJssel is voor de voorgenomen planontwikkeling een quickscan water opgesteld. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De bodem van onderhavig projectgebied bestaat matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond is zwak tot matig humeus; De ondergrond is zeer geschikt voor de infiltratie van hemelwater (>10m/dag); De bovengrond is tot 0,5 m-mv en plaatselijk 1,0 m-mv zwak tot matig humeus. De humeuze grond is naar verwachting slecht tot matig geschikt voor de infiltratie van hemelwater; Het maaiveld van het projectgebied is gelegen op een hoogte variërend tussen 15,8 en 17,3 m +NAP; De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het projectgebied wordt ingeschat op circa 13,5 m +NAP (circa 2,3 – 3,8 m-mv); Op basis van het beleid van de gemeente Doetinchem en het Waterschap Rijn en IJssel dient er circa 309 m 3 water geborgen te worden; In het ontwerp wordt aan deze eis voldaan door de aanleg van een wadi, waterpasserende parkeerplaatsen en verlaagde groenzones; In de toekomstige situatie dient rekening gehouden te worden met een DWA (droogweerafvoer) piekbelasting van circa 0,4 m 3 /uur.
Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het projectgebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. De uiteindelijke wijze van berging dient afgestemd te worden met de gemeente en het waterschap. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltechnisch uitgewerkt te worden.
Uitwerking toegepaste maatregelen projectgebied t.a.v. klimaatadaptatie en water Voor het projectgebied is in het ontwerp met klimaatadaptatie en water rekening gehouden door diverse maatregelen toe te passen: Aanbrengen van diverse groensoorten (grasland, heesters en bomen); De hoeveelheid verhard oppervlak beperken (waar mogelijk); De benodigde verharding gedeeltelijk uit te voeren in grasbeton/halfverharding (afname hittestress en vertraagde afvoer van hemelwater) en het hemelwater te laten infiltreren in de bodem; Het aanleggen van een grote centrale groene ruimte met een wadi; Het aanleggen van verlaagde groenzones; 57 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
Het wegprofiel zo aanleggen dat het water wat hierop valt naar de halfverharding of centraal gelegen wadi wordt geleid; Het aanleggen van het vloerpeil 20 cm boven het straatpeil/de aangrenzende infrastructuur (voorkomen dat water woningen binnen kan stromen) Uit bovenstaande uitwerking van de gemeentelijke klimaatatlas en diverse onderzoeken blijkt dat het projectgebied klimaatadaptief, waterrobuust en toekomstbestendig wordt ingericht. 6.11.5 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.12 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.12.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.
Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.12.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is in januari 2025 een project-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 20 bijgevoegd. 58 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.12.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
6.13 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.13.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m 2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.13.2 Onderzoek In voorliggend plan worden achttien nieuwe woningen gerealiseerd en een bestaand klein bijgebouw gesloopt. Per saldo worden er achttien woningen in het projectgebied gerealiseerd. Ten opzichte van de vigerende planologische situatie neemt het aantal woningen in het projectgebied dus toe met achttien woningen. De ontwikkeling wordt dus aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 21. De voorgenomen ontwikkeling is goed passend binnen de omgeving (kern Gaanderen).
De omgeving van het projectgebied kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van woningen. Er is dan ook sprake van een inbreidingslocatie in bestaand stedelijk gebied. Daarnaast past het initiatief binnen de gestelde kaders van het provinciaal, regionaal en gemeentelijk woonbeleid. 59 omgevingsvergunning "Woningbouw Akkerstraat te Gaanderen" ontwerp
6.13.3 Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee wel aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.
6.14 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.14.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten).